← Geldende tekst · Geschiedenis

Wet van 23 december 1965, houdende vervanging van het Besluit op de Dividendbelasting 1941 door een nieuwe wettelijke regeling

Geldende tekst a fecha 2005-12-02

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is het Besluit op de Dividendbelasting 1941 door een meer overzichtelijke en op verschillende punten herziene wettelijke regeling te vervangen;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Hoofdstuk I. Belastingplicht

Artikel 1
1.

Onder de naam 'dividendbelasting' wordt een directe belasting geheven van degenen, die - rechtstreeks of door middel van certificaten - gerechtigd zijn tot de opbrengst van aandelen in, en winstbewijzen van en geldleningen als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel d, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 aan in Nederland gevestigde naamloze vennootschappen, besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid, open commanditaire vennootschappen en andere vennootschappen welker kapitaal geheel of ten dele in aandelen is verdeeld.

2.

Voor de toepassing van deze wet worden bewijzen van deelgerechtigdheid in fondsen voor gemene rekening als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, gelijkgesteld met aandelen in vennootschappen waarvan het kapitaal geheel of ten dele in aandelen is verdeeld en worden de fondsen gelijkgesteld met vennootschappen.

3.

Heeft de oprichting van een in het eerste lid bedoelde vennootschap plaatsgevonden naar Nederlands recht, dan wordt die vennootschap steeds geacht in Nederland te zijn gevestigd.

Een Europese naamloze vennootschap die bij haar oprichting werd beheerst door Nederlands recht, wordt voor de toepassing van de eerste volzin geacht te zijn opgericht naar Nederlands recht.

Hoofdstuk II. Voorwerp van de belasting

Artikel 2

De belasting wordt geheven naar de opbrengst van de in artikel 1 bedoelde aandelen, winstbewijzen en geldleningen.

Artikel 3
1.

Tot de opbrengst behoren:

2.

Niet in geld genoten opbrengst wordt in aanmerking genomen naar de waarde welke daaraan in het economische verkeer kan worden toegekend.

3.

Inkoop van aandelen met het oog op de nakoming van een optieverplichting jegens een werknemer van de eigen vennootschap of een verbonden vennootschap als bedoeld in artikel 10a, zevende lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 is een tijdelijke belegging. Ingeval deze aandelen drie maanden na het tenietgaan van de optieverplichting nog tot de bezittingen van de vennootschap behoren, worden zij op dat tijdstip geacht te zijn ingekocht tegen de waarde in het economische verkeer van de aandelen op dat tijdstip. Voor de toepassing van dit lid wordt onder een optieverplichting verstaan een verplichting die de tegenhanger is van een recht om een of meer aandelen of daarmee gelijk te stellen rechten te verwerven, of van een recht dat daarmee gelijk te stellen is.

4.

Inkoop van aandelen in een kalenderjaar door een beleggingsinstelling als bedoeld in artikel 1 van de Wet toezicht beleggingsinstellingen wordt aangemerkt als een tijdelijke belegging, tenzij de beleggingsinstelling de inkoop terstond aanmerkt als een inkoop in de zin van het eerste lid, onderdeel a. Ingeval aan het einde van het kalenderjaar meer aandelen als tijdelijke belegging zijn ingekocht dan in dat jaar door de beleggingsinstelling in het economische verkeer zijn gebracht, worden de meer ingekochte aandelen geacht een inkoop van aandelen te zijn als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, tegen de gemiddelde waarde in het economische verkeer van de in de loop van het kalenderjaar als tijdelijke belegging ingekochte aandelen. Voor de toepassing van dit lid blijven aandelen die zijn ingekocht met het oog op de nakoming van een optieverplichting als bedoeld in het derde lid, en aandelen die in het economische verkeer zijn gebracht in het kader van een zodanige optieverplichting of ter voldoening van de in artikel 28, tweede lid, onderdeel b, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 bedoelde uitdelingsverplichting, buiten beschouwing.

Artikel 3a
1.

Voorzover de storting op aandelen in een vennootschap bestaat uit aandelen in een andere vennootschap wordt ten aanzien van alle aandeelhouders slechts als gestort aangemerkt hetgeen op de laatstbedoelde aandelen is gestort, verminderd met hetgeen in contanten is bijbetaald.

2.

In geval van een overgang onder algemene titel in het kader van een splitsing van een rechtspersoon wordt ten aanzien van alle aandeelhouders ten hoogste een evenredig gedeelte van het bedrag van het op de aandelen in de splitsende rechtspersoon gestorte kapitaal aangemerkt als gestort kapitaal op de door de verkrijgende rechtspersonen in het kader van de splitsing toegekende aandelen, en wordt, in geval van een splitsing waarbij de splitsende rechtspersoon blijft bestaan, het op de aandelen in de splitsende rechtspersoon gestorte kapitaal in dezelfde mate verminderd. Indien in het kader van de splitsing een bijbetaling in contanten plaatsvindt, wordt voor de toepassing van de vorige volzin het op de aandelen in de splitsende rechtspersoon gestorte kapitaal verminderd met deze bijbetaling.

3.

In geval van een overgang onder algemene titel in het kader van een fusie van een rechtspersoon wordt ten aanzien van alle aandeelhouders ten hoogste het bedrag van het op de aandelen in de verdwijnende rechtspersoon gestorte kapitaal aangemerkt als gestort kapitaal op de door de verkrijgende rechtspersonen in het kader van de fusie toegekende aandelen. Indien in het kader van de fusie een bijbetaling in contanten plaatsvindt, wordt voor de toepassing van de vorige volzin het op de aandelen in de verdwijnende rechtspersoon gestorte kapitaal verminderd met deze bijbetaling.

4.

Indien de overgang onder algemene titel in het kader van een splitsing in overwegende mate is gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing, blijft het tweede lid buiten toepassing; in dat geval wordt hetgeen bij de splitsing door een aandeelhouder als zodanig wordt genoten aangemerkt als een uitdeling van winst door de splitsende rechtspersoon. Een splitsing wordt, tenzij het tegendeel aannemelijk wordt gemaakt, geacht in overwegende mate te zijn gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing indien de splitsing niet plaatsvindt op grond van zakelijke overwegingen, zoals herstructurering of rationalisering van de actieve werkzaamheden van de splitsende en de verkrijgende rechtspersonen. Zakelijke overwegingen worden voorts niet aanwezig geacht indien de activa die bij de splitsing overgaan op de andere rechtspersoon hoofdzakelijk, onmiddellijk of middellijk, bestaan uit beleggingen – liquide middelen daaronder begrepen – of indien hetgeen bij de splitsende rechtspersoon achterblijft hoofdzakelijk – onmiddellijk of middellijk bestaat uit beleggingen, tenzij de beleggingen die overgaan respectievelijk achterblijven geen afzondering van ingehouden winst representeren.

5.

Voor de toepassing van het tweede lid wordt onder een evenredig gedeelte verstaan: een gedeelte dat evenredig is aan de verhouding tussen de waarde in het economische verkeer ten tijde van de splitsing van de vermogensbestanddelen van de splitsende rechtspersoon die overgaan op de verkrijgende rechtspersoon en de waarde in het economische verkeer ten tijde van de splitsing van het gehele vermogen van de splitsende rechtspersoon.

6.

De splitsende rechtspersoon die zekerheid wil hebben omtrent de vraag of de splitsing niet wordt geacht in overwegende mate te zijn gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing, kan voor de splitsing een verzoek indienen bij de inspecteur die daarop bij voor bezwaar vatbare beschikking beslist.

7.

In het geval van toekenning van een aandelenoptierecht aan een werknemer wordt als gestort aangemerkt het bedrag, bedoeld in artikel 9, derde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 vermeerderd met het bedrag dat de werknemer ter zake in rekening wordt gebracht, en wordt als tijdstip van storting aangemerkt het tijdstip, bedoeld in genoemd artikel 9, derde lid.

Artikel 3b

De herbeleggingsreserve die is gevormd ingevolge de nadere regelen die zijn gegeven krachtens artikel 28 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 met betrekking tot de heffing van vennootschapsbelasting van beleggingsinstellingen, wordt aangemerkt als op de aandelen van de instelling gestort kapitaal.

Artikel 4
1.

Inhouding van de belasting mag achterwege blijven ten aanzien van opbrengsten van aandelen, winstbewijzen en geldleningen als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel d, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 indien de deelnemingsvrijstelling, bedoeld in artikel 13 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, van toepassing is op de voordelen die de tot de opbrengstgerechtigde uit die aandelen, winstbewijzen en geldleningen geniet en de deelneming behoort tot het vermogen van zijn in Nederland gedreven onderneming. De eerste volzin is niet van toepassing ten aanzien van opbrengsten met betrekking waartoe de opbrengstgerechtigde niet de uiteindelijk gerechtigde is.

2.

Inhouding van de belasting mag achterwege blijven ten aanzien van de opbrengsten van aandelen in, winstbewijzen ten laste van en geldleningen als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel d, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 verstrekt aan aangewezen kredietinstellingen en beleggingsinstellingen als bedoeld in artikel 5.14 van de Wet inkomstenbelasting 2001.

3.

Voor het achterwege laten van de inhouding van dividendbelasting ingevolge dit artikel, een teruggaaf van dividendbelasting ingevolge artikel 10, alsmede het achterwege laten dan wel een vermindering of teruggaaf van dividendbelasting ingevolge de Belastingregeling voor het Koninkrijk of een door Nederland gesloten verdrag ter voorkoming van dubbele belasting, wordt niet als uiteindelijk gerechtigde beschouwd degene die in samenhang met de genoten opbrengst een tegenprestatie heeft verricht als onderdeel van een samenstel van transacties waarbij aannemelijk is dat:

4.

Voor de toepassing van het derde lid:

Artikel 4a
1.

Inhouding van belasting blijft achterwege ten aanzien van de opbrengst van aandelen, winstbewijzen en geldleningen als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel d, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 die wordt uitgedeeld aan een in een andere lid-staat van de Europese Unie gevestigd lichaam, indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:

tenzij op grond van een voorschrift ter bestrijding van fraude en misbruiken opgenomen in een door Nederland met de lid-staat van vestiging van de moedermaatschappij gesloten verdrag ter voorkoming van dubbele belasting, de moedermaatschappij geen aanspraak zou kunnen maken op de in dat verdrag opgenomen verlaging van de belastingheffing op dividenden.

2.

Indien de moedermaatschappij is gevestigd in een lid-staat van de Europese Unie waarmee Nederland een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting heeft gesloten dat voorziet in een verlaging van belastingheffing op dividenden op grond van het bezit van het aantal stemrechten in de vennootschap die de dividenden uitdeelt, geldt in afwijking in zoverre van het eerste lid, als voorwaarde dat die moedermaatschappij in het bezit is van ten minste 25 percent van de stemrechten in de inhoudingsplichtige.

3.

Inhouding van belasting blijft mede achterwege indien de moedermaatschappij, in afwijking in zoverre van het eerste en tweede lid, voor ten minste 10 percent van het nominaal gestorte kapitaal aandeelhouder is van de inhoudingsplichtige dan wel in het bezit is van ten minste 10 percent van de stemrechten in de inhoudingsplichtige, mits de lid-staat van de Europese Unie waarin de moedermaatschappij is gevestigd bij een zelfde bezitspercentage:

4.

De inhoudingsplichtige is verplicht binnen één maand na het tijdstip waarop de opbrengst ter beschikking is gesteld bij de inspecteur schriftelijk opgaaf te doen van de naam, de plaats van vestiging en het adres van de moedermaatschappij, van het nominaal gestorte kapitaal dan wel het aantal stemgerechtigde aandelen van de inhoudingsplichtige, van het gedeelte van dat kapitaal dan wel van de stemgerechtigde aandelen onderscheidenlijk het percentage van de stemrechten dat de moedermaatschappij bezit en van het bedrag van de ter beschikking gestelde opbrengst. Voorts dient de inhoudingsplichtige te verklaren dat aan de in het eerste en tweede lid gestelde voorwaarden is voldaan. Bij de toepassing van het derde lid dient de inhoudingsplichtige tevens te verklaren dat, in afwijking in zoverre van de in het eerste en tweede lid gestelde voorwaarden, is voldaan aan de in de aanhef van het derde lid gestelde voorwaarde met betrekking tot het bezitspercentage alsmede dat is voldaan aan de in dat lid, onder 1°, gestelde voorwaarde.

Artikel 4b
1.

Ingeval de in artikel 4a, eerste lid, 2°, dan wel in het tweede lid, bedoelde moedermaatschappij op het tijdstip waarop de opbrengst ter beschikking is gesteld nog niet voldoet aan de bedoelde bezitsperiode van één jaar blijft in afwijking in zoverre van dat artikel inhouding van belasting eveneens achterwege, mits de dochtermaatschappij ten belope van het bedrag van de belasting waarvan inhouding achterwege blijft, zekerheid stelt.

2.

Gelijktijdig met het doen van de opgaaf als bedoeld in artikel 4a, vierde lid, wordt de zekerheid gesteld bij de ontvanger. Deze beslist of de vorm van zekerheid die de dochtermaatschappij aanbiedt, wordt aanvaard.

3.

Indien binnen één jaar na het tijdstip waarop de moedermaatschappij is gaan voldoen aan de voorwaarde dat zij voor ten minste 25 percent van het nominaal gestorte kapitaal aandeelhouder is van de dochtermaatschappij, dan wel ten minste 25 percent van de stemrechten in de dochtermaatschappij bezit, zich een omstandigheid voordoet waardoor haar bezit daalt beneden de 25 percent, moet de belasting waarvan inhouding op grond van het eerste lid achterwege is gebleven, alsnog worden betaald.

4.

De zekerheid wordt opgeheven indien de moedermaatschappij één jaar na het in het derde lid bedoelde tijdstip nog steeds voor ten minste 25 percent aandeelhouder is van de dochtermaatschappij, dan wel nog steeds ten minste 25 percent van de stemrechten in die maatschappij bezit.

5.

De aan het stellen en het opheffen van de zekerheid verbonden kosten komen ten laste van de dochtermaatschappij.

6.

De voorgaande leden zijn van overeenkomstige toepassing ingeval de in artikel 4a, derde lid, bedoelde moedermaatschappij op het tijdstip waarop de opbrengst ter beschikking is gesteld nog niet voldoet aan de bedoelde bezitsperiode van één jaar.

Artikel 4c
1.

Inhouding van de belasting mag achterwege blijven ten aanzien van de opbrengst van aandelen ter gelegenheid van een inkoop van aandelen indien het totale bedrag van de inkoop in het kalenderjaar niet meer bedraagt dan tien keer het bedrag van het volgens het tweede lid bepaalde gemiddeld uitgekeerde dividend in contanten in vijf voorafgaande kalenderjaren, verminderd met de bedragen aan inkoop van aandelen volgens dit artikel in de voorafgaande vier kalenderjaren, mits voorts aan de volgende vereisten is voldaan:

2.

Het bedrag van het in het eerste lid bedoelde gemiddeld uitgekeerde dividend in contanten in vijf voorafgaande kalenderjaren, wordt berekend door na correctie van de bedragen van de zeven voorafgaande kalenderjaren met een inflatiebijstelling, het jaar met het hoogste en het jaar met het laagste gecorrigeerde bedrag buiten aanmerking te laten.

3.

Indien de inhoudingsplichtige verschillende soorten nominaal gestort kapitaal heeft, worden de bepalingen van dit artikel per soort ingekochte aandelen toegepast.

4.

Bij ministeriële regeling worden regels gesteld:

5.

De inhoudingsplichtige die zekerheid wil hebben op de vraag in hoeverre de inhouding van de belasting op de voet van dit artikel achterwege mag blijven, kan daartoe een verzoek indienen bij de inspecteur, die daarop bij voor bezwaar vatbare beschikking beslist. Het verzoek wordt gedaan ten minste zes weken voor de voorgenomen inkoop.

Hoofdstuk III. Tarief

Artikel 5

De belasting bedraagt 25% van de opbrengst.

Artikel 6
1.

Neemt de vennootschap die de opbrengst verschuldigd is, de belasting voor haar rekening, dan wordt voor het berekenen van de belasting de opbrengst vermenigvuldigd met 100/75.

2.

Indien bij het einde van het kalenderjaar blijkt dat bij een inkoop van aandelen in het jaar niet is voldaan aan de voorwaarden van artikel 4c, eerste lid, onderdelen b of c, wordt de belasting berekend gelijk als in situaties waarin de vennootschap de belasting voor haar rekening neemt.

Hoofdstuk IV. Wijze van heffing

Artikel 7
1.

De belasting wordt geheven door inhouding op de opbrengst.

2.

Inhoudingsplichtige is de vennootschap die de opbrengst verschuldigd is.

3.

De inhoudingsplichtige is verplicht de belasting in te houden op het tijdstip waarop de opbrengst ter beschikking is gesteld.

4.

De inhoudingsplichtige is verplicht de ingehouden belasting op aangifte af te dragen.

5.

Overtreft de belasting de opbrengst in geld, dan wordt het ontbrekende geacht te zijn ingehouden op het in het derde lid omschreven tijdstip, met dien verstande dat de inhoudingsplichtige bevoegd is dat ontbrekende te verhalen op degene die tot de opbrengst gerechtigd is. De inhoudingsplichtige kan de afgifte van de niet in geld genoten opbrengst opschorten tot voldoening van deze vordering plaatsvindt.

Artikel 8

Vervallen

Artikel 9
1.

De inhoudingsplichtige, degene bij wie de opbrengst is betaalbaar gesteld, het administratiekantoor dat de opbrengst doorbetaalt aan certificaathouders, of degene tot wiens beroep het kopen of innen van dividendbewijzen gewoonlijk behoort, is, zodra de opbrengst is uitbetaald, tegoedgeschreven, verrekend of uitgereikt, gehouden ten behoeve van de rechthebbende een gedagtekende nota uit te reiken volgens bij ministeriële regeling te stellen regels.

2.

Voor de toepassing van artikel 26, tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen wordt de belasting geacht te zijn ingehouden op de dag waarop de in het eerste lid bedoelde nota is gedagtekend.

Artikel 10
1.

Aan een in Nederland gevestigde rechtspersoon die niet aan de vennootschapsbelasting onderworpen is, wordt op zijn verzoek bij een door de inspecteur te nemen voor bezwaar vatbare beschikking teruggaaf verleend van in een kalenderjaar te zijnen laste ingehouden dividendbelasting, indien deze meer bedraagt dan € 23. De eerste volzin is niet van toepassing op dividendbelasting naar opbrengsten met betrekking waartoe de rechtspersoon niet de uiteindelijk gerechtigde is. Het verzoek geschiedt bij een aangifte die wordt gedaan binnen een bij ministeriële regeling te stellen termijn.

2.

Aan een vennootschap die voor de heffing van de vennootschapsbelasting wordt aangemerkt als beleggingsinstelling wordt op haar verzoek bij een door de inspecteur te nemen voor bezwaar vatbare beschikking teruggaaf verleend van in een jaar te haren laste ingehouden dividendbelasting. De eerste volzin is niet van toepassing op dividendbelasting naar opbrengsten met betrekking waartoe de vennootschap niet de uiteindelijk gerechtigde is. Het verzoek geschiedt bij een aangifte die wordt gedaan uiterlijk zes maanden na afloop van het jaar waarop de teruggaaf betrekking heeft.

Artikel 11
1.

Op de ingevolge artikel 7, vierde lid, op aangifte af te dragen belasting kan een in het tweede lid nader aangeduide vermindering worden toegepast wegens winstuitkeringen op aandelen en winstbewijzen die door de inhoudingsplichtige zijn ontvangen van een lichaam dat is gevestigd in de Nederlandse Antillen of Aruba dan wel in een staat in relatie waarmee een met Nederland gesloten verdrag ter voorkoming van dubbele belasting van toepassing is, indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:

2.

De in het eerste lid bedoelde vermindering bedraagt 3 percent van de door de inhoudingsplichtige ter beschikking gestelde opbrengst waarop hij dividendbelasting heeft ingehouden, doch niet meer dan 3 percent van de winstuitkeringen - vóór aftrek van de ingehouden bronbelasting - bedoeld in het eerste lid die hij in het kalenderjaar tot het tijdstip van inhouding alsmede in de twee daaraan voorafgaande kalenderjaren heeft ontvangen voor zover die winstuitkeringen nog niet in aanmerking zijn genomen bij de vaststelling van een eerdere vermindering. De winstuitkeringen worden in aanmerking genomen in de volgorde waarin zij door de inhoudingsplichtige zijn ontvangen.

3.

Tot de in het tweede lid genoemde opbrengst waarop de inhoudingsplichtige dividendbelasting heeft ingehouden, wordt niet gerekend de opbrengst waarop hij weliswaar dividendbelasting heeft ingehouden doch welke belasting voor volledige teruggaaf in aanmerking komt, behalve indien de opbrengst ter beschikking wordt gesteld aan:

4.

Indien de inhoudingsplichtige als dochtermaatschappij deel uit maakt van een fiscale eenheid in de zin van artikel 15, eerste lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 worden de door die maatschappij ontvangen winstuitkeringen op aandelen en winstbewijzen die voldoen aan de voorwaarden van het eerste lid voor de toepassing van de vermindering ingevolge dit artikel toegerekend aan de moedermaatschappij van die fiscale eenheid. Ingeval door de dochtermaatschappij voor het tot stand komen van de in de vorige volzin bedoelde fiscale eenheid winstuitkeringen zijn ontvangen die voldoen aan de voorwaarden van het eerste lid, kan Onze Minister op gezamenlijk verzoek van de moeder- en de dochtermaatschappij, onder door hem te stellen voorwaarden, toestaan dat die winstuitkeringen worden toegerekend aan de moedermaatschappij.

5.

Voor de toepassing van dit artikel wordt met een winstuitkering op aandelen en winstbewijzen ter zake waarvan een vermindering kan worden toegepast gelijkgesteld de uit een staat waarmee Nederland een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting heeft gesloten afkomstige winst, die in overeenstemming met het ter zake in het desbetreffende verdrag bepaalde in Nederland van belastingheffing is vrijgesteld en in de andere staat, naast de belasting die over die winst is geheven, is onderworpen aan een aanvullende belasting van ten minste 5 percent.

6.

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld voor de toepassing van dit artikel.

Artikel 12
1.

Indien de inhoudingsplichtige winstuitkeringen heeft ontvangen die zouden kunnen leiden tot een vermindering op de voet van artikel 11, mag hij in afwijking van artikel 4, eerste lid, tot een bedrag ter grootte van die vermindering afzien van het achterwege laten van inhouding van de belasting.

2.

De inhoudingsplichtige die op de voet van het eerste lid afziet van het achterwege laten van inhouding van belasting, is verplicht aangifte te doen van de ingehouden belasting.

3.

Opbrengsten met betrekking tot welke op de voet van het eerste lid belasting is ingehouden, worden voor de gerechtigde tot die opbrengsten gelijkgesteld met winstuitkeringen die voldoen aan de voorwaarden voor een vermindering op de voet van artikel 11.

Artikel 13

De inspecteur stelt, op verzoek van de inhoudingsplichtige, bij voor bezwaar vatbare beschikking vast hetgeen is gestort op de aandelen van een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid of een naamloze vennootschap, niet zijnde een beleggingsmaatschappij met veranderlijk kapitaal, alsmede het gemiddeld op de desbetreffende aandelen gestorte kapitaal. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het verzoek.

Hoofdstuk V. Strafrechtelijke bepalingen

Artikel 14

Vervallen

Hoofdstuk VI. Slotbepalingen

Artikel 15

Bij het bepalen van hetgeen gemiddeld is gestort op bewijzen van deelgerechtigdheid in een fonds voor gemene rekening waarop met ingang van 1 januari 1970 de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 toepassing vindt, wordt het alsdan aanwezige vermogen aangemerkt als op dat tijdstip te zijn gestort. Tot dit vermogen worden niet gerekend na 1 januari 1968 behaalde en niet uitgekeerde voordelen, welke, zo zij vóór het eerstbedoelde tijdstip zouden zijn uitgekeerd aan niet tot het vermogen van een onderneming gerechtigde binnenlandse belastingplichtigen, als inkomsten uit vermogen zouden zijn aangemerkt.

Artikel 16

Artikel 3a, eerste lid, vindt geen toepassing met betrekking tot stortingen op aandelen die vóór 1 januari 1946 hebben plaatsgevonden.

Artikel 17
1.

Deze wet treedt in werking op 1 januari 1966.

2.

Deze wet kan worden aangehaald als: Wet op de dividendbelasting, met vermelding van het jaar, waarin zij in het Staatsblad wordt geplaatst.

Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 4d
1.

Bij een beleggingsinstelling als bedoeld in artikel 1 van de Wet toezicht beleggingsinstellingen mag voorts inhouding van de belasting achterwege blijven ten aanzien van een inkoop van aandelen als bedoeld in artikel 3, vierde lid, voorzover de grondslag voor de inhouding van de belasting van de ingekochte aandelen door de instelling in mindering wordt gebracht van een agioreserve of een herbeleggingsreserve.

2.

Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:

Hoofdstuk III. Tarief

Hoofdstuk IV. Wijze van heffing

Hoofdstuk V. Strafrechtelijke bepalingen

Hoofdstuk VI. Slotbepalingen

Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.