Wijzigingsgeschiedenis

Rijkswet van 23 juni 1972, houdende voorzieningen op het gebied van de zeescheepvaart in buitengewone omstandigheden

5 versions · 2025-07-01
2025-07-01
Rijkswet Noodvoorzieningen Scheepvaart — arts. 3, 4, 7 y 8 más

Wijzigingen op 2025-07-01

@@ -16,7 +16,7 @@
- b. "schip onder de vlag van het Koninkrijk":
- 1°. een schip dat op grond van Nederlandse rechtsregels gerechtigd is de vlag van het Koninkrijk der Nederlanden te voeren, niet zijnde een oorlogsschip, hetzij
- 1°. een schip dat op grond van voor Nederland geldende rechtsregels gerechtigd is de vlag van het Koninkrijk der Nederlanden te voeren, niet zijnde een oorlogsschip, hetzij
- 2°. een Nederlands vissersvaartuig, dat bedrijfsmatig wordt gebruikt voor de zeevisserij, de kustvisserij of de visserij op het IJsselmeer, een en ander in de zin van de [Visserijwet 1963](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002416), hetzij
@@ -30,7 +30,7 @@
##### Artikel 2
1. Wij kunnen in geval van buitengewone omstandigheden op voordracht van Onze Minister-President Onze Minister de bevoegdheid verlenen de [artikelen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002810&paragraaf=II&artikel=4&z=2020-04-01&g=2020-04-01), [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002810&paragraaf=II&artikel=5&z=2020-04-01&g=2020-04-01), [6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002810&paragraaf=III&artikel=6&z=2020-04-01&g=2020-04-01), [8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002810&paragraaf=IV&artikel=8&z=2020-04-01&g=2020-04-01) en [16 van deze Rijkswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002810&paragraaf=V&artikel=16&z=2020-04-01&g=2020-04-01) toe te passen.
1. Wij kunnen in geval van buitengewone omstandigheden op voordracht van Onze Minister-President Onze Minister de bevoegdheid verlenen de [artikelen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002810&paragraaf=II&artikel=4&z=2025-07-01&g=2025-07-01), [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002810&paragraaf=II&artikel=5&z=2025-07-01&g=2025-07-01), [6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002810&paragraaf=III&artikel=6&z=2025-07-01&g=2025-07-01), [8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002810&paragraaf=IV&artikel=8&z=2025-07-01&g=2025-07-01) en [16 van deze Rijkswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002810&paragraaf=V&artikel=16&z=2025-07-01&g=2025-07-01) toe te passen.
2. Wanneer het in het vorige lid bedoelde besluit is genomen, doen Wij onverwijld een voorstel van Rijkswet aan de Staten-Generaal omtrent het voortduren van de bevoegdheid.
@@ -46,15 +46,15 @@
##### Artikel 3
1. In omstandigheden als in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002810&paragraaf=I&artikel=2&z=2020-04-01&g=2020-04-01) bedoeld is Onze Minister indien naar zijn oordeel een gewichtige reden onmiddellijk voorziening eist bevoegd de [artikelen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002810&paragraaf=II&artikel=4&z=2020-04-01&g=2020-04-01), [6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002810&paragraaf=III&artikel=6&z=2020-04-01&g=2020-04-01) en [8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002810&paragraaf=IV&artikel=8&z=2020-04-01&g=2020-04-01) toe te passen ook bij gebreke van een besluit als bedoeld in [het eerste lid van artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002810&paragraaf=I&artikel=2&z=2020-04-01&g=2020-04-01).
2. Door Onze Minister krachtens het eerste lid getroffen maatregelen vervallen na verloop van een week tenzij inmiddels een besluit als bedoeld in [het eerste lid van artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002810&paragraaf=I&artikel=2&z=2020-04-01&g=2020-04-01) van kracht is.
1. In omstandigheden als in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002810&paragraaf=I&artikel=2&z=2025-07-01&g=2025-07-01) bedoeld is Onze Minister indien naar zijn oordeel een gewichtige reden onmiddellijk voorziening eist bevoegd de [artikelen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002810&paragraaf=II&artikel=4&z=2025-07-01&g=2025-07-01), [6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002810&paragraaf=III&artikel=6&z=2025-07-01&g=2025-07-01) en [8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002810&paragraaf=IV&artikel=8&z=2025-07-01&g=2025-07-01) toe te passen ook bij gebreke van een besluit als bedoeld in [het eerste lid van artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002810&paragraaf=I&artikel=2&z=2025-07-01&g=2025-07-01).
2. Door Onze Minister krachtens het eerste lid getroffen maatregelen vervallen na verloop van een week tenzij inmiddels een besluit als bedoeld in [het eerste lid van artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002810&paragraaf=I&artikel=2&z=2025-07-01&g=2025-07-01) van kracht is.
#### II. Beperkende maatregelen
##### Artikel 4
Onze Minister kan aan reders van schepen onder de vlag van het Koninkrijk aanwijzingen geven met betrekking tot de bestemming van de reis, het aandoen of het vermijden van bepaalde havens en wateren en de te vervoeren goederen of personen; met betrekking tot schepen, welke zich buiten het rechtsgebied van het Koninkrijk bevinden, kunnen de aanwijzingen eveneens aan de kapitein van het schip worden gegeven; de reders en kapiteins der schepen zijn gehouden aan de aanwijzingen gevolg te geven; de aanwijzingen kunnen niet strekken tot beschikbaarstelling van scheepsruimte. In bij of krachtens algemene maatregel van Rijksbestuur aan te wijzen gevallen wordt de reder een vergoeding toegekend voor de schade, voor hem voortvloeiende uit ingevolge dit artikel gegeven aanwijzingen; de vergoeding wordt vastgesteld op de wijze omschreven in [artikel 24](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002810&paragraaf=VI&artikel=24&z=2020-04-01&g=2020-04-01).
Onze Minister kan aan reders van schepen onder de vlag van het Koninkrijk aanwijzingen geven met betrekking tot de bestemming van de reis, het aandoen of het vermijden van bepaalde havens en wateren en de te vervoeren goederen of personen; met betrekking tot schepen, welke zich buiten het rechtsgebied van het Koninkrijk bevinden, kunnen de aanwijzingen eveneens aan de kapitein van het schip worden gegeven; de reders en kapiteins der schepen zijn gehouden aan de aanwijzingen gevolg te geven; de aanwijzingen kunnen niet strekken tot beschikbaarstelling van scheepsruimte. In bij of krachtens algemene maatregel van Rijksbestuur aan te wijzen gevallen wordt de reder een vergoeding toegekend voor de schade, voor hem voortvloeiende uit ingevolge dit artikel gegeven aanwijzingen; de vergoeding wordt vastgesteld op de wijze omschreven in [artikel 24](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002810&paragraaf=VI&artikel=24&z=2025-07-01&g=2025-07-01).
##### Artikel 5
@@ -66,7 +66,7 @@
2. Aan een vergunning als bedoeld in het eerste lid kunnen voorschriften worden verbonden; deze voorschriften kunnen niet strekken tot beschikbaarstelling van scheepsruimte.
3. Onze Minister kan bepalen, dat geen handeling tengevolge heeft, dat een schip onder de vlag van het Koninkrijk zijn hoedanigheid als bedoeld in [artikel 1, b, onder 1°, 2°, 3°, 4° of 5°](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002810&paragraaf=I&artikel=1&z=2020-04-01&g=2020-04-01) verliest dan wel de hoedanigheid verkrijgt van schip van een der andere delen van het Koninkrijk, tenzij door hem is verklaard, dat tegen het verlies, onderscheidenlijk tegen de verkrijging dier hoedanigheid geen bezwaar bestaat.
3. Onze Minister kan bepalen, dat geen handeling tengevolge heeft, dat een schip onder de vlag van het Koninkrijk zijn hoedanigheid als bedoeld in [artikel 1, b, onder 1°, 2°, 3°, 4° of 5°](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002810&paragraaf=I&artikel=1&z=2025-07-01&g=2025-07-01) verliest dan wel de hoedanigheid verkrijgt van schip van een der andere delen van het Koninkrijk, tenzij door hem is verklaard, dat tegen het verlies, onderscheidenlijk tegen de verkrijging dier hoedanigheid geen bezwaar bestaat.
4. Een verbod krachtens het eerste lid en een bepaling krachtens het derde lid worden bekend gemaakt in de **Staatscourant,** in de Landscourant van Aruba, in de Curaçaose Courant en in de Landscourant van Sint Maarten.
@@ -86,7 +86,7 @@
##### Artikel 7
De vergoeding, welke voor de beschikbaarstelling van scheepsruimte aan de reder van het schip wordt verleend, wordt vastgesteld op de wijze, omschreven in [artikel 24](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002810&paragraaf=VI&artikel=24&z=2020-04-01&g=2020-04-01).
De vergoeding, welke voor de beschikbaarstelling van scheepsruimte aan de reder van het schip wordt verleend, wordt vastgesteld op de wijze, omschreven in [artikel 24](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002810&paragraaf=VI&artikel=24&z=2025-07-01&g=2025-07-01).
#### IV. Vordering van schepen in gebruik
@@ -110,15 +110,15 @@
7. Een afschrift van de verklaring wordt zo spoedig mogelijk aan de reder, de eigenaar en de kapitein overhandigd.
8. Met betrekking tot schepen als bedoeld in [artikel 1 onder **b**, 1° en 2°](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002810&paragraaf=I&artikel=1&z=2020-04-01&g=2020-04-01), wordt de verklaring ingeschreven in de openbare registers, bedoeld in [afdeling 2 van titel 1 van Boek 3 van het Nederlandse Burgerlijk Wetboek](onbekend). [Artikel 24, eerste lid, van Boek 3 van dat wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=24) is niet van toepassing. Met betrekking tot schepen als bedoeld in [artikel 1 onder **b**, 3°, 4°, 5° en 6°](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002810&paragraaf=I&artikel=1&z=2020-04-01&g=2020-04-01) wordt de verklaring overgeschreven in het scheepsregister, waarin het schip teboekgesteld is; mocht dit register ontoegankelijk zijn, dan wordt de verklaring overgeschreven in een door Onze Minister aan te wijzen register.
8. Met betrekking tot schepen als bedoeld in [artikel 1 onder **b**, 1° en 2°](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002810&paragraaf=I&artikel=1&z=2025-07-01&g=2025-07-01), wordt de verklaring ingeschreven in de openbare registers, bedoeld in [afdeling 2 van titel 1 van Boek 3 van het Nederlandse Burgerlijk Wetboek](onbekend). [Artikel 24, eerste lid, van Boek 3 van dat wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=24) is niet van toepassing. Met betrekking tot schepen als bedoeld in [artikel 1 onder **b**, 3°, 4°, 5° en 6°](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002810&paragraaf=I&artikel=1&z=2025-07-01&g=2025-07-01) wordt de verklaring overgeschreven in het scheepsregister, waarin het schip teboekgesteld is; mocht dit register ontoegankelijk zijn, dan wordt de verklaring overgeschreven in een door Onze Minister aan te wijzen register.
9. Bij de terbeschikking stelling of zo spoedig mogelijk daarna wordt door één of meer deskundigen, daartoe door Onze Minister aangewezen, een verslag omtrent de toestand en de inventaris van het schip opgemaakt; zo mogelijk wordt de eigenaar, of, zo deze onbereikbaar is, de kapitein opgeroepen bij het onderzoek van het schip door de deskundige of deskundigen aanwezig of vertegenwoordigd te zijn. Indien de eigenaar of de kapitein aanwezig of vertegenwoordigd is, wordt het verslag mede door of namens hen getekend. Indien één of meer der in de vorige zin bedoelde personen weigeren te ondertekenen, wordt deze weigering, alsmede de reden daarvan, zo deze is opgegeven, in het verslag vermeld. Een afschrift van het verslag wordt zo spoedig mogelijk aan de eigenaar en de kapitein overhandigd.
10. De op het tijdstip van de terbeschikkingstelling aan boord van het schip aanwezige brandstoffen, proviand en andere, voor de exploitatie van het schip aanwezige verbruiksgoederen, gaan in eigendom aan Nederland over tegen een vergoeding, vastgesteld op de wijze omschreven in [artikel 24](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002810&paragraaf=VI&artikel=24&z=2020-04-01&g=2020-04-01).
10. De op het tijdstip van de terbeschikkingstelling aan boord van het schip aanwezige brandstoffen, proviand en andere, voor de exploitatie van het schip aanwezige verbruiksgoederen, gaan in eigendom aan Nederland over tegen een vergoeding, vastgesteld op de wijze omschreven in [artikel 24](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002810&paragraaf=VI&artikel=24&z=2025-07-01&g=2025-07-01).
##### Artikel 10
1. Onze Minister is bevoegd het schip, hetwelk krachtens de in [artikel 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002810&paragraaf=IV&artikel=8&z=2020-04-01&g=2020-04-01) bedoelde vordering te zijner beschikking is gesteld, voor ieder doel te gebruiken waaronder mede begrepen:
1. Onze Minister is bevoegd het schip, hetwelk krachtens de in [artikel 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002810&paragraaf=IV&artikel=8&z=2025-07-01&g=2025-07-01) bedoelde vordering te zijner beschikking is gesteld, voor ieder doel te gebruiken waaronder mede begrepen:
- a. verhuren en op andere wijze ter beschikking van een ander stellen;
@@ -136,11 +136,11 @@
Indien de eigenaar, onderscheidenlijk diens vertegenwoordiger weigert te ondertekenen, wordt deze weigering, alsmede de reden daarvan, zo deze is opgegeven, in het verslag vermeld. Een afschrift van het verslag wordt zo spoedig mogelijk aan de eigenaar overhandigd.
3. De op het tijdstip van de wederterbeschikkingstelling aan boord van het schip aanwezige brandstoffen, proviand en andere, voor de exploitatie van het schip aanwezige verbruiksgoederen, gaan voor zover hun hoeveelheid de normale voorziening niet te boven gaat in eigendom aan de eigenaar van het schip over tegen een vergoeding, vastgesteld op de wijze, omschreven in [artikel 24](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002810&paragraaf=VI&artikel=24&z=2020-04-01&g=2020-04-01).
3. De op het tijdstip van de wederterbeschikkingstelling aan boord van het schip aanwezige brandstoffen, proviand en andere, voor de exploitatie van het schip aanwezige verbruiksgoederen, gaan voor zover hun hoeveelheid de normale voorziening niet te boven gaat in eigendom aan de eigenaar van het schip over tegen een vergoeding, vastgesteld op de wijze, omschreven in [artikel 24](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002810&paragraaf=VI&artikel=24&z=2025-07-01&g=2025-07-01).
4. Indien het schip niet weder aan de eigenaar ter beschikking wordt gesteld in de toestand, waarin het op het tijdstip der vordering verkeerde, normale slijtage uitgezonderd, wordt aan de eigenaar een vergoeding verleend wegens de deswege aan het schip te verrichten herstellingen of de waardevermindering, welke het schip, gelet op zijn oorspronkelijke bestemming, gedurende de tijd dat het ter beschikking van Onze Minister is geweest ten gevolge van veranderingen, verbouwingen of gebruik onder buitengewone omstandigheden voor de eigenaar heeft ondergaan; in geval van waardevermeerdering wegens oorzaken als hiervoor vermeld is de eigenaar deswege een vergoeding verschuldigd.
Vergoeding wegens aan het schip te verrichten herstellingen wordt niet verleend, voor zover de aangerichte schade niet is ontstaan als gevolg van het gebruik van het schip door Onze Minister of niet is ontstaan als gevolg van omstandigheden, waarin het schip vóór de terbeschikkingstelling is geraakt, doordat aan de vordering gevolg is gegeven. De vergoedingen worden vastgesteld op de wijze, omschreven in [artikel 24](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002810&paragraaf=VI&artikel=24&z=2020-04-01&g=2020-04-01).
Vergoeding wegens aan het schip te verrichten herstellingen wordt niet verleend, voor zover de aangerichte schade niet is ontstaan als gevolg van het gebruik van het schip door Onze Minister of niet is ontstaan als gevolg van omstandigheden, waarin het schip vóór de terbeschikkingstelling is geraakt, doordat aan de vordering gevolg is gegeven. De vergoedingen worden vastgesteld op de wijze, omschreven in [artikel 24](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002810&paragraaf=VI&artikel=24&z=2025-07-01&g=2025-07-01).
5. Een vergoeding wegens aan het schip te verrichten herstellingen wordt slechts verleend, voor zover deze worden uitgevoerd. Onze Minister kan van deze voorwaarde ontheffing verlenen.
@@ -148,19 +148,17 @@
##### Artikel 12
1. De vergoeding, welke aan de eigenaar en de vruchtgebruiker van het gevorderde schip wordt verleend voor het gebruik, wordt vastgesteld op de wijze omschreven in [artikel 24](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002810&paragraaf=VI&artikel=24&z=2020-04-01&g=2020-04-01).
2. De vergoeding, welke aan de reder wordt verleend voor de kosten, welke hij heeft moeten maken om aan de vordering gevolg te geven, voor zover deze de kosten, welke hij dientengevolge op de lopende reis heeft bespaard, te boven gaan, wordt vastgesteld op de wijze, omschreven in [artikel 24](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002810&paragraaf=VI&artikel=24&z=2020-04-01&g=2020-04-01).
3. De in het eerste lid van dit artikel bedoelde vergoeding voor het gebruik wordt eveneens toegekend over de tijd, dat het schip na beëindiging van het gebruik door Onze Minister niet kan worden geëxploiteerd ten gevolge van de uitvoering van de in [artikel 11, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002810&paragraaf=IV&artikel=11&z=2020-04-01&g=2020-04-01), bedoelde herstellingen.
1. De vergoeding, welke aan de eigenaar en de vruchtgebruiker van het gevorderde schip wordt verleend voor het gebruik, wordt vastgesteld op de wijze omschreven in [artikel 24](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002810&paragraaf=VI&artikel=24&z=2025-07-01&g=2025-07-01).
2. De vergoeding, welke aan de reder wordt verleend voor de kosten, welke hij heeft moeten maken om aan de vordering gevolg te geven, voor zover deze de kosten, welke hij dientengevolge op de lopende reis heeft bespaard, te boven gaan, wordt vastgesteld op de wijze, omschreven in [artikel 24](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002810&paragraaf=VI&artikel=24&z=2025-07-01&g=2025-07-01).
3. De in het eerste lid van dit artikel bedoelde vergoeding voor het gebruik wordt eveneens toegekend over de tijd, dat het schip na beëindiging van het gebruik door Onze Minister niet kan worden geëxploiteerd ten gevolge van de uitvoering van de in [artikel 11, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002810&paragraaf=IV&artikel=11&z=2025-07-01&g=2025-07-01), bedoelde herstellingen.
##### Artikel 13
1. De vergoeding, welke aan de eigenaar en de vruchtgebruiker wordt verleend, indien het schip verloren is gegaan tijdens het gebruik door Onze Minister, dan wel vóór de terbeschikkingstelling verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden waarin het schip is geraakt, doordat aan de vordering gevolg is gegeven, wordt vastgesteld op de wijze, omschreven in [artikel 24](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002810&paragraaf=VI&artikel=24&z=2020-04-01&g=2020-04-01). Vergoeding wegens verlies van het schip wordt niet verleend, indien het niet verloren is gegaan als gevolg van het gebruik door Onze Minister of niet verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden, waarin het vóór de terbeschikkingstelling is geraakt, doordat aan de vordering gevolg is gegeven.
2. De vergoeding aan de eigenaar wordt slechts verleend, indien deze wordt besteed voor de bouw van nieuwe scheepsruimte; Onze Minister kan van deze voorwaarde ontheffing verlenen.
3. De eigenaar, die recht heeft op deze vergoeding, kan zijn recht slechts overdragen aan Nederlanders in de zin van [artikel 311 van het Nederlandse Wetboek van Koophandel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001838&artikel=311), dan wel aan Nederlanders in de zin van het Curaçaosch zeebrievenbesluit 1933, zoals dat besluit sedert de inwerkingtreding van de Wet nadere regelen omtrent nationaliteit en ingezetenschap 1951 (**Stb.** 593) moet worden verstaan.
1. De vergoeding, welke aan de eigenaar en de vruchtgebruiker wordt verleend, indien het schip verloren is gegaan tijdens het gebruik door Onze Minister, dan wel vóór de terbeschikkingstelling verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden waarin het schip is geraakt, doordat aan de vordering gevolg is gegeven, wordt vastgesteld op de wijze, omschreven in [artikel 24](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002810&paragraaf=VI&artikel=24&z=2025-07-01&g=2025-07-01). Vergoeding wegens verlies van het schip wordt niet verleend, indien het niet verloren is gegaan als gevolg van het gebruik door Onze Minister of niet verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden, waarin het vóór de terbeschikkingstelling is geraakt, doordat aan de vordering gevolg is gegeven.
2. Vervallen.
##### Artikel 14
@@ -168,13 +166,13 @@
##### Artikel 15
1. Een krachtens [artikel 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002810&paragraaf=IV&artikel=8&z=2020-04-01&g=2020-04-01) gevorderd schip is tijdens het gebruik door Onze Minister niet vatbaar voor beslag, voor uitwinning of voor verkoop door een hypothecaire schuldeiser. Reeds gelegde beslagen vervallen op het tijdstip, bedoeld in [artikel 9, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002810&paragraaf=IV&artikel=9&z=2020-04-01&g=2020-04-01).
2. De op het schip bevoorrechte inschulden, bestaande op het tijdstip van de vordering in gebruik, zijn bevoorrecht op de vergoedingen aan de eigenaar, bedoeld in [artikel 11, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002810&paragraaf=IV&artikel=11&z=2020-04-01&g=2020-04-01), en [artikel 13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002810&paragraaf=IV&artikel=13&z=2020-04-01&g=2020-04-01), zolang deze verschuldigd zijn; indien het schip met hypotheek is belast, heeft de hypothecaire schuldeiser tot het bedrag van zijn hypothecaire inschrijving pandrecht op de vergoedingen aan de eigenaar, bedoeld in [artikel 11, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002810&paragraaf=IV&artikel=11&z=2020-04-01&g=2020-04-01), en [13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002810&paragraaf=IV&artikel=13&z=2020-04-01&g=2020-04-01), zolang deze verschuldigd zijn. De inschulden waarvoor krachtens de vorige zin een voorrecht of een pandrecht geldt, zijn op de vergoedingen aan de eigenaar bij voorrang boven alle inschulden uit anderen hoofde verhaalbaar; hun onderlinge rangorde wordt bepaald door de volgorde waarin zij vóór de vordering op het schip verhaalbaar waren.
1. Een krachtens [artikel 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002810&paragraaf=IV&artikel=8&z=2025-07-01&g=2025-07-01) gevorderd schip is tijdens het gebruik door Onze Minister niet vatbaar voor beslag, voor uitwinning of voor verkoop door een hypothecaire schuldeiser. Reeds gelegde beslagen vervallen op het tijdstip, bedoeld in [artikel 9, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002810&paragraaf=IV&artikel=9&z=2025-07-01&g=2025-07-01).
2. De op het schip bevoorrechte inschulden, bestaande op het tijdstip van de vordering in gebruik, zijn bevoorrecht op de vergoedingen aan de eigenaar, bedoeld in [artikel 11, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002810&paragraaf=IV&artikel=11&z=2025-07-01&g=2025-07-01), en [artikel 13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002810&paragraaf=IV&artikel=13&z=2025-07-01&g=2025-07-01), zolang deze verschuldigd zijn; indien het schip met hypotheek is belast, heeft de hypothecaire schuldeiser tot het bedrag van zijn hypothecaire inschrijving pandrecht op de vergoedingen aan de eigenaar, bedoeld in [artikel 11, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002810&paragraaf=IV&artikel=11&z=2025-07-01&g=2025-07-01), en [13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002810&paragraaf=IV&artikel=13&z=2025-07-01&g=2025-07-01), zolang deze verschuldigd zijn. De inschulden waarvoor krachtens de vorige zin een voorrecht of een pandrecht geldt, zijn op de vergoedingen aan de eigenaar bij voorrang boven alle inschulden uit anderen hoofde verhaalbaar; hun onderlinge rangorde wordt bepaald door de volgorde waarin zij vóór de vordering op het schip verhaalbaar waren.
3. Hetgeen in het vorige lid is bepaald, laat onverlet de rechten van de schuldeisers, wier inschuld bevoorrecht was op het tijdstip van vordering, tot verhaal op het schip zelf, nadat dit weder ter beschikking van de eigenaar is gesteld.
4. Indien het schip met hypotheek was belast, vindt [artikel 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002810&paragraaf=IV&artikel=14&z=2020-04-01&g=2020-04-01) geen toepassing, tenzij de hypothecaire schuldeiser het bedrag der hoofdsom, dat krachtens de overeenkomst met de schuldenaar onmiddellijk na het verlies van het schip opeisbaar was, met de rente daarover heeft ontvangen of toestemt in inbetalinggeving van scheepsruimte. Waren de schuldeiser en de schuldenaar overeengekomen, dat de schuldeiser in geval van verkoop van het schip, indien het een schip als bedoeld in [artikel 1 onder **b,** 1° en 2°](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002810&paragraaf=I&artikel=1&z=2020-04-01&g=2020-04-01), betreft, een verklaring zou afgeven als bedoeld in [artikel 274 van Boek 3 van het Nederlandse Burgerlijk Wetboek](onbekend), en indien het een schip als bedoeld in [artikel 1 onder **b,** 3°, 4°, 5° en 6°](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002810&paragraaf=I&artikel=1&z=2020-04-01&g=2020-04-01) betreft, zou toestemmen in doorhaling der inschrijving tegen betaling van een bepaald bedrag, dan staat het de schuldenaar na betaling van dat bedrag vrij een overeenkomst als bedoeld in [artikel 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002810&paragraaf=IV&artikel=14&z=2020-04-01&g=2020-04-01) aan te gaan.
4. Indien het schip met hypotheek was belast, vindt [artikel 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002810&paragraaf=IV&artikel=14&z=2025-07-01&g=2025-07-01) geen toepassing, tenzij de hypothecaire schuldeiser het bedrag der hoofdsom, dat krachtens de overeenkomst met de schuldenaar onmiddellijk na het verlies van het schip opeisbaar was, met de rente daarover heeft ontvangen of toestemt in inbetalinggeving van scheepsruimte. Waren de schuldeiser en de schuldenaar overeengekomen, dat de schuldeiser in geval van verkoop van het schip, indien het een schip als bedoeld in [artikel 1 onder **b,** 1° en 2°](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002810&paragraaf=I&artikel=1&z=2025-07-01&g=2025-07-01), betreft, een verklaring zou afgeven als bedoeld in [artikel 274 van Boek 3 van het Nederlandse Burgerlijk Wetboek](onbekend), en indien het een schip als bedoeld in [artikel 1 onder **b,** 3°, 4°, 5° en 6°](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002810&paragraaf=I&artikel=1&z=2025-07-01&g=2025-07-01) betreft, zou toestemmen in doorhaling der inschrijving tegen betaling van een bepaald bedrag, dan staat het de schuldenaar na betaling van dat bedrag vrij een overeenkomst als bedoeld in [artikel 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002810&paragraaf=IV&artikel=14&z=2025-07-01&g=2025-07-01) aan te gaan.
#### V. Vordering van schepen in eigendom
@@ -194,23 +192,23 @@
7. Door de overneming gaat de eigendom van het schip aan Nederland over, vrij van alle lasten en rechten daarop rustende.
8. Met betrekking tot schepen als bedoeld in [artikel 1 onder **b,** 1° en 2°](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002810&paragraaf=I&artikel=1&z=2020-04-01&g=2020-04-01), wordt de verklaring ingeschreven in de openbare registers, bedoeld in [afdeling 2 van titel 1 van Boek 3 van het Nederlandse Burgerlijk Wetboek](onbekend). Met betrekking tot schepen als bedoeld in [artikel 1 onder **b,** 3°, 4°, 5° en 6°](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002810&paragraaf=I&artikel=1&z=2020-04-01&g=2020-04-01) wordt de verklaring overgeschreven in het scheepsregister, waarin het schip teboekgesteld is; de op het ogenblik van de overdracht op het schip rustende hypothecaire inschrijvingen in het scheepsregister worden ambtshalve doorgehaald; mocht dit register ontoegankelijk zijn, dan wordt de verklaring overgeschreven in een ander door Onze Minister aan te wijzen register.
8. Met betrekking tot schepen als bedoeld in [artikel 1 onder **b,** 1° en 2°](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002810&paragraaf=I&artikel=1&z=2025-07-01&g=2025-07-01), wordt de verklaring ingeschreven in de openbare registers, bedoeld in [afdeling 2 van titel 1 van Boek 3 van het Nederlandse Burgerlijk Wetboek](onbekend). Met betrekking tot schepen als bedoeld in [artikel 1 onder **b,** 3°, 4°, 5° en 6°](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002810&paragraaf=I&artikel=1&z=2025-07-01&g=2025-07-01) wordt de verklaring overgeschreven in het scheepsregister, waarin het schip teboekgesteld is; de op het ogenblik van de overdracht op het schip rustende hypothecaire inschrijvingen in het scheepsregister worden ambtshalve doorgehaald; mocht dit register ontoegankelijk zijn, dan wordt de verklaring overgeschreven in een ander door Onze Minister aan te wijzen register.
9. Een afschrift van de verklaring wordt zo spoedig mogelijk aan de eigenaar en de kapitein overhandigd.
10. Bij de eigendomsovergang, of zo spoedig mogelijk daarna, wordt door één of meer deskundigen, daartoe door Onze Minister aangewezen, een verslag omtrent de toestand en de inventaris van het schip opgemaakt; zo mogelijk wordt de eigenaar, of, zo deze onbereikbaar is, de kapitein opgeroepen bij het onderzoek van het schip door de deskundige of deskundigen aanwezig of vertegenwoordigd te zijn. Indien de eigenaar of de kapitein aanwezig of vertegenwoordigd is, wordt het verslag mede door of namens hen getekend. Indien deze of één van hen weigeren te ondertekenen, wordt deze weigering, alsmede de reden daarvan, zo deze is opgegeven, in het verslag vermeld. Een afschrift van het verslag wordt zo spoedig mogelijk aan de eigenaar en de kapitein overhandigd.
11. De op het tijdstip van de eigendomsovergang aan boord van het schip aanwezige brandstoffen, proviand en andere, voor de exploitatie van het schip aanwezige verbruiksgoederen gaan in eigendom aan Nederland over tegen een vergoeding, vastgesteld op de wijze omschreven in [artikel 24](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002810&paragraaf=VI&artikel=24&z=2020-04-01&g=2020-04-01).
11. De op het tijdstip van de eigendomsovergang aan boord van het schip aanwezige brandstoffen, proviand en andere, voor de exploitatie van het schip aanwezige verbruiksgoederen gaan in eigendom aan Nederland over tegen een vergoeding, vastgesteld op de wijze omschreven in [artikel 24](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002810&paragraaf=VI&artikel=24&z=2025-07-01&g=2025-07-01).
##### Artikel 17
1. De vergoeding, welke aan de eigenaar en de vruchtgebruiker wordt verleend in geval van eigendomsovergang als bedoeld in [artikel 16, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002810&paragraaf=V&artikel=16&z=2020-04-01&g=2020-04-01), dan wel indien het schip vóór het tijdstip, waarop de eigendom overeenkomstig [artikel 16, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002810&paragraaf=V&artikel=16&z=2020-04-01&g=2020-04-01), aan Nederland zou zijn overgegaan, verloren is gegaan of schade heeft geleden als gevolg van omstandigheden waarin het is geraakt, doordat aan de vordering gevolg is gegeven wordt vastgesteld op de wijze omschreven in [artikel 24](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002810&paragraaf=VI&artikel=24&z=2020-04-01&g=2020-04-01); op de verlening van deze vergoeding is het bepaalde in de [artikelen 11, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002810&paragraaf=IV&artikel=11&z=2020-04-01&g=2020-04-01) en [13, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002810&paragraaf=IV&artikel=13&z=2020-04-01&g=2020-04-01), van toepassing.
2. In geval van vordering in eigendom is het bepaalde in [artikel 12, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002810&paragraaf=IV&artikel=12&z=2020-04-01&g=2020-04-01), van toepassing.
3. Onze Minister kan met de eigenaar overeenkomen, dat de krachtens het eerste lid aan deze verschuldigde vergoeding geheel of gedeeltelijk zal worden voldaan door inbetalinggeving van één of meer schepen; [artikel 15, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002810&paragraaf=IV&artikel=15&z=2020-04-01&g=2020-04-01), is van overeenkomstige toepassing.
4. Zolang aan de aanspraak op vergoeding wegens eigendomsovergang niet is voldaan kan Onze Minister het gevorderde schip tot een nader te bepalen bedrag ter voldoening van de aanspraak weder in eigendom overdragen aan degene van wie het schip werd gevorderd. Het bedrag wordt vastgesteld op de wijze, omschreven in [artikel 24](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002810&paragraaf=VI&artikel=24&z=2020-04-01&g=2020-04-01). Van de overdracht wordt een verklaring opgemaakt, welke indien het een schip als bedoeld in [artikel 1, onder **b**, 1° en 2°](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002810&paragraaf=I&artikel=1&z=2020-04-01&g=2020-04-01) betreft, Onze Minister zo spoedig mogelijk doet inschrijven in de openbare registers, bedoeld in [afdeling 2 van titel 1 van Boek 3 van het Nederlandse Burgerlijk Wetoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&afdeling=2)“Wetoek” moet zijn “Wetboek”, en welke indien het een schip als bedoeld in [artikel 1, onder **b**, 3°, 4°, 5° en 6°](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002810&paragraaf=I&artikel=1&z=2020-04-01&g=2020-04-01) betreft, wordt overgeschreven in het scheepsregister, waarin het schip teboekstaat. [Artikel 15, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002810&paragraaf=IV&artikel=15&z=2020-04-01&g=2020-04-01), is van overeenkomstige toepassing.
1. De vergoeding, welke aan de eigenaar en de vruchtgebruiker wordt verleend in geval van eigendomsovergang als bedoeld in [artikel 16, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002810&paragraaf=V&artikel=16&z=2025-07-01&g=2025-07-01), dan wel indien het schip vóór het tijdstip, waarop de eigendom overeenkomstig [artikel 16, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002810&paragraaf=V&artikel=16&z=2025-07-01&g=2025-07-01), aan Nederland zou zijn overgegaan, verloren is gegaan of schade heeft geleden als gevolg van omstandigheden waarin het is geraakt, doordat aan de vordering gevolg is gegeven wordt vastgesteld op de wijze omschreven in [artikel 24](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002810&paragraaf=VI&artikel=24&z=2025-07-01&g=2025-07-01); op de verlening van deze vergoeding is het bepaalde in de [artikelen 11, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002810&paragraaf=IV&artikel=11&z=2025-07-01&g=2025-07-01) van toepassing.
2. In geval van vordering in eigendom is het bepaalde in [artikel 12, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002810&paragraaf=IV&artikel=12&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing.
3. Onze Minister kan met de eigenaar overeenkomen, dat de krachtens het eerste lid aan deze verschuldigde vergoeding geheel of gedeeltelijk zal worden voldaan door inbetalinggeving van één of meer schepen; [artikel 15, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002810&paragraaf=IV&artikel=15&z=2025-07-01&g=2025-07-01), is van overeenkomstige toepassing.
4. Zolang aan de aanspraak op vergoeding wegens eigendomsovergang niet is voldaan kan Onze Minister het gevorderde schip tot een nader te bepalen bedrag ter voldoening van de aanspraak weder in eigendom overdragen aan degene van wie het schip werd gevorderd. Het bedrag wordt vastgesteld op de wijze, omschreven in [artikel 24](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002810&paragraaf=VI&artikel=24&z=2025-07-01&g=2025-07-01). Van de overdracht wordt een verklaring opgemaakt, welke indien het een schip als bedoeld in [artikel 1, onder **b**, 1° en 2°](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002810&paragraaf=I&artikel=1&z=2025-07-01&g=2025-07-01) betreft, Onze Minister zo spoedig mogelijk doet inschrijven in de openbare registers, bedoeld in [afdeling 2 van titel 1 van Boek 3 van het Nederlandse Burgerlijk Wetoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&afdeling=2)“Wetoek” moet zijn “Wetboek”, en welke indien het een schip als bedoeld in [artikel 1, onder **b**, 3°, 4°, 5° en 6°](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002810&paragraaf=I&artikel=1&z=2025-07-01&g=2025-07-01) betreft, wordt overgeschreven in het scheepsregister, waarin het schip teboekstaat. [Artikel 15, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002810&paragraaf=IV&artikel=15&z=2025-07-01&g=2025-07-01), is van overeenkomstige toepassing.
5. De op het schip bevoorrechte inschulden, bestaande op het tijdstip van de vordering in eigendom, zijn bevoorrecht op de vergoeding aan de eigenaar, bedoeld in het eerste lid, zolang deze vergoeding verschuldigd is; indien het schip met hypotheek is belast, heeft de hypothecaire schuldeiser tot het bedrag van zijn hypothecaire inschrijving pandrecht op de vergoeding aan de eigenaar, bedoeld in het eerste lid, zolang deze vergoeding verschuldigd is. De inschulden waarvoor krachtens de vorige zin een voorrecht of een pandrecht geldt, zijn op de vergoedingen aan de eigenaar bij voorrang boven alle inschulden uit anderen hoofde verhaalbaar; hun onderlinge rangorde wordt bepaald door de volgorde waarin zij vóór de vordering op het schip verhaalbaar waren.
@@ -218,7 +216,7 @@
1. Tenzij zulks voor de oorlogvoering noodzakelijk is, zal het schip niet aan een ander vervreemd worden, alvorens degene, van wie het schip werd gevorderd, in de gelegenheid is gesteld de eigendom van het schip weder te verwerven.
2. [Artikel 15, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002810&paragraaf=IV&artikel=15&z=2020-04-01&g=2020-04-01), is van overeenkomstige toepassing.
2. [Artikel 15, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002810&paragraaf=IV&artikel=15&z=2025-07-01&g=2025-07-01), is van overeenkomstige toepassing.
#### VI. Algemene bepalingen
@@ -234,21 +232,21 @@
##### Artikel 21
Indien Onze Minister dan wel Onze Gouverneur personen aanwijst om namens hem te vorderen, vergunningen te verlenen of te handelen overeenkomstig [artikel 22, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002810&paragraaf=VI&artikel=22&z=2020-04-01&g=2020-04-01), moeten deze zijn voorzien van een daartoe strekkende algemene of bijzondere schriftelijke machtiging, welke vermeldt, tot welk tijdstip zij geldt. In spoedeisende gevallen kan deze machtiging achterwege blijven, mits de aanwijzing van de personen door de daartoe ten dienste staande middelen algemeen bekend is gemaakt.
Indien Onze Minister dan wel Onze Gouverneur personen aanwijst om namens hem te vorderen, vergunningen te verlenen of te handelen overeenkomstig [artikel 22, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002810&paragraaf=VI&artikel=22&z=2025-07-01&g=2025-07-01), moeten deze zijn voorzien van een daartoe strekkende algemene of bijzondere schriftelijke machtiging, welke vermeldt, tot welk tijdstip zij geldt. In spoedeisende gevallen kan deze machtiging achterwege blijven, mits de aanwijzing van de personen door de daartoe ten dienste staande middelen algemeen bekend is gemaakt.
##### Artikel 22
1. De eigenaar en de reder van een gevorderd schip of van een schip, waarin ruimte is gevorderd, zijn verplicht alle medewerking te verlenen welke redelijkerwijze van hen verlangd kan worden, teneinde de kapitein in staat te stellen de verplichtingen, hem opgelegd bij [artikel 6, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002810&paragraaf=III&artikel=6&z=2020-04-01&g=2020-04-01), [9, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002810&paragraaf=IV&artikel=9&z=2020-04-01&g=2020-04-01) en [16, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002810&paragraaf=V&artikel=16&z=2020-04-01&g=2020-04-01), na te komen.
1. De eigenaar en de reder van een gevorderd schip of van een schip, waarin ruimte is gevorderd, zijn verplicht alle medewerking te verlenen welke redelijkerwijze van hen verlangd kan worden, teneinde de kapitein in staat te stellen de verplichtingen, hem opgelegd bij [artikel 6, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002810&paragraaf=III&artikel=6&z=2025-07-01&g=2025-07-01), [9, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002810&paragraaf=IV&artikel=9&z=2025-07-01&g=2025-07-01) en [16, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002810&paragraaf=V&artikel=16&z=2025-07-01&g=2025-07-01), na te komen.
2. Ingeval een verplichting tot terbeschikkingstelling van een schip of ruimte in een schip, opgelegd bij de in het vorige lid genoemde artikelen, niet of niet volledig wordt nagekomen, kan Onze Minister zich zo nodig met behulp van de sterke arm de beschikking over het gevorderde verschaffen.
##### Artikel 23
De bedragen der vergoedingen, welke ingevolge de [artikelen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002810&paragraaf=II&artikel=4&z=2020-04-01&g=2020-04-01), [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002810&paragraaf=III&artikel=7&z=2020-04-01&g=2020-04-01) en [9, tiende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002810&paragraaf=IV&artikel=9&z=2020-04-01&g=2020-04-01), [11, derde èn vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002810&paragraaf=IV&artikel=11&z=2020-04-01&g=2020-04-01), [12, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002810&paragraaf=IV&artikel=12&z=2020-04-01&g=2020-04-01), [13, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002810&paragraaf=IV&artikel=13&z=2020-04-01&g=2020-04-01), [16, elfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002810&paragraaf=V&artikel=16&z=2020-04-01&g=2020-04-01) en [17, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002810&paragraaf=V&artikel=17&z=2020-04-01&g=2020-04-01), eigenaren, vruchtgebruikers of reders verleend worden of door eigenaren verschuldigd zijn, komen ten laste van, onderscheidenlijk ten goede aan Nederland.
De bedragen der vergoedingen, welke ingevolge de [artikelen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002810&paragraaf=II&artikel=4&z=2025-07-01&g=2025-07-01), [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002810&paragraaf=III&artikel=7&z=2025-07-01&g=2025-07-01) en [9, tiende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002810&paragraaf=IV&artikel=9&z=2025-07-01&g=2025-07-01), [11, derde èn vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002810&paragraaf=IV&artikel=11&z=2025-07-01&g=2025-07-01), [12, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002810&paragraaf=IV&artikel=12&z=2025-07-01&g=2025-07-01), [13, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002810&paragraaf=IV&artikel=13&z=2025-07-01&g=2025-07-01), [16, elfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002810&paragraaf=V&artikel=16&z=2025-07-01&g=2025-07-01) en [17, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002810&paragraaf=V&artikel=17&z=2025-07-01&g=2025-07-01), eigenaren, vruchtgebruikers of reders verleend worden of door eigenaren verschuldigd zijn, komen ten laste van, onderscheidenlijk ten goede aan Nederland.
##### Artikel 24
1. De vergoeding, bedoeld in de [artikelen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002810&paragraaf=II&artikel=4&z=2020-04-01&g=2020-04-01), [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002810&paragraaf=III&artikel=7&z=2020-04-01&g=2020-04-01), [9, tiende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002810&paragraaf=IV&artikel=9&z=2020-04-01&g=2020-04-01), [11, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002810&paragraaf=IV&artikel=11&z=2020-04-01&g=2020-04-01), [12, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002810&paragraaf=IV&artikel=12&z=2020-04-01&g=2020-04-01), [13, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002810&paragraaf=IV&artikel=13&z=2020-04-01&g=2020-04-01), [16, elfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002810&paragraaf=V&artikel=16&z=2020-04-01&g=2020-04-01), en [17, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002810&paragraaf=V&artikel=17&z=2020-04-01&g=2020-04-01), alsmede het bedrag, bedoeld in [artikel 17, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002810&paragraaf=V&artikel=17&z=2020-04-01&g=2020-04-01), wordt met inachtneming van het bepaalde in het tweede en vierde lid van dit artikel vastgesteld volgens daaromtrent nader bij algemene maatregel van Rijksbestuur te stellen regelen; deze regelen hebben mede betrekking op het tijdstip van vaststelling der vergoeding en de betaalbaarstelling.
1. De vergoeding, bedoeld in de [artikelen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002810&paragraaf=II&artikel=4&z=2025-07-01&g=2025-07-01), [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002810&paragraaf=III&artikel=7&z=2025-07-01&g=2025-07-01), [9, tiende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002810&paragraaf=IV&artikel=9&z=2025-07-01&g=2025-07-01), [11, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002810&paragraaf=IV&artikel=11&z=2025-07-01&g=2025-07-01), [12, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002810&paragraaf=IV&artikel=12&z=2025-07-01&g=2025-07-01), [13, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002810&paragraaf=IV&artikel=13&z=2025-07-01&g=2025-07-01), [16, elfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002810&paragraaf=V&artikel=16&z=2025-07-01&g=2025-07-01), en [17, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002810&paragraaf=V&artikel=17&z=2025-07-01&g=2025-07-01), alsmede het bedrag, bedoeld in [artikel 17, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002810&paragraaf=V&artikel=17&z=2025-07-01&g=2025-07-01), wordt met inachtneming van het bepaalde in het tweede en vierde lid van dit artikel vastgesteld volgens daaromtrent nader bij algemene maatregel van Rijksbestuur te stellen regelen; deze regelen hebben mede betrekking op het tijdstip van vaststelling der vergoeding en de betaalbaarstelling.
2. Het bedrag der vergoeding wordt, zo mogelijk, door Onze Minister in overeenstemming met de belanghebbende vastgesteld.
@@ -264,7 +262,7 @@
##### Artikel 25
1. Het bedrag van de in [artikel 24, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002810&paragraaf=VI&artikel=24&z=2020-04-01&g=2020-04-01), bedoelde vergoeding wordt door de rechter vastgesteld op verzoek van de belanghebbende of van Onze Minister. Het geding wordt door de verzoeker aanhangig gemaakt bij een in drievoud ingediend verzoekschrift, waarin naam en adres van de belanghebbende vermeld is, alsmede het bedrag van de vergoeding, waarvan vaststelling wordt verlangd.
1. Het bedrag van de in [artikel 24, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002810&paragraaf=VI&artikel=24&z=2025-07-01&g=2025-07-01), bedoelde vergoeding wordt door de rechter vastgesteld op verzoek van de belanghebbende of van Onze Minister. Het geding wordt door de verzoeker aanhangig gemaakt bij een in drievoud ingediend verzoekschrift, waarin naam en adres van de belanghebbende vermeld is, alsmede het bedrag van de vergoeding, waarvan vaststelling wordt verlangd.
2. De rechter bepaalt de dag waarop de zaak ter rolle zal worden uitgeroepen. Bedoelde dag zal niet later mogen worden gesteld dan zes weken na die, waarop het verzoekschrift ter griffie is ontvangen.
@@ -280,27 +278,27 @@
##### Artikel 26
1. De kapitein, de reder of de eigenaar, die opzettelijk niet voldoet aan een hem bij [artikel 6, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002810&paragraaf=III&artikel=6&z=2020-04-01&g=2020-04-01), [9, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002810&paragraaf=IV&artikel=9&z=2020-04-01&g=2020-04-01), of [16, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002810&paragraaf=V&artikel=16&z=2020-04-01&g=2020-04-01), opgelegde verplichting, en hij, die opzettelijk belet, belemmert of verijdelt, dat aan zodanige, een ander opgelegde verplichting wordt voldaan, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste tien jaren of geldboete van € 45.000,–, of, indien de geldboete wordt opgelegd door de strafrechter in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba, een geldboete van ten hoogste USD 56.000,–, dan wel indien de geldboete wordt opgelegd door de strafrechter in Aruba, Curaçao of Sint Maarten een geldboete van ten hoogste AWG 100.000,– onderscheidenlijk ANG 100.000,–.
1. De kapitein, de reder of de eigenaar, die opzettelijk niet voldoet aan een hem bij [artikel 6, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002810&paragraaf=III&artikel=6&z=2025-07-01&g=2025-07-01), [9, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002810&paragraaf=IV&artikel=9&z=2025-07-01&g=2025-07-01), of [16, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002810&paragraaf=V&artikel=16&z=2025-07-01&g=2025-07-01), opgelegde verplichting, en hij, die opzettelijk belet, belemmert of verijdelt, dat aan zodanige, een ander opgelegde verplichting wordt voldaan, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste tien jaren of geldboete van € 45.000,–, of, indien de geldboete wordt opgelegd door de strafrechter in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba, een geldboete van ten hoogste USD 56.000,–, dan wel indien de geldboete wordt opgelegd door de strafrechter in Aruba, Curaçao of Sint Maarten een geldboete van ten hoogste AWG 100.000,– onderscheidenlijk ANG 100.000,–.
2. Hij aan wiens schuld te wijten is, dat aan een verplichting als in het vorige lid bedoeld niet wordt voldaan, of dat de nakoming daarvan wordt belet, belemmerd of verijdeld, wordt gestraft met gevangenisstraf of hechtenis van ten hoogste een jaar of geldboete van ten hoogste € 22.500,–, of, indien de geldboete wordt opgelegd door de strafrechter in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba, een geldboete van ten hoogste USD 28.000,–, dan wel indien de geldboete wordt opgelegd door de strafrechter in Aruba, Curaçao of Sint Maarten, een geldboete van ten hoogste AWG 50.000,– onderscheidenlijk ANG 50.000,–.
##### Artikel 27
1. Hij die opzettelijk een verbod als bedoeld in [artikel 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002810&paragraaf=II&artikel=5&z=2020-04-01&g=2020-04-01) overtreedt of een voorwaarde als bedoeld in dat artikel niet nakomt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijf jaren of geldboete van ten hoogste € 45 000,–, of, indien de geldboete wordt opgelegd door de strafrechter in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba, een geldboete van ten hoogste USD 56.000,–, dan wel indien de geldboete wordt opgelegd door de strafrechter in Aruba, Curaçao of Sint Maarten, een geldboete van ten hoogste AWG 100.000,– onderscheidenlijk ANG 100.000,–.
2. Hij aan wiens schuld te wijten is, dat een verbod als bedoeld in [artikel 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002810&paragraaf=II&artikel=5&z=2020-04-01&g=2020-04-01) wordt overtreden of een voorwaarde als bedoeld in dat artikel niet wordt nagekomen, wordt gestraft met gevangenisstraf of hechtenis van ten hoogste een jaar of geldboete van ten hoogste € 22.500,–, of, indien de geldboete wordt opgelegd door de strafrechter in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba, een geldboete van ten hoogste USD 28.000,–, dan wel indien de geldboete wordt opgelegd door de strafrechter in Aruba, Curaçao of Sint Maarten, een geldboete van ten hoogste AWG 50.000,– onderscheidenlijk ANG 50.000,–.
1. Hij die opzettelijk een verbod als bedoeld in [artikel 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002810&paragraaf=II&artikel=5&z=2025-07-01&g=2025-07-01) overtreedt of een voorwaarde als bedoeld in dat artikel niet nakomt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijf jaren of geldboete van ten hoogste € 45 000,–, of, indien de geldboete wordt opgelegd door de strafrechter in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba, een geldboete van ten hoogste USD 56.000,–, dan wel indien de geldboete wordt opgelegd door de strafrechter in Aruba, Curaçao of Sint Maarten, een geldboete van ten hoogste AWG 100.000,– onderscheidenlijk ANG 100.000,–.
2. Hij aan wiens schuld te wijten is, dat een verbod als bedoeld in [artikel 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002810&paragraaf=II&artikel=5&z=2025-07-01&g=2025-07-01) wordt overtreden of een voorwaarde als bedoeld in dat artikel niet wordt nagekomen, wordt gestraft met gevangenisstraf of hechtenis van ten hoogste een jaar of geldboete van ten hoogste € 22.500,–, of, indien de geldboete wordt opgelegd door de strafrechter in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba, een geldboete van ten hoogste USD 28.000,–, dan wel indien de geldboete wordt opgelegd door de strafrechter in Aruba, Curaçao of Sint Maarten, een geldboete van ten hoogste AWG 50.000,– onderscheidenlijk ANG 50.000,–.
##### Artikel 28
Hij die handelt in strijd met een hem ingevolge [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002810&paragraaf=II&artikel=4&z=2020-04-01&g=2020-04-01) gegeven aanwijzing, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste € 4.500,–, of, indien de geldboete wordt opgelegd door de strafrechter in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba, een geldboete van ten hoogste USD 5.600,–, dan wel indien de geldboete wordt opgelegd door de strafrechter in Aruba, Curaçao of Sint Maarten, een geldboete van ten hoogste AWG 10.000,– onderscheidenlijk ANG 10.000,–.
Hij die handelt in strijd met een hem ingevolge [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002810&paragraaf=II&artikel=4&z=2025-07-01&g=2025-07-01) gegeven aanwijzing, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste € 4.500,–, of, indien de geldboete wordt opgelegd door de strafrechter in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba, een geldboete van ten hoogste USD 5.600,–, dan wel indien de geldboete wordt opgelegd door de strafrechter in Aruba, Curaçao of Sint Maarten, een geldboete van ten hoogste AWG 10.000,– onderscheidenlijk ANG 10.000,–.
##### Artikel 29
De feiten, strafbaar gesteld bij de [artikelen 26](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002810&paragraaf=VII&artikel=26&z=2020-04-01&g=2020-04-01) en [27](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002810&paragraaf=VII&artikel=27&z=2020-04-01&g=2020-04-01), worden beschouwd als misdrijven; de feiten, strafbaar gesteld bij [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002810&paragraaf=VII&artikel=28&z=2020-04-01&g=2020-04-01) worden beschouwd als overtredingen.
De feiten, strafbaar gesteld bij de [artikelen 26](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002810&paragraaf=VII&artikel=26&z=2025-07-01&g=2025-07-01) en [27](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002810&paragraaf=VII&artikel=27&z=2025-07-01&g=2025-07-01), worden beschouwd als misdrijven; de feiten, strafbaar gesteld bij [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002810&paragraaf=VII&artikel=28&z=2025-07-01&g=2025-07-01) worden beschouwd als overtredingen.
##### Artikel 30
De [artikelen 26](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002810&paragraaf=VII&artikel=26&z=2020-04-01&g=2020-04-01), [27](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002810&paragraaf=VII&artikel=27&z=2020-04-01&g=2020-04-01), [28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002810&paragraaf=VII&artikel=28&z=2020-04-01&g=2020-04-01) en [29](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002810&paragraaf=VII&artikel=29&z=2020-04-01&g=2020-04-01) zijn van toepassing, ongeacht waar het feit plaatsvindt.
De [artikelen 26](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002810&paragraaf=VII&artikel=26&z=2025-07-01&g=2025-07-01), [27](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002810&paragraaf=VII&artikel=27&z=2025-07-01&g=2025-07-01), [28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002810&paragraaf=VII&artikel=28&z=2025-07-01&g=2025-07-01) en [29](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002810&paragraaf=VII&artikel=29&z=2025-07-01&g=2025-07-01) zijn van toepassing, ongeacht waar het feit plaatsvindt.
##### Artikel 31
@@ -328,7 +326,7 @@
##### Artikel 33
1. Bij het opsporen van een bij of krachtens deze Rijkswet strafbaar gesteld feit hebben de in [artikel 32](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002810&paragraaf=VII&artikel=32&z=2020-04-01&g=2020-04-01) bedoelde ambtenaren toegang tot elke plaats, voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak nodig is. Zo nodig verschaffen zij zich toegang met behulp van de sterke arm.
1. Bij het opsporen van een bij of krachtens deze Rijkswet strafbaar gesteld feit hebben de in [artikel 32](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002810&paragraaf=VII&artikel=32&z=2025-07-01&g=2025-07-01) bedoelde ambtenaren toegang tot elke plaats, voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak nodig is. Zo nodig verschaffen zij zich toegang met behulp van de sterke arm.
2. In Aruba, Curaçao en Sint Maarten treden zij in woningen tegen de wil van de bewoner niet binnen dan voorzien van een door de aldaar bevoegde autoriteit verstrekte schriftelijke machtiging. Van dit binnentreden wordt binnen tweemaal 24 uur proces-verbaal opgemaakt.
2020-04-01
Rijkswet Noodvoorzieningen Scheepvaart
2010-10-10
Rijkswet Noodvoorzieningen Scheepvaart — arts. 3, 4, 7 y 8 más
2002-01-01
Rijkswet Noodvoorzieningen Scheepvaart — arts. 3, 4, 7 y 13 más
2002-01-01
Rijkswet Noodvoorzieningen Scheepvaart
original version Tekst op deze datum