Wijzigingsgeschiedenis
Wet van 24 april 1986, op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen
36 versions
· 2026-04-11
2026-04-15
Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastin
2025-01-01
Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastin
2024-01-01
Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastin
2023-01-01
Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastin
2022-01-01
Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastin
2020-07-01
Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastin
2018-01-01
Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastin
2017-06-05
Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastin
2017-01-01
Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastin
2016-01-01
Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastin
2015-01-01
Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastin
2014-01-06
Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastin
2014-01-01
Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastin
2013-01-01
Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastin
2012-01-01
Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastin
2011-07-01
Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastin
2011-01-01
Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastin
2010-10-10
Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastin
2009-03-25
Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastin
2008-12-30
Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastin
2008-08-01
Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastin
2008-07-11
Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastin
2008-01-01
Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastin
2007-08-01
Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastin
2007-07-01
Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastin
2006-01-01
Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastin
2005-12-02
Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastin
2005-07-01
Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastin
2005-06-29
Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastin
2005-05-13
Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastin
2005-01-01
Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastin
2004-12-31
Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastin
2004-12-03
Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastin
2004-01-01
Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastin
2002-01-01
Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastin
Wijzigingen op 2002-01-01
@@ -165,1265 +165,3 @@
2. Deze wet kan worden aangehaald als: Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen.
Lasten en bevelen dat deze in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
### Hoofdstuk IA. Reikwijdte van inlichtingenuitwisseling
### Afdeling 1. Algemeen
### Afdeling 2. Inkomsten uit spaargelden
#### Paragraaf 1. Begripsbepalingen
##### Artikel 4a. Definities
1. Voor de toepassing van deze afdeling wordt verstaan onder:
- a. rentebetaling: rente, uitbetaald of bijgeschreven op een rekening, die is terug te voeren op enigerlei schuldvordering, al dan niet gedekt door hypotheek of voorzien van een winstdelingsclausule, en met name de opbrengsten van overheidspapier en obligatieleningen, inclusief daaraan gehechte premies en prijzen; boete voor te late betaling wordt niet als rentebetaling aangemerkt;
- b. uiteindelijk gerechtigde: elke natuurlijke persoon die een rentebetaling ontvangt, of ten gunste van wie een rentebetaling wordt bewerkstelligd;
- c. marktdeelnemer: ieder lichaam als bedoeld in [artikel 2, eerste lid, onderdeel b, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=2) dat rentebetalingen verricht of iedere natuurlijke persoon die in het kader van de uitoefening van zijn onderneming of beroep rentebetalingen verricht;
- d. uitbetalende instantie: de marktdeelnemer die rente uitbetaalt of een rentebetaling bewerkstelligt ten onmiddellijke gunste van de uiteindelijk gerechtigde, ongeacht of deze marktdeelnemer de debiteur is van de rentedragende schuldvordering dan wel de marktdeelnemer die door de debiteur of de uiteindelijk gerechtigde is belast met het uitbetalen van de rente of het bewerkstelligen van de rentebetaling;
- e. icbe: een instelling voor collectieve belegging in effecten waaraan een vergunning is verleend overeenkomstig de algemene vereisten van [richtlijn nr. 85/611/EEG](31985L0611) van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 20 december 1985 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instellingen voor collectieve belegging in effecten (Pb EG L 375).
2. Waar een uiteindelijke gerechtigde woont, of waar een marktdeelnemer of een uitbetalende instantie woont of is gevestigd, wordt naar de omstandigheden beoordeeld.
##### Artikel 4b. Uitbreiding definitie rentebetaling
1. Voor de toepassing van deze afdeling wordt onder rentebetaling mede verstaan:
- a. de rente die is aangegroeid of gekapitaliseerd op het moment van de verkoop, de terugbetaling of de aflossing van de schuldvordering;
- b. inkomsten uit rentebetalingen als bedoeld in [artikel 4a, eerste lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003954&hoofdstuk=IA&afdeling=2¶graaf=1&artikel=4a&z=2004-01-01&g=2004-01-01), en dit lid, onderdeel a, indien deze rechtstreeks of via een uitbetalende instantie als bedoeld in [artikel 4d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003954&hoofdstuk=IA&afdeling=2¶graaf=1&artikel=4d&z=2004-01-01&g=2004-01-01), worden uitgekeerd door een collectieve beleggingsinstelling;
- c. inkomsten die zijn gerealiseerd bij de verkoop, terugbetaling of aflossing van aandelen of bewijzen van deelneming in een collectieve beleggingsinstelling, indien een dergelijke instelling rechtstreeks of via een andere dergelijke instelling meer dan 15% van zijn vermogen belegt in schuldvorderingen.
2. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder collectieve beleggingsinstelling verstaan:
- a. een icbe;
- b. een entiteit die gebruik mag maken van de keuzemogelijkheid van [artikel 4e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003954&hoofdstuk=IA&afdeling=2¶graaf=1&artikel=4e&z=2004-01-01&g=2004-01-01), of een overeenkomstige keuzemogelijkheid in de lidstaat van vestiging;
- c. een instelling voor collectieve belegging die is gevestigd buiten het grondgebied waarop artikel 299 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap van toepassing is.
3. De inkomsten, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, worden slechts als rentebetaling aangemerkt voorzover deze rechtstreeks of middellijk afkomstig zijn van rentebetalingen als bedoeld in [artikel 4a, eerste lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003954&hoofdstuk=IA&afdeling=2¶graaf=1&artikel=4a&z=2004-01-01&g=2004-01-01), en dit artikel, eerste lid, onderdeel a.
4. Indien een uitbetalende instantie met het oog op de toepassing van het eerste lid, onderdelen b en c, geen informatie heeft over het deel van de inkomsten dat voortkomt uit rentebetalingen, bedoeld in die onderdelen, wordt het volledige bedrag aan inkomsten als rentebetaling aangemerkt.
5. De inkomsten, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, worden, indien deze afkomstig zijn van een in Nederland gevestigde collectieve beleggingsinstelling niet als rentebetaling aangemerkt indien blijkt dat de beleggingen in schuldvorderingen rechtstreeks of via een andere dergelijke instelling of entiteit niet meer dan 15% van het vermogen van de desbetreffende instelling of entiteit uitmaken.
6. De percentages, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c en het vijfde lid, worden bepaald aan de hand van de beleggingspolitiek zoals die in het fondsreglement of de statuten van de betrokken collectieve beleggings-instelling is neergelegd, en bij het ontbreken daarvan op basis van de feitelijke samenstelling van de beleggingsportefeuille van de instelling.
7. Indien een uitbetalende instantie met het oog op de toepassing van het eerste lid, onderdeel c, geen informatie heeft over het percentage van het vermogen dat is belegd in schuldvorderingen, wordt dat percentage geacht meer dan 15% te bedragen.
8. Indien een uitbetalende instantie met het oog op de toepassing van het eerste lid, onderdeel c, het bedrag van de door de uiteindelijk gerechtigde gerealiseerde inkomsten niet kan bepalen, worden die inkomsten geacht de opbrengst van de verkoop, aflossing of terugbetaling van de aandelen of bewijzen van deelneming te zijn.
##### Artikel 4c. Tijdelijk uitgezonderde schuldvorderingen
1. Binnenlandse en internationale obligaties en andere verhandelbare schuldinstrumenten die voor het eerst zijn uitgegeven vóór 1 maart 2001 of waarvan het oorspronkelijke emissieprospectus vóór die datum is goedgekeurd door de bevoegde autoriteiten in de zin van de [richtlijn nr. 80/390/EEG](31980L0390) van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 17 april 1980 tot coördinatie van de eisen gesteld aan de opstelling van, het toezicht op en de verspreiding van het prospectus dat gepubliceerd moet worden voor de toelating van effecten tot de officiële notering aan een effectenbeurs (Pb EG L 100) of door de verantwoordelijke autoriteiten in landen buiten de Europese Unie, worden niet aangemerkt als schuldvorderingen.
2. Het eerste lid is niet van toepassing indien op of na 1 maart 2002 een aanvullende emissie plaatsvindt of heeft plaatsgevonden van de daar bedoelde verhandelbare schuldinstrumenten.
3. Indien op of na 1 maart 2002 een vervolgemissie plaatsvindt van een verhandelbaar schuldinstrument als bedoeld in het eerste lid, dat is uitgegeven door een overheid of een gelijkgestelde entiteit die als overheidsinstantie optreedt of waarvan de rol is erkend bij een internationaal verdrag als bedoeld in de bijlage bij de [richtlijn nr. 2003/48/EG](32003L0048) van de Raad van de Europese Unie van 3 juni 2003 betreffende belastingheffing op inkomsten uit spaargelden in de vorm van rentebetaling (Pb EG L 157), wordt de gehele emissie van dit schuldinstrument, bestaande uit de oorspronkelijke emissie en vervolgemissies, aangemerkt als een schuldvordering.
4. Indien op of na 1 maart 2002 een vervolgemissie plaatsvindt van een verhandelbaar schuldinstrument als bedoeld in het eerste lid, dat is uitgegeven door een emittent die niet valt onder het bepaalde in het derde lid, wordt deze nieuwe emissie aangemerkt als een schuldvordering.
##### Artikel 4d. Uitbreiding definitie uitbetalende instantie
1. Voor de toepassing van deze afdeling wordt een in een lidstaat gevestigde entiteit waaraan rente wordt uitbetaald of ten aanzien van wie een rentebetaling wordt bewerkstelligd ten gunste van de uiteindelijk gerechtigde op het moment van het verrichten of het bewerkstelligen van die rentebetaling eveneens als uitbetalende instantie aangemerkt.
2. Het eerste lid is niet van toepassing indien de marktdeelnemer op basis van een door de in het eerste lid bedoelde entiteit overgelegd officieel bewijskrachtig document redenen heeft om aan te nemen dat deze entiteit:
- a. een rechtspersoon is, niet zijnde een rechtspersoon als bedoeld in artikel 4, lid 5, van de [richtlijn nr. 2003/48/EG](32003L0048) van de Raad van de Europese Unie van 3 juni 2003 betreffende belastingheffing op inkomsten uit spaargelden in de vorm van rentebetaling (Pb EG L 157), of
- b. een entiteit is waarvan de winst wordt belast volgens de algemene belastingregels voor ondernemingen, of
- c. een icbe is.
##### Artikel 4e. Icbe na keuze
1. De entiteit die op grond van [artikel 4d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003954&hoofdstuk=IA&afdeling=2¶graaf=1&artikel=4d&z=2004-01-01&g=2004-01-01) als uitbetalende instantie wordt aangemerkt, wordt, indien deze daarvoor kiest, voor de toepassing van deze afdeling mede als icbe aangemerkt. Een in Nederland gevestigde entiteit maakt de keuze, bedoeld in de eerste volzin, kenbaar aan de bevoegde functionaris. De bevoegde functionaris bevestigt bij beschikking indien is voldaan aan de voorwaarden voor de keuze.
2. Omtrent de keuzemogelijkheid in het eerste lid kunnen bij ministeriële regeling nadere regels worden gesteld.
3. De entiteit die de in het eerste lid bedoelde keuze heeft gemaakt, overhandigt aan de marktdeelnemer een afschrift van de door de bevoegde functionaris afgegeven beschikking.
##### Artikel 4f. Inperking definitie uiteindelijk gerechtigde
1. Een natuurlijk persoon wordt niet aangemerkt als uiteindelijk gerechtigde indien hij aantoont dat de rentebetaling niet te zijner gunste is ontvangen of is bewerkstelligd, maar dat hij:
- a. handelt als een uitbetalende instantie als bedoeld in [artikel 4a, eerste lid, onderdeel d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003954&hoofdstuk=IA&afdeling=2¶graaf=1&artikel=4a&z=2004-01-01&g=2004-01-01), of
- b. handelt namens een rechtspersoon, of
- c. handelt namens een entiteit waarvan de winst wordt belast volgens de algemene belastingregels voor ondernemingen, of
- d. handelt namens een icbe, of
- e. handelt namens een uitbetalende instantie als bedoeld in [artikel 4d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003954&hoofdstuk=IA&afdeling=2¶graaf=1&artikel=4d&z=2004-01-01&g=2004-01-01) en hij aan de marktdeelnemer die de rentebetaling verricht de naam en het adres van deze uitbetalende instantie bekendmaakt, of
- f. handelt namens een andere natuurlijke persoon die de uiteindelijk gerechtigde is, en hij aan de uitbetalende instantie met inachtneming van [artikel 4g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003954&hoofdstuk=IA&afdeling=2¶graaf=1&artikel=4g&z=2004-01-01&g=2004-01-01) de identiteit van die uiteindelijk gerechtigde bekendmaakt.
2. Het eerste lid, onderdeel e, is slechts van toepassing indien blijkt dat de daar bedoelde marktdeelnemer de hem bekendgemaakte informatie op zijn beurt doorgeeft aan de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar hij woont of is gevestigd.
3. De uitbetalende instantie is gehouden redelijke maatregelen te nemen om met inachtneming van [artikel 4g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003954&hoofdstuk=IA&afdeling=2¶graaf=1&artikel=4g&z=2004-01-01&g=2004-01-01) de identiteit van de uiteindelijk gerechtigde vast te stellen indien zij beschikt over gegevens die doen vermoeden dat de natuurlijke persoon die een rentebetaling ontvangt of ten gunste van wie een rentebetaling wordt bewerkstelligd, niet de uiteindelijk gerechtigde is, en die persoon niet valt onder het eerste lid, onderdelen a, b, c, d of e.
##### Artikel 4g. Identificatie door Nederlandse uitbetalende instantie
1. Voor contractuele betrekkingen die zijn aangegaan vóór 1 januari 2004, stelt de in Nederland wonende of gevestigde uitbetalende instantie de identiteit vast van de in een andere lidstaat wonende uiteindelijk gerechtigde, bestaande uit diens naam en adres, aan de hand van de informatie waarover zij beschikt, met name ter uitvoering van de in Nederland geldende wettelijke voorschriften waaronder de [Wet identificatie bij dienstverlening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006330).
2. Voor contractuele betrekkingen die zijn of worden aangegaan op of na 1 januari 2004 of voor transacties die bij het ontbreken van contractuele betrekkingen zijn of worden verricht op of na die datum, bepaalt de in Nederland wonende of gevestigde uitbetalende instantie met inachtneming van het bepaalde in het volgende lid de identiteit van de in een andere lidstaat wonende uiteindelijk gerechtigde, bestaande uit diens naam, adres, en, indien dat bestaat, diens door de fiscale woonstaat toegekend fiscaal identificatienummer.
3. De identiteit, bedoeld in het tweede lid, wordt bepaald op basis van het paspoort of de officiële identiteitskaart van de uiteindelijk gerechtigde. Indien het adres niet is vermeld in het paspoort of in de officiële identiteitskaart, wordt het adres bepaald op basis van enig ander bewijskrachtig document dat door de uiteindelijk gerechtigde wordt overgelegd. Indien het fiscaal identificatienummer niet is vermeld in het paspoort, in de officiële identiteitskaart of in enig ander bewijskrachtig document dat door de uiteindelijk gerechtigde wordt overgelegd, wordt diens naam en adres aangevuld met de vermelding van diens geboorteplaats en geboortedatum zoals vermeld in het paspoort of de officiële identiteitskaart.
##### Artikel 4h. Vaststelling woonplaats door Nederlandse uitbetalende instantie
1. Voor contractuele betrekkingen die zijn aangegaan vóór 1 januari 2004, stelt de in Nederland wonende of gevestigde uitbetalende instantie de woonplaats van de in een andere lidstaat wonende uiteindelijk gerechtigde vast aan de hand van de informatie waarover zij beschikt, met name ter uitvoering van de in Nederland geldende wettelijke voorschriften waaronder de [Wet identificatie bij dienstverlening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006330).
2. Voor contractuele betrekkingen die zijn of worden aangegaan op of na 1 januari 2004 of voor transacties die bij het ontbreken van contractuele betrekkingen zijn of worden verricht op of na die datum, stelt de in Nederland wonende of gevestigde uitbetalende instantie de woonplaats van de in een andere lidstaat wonende uiteindelijk gerechtigde vast op basis van het adres dat vermeld staat in het paspoort of op de officiële identiteitskaart of, zo nodig, op basis van enig ander door de uiteindelijk gerechtigde overgelegd bewijskrachtig document, volgens de procedure, bedoeld in het volgende lid.
3. Van de natuurlijke persoon die een door een lidstaat uitgereikt paspoort of officiële identiteitskaart overlegt en die verklaart ingezetene te zijn van een land buiten de Europese Unie, wordt de woonplaats vastgesteld op basis van een fiscale woonplaatsverklaring die is afgegeven door de bevoegde autoriteit van het land buiten de Europese Unie waarvan de natuurlijke persoon verklaart ingezetene te zijn. Wordt een verklaring niet overgelegd, dan wordt de natuurlijke persoon geacht zijn woonplaats te hebben in de lidstaat die het paspoort of enig ander officieel identiteitskaart heeft uitgereikt.
4. Behoudens het bepaalde in de vorige leden wordt als woonplaats aangemerkt de plaats waar de uiteindelijk gerechtigde zijn vaste adres heeft.
5. Voor de toepassing van het derde lid wordt onder bevoegde autoriteit verstaan: de bevoegde autoriteit voor de toepassing van bilaterale of multilaterale belastingverdragen of, bij ontstentenis daarvan, een autoriteit die bevoegd is om een fiscale woonplaatsverklaring af te geven.
#### Paragraaf 2. Renseignering
##### Artikel 4i
[gereserveerd]
##### Artikel 4j
[gereserveerd]
##### Artikel 4k
[gereserveerd]
#### Paragraaf 3. Formele bepalingen
##### Artikel 4l. Woonplaatsverklaring ter voorkoming van inhouding van bronbelasting
Op verzoek van de uiteindelijke gerechtigde verstrekt de bevoegde functionaris binnen twee maanden na een verzoek als bedoeld in artikel 13 van de [richtlijn nr. 2003/48/EG](32003L0048) van de Raad van de Europese Unie van 3 juni 2003 betreffende belastingheffing op inkomsten uit spaargelden in de vorm van rentebetaling (Pb EG L 157) bij beschikking een verklaring met daarin de volgende gegevens:
- a. naam, adres en sociaal-fiscaalnummer van de uiteindelijke gerechtigde;
- b. naam en adres van de uitbetalende instantie;
- c. rekeningnummer van de uiteindelijke gerechtigde of, bij ontstentenis daarvan, een eenduidige omschrijving van het schuldinstrument.
##### Artikel 4m
[gereserveerd]
##### Artikel 4n. Bezwaar en beroep
Op het bezwaar, beroep en beroep in cassatie inzake de op de voet van deze afdeling genomen beschikkingen is [hoofdstuk V van de Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&hoofdstuk=V) van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 4o
[gereserveerd]
##### Artikel 4p
[gereserveerd]
### Hoofdstuk II. Vormen van door Nederland te verlenen bijstand
### Afdeling 1. Op verzoek verstrekken van inlichtingen
### Afdeling 2. Automatisch verstrekken van inlichtingen
##### Artikel 6a
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
### Afdeling 3. Spontaan verstrekken van inlichtingen
### Afdeling 4. Onderzoek in het kader van te verlenen bijstand
### Hoofdstuk III. Begrenzing van door Nederland te verlenen bijstand; wederkerigheid
### Hoofdstuk IV. Geheimhouding; gebruik van inlichtingen
### Hoofdstuk V. Slotbepaling
Lasten en bevelen dat deze in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
##### Artikel 7a
1. Op verzoek van een bevoegde autoriteit van een lidstaat kan Onze Minister overgaan tot de notificatie van stukken.
2. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt onder de notificatie van stukken verstaan de uitreiking aan de geadresseerde in Nederland van een door een administratieve autoriteit van een lidstaat uitgevaardigd document, houdende een akte of beslissing, inzake de heffing van een belasting als bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003954&hoofdstuk=I&artikel=1&z=2004-12-31&g=2004-12-31).
3. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld betreffende de notificatie van stukken en de behandeling van het verzoek daartoe.
### Afdeling 4. Onderzoek in het kader van te verlenen bijstand
##### Artikel 8a
1. Onze Minister kan na overleg met een of meer bevoegde autoriteiten overgaan tot een gelijktijdig onderzoek.
2. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt onder een gelijktijdig onderzoek verstaan een onderzoek als bedoeld in [artikel 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003954&hoofdstuk=II&afdeling=4&artikel=8&z=2004-12-31&g=2004-12-31), dat gelijktijdig wordt uitgevoerd met een onderzoek in een of meer andere staten.
3. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld betreffende het gelijktijdige onderzoek en de behandeling van een voorstel daartoe.
### Hoofdstuk III. Begrenzing van door Nederland te verlenen bijstand; wederkerigheid
### Hoofdstuk V. Slotbepaling
Lasten en bevelen dat deze in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
##### Artikel 5a
1. Bij een verzoek om inlichtingen van de bevoegde autoriteit van een lidstaat, verstrekt Onze Minister de in [artikel 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003954&hoofdstuk=II&afdeling=1&artikel=5&z=2013-01-01&g=2013-01-01) bedoelde inlichtingen zo snel mogelijk, doch uiterlijk zes maanden na de datum van ontvangst van het verzoek. In afwijking van de eerste volzin verstrekt Onze Minister inlichtingen die reeds in zijn bezit zijn binnen twee maanden na de datum van ontvangst van het verzoek.
2. In bijzondere gevallen kunnen Onze Minister en de bevoegde autoriteit van een verzoekende lidstaat, andere dan de in het eerste lid vastgestelde termijnen overeenkomen.
3. Onze Minister bevestigt aan de bevoegde autoriteit van een verzoekende lidstaat, indien mogelijk langs elektronische weg, onmiddellijk, en in elk geval uiterlijk zeven werkdagen na ontvangst, de ontvangst van een verzoek.
4. Onze Minister laat in voorkomend geval, uiterlijk een maand na ontvangst van een verzoek, aan de bevoegde autoriteit van de verzoekende lidstaat weten welke tekortkomingen het verzoek vertoont en welke aanvullende achtergrondinformatie hij verlangt. De in het eerste lid gestelde termijnen gaan in dit geval in op de datum waarop Onze Minister de nodige aanvullende informatie ontvangt.
5. Indien Onze Minister niet binnen de op basis van het eerste, tweede en vierde lid geldende termijn aan het verzoek kan voldoen, deelt hij de redenen hiervoor onmiddellijk, en in elk geval uiterlijk drie maanden na ontvangst van het verzoek, aan de bevoegde autoriteit van de verzoekende lidstaat mee, met vermelding van de datum waarop hij denkt aan het verzoek te kunnen voldoen.
6. Indien Onze Minister niet over de gevraagde inlichtingen beschikt en niet aan het verzoek kan voldoen of het verzoek om de in [artikel 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003954&hoofdstuk=II&afdeling=6&artikel=14&z=2013-01-01&g=2013-01-01) genoemde redenen afwijst, deelt hij de redenen hiervoor onmiddellijk, en in elk geval uiterlijk een maand na ontvangst van het verzoek, aan de bevoegde autoriteit van de verzoekende lidstaat mee.
### Afdeling 2. Automatisch verstrekken van inlichtingen
##### Artikel 6b
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
### Afdeling 4. Onderzoek in het kader van te verlenen bijstand
### Afdeling 5. Medewerking in het kader van te verlenen bijstand
### Afdeling 6. Algemene bepalingen
##### Artikel 17
1. Inlichtingen die Onze Minister aan de bevoegde autoriteit van een andere lidstaat verstrekt ter uitvoering van Richtlijn 2011/16/EU kunnen door die andere lidstaat tevens worden gebruikt:
- a. voor de vaststelling en invordering van andere belastingen en rechten die vallen onder artikel 2 van Richtlijn 2010/24/EU van de Raad van 16 maart 2010 betreffende de wederzijdse bijstand inzake de invordering van schuldvorderingen die voortvloeien uit bepaalde belastingen, rechten en andere maatregelen (PbEU 2010, L 84);
- b. voor de vaststelling en invordering van verplichte socialezekerheidsbijdragen;
- c. in mogelijk tot bestraffing leidende gerechtelijke en administratieve procedures wegens overtreding van de belastingwetgeving, onverminderd de algemene regels en de bepalingen betreffende de rechten van verdachten en getuigen in dergelijke procedures.
2. Onze Minister kan de bevoegde autoriteit van een andere lidstaat toestemming verlenen de verstrekte inlichtingen voor andere dan de in het eerste lid bedoelde doeleinden te gebruiken. Deze toestemming wordt in ieder geval verleend, indien de inlichtingen in Nederland voor soortgelijke doeleinden kunnen worden gebruikt.
3. Onze Minister kan zich binnen tien werkdagen na de datum van ontvangst van de kennisgeving van een bevoegde autoriteit van een lidstaat, verzetten tegen het voornemen van die bevoegde autoriteit om de ontvangen inlichtingen aan de bevoegde autoriteit van een derde lidstaat te verstrekken.
4. Toestemming voor het overeenkomstig het tweede lid gebruiken van overeenkomstig het derde lid doorgegeven inlichtingen kan alleen worden verleend door Onze Minister.
5. Onze Minister kan aan de bevoegde autoriteit van een staat toestemming verlenen de inlichtingen voor een ander doel te gebruiken dan voor de heffing van belastingen die onder de reikwijdte vallen van de wederzijdse bijstand, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003954&hoofdstuk=I&artikel=1&z=2013-01-01&g=2013-01-01).
6. Onze Minister kan op een daartoe strekkend verzoek een bevoegde autoriteit van een staat toestemming verlenen de van hem ontvangen inlichtingen aan een bevoegde autoriteit van een andere staat te verstrekken.
##### Artikel 18
Indien Onze Minister een wederzijdse samenwerking aangaat met de bevoegde autoriteit van een staat die verder reikt dan de samenwerking die mogelijk is op grond van Richtlijn 2011/16/EU, gaat hij deze verder reikende samenwerking ook aan met een lidstaat die om deze samenwerking verzoekt.
##### Artikel 19
1. Het meedelen van de gevraagde inlichtingen, bedoeld in [artikel 5, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003954&hoofdstuk=II&afdeling=1&artikel=5&z=2013-01-01&g=2013-01-01), de ontvangstbevestiging, bedoeld in [artikel 5a, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003954&hoofdstuk=II&afdeling=1&artikel=5a&z=2013-01-01&g=2013-01-01), het verzoek om aanvullende achtergrondinformatie, bedoeld in artikel 5a, vierde lid, de mededeling dat niet aan het verzoek kan of zal worden voldaan, bedoeld in artikel 5a, vijfde en zesde lid, en de beantwoording van een verzoek om een administratief onderzoek als bedoeld in [artikel 8, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003954&hoofdstuk=II&afdeling=4&artikel=8&z=2013-01-01&g=2013-01-01), worden voor zover mogelijk langs elektronische weg en door middel van een standaardformulier, dat voldoet aan de in of krachtens Richtlijn 2011/16/EU gestelde voorwaarden, gedaan.
2. De verstrekking van inlichtingen, bedoeld in [artikel 7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003954&hoofdstuk=II&afdeling=3&artikel=7&z=2013-01-01&g=2013-01-01), de beantwoording van het verzoek tot betekening, bedoeld in [artikel 12, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003954&hoofdstuk=II&afdeling=4&artikel=12&z=2013-01-01&g=2013-01-01), en het verzoek om terugmelding, bedoeld in [artikel 15, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003954&hoofdstuk=II&afdeling=6&artikel=15&z=2013-01-01&g=2013-01-01), worden door middel van een standaardformulier, dat voldoet aan de in of krachtens Richtlijn 2011/16/EU gestelde voorwaarden, en voor zover mogelijk langs elektronische weg gedaan.
3. De automatische inlichtingenuitwisseling, bedoeld in [artikel 6b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003954&hoofdstuk=II&afdeling=2&artikel=6b&z=2013-01-01&g=2013-01-01), wordt door middel van een standaardformulier, dat voldoet aan de in of krachtens Richtlijn 2011/16/EU gestelde voorwaarden, en voor zover mogelijk langs elektronische weg gedaan.
4. Het standaardformulier, bedoeld in het eerste tot en met derde lid, kan vergezeld gaan van verslagen, verklaringen en andere bescheiden, of van voor eensluidend gewaarmerkte afschriften of uittreksels daarvan.
##### Artikel 20
1. Onze Minister ziet af van iedere eis tot terugbetaling van kosten die uit de uitvoering van Richtlijn 2011/16/EU voortvloeien, behalve in voorkomend geval van de kosten van aan deskundigen betaalde vergoedingen.
2. Onze Minister en de verzoekende autoriteit van een staat kunnen afspraken maken over de vergoeding van kosten die samenhangen met het verlenen van wederzijdse bijstand bij de heffing van belastingen die vallen onder de reikwijdte van de wederzijdse bijstand, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003954&hoofdstuk=I&artikel=1&z=2013-01-01&g=2013-01-01).
##### Artikel 21
1. Een verzoek om wederzijdse bijstand, waaronder een verzoek tot betekening als bedoeld in [artikel 12, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003954&hoofdstuk=II&afdeling=4&artikel=12&z=2013-01-01&g=2013-01-01), en de bijgevoegde bescheiden kunnen in elke door Onze Minister en de bevoegde autoriteit van de verzoekende staat overeengekomen taal zijn gesteld.
2. Onze Minister kan in bijzondere gevallen een met redenen omkleed verzoek doen aan de bevoegde autoriteit van de verzoekende staat om diens verzoek om bijstand vergezeld te laten gaan van een vertaling in het Nederlands.
##### Artikel 22
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ter uitvoering van dit hoofdstuk.
### Hoofdstuk III. Vormen van door Nederland te ontvangen bijstand
### Afdeling 1. Verzoeken om bijstand
##### Artikel 23
1. Onze Minister kan een verzoek om inlichtingen doen aan de bevoegde autoriteit van een andere staat wanneer de gevraagde inlichtingen naar verwachting van belang zijn voor de heffing van belastingen die vallen onder de reikwijdte van de wederzijdse bijstand, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003954&hoofdstuk=I&artikel=1&z=2013-01-01&g=2013-01-01).
2. Het in het eerste lid bedoelde verzoek kan een met redenen omkleed verzoek om een bepaald administratief onderzoek omvatten.
3. Onze Minister kan de bevoegde autoriteit van de aangezochte staat verzoeken om originele stukken toegezonden te krijgen.
4. Onze Minister kan met de bevoegde autoriteit van de aangezochte staat termijnen overeenkomen waarbinnen de gevraagde inlichtingen verstrekt worden.
##### Artikel 24
1. In de gevallen waarin dat naar verwachting van belang is voor de heffing van belastingen die vallen onder de reikwijdte van de wederzijdse bijstand, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003954&hoofdstuk=I&artikel=1&z=2013-01-01&g=2013-01-01), kan Onze Minister zich, behalve uit eigen beweging, ook op verzoek van een college van gedeputeerde staten, een college van burgemeester en wethouders of een dagelijks bestuur van een waterschap tot de bevoegde autoriteit van een andere staat wenden met een verzoek om bijstand bij de heffing van belastingen of met een verzoek tot een administratief onderzoek.
2. Een college van gedeputeerde staten, een college van burgemeester en wethouders en een dagelijks bestuur van een waterschap verstrekken alle inlichtingen die voor het doen van een verzoek om bijstand nuttig kunnen zijn.
3. Wanneer een verzoek om bijstand bij de heffing van belastingen is gedaan op verzoek van een college van gedeputeerde staten, een college van burgemeester en wethouders of een dagelijks bestuur van een waterschap, wordt dit college of dit bestuur onverwijld op de hoogte gesteld van de vragen en mededelingen van de aangezochte autoriteit van de staat waaraan het verzoek was gericht met betrekking tot de uitvoering van het verzoek om bijstand.
### Afdeling 2. Automatisch en spontaan verkregen inlichtingen
##### Artikel 25
Ingeval een richtlijn of een andere regeling van internationaal of interregionaal recht voorziet in het automatisch verstrekken van inlichtingen kan Onze Minister aan de bevoegde autoriteit van een staat meedelen dat hij geen automatische inlichtingen inzake bepaalde inkomsten- en vermogenscategorieën of inzake inkomsten en vermogens onder een minimumbedrag wenst te ontvangen.
##### Artikel 26
De ontvangst van spontaan verkregen inlichtingen wordt door Onze Minister onmiddellijk, doch in elk geval binnen zeven werkdagen na ontvangst aan de bevoegde autoriteit van de verstrekkende lidstaat bevestigd.
### Afdeling 3. Onderzoek in het kader van verzoeken om bijstand
##### Artikel 27
1. Onze Minister en de bevoegde autoriteit van een aangezochte staat kunnen overeenkomen dat, ter uitwisseling van inlichtingen in het kader van de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003954&hoofdstuk=I&artikel=1&z=2013-01-01&g=2013-01-01) bedoelde wederzijdse bijstand, ambtenaren van de rijksbelastingdienst, dan wel andere ambtenaren die belast zijn met de heffing van belastingen, onder de door de bevoegde autoriteit van de aangezochte staat gestelde voorwaarden:
- a. aanwezig kunnen zijn in de kantoren waar de ambtenaren van de aangezochte staat hun taken vervullen;
- b. aanwezig kunnen zijn bij een administratief onderzoek dat wordt uitgevoerd op het grondgebied van de aangezochte staat.
2. Voor zover het in de aangezochte staat wettelijk is toegestaan, kunnen in het kader van de overeenkomst, bedoeld in het eerste lid, de bij een administratief onderzoek aanwezige ambtenaren van de rijksbelastingdienst, dan wel andere ambtenaren die belast zijn met de heffing van belastingen, personen ondervragen en bescheiden onderzoeken.
3. Ambtenaren van de rijksbelastingdienst, dan wel andere ambtenaren die belast zijn met de heffing van belastingen, die overeenkomstig het eerste lid in de aangezochte staat aanwezig zijn, dienen te allen tijde een schriftelijke opdracht te kunnen overleggen waaruit hun identiteit en hun officiële hoedanigheid blijkt.
### Afdeling 4. Algemene bepalingen
##### Artikel 28
Op inlichtingen die door Onze Minister in het kader van wederzijdse bijstand van een bevoegde autoriteit van een andere staat zijn verkregen, alsmede op inlichtingen die op grond van [artikel 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003954&hoofdstuk=II&afdeling=4&artikel=8&z=2013-01-01&g=2013-01-01) zijn verkregen, is de verplichting tot geheimhouding, bedoeld in [artikel 67 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=67), van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 29
1. Indien de bevoegde autoriteit van de staat die de inlichtingen heeft verstrekt hierom verzoekt, doet Onze Minister met inachtneming van [artikel 67 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=67), zo snel mogelijk, doch uiterlijk drie maanden nadat het resultaat van het gebruik van gevraagde of spontaan verkregen inlichtingen bekend is, een terugmelding naar de bevoegde autoriteit van de staat die de inlichtingen heeft verstrekt.
2. Onze Minister doet eenmaal per jaar, overeenkomstig bilateraal overeengekomen praktische afspraken, een terugmelding over de automatische uitwisseling van inlichtingen naar de betrokken lidstaten.
##### Artikel 30
1. Tenzij een bevoegde autoriteit van een andere staat anders bepaalt, kunnen de door haar aan Onze Minister verstrekte inlichtingen uitsluitend worden gebruikt voor de heffing van belastingen die vallen onder de reikwijdte van de wederzijdse bijstand, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003954&hoofdstuk=I&artikel=1&z=2013-01-01&g=2013-01-01).
2. Onze Minister kan aan een bevoegde autoriteit van een staat toestemming vragen de inlichtingen voor een ander doel te gebruiken dan voor de heffing van belastingen die vallen onder de reikwijdte van de wederzijdse bijstand, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003954&hoofdstuk=I&artikel=1&z=2013-01-01&g=2013-01-01).
3. Inlichtingen die aan Onze Minister zijn verstrekt ter uitvoering van Richtlijn 2011/16/EU mogen behalve voor de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003954&hoofdstuk=I&artikel=1&z=2013-01-01&g=2013-01-01) bedoelde doeleinden ook worden gebruikt:
- a. voor de vaststelling en invordering van andere belastingen en rechten die vallen onder artikel 2 van Richtlijn 2010/24/EU van de Raad van 16 maart 2010 betreffende de wederzijdse bijstand inzake de invordering van schuldvorderingen die voortvloeien uit bepaalde belastingen, rechten en andere maatregelen (PbEU 2010, L 84);
- b. voor de vaststelling en invordering van verplichte socialezekerheidsbijdragen;
- c. in mogelijk tot bestraffing leidende gerechtelijke en administratieve procedures wegens overtreding van de belastingwetgeving, onverminderd de algemene regels en de bepalingen betreffende de rechten van de verdachten en getuigen in dergelijke procedures.
4. Indien Onze Minister van oordeel is dat de van de bevoegde autoriteit van een andere lidstaat ter uitvoering van Richtlijn 2011/16/EU verkregen inlichtingen voor de bevoegde autoriteit van een derde lidstaat van nut kunnen zijn voor de in het eerste of derde lid bedoelde doeleinden, mag hij de inlichtingen, met inachtneming van het vijfde lid, aan deze derde lidstaat doorgeven, op voorwaarde dat dit in overeenstemming is met de vastgelegde voorschriften en procedures zoals opgenomen in Richtlijn 2011/16/EU.
5. Onze Minister stelt de bevoegde autoriteit van de lidstaat die de inlichtingen heeft verstrekt in kennis van zijn voornemen om die inlichtingen aan de bevoegde autoriteit van een derde lidstaat te verstrekken. Onze Minister verstrekt de inlichtingen niet aan de bevoegde autoriteit van een derde lidstaat, indien de bevoegde autoriteit van de lidstaat die de inlichtingen heeft verstrekt zich hiertegen verzet binnen tien werkdagen na de datum van ontvangst van de kennisgeving van Onze Minister.
6. Inlichtingen, verslagen, verklaringen en andere bescheiden, alsook voor eensluidend gewaarmerkte afschriften of uittreksels daarvan, die zijn verkregen ter uitvoering van Richtlijn 2011/16/EU kunnen in Nederland op dezelfde voet als bewijs worden aangevoerd als soortgelijke inlichtingen, verslagen, verklaringen en andere bescheiden, alsook voor eensluidend gewaarmerkte afschriften of uittreksels daarvan, die zijn verkregen in Nederland zelf.
##### Artikel 31
1. Indien Onze Minister van een staat inlichtingen ontvangt die naar verwachting van belang zijn voor de administratie en de handhaving van de Nederlandse wetgeving betreffende de heffing van belastingen die vallen onder de reikwijdte van de wederzijdse bijstand, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003954&hoofdstuk=I&artikel=1&z=2013-01-01&g=2013-01-01), kan hij deze inlichtingen verstrekken aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaten voor wie die inlichtingen van nut kunnen zijn, en aan elke verzoekende autoriteit van een lidstaat, mits dat krachtens een overeenkomst met de staat waar de inlichtingen vandaan komen, is toegestaan.
2. Onze Minister kan, met inachtneming van [artikel 67 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=67), ter uitvoering van Richtlijn 2011/16/EU ontvangen inlichtingen doorgeven aan een staat, op voorwaarde dat:
- a. de bevoegde autoriteit van de lidstaat waarvan de inlichtingen afkomstig zijn, daarin heeft toegestemd, en
- b. die staat zich ertoe heeft verbonden de medewerking te verlenen die nodig is om bewijsmateriaal bijeen te brengen omtrent het ongeoorloofde of onwettige karakter van verrichtingen die in strijd blijken te zijn met of een misbruik blijken te vormen van de belastingwetgeving.
##### Artikel 32
1. Een verzoek om inlichtingen als bedoeld in [artikel 23, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003954&hoofdstuk=III&afdeling=1&artikel=23&z=2013-01-01&g=2013-01-01), en een verzoek om een administratief onderzoek als bedoeld in artikel 23, tweede lid, worden voor zover mogelijk gedaan met gebruikmaking van een standaardformulier dat voldoet aan de in of krachtens Richtlijn 2011/16/EU gestelde voorwaarden en langs elektronische weg.
2. De ontvangstbevestiging van spontaan verkregen inlichtingen, bedoeld in [artikel 26](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003954&hoofdstuk=III&afdeling=2&artikel=26&z=2013-01-01&g=2013-01-01), en de terugmelding, bedoeld in [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003954&hoofdstuk=III&afdeling=4&artikel=28&z=2013-01-01&g=2013-01-01), wordt met gebruikmaking van een standaardformulier dat voldoet aan de in of krachtens Richtlijn 2011/16/EU gestelde voorwaarden gedaan. Het formulier wordt voor zover mogelijk langs elektronische weg verzonden.
##### Artikel 33
1. Een verzoek om inlichtingen als bedoeld in [artikel 23](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003954&hoofdstuk=III&afdeling=1&artikel=23&z=2013-01-01&g=2013-01-01) en de bijgevoegde bescheiden kunnen in elke door Onze Minister en de bevoegde autoriteit van de aangezochte staat overeengekomen taal zijn gesteld.
2. Onze Minister laat in bijzondere gevallen, op een met redenen omkleed verzoek van de bevoegde autoriteit van de aangezochte staat, het in het eerste lid bedoelde verzoek vergezeld gaan van een vertaling in de officiële taal of één van de officiële talen van de aangezochte staat.
##### Artikel 34
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ter uitvoering van dit hoofdstuk.
### Hoofdstuk IV. Slotbepaling
##### Artikel 35
Verwijzingen naar Richtlijn 77/799/EEG van de Raad van 19 december 1977 betreffende de wederzijdse bijstand van de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staten op het gebied van de directe belastingen (PbEG L 336) gelden als verwijzing naar Richtlijn 2011/16/EU.
##### Artikel 36
1. Deze wet treedt in werking met ingang van de tweede dag na de datum van uitgifte van het **Staatsblad** waarin zij wordt geplaatst.
2. Deze wet kan worden aangehaald als: Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen.
Lasten en bevelen dat deze in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
##### Artikel 2a
1. Voor de toepassing van dit artikel en [afdeling 4A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003954&hoofdstuk=II&afdeling=4a&z=2016-01-01&g=2016-01-01) en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
- a. **rapporterende financiële instelling:** een Nederlandse financiële instelling, niet zijnde een niet-rapporterende financiële instelling;
- b. **Nederlandse financiële instelling:**
- 1°. een in Nederland gevestigde financiële instelling, met uitzondering van niet in Nederland gelegen filialen van die instelling;
- 2°. een in Nederland gelegen filiaal van een niet in Nederland gevestigde financiële instelling;
- c. **financiële instelling:** een financiële instelling als bedoeld in bijlage I, sectie VIII, onderdeel A, onder 3 tot en met 8, van [Richtlijn 2011/16](32011L0016)/EU;
- d. **niet-rapporterende financiële instelling:** een niet-rapporterende financiële instelling als bedoeld in bijlage I, sectie VIII, onderdeel B, onder 1, onderdelen a, b, d en e, en onder 2 tot en met 9, van Richtlijn 2011/16/EU, alsmede een door Onze Minister, met inachtneming van bijlage I, sectie VIII, onderdeel B, onder 1, onderdeel c, van Richtlijn 2011/16/EU als zodanig aangewezen financiële instelling die is opgenomen in de lijst, bedoeld in artikel 8, lid 7 bis, van Richtlijn 2011/16/EU;
- e. **financiële instelling in een deelnemend rechtsgebied:**
- 1°. een in een deelnemend rechtsgebied gevestigde financiële instelling, met uitzondering van niet in dat rechtsgebied gelegen filialen van die instelling;
- 2°. een in een deelnemend rechtsgebied gelegen filiaal van een niet in dat rechtsgebied gevestigde financiële instelling;
- f. **deelnemend rechtsgebied:**
- 1°. een andere lidstaat;
- 2°. een rechtsgebied waarmee het land Nederland een overeenkomst heeft op grond waarvan dat rechtsgebied informatie als bedoeld in de [artikelen 10b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003954&hoofdstuk=II&afdeling=4a&artikel=10b&z=2016-01-01&g=2016-01-01) en [10c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003954&hoofdstuk=II&afdeling=4a&artikel=10c&z=2016-01-01&g=2016-01-01) zal verstrekken en dat voorkomt op een door Nederland gepubliceerde en aan de Europese Commissie toegezonden lijst;
- 3°. een ander rechtsgebied waarmee de Europese Unie een overeenkomst heeft op grond waarvan dat rechtsgebied informatie als bedoeld in de [artikelen 10b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003954&hoofdstuk=II&afdeling=4a&artikel=10b&z=2016-01-01&g=2016-01-01) en [10c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003954&hoofdstuk=II&afdeling=4a&artikel=10c&z=2016-01-01&g=2016-01-01) zal verstrekken en dat voorkomt op een door de Europese Commissie gepubliceerde lijst;
- g. **financiële rekening:** een financiële rekening als bedoeld in bijlage I, sectie VIII, onderdeel C, onder 1 tot en met 8, van Richtlijn 2011/16/EU, niet zijnde een uitgezonderde rekening;
- h. **uitgezonderde rekening:** een uitgezonderde rekening als bedoeld in bijlage I, sectie VIII, onderdeel C, onder 17, onderdelen a tot en met f, van Richtlijn 2011/16/EU, alsmede een door Onze Minister, met inachtneming van bijlage I, sectie VIII, onderdeel C, onder 17, onderdeel g, van Richtlijn 2011/16/EU als zodanig aangewezen rekening die is opgenomen in de lijst, bedoeld in artikel 8, lid 7 bis, van Richtlijn 2011/16/EU;
- i. **depositorekening:** een depositorekening als bedoeld in bijlage I, sectie VIII, onderdeel C, onder 2, van Richtlijn 2011/16/EU;
- j. **bewaarrekening:** een bewaarrekening als bedoeld in bijlage I, sectie VIII, onderdeel C, onder 3, van Richtlijn 2011/16/EU;
- k. **lijfrenteverzekering:** een lijfrenteverzekering als bedoeld in bijlage I, sectie VIII, onderdeel C, onder 6, van Richtlijn 2011/16/EU;
- l. **kapitaalverzekering:** een kapitaalverzekering als bedoeld in bijlage I, sectie VIII, onderdeel C, onder 7, van Richtlijn 2011/16/EU;
- m. **bestaande rekening:**
- 1°. een financiële rekening die op 31 december 2015 werd aangehouden door een rapporterende financiële instelling;
- 2°. een financiële rekening als bedoeld in bijlage I, sectie VIII, onderdeel C, onder 9, onderdeel b, van Richtlijn 2011/16/EU;
- n. **nieuwe rekening:** een financiële rekening als bedoeld in bijlage I, sectie VIII, onderdeel C, onder 10, van Richtlijn 2011/16/EU;
- o. **te rapporteren rekening:** een financiële rekening die, met inachtneming van bijlage II, onder 4, van Richtlijn 2011/16/EU, wordt aangehouden door een rapporterende financiële instelling en die, met inachtneming van bijlage I, sectie VIII, onderdeel E, onder 1, van Richtlijn 2011/16/EU, wordt gehouden door een of meer te rapporteren personen of door een passieve NFE met een of meer uiteindelijk belanghebbenden die een te rapporteren persoon is, onderscheidenlijk zijn, mits de rekening als zodanig is aangemerkt op basis van de identificatie- en rapportagevoorschriften, bedoeld in [artikel 10a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003954&hoofdstuk=II&afdeling=4a&artikel=10a&z=2016-01-01&g=2016-01-01);
- p. **te rapporteren persoon:** een persoon uit een deelnemend rechtsgebied, niet zijnde:
- 1°. een vennootschap waarvan de aandelen regelmatig worden verhandeld op een of meer erkende effectenbeurzen;
- 2°. een vennootschap die een gelieerde entiteit is van een vennootschap als bedoeld in onderdeel 1°;
- 3°. een overheidsinstantie als bedoeld in bijlage I, sectie VIII, onderdeel B, onder 2, van Richtlijn 2011/16/EU;
- 4°. een internationale organisatie als bedoeld in bijlage I, sectie VIII, onderdeel B, onder 3, van Richtlijn 2011/16/EU;
- 5°. een centrale bank als bedoeld in bijlage I, sectie VIII, onderdeel B, onder 4, van Richtlijn 2011/16/EU;
- 6°. een financiële instelling;
- q. **persoon uit een deelnemend rechtsgebied:**
- 1°. een natuurlijk persoon of een entiteit die ingezetene is van een deelnemend rechtsgebied onder de fiscale wetgeving van dat rechtsgebied;
- 2°. een nalatenschap van een erflater die ingezetene was van een deelnemend rechtsgebied;
- r. **gelieerde entiteit van een entiteit:** een entiteit die tot de andere entiteit in een verhouding staat als bedoeld in bijlage I, sectie VIII, onderdeel E, onder 4, van Richtlijn 2011/16/EU;
- s. **uiteindelijk belanghebbenden:** de uiteindelijk belanghebbenden, bedoeld in bijlage I, sectie VIII, onderdeel D, onder 5, van Richtlijn 2011/16/EU;
- t. **niet-financiële entiteit (NFE):** een entiteit, niet zijnde een financiële instelling;
- u. **entiteit:** een entiteit als bedoeld in bijlage I, sectie VIII, onderdeel E, onder 3, van Richtlijn 2011/16/EU;
- v. **passieve niet-financiële entiteit (passieve NFE):**
- 1°. een NFE die niet een actieve NFE is;
- 2°. een beleggingsentiteit als bedoeld in bijlage I, sectie VIII, onderdeel A, onder 6, onderdeel b, van Richtlijn 2011/16/EU die niet een financiële instelling in het land Nederland of in een deelnemend rechtsgebied is;
- w. **actieve niet-financiële entiteit (actieve NFE):** een actieve NFE als bedoeld in bijlage I, sectie VIII, onderdeel D, onder 8, van Richtlijn 2011/16/EU;
- x. **rekeninghouder:** een rekeninghouder als bedoeld in bijlage I, sectie VIII, onderdeel E, onder 1, van Richtlijn 2011/16/EU;
- y. **financiële activa:** financiële activa als bedoeld in bijlage I, sectie VIII, onderdeel A, onder 7, van Richtlijn 2011/16/EU;
- z. **het land Nederland:** Nederland en de BES eilanden, bedoeld in [artikel 2, derde lid, onderdeel d, onder 4°, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=2).
2. Voor de toepassing van het eerste lid, onderdelen b en e, wordt de vestigingsplaats van een financiële instelling bepaald met inachtneming van bijlage II, onder 3, van Richtlijn 2011/16/EU.
3. Een entiteit zonder fiscale woonplaats wordt, met inachtneming van bijlage II, onder 5, van Richtlijn 2011/16/EU, voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel q, behandeld als ingezetene van het rechtsgebied waar de plaats van de werkelijke leiding ervan is gelegen.
4. Voor de toepassing van het eerste, tweede en derde lid wordt, waar direct of indirect wordt verwezen naar de bepalingen in de bijlagen I en II van Richtlijn 2011/16/EU, in de desbetreffende bepalingen, voor zover deze niet ook al op andere rechtsgebieden betrekking hebben, onder lidstaat mede verstaan andere rechtsgebieden dan de lidstaten.
5. Voor de toepassing van het eerste lid, onderdelen p en q, wordt als deelnemend rechtsgebied mede aangemerkt een rechtsgebied waarmee het land Nederland een overeenkomst heeft op grond waarvan het land Nederland de informatie, bedoeld in de [artikelen 10b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003954&hoofdstuk=II&afdeling=4a&artikel=10b&z=2016-01-01&g=2016-01-01) en [10c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003954&hoofdstuk=II&afdeling=4a&artikel=10c&z=2016-01-01&g=2016-01-01), aan dat rechtsgebied zal verstrekken. Voor de toepassing van het eerste lid, onderdelen p en q, wordt in afwijking van het eerste lid, onderdeel f, niet als deelnemend rechtsgebied aangemerkt een rechtsgebied waarmee het land Nederland een overeenkomst heeft op grond waarvan dat rechtsgebied informatie als bedoeld in de artikelen 10b en 10c aan het land Nederland zal verstrekken, terwijl het land Nederland niet zodanige informatie hoeft te verstrekken aan dat rechtsgebied.
6. Voor de toepassing van de [artikelen 6c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003954&hoofdstuk=II&afdeling=2&artikel=6c&z=2016-01-01&g=2016-01-01), [10a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003954&hoofdstuk=II&afdeling=4a&artikel=10a&z=2016-01-01&g=2016-01-01), [10b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003954&hoofdstuk=II&afdeling=4a&artikel=10b&z=2016-01-01&g=2016-01-01), [10d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003954&hoofdstuk=II&afdeling=4a&artikel=10d&z=2016-01-01&g=2016-01-01) en [10e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003954&hoofdstuk=II&afdeling=4a&artikel=10e&z=2016-01-01&g=2016-01-01) en de daarop berustende bepalingen wordt onder een fiscaal identificatienummer mede begrepen het functionele equivalent daarvan.
#### Paragraaf 1. Begripsbepalingen
#### Paragraaf 2. Renseignering
#### Paragraaf 3. Formele bepalingen
### Hoofdstuk II. Vormen van door Nederland te verlenen bijstand
### Afdeling 1. Op verzoek verstrekken van inlichtingen
### Afdeling 2. Automatisch verstrekken van inlichtingen
##### Artikel 6c
1. Onze Minister verstrekt op grond van [Richtlijn 2011/16](32011L0016)/EU en met inachtneming van de identificatie- en rapportagevoorschriften, bedoeld in [artikel 10a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003954&hoofdstuk=II&afdeling=4a&artikel=10a&z=2016-01-01&g=2016-01-01), de bevoegde autoriteit van elke lidstaat automatisch de gegevens en inlichtingen, bedoeld in de [artikelen 10b tot en met 10f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003954&hoofdstuk=II&afdeling=4a&artikel=10b&z=2016-01-01&g=2016-01-01), die betrekking hebben op ingezetenen van die andere lidstaat.
2. Onze Minister verstrekt de in het eerste lid bedoelde gegevens en inlichtingen jaarlijks binnen negen maanden na het einde van het kalenderjaar waarop de gegevens en inlichtingen betrekking hebben.
### Afdeling 4. Onderzoek in het kader van te verlenen bijstand
##### Artikel 10a
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden identificatie- en rapportagevoorschriften voor rapporterende financiële instellingen gegeven met het oog op het door die instellingen verstrekken van gegevens en inlichtingen als bedoeld in de [artikelen 10b tot en met 10f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003954&hoofdstuk=II&afdeling=4a&artikel=10b&z=2016-01-01&g=2016-01-01) en de identificatie van de te rapporteren rekeningen en te rapporteren personen.
##### Artikel 10b
1. Een rapporterende financiële instelling verstrekt jaarlijks ter zake van elke bij haar aangehouden te rapporteren rekening aan Onze Minister de volgende gegevens en inlichtingen:
- a. de naam, het adres, de fiscale woonstaat en het fiscale identificatienummer van de te rapporteren personen die rekeninghouder van de rekening zijn;
- b. indien een te rapporteren persoon als bedoeld in onderdeel a een natuurlijk persoon is: de geboortedatum en de geboorteplaats van die persoon;
- c. indien de rekeninghouder een entiteit is waarvan op grond van de identificatie- en rapportagevoorschriften, bedoeld in artikel 10a, is vastgesteld dat deze een of meer uiteindelijk belanghebbenden heeft die een te rapporteren persoon is, onderscheidenlijk zijn:
- 1°. de naam, het adres, de fiscale woonstaat en het fiscale identificatienummer van die entiteit;
- 2°. de naam, het adres, de fiscale woonstaat, het fiscale identificatienummer, de geboortedatum en de geboorteplaats van die te rapporteren persoon;
- d. het rekeningnummer of, bij het ontbreken van een rekeningnummer, het functionele equivalent daarvan;
- e. de naam en het identificatienummer van de rapporterende financiële instelling;
- f. het saldo of de waarde van de rekening, in geval van een kapitaalverzekering of lijfrenteverzekering met inbegrip van de geldswaarde of waarde bij afkoop, aan het eind van het kalenderjaar of een andere relevante periode waarover wordt gerapporteerd, of, indien de rekening tijdens dat jaar of die periode werd opgeheven, het feit dat de rekening werd opgeheven.
2. Een rapporterende financiële instelling vermeldt bij de gegevens en inlichtingen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel f, ten aanzien van elk bedrag de valuta waarin het bedrag is uitgedrukt.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot het uiterste tijdstip en de wijze waarop de gegevens en inlichtingen, bedoeld in het eerste lid, aan Onze Minister worden verstrekt.
##### Artikel 10c
1. Een rapporterende financiële instelling verstrekt jaarlijks ter zake van elke bij haar aangehouden te rapporteren rekening aan Onze Minister, naast de gegevens en inlichtingen, bedoeld in [artikel 10b, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003954&hoofdstuk=II&afdeling=4a&artikel=10b&z=2016-01-01&g=2016-01-01), de volgende gegevens en inlichtingen:
- a. indien het een bewaarrekening betreft:
- 1°. het op of ter zake van die rekening gestorte of bijgeschreven totale brutobedrag aan rente, totale brutobedrag aan dividenden en totale brutobedrag aan overige inkomsten gegenereerd met betrekking tot de activa op de rekening gedurende het kalenderjaar of een andere relevante periode waarover wordt gerapporteerd;
- 2°. de totale bruto-opbrengsten van de verkoop, terugbetaling of afkoop van financiële activa, die zijn gestort of bijgeschreven op die rekening gedurende het kalenderjaar of een andere relevante periode waarover wordt gerapporteerd ter zake waarvan de rapporterende financiële instelling voor de rekeninghouder optrad als bewaarder, makelaar, vertegenwoordiger of anderszins als gevolmachtigde;
- b. indien het een depositorekening betreft: het totale brutobedrag aan rente dat is gestort of bijgeschreven op die rekening gedurende het kalenderjaar of een andere relevante periode waarover wordt gerapporteerd;
- c. indien het een andere rekening betreft dan bedoeld in de onderdelen a en b: het totale brutobedrag dat is betaald of bijgeschreven op die rekening gedurende het kalenderjaar of een andere relevante periode waarover wordt gerapporteerd ter zake waarvan de rapporterende financiële instelling een betalingsverplichting heeft of debiteur is, met inbegrip van het totaalbedrag aan afbetalingen aan de rekeninghouder van die rekening gedurende het kalenderjaar of een andere relevante periode waarover wordt gerapporteerd.
2. Artikel 10b, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 10d
1. In afwijking van [artikel 10b, eerste lid, onderdelen a, b en c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003954&hoofdstuk=II&afdeling=4a&artikel=10b&z=2016-01-01&g=2016-01-01), is een rapporterende financiële instelling ter zake van een bestaande rekening niet verplicht het fiscale identificatienummer of de geboortedatum van de te rapporteren persoon of de rekeninghouder te verstrekken indien dat fiscale identificatienummer, onderscheidenlijk die geboortedatum, niet in het dossier van de rapporterende financiële instelling voorhanden is en de rapporterende financiële instelling niet uit hoofde van andere wetgeving of enig rechtsinstrument van de Europese Unie verplicht is dat gegeven te verzamelen.
2. Een rapporterende financiële instelling verricht redelijke inspanningen om aan het einde van het tweede kalenderjaar volgend op het jaar waarin een bestaande rekening als te rapporteren rekening is aangemerkt het fiscale identificatienummer, bedoeld in het eerste lid, en de geboortedatum, bedoeld in het eerste lid, te verkrijgen.
##### Artikel 10e
In afwijking van [artikel 10b, eerste lid, onderdelen a en c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003954&hoofdstuk=II&afdeling=4a&artikel=10b&z=2016-01-01&g=2016-01-01), is een rapporterende financiële instelling niet verplicht het fiscale identificatienummer van een te rapporteren persoon of een rekeninghouder te verstrekken indien de fiscale woonstaat van die te rapporteren persoon, onderscheidenlijk van die rekeninghouder, hem geen fiscaal identificatienummer heeft verstrekt.
##### Artikel 10f
In afwijking van [artikel 10b, eerste lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003954&hoofdstuk=II&afdeling=4a&artikel=10b&z=2016-01-01&g=2016-01-01), is een rapporterende financiële instelling niet verplicht de geboorteplaats van een te rapporteren persoon te verstrekken, tenzij:
- a. de rapporterende financiële instelling krachtens andere wetgeving of uit hoofde van een rechtsinstrument van de Europese Unie dat van kracht is of op 5 januari 2015 van kracht was, verplicht is of was die geboorteplaats te verkrijgen en te rapporteren, en
- b. de geboorteplaats beschikbaar is in de elektronisch doorzoekbare gegevens die door de rapporterende financiële instelling worden beheerd.
### Afdeling 4b. Strafbepaling en betekening
### Afdeling 5. Medewerking in het kader van te verlenen bijstand
### Afdeling 6. Algemene bepalingen
### Hoofdstuk III. Vormen van door Nederland te ontvangen bijstand
### Afdeling 1. Verzoeken om bijstand
### Afdeling 2. Automatisch en spontaan verkregen inlichtingen
### Afdeling 3. Onderzoek in het kader van verzoeken om bijstand
### Afdeling 4. Algemene bepalingen
### Hoofdstuk IV. Slotbepaling
Lasten en bevelen dat deze in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
##### Artikel 34a
1. De [artikelen 2, eerste lid, onderdelen e en g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003954&hoofdstuk=I&artikel=2&z=2017-01-01&g=2016-01-01), [4a tot en met 4k](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003954&hoofdstuk=IA&afdeling=2¶graaf=1&artikel=4a&z=2017-01-01&g=2016-01-01), [4m tot en met 4p](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003954&hoofdstuk=IA&afdeling=2¶graaf=3&artikel=4m&z=2017-01-01&g=2016-01-01), [6a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003954&hoofdstuk=II&afdeling=2&artikel=6a&z=2017-01-01&g=2016-01-01) en [14, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003954&hoofdstuk=II&afdeling=6&artikel=14&z=2017-01-01&g=2016-01-01), en de daarop gebaseerde bepalingen, zoals deze op 31 december 2015 luidden, zijn van overeenkomstige toepassing ter zake van rentebetalingen die vóór 1 januari 2016 hebben plaatsgevonden.
2. De [artikelen 2, eerste lid, onderdeel e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003954&hoofdstuk=I&artikel=2&z=2017-01-01&g=2016-01-01), [4l](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003954&hoofdstuk=IA&afdeling=2¶graaf=3&artikel=4l&z=2017-01-01&g=2016-01-01) en [4n](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003954&hoofdstuk=IA&afdeling=2¶graaf=3&artikel=4n&z=2017-01-01&g=2016-01-01), zoals deze op 31 december 2015 luidden, zijn van overeenkomstige toepassing op een verzoek als bedoeld in artikel 4l in verband met rentebetalingen die zijn gedaan na 31 december 2015.
### Hoofdstuk IV. Slotbepaling
Lasten en bevelen dat deze in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
##### Artikel 2b
1. Voor de toepassing van dit artikel en van [artikel 6d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003954&hoofdstuk=II&afdeling=2&artikel=6d&z=2017-01-01&g=2017-01-01) wordt verstaan onder een voorafgaande grensoverschrijdende ruling: een uitlating door of namens de inspecteur, dan wel Onze Minister, ongeacht of er effectief gebruik van wordt gemaakt, die:
- a. is gedaan ten aanzien van een persoon of groep van personen die zich daarop kan, onderscheidenlijk kunnen, beroepen;
- b. de interpretatie of toepassing betreft van een wettelijke bepaling ter uitvoering of handhaving van de nationale belastingwetgeving;
- c. betrekking heeft op een grensoverschrijdende transactie of op de mogelijke aanwezigheid van een vaste inrichting in Nederland of in een ander rechtsgebied; en
- d. eerder tot stand is gekomen dan:
- 1°. de grensoverschrijdende transactie;
- 2°. de activiteiten in Nederland of in een ander rechtsgebied op grond waarvan mogelijkerwijs sprake is van een vaste inrichting; of
- 3°. de indiening van een belastingaangifte voor het tijdvak waarin de grensoverschrijdende transactie of de activiteiten in Nederland of in een ander rechtsgebied hebben plaatsgevonden.
2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt verstaan onder een grensoverschrijdende transactie:
- a. een transactie of reeks van transacties waarbij niet alle partijen bij de transactie of reeks van transacties hun fiscale woonplaats hebben in Nederland;
- b. een transactie of reeks van transacties waarbij een of meer van de partijen bij de transactie of reeks van transacties hun fiscale woonplaats tegelijkertijd in Nederland en in een ander rechtsgebied hebben;
- c. een transactie of reeks van transacties waarbij een van de partijen bij de transactie of reeks van transacties met een fiscale woonplaats in Nederland haar bedrijf uitoefent via een vaste inrichting in een ander rechtsgebied dan Nederland en de transactie of reeks van transacties alle of een deel van de activiteiten van de vaste inrichting uitmaakt, onderscheidenlijk uitmaken, waaronder tevens begrepen de regelingen die worden getroffen door een persoon ten aanzien van de bedrijfsactiviteiten die hij in een ander rechtsgebied via een vaste inrichting uitoefent;
- d. een transactie of reeks van transacties die een grensoverschrijdend effect heeft, onderscheidenlijk hebben.
3. Onder inspecteur als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan: de inspecteur, bedoeld in [artikel 2, derde lid, onderdeel b, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=2).
##### Artikel 2c
1. Voor de toepassing van dit artikel en van [artikel 6d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003954&hoofdstuk=II&afdeling=2&artikel=6d&z=2017-01-01&g=2017-01-01) wordt verstaan onder een voorafgaande verrekenprijsafspraak: een uitlating door of namens de inspecteur, dan wel Onze Minister, ongeacht of er effectief gebruik van wordt gemaakt, die:
- a. is gedaan ten aanzien van een persoon of groep van personen die zich daarop kan, onderscheidenlijk kunnen, beroepen;
- b. voordat grensoverschrijdende transacties tussen gelieerde lichamen hebben plaatsgevonden, een passende reeks criteria vaststelt voor de bepaling van de verrekenprijzen voor die transacties of voor de toerekening van winsten aan een vaste inrichting.
2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt verstaan onder een grensoverschrijdende transactie:
- a. een transactie of reeks van transacties tussen gelieerde lichamen die niet allemaal hun fiscale woonplaats in Nederland hebben; of
- b. een transactie of reeks van transacties die een grensoverschrijdend effect heeft, onderscheidenlijk hebben.
3. Lichamen zijn voor de toepassing van dit artikel gelieerde lichamen indien een lichaam, onmiddellijk of middellijk, deelneemt aan de leiding van of het toezicht op, dan wel in het kapitaal van een ander lichaam of indien eenzelfde persoon onmiddellijk of middellijk, deelneemt aan de leiding van of het toezicht op, dan wel in het kapitaal van het ene en het andere lichaam.
4. Verrekenprijzen als bedoeld in het eerste lid zijn de prijzen die een lichaam aan gelieerde lichamen in rekening brengt voor de overdracht van materiële en immateriële goederen of voor het verlenen van diensten.
5. [Artikel 2b, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003954&hoofdstuk=I&artikel=2b&z=2017-01-01&g=2017-01-01), is van overeenkomstige toepassing.
### Hoofdstuk IA. Reikwijdte van inlichtingenuitwisseling
#### Paragraaf 1. Begripsbepalingen
#### Paragraaf 2. Renseignering
#### Paragraaf 3. Formele bepalingen
### Hoofdstuk II. Vormen van door Nederland te verlenen bijstand
### Afdeling 2. Automatisch verstrekken van inlichtingen
##### Artikel 6d
1. Onze Minister verstrekt op grond van Richtlijn 2011/16/EU de bevoegde autoriteit van elke lidstaat en de Europese Commissie automatisch de volgende inlichtingen over voorafgaande grensoverschrijdende rulings of voorafgaande verrekenprijsafspraken:
- a. de identificatiegegevens van de relevante persoon, niet zijnde een natuurlijke persoon, en in voorkomend geval van de groep personen waartoe deze behoort;
- b. een samenvatting van de inhoud van de voorafgaande grensoverschrijdende ruling of voorafgaande verrekenprijsafspraak, waaronder een algemene omschrijving van de relevante zakelijke activiteiten of transacties of reeks van transacties, met dien verstande dat die samenvatting niet mag leiden tot de openbaarmaking van:
- 1°. een commercieel, industrieel of beroepsgeheim;
- 2°. inlichtingen indien de openbare orde van de Nederlandse staat zich daartegen verzet;
- c. de datum waarop de voorafgaande grensoverschrijdende ruling of voorafgaande verrekenprijsafspraak is afgegeven, gemaakt, gewijzigd of hernieuwd;
- d. de aanvangsdatum van de geldigheidsperiode van de voorafgaande grensoverschrijdende ruling of voorafgaande verrekenprijsafspraak, indien vermeld;
- e. de einddatum van de geldigheidsperiode van de voorafgaande grensoverschrijdende ruling of voorafgaande verrekenprijsafspraak, indien vermeld;
- f. het type grensoverschrijdende ruling of voorafgaande verrekenprijsafspraak;
- g. het bedrag van de transactie of reeks van transacties waar de voorafgaande grensoverschrijdende ruling of voorafgaande verrekenprijsafspraak op ziet, indien dit bedrag in de voorafgaande grensoverschrijdende ruling of voorafgaande verrekenprijsafspraak is vermeld;
- h. in het geval van een voorafgaande verrekenprijsafspraak: de beschrijving van de criteria die zijn gebruikt voor de verrekenprijsvaststelling of de verrekenprijs zelf;
- i. in het geval van een voorafgaande verrekenprijsafspraak: de methode die wordt gebruikt voor de verrekenprijsvaststelling of de verrekenprijs zelf;
- j. de namen van andere lidstaten, indien van toepassing, waarvoor de voorafgaande grensoverschrijdende ruling of de voorafgaande verrekenprijsafspraak naar alle waarschijnlijkheid van invloed zal zijn;
- k. de personen, niet zijnde natuurlijke personen, in andere lidstaten, indien van toepassing, voor wie de voorafgaande grensoverschrijdende ruling of de voorafgaande verrekenprijsafspraak naar alle waarschijnlijkheid van belang zal zijn en de vermelding met welke lidstaten de betrokken personen in dat geval verbonden zijn;
- l. de vermelding of de verstrekte inlichtingen gebaseerd zijn op de voorafgaande grensoverschrijdende ruling of de voorafgaande verrekenprijsafspraak zelf, dan wel op het verzoek, bedoeld in het vierde lid.
2. In afwijking van het eerste lid worden de inlichtingen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, b, h en k, niet aan de Europese Commissie verstrekt.
3. Het eerste lid is niet van toepassing op een voorafgaande grensoverschrijdende ruling ingeval deze uitsluitend betrekking heeft op belastingzaken van een of meer natuurlijke personen.
4. Het eerste lid is niet van toepassing op bilaterale of multilaterale voorafgaande verrekenprijsafspraken met derde landen indien het verdrag uit hoofde waarvan over de voorafgaande verrekenprijsafspraken is onderhandeld, niet toestaat dat deze verrekenprijsafspraken aan derden worden vrijgegeven. Ingeval de eerste volzin toepassing vindt, worden de inlichtingen, bedoeld in het eerste lid, verstrekt op basis van het verzoek dat tot de bilaterale of multilaterale voorafgaande verrekenprijsafspraak heeft geleid.
5. Onze Minister verstrekt de inlichtingen, bedoeld in het eerste lid:
- a. ingeval de voorafgaande grensoverschrijdende ruling of voorafgaande verrekenprijsafspraak in het eerste halfjaar van een kalenderjaar is afgegeven, gemaakt, gewijzigd of hernieuwd: binnen drie maanden na afloop van dat eerste halfjaar;
- b. ingeval de voorafgaande grensoverschrijdende ruling of voorafgaande verrekenprijsafspraak in het tweede halfjaar van een kalenderjaar is afgegeven, gemaakt, gewijzigd of hernieuwd: binnen drie maanden na afloop van dat kalenderjaar.
### Afdeling 4. Onderzoek in het kader van te verlenen bijstand
### Afdeling 4a. Verplichtingen ten behoeve van de automatische verstrekking van inlichtingen volgens de Common Reporting Standard
### Afdeling 6. Algemene bepalingen
### Hoofdstuk III. Vormen van door Nederland te ontvangen bijstand
### Afdeling 3. Onderzoek in het kader van verzoeken om bijstand
### Afdeling 4. Algemene bepalingen
### Hoofdstuk IIIA. **Overgangsrecht**
### Hoofdstuk IV. Slotbepaling
Lasten en bevelen dat deze in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
##### Artikel 6e
1. Onze Minister verstrekt op grond van [Richtlijn 2011/16](32011L0016)/EU automatisch het door een rapporterende entiteit die fiscaal inwoner is van Nederland aan de inspecteur verstrekte landenrapport, bedoeld in [artikel 29e van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=29e), aan de bevoegde autoriteit van elke lidstaat waarvan, blijkens de informatie in het landenrapport, een of meer groepsentiteiten van de multinationale groep van de rapporterende entiteit fiscaal inwoner zijn of waarin deze aan belasting zijn onderworpen met betrekking tot de activiteiten die via een vaste inrichting worden uitgeoefend.
2. Onze Minister verstrekt het landenrapport, bedoeld in het eerste lid, binnen vijftien maanden na de laatste dag van het verslagjaar van de multinationale groep waarop het landenrapport betrekking heeft.
3. Onze Minister stelt elke lidstaat in kennis van een bericht als bedoeld in [artikel 29d, derde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=29d).
4. Voor de toepassing van dit artikel worden de begrippen groepsentiteit, multinationale groep, rapporterende entiteit en verslagjaar opgevat in de zin van [artikel 29b van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=29b).
### Afdeling 3. Spontaan verstrekken van inlichtingen
### Afdeling 4. Onderzoek in het kader van te verlenen bijstand
### Afdeling 4a. Verplichtingen ten behoeve van de automatische verstrekking van inlichtingen volgens de Common Reporting Standard
### Afdeling 4b. Strafbepaling en betekening
### Afdeling 5. Medewerking in het kader van te verlenen bijstand
### Hoofdstuk III. Vormen van door Nederland te ontvangen bijstand
### Afdeling 1. Verzoeken om bijstand
### Afdeling 2. Automatisch en spontaan verkregen inlichtingen
### Afdeling 3. Onderzoek in het kader van verzoeken om bijstand
### Afdeling 4. Algemene bepalingen
### Hoofdstuk IIIA. **Overgangsrecht**
### Hoofdstuk IV. Slotbepaling
Lasten en bevelen dat deze in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
##### Artikel 10g
1. Onze Minister verkrijgt met het oog op de tenuitvoerlegging en handhaving van de tot uitvoering van [Richtlijn 2011/16](32011L0016)/EU strekkende bepalingen van deze wet en de daarop berustende bepalingen en teneinde te waarborgen dat de administratieve samenwerking waarin [Richtlijn 2011/16](32011L0016)/EU voorziet, functioneert, desgevraagd binnen een door hem te stellen termijn en op een door hem te bepalen wijze toegang tot de mechanismen, procedures, documenten en overige inlichtingen, bedoeld in de artikelen 13, 30, 31 en 40 van Richtlijn (EU) 2015/849, voor zover deze artikelen zijn geïmplementeerd in de Nederlandse wetgeving.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op verkrijging van toegang met het oog op de tenuitvoerlegging en handhaving van [artikel 2a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003954&hoofdstuk=I&artikel=2a&z=2018-01-01&g=2018-01-01) en [afdeling 4a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003954&hoofdstuk=II&afdeling=4a&z=2018-01-01&g=2018-01-01) en de daarop berustende bepalingen, alsmede met het oog op het nakomen van overeenkomsten met rechtsgebieden op grond waarvan het land Nederland de informatie, bedoeld in de [artikelen 10b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003954&hoofdstuk=II&afdeling=4a&artikel=10b&z=2018-01-01&g=2018-01-01) en [10c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003954&hoofdstuk=II&afdeling=4a&artikel=10c&z=2018-01-01&g=2018-01-01), aan die rechtsgebieden zal verstrekken.
### Afdeling 6. Algemene bepalingen
### Hoofdstuk III. Vormen van door Nederland te ontvangen bijstand
### Afdeling 4. Algemene bepalingen
### Hoofdstuk IV. Slotbepaling
Lasten en bevelen dat deze in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
##### Artikel 2d
1. Voor de toepassing van dit artikel, [artikel 8, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003954&hoofdstuk=II&afdeling=4&artikel=8&z=2020-07-01&g=2020-07-01), [hoofdstuk II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003954&hoofdstuk=II&z=2020-07-01&g=2020-07-01), [afdeling 4ab](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003954&hoofdstuk=II&afdeling=4ab&z=2020-07-01&g=2020-07-01), en de daarop berustende bepalingen en [artikel 11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003954&hoofdstuk=II&afdeling=4b&artikel=11&z=2020-07-01&g=2020-07-01) wordt verstaan onder:
- a. **grensoverschrijdende constructie:** een constructie als bedoeld in artikel 3, achttiende lid, van [Richtlijn 2011/16](32011L0016)/EU;
- b. **meldingsplichtige grensoverschrijdende constructie:** een grensoverschrijdende constructie als bedoeld in artikel 3, negentiende lid, van [Richtlijn 2011/16](32011L0016)/EU;
- c. **wezenskenmerk:** een eigenschap of kenmerk van een grensoverschrijdende constructie die geldt als een indicatie van een mogelijk risico op belastingontwijking als bedoeld in bijlage IV van [Richtlijn 2011/16](32011L0016)/EU;
- d. **intermediair:** een persoon als bedoeld in artikel 3, eenentwintigste lid, van [Richtlijn 2011/16](32011L0016)/EU;
- e. **relevante belastingplichtige:** een persoon als bedoeld in artikel 3, tweeëntwintigste lid, van [Richtlijn 2011/16](32011L0016)/EU;
- f. **verbonden onderneming:** een persoon die gelieerd is aan een andere persoon als bedoeld in artikel 3, drieëntwintigste lid, van [Richtlijn 2011/16](32011L0016)/EU;
- g. **marktklare constructie:** een grensoverschrijdende constructie als bedoeld in artikel 3, vierentwintigste lid, van [Richtlijn 2011/16](32011L0016)/EU;
- h. **constructie op maat:** een grensoverschrijdende constructie als bedoeld in artikel 3, vijfentwintigste lid, van [Richtlijn 2011/16](32011L0016)/EU.
2. Voor zover voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel b, de main benefit test, bedoeld in bijlage IV, deel I, van [Richtlijn 2011/16](32011L0016)/EU, toepassing vindt, wordt aan die test voldaan indien kan worden aangetoond dat het belangrijkste voordeel dat of een van de belangrijkste voordelen die, gelet op alle relevante feiten en omstandigheden, redelijkerwijs te verwachten valt van een constructie het verkrijgen van een belastingvoordeel is.
### Hoofdstuk IA. Reikwijdte van inlichtingenuitwisseling
### Afdeling 1. Algemeen
### Afdeling 2. Inkomsten uit spaargelden
#### Paragraaf 1. Begripsbepalingen
#### Paragraaf 3. Formele bepalingen
### Hoofdstuk II. Vormen van door Nederland te verlenen bijstand
##### Artikel 6f
1. Onze Minister verstrekt op grond van [Richtlijn 2011/16](32011L0016)/EU de bevoegde autoriteit van elke lidstaat automatisch de gegevens en inlichtingen, bedoeld in [artikel 10h, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003954&hoofdstuk=II&afdeling=4ab&artikel=10h&z=2020-07-01&g=2020-07-01).
2. Onze Minister verstrekt de gegevens en inlichtingen, bedoeld in het eerste lid, binnen een maand te rekenen vanaf het einde van het kwartaal waarin die gegevens en inlichtingen zijn verstrekt.
### Afdeling 4. Onderzoek in het kader van te verlenen bijstand
### Afdeling 4a. Verplichtingen ten behoeve van de automatische verstrekking van inlichtingen volgens de Common Reporting Standard
##### Artikel 10h
1. Een intermediair verstrekt aan Onze Minister over een meldingsplichtige grensoverschrijdende constructie de gegevens en inlichtingen, bedoeld in het tweede lid, waarvan hij kennis of bezit of waarover hij controle heeft, indien hij:
- a. fiscaal inwoner is van Nederland;
- b. een vaste inrichting heeft in Nederland door middel waarvan de diensten met betrekking tot de meldingsplichtige grensoverschrijdende constructie, bedoeld in het tweede lid, worden verleend;
- c. is opgericht naar Nederlands recht of onder de toepassing van de Nederlandse wetgeving valt; of
- d. in Nederland is ingeschreven bij een beroepsorganisatie in verband met de verlening van juridische, fiscale of adviesdiensten.
2. De gegevens en inlichtingen, bedoeld in het eerste lid, zijn, voor zover van toepassing:
- a. de naam, de fiscale woonplaats en het fiscale identificatienummer van de intermediair, relevante belastingplichtige en, indien relevant, personen die een verbonden onderneming vormen met de relevante belastingplichtige;
- b. indien de intermediair of de relevante belastingplichtige een natuurlijk persoon is: de geboortedatum en de geboorteplaats van die persoon;
- c. nadere bijzonderheden over de wezenskenmerken op grond waarvan de meldingsplichtige grensoverschrijdende constructie gemeld moet worden;
- d. een samenvatting van de inhoud van de meldingsplichtige grensoverschrijdende constructie, met onder meer de benaming waaronder zij algemeen bekendstaat, indien voorhanden, en een omschrijving van de relevante zakelijke activiteiten of constructies, in algemene bewoordingen gesteld, die niet mag leiden tot de openbaarmaking van een handelsgeheim, bedrijfsgeheim, nijverheidsgeheim of beroepsgeheim of een fabriekswerkwijze of handelswerkwijze, of van inlichtingen waarvan de onthulling in strijd zou zijn met de openbare orde;
- e. de datum waarop de eerste stap van de implementatie van de meldingsplichtige grensoverschrijdende constructie is of zal worden gezet;
- f. nadere bijzonderheden van de nationale bepalingen die aan de meldingsplichtige grensoverschrijdende constructie ten grondslag liggen;
- g. de waarde van de meldingsplichtige grensoverschrijdende constructie;
- h. de lidstaat van de relevante belastingplichtige en eventuele andere lidstaten waarop de meldingsplichtige grensoverschrijdende constructie naar alle waarschijnlijkheid van invloed zal zijn;
- i. de identificatiegegevens van andere personen in een lidstaat op wie de meldingsplichtige grensoverschrijdende constructie naar alle waarschijnlijkheid van invloed zal zijn, waarbij wordt vermeld met welke lidstaten die personen een relatie hebben.
3. De intermediair, bedoeld in het eerste lid, stelt in het geval van marktklare constructies elke drie maanden een periodiek verslag op met een overzicht van nieuwe meldingsplichtige gegevens en inlichtingen als bedoeld in het tweede lid, aanhef en onderdelen a, b, e, h en i, waarvan hij sinds het laatst ingediende verslag kennis, bezit of controle heeft gekregen en verstrekt dit aan Onze Minister.
4. Indien de intermediair, bedoeld in het eerste lid, op grond van een met artikel 8 bis ter, eerste of tweede lid, van [Richtlijn 2011/16](32011L0016)/EU overeenkomende wettelijke bepaling verplicht is de gegevens en inlichtingen, bedoeld in het tweede lid, ook aan de bevoegde autoriteiten van een andere lidstaat te verstrekken, worden die gegevens en inlichtingen alleen verstrekt aan de lidstaat die als eerste voorkomt op de lijst, bedoeld in artikel 8 bis ter, derde lid, van [Richtlijn 2011/16](32011L0016)/EU. De intermediair is ontheven van de verplichting, bedoeld in het eerste of derde lid, indien hij aannemelijk kan maken dat de gegevens en inlichtingen, bedoeld in het tweede lid, aan de laatstbedoelde lidstaat zijn verstrekt.
5. [Artikel 53a, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=53a) is van overeenkomstige toepassing. Als de intermediair, bedoeld in het eerste lid, zich op deze overeenkomstige toepassing beroept, stelt hij andere intermediairs die bij dezelfde meldingsplichtige grensoverschrijdende constructie zijn betrokken of, bij gebreke daarvan, de relevante belastingplichtige onverwijld in kennis van hun, onderscheidenlijk diens, verplichtingen op grond van een met artikel 8 bis ter, eerste, tweede of zesde lid, van [Richtlijn 2011/16](32011L0016)/EU overeenkomende wettelijke bepaling.
6. Bij afwezigheid van een intermediair geldt de verplichting, bedoeld in het eerste lid, voor de relevante belastingplichtige die:
- a. fiscaal inwoner is van Nederland;
- b. een vaste inrichting heeft in Nederland die begunstigde van de meldingsplichtige grensoverschrijdende constructie is;
- c. in Nederland inkomsten ontvangt of winsten genereert, hoewel hij niet fiscaal inwoner van een lidstaat is noch een vaste inrichting in een lidstaat heeft; of
- d. in Nederland een activiteit uitoefent, hoewel hij niet fiscaal inwoner van een lidstaat is noch een vaste inrichting in een lidstaat heeft.
7. Het zesde lid is van overeenkomstige toepassing ingeval naast de intermediair of intermediairs die zich ingevolge het vijfde lid op de overeenkomstige toepassing van [artikel 53a, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=53a) of op een bepaling als bedoeld in artikel 8 bis ter, vijfde lid, van [Richtlijn 2011/16](32011L0016)/EU beroept, onderscheidenlijk beroepen, geen andere intermediair bij dezelfde meldingsplichtige grensoverschrijdende constructie is betrokken.
8. Indien de relevante belastingplichtige, bedoeld in het zesde lid, op grond van een met artikel 8 bis ter, zesde lid, van [Richtlijn 2011/16](32011L0016)/EU overeenkomende wettelijke bepaling verplicht is de gegevens en inlichtingen, bedoeld in het tweede lid, ook aan de bevoegde autoriteiten van een andere lidstaat te verstrekken, worden die gegevens en inlichtingen alleen verstrekt aan de lidstaat die als eerste voorkomt op de lijst, bedoeld in artikel 8 bis ter, zevende lid, van [Richtlijn 2011/16](32011L0016)/EU. De relevante belastingplichtige is ontheven van de verplichting, bedoeld in het zesde lid, indien hij aannemelijk kan maken dat de gegevens en inlichtingen, bedoeld in het tweede lid, in de laatstbedoelde lidstaat zijn verstrekt.
9. De intermediair, bedoeld in het eerste lid, is ontheven van de verplichting tot het verstrekken van de gegevens en inlichtingen, bedoeld in het tweede lid, indien hij aannemelijk kan maken dat die gegevens en inlichtingen op grond van een met artikel 8 bis ter, eerste of tweede lid, van [Richtlijn 2011/16](32011L0016)/EU overeenkomende wettelijke bepaling door een andere intermediair zijn verstrekt.
10. Indien sprake is van meer dan één relevante belastingplichtige met betrekking tot een meldingsplichtige grensoverschrijdende constructie rust de verplichting tot het verstrekken van de gegevens en inlichtingen, bedoeld in het tweede lid, op de relevante belastingplichtige die als eerste voorkomt op de lijst, bedoeld in artikel 8 bis ter, tiende lid, van [Richtlijn 2011/16](32011L0016)/EU. De relevante belastingplichtige, bedoeld in het zesde lid, is ontheven van de verplichting tot het verstrekken van de gegevens en inlichtingen, bedoeld in het tweede lid, indien hij aannemelijk kan maken dat die gegevens en inlichtingen op grond van een met artikel 8 bis ter, zesde lid, van [Richtlijn 2011/16](32011L0016)/EU overeenkomende wettelijke bepaling door een andere relevante belastingplichtige zijn verstrekt.
11. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot het uiterste tijdstip en de wijze waarop de gegevens en inlichtingen, bedoeld in het tweede lid, aan Onze Minister worden verstrekt.
### Afdeling 4b. Strafbepaling en betekening
### Afdeling 5. Medewerking in het kader van te verlenen bijstand
### Afdeling 6. Algemene bepalingen
### Hoofdstuk III. Vormen van door Nederland te ontvangen bijstand
### Afdeling 2. Automatisch en spontaan verkregen inlichtingen
### Afdeling 3. Onderzoek in het kader van verzoeken om bijstand
### Afdeling 4. Algemene bepalingen
### Hoofdstuk IIIA. **Overgangsrecht**
### Hoofdstuk IV. Slotbepaling
Lasten en bevelen dat deze in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
##### Artikel 10fa
Als sprake is van een overeenkomst of praktijk waarvan het primaire doel naar redelijkerwijs moet worden aangenomen is het omzeilen van een verplichting als bedoeld in deze afdeling of de daarop berustende bepalingen, geldt die verplichting alsof die overeenkomst, onderscheidenlijk die praktijk, er niet is.
### Hoofdstuk III. Vormen van door Nederland te ontvangen bijstand
### Afdeling 3. Onderzoek in het kader van verzoeken om bijstand
### Afdeling 4. Algemene bepalingen
### Hoofdstuk IIIA. **Overgangsrecht**
### Hoofdstuk IV. Slotbepaling
Lasten en bevelen dat deze in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
##### Artikel 2e
Voor de toepassing van dit artikel, [artikel 6g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003954&hoofdstuk=II&afdeling=2&artikel=6g&z=2023-01-01&g=2023-01-01), [artikel 8, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003954&hoofdstuk=II&afdeling=4&artikel=8&z=2023-01-01&g=2023-01-01), [hoofdstuk II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003954&hoofdstuk=II&z=2023-01-01&g=2023-01-01), [afdeling 4ac](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003954&hoofdstuk=II&afdeling=4ac&z=2023-01-01&g=2023-01-01), en de daarop berustende bepalingen en [artikel 11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003954&hoofdstuk=II&afdeling=4b&artikel=11&z=2023-01-01&g=2023-01-01) wordt verstaan onder:
- a. **platform:** een platform als bedoeld in bijlage V, deel I, onderdeel A, onder 1, van [Richtlijn 2011/16](32011L0016)/EU;
- b. **platformexploitant:** een entiteit als bedoeld in bijlage V, deel I, onderdeel A, onder 2, van [Richtlijn 2011/16](32011L0016)/EU;
- c. **uitgesloten platformexploitant:** een platformexploitant als bedoeld in bijlage V, deel I, onderdeel A, onder 3, van [Richtlijn 2011/16](32011L0016)/EU;
- d. **rapporterende platformexploitant:** een platformexploitant als bedoeld in bijlage V, deel I, onderdeel A, onder 4, van [Richtlijn 2011/16](32011L0016)/EU;
- e. **gekwalificeerde platformexploitant buiten de Unie:** een platformexploitant als bedoeld in bijlage V, deel I, onderdeel A, onder 5, van [Richtlijn 2011/16](32011L0016)/EU;
- f. **gekwalificeerd niet-Unierechtsgebied:** een niet-Unierechtsgebied als bedoeld in bijlage V, deel I, onderdeel A, onder 6, van [Richtlijn 2011/16](32011L0016)/EU;
- g. **van kracht zijnde adequate overeenkomst tussen bevoegde autoriteiten:** een overeenkomst tussen de bevoegde autoriteiten van een lidstaat en een niet-Unierechtsgebied als bedoeld in bijlage V, deel I, onderdeel A, onder 7, van [Richtlijn 2011/16](32011L0016)/EU;
- h. **relevante activiteit:** een activiteit als bedoeld in bijlage V, deel I, onderdeel A, onder 8, van [Richtlijn 2011/16](32011L0016)/EU;
- i. **gekwalificeerde relevante activiteiten:** relevante activiteiten als bedoeld in bijlage V, deel I, onderdeel A, onder 9, van [Richtlijn 2011/16](32011L0016)/EU;
- j. **tegenprestatie:** een compensatie als bedoeld in bijlage V, deel I, onderdeel A, onder 10, van [Richtlijn 2011/16](32011L0016)/EU;
- k. **persoonlijke dienst:** een dienst als bedoeld in bijlage V, deel I, onderdeel A, onder 11, van [Richtlijn 2011/16](32011L0016)/EU;
- l. **verkoper:** een gebruiker van een platform als bedoeld in bijlage V, deel I, onderdeel B, onder 1, van [Richtlijn 2011/16](32011L0016)/EU;
- m. **actieve verkoper:** een verkoper als bedoeld in bijlage V, deel I, onderdeel B, onder 2, van [Richtlijn 2011/16](32011L0016)/EU;
- n. **te rapporteren verkoper:** een actieve verkoper, die geen uitgesloten verkoper is, die een ingezetene is als bedoeld in bijlage V, deel II, onderdeel D, van [Richtlijn 2011/16](32011L0016)/EU van een lidstaat of ingezetene is als bedoeld in deel II, paragraaf D, OESO-modelregels van een gekwalificeerd niet-Unierechtsgebied, of die een onroerend goed heeft verhuurd dat in een lidstaat of gekwalificeerd niet-Unierechtsgebied is gelegen;
- o. **uitgesloten verkoper:** een verkoper als bedoeld in bijlage V, deel I, onderdeel B, onder 4, van [Richtlijn 2011/16](32011L0016)/EU;
- p. **entiteit:** een rechtspersoon of een juridische constructie als bedoeld in bijlage V, deel I, onderdeel C, onder 1, eerste zin, van [Richtlijn 2011/16](32011L0016)/EU;
- q. **gelieerde entiteit van een entiteit:** een entiteit die tot de andere entiteit in een verhouding staat als bedoeld in bijlage V, deel I, onderdeel C, onder 1, tweede tot en met vierde zin, van [Richtlijn 2011/16](32011L0016)/EU;
- r. **overheidsinstantie:** een instantie als bedoeld in bijlage V, deel I, onderdeel C, onder 2, van [Richtlijn 2011/16](32011L0016)/EU;
- s. **btw-identificatienummer:** het unieke nummer, bedoeld in bijlage V, deel I, onderdeel C, onder 4, van [Richtlijn 2011/16](32011L0016)/EU;
- t. **hoofdadres:** het adres, bedoeld in bijlage V, deel I, onderdeel C, onder 5, van [Richtlijn 2011/16](32011L0016)/EU;
- u. **rapportageperiode:** het kalenderjaar, bedoeld in bijlage V, deel I, onderdeel C, onder 6, van [Richtlijn 2011/16](32011L0016)/EU;
- v. **eigendomslijst:** alle onroerende zaken als bedoeld in bijlage V, deel I, onderdeel C, onder 7, van [Richtlijn 2011/16](32011L0016)/EU;
- w. **identificatiecode van de financiële rekening:** het identificatienummer of referentienummer, bedoeld in bijlage V, deel I, onderdeel C, onder 8, van [Richtlijn 2011/16](32011L0016)/EU;
- x. **goederen:** alle materiële zaken;
- y. **OESO-modelregels:** de modelregels zoals goedgekeurd op 29 juni 2020 met als citeertitel: «OECD (2020), Model Rules for Reporting by Platform Operators with respect to Sellers in the Sharing and Gig Economy, OECD, Paris».
### Hoofdstuk IA. Reikwijdte van inlichtingenuitwisseling
#### Paragraaf 1. Begripsbepalingen
#### Paragraaf 3. Formele bepalingen
### Hoofdstuk II. Vormen van door Nederland te verlenen bijstand
##### Artikel 5bis
1. Voor een verzoek als bedoeld in [artikel 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003954&hoofdstuk=II&afdeling=1&artikel=5&z=2023-01-01&g=2023-01-01) zijn de verzochte inlichtingen naar verwachting van belang indien de bevoegde autoriteit van een verzoekende staat op het moment van het verzoek van oordeel is dat er overeenkomstig haar nationale wetgeving een redelijke mogelijkheid bestaat dat de verzochte inlichtingen van belang zullen zijn voor de belastingaangelegenheden van een of meerdere belastingplichtigen, bij naam geïdentificeerd of anderszins, en het verzoek gerechtvaardigd is voor de doeleinden van het onderzoek.
2. Om het verwachte belang van de verzochte inlichtingen aan te tonen, verstrekt de bevoegde autoriteit van een verzoekende staat ten minste de volgende inlichtingen aan Onze Minister:
- a. het fiscale doel waarvoor de informatie wordt opgevraagd; en
- b. een specificering van de inlichtingen die nodig zijn voor de uitvoering of handhaving van haar nationale wetgeving.
3. Indien een verzoek als bedoeld in [artikel 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003954&hoofdstuk=II&afdeling=1&artikel=5&z=2023-01-01&g=2023-01-01) betrekking heeft op een groep belastingplichtigen die niet individueel kunnen worden geïdentificeerd, verstrekt de bevoegde autoriteit van een verzoekende staat aan Onze Minister ten minste de volgende inlichtingen:
- a. een gedetailleerde beschrijving van de groep;
- b. een toelichting bij de van toepassing zijnde wetgeving en bij de feiten op basis waarvan redelijkerwijs kan worden vermoed dat de belastingplichtigen in de groep die wetgeving niet hebben nageleefd;
- c. een toelichting bij de manier waarop de gevraagde inlichtingen zouden bijdragen aan het bepalen van de mate waarin de belastingplichtigen in de groep aan de van toepassing zijnde wetgeving voldoen; en
- d. in voorkomend geval, feiten en omstandigheden die verband houden met de betrokkenheid van een derde die actief heeft bijgedragen aan de mogelijke niet-naleving van de van toepassing zijnde wetgeving door de belastingplichtigen in de groep.
##### Artikel 6g
1. Onze Minister verstrekt op grond van [Richtlijn 2011/16](32011L0016)/EU de bevoegde autoriteit van de lidstaat waarvan de te rapporteren verkoper een ingezetene is als bedoeld in bijlage V, deel II, onderdeel D, van [Richtlijn 2011/16](32011L0016)/EU en, indien de te rapporteren verkoper onroerende zaken verhuurt, in ieder geval aan de bevoegde autoriteit van de lidstaat waarin de onroerende zaak is gelegen, automatisch de gegevens en inlichtingen, bedoeld in de [artikelen 10j, tweede, derde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003954&hoofdstuk=II&afdeling=4ac&artikel=10j&z=2023-01-01&g=2023-01-01), en [10l, derde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003954&hoofdstuk=II&afdeling=4ac&artikel=10l&z=2023-01-01&g=2023-01-01).
2. Onze Minister verstrekt de gegevens en inlichtingen uiterlijk twee maanden na het einde van de rapportageperiode waarop de op de rapporterende platformexploitant toepasselijke rapportageverplichtingen betrekking hebben.
### Afdeling 4bis. Gezamenlijke audits
##### Artikel 10i
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden verzamel- en verificatievereisten gesteld aan rapporterende platformexploitanten als bedoeld in de [artikelen 10j, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003954&hoofdstuk=II&afdeling=4ac&artikel=10j&z=2023-01-01&g=2023-01-01), en [10l, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003954&hoofdstuk=II&afdeling=4ac&artikel=10l&z=2023-01-01&g=2023-01-01), met het oog op het door die platformexploitanten rapporteren van gegevens en inlichtingen als bedoeld in de [artikelen 10j tot en met 10l](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003954&hoofdstuk=II&afdeling=4ac&artikel=10j&z=2023-01-01&g=2023-01-01), alsmede regels met betrekking tot de wijze waarop die gegevens en inlichtingen aan Onze Minister worden verstrekt.
##### Artikel 10j
1. Een rapporterende platformexploitant die niet kiest voor rapportage in een andere lidstaat als bedoeld in [artikel 10k](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003954&hoofdstuk=II&afdeling=4ac&artikel=10k&z=2023-01-01&g=2023-01-01) rapporteert aan Onze Minister de gegevens en inlichtingen, bedoeld in het tweede, derde, vierde, vijfde en zesde lid, met betrekking tot de rapportageperiode uiterlijk op 31 januari van het jaar dat volgt op het kalenderjaar waarin een verkoper als te rapporteren verkoper is aangemerkt, ingeval die rapporterende platformexploitant fiscaal ingezetene is van Nederland of, indien dat niet het geval is en die rapporterende platformexploitant ook geen fiscaal ingezetene is van een lidstaat, voldoet aan de voorwaarde dat:
- a. hij is opgericht naar Nederlands recht;
- b. de plaats van de werkelijke leiding zich in Nederland bevindt; of
- c. hij een vaste inrichting in Nederland heeft en geen gekwalificeerde platformexploitant buiten de Europese Unie is.
2. De gegevens en inlichtingen, bedoeld in het eerste lid, zijn met betrekking tot de rapporterende platformexploitant zelf:
- a. de naam, het geregistreerde kantooradres, het fiscale identificatienummer en, in voorkomend geval, het op grond van [artikel 10l, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003954&hoofdstuk=II&afdeling=4ac&artikel=10l&z=2023-01-01&g=2023-01-01), toegewezen individuele registratienummer van de rapporterende platformexploitant;
- b. de handelsnaam of -namen van het platform of de platformen waarover de rapporterende platformexploitant rapporteert.
3. De gegevens en inlichtingen, bedoeld in het eerste lid, zijn met betrekking tot elke te rapporteren verkoper die ingezetene is als bedoeld in bijlage V, deel II, onderdeel D, van [Richtlijn 2011/16](32011L0016)/EU van een lidstaat en een andere relevante activiteit heeft verricht dan de verhuur van onroerende zaken:
- a. de inlichtingen die op grond van bijlage V, deel II, onderdeel B, van [Richtlijn 2011/16](32011L0016)/EU worden verzameld;
- b. de identificatiecode van de financiële rekening, voor zover bekend bij de rapporterende platformexploitant en voor zover de bevoegde autoriteit van de lidstaat waarvan de te rapporteren verkoper een ingezetene is als bedoeld in bijlage V, deel II, onderdeel D, van [Richtlijn 2011/16](32011L0016)/EU niet heeft bekendgemaakt dat zij niet voornemens is de identificatiecode van de financiële rekening voor dat doel te gebruiken;
- c. de naam van de houder van de financiële rekening waarop de tegenprestatie wordt betaald of gecrediteerd indien deze verschillend is van de naam van de te rapporteren verkoper en voor zover deze bekend is bij de rapporterende platformexploitant, alsook alle andere financiële identificatiegegevens waarover de rapporterende platformexploitant beschikt met betrekking tot die rekeninghouder;
- d. elke lidstaat waarvan de te rapporteren verkoper een ingezetene is als bedoeld in bijlage V, deel II, onderdeel D, van [Richtlijn 2011/16](32011L0016)/EU;
- e. de totale tegenprestatie die is betaald of gecrediteerd, weergegeven per kwartaal van de rapportageperiode, en het aantal relevante activiteiten waarvoor deze is betaald of gecrediteerd;
- f. alle honoraria, commissielonen of belastingen die door de rapporterende platformexploitant werden ingehouden of geheven, weergegeven per kwartaal van de rapportageperiode.
4. De gegevens en inlichtingen, bedoeld in het eerste lid, zijn met betrekking tot elke te rapporteren verkoper die een andere relevante activiteit heeft verricht dan de verhuur van onroerende zaken en die ingezetene is als bedoeld in deel II, paragraaf D, OESO-modelregels van een gekwalificeerd niet-Unierechtsgebied, dat een van kracht zijnde adequate overeenkomst heeft met Nederland die voorziet in de wederkerige uitwisseling van gelijkwaardige inlichtingen tussen Nederland en die staat:
- a. de inlichtingen die op grond van deel II, paragraaf B, OESO-modelregels worden verzameld;
- b. ieder ander beschikbaar fiscaal identificatienummer, inclusief de staat van uitgifte;
- c. de identificatiecode van de financiële rekening, voor zover bekend bij de rapporterende platformexploitant en voor zover de bevoegde autoriteit van de staat waarvan de te rapporteren verkoper een ingezetene is als bedoeld in deel II, paragraaf D, OESO-modelregels van een gekwalificeerd niet-Unierechtsgebied, niet heeft bekendgemaakt dat zij niet voornemens is de identificatiecode van de financiële rekening voor dat doel te gebruiken;
- d. de naam van de houder van de financiële rekening waarop de tegenprestatie wordt betaald of gecrediteerd indien deze verschillend is van de naam van de te rapporteren verkoper en voor zover deze bekend is bij de rapporterende platformexploitant, alsook alle andere financiële identificatiegegevens waarover de rapporterende platformexploitant beschikt met betrekking tot die rekeninghouder;
- e. elke staat waarvan de te rapporteren verkoper een ingezetene is als bedoeld in deel II, paragraaf D, OESO-modelregels;
- f. de totale tegenprestatie die is betaald of gecrediteerd, weergegeven per kwartaal van de rapportageperiode, en het aantal relevante activiteiten waarvoor deze is betaald of gecrediteerd;
- g. alle honoraria, commissielonen of belastingen die door de rapporterende platformexploitant werden ingehouden of geheven, weergegeven per kwartaal van de rapportageperiode.
5. De gegevens en inlichtingen, bedoeld in het eerste lid, zijn met betrekking tot elke te rapporteren verkoper die ingezetene is als bedoeld in bijlage V, deel II, onderdeel D, van [Richtlijn 2011/16](32011L0016)/EU van een lidstaat en als relevante activiteit de verhuur van onroerende zaken heeft verricht:
- a. de inlichtingen die op grond van bijlage V, deel II, onderdeel B, van [Richtlijn 2011/16](32011L0016)/EU worden verzameld;
- b. de identificatiecode van de financiële rekening, voor zover bekend bij de rapporterende platformexploitant en voor zover de bevoegde autoriteit van de lidstaat waarvan de te rapporteren verkoper een ingezetene is als bedoeld in bijlage V, deel II, onderdeel D, van [Richtlijn 2011/16](32011L0016)/EU niet heeft bekendgemaakt dat zij niet voornemens is de identificatiecode van de financiële rekening voor dat doel te gebruiken;
- c. de naam van de houder van de financiële rekening waarop de tegenprestatie wordt betaald of gecrediteerd indien deze verschillend is van de naam van de te rapporteren verkoper en voor zover deze bekend is bij de rapporterende platformexploitant, alsook alle andere financiële identificatiegegevens waarover de rapporterende platformexploitant beschikt met betrekking tot die rekeninghouder;
- d. elke lidstaat waarvan de te rapporteren verkoper een ingezetene is als bedoeld in bijlage V, deel II, onderdeel D, van [Richtlijn 2011/16](32011L0016)/EU;
- e. het adres van elke eigendomslijst, vastgesteld op basis van de procedures als omschreven in bijlage V, deel II, onderdeel E, van [Richtlijn 2011/16](32011L0016)/EU en, indien beschikbaar, het kadasternummer of het equivalent daarvan in het nationale recht van de lidstaat waar de onroerende zaak gelegen is;
- f. de totale tegenprestatie die is betaald of gecrediteerd, weergegeven per kwartaal van de rapportageperiode, en het aantal relevante activiteiten dat is verricht voor elke eigendomslijst;
- g. alle honoraria, commissielonen of belastingen die door de rapporterende platformexploitant werden ingehouden of geheven, weergegeven per kwartaal van de rapportageperiode;
- h. voor zover beschikbaar, het aantal dagen dat elke eigendomslijst werd verhuurd tijdens de rapportageperiode en het type van elke eigendomslijst.
6. De gegevens en inlichtingen, bedoeld in het eerste lid, zijn met betrekking tot elke te rapporteren verkoper die als relevante activiteit de verhuur van onroerende zaken heeft verricht en die ingezetene is als bedoeld in deel II, paragraaf D, OESO-modelregels van een gekwalificeerd niet-Unierechtsgebied, dat een van kracht zijnde adequate overeenkomst heeft met Nederland die voorziet in de wederkerige uitwisseling van gelijkwaardige inlichtingen tussen Nederland en die staat:
- a. de inlichtingen die op grond van deel II, paragraaf B, OESO-modelregels worden verzameld;
- b. ieder ander beschikbaar fiscaal identificatienummer, inclusief de staat van uitgifte;
- c. de identificatiecode van de financiële rekening, voor zover bekend bij de rapporterende platformexploitant en voor zover de bevoegde autoriteit van de staat waarvan de te rapporteren verkoper een ingezetene is als bedoeld in deel II, paragraaf D, OESO-modelregels van een gekwalificeerd niet-Unierechtsgebied, niet heeft bekendgemaakt dat zij niet voornemens is de identificatiecode van de financiële rekening voor dat doel te gebruiken;
- d. de naam van de houder van de financiële rekening waarop de tegenprestatie wordt betaald of gecrediteerd indien deze verschillend is van de naam van de te rapporteren verkoper en voor zover deze bekend is bij de rapporterende platformexploitant, alsook alle andere financiële identificatiegegevens waarover de rapporterende platformexploitant beschikt met betrekking tot die rekeninghouder;
- e. elke staat waarvan de te rapporteren verkoper een ingezetene is als bedoeld in deel II, paragraaf D, OESO-modelregels;
- f. het adres van elke eigendomslijst, vastgesteld op basis van de procedures als omschreven in deel II, paragraaf E, OESO-modelregels en, indien beschikbaar, het kadasternummer of het equivalent daarvan in het nationale recht van de lidstaat waar de onroerende zaak gelegen is;
- g. de totale tegenprestatie die is betaald of gecrediteerd, weergegeven per kwartaal van de rapportageperiode, en het aantal relevante activiteiten dat is verricht voor elke eigendomslijst;
- h. alle honoraria, commissielonen of belastingen die door de rapporterende platformexploitant werden ingehouden of geheven, weergegeven per kwartaal van de rapportageperiode;
- i. voor zover beschikbaar, het aantal dagen dat elke eigendomslijst werd verhuurd tijdens de rapportageperiode en het type van elke eigendomslijst.
7. De inlichtingen met betrekking tot de tegenprestatie die is betaald of gecrediteerd in een fiduciaire valuta worden gerapporteerd in de munt waarin zij is betaald of gecrediteerd. Ingeval de tegenprestatie is betaald of gecrediteerd in een andere vorm dan een fiduciaire valuta, worden de inlichtingen gerapporteerd in de lokale munt, waarbij zij worden omgezet of gewaardeerd in die munt op een door de rapporterende platformexploitant consistent vastgestelde wijze.
8. De rapporterende platformexploitant, bedoeld in het eerste lid, is ontheven van de verplichting tot het rapporteren van de gegevens en inlichtingen, bedoeld in het tweede, derde,vierde, vijfde en zesde lid, aan Onze Minister indien hij aannemelijk maakt dat die gegevens en inlichtingen bedoeld in het tweede, derde en vijfde lid op grond van een met artikel 8 bis quater, eerste lid, van [Richtlijn 2011/16](32011L0016)/EU overeenkomende wettelijke bepaling door een andere rapporterende platformexploitant zijn gerapporteerd.
##### Artikel 10k
1. Een rapporterende platformexploitant die zowel in Nederland als in een of meer andere lidstaten voldoet aan een met bijlage V, deel I, onderdeel A, onder 4, subonderdeel a, van [Richtlijn 2011/16](32011L0016)/EU overeenkomende wettelijke bepaling kiest in welke van die lidstaten hij de gegevens en inlichtingen, bedoeld in [artikel 10j, tweede, derde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003954&hoofdstuk=II&afdeling=4ac&artikel=10j&z=2023-01-01&g=2023-01-01), rapporteert.
2. De rapporterende platformexploitant, bedoeld in het eerste lid, stelt alle bevoegde autoriteiten van de lidstaten ten aanzien waarvan hij voldoet aan een met bijlage V, deel I, onderdeel A, onder 4, subonderdeel a, van [Richtlijn 2011/16](32011L0016)/EU overeenkomende wettelijke bepaling in kennis van zijn keuze als bedoeld in het eerste lid.
##### Artikel 10l
1. Een rapporterende platformexploitant als bedoeld in bijlage V, deel I, onderdeel A, punt 4, subonderdeel b, van [Richtlijn 2011/16](32011L0016)/EU registreert zich bij de aanvang van zijn activiteit als rapporterende platformexploitant of op het moment waarop hij als rapporterende platformexploitant kwalificeert bij de bevoegde autoriteit van een lidstaat.
2. Indien de rapporterende platformexploitant, bedoeld in het eerste lid, ervoor kiest zich in Nederland te registreren, kent Onze Minister hem een individueel registratienummer toe. Onze Minister deelt dit individueel registratienummer via elektronische weg mee aan de bevoegde autoriteiten van alle lidstaten.
3. De rapporterende platformexploitant, bedoeld in het tweede lid, verstrekt aan Onze Minister de volgende inlichtingen:
- a. zijn naam;
- b. zijn postadres;
- c. zijn elektronische adressen, met inbegrip van websites;
- d. indien beschikbaar, een aan hem toegekend fiscaal identificatienummer;
- e. een verklaring met informatie over zijn identificatie voor btw-doeleinden binnen de Europese Unie, op grond van titel XII, hoofdstuk 6, afdelingen 2 en 3, van [Richtlijn 2006/112/EG](32006L0112) van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PbEU 2006, L 347).
- f. een overzicht van de lidstaten waarvan de te rapporteren verkopers ingezetenen zijn als bedoeld in bijlage V, deel II, onderdeel D, van [Richtlijn 2011/16](32011L0016)/EU.
4. De rapporterende platformexploitant, bedoeld in het tweede lid, stelt Onze Minister in kennis van iedere wijziging die zich voordoet ten aanzien van de inlichtingen, bedoeld in het derde lid.
5. De rapporterende platformexploitant, bedoeld in het tweede lid, rapporteert aan Onze Minister de gegevens en inlichtingen, bedoeld in het derde lid en in [artikel 10j, derde of vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003954&hoofdstuk=II&afdeling=4ac&artikel=10j&z=2023-01-01&g=2023-01-01), met betrekking tot de rapportageperiode uiterlijk op 31 januari van het jaar dat volgt op het kalenderjaar waarin de verkoper als te rapporteren verkoper is aangemerkt.
6. De rapporterende platformexploitant, bedoeld in het tweede lid, rapporteert aan Onze Minister de gegevens en inlichtingen, bedoeld in het derde lid en in [artikel 10j, vierde en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003954&hoofdstuk=II&afdeling=4ac&artikel=10j&z=2023-01-01&g=2023-01-01), met betrekking tot de rapportageperiode uiterlijk op 31 januari van het jaar dat volgt op het kalenderjaar waarin de verkoper als te rapporteren verkoper is aangemerkt.
7. In afwijking van het vijfde lid is de rapporterende platformexploitant, bedoeld in het tweede lid, niet verplicht de gegevens en inlichtingen, bedoeld in [artikel 10j, derde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003954&hoofdstuk=II&afdeling=4ac&artikel=10j&z=2023-01-01&g=2023-01-01), aan Onze Minister te rapporteren die betrekking hebben op gekwalificeerde relevante activiteiten die vallen onder een van kracht zijnde adequate overeenkomst tussen bevoegde autoriteiten, die reeds voorziet in de automatische uitwisseling van gelijkwaardige inlichtingen met een lidstaat over te rapporteren verkopers die ingezetene zijn van die lidstaat.
8. [Artikel 10j, achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003954&hoofdstuk=II&afdeling=4ac&artikel=10j&z=2023-01-01&g=2023-01-01), is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de rapporterende platformexploitant, bedoeld in het tweede lid.
##### Artikel 10m
1. Indien de rapporterende platformexploitant, bedoeld in [artikel 10l, tweede lid,](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003954&hoofdstuk=II&afdeling=4ac&artikel=10l&z=2023-01-01&g=2023-01-01) na twee aanmaningen van Onze Minister niet voldoet aan de rapportageverplichting, bedoeld in artikel 10l, derde tot en met vijfde lid, trekt Onze Minister de registratie, bedoeld in artikel 10l, tweede lid, in.
2. De intrekking vindt niet eerder plaats dan na het verstrijken van dertig dagen na de tweede aanmaning en niet later dan na het verstrijken van negentig dagen na die aanmaning.
3. Een rapporterende platformexploitant als bedoeld in bijlage V, deel I, onderdeel A, onder 4, subonderdeel b, van [Richtlijn 2011/16](32011L0016)/EU ten aanzien van wie de registratie is ingetrokken op grond van een met artikel 8 bis quater, vierde lid, van [Richtlijn 2011/16](32011L0016)/EU overeenkomende wettelijke bepaling, kan zich enkel in Nederland registreren indien hij aan Onze Minister passende waarborgen verstrekt inzake zijn vaste voornemen om te voldoen aan de rapportageverplichtingen, bedoeld in [artikel 10l, derde tot en met vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003954&hoofdstuk=II&afdeling=4ac&artikel=10l&z=2023-01-01&g=2023-01-01).
##### Artikel 10n
Indien Onze Minister vaststelt dat een platformexploitant een uitgesloten platformexploitant is, stelt hij de bevoegde autoriteiten van de andere lidstaten daarvan, alsmede van eventuele latere wijzigingen, in kennis.
##### Artikel 10o
Onverminderd [artikel 10p](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003954&hoofdstuk=II&afdeling=4ad&artikel=10p&z=2023-01-01&g=2023-01-01), verstrekt een rapporterende platformexploitant als bedoeld in de [artikelen 10j, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003954&hoofdstuk=II&afdeling=4ad&artikel=10p&z=2023-01-01&g=2023-01-01), en [10l, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003954&hoofdstuk=II&afdeling=4ac&artikel=10l&z=2023-01-01&g=2023-01-01), de gegevens en inlichtingen, bedoeld in artikel 10j, derde, vierde, vijfde en zesde lid, uiterlijk op 31 januari van het jaar dat volgt op het kalenderjaar waarin de verkoper is aangemerkt als een te rapporteren verkoper tevens aan de te rapporteren verkoper waarop die gegevens en inlichtingen betrekking hebben.
##### Artikel 10p
Elke rapporterende financiële instelling als bedoeld in [artikel 2a, eerste lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003954&hoofdstuk=I&artikel=2a&z=2023-01-01&g=2023-01-01), intermediair als bedoeld in [artikel 10h, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003954&hoofdstuk=II&afdeling=4ab&artikel=10h&z=2023-01-01&g=2023-01-01), of rapporterende platformexploitant als bedoeld in de [artikelen 10j, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003954&hoofdstuk=II&afdeling=4ac&artikel=10j&z=2023-01-01&g=2023-01-01), of [10l, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003954&hoofdstuk=II&afdeling=4ac&artikel=10l&z=2023-01-01&g=2023-01-01), is gehouden:
- a. elke betrokken natuurlijke persoon in kennis te stellen van het feit dat de hem betreffende gegevens en inlichtingen op grond van deze wet en de daarop berustende bepalingen zullen worden verzameld en gerapporteerd, en
- b. elke betrokken natuurlijke persoon tijdig en, in elk geval, voordat de gegevens en inlichtingen worden gerapporteerd, alle gegevens en inlichtingen te verstrekken waarop hij op grond van [Verordening (EU) 2016/679](32579R2016) van de rapporterende financiële instelling, intermediair of rapporterende platformexploitant recht heeft, zodat die natuurlijke persoon zijn rechten inzake gegevensbescherming kan uitoefenen.
##### Artikel 10q
1. Indien een gegevensinbreuk in Nederland plaatsvindt, meldt Onze Minister die inbreuk en alle daaropvolgende corrigerende maatregelen onverwijld aan de Europese Commissie.
2. Indien de gegevensinbreuk niet onmiddellijk en op passende wijze onder controle kan worden gebracht, verzoekt Onze Minister de Europese Commissie schriftelijk om een schorsing van de toegang tot het CCN-netwerk voor de toepassing van deze wet.
3. Onze Minister kan de uitwisseling van inlichtingen met een lidstaat waar een gegevensinbreuk heeft plaatsgevonden schorsen door de Europese Commissie en de betrokken lidstaat daarvan schriftelijk in kennis te stellen. Een dergelijke schorsing wordt onmiddellijk van kracht.
### Afdeling 6. Algemene bepalingen
### Hoofdstuk III. Vormen van door Nederland te ontvangen bijstand
### Afdeling 1. Verzoeken om bijstand
### Afdeling 2. Automatisch en spontaan verkregen inlichtingen
### Afdeling 3. Onderzoek in het kader van verzoeken om bijstand
### Afdeling 3a. Gezamenlijke audits
### Afdeling 4. Algemene bepalingen
### Hoofdstuk IIIA. **Overgangsrecht**
### Hoofdstuk IV. Slotbepaling
Lasten en bevelen dat deze in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
##### Artikel 10bis
1. Onze Minister kan door de bevoegde autoriteit van een of meer verzoekende lidstaten worden verzocht een gezamenlijke audit uit te voeren.
2. Onze Minister reageert op het verzoek binnen een termijn van 60 dagen na ontvangst van dat verzoek. Onze Minister kan het verzoek om gemotiveerde redenen verwerpen.
3. Een gezamenlijke audit die in Nederland plaatsvindt, wordt uitgevoerd op een vooraf door Onze Minister en de bevoegde autoriteit van een of meer verzoekende lidstaten overeengekomen en gecoördineerde wijze, met inbegrip van taalregelingen, en in overeenstemming met de Nederlandse wetgeving en de in Nederland geldende procedures.
4. Onverminderd het derde lid:
- a. kunnen de door de bevoegde autoriteit van een of meer verzoekende lidstaten gemachtigde ambtenaren, in samenspraak met de ambtenaren van de rijksbelastingdienst of andere ambtenaren die belast zijn met de heffing van belastingen, personen ondervragen en bescheiden onderzoeken;
- b. wordt bewijsmateriaal dat tijdens de activiteiten van een gezamenlijke audit is verzameld, ook wat betreft de toelaatbaarheid daarvan, beoordeeld onder dezelfde juridische voorwaarden als in het geval dat de audit alleen in Nederland was uitgevoerd;
- c. heeft een persoon die aan een gezamenlijke audit wordt onderworpen of erdoor wordt geraakt, dezelfde rechten en plichten als in het geval dat de audit alleen in Nederland was uitgevoerd.
5. Onze Minister wijst een vertegenwoordiger aan die voor Nederland wordt belast met het toezicht op en de coördinatie van de activiteiten van een gezamenlijke audit in Nederland.
6. De rechten en plichten van door de bevoegde autoriteit van een of meer verzoekende lidstaten gemachtigde ambtenaren die deelnemen aan een gezamenlijke audit in Nederland worden, in geval van hun aanwezigheid bij die activiteiten, vastgesteld overeenkomstig de Nederlandse wetgeving. De ambtenaren zijn gehouden aan de Nederlandse wetgeving en oefenen in ieder geval geen bevoegdheden uit die verder gaan dan de bevoegdheden die aan hen krachtens de wetgeving van hun lidstaat zijn verleend.
##### Artikel 10ter
1. Indien wordt overgegaan tot een gezamenlijke audit als bedoeld in [artikel 10bis, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003954&hoofdstuk=II&afdeling=4bis&artikel=10bis&z=2024-01-01&g=2024-01-01), streeft Onze Minister ernaar met de bevoegde autoriteit van een of meer verzoekende lidstaten overeenstemming te bereiken over:
- a. de feiten en omstandigheden die relevant zijn voor de gezamenlijke audit; en
- b. de fiscale positie van de geauditeerde persoon op basis van de resultaten van de gezamenlijke audit.
2. De bevindingen van de gezamenlijke audit worden opgenomen in een eindverslag.
3. In het eindverslag worden ook de punten opgenomen waarover Onze Minister en de bevoegde autoriteit van een of meer verzoekende lidstaten het eens zijn. Deze punten worden in aanmerking genomen bij de relevante instrumenten die Onze Minister naar aanleiding van de gezamenlijke audit kan uitvaardigen.
4. De geauditeerde persoon wordt binnen zestig dagen na het uitbrengen van het eindverslag in kennis gesteld van het resultaat van de gezamenlijke audit en krijgt een kopie van dat eindverslag.
5. De handelingen die Onze Minister verricht naar aanleiding van een gezamenlijke audit, alsmede eventuele verdere procedures, vinden plaats overeenkomstig de Nederlandse wetgeving.
### Afdeling 4ac. Verplichtingen ten behoeve van de verzameling en verificatie van inlichtingen over verkopers door rapporterende platformexploitanten en de rapportage daarvan
### Afdeling 1. Verzoeken om bijstand
### Afdeling 2. Automatisch en spontaan verkregen inlichtingen
### Afdeling 3a. Gezamenlijke audits
##### Artikel 27a
Onze Minister kan de bevoegde autoriteit van een lidstaat verzoeken een gezamenlijke audit uit te voeren.
### Afdeling 4. Algemene bepalingen
### Hoofdstuk IIIA. **Overgangsrecht**
### Hoofdstuk IV. Slotbepaling
Lasten en bevelen dat deze in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
2002-01-01
Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belas
original version
Tekst op deze datum