← Geldende tekst · Geschiedenis

Wet van 3 juli 1989, houdende administratiefrechtelijke afdoening van inbreuken op bepaalde verkeersvoorschriften

Geldende tekst a fecha 2004-07-01

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is regels vast te stellen om op zichzelf niet ernstige gedragingen in strijd met verkeersvoorschriften, gesteld bij of krachtens de Wegenverkeerswet en enkele andere wetten, in plaats van op strafrechtelijke wijze op administratiefrechtelijke wijze af te kunnen doen;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Hoofdstuk I. Begripsbepalingen

Artikel 1
1.

In deze wet wordt verstaan onder:

Onze Minister: Onze Minister van Justitie;

motorrijtuig, kenteken en rijbewijs: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994;

bestuurder: alle weggebruikers behalve voetgangers;

kentekenregister: het register, bedoeld in artikel 42 van de Wegenverkeerswet 1994;

gedraging: een gedraging als bedoeld in artikel 2, eerste lid;

administratieve sanctie: de aan de Staat te betalen geldsom, bedoeld in artikel 2;

adres: aanduiding van straatnaam, huisnummer, plaatsnaam en postcode van het woonhuis van de betrokkene.

2.

In deze wet wordt mede verstaan onder:

bestuurder: degene die wordt geacht een motorrijtuig onder zijn onmiddellijk toezicht te doen besturen;

kenteken: het kenteken waaronder een motorrijtuig in het buitenland is geregistreerd, het registratienummer, vermeld op het registratiebewijs, afgegeven voor een motorrijtuig gebezigd ten behoeve van de strijdkrachten, alsmede enig ander registratienummer waaronder een motorrijtuig in Nederland mag worden geregistreerd;

kentekenregister: een buitenlands register betreffende aldaar geregistreerde motorrijtuigen, de registratie betreffende motorrijtuigen gebezigd ten behoeve van de strijdkrachten, bijgehouden door Onze Minister van Defensie, alsmede enig andere registratie betreffende motorrijtuigen, waarvan de houder gerechtigd is deze in Nederland te voeren;

rijbewijs: een door het bevoegde gezag in het buitenland afgegeven rijbewijs, alsmede een door het militaire gezag afgegeven rijbewijs.

Hoofdstuk II. Toepassingsgebied van de wet

Artikel 2
1.

Ter zake van de in de bijlage bij deze wet omschreven gedragingen die in strijd zijn met op het verkeer betrekking hebbende voorschriften gesteld bij of krachtens de Wegenverkeerswet 1994, de Provinciewet of de Gemeentewet (Stb. 1992, 96), worden op de wijze bij deze wet bepaald administratieve sancties opgelegd. Voorzieningen van strafrechtelijke of strafvorderlijke aard zijn uitgesloten.

2.

Als gedragingen in de zin van het eerste lid worden niet beschouwd die gedragingen waarbij letsel aan personen is ontstaan of schade aan goederen is toegebracht.

3.

Voor elke gedraging bepaalt de in het eerste lid bedoelde bijlage de aan de Staat te betalen geldsom. Deze geldsom kan niet meer zijn dan € 340 per gedraging.

4.

De in het derde lid bedoelde geldsom wordt voor personen die ten tijde van de gedraging nog geen zestien jaar oud waren, gehalveerd.

5.

De in het eerste lid bedoelde bijlage kan bij algemene maatregel van bestuur worden gewijzigd. Deze algemene maatregel van bestuur treedt niet eerder in werking dan vier weken na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin hij is geplaatst. Van de plaatsing wordt onverwijld mededeling gedaan aan de beide kamers der Staten-Generaal.

6.

Een algemene maatregel van bestuur, als bedoeld in het vijfde lid, wordt vastgesteld op voordracht van Onze Minister en Onze Minister van Verkeer en Waterstaat.

Hoofdstuk III. Administratieve sanctie

Artikel 3
1.

Met het toezicht op de naleving van de in artikel 2, eerste lid, bedoelde voorschriften zijn belast de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen ambtenaren.

2.

De in het eerste lid bedoelde ambtenaren zijn bevoegd tot het opleggen van een administratieve sanctie ter zake van de door hen of op geautomatiseerde wijze vastgestelde gedragingen aan personen die de leeftijd van twaalf jaren hebben bereikt.

3.

De officier van justitie in het arrondissement waar de in het eerste lid bedoelde ambtenaren optreden, houdt toezicht op de wijze waarop zij van de hun verleende bevoegdheid gebruik maken. Hij kan daaromtrent beleidsregels vaststellen. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent het toezicht op de wijze waarop de in het eerste lid bedoelde ambtenaren van de hun verleende bevoegdheid gebruik maken en de intrekking van die bevoegdheid.

4.

Het College van procureurs-generaal houdt toezicht op de bij deze wet geregelde handhaving van verkeersvoorschriften. Het geeft daartoe bevelen aan de hoofden van de arrondissementsparketten.

Artikel 4
1.

De administratieve sanctie wordt opgelegd bij een gedagtekende beschikking. De beschikking bevat een korte omschrijving, onder verwijzing naar de aanduiding in de bijlage, van de gedraging ter zake waarvan zij is gegeven en het voor die gedraging bepaalde bedrag van de administratieve sanctie, de datum en het tijdstip waarop, alsmede de plaats waar de gedraging is geconstateerd. Bij ministeriële regeling worden het model van de beschikking en dat van de aankondiging van de beschikking vastgesteld, of de eisen waaraan het model moet voldoen.

2.

Zo mogelijk wordt aanstonds een aankondiging van de beschikking uitgereikt aan degene tot wie zij zich richt, of wordt deze achtergelaten in of aan het motorrijtuig. De bekendmaking van de beschikking geschiedt binnen vier maanden nadat de gedraging heeft plaatsgevonden, door toezending van de beschikking aan het adres dat betrokkene heeft opgegeven of, indien dat niet mogelijk is en de gedraging heeft plaatsgevonden met of door middel van een motorrijtuig waarvoor een kenteken is opgegeven, aan het adres dat is opgenomen in het kentekenregister. Indien de brief onbestelbaar blijkt te zijn, wordt de beschikking gezonden naar het in de basisadministratie persoonsgegevens vermelde adres, tenzij dit hetzelfde is als hetgeen is opgenomen in het kentekenregister. Indien de brief ook op het in de basisadministratie persoonsgegevens opgenomen adres onbestelbaar blijkt te zijn, wordt de beschikking geacht aan de betrokkene bekend te zijn.

3.

In een geval als bedoeld in artikel 31, eerste lid, geschiedt de bekendmaking door uitreiking van de beschikking aan betrokkene. De weigering de beschikking in ontvangst te nemen, schort de bekendmaking daarvan niet op.

4.

De beschikking vermeldt de dag waarop krachtens artikel 23 de sanctie uiterlijk moet zijn voldaan. Tevens vermeldt de beschikking dat de sanctie dient te worden voldaan door middel van de toegezonden acceptgiro dan wel op een in die beschikking aangeduide plaats, alsmede de verhogingen die krachtens artikel 23, tweede lid, en artikel 25 op de administratieve sanctie vallen, indien deze niet tijdig wordt voldaan.

Artikel 5

Indien is vastgesteld dat de gedraging heeft plaatsgevonden met of door middel van een motorrijtuig waarvoor een kenteken is opgegeven, en niet aanstonds is vastgesteld wie daarvan de bestuurder is, wordt, onverminderd het bepaalde in artikel 31, tweede lid, de administratieve sanctie opgelegd aan degene op wiens naam het kenteken ten tijde van de gedraging in het kentekenregister was ingeschreven. Daarbij wordt hij gewezen op het bepaalde in artikel 8.

Artikel 5a

Indien is vastgesteld dat de gedraging heeft plaatsgevonden met of door middel van een motorrijtuig, waarmee een aanhangwagen waarvoor een kenteken is vereist, wordt voortbewogen, en niet aanstonds is vastgesteld wie daarvan de bestuurder is, wordt, onverminderd het bepaalde in artikel 31, tweede lid, de administratieve sanctie opgelegd aan degene op wiens naam het kenteken van het motorrijtuig ten tijde van de gedraging in het kentekenregister was ingeschreven. Indien het kenteken van het motorrijtuig niet is vastgesteld, wordt, onverminderd het bepaalde in artikel 31, tweede lid, de administratieve sanctie opgelegd aan degene op wiens naam het kenteken van de aanhangwagen ten tijde van de gedraging in het kentekenregister was ingeschreven. In beide gevallen wordt hij gewezen op het bepaalde in artikel 8.

Hoofdstuk IV. Administratief beroep en bezwaar bij de officier van justitie

Artikel 6
1.

Tegen de oplegging van de administratieve sanctie kan degene tot wie de beschikking is gericht, beroep instellen bij de officier van justitie in het arrondissement waar de gedraging is verricht. Indien niet kan worden vastgesteld in welk arrondissement de gedraging is verricht, kan beroep worden ingesteld bij de officier van justitie in het arrondissement van de woonplaats van de betrokkene.

2.

Onverminderd artikel 6:5 van de Algemene wet bestuursrecht vermeldt het beroepschrift de geboortedatum, de geboorteplaats en het geboortejaar van degene die het beroep heeft ingesteld, en het nummer van zijn giro- of bankrekening, indien hij die heeft.

Artikel 7
2.

In afwijking van artikel 7:16, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht stelt de officier van justitie slechts de indiener van het beroepschrift in de gelegenheid te worden gehoord.

Artikel 8

De officier van justitie vernietigt de beschikking indien, in het geval van artikel 5 onderscheidenlijk artikel 5a, degene op wiens naam het kenteken in het kentekenregister is ingeschreven:

In de onder a, b en c bedoelde gevallen is de officier van justitie bevoegd tot het opleggen van een administratieve sanctie aan degene die de gedraging heeft verricht of aan degene die de huurder van het motorrijtuig onderscheidenlijk de aanhangwagen was, dan wel aan degene aan wie het motorrijtuig onderscheidenlijk de aanhangwagen werd overgedragen. De artikelen 4, 6 en 7 zijn alsdan van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de beschikking uiterlijk binnen acht maanden nadat de gedraging heeft plaatsgevonden wordt bekendgemaakt.

Hoofdstuk V. Beroep bij de kantonrechter van de rechtbank

Artikel 9
1.

Tegen de beslissing van de officier van justitie kan degene die administratief beroep heeft ingesteld, beroep instellen bij de rechtbank; het beroep wordt behandeld en beslist door de kantonrechter. In afwijking van artikel 6:4, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, wordt het beroepschrift ingediend bij de officier van justitie die ingevolge artikel 6, eerste lid, op het administratief beroep heeft beslist. Hoofdstuk 8 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.

2.

Het beroep kan worden ingesteld ter zake dat:

3.

Artikel 6, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 10

De officier van justitie brengt het beroepschrift en de op de zaak betrekking hebbende stukken ter kennis van de rechtbank van het arrondissement waarin de gedraging is verricht, dan wel, in het geval bedoeld in artikel 6, eerste lid, tweede volzin, bij de rechtbank van het arrondissement waarin de woonplaats van de betrokkene is gelegen.

Artikel 11
1.

Het beroepschrift en de op de zaak betrekking hebbende stukken worden door de officier van justitie aan de rechtbank ter kennis gebracht binnen zes weken nadat de indiener zekerheid heeft gesteld voor de betaling van de sanctie, dan wel nadat de termijn daarvoor is verstreken.

2.

Indien de officier van justitie geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift tegemoetgekomen is, kan de in het eerste lid bedoelde termijn zonodig met vier weken worden verlengd.

3.

De zekerheid wordt door de indiener bij het Centraal Justitieel Incassobureau te Leeuwarden, bedoeld in artikel 1 van het Besluit Instelling Centraal Justitieel Incassobureau, gesteld, hetzij door middel van de aan betrokkene toegezonden accept-giro, hetzij anderszins door storting op de rekening van het Centraal Justitieel Incassobureau. De officier van justitie wijst de indiener van het beroepschrift na de ontvangst ervan op de verplichting tot zekerheidstelling en deelt hem mee dat de zekerheidstelling dient te geschieden binnen twee weken na de dag van verzending van zijn mededeling. Indien de zekerheidstelling niet binnen deze termijn is geschied, wordt het beroep door de kantonrechter niet-ontvankelijk verklaard, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

4.

Alle op een beroepschrift betrekking hebbende stukken worden, indien zekerheidstelling heeft plaatsgevonden, nedergelegd ter griffie van de rechtbank. Hiervan wordt door de griffier mededeling gedaan aan degene die het beroep heeft ingesteld. De betrokkene of zijn gemachtigde kan binnen een door de kantonrechter bepaalde en aan hem door de griffier medegedeelde termijn, deze stukken inzien en daarvan afschriften of uittreksels vragen. Op de voor de verstrekking van afschriften en uittreksels aan de betrokkene of zijn gemachtigde in rekening te brengen vergoedingen is het ter zake bepaalde bij of krachtens de Wet tarieven in burgerlijke zaken van overeenkomstige toepassing.

Artikel 12
1.

De kantonrechter stelt, alvorens te beslissen, partijen in de gelegenheid om op een door de kantonrechter bepaalde dag en uur op een openbare zitting hun zienswijze nader toe te lichten. Zij worden daartoe door de griffier opgeroepen. De oproep aan degene die het beroep heeft ingesteld wordt gericht aan het in het beroepschrift vermelde adres.

2.

Degene die het beroep heeft ingesteld, kan zich ter zitting doen bijstaan of doen vertegenwoordigen door een advocaat of door een daartoe schriftelijk door hem gemachtigde.

3.

Ter zitting kunnen getuigen en deskundigen worden meegebracht, ten einde door de kantonrechter te worden gehoord. Deze kan ambtshalve of op verzoek ook andere personen als getuige of deskundige horen.

4.

De kantonrechter kan bevelen, dat getuigen niet zullen worden gehoord en tolken niet tot de uitoefening van hun taak zullen worden toegelaten dan na het afleggen van de eed of belofte.

5.

Zij leggen in dat geval ten overstaan van hem de eed of belofte af; de getuigen: dat zij zullen zeggen de gehele waarheid en niets dan de waarheid; de tolken: dat zij hun plichten als tolk met nauwkeurigheid zullen vervullen. De deskundigen zijn verplicht hun taak onpartijdig en naar beste weten te verrichten.

Artikel 12a

Titel IV van het Vierde Boek van het Wetboek van Strafvordering is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 13
1.

Indien de kantonrechter bevindt dat het beroep ontvankelijk is en dat de beslissing van de officier van justitie niet of niet ten volle gehandhaafd kan worden, verklaart de kantonrechter het beroep geheel of gedeeltelijk gegrond en vernietigt of wijzigt het daarbij de bestreden beslissing.

2.

De beslissing van de kantonrechter is met redenen omkleed en wordt hetzij terstond, hetzij uiterlijk veertien dagen nadien, op een openbare zitting uitgesproken.

3.

De beslissing wordt in het proces-verbaal der zitting aangetekend. De aantekening bevat de gronden waarop de beslissing berust. Een afschrift van de aantekening van de beslissing wordt toegezonden aan partijen.

Artikel 13a
1.

De kantonrechter is bij uitsluiting bevoegd een partij te veroordelen in de kosten die een andere partij in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank, en van het bezwaar of van het administratief beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De artikelen 7:15, tweede tot en met vierde lid, en 7:28, tweede lid, eerste volzin, derde en vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht zijn van toepassing. Een natuurlijke persoon kan slechts in de kosten worden veroordeeld in geval van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht. Het Besluit proceskosten bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing.

2.

In geval van een veroordeling in de kosten ten behoeve van een partij aan wie ter zake van het beroep op de kantonrechter, het bezwaar of het administratief beroep een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, wordt het bedrag van de kosten betaald aan de griffier. Artikel 243 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is van overeenkomstige toepassing.

3.

In geval van een veroordeling in de kosten ten behoeve van de indiener van het beroepschrift worden de kosten door de Staat der Nederlanden vergoed.

Artikel 13b
1.

In geval van intrekking van het beroep omdat de officier van justitie geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de officier van justitie op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 13a in de kosten worden veroordeeld. Het verzoek wordt gedaan tegelijk met de intrekking van het beroep. Indien aan dit vereiste niet is voldaan, wordt het verzoek niet-ontvankelijk verklaard. Het verzoek wordt bij de officier van justitie ingediend.

2.

De kantonrechter stelt de verzoeker zo nodig in de gelegenheid het verzoek schriftelijk toe te lichten en stelt de officier van justitie in de gelegenheid een verweerschrift in te dienen. Hij stelt hiervoor termijnen vast. Indien het verzoek mondeling wordt gedaan, kan de kantonrechter bepalen dat het toelichten van het verzoek en het voeren van verweer onmiddellijk mondeling geschieden.

3.

Indien het toelichten van het verzoek en het voeren van verweer mondeling zijn geschied, sluit de kantonrechter het onderzoek.

4.

Indien het verzoek schriftelijk wordt toegelicht, nodigt de kantonrechter partijen uit ter zitting te verschijnen. Indien partijen daarvoor toestemming hebben gegeven, kan de kantonrechter bepalen dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft. De kantonrechter kan ook ambtshalve besluiten het verzoek buiten zitting af te doen. De kantonrechter sluit vervolgens het onderzoek.

Hoofdstuk VI. Hoger beroep bij het gerechtshof te Leeuwarden

Artikel 14
1.

Degene die bij de rechtbank beroep heeft ingesteld, alsmede de officier van justitie, kunnen tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Leeuwarden, tenzij de opgelegde administratieve sanctie bij die beslissing niet meer bedraagt dan € 70.

2.

Eveneens kan degene die bij de rechtbank beroep heeft ingesteld doch daarin met toepassing van het bepaalde in artikel 11, derde lid, niet-ontvankelijk is verklaard, tegen die beslissing hoger beroep instellen op de grond dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat de zekerheid niet dan wel niet tijdig is gesteld dan wel ten onrechte niet heeft geoordeeld dat de indiener redelijkerwijs niet geacht kan worden in verzuim te zijn geweest.

Artikel 15
1.

In afwijking van artikel 6:4 van de Algemene wet bestuursrecht geschiedt het instellen van hoger beroep door het indienen van een beroepschrift bij de rechtbank van de kantonrechter tegen wiens beslissing het beroep is gericht.

2.

Nadat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, zendt de griffier van de rechtbank het ingekomen beroepschrift met de stukken van het geding en een afschrift van de beslissing onverwijld ter griffie van het gerechtshof te Leeuwarden in.

Artikel 16
1.

Het gerechtshof beslist, behoudens het bepaalde in het tweede lid, in enkelvoudige kamers.

2.

De oudste in rang van de voorzitters van de meervoudige kamers regelt de verdeling van de werkzaamheden over de kamers. Indien de voorzitter de zaak niet vatbaar acht voor afdoening door een enkelvoudige kamer, wijst hij voor de behandeling van de zaak de meervoudige kamer aan.

3.

De voorzitter is bevoegd een reeds door een meervoudige kamer in behandeling genomen zaak op voordracht van die kamer te verwijzen naar een enkelvoudige kamer.

4.

Een enkelvoudige kamer kan een zaak in iedere stand van het geding naar een meervoudige kamer verwijzen.

Artikel 17

De artikelen 512 tot en met 518 van het Wetboek van Strafvordering zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 17a

Vervallen

Artikel 18
1.

Nadat het hoger beroep is ingesteld treedt de advocaat-generaal van het ressortsparket te Leeuwarden als partij in de plaats van de officier van justitie.

2.

De officier van justitie verstrekt de advocaat-generaal van het ressortsparket te Leeuwarden de nodige inlichtingen.

Artikel 19
1.

De griffier van het gerechtshof zendt een door hem voor eensluidend getekend afschrift van het beroepschrift onverwijld toe aan degene, die mede tot het instellen van hoger beroep gerechtigd was.

2.

Deze kan binnen vier weken nadat het afschrift is verzonden, bij het gerechtshof een ondertekend verweerschrift indienen.

3.

De griffier van het gerechtshof zendt een door hem voor eensluidend getekend verweerschrift onverwijld aan degene die hoger beroep heeft ingesteld. Deze kan binnen twee weken nadat het afschrift van het verweerschrift is verzonden schriftelijk een nadere toelichting geven op zijn beroep. Indien een nadere toelichting gegeven wordt, stelt het gerechtshof de in het eerste lid bedoelde persoon in de gelegenheid hierop eveneens binnen twee weken te reageren.

4.

Partijen kunnen afschriften van of uittreksels uit door hen omschreven stukken verkrijgen. Op de voor de verstrekking van afschriften of uittreksels in rekening te brengen vergoedingen is het bij of krachtens de Wet tarieven in burgerlijke zaken bepaalde van overeenkomstige toepassing.

Artikel 20

Het gerechtshof kan partijen en zonodig getuigen en deskundigen opdragen binnen een bepaalde termijn schriftelijk inlichtingen te geven of onder hen berustende stukken in te zenden.

Artikel 20a
1.

Een partij kan schriftelijk verzoeken om een behandeling ter zitting. Zodanig verzoek wordt ingediend bij het beroepschrift of, indien een verweerschrift is ingediend, uiterlijk binnen twee weken na verzending daarvan door het gerechtshof aan de wederpartij.

2.

De voorzitter van de kamer die de zaak in behandeling heeft bepaalt dag en uur van de behandeling ter zitting.

3.

De zitting is openbaar.

Artikel 20b

Indien de zaak op een zitting zal worden behandeld worden de stukken van het geding neergelegd ter griffie van het gerechtshof. Hiervan wordt door de griffier mededeling gedaan aan partijen, onder vermelding van de termijn waarbinnen deze stukken aldaar kunnen worden ingezien en dat daarvan afschriften of uittreksels kunnen worden gevraagd. Op de voor de verstrekking van afschriften of uittreksels in rekening te brengen vergoedingen is het bij of krachtens de Wet tarieven in burgerlijke zaken bepaalde van overeenkomstige toepassing.

Artikel 20c
1.

Indien de zaak op een zitting zal worden behandeld worden partijen uitgenodigd ter zitting. De oproep aan degene die hoger beroep heeft ingesteld wordt gericht aan het adres opgegeven in het beroepschrift in hoger beroep dan wel, in geval de officier van justitie hoger beroep heeft ingesteld, aan het door de betrokkene in het verweerschrift of in het beroepschrift bij de rechtbank opgegeven adres.

2.

Degene aan wie de administratieve sanctie is opgelegd, kan zich ter zitting laten bijstaan of zich door een gemachtigde laten vertegenwoordigen.

3.

Ter zitting kunnen getuigen of deskundigen worden meegebracht ten einde door het gerechtshof te worden gehoord. Het gerechtshof kan ambtshalve of op verzoek ook andere personen als getuige of deskundige horen.

4.

Het gerechtshof kan bevelen dat getuigen niet zullen worden gehoord en tolken niet tot de uitoefening van hun taak zullen worden toegelaten dan na het afleggen van de eed of belofte.

5.

Ze leggen in dat geval ten overstaan van de voorzitter de eed of belofte af;

de getuigen: dat zij zullen zeggen de gehele waarheid en niets dan de waarheid;

de tolken: dat zij hun plichten als tolk met nauwkeurigheid zullen vervullen.

De deskundigen zijn verplicht hun taak onpartijdig en naar beste weten te vervullen.

6.

Van het verhandelde ter zitting wordt proces-verbaal opgemaakt, hetwelk door de voorzitter en de griffier wordt vastgesteld en ondertekend.

Artikel 20d
1.

Indien het gerechtshof het beroepschrift ontvankelijk acht, bevestigt het gerechtshof de beslissing van de kantonrechter, hetzij met overneming, hetzij met verbetering van de gronden, of doet het, met gehele of gedeeltelijke vernietiging van de bestreden beslissing van de kantonrechter, hetgeen de kantonrechter zou behoren te doen.

2.

Indien de beslissing van de kantonrechter moet worden vernietigd op de in artikel 14, tweede lid, genoemde grond wijst het gerechtshof de zaak terug naar de rechtbank, tenzij door betrokkene de behandeling van het beroep door het gerechtshof zelf is verlangd. In geval van terugwijzing doet de kantonrechter recht met inachtneming van het arrest van het gerechtshof.

3.

Het arrest van het gerechtshof is met redenen omkleed. Het wordt op een openbare zitting uitgesproken. Indien de zaak ter zitting is behandeld wordt het arrest aangetekend in het proces-verbaal van die zitting en wordt het uiterlijk veertien dagen na de sluiting van het onderzoek ter zitting uitgesproken. Indien de zaak niet ter zitting is behandeld wordt het arrest op een door de voorzitter te bepalen dag uiterlijk zes weken nadat de laatste van de in artikel 19 bedoelde termijnen is verstreken uitgesproken.

4.

De artikelen 13a en 13b zijn van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van de laatste volzin van artikel 13b, eerste lid.

5.

Een afschrift van het arrest wordt toegezonden aan partijen.

Hoofdstuk VII. Vervallen zekerheidstelling

Artikel 21
1.

De verplichting tot zekerheidstelling vervalt nadat ten aanzien van de opgelegde administratieve sanctie een onherroepelijke beslissing is genomen.

2.

Indien de in het eerste lid bedoelde beslissing inhoudt dat de opgelegde administratieve sanctie geheel of gedeeltelijk blijft gehandhaafd, wordt de verschuldigde administratieve sanctie op de zekerheidstelling verhaald.

Hoofdstuk VIII. De inning van de administratieve sanctie

Artikel 22
1.

Met de inning van de administratieve sancties is de officier van justitie belast.

2.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden omtrent de inning voorschriften gegeven. Deze voorschriften hebben in ieder geval betrekking op de plaats en wijze van betaling van de administratieve sanctie, de verantwoording van de ontvangen geldbedragen, alsmede op de kosten van verhaal, de invorderingskosten daaronder begrepen.

Artikel 23
1.

Uiterlijk binnen twee weken nadat een beschikking waarbij een administratieve sanctie is opgelegd, onherroepelijk is geworden, moet de administratieve sanctie zijn voldaan.

2.

De sanctie wordt van rechtswege met vijfentwintig procent, doch ten minste € 4, verhoogd indien deze niet tijdig geheel wordt voldaan.

Artikel 24

Degene aan wie een administratieve sanctie is opgelegd, is tot betaling van het ingevolge artikel 23 verhoogde bedrag verplicht binnen vier weken nadat de officier van justitie hem over de gewone post een aanmaning heeft toegezonden.

Artikel 25
1.

Indien degene aan wie een administratieve sanctie is opgelegd nalatig blijft de sanctie en de daarop gevallen verhoging geheel te voldoen binnen de in de aanmaning gestelde termijn van vier weken, wordt het inmiddels verschuldigde bedrag van rechtswege verder verhoogd met vijftig procent van het bedrag van de sanctie en de daarop inmiddels gevallen verhoging, doch ten minste € 11, en kan door de officier van justitie verhaal worden genomen op de goederen, de inkomsten en het vermogen van degene aan wie een administratieve sanctie is opgelegd, overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 26 en 27.

2.

Door de officier van justitie kan verhaal worden genomen gedurende twee jaar nadat ten aanzien van de administratieve sanctie een onherroepelijke beslissing is genomen.

3.

Het recht om verhaal te nemen vervalt door het overlijden van degene aan wie een administratieve sanctie is opgelegd.

Artikel 26
1.

Verhaal op de goederen van degene aan wie de administratieve sanctie is opgelegd geschiedt krachtens een dwangbevel, medebrengende het recht om die goederen zonder vonnis aan te tasten.

2.

Het dwangbevel wordt in naam des Konings uitgevaardigd door de officier van justitie in het arrondissement Leeuwarden. Het wordt ten uitvoer gelegd als een vonnis van de burgerlijke rechter.

3.

Tegen de tenuitvoerlegging van het dwangbevel kan verzet worden gedaan, hetwelk niet gericht zal kunnen zijn tegen de beslissing waarbij de administratieve sanctie werd opgelegd. Verzet wordt gedaan bij een met redenen omkleed verzetschrift. Het verzetschrift wordt binnen twee weken na de betekening van het dwangbevel ingediend bij de rechtbank van het arrondissement waar het adres is van degene aan wie de administratieve sanctie is opgelegd. Wordt binnen twee weken na de betekening tot inbeslagneming overgegaan, dan wordt het verzetschrift binnen een week na de dag van inbeslagneming ingediend. Bij het verzetschrift worden het dwangbevel en een afschrift van het exploit van betekening van het dwangbevel overgelegd.

4.

Degene aan wie de administratieve sanctie is opgelegd, is een griffierecht verschuldigd. De griffier wijst de indiener van het verzetschrift op de verschuldigdheid van het griffierecht en deelt hem mee dat het verschuldigde bedrag binnen twee weken na de dag van verzending van zijn mededeling dient te zijn bijgeschreven op de rekening van de rechtbank dan wel ter griffie te zijn gestort. Indien het bedrag niet binnen deze termijn is bijgeschreven of gestort, wordt het verzet niet-ontvankelijk verklaard, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

5.

Indien de in het derde lid bedoelde stukken niet zijn overgelegd, deelt de griffier de indiener van het verzetschrift mee dat deze stukken binnen twee weken na de dag van verzending van zijn mededeling ter griffie dienen te zijn overgelegd. Indien dit laatste niet binnen deze termijn is geschied, wordt het verzet niet-ontvankelijk verklaard, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

6.

De griffier brengt het verzetschrift en de daarop betrekking hebbende stukken ter kennis van de officier van justitie in het arrondissement Leeuwarden, ten einde hem in de gelegenheid te stellen daarover de nodige opmerkingen te maken. De officier van justitie stelt de betrokken gerechtsdeurwaarder ervan in kennis dat verzet is gedaan. De kantonrechter geeft zo spoedig mogelijk na afloop van deze termijn, na zo nodig degene aan wie de administratieve sanctie is opgelegd te hebben gehoord, althans opgeroepen om te verschijnen, zijn met redenen omklede beschikking, welke onverwijld aan degene die het verzet heeft gedaan en aan de officier van justitie in het arrondissement Leeuwarden wordt medegedeeld. De artikelen 13a en 13b zijn van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van de laatste volzin van artikel 13b, eerste lid.

7.

Indien de kantonrechter het verzet gegrond oordeelt, houdt de beschikking tevens in dat aan de indiener van het verzetschrift het door hem betaalde griffierecht wordt vergoed door de griffier. In de overige gevallen kan de kantonrechter bepalen dat het betaalde griffierecht wordt vergoed.

8.

Ten aanzien van derden die bij een inbeslagneming van goederen daarop geheel of gedeeltelijk recht menen te hebben, zijn de bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van toepassing.

9.

De kosten van het verhaal krachtens dit artikel worden op gelijke voet als de administratieve sanctie op degene aan wie deze sanctie is opgelegd verhaald. Onder de kosten van het verhaal zijn begrepen de invorderingskosten.

Artikel 26a
1.

De officier van justitie in het arrondissement Leeuwarden, alsmede degene aan wie de administratieve sanctie is opgelegd, kunnen tegen de beschikking van de kantonrechter binnen twee weken na de verzending van de mededeling van de beschikking van de kantonrechter hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Leeuwarden. Het beroepschrift wordt ingediend bij de griffie van de rechtbank die de beschikking heeft gegeven.

2.

Degene aan wie de administratieve sanctie is opgelegd, is in zijn beroep slechts ontvankelijk na voorafgaande zekerheidstelling van het nog verschuldigde bedrag en van al de kosten. De zekerheid wordt gesteld bij het Centraal Justitieel Incassobureau te Leeuwarden, bedoeld in artikel 1 van het Besluit Instelling Centraal Justitieel Incassobureau, door storting op de rekening van het Centraal Justitieel Incassobureau. De griffier van de rechtbank wijst de indiener van het beroepschrift op de verplichting tot zekerheidstelling en deelt hem mee dat de zekerheidstelling dient te geschieden binnen twee weken na de dag van verzending van zijn mededeling. Indien de zekerheidstelling niet binnen deze termijn is geschied, wordt het beroep niet-ontvankelijk verklaard, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

3.

Degene aan wie de administratieve sanctie is opgelegd, is eveneens een griffierecht verschuldigd. De griffier van de rechtbank wijst de indiener van het beroepschrift op de verschuldigdheid van het griffierecht en deelt hem mee dat het verschuldigde bedrag binnen twee weken na de dag van verzending van zijn mededeling dient te zijn bijgeschreven op de rekening van de rechtbank dan wel ter griffie te zijn gestort. Indien het griffierecht niet binnen deze termijn is bijgeschreven of gestort, wordt het beroep niet-ontvankelijk verklaard, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

4.

Nadat de zekerheidstelling en de bijschrijving of de storting van het griffierecht hebben plaatsgevonden of nadat de termijnen voor het stellen van de zekerheid en de betaling van het griffierecht ongebruikt zijn verstreken, zendt de griffier van de rechtbank het beroepschrift met de daarop betrekking hebbende stukken en een afschrift van de beschikking van de kantonrechter onverwijld ter griffie van het gerechtshof in.

5.

Op de behandeling van het hoger beroep zijn de artikelen 16 tot en met 20c van overeenkomstige toepassing.

6.

Het gerechtshof beslist zo spoedig mogelijk. De artikelen 13a en 13b, met uitzondering van de laatste volzin van artikel 13b, eerste lid, en 20d, eerste en derde lid, zijn op de beschikking van overeenkomstige toepassing.

7.

Afschrift van de beschikking wordt door de griffier van het gerechtshof gezonden aan degenen die tot het instellen van hoger beroep gerechtigd waren.

Artikel 27
1.

Verhaal kan zonder dwangbevel worden genomen op:

2.

Verhaal met toepassing van het eerste lid geschiedt door middel van een schriftelijke kennisgeving van het openbaar ministerie dat met de inning van de administratieve sanctie is belast. De kennisgeving bevat een voor de uitoefening van het verhaal voldoende aanduiding van degene aan wie de administratieve sanctie is opgelegd, en vermeldt welk bedrag uit hoofde van de beschikking nog verschuldigd is, dan wel bij welke rechterlijke uitspraak de administratieve sanctie is opgelegd, alsmede de plaats waar de betaling moet geschieden. Zij wordt verstrekt aan degene onder wie het verhaal wordt genomen, en betekend aan degene aan wie de administratieve sanctie is opgelegd. In het laatste geval zijn de artikelen 529 tot en met 532 en de artikelen 585 tot en met 590 van het Wetboek van Strafvordering van overeenkomstige toepassing.

3.

Door de verstrekking van de kennisgeving is degene onder wie het verhaal wordt genomen, verplicht tot onverwijlde betaling aan de officier van justitie van het in de kennisgeving bedoelde bedrag voor zover degene aan wie de administratieve sanctie is opgelegd op hem een opeisbare vordering heeft of verkrijgt. De officier van justitie bepaalt de termijn waarbinnen de betaling moet geschieden. De verplichting tot betaling vervalt zodra het uit hoofde van de beschikking verschuldigde bedrag is betaald of verhaald en uiterlijk wanneer acht weken na de dag van verstrekking van de kennisgeving zijn verstreken.

4.

Degene onder wie het verhaal wordt genomen, kan zich niet tegenover de officier van justitie beroepen op het tenietgaan of de vermindering van zijn schuld aan degene aan wie de administratieve sanctie is opgelegd door betaling of door verrekening met een tegenvordering dan in de gevallen waarin hij daartoe ook bevoegd zou zijn geweest bij een op het tijdstip van de betekening overeenkomstig het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering gelegd beslag onder derden. Indien een andere schuldeiser op de vordering waarop het verhaal wordt genomen, beslag heeft gelegd, is artikel 478 van het Wetboek van overeenkomstige toepassing. Het verhaal wordt voor de toepassing van de artikelen 33 en 301 van de Faillissementswet met een beslag onder derden gelijkgesteld.

5.

Indien verhaal is genomen op een periodieke uitkering die ingevolge enig wettelijk voorschrift niet vatbaar is voor beslag, kan telkens ten hoogste een tiende gedeelte van de uitkering tot betaling van het uit hoofde van de beschikking verschuldigde bedrag worden bestemd. Overigens strekt het verhaal zich niet uit tot gelden waarvan de wet bepaald heeft, dat zij niet voor inbeslagneming vatbaar zijn.

6.

Iedere belanghebbende kan binnen een week na de betekening van de in het tweede lid bedoelde kennisgeving bij met redenen omkleed verzetschrift verzet doen tegen het verhaal. Artikel 26, derde tot en met negende lid, en artikel 26a zijn van overeenkomstige toepassing.

7.

Een ieder, behoudens degene aan wie de administratieve sanctie is opgelegd, is verplicht desgevorderd onverwijld aan de officier van justitie, die met de inning van de administratieve sanctie is belast, de inlichtingen te verstrekken welke naar het redelijk oordeel van het openbaar ministerie noodzakelijk zijn ten behoeve van de toepassing van het eerste lid van dit artikel. De artikelen 217 en 218 van het Wetboek van Strafvordering zijn van overeenkomstige toepassing.

8.

De kosten van het verhaal krachtens dit artikel worden op gelijke voet als de administratieve sanctie op degene aan wie deze sanctie is opgelegd verhaald. Onder de kosten van het verhaal zijn begrepen de invorderingskosten.

Artikel 28
1.

De officier van justitie te Leeuwarden kan, indien niet of niet volledig verhaal overeenkomstig de artikelen 26 en 27 heeft plaatsgevonden, bij de kantonrechter van de rechtbank van het arrondissement waar het adres is van degene aan wie de administratieve sanctie is opgelegd een vordering instellen om te worden gemachtigd om per gedraging waarvoor een administratieve sanctie is opgelegd het dwangmiddel gijzeling toe te passen van degene aan wie de administratieve sanctie is opgelegd, voor ten hoogste één week. Indien degene aan wie de administratieve sanctie is opgelegd ingeschreven staat op een in de basisadministratie persoonsgegevens opgenomen adres, maar niet op dat adres woonachtig is, dan wel indien degene aan wie de administratieve sanctie is opgelegd geen bekende woon- of verblijfplaats in Nederland heeft, geschiedt de instelling van de bovenbedoelde vordering door de officier van justitie in het arrondissement Leeuwarden bij de rechtbank te Leeuwarden. Een verleende machtiging om gijzeling toe te passen kan tot uiterlijk vijf jaar nadat de opgelegde administratieve sanctie onherroepelijk is geworden, worden uitgevoerd.

2.

Op de vordering wordt niet beslist dan nadat degene aan wie de sanctie is opgelegd door de kantonrechter is gehoord, althans behoorlijk is opgeroepen. Tegen de beslissing staat geen rechtsmiddel open.

3.

De officier van justitie te Leeuwarden of de ambtenaar die door hem is belast met de toepassing van de gijzeling heeft voor het in gijzeling stellen van de betrokkene toegang tot elke plaats.

4.

De toepassing van het dwangmiddel wordt gestaakt, zodra het verschuldigde bedrag aan de instantie, belast met deze toepassing, is betaald. De toepassing van het dwangmiddel heft de verschuldigdheid niet op.

5.

Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent de tenuitvoerlegging van de gijzeling als bedoeld in het eerste lid.

Artikel 28a

Indien niet of niet volledig verhaal overeenkomstig de artikelen 26 en 27 heeft plaatsgevonden, kan de officier van justitie te Leeuwarden het rijbewijs innemen van degene aan wie de administratieve sanctie is opgelegd. De officier kan tot uiterlijk vijf jaar nadat de opgelegde administratieve sanctie onherroepelijk is geworden van zijn bevoegdheid gebruik maken. De inneming van het rijbewijs duurt ten hoogste vier weken.

Artikel 28b

Indien niet of niet volledig verhaal overeenkomstig de artikelen 26 en 27 heeft plaatsgevonden, kan de officier van justitie te Leeuwarden het voertuig waarmee de gedraging heeft plaatsgevonden buiten gebruik stellen of, indien dit voertuig niet wordt aangetroffen, een soortgelijk voertuig waarover degene aan wie de administratieve sanctie is opgelegd, vermag te beschikken. De officier kan tot uiterlijk vijf jaar nadat de opgelegde administratieve sanctie onherroepelijk is geworden van zijn bevoegdheid gebruik maken. De buitengebruikstelling duurt ten hoogste vier weken.

Artikel 29
1.

Indien degene wiens voertuig buiten gebruik kan worden gesteld door de officier van justitie te Leeuwarden niet terstond voldoet aan het overeenkomstig artikel 23, tweede lid, en artikel 25 verhoogde bedrag van de administratieve sanctie, is de officier van justitie bevoegd het voertuig op kosten van de betrokkene naar een door hem aangewezen plaats te doen overbrengen en in bewaring te doen stellen. Het voertuig wordt tussentijds aan de rechthebbende teruggegeven tegen betaling van het bedrag van de administratieve sanctie en de daarop gevallen verhogingen, alsmede van de kosten van overbrenging en bewaring.

2.

De officier van justitie is tevens bevoegd om in het in het eerste lid bedoelde geval aan het voertuig een mechanisch hulpmiddel te doen aanbrengen, waardoor wordt verhinderd dat het voertuig wordt weggereden. Het mechanisch hulpmiddel wordt tussentijds niet verwijderd dan nadat het bedrag van de administratieve sanctie en de daarop gevallen verhogingen, alsmede de kosten van het aanbrengen en van het verwijderen ervan zijn voldaan.

3.

Indien twaalf weken na de aanvang van de buitengebruikstelling de rechthebbende zijn voertuig niet heeft afgehaald, wordt hij geacht zijn recht op de zaak te hebben opgegeven en is de officier van justitie bevoegd het voertuig om niet aan een derde in eigendom te doen overdragen, te doen verkopen of te doen vernietigen. Gelijke bevoegdheid bestaat ook binnen de bedoelde termijn, zodra het gezamenlijke bedrag van de opgelegde administratieve sanctie, de daarop gevallen verhoging, de kosten van het aanbrengen en het verwijderen, alsmede de kosten van overbrenging en bewaring, vermeerderd met de voor de verkoop, de eigendomsoverdracht om niet of de vernietiging geraamde kosten, in verhouding tot de waarde van het voertuig naar zijn oordeel onevenredig hoog zou worden.

4.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de overbrenging, bewaring, eigendomsoverdracht om niet, verkoop, vernietiging, de berekening van de kosten van overbrenging en bewaring, alsmede omtrent hetgeen verder voor de uitvoering van dit artikel noodzakelijk is.

Artikel 30
1.

Degene wiens rijbewijs kan worden ingenomen door de officier van justitie te Leeuwarden, is verplicht op eerste vordering van de officier van justitie het rijbewijs in te leveren op een door de officier van justitie te bepalen tijdstip en aan te wijzen plaats.

2.

De termijn, bedoeld in artikel 28a, vangt aan op het tijdstip waarop de inlevering van het rijbewijs heeft plaatsgevonden.

3.

Indien aan de verplichting tot inlevering van het rijbewijs niet wordt voldaan, is de officier van justitie bevoegd dat rijbewijs op kosten van de in het eerste lid bedoelde persoon te doen inleveren. Afdeling 5.3 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.

4.

De officier van justitie doet van het tijdstip, bedoeld in het eerste en in het tweede lid, onverwijld mededeling aan de beheerder van het rijbewijzenregister in de zin van de Wegenverkeerswet 1994. De officier van justitie doet op gelijke wijze mededeling van het tijdstip waarop het rijbewijs is teruggegeven.

Hoofdstuk IX. Voorlopige maatregelen

Artikel 31
1.

Indien de in artikel 3, eerste lid, bedoelde ambtenaren bij de uitoefening van de in artikel 3, eerste lid, omschreven bevoegdheid bevinden dat de bestuurder geen bekende woon- of verblijfplaats in Nederland heeft, dan wel geregistreerd staat voor het niet voldoen van een hem eerder overeenkomstig de bepalingen van deze wet opgelegde administratieve sanctie, kunnen zij vorderen dat het bedrag van de opgelegde en van de reeds verschuldigde administratieve sanctie terstond zal worden voldaan dan wel dat zekerheid wordt gesteld dat het bedrag van de bedoelde sanctie tijdig zal worden voldaan.

2.

Indien de in artikel 3, eerste lid, bedoelde ambtenaren hebben vastgesteld dat de gedraging heeft plaatsgevonden met of door middel van een motorrijtuig waarvoor een kenteken is opgegeven, en niet aanstonds is vastgesteld wie daarvan de bestuurder is en waarvan aannemelijk is dat de kentekenhouder geen bekende woon- of verblijfplaats in Nederland heeft, dan wel dat de kentekenhouder geregistreerd staat voor het niet voldoen van een hem eerder overeenkomstig de bepalingen van deze wet opgelegde sanctie, zijn zij bevoegd bij wijze van voorlopige maatregel het voertuig naar een door hen aangewezen plaats te doen overbrengen en in bewaring te stellen, dan wel aan het voertuig een mechanisch hulpmiddel te doen aanbrengen, waardoor wordt verhinderd dat het voertuig wordt weggereden. Zij kunnen vorderen dat, alvorens het voertuig aan de bestuurder wordt teruggegeven, naast de kosten van overbrenging en bewaring, eveneens het bedrag van de opgelegde administratieve sanctie en van de eerder overeenkomstig de bepalingen van deze wet opgelegde en inmiddels verschuldigde administratieve sanctie zal worden voldaan.

3.

Voldoening van het bedrag van de opgelegde administratieve sanctie laat de bevoegdheid tegen de beschikking van de ambtenaar beroep in te stellen als omschreven in de artikelen 6 en 9 onverlet. Wordt het beroep gegrond verklaard, dan wordt het bedrag van de administratieve sanctie teruggegeven. Artikel 29, derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 32

Indien aan de in artikel 31, eerste lid, bedoelde vordering niet wordt voldaan, is de ambtenaar bevoegd bij wijze van voorlopige maatregel het voertuig in bewaring te stellen, totdat het bedrag van de opgelegde en van de reeds verschuldigde administratieve sanctie, alsmede de inmiddels daarop gevallen kosten van de inbewaringstelling zijn voldaan. Daartoe kan hij op kosten van de bestuurder het voertuig naar een door hem aangewezen nabijgelegen plaats overbrengen of doen overbrengen en aldaar in bewaring doen stellen. Zo nodig roept hij hierbij de hulp van de sterke arm in. Artikel 29, derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 33
1.

Van iedere inbewaringstelling maakt de betrokken ambtenaar proces-verbaal op. Hij zendt dit proces-verbaal binnen vierentwintig uur aan de officier van justitie in het arrondissement waar de inbewaringstelling is geschied. Een afschrift van het proces-verbaal wordt gelijktijdig uitgereikt of toegezonden aan de bestuurder, alsmede aan degene aan wie het kenteken van het motorrijtuig is opgegeven. Daarbij wordt hij gewezen op het bepaalde in artikel 29, derde lid.

2.

Tegen een inbewaringstelling kan elke belanghebbende beroep instellen bij de rechtbank op grond dat

4.

Het beroepschrift wordt ingediend bij de officier van justitie in het arrondissement waar de inbewaringstelling is geschied. De officier van justitie brengt het beroepschrift en de op de zaak betrekking hebbende stukken ter kennis van de rechtbank van het arrondissement waar de inbewaringstelling is geschied.

5.

Het beroepschrift en de op de zaak betrekking hebbende stukken worden door de officier van justitie aan de rechtbank ter kennis gebracht binnen vier dagen nadat de indiener zekerheid heeft gesteld voor de betaling van de sanctie, dan wel nadat de termijn daarvoor is verstreken.

6.

De kantonrechter beslist zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen vier weken na de dag waarop het beroepschrift bij de officier van justitie is ingediend. Ten aanzien van de behandeling van het beroepschrift en de uitspraak zijn de artikelen 11, tweede, derde en vierde lid, 12, 13, 13a en 13b van overeenkomstige toepassing.

7.

Indien de kantonrechter het beroepschrift gegrond acht, gelast hij de onmiddellijke teruggave van het voertuig.

8.

Het instellen van beroep schorst de bevoegdheid van de officier van justitie, bedoeld in artikel 29, derde lid, tot de dag na die waarop de kantonrechter zijn beslissing heeft gegeven.

Hoofdstuk X. Overige bepalingen

Artikel 34
1.

Met geldboete van de tweede categorie wordt gestraft:

2.

Het strafbare feit is een overtreding.

Artikel 35

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen voorschriften worden gegeven omtrent hetgeen verder ter uitvoering van deze wet nodig is.

Artikel 36
1.

Behoudens in geval van een verzetschrift als bedoeld in artikel 26, derde lid, een beroepschrift bedoeld in artikel 26a en een verzetschrift als bedoeld in artikel 27, zesde lid, is op grond van deze wet geen recht verschuldigd in de zin van de Wet tarieven in burgerlijke zaken.

2.

Indien het verzetschrift wordt ingetrokken omdat de officier van justitie geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het verzetschrift is tegemoetgekomen wordt het door de indiener betaalde griffierecht aan hem vergoed door de desbetreffende officier van justitie. In de overige gevallen kan de desbetreffende officier van justitie, indien het verzet wordt ingetrokken, het betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoeden.

Hoofdstuk XI. Slotbepalingen

Artikel 37

Vervallen

Artikel 38

Vervallen

Artikel 39

Vervallen

Artikel 40

Vervallen

Artikel 41

Vervallen

Artikel 42

Vervallen

Artikel 43

Vervallen

Artikel 44

Deze wet kan worden aangehaald als: Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften.

Bijlage

Categorie-indeling B:
1 - bestuurders van motorvoertuigen op meer dan twee wielen en bestuurders van brommobielen voorzover het de bepalingen van het RVV 1990 betreft;
2 - bestuurders van motorvoertuigen op twee wielen;
3 - bromfietsers, snorfietsers en bestuurders van gehandicaptenvoertuigen met motor;
4 - fietsers en bestuurders van gehandicaptenvoertuigen zonder motor;
5 - voetgangers;
6 - overige weggebruikers;
7 - schippers;
8 - een ieder.
Afdeling A. Verkeer te land
Nummers K 010 – K 175
Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994)
Feitnr. Omschrijving Artikel Tarief per feit en per categorie Tarief per feit en per categorie Tarief per feit en per categorie Tarief per feit en per categorie Tarief per feit en per categorie Tarief per feit en per categorie Tarief per feit en per categorie Tarief per feit en per categorie
--- --- --- --- --- --- --- --- --- --- ---
1 2 3 4 5 6 7 8
K 010 als weggebruiker geen gevolg geven aan een aanwijzing door een opsporingsambtenaar gegeven 12 lid 1 WVW 1994 95 95 40 25 20 25
K 025 als bestuurder van een motorrijtuig rijden terwijl het kentekenbewijs niet behoorlijk leesbaar is 36 lid 3 sub d WVW 1994 30 30
het kenteken niet behoorlijk zichtbaar aanwezig hebben op of aan 40 lid 1 WVW 1994
K 030 a - het motorrijtuig 65 65 65
K 030 b - de aanhangwagen 65 65 65
K 035 het ongeldig verklaarde kentekenbewijs niet binnen de bepaalde termijn inleveren bij de minister van Verkeer en Waterstaat 57 lid 3 WVW 1994 255
als houder van een kentekenbewijs niet op eerste vordering van een daartoe aangewezen persoon dat bewijs of één of meer delen van dat bewijs overgeven, omdat (voor) het voertuig waarvoor het kentekenbewijs is afgegeven
K 040 a - de verschuldigde belastingen en rechten niet zijn voldaan 60 lid 1 sub a WVW 1994 255
K 040 b - niet voldoet aan de bij of krachtens de Wegenverkeerswet 1994 gestelde eisen 60 lid 1 sub b WVW 1994 255
K 040 c - niet voldoet aan de gestelde eisen in de Wet personenvervoer 2000 wat betreft de inrichting en de uitrusting 60 lid 1 sub c WVW 1994 255
K 040 d - niet voldoet aan de gestelde eisen in de Wet ambulancevervoer wat betreft de inrichting en de uitrusting 60 lid 1 sub c WVW 1994 255
K 040 e - niet voldoet aan de in het kentekenbewijs vermelde voorschriften 60 lid 2 WVW 1994 255
voor een kentekenplichtig motorrijtuig van 3500 kg of minder
K 045 a - is geen keuringsbewijs afgegeven 72 lid 1 WVW 1994 95 95
K 045 b - heeft het keuringsbewijs zijn geldigheid verloren 72 lid 2 sub b WVW 1994 95 95
het afgegeven keuringsbewijs
K 050 a - voldoet niet aan de vastgestelde eisen inzake inrichting en uitvoering 72 lid 2 sub a WVW 1994 30 30
K 050 b - is niet behoorlijk leesbaar 72 lid 2 sub c WVW 1994 30 30
als bestuurder van een motorrijtuig rijden terwijl het rijbewijs
K 060 a - niet voldoet aan de gestelde eisen 107 lid 2 sub a WVW 1994 30 30
K 060 b - zijn geldigheid heeft verloren door het verstrijken van de geldigheidsduur 107 lid 2 sub b WVW 1994 30 30
K 060 c - niet behoorlijk leesbaar is 107 lid 2 sub c WVW 1994 30 30
K 065 als bestuurder beneden de 18 jaar een motorrijtuig besturen 110 lid 1 WVW 1994 160 160
K 075 rijonderricht geven voor rijbewijs A aan anderen dan aan de bestuurder op wiens motorrijtuig hij zich bevindt 110b WVW 1994 jo. 7 sub a RR 255
op of in een ander motorrijtuig rijonderricht geven voor rijbewijs A
K 080 a - zonder radiografisch contact aan meer dan één bestuurder 110b WVW 1994 jo. 7 sub b RR 255
K 080 b - via radiografisch contact aan meer dan twee bestuurders 110b WVW 1994 jo. 7 sub b RR 255
rijonderricht geven voor rijbewijs A
K 085 a - terwijl tegelijkertijd rijonderricht wordt gegeven voor een andere rijbewijscategorie 110b WVW 1994 jo. 7 sub c RR 255
K 085 b - terwijl het lesmotorrijtuig niet is voorzien van een op de voorgeschreven wijze aangebrachte aanduiding 110b WVW 1994 jo. 7 sub d RR 30
rijonderricht geven voor rijbewijs B terwijl het lesmotorrijtuig niet is voorzien van
K 090 a - een dubbele bediening cq een onderbreker 110b WVW 1994 jo. 8 sub a RR 160
K 090 b - een binnen en een buitenspiegel ten behoeve van de rij-instructeur 110b WVW 1994 jo. 8 sub b RR 160
K 090 c - een op de voorgeschreven wijze aangebrachte aanduiding 110b WVW 1994 jo. 8 sub c RR 30
rijonderricht geven voor rijbewijs C, D of E terwijl het lesmotorrijtuig niet is voorzien van
K 095 a - een dubbele bediening cq een onderbreker 110b WVW 1994 jo. 9 lid 1 sub a RR 160
K 095 b - twee of meer buitenspiegels ten behoeve van de rij-instructeur 110b WVW 1994 jo. 9 lid 1 sub b RR 160
K 095 c - een op de voorgeschreven wijze aangebrachte aanduiding 110b WVW 1994 jo. 9 lid 1 sub c RR 30
K 100 rijonderricht geven voor rijbewijs C of D terwijl de leerling niet in het bezit is van een rijbewijs B 110b WVW 1994 jo. 9 lid 1 sub d RR 160
K 105 rijonderricht geven voor rijbewijs E terwijl de leerling niet in het bezit is van een rijbewijs geldig voor het besturen van het trekkende motorrijtuig 110b WVW 1994 jo. 9 lid 1 sub e RR 160
K 106 rijonderricht geven terwijl de leerling de leeftijd van 18 jaren nog niet heeft bereikt 110b WVW 1994 160
K 120 het niet inleveren van een rijbewijs waarvan de geldigheid is geschorst 131 lid 3 sub b WVW 1994 255
K 130 als bestuurder van een bromfiets rijden terwijl geen certificaat is afgegeven 135 lid 1 WVW 1994 65
K 135 als bestuurder van een bromfiets rijden terwijl het afgegeven certificaat onjuist is ingericht en uitgevoerd dan wel niet behoorlijk leesbaar is 135 lid 3 WVW 1994 30
K 140 als houder van een ongeldig verklaard bromfietscertificaat dit certificaat niet inleveren zodra de ongeldigverklaring van kracht is geworden 141 lid 3 WVW 1994 65
K 145 a als bestuurder handelen in strijd met een of meer aan een ontheffing verbonden voorschriften, niet betrekking hebbende op de lengte/breedte/hoogte/massa en/of begeleiding 150 lid 2 WVW 1994 95
als bestuurder van een motorrijtuig niet op eerste vordering behoorlijk ter inzage afgeven 160 lid 1/2/3 WVW 1994
K 150 a - het kentekenbewijs 30 30
K 150 b - het keuringsbewijs 30
K 150 c - het rijbewijs 30 30
K 150 d - het bromfietscertificaat dan wel het rijbewijs 20
K 150 e - de ontheffing 30
K 155 niet meewerken aan het voorlopig onderzoek van uitgeademde lucht 160 lid 5 WVW 1994 95 95 75 65 95
zich zodanig gedragen dat gevaar op de weg wordt veroorzaakt of kan worden veroorzaakt of dat het verkeer op de weg wordt gehinderd of kan worden gehinderd door 5 WVW 1994
K 175 a - onvoldoende zicht door de voorruit 75 75
K 175 b - onvoldoende zicht door de achterruit 50 50
K 175 c - onvoldoende zicht door voor- en achterruit 100 100
K 175 d - onvoldoende zicht door voor-, achter- en zijruiten 135
K 175 e - onvoldoende zicht door zijruiten 75
Categorie-indeling A: (Voertuigreglement)
--- --- --- --- --- --- --- --- --- --- ---
2 - personenauto's;
3 - bedrijfsauto's;
4 - motorfietsen;
5 - driewielige motorrijtuigen;
6 - bromfietsen;
7 - motorrijtuigen met beperkte snelheid;
8 - landbouwtrekkers;
9 - fietsen;
10 - gehandicaptenvoertuigen, uitgerust met een verbrandingsmotor of een elektromotor en voorzien van een gesloten carrosserie;
11 - gehandicaptenvoertuigen, uitgerust met een elektromotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie;
12 - aanhangwagens met een toegestane maximum massa van meer dan 750 kg achter personenauto's, bedrijfsauto's en driewielige motorrijtuigen;
13 - aanhangwagens met een toegestane maximum massa van niet meer dan 750 kg achter personenauto's, bedrijfsauto's en driewielige motorrijtuigen;
14 - aanhangwagens achter landbouwtrekkers en achter motorrijtuigen met beperkte snelheid;
15 - aanhangwagens achter motorfietsen (15a) of bromfietsen (15b);
16 - aanhangwagens achter fietsen op twee wielen;
17 - wagens.
Noot: Indien bij artikel een * staat vermeld, dan dient dit teken vervangen te worden door het nummer van de categorie, waarop de feitcode betrekking, heeft om het op die categorie betrekking hebbende artikel van het Voertuigreglement te verkrijgen.
Nummers N 004 – P 600 Voertuigreglement (VR)
Als bestuurder van een voertuig rijden terwijl:
0 – algemeen
Feitnr. Omschrijving Artikel Tarief per feit en per categorie Tarief per feit en per categorie Tarief per feit en per categorie Tarief per feit en per categorie Tarief per feit en per categorie Tarief per feit en per categorie Tarief per feit en per categorie Tarief per feit en per categorie
--- --- --- --- --- --- --- --- --- --- ---
2 3 4 5 6 7 8 9
N 004 dan wel stilstaan terwijl ten onrechte een gele, een oranje of een daarop lijkende plaat wordt gevoerd dan wel vlakken wordt gevoerd 5.1.4 VR 65 65 65
N 010 a het niet in overeenstemming is met de gegevens op het kentekenbewijs of met de in het kentekenregister vermelde gegevens 5.*.1 VR 160 160 160 160
N 010 b het identificatienummer niet is ingeslagen of goed leesbaar is 5.*.1 VR 65 65 65 65 25 65 65
N 010 c de kentekenpla(a)t(en) niet voorzien is/zijn van het goedkeuringsmerk, dan wel niet deugdelijk aan de voor en/of achterzijde is/zijn bevestigd 5.*.1 VR 65 65 65 65
N 010 d het kenteken niet goed leesbaar is 5.*.1 VR 65 65 65 65
N 010 e het na 31-12-1995 in gebruik genomen voertuig niet is voorzien van een goed leesbare constructieplaat, waarvan de gegevens in overeenstemming zijn met het kentekenregister 5.*.1 VR 65
N 010 f het merk of de fabrieksaanduiding niet aanwezig is 5.4.1 VR 65
N 010 k het niet is voorzien van een gele of oranje plaat dan wel vlakken 5.6.1 VR 25
N 010 m de brommobiel is voorzien van een gele of oranje plaat dan wel vlakken 5.6.1 VR 65
1 – Algemene bouwwijze van het voertuig
N 020 a het meerassig is 5.15.2 lid 1 VR
N 020 b het wiel niet zodanig is bevestigd dat het uitsluitend draaibaar is om de eigen as 5.15.2 lid 2 VR
N 030 a het chassis dan wel de mee of zelfdragende carrosserie breuken en of scheuren vertoont 5.*.3 VR 95 145 95 95 95
N 030 b het chassis dan wel de mee of zelfdragende carrosserie is zodanig bevestigd, vervormd of door corrosie aangetast dat de stijfheid en de sterkte in gevaar worden gebracht 5.*.3 VR 95 145 95 95 95
het frame of de zelfdragende constructie alsmede de voor- en achtervork
N 030 c - breuken en of scheuren vertoont 5.*.3 lid 1 VR 95 40
N 030 d - is doorgeroest 5.*.3 lid 1 VR 95 40
N 030 e - is vervormd 5.*.3 lid 1 VR 95 40
N 030 f de onderdelen van het frame of de zelfdragende constructie niet deugdelijk zijn bevestigd 5.*.3 VR 95 95 40
N 030 g het frame met voor- en achtervork breuken en of scheuren vertonen, is doorgeroest of is vervormd 5.5.3 lid 2 VR 95
het frame
N 030 h - breuken en of scheuren vertoont 5.9.3 VR 25
N 030 i - is doorgeroest 5.9.3 VR 25
N 030 j - is vervormd 5.9.3 VR 25
het chassis, de zelfdragende constructie of het frame met voor- en achtervork
N 030 k - breuken en of scheuren vertoont 5.10.3 VR
N 030 l - is doorgeroest 5.10.3 VR
N 030 m - is vervormd 5.10.3 VR
het frame dan wel de daarvoor in de plaats tredende delen of het frame met voor- en achtervork
N 030 n - breuken en of scheuren vertoont 5.11.3 VR
N 030 o - is doorgeroest 5.11.3 VR
N 030 p - is vervormd 5.11.3 VR
N 030 q de onderdelen van het frame of de daarvoor in de plaats tredende constructie niet deugdelijk zijn bevestigd 5.11.3 lid 3 VR
N 040 a de bovenbouw ondeugdelijk op het onderstel is bevestigd 5.*.4 VR 95 145 95 95
N 040 b de ondersteuning van de laadvloer/laadruimte niet deugdelijk is 5.*.4 VR 145 95
N 040 c de gekoppelde zijspanwagen niet deugdelijk is bevestigd 5.*.4 VR 95 40
N 050 de bedrading niet deugdelijk is bevestigd en niet goed is geïsoleerd 5.*.5 VR
2 – Afmetingen en massa's
N 060 a het langer is dan 12 meter (cat. 5; ingebruikname voor 1-11-1997) 5.*.6 VR 95 95 95 95 95
N 060 b het breder is dan 2,55 meter (cat. 5; ingebruikname voor 1-11-1997) 5.*.6 VR 95 95 95
N 060 c het hoger is dan 4 meter (cat. 5; ingebruikname voor 1-11-1997) 5.*.6 VR 95 95 95 95 95
N 060 d het rijdende werktuig langer is dan 20 meter 5.3.6 lid 2 VR 95
N 060 e de gelede bus langer is dan 18 meter 5.3.6 lid 2 VR 95
N 060 f het kermis- of circusvoertuig langer is dan 14 meter 5.*.6 lid 2 VR 95
N 060 g het geconditioneerde voertuig breder is dan 2,60 meter 5.*.6 VR 95
N 060 h het rijdende werktuig breder is dan 3 meter 5.*.6 VR 95 95
N 060 m het breder is dan 2,60 meter 5.*.6 VR 95
N 060 n het breder is dan 3 meter 5.8.6 VR 95
N 060 o het langer is dan 3,50 meter 5.*.6 VR
N 060 p het breder is dan 1,10 meter, geldt niet voor motorrijtuigen (cat. 10) die voor 1-01-2000 in het verkeer zijn gebracht 5.*.6 VR
N 060 q het hoger is dan 2 meter 5.*.6 VR
N 060 r het breder is dan 0,75 meter 5.9.6 lid 1 VR 25
N 060 s het op meer dan twee wielen of met zijspanwagen breder is dan 1,50 meter 5.9.6 lid 2 VR 25
N 060 t het langer is dan 4 meter (cat. 5; ingebruikname na 31-10-1997) 5.*.6 VR 95 95 40
N 060 u het breder is dan 2 meter (cat. 5; ingebruikname na 31-10-1997, cat. 6; op meer dan 2 wielen) 5.*.6 VR 95 95 40
N 060 v het hoger is dan 2,5 meter (cat. 5; ingebruikname na 31-10-1997) 5.*.6 VR 95 95 40
N 060 w de tweewielige bromfiets breder is dan 1 meter 5.6.6 VR 40
N 061 a het, niet zijnde een oplegger, langer is dan 12 meter 5.12.6 lid 1 VR
N 061 c de middenasaanhangwagen die voor 1-07-1967 in gebruik is genomen langer is dan 10 meter 5.12.6 lid 3 VR
N 061 d de middenasaanhangwagen die na 30-06-1967 maar voor 1-01-1987 in gebruik is genomen en waarvan de toegestane maximum massa meer bedraagt dan 2500 kg maar niet meer dan 3500 kg langer is dan 10 meter 5.12.6 lid 3 VR
N 061 e bij de oplegger niet zijnde een kermis- of circusvoertuig de horizontaal gemeten afstand tussen het hart van de koppelingspen en enig deel aan de voorzijde van de oplegger meer bedraagt dan 2,04 meter en de horizontaal gemeten afstand tussen het hart van de koppelingspen en de achterzijde van de oplegger meer bedraagt dan 12 meter 5.12.6 lid 4 VR
N 061 g de horizontaal gemeten afstand tussen het hart van de koppelingspen en de achterzijde van de oplegger, van het kermis- of circusvoertuig dat na 30-04-1993 in gebruik is genomen, meer bedraagt dan 17,50 meter 5.12.6 lid 5 VR
N 061 h de aanhangwagen, niet zijnde een middenasaanhangwagen, langer is dan 12 meter 5.13.6 VR
N 061 i de middenasaanhangwagen langer is dan 8 meter 5.13.6 VR
N 061 j de aanhangwagen ten behoeve van de landbouw breder is dan 3 meter 5.14.6 VR
N 061 k het breder is dan 1 meter 5.*.6 VR
N 061 l het hoger is dan 1 meter 5.15.6 VR
N 061 m die bespannen is, breder is dan 2,60 meter 5.17.6 lid 1 VR
N 061 n die onbespannen is, breder is dan 1,50 meter 5.17.6 lid 2 VR
de toegestane asdruk of massa wordt overschreden met
N 070 a - meer dan 10% 5.*.7 VR 125 125 125
N 070 b - meer dan 25% 5.*.7 VR 190 190 190
N 070 c - meer dan 50% 5.*.7 VR 255 255 255
N 070 d - meer dan 75% 5.*.7 VR 320 320 320
de toegestane wieldruk of massa wordt overschreden met
N 070 e - meer dan 10% 5.*.7 VR 125
N 070 f - meer dan 25% 5.*.7 VR 190
N 070 g - meer dan 50% 5.*.7 VR 255
N 070 h - meer dan 75% 5.*.7 VR 320
van het rijdende werktuig de toegestane maximum massa wordt overschreden met
N 071 a - meer dan 5% en t/m 10% 5.3.7 lid 2 VR 135
N 071 b - meer dan 10% en t/m 15% 5.3.7 lid 2 VR 260
3 – Motor
de bromfiets (constructiesnelheid max. 45 km/h) de maximumconstructiesnelheid overschrijdt
N 081 a - t/m 10 km/h 5.6.8 lid 1 VR 30
N 081 b - meer dan 10 en t/m 15 km/h 5.6.8 lid 1 VR 45
N 081 c - meer dan 15 en t/m 20 km/h 5.6.8 lid 1 VR 70
N 081 d - meer dan 20 en t/m 25 km/h 5.6.8 lid 1 VR 95
N 081 e - meer dan 25 en t/m 30 km/h 5.6.8 lid 1 VR 125
de bromfiets (constructiesnelheid max. 25 km/h) de maximumconstructiesnelheid overschrijdt
N 082 a - t/m 10 km/h 5.6.8.lid 2 VR 30
N 082 b - meer dan 10 en t/m 15 km/h 5.6.8 lid 2 VR 45
N 082 c - meer dan 15 en t/m 20 km/h 5.6.8 lid 2 VR 70
N 082 d - meer dan 20 en t/m 25 km/h 5.6.8 lid 2 VR 95
N 082 e - meer dan 25 en t/m 30 km/h 5.6.8 lid 2 VR 125
N 090 a het brandstofsysteem niet veilig is of deugdelijk is bevestigd 5.*.9 lid 1 VR 125 125 125 125 125
N 090 b het brandstofsysteem of de elektrische aandrijving niet veilig is of deugdelijk is bevestigd 5.*.9 lid 1 VR 125 40
N 090 c het brandstofsysteem lekkage vertoont 5.*.9 lid 2 VR 125 125 125 125 40 125 125
N 090 d het brandstofsysteem niet deugdelijk is afgesloten 5.*.9 lid 3 VR 125 125 125 125 40 125 125
N 090 e het niet is voorzien van een gaspedaal/gashendel 5.10.9 lid 4 VR
N 090 f het niet is voorzien van een brandstofniveaumeter (niet verplicht indien voertuig is voorzien van brandstoftank met reservestand) 5.10.9 lid 4 VR
N 090 g het voertuig dat is uitgerust met een elektromotor niet is voorzien van de vereiste schakelaars en indicatoren 5.*.9 VR
N 090 h de elektrische aandrijving niet veilig is of deugdelijk is bevestigd 5.11.9 lid 1 VR
N 100 de LPG-installatie niet voldoet aan de eisen 5.*.10 VR 145 145 145 145
N 110 a deze niet is voorzien van een over de gehele lengte gasdichte uitlaat 5.*.11 lid 1 VR 95 95 95 95 40 95 95
N 110 b het uitlaatsysteem niet deugdelijk is bevestigd 5.*.11 lid 2 VR 95 95 95 95 95 95
N 110 c het niet voldoet aan de eisen gesteld ten aanzien van luchtverontreiniging, geluidsproductie, geluidsniveau, uitlaatgassen of het stationaire mengsel (geluidsniveau cat. 4 en 6 zie N110 h t/m k) 5.*.11 VR 95 95 95 95 40
N 110 d de vereiste symbolen niet aanwezig of goed leesbaar zijn 5.*.11 VR 95 95
N 110 e het uitlaatsysteem niet behoorlijk geluiddempend is 5.*.11 VR 95 95 95
N 110 f de uitmonding van de uitlaat hoger is gelegen dan de bovenkant van de zitplaats 5.6.11 lid 2 VR 40
N 110 g de uitstroomrichting van de uitlaatleiding niet horizontaal en evenwijdig aan het mediaanlangsvlak is 5.6.11 lid 3 VR 40
het niet voldoet aan de gestelde eisen ten aanzien van het geluidsniveau
N 110 h - overschrijding van het niveau tot en met 9 dB(A) 5.4.11 VR 95
N 110 j - overschrijding tot en met het niveau van 101 dB(A) 5.6.11 VR 40
N 110 l - overschrijding van het op de constructieplaat vermelde niveau tot en met 9 dB(A) 5.6.11 VR 40
N 120 a de accu of tractiebatterij niet deugdelijk is bevestigd 5.*.12 lid 1 VR 95 95 95 95 95 95
N 120 b de bedrading niet deugdelijk is bevestigd/goed is geïsoleerd 5.*.12 VR 95 95 95 95 40 95 95
N 120 c het voertuig, dat is uitgerust met een elektrische aandrijving, niet is voorzien van een beveiliging tegen overbelasting, die door middel van een binnen bereik bevindende schakelaar de stroomvoorziening herstelt 5.*.12 lid 3 VR
N 130 a de motorsteunen niet deugdelijk zijn bevestigd/in ernstige mate zijn beschadigd 5.*.13 VR 95 95 95 95
N 130 b de rubbers zijn doorgescheurd/de vulcanisatie is losgeraakt 5.*.13 VR 95 95 95 95
N 130 c de motor niet deugdelijk is bevestigd 5.*.13 VR 95 40
4 – Krachtoverbrenging
N 140 a het met een ledige massa van meer dan 400 kg niet is voorzien van een achteruitrijinrichting 5.7.14 VR 65
N 140 b het niet is voorzien van een achteruitrijinrichting 5.*.14 VR 65
N 150 a het na 30-06-1967 in gebruik genomen voertuig niet is voorzien van een goed werkende, ook bij nacht, afleesbare snelheidsmeter 5.*.15 VR 30 30
N 150 e het na 26-11-1975, doch voor 31-12-1994 in gebruik genomen voertuig niet is voorzien van een goed werkende, ook bij nacht afleesbare snelheidsmeter 5.*.15 VR 30 30
N 160 a de onderdelen van de aandrijving of transmissie niet deugdelijk bevestigd zijn 5.*.16 VR 65 65 65 65 25 65 65
N 160 b de koppeling niet deugdelijk is 5.*.16 VR 65 65 65 65
N 170 a de krachtoverbrenging niet op eenvoudige wijze kan worden onderbroken 5.10.17 VR
N 170 b de snelheid niet regelbaar is 5.11.17 VR
5 – Assen
N 180 de assen niet deugdelijk (bevestigd) zijn 5.*.18 VR 65 65 65 65 25 65 65
N 190 de fuseeonderdelen en overige draaipunten niet deugdelijk (bevestigd) zijn 5.*.19 VR 95 95 95
N 200 de wiellagers niet deugdelijk zijn 5.*.20 VR 65 65 65
N 210 de wielbasis te veel afwijkt 5.*.21 VR 65 65 65
N 220 de afstanden tussen de fuseedraaipunten en het chassis en de carrosserie te veel verschillen 5.*.22 VR 95 95
N 230 de spoorbreedte te groot is 5.*.23 VR 65 65
N 240 a de wielen/de velgen niet deugdelijk (bevestigd) zijn 5.*.24 VR 95 95 95 95
N 240 b de wielen/de velgen/de wielnaven/stabilisatoren niet deugdelijk (bevestigd) zijn 5.3.24–26 VR 145
N 240 c de wielen, alsmede de onderdelen niet deugdelijk (bevestigd) zijn 5.*.24 VR 95 40
N 240 d de wielen/de velgen/stabilisatoren niet deugdelijk (bevestigd) zijn 5.12.24 en 26 VR
N 250 de wielnaven niet deugdelijk bevestigd zijn 5.*.25 VR 95 95
6 – Ophanging
de wielen niet voorzien zijn van luchtbanden 5.*.27 VR
N 270 a - 1 band 65 65 65 65 25
N 270 b - 2 banden 125 125 125 125 50
N 270 c - 3 banden 190 190 190 190 75
N 270 d - 4 banden 255 255
een band/de banden beschadigd of versleten is/zijn 5.*.27 VR
N 270 e - 1 band 65 65 65 25 65 65
N 270 f - 2 banden 125 125 125 50 125 125
N 270 g - 3 banden 190 190 190 75 190 190
N 270 h - 4 banden 255 255 255
het loopvlak uitstekende metalen elementen bevat. Per (band) beschadiging 5.*.27 VR
N 270 i - 1 band 65 65 65 65 25 65 65
N 270 j - 2 banden 125 125 125 125 50 125 125
N 270 k - 3 banden 190 190 190 190 75 190 190
N 270 l - 4 banden 255 255 255 255
de band(en) beschadigd of versleten is/zijn of de daarop vermelde load-index kleiner is dan toegestaan 5.*.27 VR
N 270 m - 1 band 90
N 270 n - 2 banden 155
N 270 o - 3 banden 215
N 270 p - 4 banden 280
de wielen niet voorzien zijn van luchtbanden/rupsbanden 5.*.27 VR
N 271 a - 1 band 65 65
N 271 b - 2 banden 125 125
N 271 c - 3 banden 190 190
N 271 d - 4 banden 255 255
de wielen zijn voorzien van niet toegestane banden 5.*.27 VR
N 271 e - 1 band
N 271 f - 2 banden
N 271 g - 3 banden
N 271 h - 4 banden
de banden op een as niet dezelfde karkasstructuur hebben 5.*.27 VR
N 271 i - 1 as 65 65 65
N 271 j - 2 assen 125 125
de luchtbanden op een as niet dezelfde karkasstructuur hebben 5.12.27 VR
N 271 k - 1 as
N 271 l - 2 assen
N 271 m de wielen zijn voorzien van metalen banden met uitstekende delen (geldt niet voor landbouwwerktuigen met een massa van maximaal 750 kg) 5.17.27 VR
N 280 het veersysteem, de onderdelen daarvan of de schokdemper (indien vereist) niet deugdelijk (bevestigd) is/zijn 5.*.28 VR 95 95 95 95 40 95
7 – Stuurinrichting
N 290 deze niet is voorzien van een deugdelijke stuurinrichting 5.*.29–30 VR 160 160 160 160 65 160 160 25
8 – Reminrichting
N 310 a de onderdelen van de reminrichting niet deugdelijk zijn (bevestigd) 5.*.31 VR 125 125 125 125 50 125 125
N 310 b het niet is voorzien van een gelijkmatig werkende reminrichting 5.13.31 VR
N 320 a het remsysteem van het na 30-06-1967 in gebruik genomen voertuig niet is voorzien van een deugdelijke waarschuwingsinrichting 5.*.32/33 VR 30 30 30
N 320 b het remsysteem niet is voorzien van een deugdelijke waarschuwingsinrichting (indien verplicht) 5.10.32 VR
N 340 de veerrem van het na 30-09-1975 in gebruik genomen voertuig niet is voorzien van een deugdelijke waarschuwingsinrichting 5.3.34 VR 30
N 350 a het drukluchtremsysteem niet is voorzien van een goed functionerend meerkringsbeveiligingsventiel bij na 30-09-1975 in gebruik genomen voertuigen 5.3.35 lid 1 VR 125
N 350 b het drukluchtremsysteem niet is voorzien van drukmeetpunten 5.*.35 lid 1 VR 65
N 350 c de drukluchtremkrachtregelaars niet goed functioneren 5.*.35 lid 2 VR 185
N 350 d het na 30-09-1981 in gebruik genomen voertuig met drukluchtremkrachtregelaars niet is voorzien van de vereiste plaat 5.*.35 lid 3 VR 65
N 350 e de drukluchtremkrachtregelaars van het na 30-09-1981 in gebruik genomen voertuig niet aanwezig zijn, dan wel niet zijn afgesteld zoals op de plaat staat vermeld 185
N 360 de slag van de drukluchtremcylinders onjuist is afgesteld 5.*.36 VR 185
N 370 a het één- of tweeleidingremsysteem niet de juiste aansluitdruk heeft 5.3.37 VR 125
N 370 b het na 31-12-1997 in gebruik genomen voertuig is voorzien van een éénleidingremsysteem ten behoeve van een aanhangwagen 5.3.37 VR 125
N 370 c het na 31-12-1997 in gebruik genomen voertuig is voorzien van een afzonderlijke inrichting voor de bediening van de remmen van de aanhangwagen 5.3.37 VR 125
N 370 d de afzonderlijke inrichting voor de bediening van de remmen van de aanhangwagen van het, na 31-03-1990 in gebruik genomen, voertuig een hogere aansluitdruk doorstuurt dan toegestaan 5.3.37 VR 125
N 380 m de bedrijfsrem niet op alle wielen remt (uitgezonderd driewielige motorrijtuigen met een ledige massa van 400 kg of minder), dan wel het voertuig op een (nagenoeg) droge weg uitbreekt ten gevolge van een verschil in remwerking tussen de wielen van elke as, of tengevolge van overberemming van de achteras 5.*.38 VR 185 185 185
N 380 n niet wordt voldaan aan de vereiste remvertraging 5.*.38 VR 95 185 185
N 380 o de bedrijfsrem niet gelijkmatig op de wielen van één as remt 5.*.38 VR 185 185
N 380 p het niet is voorzien van een goed werkende reminrichting 5.9.38 VR 25
N 380 q de reminrichting of de onderdelen hiervan niet deugdelijk is/zijn (bevestigd) 5.11.38 VR
niet wordt voldaan aan de vereiste remvertraging (categorie 12 particulier gebruik) de vermindering bedraagt 5.*.38 VR
N 381 a - 0 t/m 0,5 m/s2 160 160 160
N 381 b - 0,51 t/m 1,0 m/s2 210 210 210
N 381 c - 1,01 t/m 1,5 m/s2 260 260 260
N 381 d - 1,51 t/m 2,0 m/s2 315 315 315
niet wordt voldaan aan de vereiste remvertraging (categorie 12 bedrijfsmatig gebruik) de vermindering bedraagt 5.*.38 VR
N 381 f - 0 t/m 0,5 m/s2 260
N 390 a de parkeerrem niet aan de eisen voldoet 5.*.39 VR 30 30 30 30 30
N 390 b van de (brom)fiets op meer dan twee wielen zonder afzonderlijk vastzetinrichting één van de remmen niet kan worden vastgezet 5.*.39 VR 15 15
N 390 c de parkeerrem niet aan de eisen voldoet, geldt niet voor motorrijtuigen die voor 1-01-2000 in het verkeer zijn gebracht 5.10.39 VR
N 390 d het niet voorzien is van een goed bereikbare vastzetinrichting 5.11.39 VR
N 390 e de vastzetinrichting of de veerrem niet aan de eisen voldoet 5.12.39 VR
het afzonderlijke hulpremsysteem van voertuigen die na 30-06-1967 in gebruik zijn genomen 5.*.40 VR
N 400 a - niet goed functioneert 160 160 160
N 400 b - niet voldoet aan de vereiste remvertraging 160 160 160
N 400 c de reminrichting van de aanhangwagen (niet zijnde een middenasaanhangwagen met een toegestane maximum massa van ten hoogste 1500 kg) niet automatisch in werking treedt bij het verbreken van de verbinding, dan wel niet automatisch in de bedrijfstoestand komt bij het koppelen met het trekkende voertuig 5.12.40 VR
N 400 d niet is voorzien van een goed functionerende losbreekreminrichting (indien aanwezig) 5.12.40 VR
N 400 e die een motor heeft niet is voorzien van een dodemansknop 5.17.40 VR
9 – Carrosserie
N 410 a de deuren en de laadbakkleppen (cat.3) van bedrijfsauto's niet goed sluiten of de deuren die direct toegang geven tot de personenruimte niet op normale wijze vanaf de binnenzijde of vanaf de buitenzijde konden worden geopend 5.*.41 VR 65 65 65 65 65
N 410 b het slot of de scharnieren aan de voorzijde geen goede sluiting waarborgen 5.*.41 VR 65 65 65
N 410 c de scharnieren ernstig zijn gecorrodeerd 5.*.41 VR 65 65 65
N 410 d de windschermen en stroomlijnkappen de bediening belemmeren 5.*.41 VR 65 25
N 410 e de windschermen, stroomlijnkappen en inrichtingen om ladingen mee te vervoeren niet deugdelijk zijn bevestigd 5.*.41 VR 65 25
N 410 f de gesloten cabines niet zijn voorzien van tenminste twee deuren dan wel één deur en één nooduitgang 5.*.41 VR 65 65
N 410 g de nooduitgang niet voldoet aan de vereiste afmetingen 5.*.41 VR 65 65
N 410 h het slot of de scharnieren van de deuren of laadbakkleppen geen goede sluiting waarborgen 5.*.41 VR
de voorruit, de zijruiten dan wel het windscherm (indien vereist) en bij afwezigheid van een rechterbuitenspiegel de achterruit
N 420 a - is beschadigd of verkleurd 5.*.42 VR 95 95 95 95 95
N 420 b - is voorzien van onnodige voorwerpen die het uitzicht belemmeren 5.*.42 VR 95 95 95 95 95
N 420 c de ruiten niet voldoen aan de eisen 5.10.42 lid 1 VR
N 430 a niet is voorzien van een goed werkende ruitenwisserinstallatie 5.*.43 VR 65 65
N 430 b het voertuig niet voorzien is van een goedwerkende ruitenwisserinstallatie ( m.u.v. voertuigen in gebruik genomen voor 27-11-1975 met een ledige massa van niet meer dan 400 kg) 5.5.43 lid 1 VR 65
N 430 c niet is voorzien van een goed werkende automatische ruitenwisserinstallatie 5.*.43 VR 65 65
N 430 d het na 30-09-1971 in gebruik genomen voertuig niet is voorzien van een goed werkende ruitensproeierinstallatie voor de voorruit 5.2.43 lid 2 VR 65
N 430 e het na 31-12-1997 in gebruik genomen voertuig niet is voorzien van een goed werkende ruitensproeierinstallatie voor de voorruit 5.3.43 lid 2 VR 65
N 430 f de na 30-06-1985 in gebruik genomen bus niet is voorzien van een goed werkende ruitensproeierinstallatie 5.3.43 lid 3 VR 65
N 430 g het na 31-12-1994 in gebruik genomen voertuig niet is voorzien van een goed werkende ruitensproeierinstallatie voor de voorruit 5.5.43 lid 3 VR 65
N 430 h het niet is voorzien van een goedwerkende ruitensproeierinstallatie 5.10.43 VR
N 440 a het na 30-09-1971 in gebruik genomen voertuig niet is voorzien van een goed werkende installatie ter ontdooiing en ontwaseming van de voorruit 5.2.44 VR 65
N 440 b het na 31-12-1997 in gebruik genomen voertuig niet is voorzien van een goed werkende installatie ter ontdooiing en ontwaseming van de voorruit 5.3.44 VR 65
N 440 c de na 30-06-1985 in gebruik genomen bus niet is voorzien van een goed werkende installatie ter ontdooiing en ontwaseming van de voorruit 5.3.44 VR 65
N 440 d deze niet is voorzien van een goed werkende installatie ter ontdooiing en ontwaseming van de voorruit 5.10.44 VR
N 440 e het na 16–6-2003 in gebruik genomen voertuig met een voorruit of het na 31-12-1994, doch voor 17–6-2003 in gebruik genomen voertuig met een voorruit en met een gesloten carrosserie niet voorzien is van een goedwerkende installatie ter ontdooiing en ontwaseming van de voorruit 5.5.44 VR 65
N 450 a deze niet is voorzien van de noodzakelijke spiegels die aan de eisen voldoen 5.*.45 VR 65 65 65 65
N 450 b het na 26-11-1975 doch voor 17-6-2003 in gebruik genomen voertuig niet is voorzien van de linkerbuitenspiegel die aan de eisen voldoet 5.4.45 VR 65
N 450 c het na 31-12-1996 doch voor 17-6-2003 in gebruik genomen voertuig dat 100 km/h of sneller kan, niet is voorzien van een rechterbuitenspiegel die aan de eisen voldoet 5.4.45 VR 65
N 450 d het voor 27-11-1975 in gebruik genomen voertuig waarvan de ledige massa meer bedraagt dan 400 kg en waarbij de bestuurder een zodanige plaats inneemt dat hij vanaf zijn zitplaats het achter hem gelegen weggedeelte niet kan overzien niet is voorzien van een linkerbuitenspiegel 5.5.45 VR 65
N 450 e het na 17-6-2003 in gebruik genomen voertuig met een gesloten carrosserie waarvan de ledige massa meer bedraagt dan 400 kg en waarbij de bestuurder een zodanige plaats inneemt dat hij vanaf zijn zitplaats het achter hem gelegen weggedeelte niet kan overzien niet is voorzien van een binnenspiegel 5.5.45 VR 65
N 450 f het niet is voorzien van een rechterbuitenspiegel terwijl met de binnenspiegel het achter het voertuig gelegen weggedeelte niet voldoende kan worden overzien 5.5.45 VR 65
N 450 g het na 17-6-2003 in gebruik genomen voertuig niet is voorzien van een linker- of rechterbuitenspiegel 5.4.45 VR 65
N 450 h het voor goederenvervoer ingerichte en in Nederland geregistreerde bedrijfsvoertuig met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg is niet voorzien van de vereiste gezichtsveldverbeterende voorziening 5.3.45a VR 250
N 460 a de zitplaatsen niet deugdelijk bevestigd zijn 5.*.46 VR 65 65 65 25
N 460 b de zitplaatsen of de verstelbare rugleuning van het na 30-09-1971 in gebruik genomen voertuig niet aan de eisen voldoen 5.2.46 VR 65
N 460 c de zitplaatsen of de verstelinrichtingen niet deugdelijk (bevestigd) zijn 5.*.46 VR 65 65 65
N 460 d de voetsteunen niet deugdelijk zijn bevestigd 5.4.46 VR 65
N 460 e de zitplaatsen of de verstelbare rugleuning van het na 30-09-1971 in gebruik genomen voertuig met een ledige massa van meer dan 400 kg niet aan de eisen voldoen 5.5.46 VR 65
N 460 f de trappers of de voetsteunen niet deugdelijk zijn bevestigd 5.6.46 VR 25
N 460 g de trappers niet deugdelijk zijn (bevestigd) 5.9.46 VR 20
N 470 a de autogordels voor alle naar voren gerichte zitplaatsen van na 31-12-1989 in gebruik genomen voertuigen niet aanwezig zijn 5.2.47 VR 65
N 470 b de autogordels voor de voorzitplaatsen die aan een portier grenzen van tussen 1-01-1971 en 1-01-1990 in gebruik genomen voertuigen niet aanwezig zijn 5.*.47 VR 65 65
N 470 c de autogordels niet deugdelijk zijn (bevestigd) 5.*.47 VR 65 65 65
N 470 d de autogordels voor alle naar voren gerichte zitplaatsen, van na 31-12-1997 in gebruik genomen voertuigen niet aanwezig zijn 5.3.47 lid 1 VR 65
N 470 e de autogordels voor alle naar voren gerichte zitplaatsen, van op of na 1-1-1990 en voor 1-1-1998 in gebruik genomen voertuigen niet aanwezig zijn 5.3.47 lid 3 VR 65
N 470 f de autogordels voor de voorzitplaatsen, die aan een portier grenzen, van na 1-01-1971 en voor 1-01-1990 in gebruik genomen voertuigen niet aanwezig zijn 5.3.47 lid 4 VR 65
N 470 g de naar voren gerichte zitplaatsen van na 31-12-1989 in gebruik genomen voertuigen met gesloten carrosserie niet voorzien zijn van autogordels of de naar achteren gerichte zitplaatsen van na 16-6-2003 in gebruik genomen voertuigen met gesloten carrosserie niet voorzien zijn van autogordels 5.5.47 VR 65
N 480 a het voertuig scherpe delen heeft 5.*.48 VR 95 95 95 95 40 95 95 25
N 480 b het voertuig uitstekende niet afgeschermde delen heeft 5.*.48 VR 95 95 95 95 95
N 480 c de wielen niet goed afgeschermd zijn, aanlopen of te ver buiten de afscherming uitsteken 5.*.48 VR 95 95 95 95 40
N 480 d de reservewielhouder niet deugdelijk is (bevestigd) 5.*.48 VR 95 95 95
N 480 e gevaar bestaat voor het losraken van enig deel van de buitenzijde 5.*.48 VR 95 95 95 95 40 95 95
N 480 f de wielen/banden aanlopen 5.14.48 VR
N 480 g het voertuig niet is voorzien van de vereiste zijdelingse afscherming 5.*.48 VR 95
N 490 het na 30-06-1967 in gebruik genomen voertuig niet is voorzien van een stootbalk die aan de vereisten voldoet 5.*.49 VR 135
N 491 het na 09-08-2004 in gebruik genomen bedrijfsvoertuig met een toegestane maximummassa van meer dan 3500 kg, niet zijnde een bus, is aan de voorzijde niet op deugdelijke wijze voorzien van een beschermingsinrichting tegen klemrijden 5.*.49 VR 135
N 500 aan de achterzijde niet is voorzien van een mogelijkheid tot bevestiging van een kentekenplaat 5.*.50 VR
10 – Verlichting
het niet is voorzien van goed werkende
N 514 a - richtingaanwijzers (cat 4 na 31/12/96[zijspan 31/10/97]; cat 6: 3 of 4 wielig en gesloten carrosserie) 5.*.51–63 VR 65 65 65 65 15 65 65
N 514 b - waarschuwingsknipperlichten (cat 2,3 en 5 na 31/12/97;cat 5 na 31/12/96; cat 10 na 1/1/2005) 5.*.51–63 VR 30 30 30 30 30
N 514 c - zijrichtingaanwijzer(s) (cat 2 na 31/12/97; cat 3 langer dan 6 m of na 31/12/97; cat 7 langer dan 6m) 5.*.51–63 VR 30 30 30
N 514 d - remlichten (cat 6: 3 of 4 wielig) 5.*.51–63 VR 65 65 65 65 15 65 65
N 514 e - kentekenplaatverlichting 5.*.51–63 VR 30 30 30 30
N 514 f - rode retroreflectoren 5.*.51–63 VR 30 30 30 30 30 30 30 20
N 514 g - mistachterlicht(en) (cat 2,3 en 12 na 31/12/97; cat 13 na 1/1/2005) 5.*.51–63 VR 30 30
N 514 h - achteruitrijlicht(en) (in gebruik na 31/12/97) 5.*.51–63 VR 30 30
N 514 i - markeringslichten (voor- en achterzijde) (cat 2, 3, 12 en 13 breder dan 2.60 m of na 31/12/97 breder dan 2.10 m; cat 13 en 14 na 1/1/2005 en breder dan 2.10m) 5.*.51–63 VR 30 30
N 514 j - zijmarkeringslichten (cat 2, 3 en 12 na 31/12/97 en langer dan 6 m; cat 13 na 1/1/2005 en langer dan 6 m) 5.*.51–63 VR 30 30
N 514 k - 3e remlicht (cat 2 na 30/09/00) 5.*.51–63 VR 30
N 514 l - witte retroreflectoren (cat 9 = 3w breder dan 75 cm; cat 12 na 31/12/97) 5.*.51–63 VR 20
N 514 m - zijretroreflectoren (cat 2 na 31/12/97 en langer dan 6m; cat 3 en 7 langer dan 6m) 5.*.51–63 VR 30 30 15 30
N 514 n - achtermarkering bij meer dan 3500 kg (cat 3 geldt niet voor trekker of autobus) 5.*.51–63 VR 30
N 514 o - trapreflectie (cat 6 alleen indien vaste trappers bij 3 of 4 wielig) 5.*.51–63 VR 15 20
N 514 p - wielreflectie 5.*.51–63 VR 20
N 515 de verlichting/retroreflecterende voorzieningen niet de vereiste kleur hebben 5.*.51–59 VR 95 95 95 95 40 95 95 25
N 516 het niet is voorzien van een rode retroreflector in de vorm van een afgeknotte driehoek 5.*.51 VR 95 95
N 517 de verlichting of retroreflectoren niet op de juiste plaats zijn bevestigd 5.*.51–61 VR 65 65 65 65 25 65 65 20
N 550 de glazen van de verlichtingsarmaturen of de retroreflectoren niet aan de gestelde eisen voldoen (cat 9, 11, 16 en 17 alleen eisen rode reflectie) 5.*.55 VR 95 95 95 95 40 95 95 25
N 551 de verlichtingsarmaturen of onderdelen daarvan niet deugdelijk zijn bevestigd (geldt ook voor niet verplichte verlichting) 5.*.55 VR 95 95 95 95 40 95 95
N 552 de lichten of retroreflectoren zijn afgeschermd (cat 9, 11, 16 en 17 alleen afscherming rode retroreflectie) 5.*.55 VR 95 95 95 95 40 95 95 25
N 560 de dimlichten niet aan de eisen voldoen 5.*.56 VR 65 65 65 65 65 65
N 620 niet is voorzien van een controlelampje voor ingeschakelde mistlichten 5.*.62 VR 30 30 30 30 30 30
N 640 het is voorzien van verblindende/knipperende verlichting 5.*.64 VR 65 65 65 65 25 65 65 20
N 650 het is voorzien van meer lichten of retroreflecterende voorzieningen dan is toegestaan 5.*.65 VR 65 65 65 65 25 65 65 20
11 – Verbinding tussen voertuig en aanhangwagen
N 660 a de koppeling niet deugdelijk is (bevestigd) of niet voldoet aan de daaraan gestelde eisen 5.*.66–70 VR 125 125 125 125 90 125 125
N 660 b de (hulp)koppeling, trekdriehoek, trekboom of onderdelen daarvan niet aanwezig is, deugdelijk is (bevestigd) of niet voldoet aan de daaraan gestelde eisen 5.*.66–70 VR
N 660 c de middenasaanhangwagen, die is voorzien van een losbreekreminrichting, tevens is voorzien van een hulpkoppeling 5.*.66 lid 5 VR
N 660 d de koppeling, dissel, of onderdelen daarvan niet deugdelijk is (bevestigd) of niet voldoet aan de daaraan gestelde eisen 5.15.66–70 VR
12 – Diversen
N 710 a het niet is voorzien van een goed werkende geluidssignaalinrichting 5.*.71 VR 30 30 30 30 30 30
N 710 b het niet is voorzien van een goed werkende bel of hoorn met vaste toonhoogte 5.*.71 VR 15
N 710 c het niet is voorzien van een goed werkende bel 5.9.71 VR 15
N 710 d het niet is voorzien van een goed werkende hoorn met vaste toonhoogte 5.10.71 VR
N 720 het aan de voorzijde niet is voorzien van een sleepbevestigingspunt 5.*.72 VR 30 30
het voor 01-01-2000 in het verkeer gebrachte voor het vervoer van gehandicapten ingerichte motorrijtuig met een elektromotor of met een verbrandingsmotor van ten hoogste 250 cm3, niet zijnde een gehandicaptenvoertuig wordt 9.1 VR
N 800 a - gebruikt door een niet gehandicapte
N 800 b - gebruikt buiten de bebouwde kom
0 – Algemeen
P 010 a meer dan één aanhangwagen wordt voortbewogen 5.18.1 lid 1 VR 95 95 95 95 40
P 010 b met de gelede bus een aanhangwagen wordt voortbewogen 5.18.1 lid 2 VR 95
P 010 c met het gehandicaptenvoertuig een aanhangwagen wordt voortbewogen 5.18.1 lid 3 VR
P 010 d met de motorfiets met onberemde zijspanwagen een aanhangwagen wordt voortbewogen 5.18.1 lid 4 VR 95
P 020 a met het motorrijtuig meer dan één motorrijtuig of samenstel van voertuigen wordt voortbewogen 5.18.2 lid 1 VR 95 95 95 95 40 95 95
P 020 b met het motorrijtuig een tweewielig motorrijtuig wordt voortbewogen 5.18.2 lid 2 VR 95 95 95 95 40 95 95
P 020 c met het tweewielig motorrijtuig, de gelede bus of het samenstel van voertuigen, een motorrijtuig of een samenstel van voertuigen wordt voortbewogen 5.18.2 lid 3 VR 95 95 95 95 40 95 95
P 030 hij wordt gehinderd door passagiers, lading of op andere wijze 5.18.3 VR 65 65 65 65 25 65 65 20
P 040 het niet zodanig is beladen dat hij voldoende uitzicht naar voren, opzij en naar achteren heeft 5.18.4 VR 65 65 65 65 25 65 65 20
P 050 het niet is voorzien van de vereiste buitenspiegels, indien het zicht door lading achter het voertuig of door een achter het voertuig gekoppelde aanhangwagen is beperkt 5.18.5 VR 65 65 65 65 25 65 65 20
P 060 het zodanig is beladen dat er gevaar bestaat voor het op de weg vallen van lading 5.18.6 VR 125 125 125 125 50 125 125 40
bij het vervoer van goederen aan de achterzijde van een personenauto, bedrijfsauto met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg of een driewielig motorrijtuig 5.18.7 lid 1 VR
P 070 a - de goederen niet deugdelijk zijn bevestigd op, in of aan een deugdelijke lastdrager 125 125 125
P 070 b - de lastdrager niet deugdelijk is bevestigd 125 125 125
P 070 c - de lastdrager inclusief lading meer dan 0,20 meter buiten de zijkanten uitsteekt 95 95 95
P 070 d - meer specifieke goederen worden vervoerd dan waarvoor de lastdrager is geconstrueerd 95 95 95
P 070 e - de lastdrager aan de achterzijde niet op de voorgeschreven wijze is voorzien van twee rode achterlichten, twee rode remlichten, twee niet driehoekige rode retroreflectoren en twee ambergele richtingaanwijzers aangezien de verlichting en retroreflectoren van het voertuig worden afgeschermd 65 65 65
P 070 f - de lastdrager niet is voorzien van een goed leesbare, van een goedkeuringsmerk voorziene en niet afgeschermde kentekenplaat met het kenteken van het voertuig waarop de lastdrager is aangebracht aangezien de op het voertuig aangebrachte kentekenplaat wordt afgeschermd 65 65 65
P 070 g - de koppelingsdruk van de op de trekhaak bevestigde lastdrager meer bedraagt dan voorgeschreven of meer dan 50 kg 65 65 65
P 070 h - de lastdrager het wegdek kan raken 65 65 65
P 070 i - de achter gebleven bevestigingsdelen van de lastdrager de bewegingsvrijheid van een aangekoppelde aanhangwagen beperken 65 65 65
bij het vervoer van goederen op het dak van een personenauto, bedrijfsauto met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg of een driewielig motorrijtuig 5.18.7 lid 2 VR
P 070 j - de goederen niet deugdelijk zijn bevestigd op, in of aan een deugdelijke lastdrager 125 125 125
P 070 k - de lastdrager niet deugdelijk is bevestigd 125 125 125
P 070 l - de maximale daklast wordt overschreden 95 95 95
P 070 m - meer specifieke goederen worden vervoerd dan waarvoor de lastdrager is geconstrueerd 95 95 95
P 080 de lading van voertuig scherpe delen heeft 5.18.8 VR 95 95 95 95 40 95 95 25
P 090 de opgeklapte delen niet deugdelijk vergrendeld zijn 5.18.9 VR 95 95 95 95 40 95 95 25
P 100 a de aanhangwagen, met een toegestane maximum massa van niet meer dan 750 kg, is niet voorzien van het kenteken van het trekkend motorrijtuig 5.18.10 lid 1 VR
P 100 b de aanhangwagen, met een toegestane maximum massa van niet meer dan 750 kg, is niet voorzien van een deugdelijk bevestigde, goed leesbare, niet afgeschermde en van een goedkeuringsmerk voorziene, kentekenplaat 5.18.10 lid 2–3 VR
1 – Afmetingen en massa's
de maximum lengte van het samenstel van voertuigen wordt overschreden, met een overschrijding 5.18.11 VR
P 111 a - t/m 0,25 m 5.18.20 VR 135 135 135 135 135
P 111 b - van meer dan 0,25 m en t/m 0,50 m 260 260 260 260 260
P 120 de lengte van het voertuig of samenstel van voertuigen, niet zijnde een samenstel van kermis- of circusvoertuigen, met inbegrip van de lading niet meer bedraagt dan de lengte van het voertuig of samenstel van voertuigen in onbeladen toestand vermeerderd met 1 meter, waarbij de lading voor het voertuig uitsteekt 5.18.12 VR 5.18.21 VR 95 65 95 95 95
de lading van het voertuig of samenstel van voertuigen, niet zijnde een samenstel van kermis- of circusvoertuigen met inbegrip van in lengte ondeelbare lading meer dan 3,5 meter voor het hart van het stuurwiel uitsteekt 5.18.13 VR
P 130 n - t/m 0,25 m 135 135 135
P 130 o - van meer dan 0,25 m t/m 0,50 m 260 260 260
de lading van het voertuig of samenstel van voertuigen, niet zijnde een samenstel van kermis- of circusvoertuigen met inbegrip van in lengte ondeelbare lading 5.18.13 VR
P 130 c - voor de voorzijde van de aanhangwagen, niet zijnde een oplegger, uitsteekt
P 130 d - die voor of meer dan 1 meter achter het voertuig uitsteekt aan de voor- of achterzijde niet is voorzien van een markering die aan de eisen voldoet 95 95 95
de lading van een beladen samenstel van bedrijfsauto en aanhangwagen, niet zijnde een oplegger, dat wordt gebruikt voor het vervoer van voertuigen, niet langer dan 20,75 meter 5.18.13 VR
P 130 f - meer dan 2 meter achter de aanhangwagen en meer dan 5 meter achter de achterste as van de aanhangwagen uitsteekt
P 130 g - meer dan 0,50 meter voor de voorzijde van de bedrijfsauto uitsteekt 95
P 130 h - die voor of meer dan 1 meter achter het voertuig uitsteekt, aan de voor- of achterzijde niet is voorzien van een markering die voldoet aan de eisen 95
de lading van een beladen samenstel van bedrijfsauto en aanhangwagen, niet zijnde een oplegger, dat wordt gebruikt voor het vervoer van voertuigen, langer dan 20,75 meter 5.18.13 VR
P 130 i - t/m 0,25 m 135
P 130 j - van meer dan 0,25 m en t/m 0,50 m 260
de lading meer dan de toegestane lengte achter (de achterste as van) het voertuig uitsteekt en/of de vereiste stootbalk, voor het na 01-01-1996 in gebruik genomen voertuig, meer dan 0,60 meter van de uiterste achterzijde is aangebracht (categorie 12 bedrijfsmatig gebruik), een overschrijding 5.18.12 VR
P 121 a - t/m 0,25 m 135
P 121 b - van meer dan 0,25 m en t/m 0,50 m 260
de lading meer dan de toegestane lengte achter (de achterste as van) het voertuig uitsteekt en/of de vereiste stootbalk, voor het na 01-01-1996 in gebruik genomen voertuig, niet op de juiste wijze is aangebracht, een overschrijding (stootbalk uitsluitend cat 12 en 13, particulier gebruik) 5.18.12 VR, 5.18.21 VR
P 121 j - t/m 0,75 m 135 135 135 135
P 121 k - van meer dan 0,75 m 260 260 260 260
de lading meer dan de toegestane lengte achter (de achterste as van) het voertuig uitsteekt (categorie 12 bedrijfsmatig gebruik), een overschrijding 5.18.13 VR
P 131 a - t/m 0,25 m 135
P 131 b - van meer dan 0,25 m en t/m 0,50 m 260
P 131 f de lading meer dan de toegestane lengte achter (de achterste as van) het voertuig uitsteekt (categorie 12 particulier gebruik) 5.18.13 VR, 5.18.21 VR 65 65 65 65
het voertuig met inbegrip van de (deelbare) lading de maximum breedte overschrijdt, een overschrijding 5.18.14 VR, 5.18.22 VR
P 141 a - t/m 0,20 m 100 100 100 100 100
P 141 b - van meer dan 0,20 m en t/m 0,45 m 160 160 160 160 160
P 141 c - van meer dan 0,45 m en t/m 0,70 m 260 260 260 260 260
P 140 d de in de breedte ondeelbare lading, die meer dan 0,10 meter buiten de zijkant van het voertuig uitsteekt, niet is voorzien van de vereiste markering (geldt niet voor fietsen op een lastdrager) 5.18.14 VR 95 95 95
P 140 e de lading meer dan 0,20 meter buiten elke zijkant van de personenauto of van het driewielig motorrijtuig, dat na 31-10-1997 in gebruik is genomen, uitsteekt 5.18.14 VR 95 95
het voertuig met inbegrip van de (ondeelbare) lading de maximum breedte overschrijdt, een overschrijding 5.18.14 VR
P 142 a - t/m 0,25 m 210 210 210 210 210
P 142 b - van meer dan 0,25 m en t/m 0,50 m 315 315 315 315 315
het voertuig met inbegrip van de lading hoger is dan 4,00 meter, een overschrijding 5.18.15 VR
P 150 a - t/m 0,10 m 5.18.23 VR 100 100 100 100 100
P 150 b - van meer dan 0,10 m en t/m 0,20 m 210 210 210 210 210
het voertuig zodanig is beladen dat de toegestane maximum last van enige as of asstel, dan wel de toegestane maximum massa wordt overschreden met 5.18.17 VR
P 170 a - meer dan 10% 125 125 125
P 170 b - meer dan 25% 190 190 190
P 170 c - meer dan 50% 255 255 255
P 170 d - meer dan 75% 320 320 320
P 170 e het voertuig zodanig is beladen dat de toegestane maximum last onder de koppeling wordt overschreden 5.18.17 VR 65 65 65
de totale massa van de aanhangwagen meer bedraagt dan in het kentekenregister of op het kentekenbewijs van het trekkend motorrijtuig vermeld 5.18.18 VR
P 180 a - meer dan 10%
P 180 b - meer dan 25%
P 180 c - meer dan 50%
P 180 d - meer dan 75%
de totale massa van de aanhangwagen meer bedraagt dan de maximum massa die volgt uit het op de koppeling van het trekkend voertuig aangebrachte identificatie kenmerk of goedkeuringsmerk, of indien zo'n merk niet aanwezig is, de massa meer bedraagt dan 750 kg en meer dan de ledige massa van het trekkend motorrijtuig of meer dan de massa in bedrijfsklare toestand van het trekkend motorrijtuig indien het een personenauto betreft die na 31-12-1994 in gebruik is genomen 5.18.18 VR
P 180 e - meer dan 10%
P 180 f - meer dan 25%
P 180 g - meer dan 50%
P 180 h - meer dan 75%
de totale massa van het samenstel van voertuigen meer bedraagt dan in het kentekenregister vermelde toegestane maximum massa 5.18.18 lid 2a VR
P 180 i - meer dan 10% 125 125 125
P 180 j - meer dan 25% 190 190 190
P 180 k - meer dan 50% 255 255 255
P 180 l - meer dan 75% 320 320 320
de totale massa van het samenstel van voertuigen meer bedraagt dan vijf maal de maximum toegestane last onder de aangedreven as(sen) van het trekkend motorrijtuig 5.18.18 lid 2b VR
P 180 m - meer dan 10% 125 125 125
P 180 n - meer dan 25% 190 190 190
P 180 o - meer dan 50% 255 255 255
P 180 p - meer dan 75% 320 320 320
de totale massa van het samenstel van voertuigen meer bedraagt dan 50 000 kg of 60 000 kg indien het trekkend motorrijtuig een rijdend werktuig is 5.18.18 lid 2 VR
P 180 q - tot en met 10% 320 320 320
P 181 a de last onder de bestuurde as(sen) van een motorrijtuig in beladen toestand minder bedraagt dan 1/5 deel van de massa van het voertuig in beladen toestand 5.18.18 VR 135 135 135
P 181 b de last onder de bestuurde as(sen) van een geleed motorrijtuig minder bedraagt dan 1/5 deel van de massa van het voorste deel van het motorrijtuig in beladen toestand 5.18.18 VR 135
P 181 c de last onder de gestuurde as(sen), niet zijnde zelfsturende assen, van autonome aanhangwagens in beladen toestand, minder bedraagt dan 1/5 deel van de massa van de aanhangwagen in beladen toestand 5.18.18 en 24 VR
P 181 d de last onder de koppeling van opleggers in beladen toestand minder bedraagt dan 1/5 deel van de massa van de oplegger in beladen toestand 5.18.18 VR
P 190 a de breedte of de hoogte van de gekoppelde aanhangwagen met inbegrip van de lading meer bedraagt dan 1 meter 5.18.19 VR
P 190 b de totale massa van de aanhangwagen meer bedraagt dan de helft van de ledige massa van de trekkende motorfiets 5.18.19 VR
P 190 c de afstand van de achteras van de trekkende motorfiets tot de achterzijde van de aanhangwagen, met inbegrip van de lading, meer bedraagt dan 2,50 meter 5.18.19 VR
bij vervoer van lading die redelijkerwijs niet in de lengte deelbaar is, de lading van het voertuig of samenstel 5.18.21 VR
P 210 e - meer dan 3,5 meter voor het hart van het stuurwiel van het voertuig uitsteekt 65 65
P 210 f - meer dan 1 meter achter het voertuig uitsteekt, terwijl de achterzijde niet is voorzien van de vereiste markering 65 65
P 240 a de last onder de bestuurde as(sen) van landbouwtrekkers en motorrijtuigen met beperkte snelheid minder bedraagt dan 1/5 deel van de ledige massa 5.18.24 lid 1 VR 135 135
de totale massa van het beladen samenstel van voertuigen meer bedraagt dan 50 000 kg of 60 000 kg indien het trekkend motorrijtuig een rijdend werktuig is 5.18.25 VR
P 250 a - tot en met 10% 320 320
P 260 a de bromfiets op twee wielen met inbegrip van de lading breder is dan 1 meter 5.18.26 lid 1 VR 40
P 260 b de bromfiets op meer dan twee wielen met inbegrip van de lading breder is dan 2 meter 5.18.26 lid 2 VR 40
de gekoppelde aanhangwagen met inbegrip van de lading
P 270 a - breder is dan 1 meter 5.18.27 en 29 VR
P 270 b - hoger is dan 1 meter 5.18.27 VR
P 270 c de totale massa van de aanhangwagen meer bedraagt dan de helft van de ledige massa van de trekkende bromfiets 5.18.27 VR
P 270 d de afstand van de achteras van de trekkende bromfiets tot de achterzijde van de aanhangwagen, met inbegrip van de lading, meer bedraagt dan 2 meter 5.18.27 VR
P 280 a de fiets op twee wielen met inbegrip van de lading breder is dan 0,75 meter 5.18.28 lid 1 VR 25
P 280 b de fiets op meer dan twee wielen of voorzien van een zijspanwagen met inbegrip van de lading breder is dan 1,50 meter 5.18.28 lid 2 VR 25
het voertuig met inbegrip van de lading
P 300 a - breder is dan 1,10 meter 5.18.30 lid 1 VR
P 300 b - breder is dan 1,50 meter 5.18.30 lid 2 VR
P 300 c - in bespannen toestand breder is dan 2,60 meter of indien de lading bestaat uit losse veldgewassen breder is dan 3,50 meter 5.18.30 lid 3 VR
P 300 d - hoger is dan 2 meter 5.18.30 lid 4 VR
P 300 e - hoger is dan 4 meter 5.18.30 lid 5 VR
de som van de aslasten van de aangekoppelde middenasaanhangwagen met een toegestane maximum massa van meer dan 12 000 kg meer bedraagt dan de som van aslasten van het trekkend motorrijtuig 5.18.31 VR
P 310 a - meer dan 10%
P 310 b - meer dan 25%
P 310 e de koppelingsdruk van de middenasaanhangwagen met een massa van niet meer dan 750 kg meer bedraagt dan 50 kg dan wel niet neerwaarts is gericht 5.18.31 VR
P 310 f de koppelingsdruk van de middenasaanhangwagen met een toegestane massa van meer dan 750 kg minder bedraagt dan 1 % van de toegestane maximum massa van dat voertuig (de koppelingsdruk behoeft niet meer dan 50 kg te bedragen) 5.18.31 VR
3 – Reminrichting
de aanhangwagen, niet is voorzien van een reminrichting, terwijl de massa van de aanhangwagen meer bedraagt dan 5.18.33 VR
P 330 a - de helft van de massa in bedrijfsklare toestand van de personenauto
P 330 b - de helft van de ledige massa van de personenauto vermeerderd met 50 kg
P 330 c - 750 kg
P 330 d - de helft van de ledige massa van het trekkend bedrijfsvoertuig / driewielig motorrijtuig
P 340 a de aanwezige reminrichting van de aanhangwagen niet in werking treedt bij het bedienen van de bedrijfsrem van het trekkend voertuig 5.18.34 lid 1 VR
P 340 b de losbreekreminrichting niet op de vereiste wijze met het trekkend voertuig is verbonden 5.18.34 lid 2 VR
niet wordt voldaan aan de minimale remvertraging van de bedrijfsrem van het samenstel, de vermindering bedraagt 5.18.35 lid 1 VR
P 350 a - 0 t/m 0,5 m/s2 160 160 160
P 350 b - 0,51 t/m 1,0 m/s2 210 210 210
P 350 c - 1,01 t/m 1,5 m/s2 260 260 260
P 350 d - 1,51 t/m 2,0 m/s2 315 315 315
niet wordt voldaan aan de minimale remvertraging van de bedrijfsrem van het samenstel, de vermindering bedraagt 5.18.35 lid 1 VR
P 350 f - 0 t/m 0,5 m/s2 260
de remvertraging van het samenstel niet voldoet aan die van het trekkend voertuig, de vermindering bedraagt 5.18.35 lid 2 VR
P 351 a - 0 t/m 0,5 m/s2 160 160
P 351 b - 0,51 t/m 1,0 m/s2 210 210
P 351 c - 1,01 t/m 1,5 m/s2 260 260
P 351 d - 1,51 t/m 2,0 m/s2 315 315
P 360 de parkeerrem het samenstel op een helling van 10% niet in stilstand kan houden 5.18.36 VR 65 65 65 65 65
4 – Verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
P 370 een aanhangwagen wordt voortbewogen zonder dat iedere zijkant van het trekkend voertuig is voorzien van een zijrichtingaanwijzer 5.18.37 VR 65 65 65 65 65
P 380 de verlichtingsinstallatie van de aanhangwagen niet zodanig is aangesloten, dat de lichtsignalen overeenkomen met die van het trekkend voertuig 5.18.38 lid 1 VR
P 381 een aanhangwagen wordt voortbewogen door een bedrijfsauto en één van de voertuigen is aan de zijkant van het voertuig niet voorzien van een lijn- of contourmarkering 95
5 – Verbinding tussen voertuigen
P 540 de aanhangwagen niet middels een deugdelijke koppeling met het trekkend voertuig is verbonden 5.18.54 VR
P 550 het bewegen van de aanhangwagen ten opzichte van het trekkend voertuig wordt in een uiterste stand tot 90 graden begrensd door delen van de reminrichting, de elektrische installatie, de koppeling, besturingsonderdelen of, indien aanwezig, de hulpkoppeling 5.18.55 VR
P 560 a het trekoog of de kogelkoppeling van de gekoppelde aanhangwagen niet nagenoeg horizontaal ligt op een horizontaal wegdek 5.18.56 lid 1 VR
P 560 b de koppelinrichting op het trekkend voertuig niet verticaal beweegbaar is indien de gekoppelde aanhangwagen is voorzien van een trekdriehoek met verzet 5.18.56 lid 2 VR 65 65 65
P 560 c geen hoekverdraaiing van de opleggerschotel naar boven en naar beneden mogelijk is indien het samenstel van trekker en oplegger zich op een horizontaal wegdek bevindt 5.18.56 lid 3 VR 65
P 570 de hulpkoppeling van een middenasaanhangwagen met een toegestane maximum massa van niet meer dan 1500 kg. niet op de vereiste wijze is aangebracht 5.18.57 VR
P 580 de koppeling van de gekoppelde aanhangwagen geen bewegingen toelaat om een horizontale en een verticale as, loodrecht op de lengteas van het trekkend voertuig 5.18.58 VR
P 590 de gekoppelde aanhangwagen niet goed is verbonden 5.18.59 VR
6 – Diversen
P 600 het niet is voorzien van het vereiste bord of vlak met de aanduiding 45 op de achterzijde van de drie of meerwielige bromfiets met gesloten carrosserie 5.18.60 VR 25
Categorie-indeling C: (maximumsnelheid)
--- --- --- --- --- --- ---
1 – motorvoertuigen (uitgezonderd categorie 2: vrachtauto's, autobussen en motorvoertuigen met aanhangwagen) en brommobielen;
2 – vrachtauto's, autobussen en motorvoertuigen met aanhangwagen;
3 – bromfietsen, snorfietsen en gehandicaptenvoertuigen met motor;
4 – landbouwtrekkers en motorvoertuigen met beperkte snelheid.
Nummers S 005 – S 400 Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990)
Feitnr Omschrijving Artikel Tarief per feit en per categorie Tarief per feit en per categorie Tarief per feit en per categorie Tarief per feit en per categorie
--- --- --- --- --- --- ---
1 2 3 4
als bestuurder niet in staat zijn, zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kan overzien en waarover deze vrij is 19 RVV 1990
S 005 a - bij snelheden tot en met 80 km/h 145 145 55
als bestuurder niet in staat zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kan overzien en waarover deze vrij is. De gedraging/overtreding is geconstateerd met behulp van het Videocontrole systeem ( VCS) 19 RVV 1990
S 010 a - bij snelheden tot en met 80 km/h 145 145
overschrijding van de maximumsnelheid binnen de bebouwde kom (gedragsregel) 20 sub a RVV 1990 (cat 1/2), 20 sub b/d RVV 1990 (cat 3)(art 22 sub d RVV 1990)
S 100 a - tot en met 10 km/h 30 30 30 30
S 100 b - meer dan 10 km/h en tot en met 15 km/h 45 55 45 45
S 100 c - meer dan 15 km/h en tot en met 20 km/h 70 90 70 70
S 100 d - meer dan 20 km/h en tot en met 25 km/h 100 115 100 100
S 100 e - meer dan 25 km/h en tot en met 30 km/h 125 145 125 125
overschrijding van de maximumsnelheid binnen de bebouwde kom (verkeersbord A1) 62 jo. bord A1 RVV 1990
S 110 a - tot en met 10 km/h 30 30 30 30
S 110 b - meer dan 10 km/h en tot en met 15 km/h 45 55 45 45
S 110 c - meer dan 15 km/h en tot en met 20 km/h 70 90 70 70
S 110 d - meer dan 20 km/h en tot en met 25 km/h 100 115 100 100
S 110 e - meer dan 25 km/h en tot en met 30 km/h 125 145 125 125
overschrijding van de maximumsnelheid binnen de bebouwde kom (verkeersbord A3) 62 jo. bord A3 RVV 1990
S 120 a - tot en met 10 km/h 30 30 30 30
S 120 b - meer dan 10 km/h en tot en met 15 km/h 45 55 45 45
S 120 c - meer dan 15 km/h en tot en met 20 km/h 70 90 70 70
S 120 d - meer dan 20 km/h en tot en met 25 km/h 100 115 100 100
S 120 e - meer dan 25 km/h en tot en met 30 km/h 125 145 125 125
overschrijding van de maximumsnelheid binnen de bebouwde kom bij wegwerkzaamheden (verkeersbord A1) 62 jo. bord A1 RVV 1990
S 130 a - tot en met 10 km/h 55 90 55 55
S 130 b - meer dan 10 km/h en tot en met 15 km/h 90 115 90 90
S 130 c - meer dan 15 km/h en tot en met 20 km/h 115 145 115 115
S 130 d - meer dan 20 km/h en tot en met 25 km/h 145 170 145 145
S 130 e - meer dan 25 km/h en tot en met 30 km/h 170 205 170 170
overschrijding van de maximumsnelheid binnen de bebouwde kom bij wegwerkzaamheden (verkeersbord A3) 62 jo. bord A3 RVV 1990
S 140 a - tot en met 10 km/h 55 90 55 55
S 140 b - meer dan 10 km/h en tot en met 15 km/h 90 115 90 90
S 140 c - meer dan 15 km/h en tot en met 20 km/h 115 145 115 115
S 140 d - meer dan 20 km/h en tot en met 25 km/h 145 170 145 145
S 140 e - meer dan 25 km/h en tot en met 30 km/h 170 205 170 170
overschrijding van de maximumsnelheid op (auto)wegen buiten de bebouwde kom (gedragsregel) 21 sub a RVV 1990 (cat 1), 22 sub a RVV 1990 (cat 2)
S 200 a - tot en met 10 km/h 21 sub b RVV 1990 (cat 3) 30 30 30 30
S 200 b - meer dan 10 km/h en tot en met 15 km/h 22 sub b/d RVV 1990(cat 4) 45 55 45 45
S 200 c - meer dan 15 km/h en tot en met 20 km/h 70 90 70 70
S 200 d - meer dan 20 km/h en tot en met 25 km/h 100 115 100 100
S 200 e - meer dan 25 km/h en tot en met 30 km/h 125 145 125 125
overschrijding van de maximumsnelheid op (auto)wegen buiten de bebouwde kom (verkeersbord A1) 62 jo. bord A1 RVV 1990
S 210 a - tot en met 10 km/h 30 30 30 30
S 210 b - meer dan 10 km/h en tot en met 15 km/h 45 55 45 45
S 210 c - meer dan 15 km/h en tot en met 20 km/h 70 90 70 70
S 210 d - meer dan 20 km/h en tot en met 25 km/h 100 115 100 100
S 210 e - meer dan 25 km/h en tot en met 30 km/h 125 145 125 125
overschrijding van de maximumsnelheid op (auto)wegen buiten de bebouwde kom (verkeersbord A3) 62 jo. bord A3 RVV 1990
S 220 a - tot en met 10 km/h 30 30 30 30
S 220 b - meer dan 10 km/h en tot en met 15 km/h 45 55 45 45
S 220 c - meer dan 15 km/h en tot en met 20 km/h 70 90 70 70
S 220 d - meer dan 20 km/h en tot en met 25 km/h 100 115 100 100
S 220 e - meer dan 25 km/h en tot en met 30 km/h 125 145 125 125
overschrijding van de maximumsnelheid op (auto)wegen buiten de bebouwde kom bij wegwerkzaamheden (verkeersbord A1) 62 jo. bord A1 RVV 1990, 22 sub a RVV 1990
S 230 a - tot en met 10 km/h 55 90
S 230 b - meer dan 10 km/h en tot en met 15 km/h 90 115
S 230 c - meer dan 15 km/h en tot en met 20 km/h 115 145
S 230 d - meer dan 20 km/h en tot en met 25 km/h 145 170
S 230 e - meer dan 25 km/h en tot en met 30 km/h 170 205
overschrijding van de maximumsnelheid op (auto)wegen buiten de bebouwde kom bij wegwerkzaamheden (verkeersbord A3) 62 jo. bord A3 RVV 1990, 22 sub a RVV 1990
S 240 a - tot en met 10 km/h 55 90
S 240 b - meer dan 10 km/h en tot en met 15 km/h 90 115
S 240 c - meer dan 15 km/h en tot en met 20 km/h 115 145
S 240 d - meer dan 20 km/h en tot en met 25 km/h 145 170
S 240 e - meer dan 25 km/h en tot en met 30 km/h 170 205
overschrijding van de maximumsnelheid op autosnelwegen (gedragsregel) 21 sub a RVV 1990 (cat 1), 22 sub a RVV 1990 (cat 2)
S 300 a - tot en met 10 km/h 30 30
S 300 b - meer dan 10 km/h en tot en met 15 km/h 45 55
S 300 c - meer dan 15 km/h en tot en met 20 km/h 55 90
S 300 d - meer dan 20 km/h en tot en met 25 km/h 90 115
S 300 e - meer dan 25 km/h en tot en met 30 km/h 115 145
S 300 f - meer dan 30 km/h en tot en met 35 km/h 145
S 300 g - meer dan 35 km/h en tot en met 40 km/h 170
overschrijding van de maximumsnelheid op autosnelwegen (verkeersbord A1) 62 jo. bord A1 RVV 1990
S 310 a - tot en met 10 km/h 30 30
S 310 b - meer dan 10 km/h en tot en met 15 km/h 45 55
S 310 c - meer dan 15 km/h en tot en met 20 km/h 55 90
S 310 d - meer dan 20 km/h en tot en met 25 km/h 90 115
S 310 e - meer dan 25 km/h en tot en met 30 km/h 115 145
S 310 f - meer dan 30 km/h en tot en met 35 km/h 145
S 310 g - meer dan 35 km/h en tot en met 40 km/h 170
overschrijding van de maximumsnelheid op autosnelwegen (verkeersbord A3) 62 jo. bord A3 RVV 1990
S 321 a - tot en met 10 km/h 30 30
S 321 b - meer dan 10 km/h en tot en met 15 km/h 45 55
S 321 c - meer dan 15 km/h en tot en met 20 km/h 55 90
S 321 d - meer dan 20 km/h en tot en met 25 km/h 90 115
S 321 e - meer dan 25 km/h en tot en met 30 km/h 115 145
S 321 f - meer dan 30 km/h en tot en met 35 km/h 145
S 321 g - meer dan 35 km/h en tot en met 40 km/h 170
overschrijding van de maximumsnelheid op autosnelwegen bij wegwerkzaamheden (verkeersbord A1) 62 jo. bord A1 RVV 1990, 22 sub a RVV 1990
S 330 a - tot en met 10 km/h 55 90
S 330 b - meer dan 10 km/h en tot en met 15 km/h 90 115
S 330 c - meer dan 15 km/h en tot en met 20 km/h 115 145
S 330 d - meer dan 20 km/h en tot en met 25 km/h 145 170
S 330 e - meer dan 25 km/h en tot en met 30 km/h 170 205
overschrijding van de maximumsnelheid op autosnelwegen bij wegwerkzaamheden (verkeersbord A3) 62 jo. bord A3 RVV 1990, 22 sub a RVV 1990
S 340 a - tot en met 10 km/h 55 90
S 340 b - meer dan 10 km/h en tot en met 15 km/h 90 115
S 340 c - meer dan 15 km/h en tot en met 20 km/h 115 145
S 340 d - meer dan 20 km/h en tot en met 25 km/h 145 170
S 340 e - meer dan 25 km/h en tot en met 30 km/h 170 205
overschrijding van de door de Minister van Verkeer en Waterstaat vastgestelde maximumsnelheid op autosnelwegen bij ernstige verstoring van de olie-aanvoer 86b jo. 86a RVV 1990
S 400 a - tot en met 10 km/h 30
S 400 b - meer dan 10 km/h en tot en met 15 km/h 45
S 400 c - meer dan 15 km/h en tot en met 20 km/h 70
S 400 d - meer dan 20 km/h en tot en met 25 km/h 100
S 400 e - meer dan 25 km/h en tot en met 30 km/h 125
Categorie-indeling B:
--- --- --- --- --- --- --- --- --- --- ---
1 – bestuurders van motorvoertuigen op meer dan twee wielen en bestuurders van brommobielen voorzover het de bepalingen van het RVV 1990 betreft;
2 – bestuurders van motorvoertuigen op twee wielen;
3 – bromfietsers, snorfietsers en bestuurders van gehandicaptenvoertuigen met motor;
4 – fietsers en bestuurders van gehandicaptenvoertuigen zonder motor;
5 – voetgangers;
6 – overige weggebruikers;
7 – schippers;
8 – een ieder.
Nummers R 301 – R 630
Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990)
HOOFDSTUK 2. Verkeersregels
I. Plaats op de weg
Feitnr. Omschrijving Artikel Tariefgroepen per feit en per categorie Tariefgroepen per feit en per categorie Tariefgroepen per feit en per categorie Tariefgroepen per feit en per categorie Tariefgroepen per feit en per categorie Tariefgroepen per feit en per categorie Tariefgroepen per feit en per categorie Tariefgroepen per feit en per categorie
--- --- --- --- --- --- --- --- --- --- ---
1 2 3 4 5 6 7 8
R 301 als bestuurder van een motorvoertuig niet zoveel mogelijk rechts houden op een autoweg of autosnelweg 3 lid 1 RVV 1990 95 95
R 303 als bestuurder van een motorvoertuig niet zoveel mogelijk rechts houden op een andere weg dan autoweg of autosnelweg 3 lid 1 RVV 1990 95 95
R 304 als bestuurder van een ander voertuig niet zoveel mogelijk rechts houden op een andere weg dan autoweg of autosnelweg 3 lid 1 RVV 1990 40 25 15
R 305 als voetganger niet het voetpad of trottoir gebruiken 4 lid 1 RVV 1990 15
R 306 als voetganger bij gebreke van een voetpad of trottoir niet het fietspad of het fiets/bromfietspad gebruiken 4 lid 2 RVV 1990 15
R 307 als voetganger bij gebreke van een voetpad, een trottoir en een fietspad of fiets/bromfietspad niet de berm of de uiterste zijde van de rijbaan gebruiken 4 lid 3 RVV 1990 15
R 308 als(snor) fietser niet het verplichte fietspad of fiets/bromfietspad gebruiken 5 lid 1 RVV 1990 40 25
R 309 als (snor) fietser bij gebreke van een verplicht fietspad of fiets/bromfietspad niet de rijbaan gebruiken 5 lid 2 RVV 1990 40 25
R 310 als bromfietser niet het fiets/bromfietspad gebruiken 6 lid 1 RVV 1990 40
R 311 als bromfietser niet de rijbaan gebruiken bij ontbreken van een fiets/bromfietspad 6 lid 2 RVV 1990 40
R 312 b als snorfietser met ingeschakelde motor het onverplichte fietspad gebruiken 5 lid 3 RVV 1990 40
R 313 als ruiter niet het ruiterpad gebruiken 8 lid 1 RVV 1990 15
R 314 als ruiter bij gebreke van een ruiterpad niet de berm of de rijbaan gebruiken 8 lid 2 RVV 1990 15
als bestuurder van een motorvoertuig niet de rijbaan gebruiken 10 lid 1 RVV 1990
R 315 a - rijdend 65 65
R 315 b - stilstaand 45 45
R 316 als bestuurder van een bespannen wagen niet de rijbaan gebruiken 10 lid 1 RVV 1990 25
R 317 als bestuurder van een onbespannen wagen niet de rijbaan gebruiken 10 lid 1 RVV 1990 25
R 318 als geleider van rij- of trekdieren of vee niet de rijbaan gebruiken 10 lid 1 RVV 1990 15
R 319 als bestuurder van een motorvoertuig een met een doorgetrokken streep gemarkeerde fietsstrook gebruiken 10 lid 2 RVV 1990 65 65
R 320 als bestuurder van een bespannen wagen een met een doorgetrokken streep gemarkeerde fietsstrook gebruiken 10 lid 2 RVV 1990 25
R 321 als bestuurder van een onbespannen wagen een met een doorgetrokken streep gemarkeerde fietsstrook gebruiken 10 lid 2 RVV 1990 15
R 322 als geleider van rij- of trekdieren of vee een met een doorgetrokken streep gemarkeerde fietsstrook gebruiken 10 lid 2 RVV 1990 15
R 323 als bromfietser een met een doorgetrokken streep gemarkeerde fietsstrook gebruiken 10 lid 2 RVV 1990 40
II. Inhalen
R 326 als bestuurder niet links inhalen 11 lid 1 RVV 1990 95 95 40 25 25
R 327 als bestuurder een andere bestuurder die links heeft voorgesorteerd en een teken geeft linksaf te willen slaan, links inhalen 11 lid 2 RVV 1990 95 95 40 25 25
R 328 als bestuurder een voertuig inhalen vlak voor of op een voetgangersoversteekplaats 12 RVV 1990 160 160 65 25 25
IV. Oprijden van kruispunten
R 331 als bestuurder een kruispunt blokkeren 14 RVV 1990 30 30 25 25 15
V. Verlenen van voorrang
R 336 als bestuurder op een kruispunt geen voorrang verlenen aan bestuurders van rechts 15 lid 1 RVV 1990 95 95 40 25 25
R 337 als bestuurder op een onverharde weg geen voorrang verlenen aan bestuurders op een verharde weg 15 lid 2 sub a RVV 1990 95 95 40 25 25
R 338 als bestuurder geen voorrang verlenen aan bestuurders van een tram 15 lid 2 sub b RVV 1990 95 95 40 25 25
R 340 a als weggebruiker een overweg opgaan, terwijl men niet direct kan doorgaan en de overweg niet geheel vrij kan maken 15a lid 1 RVV 1990 65 65 40 25 65
R 340 b als weggebruiker bij een overweg een railvoertuig niet voor laten gaan en daarbij de overweg niet geheel vrij laten 15a lid 2 RVV 1990 65 65 40 25 65
VI. Doorsnijden militaire kolonnes
R 341 als weggebruiker een militaire kolonne doorsnijden 16 RVV 1990 30 30 25 25 15 25
VII. Afslaan
R 346 als bestuurder afslaan zonder een teken met de richtingaanwijzer of met de arm te geven 17 lid 2 RVV 1990 30 30 25 25 25
R 347 a als bestuurder bij het afslaan niet het verkeer voor laten gaan, dat hen op dezelfde weg tegemoet komt 18 lid 1 RVV 1990 95 95 40 25 25
R 347 b als bestuurder bij het afslaan niet het verkeer voor laten gaan, dat naast dan wel links dicht achter hem bevindt 18 lid 1 RVV 1990 95 95 40 25 25
R 347 c als bestuurder bij het afslaan niet het verkeer voor laten gaan, dat naast dan wel rechts dicht achter hem bevindt 18 lid 1 RVV 1990 95 95 40 25 25
R 348 als bestuurder links afslaan zonder tegemoetkomende bestuurders die op hetzelfde kruispunt rechts afslaan, voor laten gaan 18 lid 2 RVV 1990 95 95 40 25 25
IX. Stilstaan
In de onderdelen stilstaan en parkeren zijn tevens enkele parkeerfeiten uit de plaatselijke verordeningen en de WVW 1994 opgenomen.
een voertuig op een zodanige wijze laten staan waardoor op de weg 5 WVW 1994
R 395 a - gevaar wordt veroorzaakt 70 70 70
R 395 b - gevaar kan worden veroorzaakt, dan wel het verkeer wordt/kan worden gehinderd 45 45 45
als bestuurder een voertuig laten stilstaan 23 lid 1
R 396 a - op een kruispunt sub a RVV 1990 45 45 45
R 396 b - op een fietsstrook sub b RVV 1990 45 45 45
R 396 c - op de rijbaan langs een fietsstrook sub b RVV 1990 45 45 45
R 396 d - op een oversteekplaats of binnen een afstand van vijf meter daarvan sub c RVV 1990 45 45 45
R 396 e - in een tunnel sub d RVV 1990 45 45 45
R 396 f - bij een bord bushalte ter hoogte van de geblokte markering sub e RVV 1990 45 45 45
R 396 g - bij een bord bushalte op een afstand van minder dan twaalf meter van dat bord terwijl de geblokte markering niet is aangebracht sub e RVV 1990 45 45 45
R 396 h - op de rijbaan langs een busstrook sub f RVV 1990 45 45 45
R 396 i - langs een gele doorgetrokken streep 62 jo. 23 lid 1 sub g RVV 1990 45 45 45
R 396 j - op een overweg 23 lid 1 sub a RVV 1990 45 45 45
X. Parkeren
als bestuurder een voertuig parkeren 24 lid 1
R 397 a - bij een kruispunt op een afstand van minder dan vijf meter daarvan sub a RVV 1990 45 45 45
R 397 b - voor een inrit of uitrit sub b RVV 1990 45 45 45
R 397 c - buiten de bebouwde kom op de rijbaan van een voorrangsweg sub c RVV 1990 45 45 45
R 397 d - op een parkeergelegenheid terwijl blijkens de aanduiding onder het bord, dat voertuig niet behoort tot de aangegeven categorie of groep voertuigen sub d RVV 1990 45 45 45
R 397 e - op een parkeergelegenheid, terwijl blijkens de aanduiding onder het bord, dat voertuig staat geparkeerd op een andere dan de aangegeven wijze sub d RVV 1990 45 45 45
R 397 f - op een parkeergelegenheid, terwijl blijkens de aanduiding onder het bord, dat voertuig staat geparkeerd op dagen of uren waarop dit blijkens het onderbord is verboden sub d RVV 1990 45 45 45
R 397 g - langs een gele onderbroken streep sub e RVV 1990 45 45 45
R 397 h - op een gelegenheid bestemd voor onmiddellijk laden en lossen van goederen sub f RVV 1990 45 45 45
R 397 i op een parkeerplaats voor vergunninghouders aangeduid door verkeersbord E9, zonder dat voor dat voertuig een vergunning tot parkeren op die plaats was verleend sub g RVV 1990 45 45 45
R 397 j op een parkeergelegenheid (borden E4 tot en met E13), buiten de aangegeven parkeervakken 24 lid 4 RVV 1990 45 45 45
R 398 als bestuurder een voertuig dubbel parkeren 24 lid 3 RVV 1990 45 45 45
als bestuurder van een motorvoertuig op meer dan twee wielen parkeren op plaatsen die zijn voorzien van een blauwe streep, terwijl dat motorvoertuig 25 lid 2 RVV 1990
R 400 aa - niet is voorzien van een duidelijk zichtbare parkeerschijf, waarop het tijdstip staat aangegeven waarop met parkeren is begonnen 25 lid 2 RVV 1990 45
R 400 ab - is voorzien van een duidelijk zichtbare parkeerschijf en de toegestane parkeertijd is verstreken 25 lid 2 RVV 1990 45
R 401 als bestuurder een voertuig parkeren in een parkeerschijfzone (geldt niet voor parkeerplaatsen, die als zodanig zijn aangeduid of aangegeven of die zijn voorzien van een blauwe streep) 25 lid 1 RVV 1990 45 45 45
R 402 a als bestuurder op een gehandicaptenparkeerplaats parkeren anders dan met een gehandicaptenvoertuig 26 RVV 1990 70 70 70
R 402 b als bestuurder op een gehandicaptenparkeerplaats parkeren anders dan met een motorvoertuig op meer dan twee wielen waarin duidelijk zichtbaar is aangebracht een geldige gehandicaptenparkeerkaart 26 RVV 1990 70 70 70
R 402 c als bestuurder op een gehandicaptenparkeerplaats parkeren anders dan met een voertuig dat voor die gereserveerde gehandicaptenparkeerplaats bestemd is 26 RVV 1990 70 70 70
R 403 a als bestuurder een motorvoertuig op meer dan twee wielen parkeren bij een parkeermeter tijdens een aangegeven tijdvak, terwijl de parkeermeter niet in werking is gesteld of aangeeft dat de parkeerduur is verstreken Pl.V 45
R 403 b als bestuurder een motorvoertuig op meer dan twee wielen parkeren bij een parkeermeter tijdens een aangegeven tijdvak, terwijl aldaar reeds een motorvoertuig staat geparkeerd Pl.V 45
R 404 een muntstuk in een parkeermeter werpen op een tijdstip dat niet samenvalt met of onmiddellijk volgt op de feitelijke aanvang van het parkeren Pl.V 45
R 405 als bestuurder een motorvoertuig op twee wielen, een bromfiets dan wel een fiets parkeren op een parkeervak behorende bij een parkeermeter Pl.V 45 20 20
R 406 een voertuig te doen of laten staan in een park of plantsoen, op openbare beplantingen of groenstroken Pl.V 45 45 45
als bestuurder een voertuig parkeren op een parkeerterrein waar dit slechts met gebruikmaking van een ter plaatse aangebrachte parkeerautomaat is toegestaan Pl.V
R 409 a - anders dan voorzien van een door de parkeerautomaat afgegeven parkeerkaart, aangebracht op de voorgeschreven wijze 45 45 45
R 409 b - terwijl de op de parkeerkaart aangegeven parkeertijd is verstreken 45 45 45
R 409 c - zonder de aangebrachte parkeerautomaat in werking te stellen 45 45 45
R 409 d - terwijl de op de parkeerautomaat aangegeven parkeertijd is verstreken 45 45 45
een voertuig dat, met inbegrip van de lading
R 414 a - langer is dan 6 meter of hoger is dan 2,4 meter parkeren op een plaats, die als schadelijk voor het aanzien van de gemeente is aangewezen. Pl.V 45 45
R 414 b - langer is dan 6 meter, buiten de vastgestelde tijden, parkeren op een aangewezen weg, waar dit parkeren buitensporig is met het oog op de verdeling van de beschikbare parkeerruimte Pl.V 45 45
R 592 als bestuurder een voertuig parkeren op een parkeerplaats voor vergunninghouders zonder (duidelijk zichtbare) parkeervergunning, dan wel in strijd met de aan de parkeervergunning verbonden voorwaarden Pl.V 45 45 45
XII. Signalen
R 418 als bestuurder van een motorvoertuig geen zwaai- of knipperlicht voeren bij werkzaamheden en omstandigheden, waarbij dit, ingevolge artikel 5 van de Regeling optische en geluidssignalen, verplicht is indien de kans bestaat dat dit motorvoertuig niet tijdig wordt opgemerkt 95 95
R 419 signalen geven in andere gevallen of op andere wijze dan is toegestaan 31 RVV 1990 65 65 25 20 65 65
XIII. Het gebruik van lichten tijdens het rijden
als bestuurder van een motorvoertuig, bromfietser, snorfietser of als bestuurder van een gehandicaptenvoertuig geen dim- of grootlicht voeren 32 lid 1 RVV 1990
R 421 a - bij nacht, binnen de bebouwde kom 30 30 25
R 421 b - bij nacht, buiten de bebouwde kom 65 65 40
R 421 c - bij dag, indien het zicht ernstig wordt belemmerd 65 65 40
R 425 als bestuurder van een motorvoertuig, bromfietser, snorfietser of als bestuurder van een gehandicaptenvoertuig groot licht voeren bij dag, bij het tegenkomen van een andere weggebruiker, dan wel bij het op korte afstand volgen van een ander voertuig 32 lid 2 RVV 1990 65 65 40
als bestuurder van een motorvoertuig, bromfietser, snorfietser of als bestuurder van een gehandicaptenvoertuig rijden terwijl niet gelijktijdig met het groot licht, het dimlicht, het stadslicht of het mistlicht, het achterlicht brandt 32 lid 3 RVV 1990
R 426 a - bij nacht, binnen de bebouwde kom 30 30 25
R 426 b - bij nacht, buiten de bebouwde kom 65 65 40
R 426 c - bij dag, indien het zicht ernstig wordt belemmerd 65 65 40
als bestuurder rijden terwijl niet gelijktijdig met het groot licht, het dimlicht, het stadslicht of het mistlicht, de verlichting van de achterkentekenplaat brandt
R 428 a - van een motorvoertuig 32 lid 3 RVV 1990 30 30
R 428 b - van een motorvoertuig met aanhangwagen 33 RVV 1990 30 30
als bestuurder van een motorvoertuig met aanhangwagen geen achterlicht voeren 33 RVV 1990
R 431 d - bij nacht, binnen de bebouwde kom 30 30
R 431 e - bij nacht, buiten de bebouwde kom 65 65
R 431 f - bij dag, indien het zicht ernstig wordt belemmerd 65 65
als bestuurder van een motorvoertuig met aanhangwagen niet het in het Voertuigreglement voorgeschreven stadslicht voeren 33 RVV 1990
R 432 d - bij nacht, binnen de bebouwde kom 30 30
R 432 e - bij nacht, buiten de bebouwde kom 65 65
R 432 f - bij dag, indien het zicht ernstig wordt belemmerd 65 65
R 434 als bestuurder van een motorvoertuig of een gehandicaptenvoertuig anders dan bij mist, sneeuwval of regen, die het zicht ernstig belemmert mistlicht(en) aan de voorzijde voeren 34 lid 1 RVV 1990 65 65 40
R 436 als bestuurder van een motorvoertuig of een gehandicaptenvoertuig mistachterlicht voeren, indien het zicht door mist of sneeuwval niet beperkt is tot een afstand van minder dan 50 meter 34 lid 2 RVV 1990 65 65 40
bij nacht of bij dag, indien het zicht ernstig wordt belemmerd geen voorlicht, dan wel achterlicht voeren 35 RVV 1990
R 437 d - als fietser 15
R 437 g - als bestuurder van een wagen 15
bij nacht of bij dag, indien het zicht ernstig wordt belemmerd geen voor- en achterlicht voeren 35 RVV 1990
R 438 d - als fietser 25
R 438 g - als bestuurder van een wagen 25
bij nacht of bij dag, indien het zicht ernstig wordt belemmerd niet een lantaarn meevoeren die naar voren wit of geel licht en naar achteren rood licht straalt 36 RVV 1990
R 445 c - als ruiter 15
R 445 d - als geleider van rij-, trekdieren of vee 15
XIV. Gebruik van lichten tijdens het stilstaan
bij nacht of bij dag, indien het zicht ernstig wordt belemmerd buiten de bebouwde kom op de rijbaan en op langs autosnelwegen en autowegen gelegen parkeerstroken, parkeerhavens, vluchtstroken en vluchthavens geen stadslicht en achterlicht voeren
R 451 c - als bestuurder van een stilstaand motorvoertuig 38 RVV 1990 65
R 451 d - op een stilstaande aanhangwagen 39 RVV 1990 65
R 453 bij nacht of bij dag, indien het zicht ernstig wordt belemmerd op de rijbaan buiten de bebouwde kom geen voor- en achterlicht voeren op een stilstaande wagen 40 RVV 1990 25
XV. Bijzondere lichten
als bestuurder van een motorvoertuig aan de voorzijde naast het dimlicht of het mistlicht andere verlichting voeren dan bermlicht, richtlicht of markeringslichten 41 RVV 1990
R 456 a - bij nacht 65 65
R 456 b - bij dag, indien het zicht ernstig wordt belemmerd 65 65
XVI. Autowegen en autosnelwegen
R 461 anders dan als bestuurder van een motorvoertuig waarmee sneller mag of kan worden gereden dan 60 kilometer per uur, een autosnelweg gebruiken 42 lid 1 RVV 1990 95 95 65 65 65 65 65
als bestuurder van een motorvoertuig op een autosnelweg
R 462 - keren 43 lid 1 RVV 1990 160 160
R 463 - achteruitrijden 43 lid 1 RVV 1990 160 160
R 464 - deze op de rijbaan laten stilstaan 43 lid 2 RVV 1990 95 95
behoudens in noodgevallen als weggebruiker op een autosnelweg 43 lid 3 RVV 1990
R 465 a - over de vluchtstrook of vluchthaven rijden 160 160
R 465 b - gebruik maken van de berm 95 95
R 465 c - op de vluchtstrook of vluchthaven stilstaan 95 95
R 466 als bestuurder van een samenstel van voertuigen dat langer is dan 7 meter, op een autosnelweg met drie of meer rijstroken in dezelfde richting een andere dan de twee meest rechts gelegen rijstroken gebruiken 43 lid 4 RVV 1990 95
R 467 als bestuurder van een vrachtauto, op een autosnelweg met drie of meer rijstroken in dezelfde richting een andere dan de twee meest rechts gelegen rijstroken gebruiken 43 lid 4 RVV 1990 95
R 468 anders dan als bestuurder van een motorvoertuig waarmee sneller mag of kan worden gereden dan 50 kilometer per uur, een autoweg gebruiken 42 lid 2 RVV 1990 95 95 65 65 65 65 65
als bestuurder van een motorvoertuig op een autoweg
R 469 - keren 43 lid 1 RVV 1990 160 160
R 470 - achteruitrijden 43 lid 1 RVV 1990 160 160
R 471 - deze op de rijbaan laten stilstaan 43 lid 2 RVV 1990 95 95
behoudens in noodgevallen als weggebruiker op een autoweg 43 lid 3 RVV 1990
R 472 a - over de vluchtstrook of vluchthaven rijden 160 160
R 472 b - gebruik maken van de berm 95 95
R 472 c - op de vluchtstrook of vluchthaven stilstaan 95 95
XVII. Erven
R 476 als bestuurder binnen een erf sneller rijden dan stapvoets 45 RVV 1990 65 65 40 25 25
R 478 als bestuurder een motorvoertuig binnen een erf parkeren anders dan op parkeerplaatsen die als zodanig zijn aangeduid of aangegeven 46 RVV 1990 45 45
XIX. Voetgangers
R 481 a als bestuurder een blinde, voorzien van een blindenstok niet voor laten gaan 49 lid 1 RVV 1990 125 125 45 25 25
R 481 b als bestuurder een blinde of een persoon die zich moeilijk voortbeweegt niet voor laten gaan 49 lid 1 RVV 1990 125 125 45 25 25
R 482 als bestuurder een voetganger, die op een voetgangersoversteekplaats oversteekt of kennelijk op het punt staat over te steken, niet voor laten gaan 49 lid 2 RVV 1990 125 125 45 25 25
R 483 als bestuurder een bestuurder van een gehandicaptenvoertuig, die op een voetgangersoversteekplaats oversteekt of kennelijk op het punt staat over te steken, niet voor laten gaan 49 lid 2 RVV 1990 125 125 45 25 25
XX. Voorrangsvoertuigen
R 486 als weggebruiker een voorrangsvoertuig niet voor laten gaan 50 RVV 1990 95 95 40 25 15 25
XXI. Loslopend vee
R 491 rij-, trekdieren of vee zonder toezicht op de weg los laten lopen 51 lid 1 RVV 1990 65
XXII. In- en uitstappende passagiers
R 492 als bestuurder een tram of autobus voorbij rijden aan de zijde waar passagiers in- en uitstappen zonder hen daartoe de gelegenheid te geven 52 RVV 1990 95 95 40 25 25
XXIII. Slepen
R 501 als bestuurder van een motorvoertuig een ander motorvoertuig slepen, terwijl de onderlinge afstand meer dan vijf meter bedraagt 53 RVV 1990 30 30
XXIV. Bijzondere manoeuvres
R 505 als bestuurder wegrijden zonder het overige verkeer voor te laten gaan 54 RVV 1990 95 95 40 25 25
R 506 als bestuurder achteruitrijden zonder het overige verkeer voor te laten gaan 54 RVV 1990 95 95 40 25 25
R 507 als bestuurder uit een uitrit de weg oprijden zonder het overige verkeer voor te laten gaan 54 RVV 1990 95 95 40 25 25
R 508 als bestuurder vanaf een weg een inrit oprijden zonder het overige verkeer voor te laten gaan 54 RVV 1990 95 95 40 25 25
R 509 als bestuurder keren zonder het overige verkeer voor te laten gaan 54 RVV 1990 95 95 40 25 25
R 510 als bestuurder van de invoegstrook de doorgaande rijbaan oprijden zonder het overige verkeer voor te laten gaan 54 RVV 1990 95 95 40 25 25
R 511 als bestuurder van de doorgaande rijbaan de uitrijstrook oprijden zonder het overige verkeer voor te laten gaan 54 RVV 1990 95 95 40 25 25
R 512 als bestuurder van rijstrook wisselen zonder het overige verkeer voor te laten gaan 54 RVV 1990 95 95 40 25 25
R 513 als bestuurder van een motorvoertuig of als bromfietser bij het wegrijden geen teken met de richtingaanwijzer of arm geven 55 RVV 1990 30 30 25
R 514 als bestuurder van een motorvoertuig of als bromfietser bij het inhalen van een ander voertuig geen teken met de richtingaanwijzer of arm geven 55 RVV 1990 30 30 25
R 515 als bestuurder van een motorvoertuig of als bromfietser bij het oprijden van de doorgaande rijbaan geen teken met de richtingaanwijzer of arm geven 55 RVV 1990 30 30 25
R 516 als bestuurder van een motorvoertuig of als bromfietser bij het verlaten van de doorgaande rijbaan geen teken met de richtingaanwijzer of arm geven 55 RVV 1990 30 30 25
R 517 als bestuurder van een motorvoertuig of als bromfietser bij het wisselen van rijstrook geen teken met de richtingaanwijzer of arm geven 55 RVV 1990 30 30 25
R 518 als bestuurder van een motorvoertuig of als bromfietser bij een andere belangrijke zijdelingse verplaatsing geen teken met de richtingaanwijzer of arm geven 55 RVV 1990 30 30 25
R 519 als bestuurder binnen de bebouwde kom geen gelegenheid geven aan een autobus weg te rijden van een halte wanneer de bestuurder van die autobus door het geven van een teken met zijn richtingaanwijzer zijn voornemen daartoe kenbaar maakt 56 lid 1 RVV 1990 30 30 25 15 25
XXV. Onnodig geluid
R 522 als bestuurder van een motorvoertuig of als bromfietser c.q. snorfietser onnodig geluid veroorzaken 57 RVV 1990 95 95 95
XXVI. Gevarendriehoek
R 526 het niet plaatsen van een gevarendriehoek in de voorgeschreven gevallen, op de voorgeschreven wijze bij een stilstaand motorvoertuig op meer dan twee wielen en aanhangwagens, zijnde een obstakel, terwijl geen knipperend waarschuwings-licht wordt gevoerd 58 RVV 1990 30 30
XXVII. Autogordels
R 533 als bestuurder van een motorvoertuig of bromfiets of de naast hen gezeten passagier geen gebruik maken van de voor hen beschikbare autogordel 59 lid 1 RVV 1990 45 45 45
R 534 als niet naast de bestuurder van een motorvoertuig gezeten passagier, geen gebruik maken van de voor hem beschikbare autogordel 59 lid 2 RVV 1990 45
als bestuurder
R 535 a - de naast hem gezeten passagier(s) jonger dan 12 jaren en korter dan 1.50 meter vervoeren, zonder dat er gebruik wordt gemaakt van een voor hem/hen geschikt en goedgekeurd kinderbeveiligingssysteem 59 lid 4 jo. 59 lid 1 RVV 1990 45
R 535 b - de niet naast hem gezeten passagier(s) jonger dan 12 jaren en korter dan 1.50 meter vervoeren, zonder dat er gebruik wordt gemaakt van een voor hem/hen geschikt en goedgekeurd kinderbeveiligingssysteeml, terwijl dit aanwezig is 59 lid 4 jo. 59 lid 2 RVV 1990 45
R 535 c - de niet naast hem gezeten passagier(s) van 3 tot 12 jaren en korter dan 1.50 meter vervoeren, zonder dat er gebruik wordt gemaakt van de voor hem/hen beschikbare autogordel omdat voor hem/hen geen geschikt en goedgekeurd kinderbeveiligingssysteem aanwezig is 59 lid 4 jo. 59 lid 2 RVV 1990 45
R 535 d - passagier(s) jonger dan 12 jaren met een lengte van 1.50 meter of meer vervoeren, zonder dat er gebruik wordt gemaakt van de voor hem/hen beschikbare autogordel 59 lid 4 jo. 59 lid 1 en 2 RVV 1990 45
XXVIII. Helmen
R 536 a als bestuurder of passagier van een bromfiets geen goedpassende helm dragen, die middels een sluiting op deugdelijke wijze is bevestigd en die is voorzien van een goedkeuringsmerk 60 lid 1 RVV 1990 55 55
R 536 c als bestuurder of passagier van een motorfiets dan wel driewielig motorvoertuig geen goedpassende helm dragen, die middels een sluiting op deugdelijke wijze is bevestigd en is voorzien van een goedkeuringsmerk 60 lid 1 RVV 1990 70 70 70
R 537 a als bestuurder van een bromfiets een passagier beneden de twaalf jaren vervoeren, die geen goedpassende helm draagt, die middels een sluiting op deugdelijke wijze is bevestigd en die is voorzien van een goedkeuringsmerk 60 lid 3 RVV 1990 55
R 537 b als bestuurder van een motorfiets dan wel driewielig motorvoertuig een passagier beneden de twaalf jaren vervoeren, die geen goedpassende helm draagt, die middels een sluiting op deugdelijke wijze is bevestigd en is voorzien van een goedkeuringsmerk 60 lid 3 RVV 1990 70 70
XXIX. Zitplaats kinderen op fietsen en bromfietsen
R 541 als bromfietser of fietser een kind beneden acht jaren vervoeren anders dan op een doelmatige en veilige zitplaats met voldoende steun voor rug, handen en voeten 61 RVV 1990 25 20
XXX. Gebruik van mobiele telecommunicatieapparatuur
R 545 als bestuurder tijdens het rijden een mobiele telefoon vast houden 61a RVV 1990 140 140 40
HOOFDSTUK 3. Verkeerstekens
II. Verkeersborden
R 548 als bestuurder in strijd met bord B6 geen voorrang verlenen aan bestuurders op de kruisende weg 62 jo. bord B6 RVV 1990 95 95 40 25 25
als bestuurder in strijd met bord B7 62 jo. bord B7 RVV 1990
R 549 a - niet stoppen 65 65 40 25 25
R 549 b - geen voorrang verlenen aan bestuurders op de kruisende weg 95 95 40 25 25
R 549 c - niet stoppen en geen voorrang verlenen aan bestuurders op de kruisende weg 95 95 40 25 25
als bestuurder een weg gebruiken in strijd met bord C1 (gesloten in beide richtingen voor voertuigen, ruiters en geleiders van rij-, trekdieren of vee) 62 jo. bord C1 RVV 1990
R 550 a - een weg gebruiken 45 45 30 25 30
R 550 b - een weg(gedeelte) bestemd voor aangewezen categorie(ën) voertuigen gebruiken (doelgroepstroken) 65 65 40 25 40
als bestuurder een weg gebruiken in strijd met bord C2 (eenrichtingsweg, in deze richting gesloten voor voertuigen, ruiters en geleiders van rij-, trekdieren of vee) 62 jo. bord C2 RVV 1990
R 551 b - op andere weg dan autoweg of autosnelweg 45 45 30 25 30
als bestuurder een weg gebruiken in strijd met bord
R 552 a - C3 (eenrichtingsweg) 62 jo. bord C3 RVV 1990 45 45 30 25 30
R 552 b - C4 (eenrichtingsweg) 62 jo. bord C4 RVV 1990 45 45 30 25 30
als bestuurder van een motorvoertuig op meer dan twee wielen in strijd met bord C6 (geslotenverklaring voor motorvoertuig op meer dan twee wielen) 62 jo. bord C6 RVV 1990
R 553 b - een weg gebruiken 45
R 553 c - een weg(gedeelte) bestemd voor carpoolen gebruiken 65
R 554 als bestuurder van een vrachtauto een weg gebruiken in strijd met bord C7 (geslotenverklaring voor vrachtauto's) 62 jo. bord C7 RVV 1990 45
R 555 als bestuurder van een motorvoertuig dat niet sneller kan of mag rijden dan 25 kilometer per uur een weg gebruiken in strijd met bord C8 (geslotenverklaring voor motorvoertuig dat niet sneller kan of mag rijden dan 25 kilometer per uur) 62 jo. bord C8 RVV 1990 45
R 556 als ruiter, geleider van rij-, trekdieren of vee, bestuurder van een wagen, een motorvoertuig dat niet sneller kan of mag rijden dan 25 kilometer per uur, een brommobiel, een fiets, een bromfiets of een gehandicaptenvoertuig in strijd met bord C9 een weg gebruiken (geslotenverklaring) 62 jo. bord C9 RVV 1990 45 30 25 30
R 557 als bestuurder van een motorvoertuig met aanhangwagen een weg gebruiken in strijd met bord C10 (geslotenverklaring voor motorvoertuig met aanhangwagen) 62 jo. bord C10 RVV 1990 45 45
R 558 als bestuurder van een motorfiets een weg gebruiken in strijd met bord C11 (geslotenverklaring motorfiets) 62 jo. bord C11 RVV 1990 45
R 559 als bestuurder van een motorvoertuig een weg gebruiken in strijd met bord C12 (geslotenverklaring voor alle motorvoertuigen) 62 jo. bord C12 RVV 1990 45 45
R 560 als bestuurder van een bromfiets, snorfiets of gehandicaptenvoertuig met motor een weg gebruiken in strijd met bord C13 (geslotenverklaring voor bromfiets, snorfiets of gehandicaptenvoertuig met motor) 62 jo. bord C13 RVV 1990 30
R 561 als bestuurder van een fiets of gehandicaptenvoertuig zonder motor een weg gebruiken in strijd met bord C14 (geslotenverklaring voor fiets of gehandicaptenvoertuig zonder motor) 62 jo. bord C14 RVV 1990 25
R 562 als bestuurder van een fiets, een bromfiets of gehandicaptenvoertuig een weg gebruiken in strijd met bord C15 (geslotenverklaring voor fiets, bromfiets of gehandicaptenvoertuig) 62 jo. bord C15 RVV 1990 30 25
R 563 als voetganger een weg gebruiken in strijd met bord C16 (geslotenverklaring voor voetgangers) 62 jo. bord C16 RVV 1990 20
R 564 als bestuurder van een voertuig of samenstel van voertuigen een weg gebruiken in strijd met bord C17 (geslotenverklaring voor voertuigen en samenstellen van voertuigen die, met inbegrip van de lading, langer zijn dan op het bord C17 is aangegeven) 62 jo. bord C17 RVV 1990 95 95
R 565 als bestuurder van een voertuig een weg gebruiken in strijd met bord C18 (geslotenverklaring voor voertuigen die, met inbegrip van de lading, breder zijn dan op het bord C18 is aangegeven) 62 jo. bord C18 RVV 1990 95 95
R 566 als bestuurder van een voertuig een weg gebruiken in strijd met bord C19 (geslotenverklaring voor voertuigen die, met inbegrip van de lading, hoger zijn dan op het bord C19 is aangegeven) 62 jo. bord C19 RVV 1990 95 95
als bestuurder van een voertuig een weg gebruiken in strijd met bord C20 (geslotenverklaring voor voertuigen waarvan de aslast hoger is dan op het bord C20 is aangegeven) met een overschrijding van 62 jo. bord C20 RVV 1990
R 567 a - niet meer dan 10% 95 95
R 567 b - 11% tot en met 20% 125 125
R 567 c - 21% tot en met 30% 320 320
als bestuurder van een voertuig een weg gebruiken in strijd met bord C21 (geslotenverklaring voor voertuigen en samenstellen van voertuigen waarvan de totaalmassa hoger is dan op het bord C21 is aangegeven) met een overschrijding van 62 jo. bord C21 RVV 1990
R 568 a - niet meer dan 10% 95 95
R 568 b - 11% tot en met 20% 125 125
R 568 c - 21% tot en met 30% 320 320
als bestuurder van een samenstel van voertuigen een weg gebruiken in strijd met bord C21 (geslotenverklaring voor voertuigen en samenstellen van voertuigen waarvan de totaalmassa hoger is dan op het bord C21 is aangegeven) met een overschrijding van 62 jo. bord C21 RVV 1990
R 569 a - niet meer dan 10% 95 95
R 569 b - 11% tot en met 20% 125 125
R 569 c - 21% tot en met 30% 320 320
R 574 als bestuurder rijden in strijd met de door bord D1 aangegeven rijrichting (rotonde; verplichte rijrichting) 62 jo. bord D1 RVV 1990 45 45 30 25 30
R 575 als bestuurder rijden in strijd met bord D2 aan de andere zijde dan het bord aangeeft (gebod voor alle bestuurders het bord D2 voorbij te gaan aan de zijde die de pijl aangeeft) 62 jo. bord D2 RVV 1990 45 45 30 25 30
R 576 als bestuurder in strijd met bord D4 een andere rijrichting volgen dan op het bord is aangegeven (gebod tot het volgen van de rijrichting die op het bord D4 is aangegeven) 62 jo. bord D4 RVV 1990 45 45 30 25 30
R 577 als bestuurder in strijd met bord D5 een andere rijrichting volgen dan op het bord is aangegeven (gebod tot het volgen van de rijrichting die op het bord D5 is aangegeven) 62 jo. bord D5 RVV 1990 45 45 30 25 30
R 578 als bestuurder in strijd met bord D6 een andere rijrichting volgen dan op het bord is aangegeven (gebod tot het volgen van één van de rijrichtingen die op het bord D6 zijn aangegeven) 62 jo. bord D6 RVV 1990 45 45 30 25 30
R 579 als bestuurder in strijd met bord D7 een andere rijrichting volgen dan op het bord is aangegeven (gebod tot het volgen van één van de rijrichtingen die op het bord D7 zijn aangegeven) 62 jo. bord D7 RVV 1990 45 45 30 25 30
R 580 als bestuurder in strijd met bord 46/47 linksaf slaan op autoweg of autosnelweg 62 jo. bord 46/47 Rvv 1966 65 65
R 581 als bestuurder in strijd met bord 46/47 linksaf slaan op andere weg dan autoweg of autosnelweg 62 jo. bord 46/47 Rvv 1966 45 45 30 25 30
R 582 als bestuurder in strijd met bord 46/47 rechtsaf slaan op autoweg of autosnelweg 62 jo. bord 46/47 Rvv 1966 65 65
R 583 als bestuurder in strijd met bord 46/47 rechtsaf slaan op andere weg dan autoweg of autosnelweg 62 jo. bord 46/47 Rvv 1966 45 45 30 25 30
R 584 als bestuurder een voertuig parkeren in strijd met bord E1 (parkeerverbod) 62 jo. bord E1 RVV 1990 45 45 45
R 585 als bestuurder een voertuig laten stilstaan in strijd met bord E2 (verbod stilstaan) 62 jo. bord E2 RVV 1990 45 45 45
R 593 als bestuurder van een motorvoertuig in strijd met bord F1 een motorvoertuig inhalen (verbod voor motorvoertuigen om elkaar onderling in te halen) 62 jo. bord F1 RVV 1990 95 95
R 594 als bestuurder van een vrachtauto in strijd met bord F3 een motorvoertuig inhalen (verbod voor vrachtauto's om motorvoertuigen in te halen) 62 jo. bord F3 RVV 1990 95
R 595 als bestuurder in strijd met bord F5 doorgaan bij nadering van verkeer uit tegengestelde richting (verbod voor bestuurders door te gaan bij nadering van verkeer uit tegengestelde richting) 62 jo. bord F5 RVV 1990 45 45 30 25 30
R 596 als bestuurder in strijd met bord F7 keren 62 jo. bord F7 RVV 1990 45 45 30 25 30
R 597 als bestuurder in strijd met bord F10 niet stoppen 62 jo. bord F10 RVV 1990 95 95 40 25 25
III. Verkeerslichten
R 601 als weggebruiker niet doorgaan bij groen licht bij een driekleurig verkeerslicht 62 jo. 68 lid 1 sub a RVV 1990 65 65
R 602 als weggebruiker niet stoppen voor rood licht bij een driekleurig verkeerslicht 62 jo. 68 lid 1 sub c RVV 1990 95 95 40 25 20 25
R 603 als fietser, bromfietser of bestuurder van een gehandicaptenvoertuig bij geel of rood licht bij een driekleurig verkeerslicht rechts afslaan zonder het overige verkeer ter plaatse voor te laten gaan 62 jo. 68 lid 6 RVV 1990 25 25
R 604 als weggebruiker niet stoppen voor rood licht bij tweekleurig verkeerslicht 62 jo. 69 lid 1 sub b RVV 1990 95 95 40 25 20 25
R 605 als fietser, bromfietser of bestuurder van een gehandicaptenvoertuig bij geel of rood licht bij een tweekleurig verkeerslicht rechts afslaan zonder het overige verkeer ter plaatse voor te laten gaan 62 jo. 69 lid 2 ivm 68 lid 6 RVV 1990 25 25
R 606 als bestuurder van een tram, autobus of lijnbus niet stoppen voor rood tram-/buslicht 62 jo. 70 lid 1 sub c ivm 70 lid 3, 4 RVV 1990 95 95
R 607 als bestuurder van een tram niet stoppen voor rood licht bij driekleurig verkeerslicht 62 jo. 68 lid 1 sub c RVV 1990 95
R 608 als weggebruiker niet stoppen voor rood knipperlicht bij overweglichten 62 jo. 71 sub b RVV 1990 95 95 40 25 20 25
R 609 als weggebruiker niet stoppen voor rood (knipper)licht bij bruglichten 62 jo. 72 RVV 1990 95 95 40 25 20 25
R 610 als weggebruiker bij verlicht rood kruis een rijstrook gebruiken 62 jo. 73 sub b RVV 1990 95 95
R 611 als bestuurder van een ander voertuig dan een lijnbus een door een verlichte afbeelding van «BUS» gemarkeerde rijstrook gebruiken 62 jo. 73 sub D RVV 1990 65 65 40 25 40
R 612 als voetganger of bestuurder van een gehandicaptenvoertuig beginnen over te steken bij rood voetgangerslicht 62 jo. 74 lid 1 sub c RVV 1990 20 20 20
R 613 als voetganger of bestuurder van een gehandicaptenvoertuig bij het oversteken het overige verkeer ter plaatse niet voor laten gaan, indien het rode licht is vervangen door een geel knipperlicht als bedoeld in artikel 75 van het RVV 1990 62 jo. 74 lid 2 RVV 1990 20 20 20
R 614 als weggebruiker niet stoppen voor rood licht bij toeritdosering 62 jo. 68 lid 1 sub c RVV 1990 45 45
IV. Verkeerstekens op het wegdek
R 616 a als bestuurder de doorgetrokken streep tussen rijstroken dan wel op paden met verkeer in beide richtingen naar links overschrijden 62 jo. 76 lid 1 sub a RVV 1990 125 125 40 25 25
R 616 b als bestuurder zich bevinden links van de doorgetrokken streep tussen rijstroken dan wel op paden met verkeer in beide richtingen 62 jo. 76 lid 1 sub a RVV 1990 125 125 40 25 25
R 617 als bestuurder de doorgetrokken streep tussen rijstroken dan wel op paden met verkeer in één richting overschrijden 62 jo. 76 lid 1 sub b RVV 1990 125 125 40 25 25
R 618 als bestuurder een verdrijvingsvlak gebruiken 62 jo. 77 RVV 1990 125 125 40 25 25
R 619 als bestuurder van een motorvoertuig of als bromfietser die de rijbaan volgt op een kruispunt niet de richting volgen die de voorsorteerstrook waarop zij zich bevinden aangeeft 62 jo. 78 RVV 1990 95 95 40
R 620 als bestuurder niet stoppen voor stopstreep daar waar dit op grond van het RVV 1990 verplicht is 62 jo. 79 RVV 1990 95 95 40 25 25
R 621 als bestuurder in strijd met op het wegdek aangebrachte haaietanden geen voorrang verlenen aan bestuurders op de kruisende weg 62 jo. 80 RVV 1990 95 95 40 25 25
R 622 als weggebruiker, anders dan als bestuurder van een lijnbus of autobus, gebruik maken van een busbaan of- strook aangeduid met « Bus» 62 jo. 81 RVV 1990 65 65 40 25 20 25
R 622 a als weggebruiker, anders dan als bestuurder van een lijnbus, gebruik maken van een busbaan of –strook aangeduid met: «lijnbus» 62 jo. 81 RVV 90 65 65 40 25 20 25
HOOFDSTUK 4. Aanwijzingen
I. Verplichtingen weggebruikers
R 628 a als weggebruiker niet stoppen voor een stopteken, gegeven door middel van een rode lamp 83 RVV 1990 95 95 40 25 20 25
R 628 b als weggebruiker niet stoppen voor een stopteken, gegeven met een aan een politievoertuig aangebrachte transparant 83 RVV 1990 95 95 40 25 20 25
als weggebruiker niet opvolgen van de in de Bijlage II RVV 1990 vastgestelde aanwijzingen
R 630 a - gegeven door daartoe bevoegde en als zodanig kenbare ambtenaren 82 lid 1 ivm Bijlage II RVV 1990 95 95 40 25 20 25
Nummers R 701 – R 703 Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer (BABW)
R 701 zonder daartoe krachtens het Besluit bevoegd te zijn verkeerstekens op, langs of boven de wegen aan te brengen, te doen aanbrengen, aangebracht houden, te verwijderen, dan wel de zichtbaarheid daarvan weg te nemen 1a BABW 65
R 702 voorwerpen, inrichting of borden, van welke aard ook, die het verkeer in verwarring zouden kunnen brengen op, langs of boven de wegen aan te brengen, te doen aanbrengen of aangebracht houden 2 BABW 65
R 703 niet zo spoedig mogelijk op de juiste wijze inleveren van ongeldige gehandicaptenparkeerkaart 55 jo. 51 BABW 65
Nummers K 405 – K 550 Kentekenreglement (KR)
K 405 de kentekenplaat voldoet niet aan de gestelde eisen 5 lid 1 en 3 Kr 65
K 415 a deel II en het overschrijvingsbewijs niet terstond aan de nieuwe eigenaar of houder overdragen 26 lid 1 sub a Kr 30
K 415 b deel I afgeven terwijl het vrijwaringsbewijs en het oude deel II nog niet is ontvangen 26 lid 1 sub b Kr 125
K 415 c het ontvangstbewijs afgeven terwijl het vrijwaringsbewijs en het oude deel II nog niet is ontvangen 26 lid 1 sub b jo. 18 Kr 125
K 420 als nieuwe eigenaar of houder niet binnen een week op de voorgeschreven wijze het kentekenbewijs overschrijven 26 lid 2 Kr 255
K 425 het vrijwaringsbewijs en het oude deel II niet terstond aan de vorige eigenaar of houder afgeven 26 lid 4 Kr 30
K 430 deel I niet terstond aan de nieuwe eigenaar of houder afgeven na ontvangst van het vrijwaringsbewijs en het oude deel II 26 lid 5 Kr 30
K 435 het ontvangstbewijs niet terstond aan de nieuwe eigenaar of houder afgeven na ontvangst van het vrijwaringsbewijs en het oude deel II 26 lid 5 jo. 18 Kr 30
K 440 a deel II en het overschrijvingsbewijs niet terstond aan het erkende bedrijf overdragen 27 lid 2 sub a Kr 30
K 440 b deel I afgeven terwijl het vrijwaringsbewijs en het oude deel II nog niet is ontvangen 27 lid 2 sub b Kr 125
K 440 c het ontvangstbewijs afgeven terwijl het vrijwaringsbewijs en het oude deel II nog niet is ontvangen 27 lid 2 sub b jo. 18 Kr 125
K 445 deel I niet terstond aan het erkende bedrijf afgeven na ontvangst van het vrijwaringsbewijs en het oude deel II 27 lid 6 Kr 30
K 450 het ontvangstbewijs niet terstond aan het erkende bedrijf afgeven na ontvangst van het vrijwaringsbewijs en het oude deel II 27 lid 6 jo. 18 Kr 30
bedrijfsvoorraad deel II en het overschrijvingsbewijs niet terstond overdragen aan 28 lid 1 jo.
K 455 a - de nieuwe eigenaar of houder (particulier) 26 lid 1 sub a Kr 65
K 455 b - het erkende bedrijf 27 lid 2 sub a Kr 65
als erkend bedrijf deel I afgeven terwijl het vrijwaringsbewijs en het oude deel II nog niet is ontvangen, van 28 lid 1 jo.
K 460 a - een particulier 26 lid 1 sub b Kr 160
K 460 b - een erkend bedrijf 27 lid 2 sub b Kr 160
K 465 als nieuwe eigenaar of houder (particulier) niet binnen een week op de voorgeschreven wijze het kentekenbewijs overschrijven 28 lid 1 jo. 26 lid 2 Kr 255
K 470 als particulier het vrijwaringsbewijs en het oude bedrijfsvoorraad deel II niet terstond aan de vorige eigenaar of houder afgeven 28 lid 1 jo. 26 lid 4 Kr 30
deel I na ontvangst van het vrijwaringsbewijs en het oude bedrijfsvoorraad deel II niet terstond afgeven aan 28 lid 1 jo.
K 475 a - de nieuwe eigenaar of houder (particulier) 26 lid 5 Kr 65
K 475 b - het erkende bedrijf 27 lid 6 Kr 65
K 480 als erkend bedrijf niet binnen een week op de voorgeschreven wijze het kentekenbewijs overschrijven (voertuig bestemd voor eigen gebruik) 28 lid 2 Kr 255
K 485 als meerderjarige eigenaar of houder na overlijden van de kentekenhouder niet binnen vijf weken op de voorgeschreven wijze het kentekenbewijs op zijn naam overschrijven 29 lid 1 Kr 255
K 490 a het (bedrijfsvoorraad) deel II en het overschrijvingsbewijs niet terstond aan de nieuwe eigenaar of houder overdragen 31 lid 1 sub a en 31 lid 6 jo. lid 1 Kr 30
K 490 b deel I afgeven terwijl het afschrift van de uitvoerverklaring nog niet is ontvangen 31 lid 1 sub b Kr 125
K 490 c het ontvangstbewijs afgeven terwijl het afschrift van de uitvoerverklaring nog niet is ontvangen 31 lid 1 sub b jo. 18 Kr 125
K 495 als nieuwe eigenaar of houder niet binnen een week de vereiste documenten bij de Minister van Verkeer en Waterstaat inleveren 31 lid 2 en 31 lid 6 jo. lid 2 Kr 255
K 500 als nieuwe eigenaar of houder het afschrift van de uitvoerverklaring niet terstond aan de vorige eigenaar of houder afgeven 31 lid 4 Kr 30
K 505 als eigenaar of houder deel I niet terstond aan de nieuwe eigenaar of houder afgeven na ontvangst van het afschrift van de uitvoerverklaring 31 lid 5 Kr 30
K 510 als eigenaar of houder het ontvangstbewijs niet terstond aan de nieuwe eigenaar of houder afgeven na ontvangst van het afschrift van de uitvoerverklaring 31 lid 5 jo. 18 Kr 30
K 515 als nieuwe eigenaar of houder niet terstond een aangewezen legitimatiebewijs en de uitvoerverklaring inleveren bij het erkende bedrijf dat de uitvoer geautomatiseerd registreert 32 lid 2 Kr 255
K 520 als kentekenhouder/bij overlijden zijn erfgenaam, niet de vereiste documenten inleveren bij de Minister van Verkeer en Waterstaat, wanneer het voertuig voorgoed buiten Nederland wordt gebracht 33 lid 1 Kr en 33 lid 3 jo. lid 1 Kr 255
K 525 niet op de voorgeschreven wijze een nieuw deel I aanvragen, indien het voertuig niet meer overeenstemt met de gegevens op het afgegeven deel I 34 lid 1 Kr 160
K 535 als kentekenhouder het handelaarskenteken niet op de voorgeschreven wijze gebruiken 44 Kr 160
K 540 het ongeldig verklaarde handelaarskentekenbewijs niet onverwijld inleveren 45 lid 2 Kr 255
K 545 de verstrekte formulieren en bedrijfsvoorraadpassen niet onverwijld inleveren 49 lid 1 Kr 255
K 550 kentekenbewijzen en duplicaten afgegeven op basis van de (oude) Wegenverkeerswet en die hun geldigheid hebben verloren, niet onverwijld inleveren 54 lid 2 Kr 255
Nummer K 600 Reglement rijbewijzen (RR)
K 600 als bestuurder van een motorrijtuig van de rijbewijscategorie A niet op eerste vordering het theoriecertificaat dan wel de oproep voor het examen ter inzage geven 2 lid 2 RR 30

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.