Besluit van 5 augustus 2000, houdende intrekking van het Besluit studiefinanciering en vervanging door het Besluit studiefinanciering 2000 ter uitvoering van de Wet studiefinanciering 2000 (Besluit studiefinanciering 2000)
Op de voordracht van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen van 16 juni 2000, nr. 2000/23 732 (1707), directie Wetgeving en Juridische Zaken;
Gelet op de artikelen 1.1, eerste lid, 2.2, onderdeel c, 2.11, 3.3, tweede lid, 3.14, derde lid, 8.1, eerste lid, 8.2, tweede lid, 9.6, 10.6, zevende lid, 11.1, 11.6 en 11.7 van de Wet studiefinanciering 2000;
De Raad van State gehoord (advies van 13 juli 2000, nr. W05.00.0236/III);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen van 27 juli 2000, nr. 2000/27 634 (1707), directie Wetgeving en Juridische Zaken;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Hoofdstuk 1. Algemeen
Artikel 1. Begripsbepalingen
In dit besluit wordt verstaan onder:
aflosfase: aflosfase, bedoeld in artikel 6.7 van de wet, en
wet: Wet studiefinanciering 2000.
In hoofdstuk 3a van dit besluit wordt verstaan onder aanvullende beurs: toegekende en uitbetaalde aanvullende beurs als bedoeld in artikel 6.2, tweede lid, van de wet.
Artikel 2. Gecorrigeerde belastbare minimumloon
Onder «gecorrigeerde belastbare minimumloon», bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de wet, wordt verstaan:
- a. de som van:
- 1°. het bedrag, genoemd in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, getotaliseerd over de kalendermaanden van het kalenderjaar, en
- 2°. een bedrag gelijk aan de som van het volgens artikel 15, eerste lid, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag van toepassing zijnde percentage van het minimumloon, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag over de 12 maanden aanvangende in de maand juni voorafgaand aan het jaar waarvoor het gecorrigeerde belastbare minimumloon wordt vastgesteld,
- b. vermeerderd met het door de werkgever verschuldigde gedeelte van de premie voor de verzekering ingevolge de Ziekenfondswet over de som van de hiervoor in onderdeel a bedoelde bedragen,
- c. verminderd met het bedrag van de premies die, bij een loon gelijk aan de overeenkomstig de in onderdeel a bepaalde som, bij wijze van inhouding zouden zijn geheven ingevolge de Werkloosheidswet, en
- d. verminderd met 12% van het loon uit tegenwoordige dienstbetrekking, maar niet minder dan € 119,-, en niet meer dan € 1605,–.
Indien ingevolge de Werkloosheidswet, een premie wordt ingehouden waarvan het percentage per bedrijfstak verschilt, wordt bij toepassing van het eerste lid een gemiddeld percentage gehanteerd.
Indien in de loop van het kalenderjaar de premie ingevolge de Ziekenfondswet of de Werkloosheidswet wijziging ondergaat, wordt de hoogte van de premie over het gehele kalenderjaar naar evenredigheid berekend.
Hoofdstuk 2. Reikwijdte
Artikel 3. Nationaliteit
Met een Nederlander wordt gelijkgesteld de vreemdeling die in Nederland rechtmatig verblijf heeft:
- a. op grond van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14, van de Vreemdelingenwet 2000, onder de beperking:
- 1°. verband houdende met gezinshereniging of gezinsvorming als bedoeld in artikel 15 van de Vreemdelingenwet 2000met een Nederlander of met een vreemdeling als bedoeld in de onderdelen a of b van dit artikel,
- 2°. verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling, of
- 3°. verblijf ter adoptie of als pleegkind of als gevolg daarvan voortgezet verblijf,
- b. op grond van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 20 van die wet,
- c. op grond van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van die wet,
- d. op grond van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 33 van die wet,
- e. bedoeld in artikel 8, onderdelen g of h van die wet, voor zover hij reeds studiefinancieringsgenietende is, of
- f. ten behoeve van wie of aan wie een tegemoetkoming is verstrekt als bedoeld in de hoofdstukken 3 of 4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten.
Artikel 4. Aangewezen onderwijs
Het onderwijs, bedoeld in artikel 2.11 van de wet, is het onderwijs aan:
- a. Stichting Kweekschool voor Vroedvrouwen te Amsterdam,
- b. Vroedvrouwenschool Kerkrade uitgaande van de RK Stichting Moederschapszorg te Kerkrade,
- c. Stichting Rotterdamse Opleiding tot Verloskundige te Rotterdam,
- d. Stichting Rijksakademie van beeldende kunsten te Amsterdam,
- e. Stichting Jan van Eyk-Akademie te Maastricht, en
- f. Opleiding Restauratoren, onderdeel van het Instituut Collectie Nederland te Amsterdam.
Artikel 5. Normbedrag particuliere ziektekostenverzekering
Op het normbedrag voor de particuliere ziektekostenverzekering, bedoeld in artikel 3.3, tweede lid, van de wet, worden per 1 januari van ieder kalenderjaar ten hoogste twee correcties op het normbedrag, genoemd in artikel 3.18, overzicht 1, of het daarvoor in de plaats getreden normbedrag, aangebracht:
- a. indien een overheveling van verstrekkingen naar de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten in het kader van de stelselwijziging zorgsector heeft plaatsgevonden, wordt door Onze Minister het normbedrag daaraan aangepast, en
- b. het normbedrag, of indien onderdeel a is toegepast, het door toepassing van onderdeel a gewijzigde normbedrag, wordt per 1 januari van ieder kalenderjaar door Onze Minister overeenkomstig artikel 17, tweede lid, aangepast.
Hoofdstuk 3. Weigerachtige of onvindbare ouders
Artikel 6. Algemeen
Aanspraak op aanvullende beurs als bedoeld in artikel 3.14, eerste lid, van de wet bestaat in ieder geval, indien:
- a. sprake is van een ernstig en structureel conflict tussen ouder en studerende,
- b. de ouder uit het ouderlijk gezag is ontzet of ontheven,
- c. de studerende geen contact met de ouder heeft,
- d. sprake is van voor de studerende niet inbare alimentatie als bedoeld intitel 17 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, of
- e. gegevens over het inkomen van de ouder niet kunnen worden achterhaald.
Artikel 7. Conflicteis
Van een ernstig en structureel conflict tussen ouder en studerende als bedoeld in artikel 6, onderdeel a, is sprake, indien de ouder om ernstige redenen structureel weigert de veronderstelde ouderlijke bijdrage te verstrekken.
De IB-Groep stelt bij de ouder vast dat er sprake is van weigering. Indien die ouder geen medewerking voor die vaststelling verleent, kan de verklaring van een onafhankelijke derde voor de betreffende ouderverklaring in de plaats treden.
De ernst van het conflict wordt aangetoond aan de hand van een verklaring afgegeven door een ter zake deskundige.
Artikel 8. Uit ouderlijk gezag ontzet of ontheven
Als bewijs dat de ouder uit het ouderlijk gezag is ontzet of ontheven, bedoeld in artikel 6, onderdeel b, dient een afschrift van de beschikking van de rechtbank.
Artikel 9. Geen contact sinds 12e jaar
Van geen contact met de ouder als bedoeld in artikel 6, onderdeel c, is sprake, indien de studerende vanaf de maand waarin hij de leeftijd van 12 jaren heeft bereikt geen wezenlijk contact met de ouder had. Als bewijs dient een verklaring van een ter zake deskundige.
Artikel 10. Niet inbare alimentatie
Van voor de studerende niet inbare alimentatie als bedoeld in artikel 6, onderdeel d, is sprake, indien de alimentatie oninbaar is gedurende ten minste 12 maanden voorafgaande aan de maand waarin de studerende voor het eerst studiefinanciering ontvangt. Als bewijs dient een verklaring van een ter zake deskundige.
Artikel 11. Onbekende verblijfplaats ouder
Indien de studerende de verblijfplaats van de ouder niet kent, onderzoekt de IB-Groep in een geval als bedoeld in artikel 6, onderdeel e, de verblijfplaats van die ouder gedurende ten hoogste 3 maanden onderscheidenlijk ten hoogste 6 maanden in geval van onderzoek in het buitenland. Indien de verblijfplaats van die ouder niet wordt achterhaald, wordt geen rekening gehouden met de veronderstelde ouderlijke bijdrage.
Indien de verblijfplaats van een ouder wordt achterhaald, vraagt de IB-Groep bij die ouder of bij de belastingdienst de gegevens op over het belastbare inkomen.
Artikel 12. Draagkracht uit alimentatie
Indien een studerende van zijn ouder alimentatie als bedoeld in artikel 6, onderdeel d, ontvangt, komt de ontvangen alimentatie van de studerende in de plaats van de veronderstelde ouderlijk bijdrage. Als bewijs van de hoogte van de alimentatie dient in ieder geval de beschikking van de rechtbank of een notariële akte. Het bedrag dat in het bewijsstuk wordt genoemd, wordt vermeerderd met de wettelijke indexering.
Indien nog geen beschikking is afgegeven, wordt de ontvangen alimentatie van de studerende in de plaats van de veronderstelde ouderlijk bijdrage gesteld vanaf de datum dat het verzoek bij de rechtbank is ingediend.
Hoofdstuk 3a. Kwijtschelding aanvullende beurs
Artikel 13. Uitbetaling
Studiefinanciering wordt uitbetaald door bijschrijving op de daartoe door de studerende aangewezen bank- of postbankrekening in Nederland.
Studiefinanciering wordt uitbetaald tussen de twintigste en dertigste dag van elke maand.
Indien een herzieningsbeschikking als bedoeld in artikel 7.1, eerste en tweede lid, van de wet een beschikking op een bezwaarschrift of een uitspraak op een beroep daartoe aanleiding geeft, wordt het bedrag aan studiefinanciering dat te weinig was toegekend, aan de betrokkene ineens uitbetaald of met hem verrekend.
Artikel 14. Voorschot lesgeld
Aan een deelnemer in wiens budget de tegemoetkoming, bedoeld in artikel 3.2, derde lid, onderdeel a, van de wet, is opgenomen en aan wie over de maand augustus van enig kalenderjaar een aanvullende beurs is toegekend die groter is dan het bedrag van de maximale aanvullende beurs verminderd met € 90,-, wordt in die maand een voorschot verstrekt op die tegemoetkoming. Het voorschot bedraagt 12 maal deze maandelijkse tegemoetkoming voor het studiejaar dat aanvangt in dat kalenderjaar.
Het eerste lid is van toepassing indien een aanvullende beurs zou zijn toegekend ingeval de artikelen 4.3 en 4.5 van de wet niet waren toegepast.
De maandbetaling wordt met ingang van de maand augustus van het kalenderjaar waarin het voorschot is verstrekt, verminderd met eentwaalfde deel van het bedrag van het voorschot.
Ingeval de aanspraak van een deelnemer op studiefinanciering na 30 september van een studiejaar wordt beëindigd en hem niet met betrekking tot een latere maand in dat studiejaar opnieuw studiefinanciering of een tegemoetkoming als bedoeld in de hoofdstukken 5 of 10 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten wordt toegekend, wordt het voorschot voorzover dat betrekking heeft op de maanden waarin geen aanspraak op studiefinanciering bestond, niet verrekend of teruggevorderd.
Artikel 15. Verrekening voorschot lesgeld
Ten aanzien van degenen die lesgeld zijn verschuldigd op grond van artikel 3 van de Les- en cursusgeldwet, wordt het voorschot, bedoeld in artikel 14, niet uitbetaald maar verrekend met de verplichting tot het betalen van lesgeld.
Hoofdstuk 5. Verstrekken van inlichtingen
Artikel 16. Verstrekken van inlichtingen
Het verstrekken van inlichtingen, benodigd voor de uitvoering van de wet, door organen met een publiekrechtelijke taak geschiedt binnen 8 weken na de dag van verzending van de aanvraag om inlichtingen, indien door de gemeente te verschaffen inlichtingen onderzoek buiten de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens noodzakelijk maken. In alle overige gevallen geschiedt het verstrekken van inlichtingen binnen 4 weken na de dag van verzending van de aanvraag om inlichtingen. De IB-Groep kan bij de aanvraag om inlichtingen aangeven hoe de overdracht van informatie moet plaatsvinden.
Het eerste lid, tweede en derde volzin, is van overeenkomstige toepassing op het verstrekken van gegevens door de inspecteur, bedoeld in artikel 9.6a van de wet.
Hoofdstuk 6. Aanpassing van bedragen
Artikel 17. Aanpassing van bedragen
Onze Minister past de bedragen, genoemd in de artikelen 3.9, derde lid, en 3.17, eerste lid, van de wet, per 1 januari van ieder kalenderjaar aan met de procentuele wijziging die het indexcijfer van de CAO-lonen in het tweede daaraan voorafgaande kalenderjaar heeft ondergaan.
Onze Minister past de bedragen, genoemd in de artikelen 3.18, met uitzondering van de maximale aanvullende beurs,5.2, 5.4 en 10.3 van de wet per 1 januari van ieder kalenderjaar aan met de procentuele wijziging die de consumentenprijsindex over het tweede daaraan voorafgaande kalenderjaar heeft ondergaan.
Bij ministeriële regeling wordt bepaald wat onder de consumentenprijsindex en het indexcijfer van de CAO-lonen wordt verstaan.
Hoofdstuk 7. Omzetting tempobeurs
Artikel 18. Omzetting voor tempobeursstudenten van lening in gift
Indien over een studiejaar de tempobeurs van een student op grond van artikel 10.7, derde lid, eerste volzin, van de wet is omgezet in lening, en die student over dat studiejaar op de voet van artikel 10.6, tweede lid, van de wet, ten minste 10 studiepunten heeft behaald, zet de IB-Groep op aanvraag van de student het desbetreffende bedrag aan lening alsnog om in gift indien de student aan de volgende voorwaarden voldoet:
- a. hij heeft aan opleidingen waarop artikel 10.6 van de wet van toepassing is, een aantal studiepunten behaald dat ten minste gelijk is aan de voor de laatst gevolgde opleiding geldende studielast, en
- b. dit aantal studiepunten is behaald binnen het aantal maanden, gemeten vanaf het tijdstip waarop de student voor het eerst studiefinanciering ontving voor het volgen van hoger onderwijs, dat de uitkomst is van de formule (studielast x 12 : 42) + 12.
Onder studielast, genoemd in het eerste lid, wordt verstaan de studielast, bedoeld in artikel 7.4 van de WHW.
Het aantal maanden, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, wordt verhoogd met het aantal maanden waarover de student recht heeft gehad op een financiële voorziening als bedoeld in artikel 7.51, tweede lid, van de WHW. De in de vorige volzin bedoelde verhoging omvat ten hoogste 12 maanden.
Indien de uitkomst van de berekening van het aantal maanden, bedoeld in het tweede en derde lid, niet een geheel getal is, wordt zij afgerond op het naastgelegen gehele, hogere getal.
Indien een student gelijktijdig meer dan een opleiding volgt, geldt de studielast van de langste opleiding waarvoor studiefinanciering is verstrekt.
Bij de omzetting gaat de rente die over het om te zetten bedrag is opgebouwd, teniet.
Het eerste tot en met vijfde lid zijn van overeenkomstige toepassing, indien artikel 10.6, derde lid, van de wet is toegepast.
De omzetting kan jegens een student slechts eenmaal plaatsvinden, doch niet met betrekking tot een studiejaar waarover de student te eniger tijd aanspraak heeft gehad op een financiële voorziening als bedoeld in artikel 7.51, tweede lid, van de WHW. Indien er ten behoeve van meer dan een studiejaar omzetting mogelijk is, geeft de student aan ten behoeve van welk studiejaar de omzetting dient plaats te vinden.
De student zendt de aanvraag uiterlijk 3 maanden na het einde van de termijn, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, verhoogd met het aantal maanden, bedoeld in het derde lid, aan de IB-Groep. De aanvraag gaat vergezeld van gewaarmerkte verklaringen van de instelling dan wel de instellingen, waaruit de studievoortgang blijkt.
Hoofdstuk 8
Artikel 19. Begripsbepalingen registratie
Vervallen
Artikel 20. Doel van de registratie
Vervallen
Artikel 21. Houderschap
Vervallen
Artikel 22. Verwerking van de gegevens
Vervallen
Artikel 23. Categorieën van personen in de registratie
Vervallen
Artikel 24. Beperking aantal gegevens
Vervallen
Artikel 25. Verwijdering en vernietiging gegevens
Vervallen
Artikel 26. Toegang tot de registratie
Vervallen
Artikel 27. Bijhouden registratie
Vervallen
Artikel 28. Gegevensverstrekking
Vervallen
Artikel 29. Kennisneming van verstrekkingen
Vervallen
Artikel 30. Verbetering en verwijdering van gegevens
Vervallen
Hoofdstuk 9. Overgangsbepalingen
Artikel 30a. Overgangsbepaling artikel 2
Voorzover het tweede jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de draagkracht, bedoeld in artikel 6.11 van de wet, wordt vastgesteld, het jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld of het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld een aan het kalenderjaar 2001 voorafgaand kalenderjaar is, wordt voor de toepassing van artikel 2 onder gecorrigeerde belastbare minimumloon verstaan:
- a. de som van:
- 1°. het bedrag, genoemd in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, getotaliseerd over de kalendermaanden van het kalenderjaar, en
- 2°. een bedrag gelijk aan de som van het volgens artikel 15, eerste lid, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag van toepassing zijnde percentage van het minimumloon, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag over de 12 maanden aanvangende in de maand juni voorafgaand aan het jaar waarvoor het belastbare minimumloon wordt vastgesteld,
- b. vermeerderd met het door de werkgever verschuldigde gedeelte van de premie voor de verzekering ingevolge deZiekenfondswet over de som van de hiervoor in onderdeel a bedoelde bedragen,
- c. verminderd met het bedrag van de premies die, bij een loon gelijk aan de overeenkomstig de in onderdeel a bepaalde som, bij wijze van inhouding zouden zijn geheven ingevolge de Werkloosheidswet, de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en deZiektewet,
- d. vermeerderd met het bedrag van de overhevelingstoeslag, berekend, overeenkomstig de bij en krachtens artikel 2 van de Wet brutering overhevelingstoeslag lonen gestelde regels, over het uit onderdelen a, b en c resulterende bedrag, en
- e. verminderd met het bedrag van de forfaitaire aftrek voor de op inkomsten uit tegenwoordige arbeid betrekking hebbende aftrekbare kosten, bedoeld in artikel 37 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964.
Bij de toepassing van het eerste lid wordt uitgegaan van de wetten, genoemd in het eerste lid, zoals die luidden in het kalenderjaar waarvoor de draagkracht wordt berekend.
Indien ingevolge een of meer van de wetten, genoemd in het eerste lid, onderdeel c, een premie wordt ingehouden waarvan het percentage per bedrijfstak verschilt, wordt bij toepassing van het eerste lid een gemiddeld percentage gehanteerd.
Indien in de loop van het kalenderjaar de premie van een of meer van de wetten, genoemd in het eerste lid, de onderdelen b en c, wijziging ondergaat, wordt de hoogte van de premie over het gehele kalenderjaar naar evenredigheid berekend.
Artikel 31. Overgangsbepaling artikel 3 BSF 2000
Wijzigt dit besluit.
Artikel 32. Overgangsbepaling artikel 3 BSF
Artikel 3 , eerste lid, aanhef en onderdelen b en c, en tweede lid, van het Besluit studiefinanciering zoals dat luidde op 31 december 1996, blijft van toepassing op degene die op dat tijdstip studiefinanciering op grond van de Wet op de studiefinanciering genoot.
Artikel 33. Vervallen van hoofdstuk 8
Wijzigt dit besluit.
Artikel 34. Overgangsbepaling artikel 14
Wijzigt dit besluit.
Hoofdstuk 10. Wijzigingen in andere besluiten
Artikel 35. Bekostigingsbesluit WHW
Wijzigt het Bekostigingsbesluit WHW.
Artikel 36. Besluit aanwijzing registraties gezamenlijke huishouding 1998
Wijzigt het Besluit aanwijzing registraties gezamenlijke huishouding 1998.
Artikel 37. Besluit bijdragen justitiële kinderbescherming en vrijwillige jeugdhulpverlening
Wijzigt het Besluit bijdragen justitiële kinderbescherming en vrijwillige jeugdhulpverlening.
Artikel 38. Besluit categorieën van verzekerden Wtz 1998
Wijzigt het Besluit categorieën van verzekerden Wtz 1998.
Artikel 39. Besluit geneeskundige verzorging politie 1994
Wijzigt het Besluit geneeskundige verzorging politie 1994.
Artikel 40. Besluit passende arbeid schoolverlaters en academici
Wijzigt het Besluit passende arbeid schoolverlaters en academici.
Artikel 41. Besluit tegemoetkoming studiekosten
Wijzigt het Besluit tegemoetkoming studiekosten.
Artikel 42. Besluit tegemoetkoming ziektekosten en inkomenstoeslag onderwijs- en onderzoekpersoneel
Wijzigt het Besluit tegemoetkoming ziektekosten en inkomenstoeslag onderwijs- en onderzoekpersoneel.
Artikel 43. Besluit tegemoetkoming ziektekosten rijkspersoneel
Wijzigt het Besluit tegemoetkoming ziektekosten rijkspersoneel.
Artikel 44. Bijdragebesluit Zorg
Wijzigt het Bijdragebesluit Zorg.
Artikel 45. Inkomens- en samenloopbesluit Anw
Wijzigt het Inkomens- en samenloopbesluit Anw.
Artikel 46. Inkomensbesluit IOAW
Wijzigt het Inkomensbesluit IOAW.
Artikel 47. Inkomensbesluit Toeslagenwet
Wijzigt het Inkomensbesluit Toeslagenwet.
Artikel 48. Interimbesluit ziektekosten burgerlijke ambtenaren defensie
Wijzigt het Interimbesluit ziektekosten burgerlijke ambtenaren defensie.
Artikel 49. Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel
Wijzigt het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel.
Artikel 50. Uitvoeringsbesluit WEB
Wijzigt het Uitvoeringsbesluit WEB.
Artikel 51. Uitvoeringsbesluit WHW
Wijzigt het Uitvoeringsbesluit WHW.
Artikel 52. Verplaatsingskostenbesluit militairen
Wijzigt het Verplaatsingskostenbesluit militairen.
Hoofdstuk 11. Slotbepalingen
Artikel 53. Intrekking Besluit studiefinanciering
Het Besluit studiefinanciering wordt ingetrokken.
In afwijking van het eerste lid blijven de artikelen 16m en 16n van het Besluit studiefinanciering van kracht tot het tijdstip waarop de wet houdende Wet opheffing College van beroep studiefinanciering (Stb. 2000, 284) in werking treedt.
Artikel 54. Inwerkingtreding
Dit besluit treedt in werking op 1 september 2000.
Artikel 55. Citeertitel
Dit besluit wordt aangehaald als «Besluit studiefinanciering 2000».
Bijlage. behorend bij het koninklijk besluit van 5 augustus 2000 (Stb. 329)
Vervallen
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
Artikel 12a. Reikwijdte partnerbegrip
In aanvulling op het begrip partner, genoemd in artikel 1.1, eerste lid, van de wet, is in dit hoofdstuk slechts sprake van partner van de debiteur indien in het eerste jaar van de aflosfase het huwelijk, het geregistreerd partnerschap of de gezamenlijke huishouding een tijdvak van meer dan 6 maanden omvat.
Voor de toepassing van dit besluit is van een gezamenlijke huishouding slechts sprake in de gevallen genoemd in artikel 1.1, tweede lid, onderdelen a en b, van de wet.
Artikel 12b. Gehele kwijtschelding voor debiteur zonder partner
Gehele kwijtschelding van de aanvullende beurs kan plaatsvinden indien het gecorrigeerd verzamelinkomen van de debiteur zonder partner in het eerste jaar van de aflosfase gelijk is aan of lager is dan 1,5 maal het gecorrigeerde belastbare minimumloon.
Artikel 12c. Gedeeltelijke kwijtschelding voor debiteur zonder partner
Gedeeltelijke kwijtschelding van de aanvullende beurs kan plaatsvinden indien het gecorrigeerd verzamelinkomen van de debiteur zonder partner in het eerste jaar van de aflosfase hoger is dan 1,5 maal het gecorrigeerde belastbare minimumloon en lager is dan 2 maal het gecorrigeerde belastbare minimumloon.
De hoogte van de kwijtschelding tussen 1,5 en 2 maal het gecorrigeerde belastbare minimumloon neemt in evenredigheid af tot nihil naarmate het gecorrigeerde verzamelinkomen hoger is.
Artikel 12d. Gehele kwijtschelding voor debiteur met partner
Gehele kwijtschelding van de aanvullende beurs kan plaatsvinden indien het gecorrigeerd verzamelinkomen van de debiteur en diens partner in het eerste jaar van de aflosfase gelijk is aan of lager is dan 2 maal het gecorrigeerde belastbare minimumloon.
Artikel 12e. Gedeeltelijke kwijtschelding voor debiteur met partner
Gedeeltelijke kwijtschelding van de aanvullende beurs kan plaatsvinden indien het gecorrigeerd verzamelinkomen van de debiteur en diens partner in het eerste jaar van de aflosfase hoger is dan 2 maal het gecorrigeerde belastbare minimumloon en lager is dan 2,5 maal het gecorrigeerde belastbare minimumloon.
De hoogte van de kwijtschelding tussen 2 en 2,5 maal het gecorrigeerde belastbare minimumloon neemt in evenredigheid af tot nihil naarmate het gecorrigeerde verzamelinkomen hoger is.
Artikel 12f. Aanvraag en tijdstip kwijtschelding
De IB-Groep neemt een aanvraag die wordt ingediend voor 1 november van het tweede jaar van de aflosfase, niet eerder dan op die datum in behandeling, waarbij 1 november geldt als datum van indiening.
De IB-Groep besluit binnen 8 weken na de indiening van een aanvraag van een debiteur om kwijtschelding van de aanvullende beurs.
De IB-Groep neemt een aanvraag die wordt ingediend na het einde van de diplomatermijn, genoemd in artikel 5.5 van de wet, niet in behandeling.
Het kwijt te schelden bedrag wordt aan de aanvrager uitbetaald indien verrekening niet mogelijk is.
Hoofdstuk 4. Uitbetaling en verrekening
Hoofdstuk 5. Verstrekken van inlichtingen
Hoofdstuk 6. Aanpassing van bedragen
Hoofdstuk 7. Omzetting tempobeurs
Hoofdstuk 8
Hoofdstuk 9. Overgangsbepalingen
Hoofdstuk 10. Wijzigingen in andere besluiten
Hoofdstuk 11. Slotbepalingen
Bijlage. behorend bij het koninklijk besluit van 5 augustus 2000 (Stb. 329)
Vervallen
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.