← Geldende tekst · Geschiedenis

Besluit van 2 februari 2001, houdende regels inzake de financiële verhouding tussen het Rijk en de provincies en het Rijk en de gemeenten (Besluit financiële verhouding 2001)

Geldende tekst a fecha 2007-09-12

Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, mede namens de Staatssecretaris van Financiën van 23 oktober 2000, nr. FO2000/U89578, directoraat-generaal Openbaar Bestuur/BFO.

Gelet op de artikelen 8, derde lid, en 22 van de Financiële-verhoudingswet;

De Raad van State gehoord (advies van 14 december 2000, nr. WO4.00.0505/1)

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 19 januari 2001 (FO2001/U50552), uitgebracht mede namens de Staatssecretaris van Financiën;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen

Artikel 1

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

Hoofdstuk 2. Het provinciefonds en het gemeentefonds

Paragraaf 2.1. Algemene bepalingen inzake de algemene uitkering uit het provinciefonds en het gemeentefonds

Artikel 2

Vóór 1 juli van het jaar voorafgaand aan het uitkeringsjaar geven Onze Ministers aan gedeputeerde staten en de colleges van burgemeester en wethouders kennis van:

Artikel 3
1.

Bij de verdeling van het voor de algemene uitkeringen aan de provincies beschikbare bedrag worden de verdeelmaatstaven gehanteerd die zijn omschreven in bijlage 1 bij dit besluit.

2.

Bij de verdeling van het voor de algemene uitkeringen aan de gemeenten beschikbare bedrag worden de verdeelmaatstaven gehanteerd die zijn omschreven in bijlage 2 bij dit besluit.

3.

Bij de vaststelling van de algemene uitkering aan een provincie of gemeente stellen Onze Ministers zo nodig het aantal eenheden per verdeelmaatstaf vast. Voor zover in bijlage 1 en bijlage 2 bij een verdeelmaatstaf een bron is vermeld, kunnen Onze Ministers het aantal eenheden ontlenen aan een opgave van het vermelde orgaan of de vermelde instantie.

4.

De vaststelling van het aantal eenheden per verdeelmaatstaf voor een provincie of gemeente geschiedt naar de toestand op 1 januari van het uitkeringsjaar waarover het aantal wordt vastgesteld, tenzij in bijlage 1 of bijlage 2 een peildatum of andere tijdsaanduiding bij een verdeelmaatstaf is vermeld. In dat geval geschiedt de vaststelling naar de toestand op de aangegeven datum of de gegeven tijdsaanduiding.

5.

Indien op grond van het vierde lid een peildatum of tijdsaanduiding moet worden gehanteerd die ligt vóór de datum van herindeling van de provincie of gemeente, stellen Onze Ministers het aantal eenheden vast op basis van een redelijke schatting van de toestand zoals die op het aangegeven tijdstip zou zijn geweest als de herindeling op dat tijdstip reeds was ingegaan.

Artikel 4

Onze Ministers kunnen nadere regels stellen omtrent de uitwerking van de in bijlage 1 en bijlage 2 en in de paragrafen 2.2 en 2.3 van dit besluit gehanteerde begrippen en omtrent de telling van het aantal eenheden per verdeelmaatstaf voor zover dit noodzakelijk is om de verdeelmaatstaven te kunnen toepassen.

Paragraaf 2.2. Bijzondere bepalingen in verband met enkele verdeelmaatstaven voor het provinciefonds

Artikel 5

Bij de bepaling van het totaal van de in een kalenderjaar ontvangen hoofdsommen van de motorrijtuigenbelasting, als bedoeld in de verdeelmaatstaf vermeld onder nummer 1 van bijlage 1, wordt het tarief van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 gehanteerd, zoals dat gold op 1 april 1995. De verhoging van de belasting, bedoeld in artikel 23, tweede lid, van die wet en de vermindering van de belasting, bedoeld in de artikelen 28 en 68 van die wet, blijven buiten beschouwing.

Artikel 6
1.

Onze Ministers stellen het aantal kilometers gewogen weglengte, bedoeld in de verdeelmaatstaf vermeld onder nummer 7 van bijlage 1, van de wegen in beheer bij de provincie vast, door het aantal kilometers weglengte van de wegen die in beheer zijn bij de provincie te vermenigvuldigen met een wegingsfactor die een maat is voor de kosten per kilometer van het onderhoud van de wegen in de provincie, in verhouding met die kosten in alle provincies.

2.

Op de voorbereiding van dit besluit is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.

Paragraaf 2.3. Bijzondere bepalingen in verband met enkele verdeelmaatstaven voor het gemeentefonds

Artikel 7

Het college van burgemeester en wethouders verstrekt jaarlijks aan het CBS gegevens omtrent de in artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken bedoelde waarden in de gemeente. Bij regeling van Onze Ministers worden nadere regels gesteld omtrent de te verstrekken gegevens alsmede de wijze en het moment van verstrekking.

Artikel 8

Vervallen

Artikel 9

Vervallen

Artikel 10

Vervallen

Artikel 11
1.

Onder slechte grond wordt verstaan: een minimaal 5 meter dik aaneengesloten pakket holocene klei- en/of veenlagen dat zich binnen 8 meter onder het maaiveld bevindt. Binnen deze definitie worden onderscheiden:

2.

Onder goede grond wordt verstaan grond die niet aan de omschrijvingen onder a, b en c in het eerste lid van dit artikel voldoet.

Artikel 12
1.

Het percentage slechte grond is het percentage in het totale oppervlak van land en binnenwater binnen de gemeente dat wordt ingenomen door slechte grond.

2.

De bodemfactor van een gemeente of van een deelgebied binnen een gemeente is het gewogen gemiddelde aandeel van de verschillende grondsoorten in het totale oppervlak van land en binnenwater binnen de gemeente of het deelgebied.

Artikel 13

Vervallen

Artikel 14

Vervallen

Artikel 15

Vervallen

Artikel 16

Vervallen

Artikel 17

Onze Ministers stellen de omvang van de maatstaven Historische kernen, Historische waterwegen, Bewoonde oorden 1930 en Woningen 1930 in historische kernen vast.

Artikel 18
1.

De gemeenten ontvangen via de algemene uitkering uit het gemeentefonds een tegemoetkoming in de kosten die zij maken als gevolg van de eigen bijdragen die van hen worden verwacht voor investeringen die mede bekostigd worden uit het Investeringsbudget voor stedelijke vernieuwing.

2.

Op basis van de verdeling van het Investeringsbudget stedelijke vernieuwing stellen Onze Ministers in overleg met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer de omvang van het totale voor de tegemoetkoming beschikbare bedrag vast alsmede de aandelen van de gemeenten daarin.

Paragraaf 2.4. De aanvullende uitkering

Artikel 19
1.

De gemeenteraad doet een aanvraag voor een aanvullende uitkering voor 1 december van het jaar voorafgaand aan het jaar waarvoor zij wordt aangevraagd.

2.

De aanvraag bevat de vastgestelde begroting voor het jaar waarvoor de aanvullende uitkering wordt aangevraagd.

3.

De aanvraag wordt ingediend bij Onze Ministers en gelijktijdig in afschrift gezonden aan gedeputeerde staten.

Artikel 20

Gedeputeerde staten brengen voor 15 februari van het jaar waarvoor de aanvullende uitkering is aangevraagd dan wel verleend, aan Onze Ministers verslag uit over de financiële positie van de gemeente.

Artikel 21

Onze Ministers kunnen bepalen dat de artikelen 19 en 20 geheel of gedeeltelijk buiten toepassing blijven in verband met een besluit tot vaststelling van de aanvullende uitkering voor meer dan een jaar.

Artikel 22

Onze Ministers besluiten omtrent de aanvraag vóór 1 juni van het jaar, volgend op het jaar waarvoor de aanvullende uitkering wordt aangevraagd.

Artikel 23
1.

Een aanmerkelijk en structureel tekort als bedoeld in artikel 12, tweede lid, van de wet is een tekort dat groter of gelijk is aan 2% van de som van:

2.

De belastingcapaciteit wordt bepaald door het totaal van de vastgestelde waarden bedoeld in artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken, in de gemeente, neerwaarts afgerond op een veelvoud van 500 000 euro, te vermenigvuldigen met de absolute waarde van het bedrag per eenheid behorende bij de maatstaf die in bijlage 2, onder nummer 1, is vermeld.

3.

Bij de bepaling van de in het tweede lid bedoelde waarden wordt niet meegerekend de waarde van onroerende zaken of delen van onroerende zaken waarover het de gemeente verboden is, bij of krachtens wettelijk voorschrift, onroerende-zaakbelasting te heffen.

Artikel 24
1.

Van een redelijk peil van eigen inkomsten van een gemeente, als bedoeld inartikel 12, tweede lid, van de wet is sprake indien:

2.

Een tekort op de in het eerste lid, onder b en c, bedoelde onderdelen kan worden gecompenseerd door het tarief van de onroerendezaakbelastingen, bedoeld in het eerste lid, onder a, met een met het tekort overeenkomend bedrag te verhogen.

Artikel 25

Onze Ministers kunnen nadere regels stellen omtrent:

Paragraaf 2.5. De betalingen

Artikel 26
1.

Onze Ministers doen de betalingen in verband met de uitkeringen, bedoeld in artikel 5, eerste en tweede lid, van de wet, over het lopende uitkeringsjaar, zoveel mogelijk in gelijke wekelijkse delen gedurende de eerste vijftig volle weken van het jaar.

2.

Onze Ministers stellen voor ieder uitkeringsjaar een betalingsschema vast ten behoeve van de uitbetaling, bedoeld in artikel 5, derde lid, van de wet.

Hoofdstuk 3. Specifieke uitkeringen

Artikel 27
1.

Gedeputeerde staten en het college van burgemeester en wethouders zenden de informatie ten behoeve van de verantwoording over de uitvoering van de regeling van een specifieke uitkering die zij moeten verstrekken aan Onze Minister wie het aangaat, aan Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in de vorm van

2.

Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties kan bij ministeriële regeling nadere regels stellen over de wijze van verzenden van de in het eerste lid bedoelde informatie.

3.

Gedeputeerde staten en het college verstrekken desgevraagd inlichtingen omtrent de besteding van een specifieke uitkering aan de door Onze Minister wie het aangaat daartoe aangewezen ambtenaren van de accountantsdienst, bedoeld in artikel 66, eerste lid,van de Comptabiliteitswet 2001. De ambtenaren van de accountantsdienst kunnen tevens informatie inwinnen bij de in artikel 217, tweede lid, van de Provinciewet onderscheidenlijk artikel 213, tweede lid, van de Gemeentewet bedoelde accountants.

4.

De informatie, bedoeld in het eerste lid, wordt uiterlijk 15 juli van het jaar volgend op het begrotingsjaar gezonden aan Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties brengt de informatie betreffende de specifieke uitkeringen onverwijld ter kennis aan Onze Ministers wie het aangaat.

Artikel 28

Vóór 1 oktober van het jaar voorafgaand aan het uitkeringsjaar geven Onze Ministers wie het aangaat aan gedeputeerde staten en de colleges van burgemeester en wethouders kennis van:

Hoofdstuk 4. Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 29
1.

De algemene uitkering over de jaren 2001 tot en met 2004, zoals deze voor iedere gemeente wordt berekend overeenkomstig dit besluit, wordt vermeerderd of verminderd met een bedrag overeenkomstig de tabel die als bijlage 4 bij dit besluit is gevoegd. Deze vermeerdering of vermindering komt ten laste van of ten goede aan het gemeentefonds.

2.

Indien een gemeente die is vermeld in bijlage 4 is opgeheven, vindt de vermeerdering of de vermindering plaats ten aanzien van de algemene uitkering van de in artikel 44, eerste lid, van de Wet algemene regels herindeling bedoelde gemeente waar alle rechten en verplichtingen naar overgaan.

Artikel 30

Wijzigt het Besluit integratie-uitkering WUW-middelen Gemeentefonds.

Artikel 31
1.

Na de inwerkingtreding van dit besluit berust de Regeling meet- en rekenregels verdeelmaatstaven en vaststelling kilometers gewogen weglengte provinciefonds op artikel 22 van de wet en artikel 4 van dit besluit.

2.

Na de inwerkingtreding van dit besluit berust de Regeling meet- en rekenregels verdeelmaatstaven gemeentefonds op artikel 22 van de wet en artikel 4 van dit besluit.

3.

Na de inwerkingtreding van dit besluit berust de Regeling belastingcapaciteit op de artikelen 4 en 7 van dit besluit.

4.

Na de inwerkingtreding van dit besluit berust de Regeling aanvullende uitkering gemeentefonds op artikel 12 van de wet en artikel 25 van dit besluit.

Artikel 32

Wijzigt het Bekostigingsbesluit cultuuruitingen.

Artikel 33

Wijzigt het Besluit zonering buitenlandse luchtvaartterreinen Noord- en Midden-Limburg.

Artikel 34

Wijzigt het Faciliteitenbesluit opvangcentra.

Artikel 35

Wijzigt het Subsidiebesluit openbare lichamen milieubeheer.

Artikel 36

Wijzigt dit besluit.

Artikel 37

Het Besluit financiële verhouding wordt ingetrokken.

Artikel 38
1.

Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

2.

De verdeelmaatstaven die zijn vermeld in bijlage 1 van de Wet van 6 november 1997 tot wijziging van de Financiële-verhoudingswet en enkele andere wetten en regels inzake de invoering van deze wijziging in verband met een herziening van het verdeelstelsel voor het Provinciefonds, worden met ingang van de uitkering uit het provinciefonds voor het jaar 2001 vervangen door de verdeelmaatstaven die zijn opgenomen in bijlage 1 bij dit besluit.

3.

De verdeelmaatstaven die zijn vermeld in bijlage 2 van de Invoeringswet Financiële-verhoudingswet, en in de bijlagen bij het Besluit van 14 mei 1998 houdende toevoeging van de categorie vluchtelingen aan de verdeelmaatstaf minderheden en enkele andere aanpassingen van de verdeelmaatstaven van het gemeentefonds, het Wijzigingsbesluit verdeelmaatstaven gemeentefonds 1999 en het Wijzigingsbesluit verdeelmaatstaven gemeentefonds 2000, worden met ingang van de uitkering uit het gemeentefonds voor het jaar 2001 vervangen door de verdeelmaatstaven die zijn opgenomen in bijlage 2 bij dit besluit.

Artikel 39

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit financiële verhouding 2001.

Bijlage 1. De verdeelmaatstaven voor het provinciefonds (bijlage bij artikel 3, eerste lid)

nummer en korte omschrijving Definitie verdeelmaatstaf Bron Peildatum of tijdsaanduiding (indien deze anders luidt dan 1 januari van het uitkeringsjaar)
1. Maatstaf opcenten motorrijtuigenbelasting Het voor het kalenderjaar bepaalde totaal van de hoofdsommen van de motorrijtuigenbelasting, van de in de provincie wonende of gevestigde houders van een personenauto of motorrijwiel gedeeld door de uitkeringsfactor over het uitkeringsjaar. Het totaal wordt bepaald door aan de hand van het totaal van de in het kalenderjaar ontvangen provinciale opcenten te berekenen hoeveel hoofdsommen zouden zijn ontvangen, indien het in artikel 5 bedoelde tarief wordt gehanteerd. Onze Minister van Financiën 31 december van het jaar, twee jaar voorafgaand aan het uitkeringsjaar
2a en b. Maatstaf inwoners provincie Het aantal inwoners van de provincie. Daarbij vindt een verdeling plaats in twee maatstaven, overeenkomstig de volgende groepsindeling: a. het aantal inwoners; b. het aantal inwoners boven de 640 000 inwoners. Bij de toepassing van maatstaf 2b wordt een aantal kleiner dan 640 000 op dat aantal vastgesteld. CBS
3a. Maatstaf inwoners stedelijk gebied Het aantal inwoners van binnen de provincie gelegen stedelijk gebied. CBS
3b. Maatstaf inwoners landelijk gebied Het aantal inwoners van binnen de provincie gelegen landelijk gebied CBS
4. Maatstaf oppervlak land Het aantal hectaren land in de provincie. CBS
5. Maatstaf oppervlak water Het aantal hectaren water in de provincie. CBS
6. Maatstaf oppervlak agrarisch en natuurterrein Het totaal van de volgende aantallen: 1. het aantal hectaren land in de provincie, in gebruik ten behoeve van de land-, bos- en tuinbouw; 2. het aantal hectaren natuurterrein in de provincie. CBS De meest recente met betrekking tot het uitkeringsjaar of een daarvóór gelegen tijdstip vastgestelde cijfers van het CBS, voor zover deze zijn bekendgemaakt op uiterlijk 1 september van het tweede jaar volgend op het uitkeringsjaar
7. Maatstaf gewogen weglengte Het aantal kilometers gewogen weglengte, van de wegen in beheer bij de provincie. Regeling meet- en rekenregels verdeelmaatstaven en vaststeling kilometers gewogen weglengte provinciefonds art. 5 1 januari 1993
8. Maatstaf capaciteit warmte-kracht-koppeling De capaciteit van warmte-krachtkoppelingsinstallaties in alle bedrijfssectoren, uitgezonderd de bedrijven voor openbare electriciteitsproduktie, in het aantal megajoule per uur plus het aantal kilowatt. CBS De meest recente met betrekking tot het uitkeringsjaar of een daarvóór gelegen tijdstip vastgestelde cijfers van het CBS, voor zover deze zijn bekendgemaakt op uiterlijk 1 september van het tweede jaar volgend op het uitkeringsjaar
9. Maatstaf vast bedrag Één eenheid voor iedere provincie.

Bijlage 2. De verdeelmaatstaven voor het gemeentefonds (bijlage bij artikel 3, tweede lid)

nummer en korte omschrijving Definitie verdeelmaatstaf Bron Peildatum of tijdsaanduiding (indien deze anders luidt dan 1 januari van het uitkeringsjaar)
1. Maatstaf OZB Het gecorrigeerde totaal van de vastgestelde waarden, bedoeld in artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken, in de gemeente, neerwaarts afgerond op een veelvoud van 500 000 euro, gedeeld door de uitkeringsfactor over het uitkeringsjaar. Correctie vindt plaats door de waarden van woningen voor 80% en de waarden van niet-woningen voor 70% mee te tellen. Niet meegeteld wordt de waarde van onroerende zaken dan wel delen van onroerende zaken waarover het de gemeente bij of krachtens wettelijk voorschrift is verboden onroerendezaakbelasting te heffen. CBS
2. Maatstaf inwoners Het aantal inwoners van de gemeente. CBS
3. Maatstaf inwoners ∗ bodemfactor buitengebied Het aantal inwoners van de gemeente vermenigvuldigd met de bodemfactor als bedoeld in artikel 12, tweede lid, voor zover deze betrekking heeft op het gebied buiten de woonkern als bedoeld in artikel 8. CBS
4. Maatstaf jongeren Het aantal inwoners van de gemeente dat 19 jaar of jonger is. CBS
5. Maatstaf ouderen Het aantal inwoners van de gemeente dat 65 jaar of ouder is. CBS
6. Maatstaf inwoners waddengemeenten Voor de gemeenten Texel, Vlieland, Terschelling, Ameland en Schiermonnikoog: het aantal inwoners van de gemeente. Daarbij vindt een verdeling plaats in drie maatstaven, overeenkomstig de volgende schijven: a. het aantal inwoners in het interval tot en met 2500 inwoners; b. het aantal inwoners in het interval van 2501 tot en met 7500 inwoners; c. het aantal inwoners boven de 7500 inwoners. CBS
7. Maatstaf lage inkomens Het aantal huishoudens in de gemeente, waarvan het inkomen hoger is dan inkomensgrens a en niet hoger is dan inkomensgrens b. Inkomensgrens a wordt zodanig bepaald dat juist bij 10% van het landelijk aantal huishoudens het inkomen onder de grens ligt. Inkomensgrens b wordt zodanig bepaald dat juist bij 40% van het landelijk aantal huishoudens het inkomen onder de grens ligt. CBS De inkomensstatistiek die is gebruikt voor het uitkeringsjaar 2002
8. Bijstandsmaatstaf Het aantal personen dat van de gemeente een periodieke uitkering ontvangt op grond van: 1. de Algemene bijstandswet, voor zover betrekking hebbend op thuiswonende personen jonger dan 65 jaar; 2. het Bijstandsbesluit adreslozen; 3. de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers; 4. de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen. Indien een normuitkering wordt verdeeld over meerdere personen, worden deze personen geteld als één persoon. CBS 31 december van het jaar voorafgaand aan het uitkeringsjaar
9. Maatstaf uitvoeringskosten bijstand 1. Het over de drie peiljaren gemiddelde aantal van de in maatstaf 8 bedoelde personen. 2. Dit aantal wordt gecorrigeerd indien: a. een deel van de in het eerste lid bedoelde aantal personen een uitkering ontvangt op basis van de Wet Inkomensvoorziening Kunstenaars. Dit deel wordt op het aantal van de in het eerste lid bedoelde personen in mindering gebracht. b. een gemeente is aangewezen om uitkeringen te verstrekken op basis van het Bijstandsbesluit adreslozen. Het aantal personen waaraan op basis van dit besluit uitkeringen worden verstrekt, wordt bij het aantal van de in het eerste lid bedoelde personen opgeteld. CBS 1. 31 december 1995, 31 december 1996, 31 december 1997 2. a. 31 december 1999 b. 31 december 2001
10. Maatstaf schaalfactor bijstand Het aantal personen, bedoeld in maatstaf 9, gedeeld door de som van 350 en dat aantal. CBS
11. Maatstaf uitkeringsontvangers Het totaal van de volgende aantallen personen: 1. het aantal personen, bedoeld in maatstaf 8; 2. het aantal personen waarvoor de gemeente een geldelijke bijdrage van het Rijk ontvangt in het kader van de Wet inschakeling werkzoekenden; 3. het aantal personen dat ingevolge de Wet Sociale Werkvoorziening in een dienstbetrekking tot de gemeente staat; 4. het aantal inwoners van de gemeente dat een periodieke uitkering ontvangt op grond van de bij of krachtens de Kaderwet militaire pensioenen vastgestelde bepalingen; 5. het aantal inwoners van de gemeente dat een periodieke uitkering ontvangt op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, of de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering; 6. het aantal inwoners van de gemeente dat een periodieke uitkering ontvangt op grond van het Reglement van het Algemeen Mijnwerkersfonds. Bij de bepaling van de aantallen, bedoeld in de onderdelen 4 tot en met 6, worden alleen invaliditeitsuitkeringen geteld, aan personen jonger dan 65 jaar. Onderdeel 1: CBS Onderdelen 2 en 3: Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid Onderdeel 4: Uitvoeringsinstelling Sociale Zekerheid voor Overheid en onderwijs (USZO) Onderdeel 5: het Landelijk instituut sociale verzekeringen Onderdeel 6: het Algemeen Mijnwerkersfonds van de steenkolenmijnen in Limburg 31 december van het jaar voorafgaand aan het uitkeringsjaar
12. Maatstaf minderheden Het totaal van het aantal inwoners van de gemeente dat behoort tot een etnische minderheid. Hiertoe worden in ieder geval gerekend personen van Turkse, Marokkaanse, Surinaamse of Antilliaanse afkomst van de eerste en tweede generatie, alsmede houders van een verblijfsvergunning op grond van asiel. CBS
13. Maatstaf klantenpotentieel lokaal Het aantal potentiële lokale klanten van een woonkern. Dat is het aantal klanten dat een woonkern van een gemeente aantrekt uit alle woonkernen binnen een straal van 20 kilometer rondom de eigen woonkern, met inbegrip van die woonkern zelf. Verondersteld wordt dat de lokale aantrekkingskracht van een kern lineair toeneemt met het aantal inwoners van die kern en afneemt met het kwadraat van de afstand tot die kern. Het totaal aantal potentiële lokale klanten in Nederland is gelijk aan het aantal inwoners. CBS
14. Maatstaf klantenpotentieel regionaal Het aantal potentiële regionale klanten van een woonkern. Dat is het aantal klanten dat een woonkern van een gemeente aantrekt uit alle woonkernen binnen een straal van 60 kilometer rondom de eigen woonkern, met inbegrip van die woonkern zelf. Verondersteld wordt dat de regionale aantrekkingskracht van een kern toeneemt met het kwadraat van het aantal inwoners van die kern en afneemt met het kwadraat van de afstand tot die kern. Het totaal aantal potentiële regionale klanten in Nederland is gelijk aan het aantal inwoners. CBS
15. Leerlingmaatstaf Het gecorrigeerd aantal leerlingen dat in de gemeente een van de volgende soorten van onderwijs volgt 1. Onderwijs aan een speciale school voor basisonderwijs; 2. Voortgezet speciaal onderwijs; 3. Voortgezet onderwijs. Onze ministers corrigeren de aantallen door aan de verschillende categoriën leerlingen gewichten toe te kennen die gerelateerd zijn aan de verschillen in de voor de gemeente aan deze leerlingen verbonden kosten. Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap Het meest recente, in het jaar vóór het uitkeringsjaar vastgestelde aantal leerlingen
15a. Maatstaf extra leerlingen streekscholen Voor de gemeente waar het gecorrigeerd aantal leerlingen bedoeld in maatstaf 15 onder 2 en 3 het aantal van 8,8% van het totaal aantal inwoners, bedoeld in maatstaf 2, overstijgt, het gecorrigeerd aantal leerlingen waarmee de 8,8% van het totaal aantal inwoners wordt overstegen. Onze ministers stellen een invoertraject vast voor de jaren 2002 t/m 2006. Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
15b. Maatstaf extra groei leerlingen voortgezet onderwijs Voor de gemeente waar het ongecorrigeerd aantal leerlingen, bedoeld in maatstaf 15 onder 3, in 10 jaar tijds met meer dan 10% is toegenomen, het aantal leerlingen waarmee de toename de 10 procent overstijgt. Onze ministers stellen een invoertraject vast voor de jaren 2002 t/m 2006. Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
15c. Maatstaf extra groei jongeren Voor de gemeente waar het aantal jongeren, bedoeld in maatstaf 4, in 10 jaar tijds met meer dan 10% is toegenomen, het aantal jongeren waarmee de toename de 10 procent overstijgt. CBS
16. Maatstaf land Het aantal hectaren land in de gemeente. CBS
17. Maatstaf land ∗ percentage slechte grond Het aantal hectaren land als bedoeld in maatstaf 16 vermenigvuldigd met het percentage slechte grond als bedoeld in artikel 12 eerste lid. CBS
18. Maatstaf land ∗ bodemfactor gemeente Het aantal hectaren land als bedoeld in maatstaf 16, vermenigvuldigd met de bodemfactor als omschreven in artikel 12, tweede lid.
19. Maatstaf binnenwater Het aantal hectaren binnenwater in de gemeente. CBS
20. Maatstaf buitenwater Het aantal hectaren buitenwater in de gemeente. CBS
21. Maatstaf oppervlak bebouwing Het totale oppervlak van de bebouwing binnen de gemeente. Indien nodig wordt dit oppervlak jaarlijks geïndexeerd CBS
22. Maatstaf oppervlak bebouwing woonkern ∗ bodemfactor woonkern Het oppervlak van de bebouwing binnen de woonkernen, vermenigvuldigd met de bodemfactor bedoeld in artikel 12, tweede lid, voor de woonkernen van de gemeente. CBS
23. Maatstaf oppervlak bebouwing buitengebied ∗ bodemfactor buitengebied Het oppervlak van de bebouwing buiten de woonkernen, vermenigvuldigd met de bodemfactor bedoeld in artikel 12, tweede lid, voor de gebieden buiten de woonkernen. CBS
24. Maatstaf woonruimten Het aantal woonruimten in de gemeente. CBS
25. Maatstaf woonruimten ∗ bodemfactor woonkern Het aantal woonruimten in de gemeente vermenigvuldigd met de voor het gebied binnen de woonkern berekende bodemfactor als bedoeld in artikel 12, tweede lid. CBS
26. Maatstaf woonruimten ∗ percentage slechte grond Het aantal woonruimten in de gemeente vermenigvuldigd met het percentage slechte grond als bedoeld in artikel 12, eerste lid. CBS
27. Maatstaf historische kernen Voor de gemeente waarin historiche kernen zijn gelegen, bedoeld in artikel 17, het aantal hectaren historische kernen in de gemeente. Kernen met een oppervlak van minder dan 5 hectaren worden buiten beschouwing gelaten. CBS
28. Maatstaf historische waterweg Voor de gemeente waarin historische kernen zijn gelegen het aantal meters historische waterweg in en rondom de kernen CBS
29. Maatstaf bewoonde oorden 1930 Voor de gemeente, waarin oorden zijn gelegen, die in de in 1930 gehouden volkstelling zijn geregistreerd als een bewoond oord met 500 of meer woningen het historisch aantal woningen in deze oorden. CBS
30. Maatstaf woningen 1930 in bewoonde oorden Voor de gemeente, waarin bewoonde oorden zijn gelegen als bedoeld in maatstaf 29, waarbij in de bewoonde oorden historische kernen zijn gelegen als bedoeld in maatstaf 27: het historisch aantal woningen in deze bewoonde oorden. CBS
31. Maatstaf ISV Het aandeel van de gemeente in de tegemoetkoming zoals door Onze Ministers op grond van artikel 18 is vastgesteld. Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer
32. Maatstaf omgevingsadressendichtheid De gemiddelde omgevingsadressendichtheid van de adressen in de gemeente, in adressen per vierkante kilometer, vermenigvuldigd met het aantal woonruimten in de gemeente. CBS
33. Maatstaf omgevingsadressendichtheid ∗ percentage slechte grond De uitkomst van de berekening in maatstaf 32, vermenigvuldigd met het percentage slechte grond als bedoeld in artikel 12, eerste lid. CBS
34. Maatstaf oeverlengte*bodemfactor gemeente Voor de gemeente waarin binnenwater is gelegen: de totale lengte van de oevers van het binnenwater in hectometers, vermenigvuldigd met de bodemfactor voor de gemeente, bedoeld in artikel 12, tweede lid
35. Maatstaf oeverlengtebodemfactor gemeentedichtheidsfactor Voor de gemeente waarin binnenwater als bedoeld in maatstaf 34 is gelegen: de uitkomst van de berekening van maatstaf 34, vermenigvuldigd met de dichtheidsfactor. De dichtheidsfactor bestaat uit het quotiënt van het inwonertal, bedoeld in de maatstaf onder nummer 2, en de som van de oppervlakken land en binnenwater, bedoeld in de maatstaven onder de nummers 16 en 19. CBS
36. Maatstaf meerkernigheid Het aantal woonkernen in de gemeente. CBS
37. Maatstaf meerkernigheid ∗ bodemfactor buitengebied Het aantal woonkernen in de gemeente, vermenigvuldigd met de bodemfactor bedoeld in artikel 12, tweede lid, voor het gebied buiten de woonkernen.
38. Maatstaf bedrijven Het aantal bedrijfsvestigingen in de gemeente. CBS
39. Maatstaf vast bedrag Eén eenheid voor iedere gemeente.
40. Maatstaf vast bedrag Amsterdam Eén eenheid voor de gemeente Amsterdam.
41. Maatstaf vast bedrag Rotterdam Eén eenheid voor de gemeente Rotterdam.
42. Maatstaf vast bedrag Den Haag Eén eenheid voor de gemeente Den Haag.
43. Maatstaf vast bedrag Utrecht Eén eenheid voor de gemeente Utrecht.
44. Maatstaf vast bedrag Waddengemeenten Voor de gemeenten Texel, Vlieland, Terschelling, Ameland en Schiermonnikoog: één eenheid.
45. Herindelingsmaatstaf Voor gemeenten waar een wijziging van de gemeentelijke indeling heeft plaatsgevonden, indien ten gevolge van deze wijziging twee of meer gemeenten zijn samengevoegd tot één gemeente, en de datum van samenvoeging ligt in het uitkeringsjaar of in één van de drie daaraan voorafgaande jaren, de uitkomst van de volgende berekening in euro: [1585065a + 53,29 (b–c) ]*d Waarin: a = het aantal gemeenten waarmee het totaal aantal gemeenten ten gevolge van de samenvoeging verminderd wordt; b = het totaal aantal inwoners per 1 januari van het jaar voorafgaand aan de samenvoeging van de gemeenten die bij de herindeling worden samengevoegd; c = het aantal inwoners per 1 januari van het jaar voorafgaand aan de samenvoeging van de bij de samenvoeging betrokken gemeente met het grootste aantal inwoners; d = de uitkeringsfactor die is vastgesteld voor het jaar waarin de samenvoeging plaatsvindt. Het aldus berekende bedrag wordt uitgekeerd in vier jaarlijkse gecorrigeerde termijnen, verdeeld als volgt: 40% van het bedrag wordt uitgekeerd in het uitkeringsjaar waarin de samenvoeging plaatsvindt; 20% van het bedrag wordt uitgekeerd in elk der drie daarop volgende uitkeringsjaren. Correctie vindt plaats door de termijnen te delen door de uitkeringsfactor over het uitkeringsjaar. CBS

Bijlage 3. De historische kernen (bijlage bij artikel 16)

Vervallen

Bijlage 4. Overgangsregeling 2001–2004 (bijlage bij artikel 27)

Vervallen

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.