← Geldende tekst · Geschiedenis

Besluit van 2 februari 2001, houdende regels inzake de financiële verhouding tussen het Rijk en de provincies en het Rijk en de gemeenten (Besluit financiële verhouding 2001)

Geldende tekst a fecha 2017-01-01

Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, mede namens de Staatssecretaris van Financiën van 23 oktober 2000, nr. FO2000/U89578, directoraat-generaal Openbaar Bestuur/BFO.

Gelet op de artikelen 8, derde lid, en 22 van de Financiële-verhoudingswet;

De Raad van State gehoord (advies van 14 december 2000, nr. WO4.00.0505/1)

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 19 januari 2001 (FO2001/U50552), uitgebracht mede namens de Staatssecretaris van Financiën;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen

Artikel 1

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

Hoofdstuk 2. Het provinciefonds en het gemeentefonds

Paragraaf 2.1. Algemene bepalingen inzake de algemene uitkering uit het provinciefonds en het gemeentefonds

Artikel 2

Vóór 1 juli van het jaar voorafgaand aan het uitkeringsjaar geven Onze Ministers aan gedeputeerde staten en de colleges van burgemeester en wethouders kennis van:

Artikel 3
1.

Bij de verdeling van het voor de algemene uitkeringen aan de provincies beschikbare bedrag worden de verdeelmaatstaven gehanteerd die zijn omschreven in bijlage 1 bij dit besluit.

2.

Bij de verdeling van het voor de algemene uitkeringen aan de gemeenten beschikbare bedrag worden de verdeelmaatstaven gehanteerd die zijn omschreven in bijlage 2 bij dit besluit.

3.

Bij de vaststelling van de algemene uitkering aan een provincie of gemeente stellen Onze Ministers zo nodig het aantal eenheden per verdeelmaatstaf vast. Voor zover in bijlage 1 en bijlage 2 bij een verdeelmaatstaf een bron is vermeld, kunnen Onze Ministers het aantal eenheden ontlenen aan een opgave van het vermelde orgaan of de vermelde instantie.

4.

De vaststelling van het aantal eenheden per verdeelmaatstaf voor een provincie of gemeente geschiedt naar de toestand op 1 januari van het uitkeringsjaar waarover het aantal wordt vastgesteld, tenzij in bijlage 1 of bijlage 2 een peildatum of andere tijdsaanduiding bij een verdeelmaatstaf is vermeld. In dat geval geschiedt de vaststelling naar de toestand op de aangegeven datum of de gegeven tijdsaanduiding.

5.

Indien op grond van het vierde lid een peildatum of tijdsaanduiding moet worden gehanteerd die ligt vóór de datum van herindeling van de provincie of gemeente, stellen Onze Ministers het aantal eenheden vast op basis van een redelijke schatting van de toestand zoals die op het aangegeven tijdstip zou zijn geweest als de herindeling op dat tijdstip reeds was ingegaan.

Artikel 4

Onze Ministers kunnen nadere regels stellen omtrent de uitwerking van de in bijlage 1 en bijlage 2 en in de paragrafen 2.2 en 2.3 van dit besluit gehanteerde begrippen en omtrent de telling van het aantal eenheden per verdeelmaatstaf voor zover dit noodzakelijk is om de verdeelmaatstaven te kunnen toepassen.

Paragraaf 2.2. Bijzondere bepalingen in verband met enkele verdeelmaatstaven voor het provinciefonds

Artikel 5

Vervallen

Artikel 6

Vervallen

Paragraaf 2.3. Bijzondere bepalingen in verband met enkele verdeelmaatstaven voor het gemeentefonds

Artikel 7

Het college van burgemeester en wethouders verstrekt jaarlijks aan het CBS gegevens omtrent de in artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken bedoelde waarden in de gemeente. Bij regeling van Onze Ministers worden nadere regels gesteld omtrent de te verstrekken gegevens alsmede de wijze en het moment van verstrekking.

Artikel 8

Vervallen

Artikel 9

Vervallen

Artikel 10

Vervallen

Artikel 11
1.

Onder slechte grond wordt verstaan: een minimaal 5 meter dik aaneengesloten pakket holocene klei- en/of veenlagen dat zich binnen 8 meter onder het maaiveld bevindt. Binnen deze definitie worden onderscheiden:

2.

Onder goede grond wordt verstaan grond die niet aan de omschrijvingen onder a, b en c in het eerste lid van dit artikel voldoet.

Artikel 12

De bodemfactor van een gemeente of van een deelgebied binnen een gemeente is het gewogen gemiddelde aandeel van de verschillende grondsoorten in het totale oppervlak van land en binnenwater binnen de gemeente of het deelgebied.

Artikel 13

Vervallen

Artikel 14

Vervallen

Artikel 15

Vervallen

Artikel 16

Vervallen

Artikel 17

Onze Ministers stellen de omvang van de maatstaven Historische kernen, Historische waterwegen, Bewoonde oorden 1930 en Woningen 1930 in historische kernen vast.

Artikel 18
1.

De gemeenten ontvangen via de algemene uitkering uit het gemeentefonds een tegemoetkoming in de kosten die zij maken als gevolg van de eigen bijdragen die van hen worden verwacht voor investeringen die mede bekostigd worden uit het Investeringsbudget voor stedelijke vernieuwing.

2.

Op basis van de verdeling van het Investeringsbudget stedelijke vernieuwing stellen Onze Ministers in overleg met Onze Minister wie het aangaat de omvang van het totale voor de tegemoetkoming beschikbare bedrag vast alsmede de aandelen van de gemeenten daarin.

Paragraaf 2.4. De aanvullende uitkering

Artikel 19
1.

De gemeenteraad doet een aanvraag voor een aanvullende uitkering voor 1 december van het jaar voorafgaand aan het jaar waarvoor zij wordt aangevraagd.

2.

De aanvraag bevat de vastgestelde begroting voor het jaar waarvoor de aanvullende uitkering wordt aangevraagd.

3.

De aanvraag wordt ingediend bij Onze Ministers en gelijktijdig in afschrift gezonden aan gedeputeerde staten.

Artikel 20

Gedeputeerde staten brengen voor 15 februari van het jaar waarvoor de aanvullende uitkering is aangevraagd dan wel verleend, aan Onze Ministers verslag uit over de financiële positie van de gemeente.

Artikel 21

Onze Ministers kunnen bepalen dat de artikelen 19 en 20 geheel of gedeeltelijk buiten toepassing blijven in verband met een besluit tot vaststelling van de aanvullende uitkering voor meer dan een jaar.

Artikel 22

Onze Ministers besluiten omtrent de aanvraag vóór 1 juni van het jaar, volgend op het jaar waarvoor de aanvullende uitkering wordt aangevraagd.

Artikel 23
1.

Een gemeente heeft een aanmerkelijk en structureel tekort als bedoeld in artikel 12, tweede lid, van de wet, indien:

2.

De belastingcapaciteit wordt bepaald door het totaal van de vastgestelde waarden bedoeld in artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken, in de gemeente, neerwaarts afgerond op een veelvoud van 500 000 euro, te vermenigvuldigen met de absolute waarde van de bedragen per eenheid behorende bij de maatstaven die in bijlage 2, onder nummer 1, 1a en 1b zijn vermeld.

3.

Bij de bepaling van de in het tweede lid bedoelde waarden wordt niet meegerekend de waarde van onroerende zaken of delen van onroerende zaken waarover het de gemeente verboden is, bij of krachtens wettelijk voorschrift, onroerende-zaakbelasting te heffen.

Artikel 24
1.

Van een redelijk peil van eigen inkomsten van een gemeente, als bedoeld in artikel 12, tweede lid, van de wet is sprake indien:

2.

Een tekort op de in het eerste lid, onder b en c, bedoelde onderdelen kan worden gecompenseerd door het tarief van de onroerendezaakbelastingen, bedoeld in het eerste lid, onder a, met een met het tekort overeenkomend bedrag te verhogen.

Artikel 25

Onze Ministers kunnen nadere regels stellen omtrent:

Paragraaf 2.5. De betalingen

Artikel 26
1.

Onze Ministers doen de betalingen in verband met de uitkeringen, bedoeld in artikel 5, eerste en tweede lid, van de wet, over het lopende uitkeringsjaar, zoveel mogelijk in gelijke wekelijkse delen gedurende de eerste vijftig volle weken van het jaar.

2.

Onze Ministers stellen voor ieder uitkeringsjaar een betalingsschema vast ten behoeve van de uitbetaling, bedoeld in artikel 5, derde lid, van de wet.

Hoofdstuk 3. Specifieke uitkeringen

Artikel 27

Artikel 17a van de Financiële-verhoudingswet is van toepassing op de verantwoordingsinformatie van gedeputeerde staten en het college van burgemeester en wethouders.

Artikel 28

Vóór 1 oktober van het jaar voorafgaand aan het uitkeringsjaar geven Onze Ministers wie het aangaat aan gedeputeerde staten en de colleges van burgemeester en wethouders kennis van:

Hoofdstuk 4. Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 29
1.

Indien de effecten van een nieuwe verdeelmethodiek ertoe leiden dat de uitkering per inwoner van een gemeente aanmerkelijk hoger of lager is, kan de algemene uitkering aan de desbetreffende gemeente worden verlaagd of verhoogd ten laste van het gemeentefonds. De uitkeringsfactor is op deze bedragen niet van toepassing.

2.

Onze Ministers stellen bij ministeriële regeling vast wat de maximale verlaging per inwoner van de gemeente van de algemene uitkering voor de gemeenten mag bedragen.

3.

Onze Ministers maken vóór 1 juli van het jaar voorafgaande aan een uitkeringsjaar bekend op welke bedragen de gemeenten voorlopig kunnen rekenen.

4.

Bij beschikking wordt het definitieve bedrag van de verhoging of verlaging van de algemene uitkering vastgesteld.

Artikel 30

Wijzigt het Besluit integratie-uitkering WUW-middelen Gemeentefonds.

Artikel 31
1.

Na de inwerkingtreding van dit besluit berust de Regeling meet- en rekenregels verdeelmaatstaven en vaststelling kilometers gewogen weglengte provinciefonds op artikel 22 van de wet en artikel 4 van dit besluit.

2.

Na de inwerkingtreding van dit besluit berust de Regeling meet- en rekenregels verdeelmaatstaven gemeentefonds op artikel 22 van de wet en artikel 4 van dit besluit.

3.

Na de inwerkingtreding van dit besluit berust de Regeling belastingcapaciteit op de artikelen 4 en 7 van dit besluit.

4.

Na de inwerkingtreding van dit besluit berust de Regeling aanvullende uitkering gemeentefonds op artikel 12 van de wet en artikel 25 van dit besluit.

Artikel 32

Wijzigt het Bekostigingsbesluit cultuuruitingen.

Artikel 33

Wijzigt het Besluit zonering buitenlandse luchtvaartterreinen Noord- en Midden-Limburg.

Artikel 34

Wijzigt het Faciliteitenbesluit opvangcentra.

Artikel 35

Wijzigt het Subsidiebesluit openbare lichamen milieubeheer.

Artikel 36

Wijzigt dit besluit.

Artikel 37

Het Besluit financiële verhouding wordt ingetrokken.

Artikel 38
1.

Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

2.

De verdeelmaatstaven die zijn vermeld in bijlage 1 van de Wet van 6 november 1997 tot wijziging van de Financiële-verhoudingswet en enkele andere wetten en regels inzake de invoering van deze wijziging in verband met een herziening van het verdeelstelsel voor het Provinciefonds, worden met ingang van de uitkering uit het provinciefonds voor het jaar 2001 vervangen door de verdeelmaatstaven die zijn opgenomen in bijlage 1 bij dit besluit.

3.

De verdeelmaatstaven die zijn vermeld in bijlage 2 van de Invoeringswet Financiële-verhoudingswet, en in de bijlagen bij het Besluit van 14 mei 1998 houdende toevoeging van de categorie vluchtelingen aan de verdeelmaatstaf minderheden en enkele andere aanpassingen van de verdeelmaatstaven van het gemeentefonds, het Wijzigingsbesluit verdeelmaatstaven gemeentefonds 1999 en het Wijzigingsbesluit verdeelmaatstaven gemeentefonds 2000, worden met ingang van de uitkering uit het gemeentefonds voor het jaar 2001 vervangen door de verdeelmaatstaven die zijn opgenomen in bijlage 2 bij dit besluit.

Artikel 39

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit financiële verhouding 2001.

Bijlage 1. De verdeelmaatstaven voor het provinciefonds (bijlage bij artikel 3, eerste lid)

nummer en korte omschrijving Definitie verdeelmaatstaf Bron Peildatum of tijdsaanduiding (indien deze anders luidt dan 1 januari van het uitkeringsjaar)
1. Maatstaf opcenten motorrijtuigenbelasting Het voor het kalenderjaar bepaalde totaal van de hoofdsommen van de motorrijtuigenbelasting, van de in de provincie wonende of gevestigde houders van een personenauto of motorrijwiel gedeeld door de uitkeringsfactor over het uitkeringsjaar. Het totaal wordt bepaald door aan de hand van het totaal van de in het kalenderjaar ontvangen provinciale opcenten te berekenen hoeveel hoofdsommen zouden zijn ontvangen, indien het in artikel 5 bedoelde tarief wordt gehanteerd. Onze Minister van Financiën 31 december van het jaar, twee jaar voorafgaand aan het uitkeringsjaar
2a en b. Maatstaf inwoners provincie Het aantal inwoners van de provincie. Daarbij vindt een verdeling plaats in twee maatstaven, overeenkomstig de volgende groepsindeling: a. het aantal inwoners; b. het aantal inwoners boven de 640 000 inwoners. Bij de toepassing van maatstaf 2b wordt een aantal kleiner dan 640 000 op dat aantal vastgesteld. CBS
3a. Maatstaf inwoners stedelijk gebied Het aantal inwoners van binnen de provincie gelegen stedelijk gebied. CBS
3b. Maatstaf inwoners landelijk gebied Het aantal inwoners van binnen de provincie gelegen landelijk gebied CBS
4. Maatstaf oppervlak land Het aantal hectaren land in de provincie. CBS
5. Maatstaf oppervlak water Het aantal hectaren water in de provincie. CBS
6. Maatstaf oppervlak agrarisch en natuurterrein Het totaal van de volgende aantallen: 1. het aantal hectaren land in de provincie, in gebruik ten behoeve van de land-, bos- en tuinbouw; 2. het aantal hectaren natuurterrein in de provincie. CBS De meest recente met betrekking tot het uitkeringsjaar of een daarvóór gelegen tijdstip vastgestelde cijfers van het CBS, voor zover deze zijn bekendgemaakt op uiterlijk 1 september van het tweede jaar volgend op het uitkeringsjaar
7. Maatstaf gewogen weglengte Het aantal kilometers gewogen weglengte, van de wegen in beheer bij de provincie. Regeling meet- en rekenregels verdeelmaatstaven en vaststeling kilometers gewogen weglengte provinciefonds art. 5 1 januari 1993
8. Maatstaf capaciteit warmte-kracht-koppeling De capaciteit van warmte-krachtkoppelingsinstallaties in alle bedrijfssectoren, uitgezonderd de bedrijven voor openbare electriciteitsproduktie, in het aantal megajoule per uur plus het aantal kilowatt. CBS De meest recente met betrekking tot het uitkeringsjaar of een daarvóór gelegen tijdstip vastgestelde cijfers van het CBS, voor zover deze zijn bekendgemaakt op uiterlijk 1 september van het tweede jaar volgend op het uitkeringsjaar
9. Maatstaf vast bedrag Één eenheid voor iedere provincie.

Bijlage 1. De verdeelmaatstaven voor het provinciefonds (bijlage bij artikel 3, eerste lid)

nummer en korte omschrijving Definitie verdeelmaatstaf Bron Peildatum of tijdsaanduiding (indien deze anders luidt dan 1 januari van het uitkeringsjaar)
1. Maatstaf opcenten motorrijtuigenbelasting Het voor het kalenderjaar bepaalde totaal van de hoofdsommen van de motorrijtuigenbelasting, van de in de provincie wonende of gevestigde houders van een personenauto of motorrijwiel gedeeld door de uitkeringsfactor over het uitkeringsjaar. Het totaal wordt bepaald door de in het kalenderjaar ontvangen provinciale opcenten te delen door het door de provincie in dat kalenderjaar gehanteerde tarief. Onze Minister van Financiën 31 december van het uitkeringsjaar
2. Maatstaf inwoners provincie Het aantal inwoners van de provincie. CBS
3a. Vervallen Vervallen. Vervallen
3b. Maatstaf inwoners landelijk gebied Het aantal inwoners van binnen de provincie gelegen landelijk gebied CBS
4. Maatstaf oppervlak land Het aantal hectaren land in de provincie. CBS
5. Maatstaf oppervlak water Het aantal hectaren water in de provincie. CBS
6. Vervallen Vervallen. Vervallen Vervallen
7. Maatstaf gewogen weglengte De gewogen weglengte in kilometers van de wegen in beheer bij de provincie. CBS en regeling meet- en rekenregels verdeelmaatstaven provinciefonds en gemeentefonds
8. Vervallen Vervallen. Vervallen. Vervallen.
9. Maatstaf vast bedrag Één eenheid voor iedere provincie.
10. Maatstaf inwoners groei De som van de toename van het aantal inwoners in de gemeenten van de provincie over de periode 1 januari 2009–1 januari 2030, voor het deel van de toename van het aantal inwoners in de gemeente dat de 10% te boven gaat. CBS 23 oktober 2009
11. Maatstaf inwoners krimp De som van de afname van het aantal inwoners in de gemeenten van de provincie over de periode 1 januari 2009–1 januari 2030, voor het deel van de afname van het aantal inwoners in de gemeente dat de 4% te boven gaat. CBS 23 oktober 2009
12. Maatstaf inwoners omgevingsadressendichtheid Het aantal inwoners van de provincie indien de omgevingsadressendichtheid van een provincie beneden de waarde van 1000 ligt. CBS
13. Maatstaf jongeren Het aantal inwoners van de provincie dat 19 jaar of jonger is. CBS
14. Maatstaf woonruimten Het aantal woonruimten in de provincie, zijnde het aantal verblijfsobjecten met woonfunctie en het aantal verblijfsobjecten met logiesfunctie gezamenlijk. CBS
15. Maatstaf oeverlengte De totale lengte in hectometers van de oevers van het binnenwater in de provincie. CBS
16. Maatstaf oppervlakte ecologische hoofdstructuur groen Het aantal hectaren land in de provincie in gebruik als bos, droog natuurlijk terrein, nat natuurlijk terrein en overig agrarisch gebruik binnen de contouren van de Ecologische Hoofdstructuur. CBS 1 januari 2006
17. Maatstaf oppervlakte bedrijventerreinen Het aantal hectaren terrein in gebruik voor nijverheid, handel en zakelijke dienstverlening in de provincie. CBS
18. Maatstaf inrichtingen gevaarlijke stoffen Het aantal inrichtingen in het Register risico’s gevaarlijke stoffen in de provincie waarvoor de provincie bevoegd gezag is. IPO 10 juli 2010
19. Maatstaf werkgelegenheid Het gemiddeld aantal banen in december van werknemers in dienst van bedrijven en instellingen in de provincie. CBS
20. Maatstaf stuwende werkgelegenheid Het gemiddeld aantal banen in december van werknemers in de bedrijfstakken landbouw, bosbouw en visserij, delfstofwinning, industrie, productie, distributie, vervoer, opslag en communicatie, financiële instellingen en onroerendgoedhandel en de bedrijfsklasse groothandel en handelsbemiddeling in de provincie gedeeld door 1000. CBS voorlopige stand december 2009

Bijlage 2. De verdeelmaatstaven voor het gemeentefonds (bijlage bij artikel 3, tweede lid)

nummer en korte omschrijving Definitie verdeelmaatstaf Bron Peildatum of tijdsaanduiding (indien deze anders luidt dan 1 januari van het uitkeringsjaar)
1. Maatstaf Ozb woningen eigenaren Het op grond van artikel 8, tweede lid, van de Financiële-verhoudingswet gecorrigeerde totaal van de vastgestelde waarden van onroerende zaken. Het gecorrigeerde totaal wordt gedeeld door de uitkeringsfactor over het uitkeringsjaar. Het betreft de onroerende zaken die tot woning dienen waarover onroerende zaakbelastingen (Ozb), bedoeld in artikel 220, onderdeel b, van de Gemeentewet, geheven kan worden van eigenaren. De waarde van de onroerende zaken wordt bepaald op grond van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken. CBS
1a. Maatstaf Ozb niet-woningen eigenaren Het op grond van artikel 8, tweede lid, van de Financiële-verhoudingswet gecorrigeerde totaal van de vastgestelde waarden van onroerende zaken in de gemeente. Het gecorrigeerde totaal wordt gedeeld door de uitkeringsfactor over het uitkeringsjaar. Het betreft onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning dienen en waarover onroerende zaakbelastingen (Ozb), bedoeld in artikel 220, onderdeel b, van de Gemeentewet, kan worden geheven van eigenaren. De waarde van de onroerende zaken wordt bepaald op grond van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken. CBS
1b. Maatstaf Ozb niet-woningen gebruikers Het op grond van artikel 8, tweede lid, van de Financiële-verhoudingswet gecorrigeerde totaal van de vastgestelde waarden van onroerende zaken in de gemeente. Het gecorrigeerde totaal wordt gedeeld door de uitkeringsfactor over het uitkeringsjaar. Het betreft onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning dienen en waarover onroerende zaakbelastingen (Ozb) kan worden geheven van de gebruikers, zoals bedoeld in artikel 220, onderdeel a, van de Gemeentewet. De waarde van de onroerende zaken wordt bepaald op grond van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken. CBS
2. Maatstaf inwoners Het aantal inwoners van de gemeente. CBS
2a. Maatstaf krimp Voor gemeenten in de provincies Groningen, Limburg en Zeeland die in het uitkeringsjaar een inwonertal hebben dat meer dan 1% lager ligt dan het inwonertal van zeven jaar eerder: het verschil in aantal inwoners boven de drempel van 1% van het aantal inwoners zeven jaar eerder. CBS
3. Maatstaf éénouderhuishoudens Het aantal particuliere huishoudens in een gemeente bestaande uit een ouder met een of meer thuiswonende kinderen. CBS
4. Maatstaf jongeren Het aantal inwoners van de gemeente dat 19 jaar of jonger is. CBS
4a. Maatstaf extra groei jongeren Voor de gemeente waar het aantal jongeren, bedoeld in maatstaf 4, in 10 jaar tijd met meer dan 10% is toegenomen, het aantal jongeren waarmee de toename de 10 procent overstijgt. CBS
5. Maatstaf ouderen Het aantal inwoners van de gemeente dat 65 jaar of ouder is. CBS
5a. Maatstaf inwoners 75 tot 85 jaar Het aantal inwoners van een gemeente van 75 jaar tot 85 jaar. CBS
6. Maatstaf inwoners waddengemeenten Voor de gemeenten Texel, Vlieland, Terschelling, Ameland en Schiermonnikoog: het aantal inwoners van de gemeente. Daarbij vindt een verdeling plaats in drie maatstaven, overeenkomstig de volgende schijven: a. het aantal inwoners in het interval tot en met 2500 inwoners; b. het aantal inwoners in het interval van 2501 tot en met 7500 inwoners; c. het aantal inwoners boven de 7500 inwoners. CBS
7. Maatstaf huishoudens met een laag inkomen Het aantal huishoudens in de gemeente met een inkomen hoger dan inkomensgrens s en niet hoger dan inkomensgrens t. Inkomensgrens s wordt zodanig bepaald dat juist bij 10% van het landelijk aantal huishoudens het inkomen onder de grens ligt. Inkomensgrens t wordt zodanig bepaald dat juist bij 40% van het landelijk aantal huishoudens het inkomen onder de grens ligt. CBS De meest recente op het uitkeringsjaar of een daarvóór gelegen tijdstip betrekking hebbende inkomensstatistiek, voor zover deze is bekendgemaakt op uiterlijk 1 september van het tweede jaar volgend op het uitkeringsjaar.
7a. Maatstaf huishoudens met een laag inkomen met drempel Het aantal huishoudens in de gemeente volgens maatstaf 7, voor zover dit aantal méér is dan 10% van het aantal woonruimten in de gemeente. CBS De meest recente op het uitkeringsjaar of een daarvóór gelegen tijdstip betrekking hebbende inkomensstatistiek, voor zover deze is bekendgemaakt op uiterlijk 1 september van het tweede jaar volgend op het uitkeringsjaar.
7b. Maatstaf huishoudens Het aantal particuliere huishoudens en het aantal personen in institutionele huishoudens in de gemeente. CBS
8. Bijstandsmaatstaf Het totaal aantal huishoudens – voor zover alle personen die deel uitmaken van het huishouden thuiswonend en beneden de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a van de Algemene Ouderdomswet zijn – dat in een gemeente een periodieke uitkering ontvangt op grond van: 1. de Participatiewet; 2. de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW); 3. de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ). Indien een huishouden zowel een periodieke uitkering ontvangt op grond van de Participatiewet als een periodieke uitkering op grond van de IOAW of IOAZ, dan telt dat huishouden twee keer mee. CBS 31 december van het jaar voorafgaand aan het uitkeringsjaar
9. Maatstaf schaalnadeel uitvoering regelgeving SZW Het aantal personen met een uitkering volgens maatstaf 8, gedeeld door de som van 350 en dit aantal. CBS 31 december van het jaar voorafgaand aan het uitkeringsjaar
10. Maatstaf schaalvoordeel uitvoering regelgeving SZW Het aantal personen met een uitkering volgens maatstaf 8 tot de macht 0,87. CBS 31 december van het jaar voorafgaand aan het uitkeringsjaar
11. Maatstaf uitkeringsontvangers Het aantal personen met een uitkering volgens maatstaf 8 plus 1. het aantal volgens de Wet sociale werkvoorziening (Wsw) geïndiceerde inwoners in een gemeente die een dienstbetrekking als bedoeld in artikel 1 van de Wsw hebben. Meegeteld worden de volgens de Wsw geïndiceerde personen die op de wachtlijst staan en beschikbaar zijn om een dienstbetrekking als eerder genoemd te aanvaarden, plus 2. het aantal personen jonger dan 65 jaar van de gemeentemet een periodieke uitkering op grond van a. bij of krachtens de Kaderwet militaire pensioenen vastgestelde bepalingen; b. de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen; c. de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten; d. de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering; e. de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen of f. het Reglement van het Algemeen Mijnwerkersfonds. 1. SZW 2, onderdeel a: de Algemene Pensioen Groep (APG) 2, onderdelen b t/m e: het Uitvoeringsinstituut Werknemers Verzekeringen (UWV) 2, onderdeel f: het Algemeen Mijnwerkersfonds van de steenkolenmijnen in Limburg 31 december van het jaar voorafgaand aan het uitkeringsjaar
12. Maatstaf minderheden Het aantal inwoners van de gemeente dat behoort tot een bepaalde etnische minderheid, alsmede houders van een verblijfsvergunning op grond van asiel. CBS
12a. Maatstaf minderheden met drempel Het aantal inwoners, bedoeld in maatstaf 12, voor zover dit aantal meer is dan 20% van het aantal inwoners van de gemeente. CBS
13. Maatstaf klantenpotentieel lokaal Het aantal potentiële lokale klanten van een woonkern. Dat is het aantal klanten dat een woonkern van een gemeente aantrekt uit alle woonkernen binnen een straal van 20 kilometer rondom de eigen woonkern, met inbegrip van die woonkern zelf. Verondersteld wordt dat de lokale aantrekkingskracht van een kern lineair toeneemt met het aantal inwoners van die kern en afneemt met het kwadraat van de afstand tot die kern. Het totaal aantal potentiële lokale klanten in Nederland is gelijk aan het aantal inwoners. CBS
14. Maatstaf klantenpotentieel regionaal Het aantal potentiële regionale klanten van een woonkern. Dat is het aantal klanten dat een woonkern van een gemeente aantrekt uit alle woonkernen binnen een straal van 60 kilometer rondom de eigen woonkern, met inbegrip van die woonkern zelf. Verondersteld wordt dat de regionale aantrekkingskracht van een kern toeneemt met het kwadraat van het aantal inwoners van die kern en afneemt met het kwadraat van de afstand tot die kern. Het totaal aantal potentiële regionale klanten in Nederland is gelijk aan het aantal inwoners. CBS
15. Leerlingmaatstaf voortgezet onderwijs Het gecorrigeerde aantal leerlingen die in een gemeente op de peildatum voortgezet onderwijs volgen. OCW 1 oktober van het jaar voorafgaand aan het uitkeringsjaar
15a. Leerlingmaatstaf speciale school voor basisonderwijs en voortgezet speciaal onderwijs Het gecorrigeerde aantal leerlingen die in een gemeente op de peildatum één van de volgende vormen van onderwijs volgen: 1.onderwijs aan een speciale school voor basisonderwijs; 2. voortgezet speciaal onderwijs. OCW 1 oktober van het jaar voorafgaand aan het uitkeringsjaar
15b. Maatstaf extra groei leerlingen voortgezet onderwijs Het aantal leerlingen boven de toename van het ongecorrigeerde aantal leerlingen van 10%, in een gemeente waar het ongecorrigeerde aantal leerlingen, bedoeld in maatstaf 15, in tien jaar tijd met meer dan 10% is toegenomen. OCW
15c. Maatstaf achterstandsleerlingen met drempel Het aantal leerlingen primair onderwijs met gewicht van 1,2, voor zover dit aantal méér is dan 10% van het totaal aantal leerlingen primair onderwijs in de gemeente. OCW 1 oktober 2010
16. Maatstaf land Het aantal hectaren land in de gemeente. CBS
17. Vervallen
18. Maatstaf land ∗ bodemfactor gemeente Het aantal hectaren land als bedoeld in maatstaf 16, vermenigvuldigd met de bodemfactor als omschreven in artikel 12.
19. Maatstaf binnenwater Het aantal hectaren binnenwater in de gemeente. CBS
20. Maatstaf buitenwater Het aantal hectaren buitenwater in de gemeente. CBS
21. Maatstaf oppervlak bebouwing Het totale oppervlak van de bebouwing binnen de gemeente. CBS
22. Maatstaf oppervlak bebouwing woonkern ∗ bodemfactor woonkern Het oppervlak van de bebouwing binnen de woonkernen, vermenigvuldigd met de bodemfactor bedoeld in artikel 12 voor de woonkernen van de gemeente. CBS
23. Maatstaf oppervlak bebouwing buitengebied ∗ bodemfactor buitengebied Het oppervlak van de bebouwing buiten de woonkernen, vermenigvuldigd met de bodemfactor bedoeld in artikel 12 voor de gebieden buiten de woonkernen. CBS
24. Maatstaf woonruimten Het aantal woonruimten in de gemeente, zijnde het aantal verblijfsobjecten met woonfunctie en het aantal verblijfsobjecten met logiesfunctie gezamenlijk. CBS
25. Maatstaf woonruimten ∗ bodemfactor woonkern Het aantal woonruimten in de gemeente vermenigvuldigd met de voor het gebied binnen de woonkern berekende bodemfactor als bedoeld in artikel 12. CBS
26. Vervallen
27. Maatstaf historische kernen Voor de gemeente waarin historiche kernen zijn gelegen, bedoeld in artikel 17, het aantal hectaren historische kernen in de gemeente. Kernen met een oppervlak van minder dan 5 hectaren worden buiten beschouwing gelaten. CBS
28. Maatstaf historische waterweg Voor de gemeente waarin historische kernen zijn gelegen het aantal meters historische waterweg in en rondom de kernen CBS
29. Maatstaf bewoonde oorden 1930 Voor de gemeente, waarin oorden zijn gelegen, die in de in 1930 gehouden volkstelling zijn geregistreerd als een bewoond oord met 500 of meer woningen het historisch aantal woningen in deze oorden. CBS
30. Maatstaf woningen 1930 in bewoonde oorden Voor de gemeente, waarin bewoonde oorden zijn gelegen als bedoeld in maatstaf 29, waarbij in de bewoonde oorden historische kernen zijn gelegen als bedoeld in maatstaf 27: het historisch aantal woningen in deze bewoonde oorden. CBS
31. Maatstaf ISV Het aandeel van de gemeente in de tegemoetkoming zoals door Onze Ministers op grond van artikel 18 is vastgesteld. Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer
32. Maatstaf omgevingsadressendichtheid De gemiddelde omgevingsadressendichtheid van de adressen in de gemeente, in adressen per vierkante kilometer, vermenigvuldigd met het aantal woonruimten in de gemeente gedeeld door 1.000. CBS
32a. Maatstaf omgevingsadressendichtheid met drempel De omgevingsadressendichtheid bedoeld in maatstaf 32, voor zover de omgevingsadressendichtheid de waarde van 3.400 te boven gaat. CBS
33. Vervallen
34. Maatstaf oeverlengte*bodemfactor gemeente Voor de gemeente waarin binnenwater is gelegen: de totale lengte van de oevers van het binnenwater in hectometers, vermenigvuldigd met de bodemfactor voor de gemeente, bedoeld in artikel 12.
35. Maatstaf oeverlengte * bodemfactor gemeente * dichtheidsfactor Voor de gemeente waarin binnenwater is gelegen als bedoeld in maatstaf 34: de uitkomst van de volgende berekening: (oeverlengte + 2x oeverlengte in veen/ kleiveengebied) x bodemfactor gemeente x de dichtheidsfactor. De dichtheidsfactor bestaat uit het quotiënt van het aantal inwoners volgens maatstaf 2 en de som van de oppervlakten land en binnenwater volgens de maatstaven 16 en 19. CBS
36. Maatstaf meerkernigheid Het aantal woonkernen in de gemeente. CBS
36a. Maatstaf grote woonkernen In afwijking van artikel 1, onderdeel f, van het Besluit financiële verhouding 2001, worden voor deze maatstaf alleen de woonkernen meegeteld die ieder 500 adressen of meer omvatten. CBS
37. Maatstaf meerkernigheid ∗ bodemfactor buitengebied Het aantal woonkernen in de gemeente, vermenigvuldigd met de bodemfactor bedoeld in artikel 12 voor het gebied buiten de woonkernen.
38. Maatstaf bedrijven Het aantal bedrijfsvestigingen in de gemeente. CBS
38a. Maatstaf belastingcapaciteit niet-woningen Het totaal van de vastgestelde waarden van onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning dienen, als bedoeld in artikel 220, onderdeel b, van de Gemeentewet en waarover naar de toestand op 1 januari van het uitkeringsjaar door de gemeente onroerende zaakbelastingen (Ozb) kan worden geheven. De maatstaf bedraagt 70% van de Ozb-waarde en wordt uitgedrukt in miljoenen euro’s. De waarde van de onroerende zaken wordt bepaald op grond van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken (Woz). CBS
39. Maatstaf vast bedrag Eén eenheid voor iedere gemeente.
40. Maatstaf vast bedrag Amsterdam Eén eenheid voor de gemeente Amsterdam.
41. Maatstaf vast bedrag Rotterdam Eén eenheid voor de gemeente Rotterdam.
42. Maatstaf vast bedrag Den Haag Eén eenheid voor de gemeente Den Haag.
43. Maatstaf vast bedrag Utrecht Eén eenheid voor de gemeente Utrecht.
44. Maatstaf vast bedrag Waddengemeenten Voor de gemeenten Texel, Vlieland, Terschelling, Ameland en Schiermonnikoog: één eenheid.
44a. Vast bedrag Baarle-Nassau Eén eenheid voor de gemeente Baarle-Nassau
45. Herindelingsmaatstaf Gemeenten die ingevolge een vastgesteld herindelingsadvies, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel e, van de Wet algemene regels herindeling, (Wet arhi), onderdeel uit kunnen gaan maken van een wijziging van de gemeentelijke indeling, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van de Wet arhi, waarbij het totaal aantal gemeenten afneemt, komen gezamenlijk in aanmerking voor een bedrag in euro’s dat de uitkomst is van de volgende berekening: [2.806.800 n1+ 66,61 (i1– i2)]* d1 Waarin: n1 = de afname van het totaal aantal gemeenten ten gevolge van de wijziging van de gemeentelijke indeling; i1 = het totaal aantal inwoners van de bij de wijziging van de gemeentelijke indeling betrokken gemeenten per 1 januari van het jaar voorafgaand aan de datum van herindeling; i2 = het aantal inwoners per 1 januari van het jaar voorafgaand aan de datum van herindeling van de bij de wijziging van de gemeentelijke indeling betrokken gemeente met het grootste aantal inwoners; d1 = de uitkeringsfactor die is vastgesteld voor het jaar voorafgaand aan de datum van herindeling. Het aldus berekende bedrag wordt uitgekeerd als volgt: 1. 20% in het uitkeringsjaar voorafgaand aan de datum van herindeling, in gelijke delen verdeeld over de bij de wijziging van de gemeentelijke indeling betrokken gemeenten; 2. Vanaf de datum van herindeling ontvangt de nieuwgevormde gemeente het deel dat resteert na aftrek van het totaal uitgekeerde bedrag in het uitkeringsjaar voorafgaand aan de datum van herindeling. Het bedrag onder 2 wordt uitgekeerd in vier jaarlijks gecorrigeerde termijnen als volgt: – 40% van het restbedrag wordt uitgekeerd in het uitkeringsjaar van de datum van herindeling; – 20% van het restbedrag wordt uitgekeerd in elk van de drie daarop volgende uitkeringsjaren. Correctie vindt plaats door de termijnen te delen door de uitkeringsfactor over het uitkeringsjaar. Indien de voorgenomen wijziging van de gemeentelijke indeling geen doorgang vindt wordt het restbedrag op nul gesteld en in het geval het daadwerkelijke aantal betrokken gemeenten bij de wijziging van de gemeentelijke indeling afwijkt van het aantal betrokken gemeenten op grond van het herindelingsadvies, vindt herberekening van het restbedrag plaats. CBS
45a. Herindelingsmaatstaf bij splitsing van een gemeente Gemeenten die ingevolge een vastgesteld herindelingsadvies, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel e, van de Wet algemene regels herindeling, (Wet arhi), onderdeel uit kunnen gaan maken van een wijziging van de gemeentelijke indeling, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van de Wet arhi, waarbij delen van een op te heffen gemeente overgaan naar verschillende andere bij de wijziging van de gemeentelijke indeling betrokken gemeenten (splitsing) en het totaal aantal gemeenten afneemt, komen gezamenlijk in aanmerking voor een bedrag in euro’s dat de uitkomst is van de volgende berekening: [2.806.800 n1 (1+ n20,1)+ 66,61 i3] * d1 Waarin: n1 = de afname van het totaal aantal gemeenten ten gevolge van de wijziging van de gemeentelijke indeling; n2 = het aantal bij de wijziging van de gemeentelijke indeling betrokken gemeenten, inclusief de opgesplitste gemeente; i3 = het aantal inwoners van de opgesplitste gemeente per 1 januari van het jaar voorafgaand aan de datum van herindeling; d1 = de uitkeringsfactor die is vastgesteld voor het jaar voorafgaand aan de datum van herindeling. Het aldus berekende bedrag wordt uitgekeerd als volgt: 1. 20% in het uitkeringsjaar voorafgaand aan de datum van herindeling, in gelijke delen verdeeld over de bij de wijziging van de gemeentelijke indeling betrokken gemeenten, inclusief de opgesplitste gemeente; 2. Vanaf de datum van herindeling ontvangt (ontvangen) de nieuwgevormde gemeente(n) het deel dat resteert na aftrek van het totaal uitgekeerde bedrag in het uitkeringsjaarjaar voorafgaand aan de datum van herindeling, verdeeld als volgt: – 5% van het restbedrag komt toe aan de in de wet tot wijziging van de gemeentelijke indeling aangewezen algemene rechtsopvolger van de opgesplitste gemeente; – de overige 95% van het restbedrag wordt als volgt over de nieuwgevormde gemeente(n) verdeeld: [aantal ontvangen inwoners opgesplitste gemeente / (totaal aantal inwoners opgesplitste gemeente – aantal inwoners betrokken bij grenscorrectie(s) als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel d, van de Wet arhi)]. De onder 2 berekende bedragen worden in vier jaarlijks gecorrigeerde termijnen uitgekeerd: – 40% wordt uitgekeerd in het uitkeringsjaar van de datum van herindeling; – 20% wordt uitgekeerd in elk van de drie daarop volgende uitkeringsjaren. Correctie vindt plaats door de termijnen te delen door de uitkeringsfactor over het uitkeringsjaar. Indien de voorgenomen wijziging van de gemeentelijke indeling geen doorgang vindt wordt het restbedrag op nul gesteld en in het geval het daadwerkelijke aantal betrokken gemeenten bij de wijziging van de gemeentelijke indeling afwijkt van het aantal betrokken gemeenten op grond van het herindelingsadvies, vindt herberekening van het restbedrag plaats. CBS 1

Bijlage 3. De historische kernen (bijlage bij artikel 16)

Vervallen

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Artikel 28a

Het grensbedrag voor de verzameluitkering, bedoeld in artikel 15a, derde lid, van de wet, wordt vastgesteld op € 10 miljoen per jaar.

Hoofdstuk 4. Overgangs- en slotbepalingen

Bijlage 4. Overgangsregeling 2001–2004 (bijlage bij artikel 27)

Vervallen

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.