← Geldende tekst · Geschiedenis

Wet van 27 juni 2002, houdende de Wet op het BTW-compensatiefonds

Geldende tekst a fecha 2003-01-01

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging hebben genomen dat het wenselijk is gemeenten, provincies en regionale openbare lichamen te compenseren voor de lasten van de heffing van omzetbelasting om daarmee de afweging tussen het zelf uitvoeren van activiteiten en het uitbesteden daarvan te verbeteren;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Artikel 1
1.

In deze wet en de daarop gebaseerde bepalingen wordt verstaan onder:

2.

Voorzover niet anders is bepaald, hebben de begrippen die in deze wet en de daarop berustende bepalingen worden gebruikt en die zijn ontleend aan de Wet op de omzetbelasting 1968, dezelfde betekenis als de begrippen in die wet en de daarop berustende bepalingen.

Artikel 2
1.

Er is een BTW-compensatiefonds.

2.

Het fonds is een begrotingsfonds als bedoeld in artikel 2 van de Comptabiliteitswet.

3.

Onze Minister voert het beheer over de begroting van het fonds.

4.

Het fonds wordt gevoed door voor ieder uitkeringsjaar bij wet een bedrag aan middelen van het Rijk ten behoeve van het fonds af te zonderen.

Onze Minister kan nadere regels stellen ter bepaling van de wijze van voeding van het fonds.

5.

Ten gunste van de begroting van het fonds van enig jaar wordt het gerealiseerde batig saldo van het fonds van het voorafgaande jaar gebracht.

6.

De uitgaven van het fonds worden gevormd door:

Onze Minister kan nadere regels stellen ter bepaling van de wijze van uitkering van het fonds en het verstrekken van voorschotten.

7.

Ten laste van de begroting van het fonds van enig jaar wordt het gerealiseerde nadelig saldo van het fonds van het voorafgaande jaar gebracht.

8.

In afwijking van de artikelen 4, tweede lid, en 65, tweede lid, aanhef en onder a, van de Comptabiliteitswet hebben de begroting en de financiële verantwoording betrekking op de uitgaven en ontvangsten van het fonds.

9.

De inspecteur verstrekt de gegevens die nodig zijn ten behoeve van het beheer van het fonds.

10.

Onze Minister kan nadere regels stellen met betrekking tot de minimale hoogte van de bijdragen uit het fonds.

Onze Minister kan daarbij nadere regels stellen met betrekking tot de toepassing van een vereveningsfactor in verband met de budgettaire verwerking daarvan voorzover de bijdragen uit het fonds op grond van dit lid meer bedragen dan de bijdragen waarop recht bestaat op grond van de overige bepalingen van deze wet.

Onze Minister kan voorts nadere regels stellen met betrekking tot een verevening van de in de vorige volzin bedoelde uitgekeerde hogere bijdragen in een kalenderjaar met bijdragen over daarop volgende kalenderjaren voorzover laatstbedoelde bijdragen de minimale hoogte van de bijdragen uit het fonds in die jaren overtreffen.

11.

Onze Minister kan nadere regels stellen met betrekking tot de toepassing van een vereveningsfactor in verband met de budgettaire verwerking van bijdragen die niet samenhangen met betalingen op grond van de Wet op de omzetbelasting 1968.

12.

Een krachtens dit artikel vastgestelde ministeriële regeling treedt niet eerder in werking dan acht weken na de datum van de plaatsing in de Staatscourant. Van de plaatsing wordt onverwijld mededeling gedaan aan de beide kamers der Staten-Generaal.

Artikel 3

Het publiekrechtelijk lichaam of regionaal openbaar lichaam heeft recht op een bijdrage uit het fonds ter financiering van:

voorzover die belasting betrekking heeft op goederen en diensten die het publiekrechtelijk lichaam of regionaal openbaar lichaam bezigt anders dan in het kader van zijn onderneming.

Artikel 4
1.

Het recht op een bijdrage wordt uitgesloten voor de omzetbelasting op de in artikel 3 bedoelde goederen en diensten welke gebezigd worden:

2.

Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen.

Artikel 5

Het recht op bijdrage ontstaat op het tijdstip waarop de omzetbelasting aan het publiekrechtelijk lichaam of regionaal openbaar lichaam in rekening wordt gebracht op een conform de wettelijke bepalingen inzake de omzetbelasting voorgeschreven wijze opgemaakte factuur, dan wel op het tijdstip waarop de omzetbelasting wordt verschuldigd.

Artikel 6
1.

De bijdrage wordt naar evenredigheid verschuldigd op het tijdstip waarop en voorzover redelijkerwijs moet worden aangenomen dat het bedrag waarop de bijdrage betrekking heeft, niet of niet geheel zal worden betaald dan wel is terugontvangen.

2.

De bijdrage wordt in ieder geval verschuldigd twee jaren na de opeisbaarheid van de vergoeding, voorzover deze op dat tijdstip nog niet is betaald.

Artikel 7
1.

De bijdrage wordt bepaald overeenkomstig de bestemming van de goederen en diensten op het tijdstip waarop de omzetbelasting aan het publiekrechtelijk lichaam of regionaal openbaar lichaam in rekening wordt gebracht, dan wel op het tijdstip waarop de omzetbelasting wordt verschuldigd.

2.

Indien op het tijdstip waarop het publiekrechtelijk lichaam of regionaal openbaar lichaam de goederen en diensten gaat bezigen, blijkt, dat de omzetbelasting ter financiering waarvan de bijdrage strekt voor een groter of kleiner gedeelte tot bijdrage heeft geleid dan waartoe het publiekrechtelijk lichaam of regionaal openbaar lichaam op grond van het gebruik van de goederen en diensten is gerechtigd, wordt de te veel ontvangen bijdrage op dat tijdstip verschuldigd, dan wel ontstaat op dat tijdstip een recht op bijdrage ter hoogte van de te weinig ontvangen bijdrage.

Artikel 8

Onze Minister kan nadere regels stellen omtrent de bijdrage ingeval de goederen en diensten zowel worden bestemd of gebezigd in het kader van de onderneming van het publiekrechtelijk lichaam of regionaal openbaar lichaam als in het kader van andere doeleinden van het publiekrechtelijk lichaam of regionaal openbaar lichaam. Onze Minister kan voorts nadere regels stellen omtrent de bijdrage ingeval de goederen en diensten worden bestemd of gebezigd mede ten behoeve van prestaties als bedoeld in artikel 4.

Artikel 9
1.

De inspecteur als bedoeld in artikel 1, onderdeel j, is mede bevoegd voor de toepassing van deze wet ten aanzien van het publiekrechtelijk lichaam of regionaal openbaar lichaam.

2.

Voor het einde van de maand volgend op het tijdvak waarin het recht op bijdrage is ontstaan, dan wel een eerder verstrekte of nog te verstrekken bijdrage geheel of gedeeltelijk verschuldigd is geworden, wordt daarvan opgave gedaan. De inspecteur kan bij beschikking afwijken van de opgave.

3.

Na afloop van het kalenderjaar stelt de inspecteur de bijdrage over dat jaar op grond van de bepalingen van deze wet bij beschikking vast. Het verschil tussen de bij de in de vorige volzin bedoelde beschikking vastgestelde bijdrage en de over het kalenderjaar verstrekte voorschotten wordt zes maanden na het kalenderjaar uitbetaald, teruggevorderd dan wel verrekend met omzetbelasting die verschuldigd is op grond van de Wet op de omzetbelasting 1968, met inachtneming van het bepaalde in artikel 2, tiende lid, over de minimale hoogte van de bijdrage.

4.

Indien uiterlijk vijf jaren na het einde van het kalenderjaar blijkt dat bijdrage over dat jaar is verstrekt tot een hoger of lager bedrag dan waarop het publiekrechtelijk lichaam of regionaal openbaar lichaam op grond van deze wet recht heeft, stelt de inspecteur de hoogte van de bijdrage over het desbetreffende kalenderjaar vast bij beschikking en wordt het verschil met de over dat kalenderjaar verstrekte bijdrage uitbetaald, teruggevorderd dan wel verrekend met omzetbelasting en de daarover berekende heffingsrente. Voor de toepassing van dit lid wordt rente berekend op grond van het vijfde lid beschouwd als bijdrage.

5.

In de gevallen bedoeld in het vierde lid wordt rente berekend. Hoofdstuk VA van de Algemene wet inzake rijksbelastingen is van overeenkomstige toepassing als ware de bijdrage omzetbelasting, met dien verstande dat rente wordt berekend met ingang van de eerste dag van de zevende kalendermaand volgend op het kalenderjaar waarop het recht op bijdrage betrekking heeft.

6.

Hetgeen voor de omzetbelasting onherroepelijk komt vast te staan, geldt mede ten aanzien van de toepassing van deze wet.

7.

In afwijking in zoverre van de hoofdstukken 6,7 en 8 van de Algemene wet bestuursrecht is, met betrekking tot het bezwaar tegen een op de voet van het tweede, het derde lid of het vierde lid genomen beschikking, met betrekking tot beroep ter zake van een uitspraak op het desbetreffende bezwaar, alsmede met betrekking tot beroep in cassatie ter zake van de desbetreffende rechterlijke uitspraak, hoofdstuk V van de Algemene wet inzake rijksbelastingen van overeenkomstige toepassing.

9.

Onze Minister kan nadere regels stellen ter uitvoering van hetgeen in dit artikel is bepaald.

Artikel 10

Wijzigt de Gemeentewet.

Artikel 11

Wijzigt de Provinciewet.

Artikel 12

Wijzigt de Wet milieubeheer.

Artikel 13
1.

Geen recht op bijdrage bestaat voor omzetbelasting die in rekening is gebracht op een tijdstip dat is gelegen op of na het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, in gevallen waarin de omzetbelasting:

2.

Bij diensten waarvoor periodiek een vergoeding in rekening wordt gebracht wordt het recht op bijdrage beperkt in de gevallen waarin en voorzover de vergoeding die in rekening wordt gebracht na het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet meer dan tien percent hoger is dan de vergoeding die gemiddeld in rekening is gebracht in de periode van twee jaren voorafgaande aan het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet. Het percentage van tien wordt vermeerderd met tien voor elk heel jaar dat sinds het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet is verstreken.

3.

De beperking in het recht op bijdrage, bedoeld in het voorgaande lid, vervalt voor diensten met betrekking tot roerende zaken vijf jaren en voor diensten met betrekking tot onroerende zaken tien jaren na het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet. Een overeenkomstige vervaltermijn geldt voor rechten waaraan roerende dan wel onroerende zaken zijn onderworpen. Voor overige diensten geldt een vervaltermijn van vijf jaren na het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet.

Artikel 14

Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 2003, met uitzondering voor de regionale openbare lichamen, waarvoor deze wet op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip in werking zal treden.

Artikel 15

Deze wet wordt aangehaald als: Wet op het BTW-compensatiefonds.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad wordt geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.