← Geldende tekst · Geschiedenis

Regeling ter uitvoering van de artikelen 1, onderdeel e, 2, 9, 20, 26 en 38 van het Besluit spoorverkeer (Regeling spoorverkeer)

Geldende tekst a fecha 2005-01-01

Gelet op artikelen 1, onderdeel e, 2, 9, 20, 26 en 38 van het Besluit spoorverkeer;

Besluit:

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

Hoofdstuk 2. Onderzoek treinen

§ 1. Algemene bepalingen

Artikel 2
1.

Het onderzoek, bedoeld in artikel 2 van het Besluit spoorverkeer, wordt met betrekking tot voor treinen bestemde krachtvoertuigen en rijtuigen als een periodieke controle uitgevoerd.

2.

De periodieke controle omvat in elk geval:

3.

De spoorwegonderneming stelt voor ieder type krachtvoertuig en rijtuig een plan op waarin de inhoud, de plaats, alsmede de frequentie van de periodieke controle worden vastgelegd.

4.

De spoorwegonderneming draagt zorg voor de administratie van de uitgevoerde periodieke controles.

Artikel 3
1.

Het onderzoek, bedoeld in artikel 2 van het Besluit spoorverkeer, wordt met betrekking tot voor treinen bestemde wagens en hun eventuele lading als een technische controle uitgevoerd.

2.

De technische controle omvat een controle:

3.

De spoorwegonderneming stelt vast waar en wanneer de technische controle zal plaatsvinden en draagt zorg voor de administratie van de uitgevoerde technische controles.

Artikel 4
1.

In afwijking van artikel 3 kan ten aanzien van wagens en hun eventuele lading die in een trein over een afstand van maximaal 75 km vervoerd zullen worden, een controle veilige loop uitgevoerd worden.

2.

De controle veilige loop omvat een controle:

3.

De spoorwegonderneming stelt vast waar en wanneer de controle veilige loop zal plaatsvinden en draagt zorg voor de administratie van de uitgevoerde controles veilige loop.

Artikel 5

De in artikel 3 bedoelde technische controle en de in artikel 4 bedoelde controle veilige loop worden tenminste uitgevoerd aan de hand van een schema dat in bijlage 1 is opgenomen. Deze bijlage bevat ook een overzicht van de te nemen maatregelen in relatie tot de geconstateerde gebreken.

§ 2. Rembeproeving

Artikel 6
1.

Onverminderd de artikelen 2, 3, en 4 worden treinen onderworpen aan een rembeproeving.

2.

De spoorwegondernemer stelt voor iedere soort of type trein een plan op waarin de inhoud, de plaats en het tijdstip van de rembeproeving worden vastgelegd.

3.

In het plan van rembeproeving wordt tenminste rekening gehouden met de volgende omstandigheden:

4.

De spoorwegonderneming draagt zorg voor de administratie van de uitgevoerde rembeproevingen.

Hoofdstuk 3. Maximumsnelheid treinen

§ 1. Algemene bepalingen

Artikel 7

De maximumsnelheid, waarmede treinen vervoerd mogen worden, is de laagste snelheid die door de beremming van de trein, de technische eigenschappen van een in een trein opgenomen spoorvoertuig, de samenstelling van de trein en de belasting van de trein wordt bepaald.

Artikel 8
1.

Treinen worden tenminste beremd overeenkomstig de rempercentages die zijn opgenomen in de tabellen in bijlage 2. In deze tabellen zijn de rempercentages een functie van de snelheid en komen zij overeen met de van toepassing zijnde maximumsnelheid.

2.

De rempercentages zijn zodanig, dat treinen op een dalende helling van 5‰ tot stilstand kunnen worden gebracht binnen de hierna genoemde afstanden:

Treinsnelheid Maximum remweg
Vmax ≤ 40 km/u 400 m
40 < Vmax ≤ 60 km/u 500 m
60 < Vmax ≤ 80 km/u 800 m
80 < Vmax ≤ 130 km/u 1000 m
130 < Vmax ≤ 160 km/u 1150 m
Artikel 9
1.

Het berekenen van het in artikel 8 bedoelde rempercentage geschiedt overeenkomstig de volgende formule:

(Remgewicht van de trein / Treingewicht) × 100%.

2.

Het op grond van het eerste lid berekende percentage wordt naar beneden afgerond op hele procenten.

§ 2. Remgewicht

Artikel 10
1.

Voor het berekenen van het remgewicht van de trein wordt uitgegaan van de op de spoorvoertuigen vermelde remgewichten, waarbij remgewichten van spoorvoertuigen, waarvan de remmen buitenwerking of afgesloten dan wel niet aangesloten zijn op de luchtleiding, buiten beschouwing worden gelaten.

2.

Indien van een spoorvoertuig het remgewicht niet duidelijk leesbaar is vermeld, wordt als remgewicht van dat spoorvoertuig uitgegaan van:

Artikel 11
1.

Indien van een rijtuig of een wagen de rem van slechts één draaistel buiten werking is, wordt in afwijking van artikel 10 als remgewicht van dat spoorvoertuig uitgegaan van:

2.

Indien van een rijtuig de hogedrukrem van slechts één draaistel is afgesloten en deze is voorzien van een verstelkruk R-P, wordt in afwijking van artikel 10 als remgewicht van dat rijtuig uitgegaan van het totaal van:

3.

Indien van een rijtuig de hogedrukrem is uitgevallen en deze niet is voorzien van een verstelkruk R-P, wordt in afwijking van artikel 10 als remgewicht van dat rijtuig uitgegaan van het eigen gewicht.

4.

Indien van een locomotief, van een treinstel of van andere spoorvoertuigen die in vaste samenstelling worden vervoerd, de remmen gedeeltelijk zijn afgesloten, stelt de spoorwegonderneming in afwijking van artikel 10 vast met welke vermindering van het remgewicht van dat betreffende spoorvoertuig of van die betreffende spoorvoertuigen rekening moet worden gehouden.

Artikel 12

In afwijking van artikel 10 wordt bij een rijtuig voorzien van een magneetrem en rijdend met de verstelkruk in de stand R+Mg, als remgewicht van dat rijtuig uitgegaan van het remgewicht in de stand R.

Artikel 13
1.

Indien van een rijtuig met automatische lastafremming de automatische lastafremming defect is en dit rijtuig voor reizigers toegankelijk is, wordt in afwijking van artikel 10 als remgewicht van dat rijtuig uitgegaan van het eigen gewicht.

2.

Een rijtuig met automatische lastafremming waarvan de automatische lastafremming van slechts één draaistel defect is of de luchttoevoer naar één van de veren afgesloten is, wordt voor de vaststelling van het remgewicht gelijkgesteld met het in het eerste lid bedoelde rijtuig.

Artikel 14

Bij wagens met automatische lastafremming wordt in afwijking van artikel 10 als remgewicht uitgegaan van het eigen gewicht van die wagen vermeerderd met het gewicht van de lading, met dien verstande dat de som hiervan het op de wagen vermelde maximum remgewicht niet kan overstijgen.

Artikel 15
1.

Indien in een trein, bestaande uit spoorvoertuigen met uitzondering van het krachtvoertuig met ten hoogste 32 assen, één of meer rijtuigen zijn opgenomen waarop het remgewicht behalve in witte of zwarte cijfers ook in rode cijfers is vermeld, wordt het in rode cijfers vermelde remgewicht als remgewicht aangehouden, ongeacht of de snelremversnellingsinrichting functioneert.

2.

Indien in een trein, bestaande uit spoorvoertuigen met uitzondering van het krachtvoertuig met meer dan 32 assen, twee of meer rijtuigen zijn opgenomen die niet voorzien zijn van een snelremversnellingsinrichting of waarvan de snelremversnellingsinrichting niet functioneert, wordt voor alle rijtuigen in die trein het in witte of zwarte cijfers vermelde remgewicht aangehouden.

§ 3. Treingewicht

Artikel 16
1.

Voor het berekenen van het treingewicht wordt bij treinen bestemd voor het vervoer van reizigers uitgegaan van de op de rijtuigen vermelde totale gewichten

2.

Indien het totale gewicht niet op het rijtuig is vermeld, wordt het totale gewicht van dat rijtuig berekend door het eigen gewicht te vermeerderen met:

3.

In afwijking van het eerste lid wordt het eigen gewicht van een rijtuig als het totale gewicht aangemerkt, indien het betreffende rijtuig:

Artikel 17
1.

Voor het berekenen van het treingewicht wordt bij treinen bestemd voor het vervoer van goederen uitgegaan van het eigen gewicht van de wagens vermeerderd met het gewicht van de aanwezige lading. De uitkomst hiervan wordt als volgt afgerond:

2.

Indien het gewicht van de lading niet kan worden vastgesteld, wordt het maximum draagvermogen van het spoorvoertuig als het gewicht van de lading aangemerkt.

§ 4. Bijzondere beremmingsvoorschriften

Artikel 18
1.

Treinen bestemd voor het vervoer van goederen zijn voor het rijden in de Hemtunnel, de Velsertunnel dan wel de Willemstunnel zodanig samengesteld dat deze een rempercentage van ten minste 54% hebben, tenzij op grond van de tabellen van bijlage 2 een hoger rempercentage van toepassing is.

2.

Op treinen bestemd voor werkzaamheden aan op buiten dienst gestelde sporen is voor het rijden in de in het eerste lid genoemde tunnels kolom 2.4 van de tabellen van bijlage 2 van toepassing.

Artikel 19
1.

Op treinen bestemd voor het vervoer van goederen is voor het rijden over hoofdspoorwegen gelegen in voor het openbaar verkeer openstaande wegen een maximum remweg van 100 m van toepassing.

2.

De in het eerste lid bedoelde remweg is ook van toepassing op treinen die over hoofdspoorwegen met een plaatselijk toegestane snelheid van ten hoogste 10 km/u rijden.

§ 5. Kranen en krukken

Artikel 20
1.

Bij treinen bestemd voor het vervoer van reizigers en losse locomotieven wordt de P/G-kraan in de stand ‘P’ gesteld.

2.

Bij treinen bestemd voor het vervoer van goederen wordt de P/G-kraan volgens de tabellen A of B opgenomen in bijlage 3 ingesteld.

Artikel 21
1.

In afwijking van artikel 20 kunnen in treinen, bestemd voor het vervoer van goederen en met de P/G-kraan in de stand ‘P’, maximaal vijf wagens met de P/G-kraan in de stand ‘G’ achter de locomotief worden opgenomen, indien het totaal van de op deze wagens vermelde remgewichten met 20% wordt verminderd, waarbij de uitkomst naar beneden wordt afgerond.

2.

Indien in treinen, bestemd voor het vervoer van goederen en met de P/G-kraan in de stand ‘G’, wagens worden opgenomen waarvan de P/G-kraan niet in de stand ‘G’ kan worden gesteld, worden de remmen van deze wagens afgesloten.

Artikel 22

De verstelkruk leeg/beladen wordt op ‘leeg’gesteld, indien:

Hoofdstuk 4. Seinen

§ 1. Algemene bepalingen

Artikel 23
1.

De beheerder draagt zorg voor de plaatsing en de bediening van de vaste seinen in en nabij hoofdspoorwegen.

2.

De seinen worden op een zodanige wijze geplaatst en bediend dat op veilige wijze van de hoofdspoorweg gebruik kan worden gemaakt.

3.

De beheerder, gehoord de spoorwegondernemingen en de Minister, stelt interne richtlijnen vast voor de veiligheidskritische handelingen van de treindienstleider bij de bediening van seinen die de handelwijze van de bestuurder raken.

Artikel 24

De aard, uitvoering en betekenis van de seinen zijn opgenomen in bijlage 4.

§ 2. Plaatsing van seinen

Artikel 25
1.

Op hoofdspoorwegen waar de ter plaatse toegestane snelheid hoger is dan 40 km/u worden in ieder geval:

beveiligd door seinen die tenminste rood licht kunnen uitstralen.

2.

Op sporen waar de in het eerste lid bedoelde plaatsen met een snelheid van ten hoogste 40 km/u worden genaderd, mag de beveiliging ook bestaan uit een daarvoor geplaatst vast sein, dat de bestuurder gebiedt te stoppen.

3.

De Minister kan ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste lid.

Artikel 26
1.

Seinen worden geplaatst rechts naast of boven het spoor waarvoor zij zijn bestemd.

2.

In afwijking van het eerste lid mogen seinen links naast het spoor worden geplaatst, indien de situatie ter plaatse dit noodzakelijk maakt en dit geen nadelige invloed heeft op de veiligheid van het spoorverkeer.

3.

Seinen worden zodanig geplaatst of van zodanige aanduidingen voorzien, dat het voor de bestuurder duidelijk is welke seinen voor het door hem bereden spoor bestemd zijn.

Artikel 27

Seinen worden zodanig geplaatst, dat de bestuurder afhankelijk van de plaatselijk toegestane maximumsnelheid in staat is deze tijdig waar te nemen en daarop op passende wijze te reageren.

§ 3. Onderling verband

Artikel 28
1.

Tussen een wissel en een daarvoor ingevolge artikel 25, eerste lid, geplaatst sein bestaat een zodanig verband dat als dit sein voorbijrijden toestaat, het wissel niet kan worden omgelegd en de juiste stand van de tongen verzekerd is.

2.

Tussen een beweegbare brug en een daarvoor ingevolge artikel 25, eerste lid, geplaatst sein bestaat een zodanig verband dat als dit sein voorbijrijden toestaat, de brug in de juiste stand is vastgelegd.

3.

De Minister kan ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste lid.

Artikel 29
1.

Indien op hoofdspoorwegen, waar de ten hoogste toegelaten snelheid meer dan 40 km/u bedraagt, en op door de Minister aangewezen sporen een vast sein de bestuurder opdraagt te stoppen, leggen de voorafgaande seinen een zodanige snelheidsvermindering op dat de bestuurder de trein voor dit sein tot stilstand kan brengen.

2.

Indien een vast sein de bestuurder een beperkte snelheid opdraagt, leggen de voorafgaande seinen een zodanige snelheidsvermindering op dat de beperkte snelheid bij dit sein bereikt kan worden.

§ 4. Het opvolgen van seinen

Artikel 30
1.

De bestuurder zet een door een sein opgedragen snelheidsverlaging in, wanneer het eerste spoorvoertuig van de trein dit sein bereikt heeft.

2.

De bestuurder mag een door een sein toegestane snelheidsverhoging eerst uitvoeren, nadat het laatste spoorvoertuig van de trein dit sein gepasseerd is.

Artikel 31
1.

Een door een lichtsein gegeven gebod of toestemming geldt vanaf dit sein totdat de trein het volgende sein heeft bereikt. De bestuurder neemt hierbij geboden of toestemmingen van specifieke snelheidsborden, zoals opgenomen in bijlage 4, in acht.

2.

Een door lichtsein nr. 214 of bord nr. 317, zoals opgenomen in bijlage 4, gegeven toestemming geldt tot aan het eerstvolgende hoofdsein.

3.

Onverminderd het tweede lid mag de bestuurder, met inachtneming van geboden of toestemmingen van specifieke snelheidsborden, bedoeld in het eerste lid, de snelheid direct verhogen, indien:

4.

Onverminderd het tweede lid mag een bestuurder de snelheid verhogen, indien hij een specifiek snelheidsbord, bedoeld in het eerste lid, voorbijrijdt, dat een hogere snelheid toestaat dan de trein rijdt, en het voorafgaande lichtsein groen licht uitstraalde.

§ 5. Gedoofde en onjuiste seinen

Artikel 32
1.

Wanneer de bestuurder in een hoofdsein, met uitzondering van een P-sein, gedoofd of onjuist licht waarneemt, stopt de bestuurder direct, indien:

In andere dan de onder a tot en met e genoemde gevallen begrenst de bestuurder de snelheid tot 40 km/u om op elke plaats achter dit sein waar een belemmering voor het verder rijden aanwezig is te kunnen stoppen.

2.

Indien de bestuurder in een P-sein gedoofd of onjuist licht waarneemt, begrenst hij de snelheid tot 40 km/u om op elke plaats achter dit sein waar een belemmering voor het verder rijden aanwezig is te kunnen stoppen.

3.

Indien de bestuurder in een voorsein gedoofd of onjuist licht waarneemt, dan handelt de bestuurder alsof dit sein overeenkomstig voorsein nr. 219 a/b, zoals opgenomen in bijlage 4, geel licht uitstraalt.

§ 6. Het passeren van rode seinen

Artikel 33
1.

Lichtseinen die rood licht uitstralen mogen alleen voorbijgereden worden, indien de bestuurder van de treindienstleider een aanwijzing Stoptonend sein heeft gekregen.

2.

In afwijking van het eerste lid mag een P-sein dat rood licht uitstraalt worden voorbijgereden, indien de treindienstleider dit heeft toegestaan. Indien de bestuurder geen spreekverbinding met de treindienstleider tot stand kan brengen, dan mag dit P-sein voorbij worden gereden.

3.

Indien het P-sein, bedoeld in het tweede lid, voorbijgereden mag worden, mag de bestuurder ook daaropvolgende P-seinen die rood licht uitstralen voorbijrijden.

4.

Na het voorbijrijden van een P-sein dat rood licht uitstraalt is de bestuurder verplicht:

5.

De treindienstleider geeft geen toestemming tot het voorbijrijden van het P-sein dat rood licht uitstraalt, bedoeld in het tweede lid, indien hij op de hoogte is van gevaar achter dit sein.

§ 7. Overige bepalingen

Artikel 34

Aanwijzingen van de beheerder, bedoeld in de artikelen 4, derde lid, 12, tweede lid, onderdeel c, 13, tweede lid, 15, tweede lid, 18, tweede lid, 22, tweede lid, en 23, tweede lid, van het Besluit spoorverkeer, gaan boven seinen.

Hoofdstuk 5. Sluitseinbord

Artikel 35

Het model, de afmetingen, het reflecterend vermogen en de plaatsing van het schild aan de achterzijde van treinen worden vastgesteld en vervaardigd overeenkomstig het model en de voorschriften opgenomen in bijlage 5.

Hoofdstuk 6. Standaardaanwijzingen

Artikel 36

De treindienstleider kan aan de bestuurder in ieder geval de volgende gestandaardiseerde aanwijzingen geven:

1.

Stoptonend sein (STS)

Aanwijzing om door te rijden en voorbij het aangegeven sein dat rood licht uitstraalt:

2.

Stoptonend sein met normale snelheid (STS-A)

Aanwijzing om door te rijden en voorbij het aangegeven sein dat rood licht uitstraalt:

3.

Voorzichtig rijden (VR)

Aanwijzing om voorzichtig te rijden met een snelheid van ten hoogste 40 km/u dan wel met een door de treindienstleider aangegeven lagere snelheid vanwege een door hem aangegeven reden. De bestuurder brengt de trein tot stilstand, indien de veiligheid dit vordert.

4.

AKI, AHOB of AOB

Aanwijzing om bij nadering van de aangegeven overweg of overpad:

5.

Snelheid begrenzen (SB)

Aanwijzing om de snelheid te begrenzen tot de door de treindienstleider aangegeven snelheid vanwege de toestand van de spoorweg.

6.

Verkeerd spoor (VS)

Aanwijzing om de hoofdspoorweg in een andere richting te mogen berijden dan waarvoor de beveiliging is ingericht.

7.

Telefonische toestemming vragen voor vertrek (TTV)

Aanwijzing om voor vertrek telefonisch aan de treindienstleider toestemming te vragen om te mogen vertrekken.

Artikel 37
1.

De aanwijzingen, bedoeld in artikel 36, worden schriftelijk dan wel per spreekverbinding gegeven.

2.

Indien de aanwijzingen per spreekverbinding worden gegeven, noteert de bestuurder de gegevens en herhaalt hij de inhoud van de aanwijzing.

3.

Bij de aanwijzing AKI, AHOB of AOB kan de snelheid eerst dan worden hernomen, indien de voorzijde van de trein de overweg of het overpad is gepasseerd.

4.

Bij de aanwijzing Verkeerd Spoor wordt tevens aan de bestuurder een beeldinstructie verstrekt.

Hoofdstuk 7. Spoorwegemplacementen

Artikel 38

Als spoorwegemplacementen bedoeld in artikel 1, onderdeel e, van het Besluit spoorverkeer worden aangewezen de spoorwegemplacementen, bedoeld in bijlage 6.

Artikel 39
1.

Tot een spoorwegemplacement behoren:

2.

In afwijking van het eerste lid, onderdeel c, zijn de locaties waar een grotere afstand dan 200 m benodigd is, weergegeven in bijlage 7.

Artikel 40

In afwijking van artikel 39 eerste lid, onderdeel c, en het tweede lid, wordt door de beheerder, indien dit voor het veilige gebruik van de spoorweg vereist is, door middel van het bord nr. 302 uit bijlage 4 aangegeven dat op dit spoor niet gerangeerd kan worden of dat beperkingen gelden ten aanzien van het rangeren.

Hoofdstuk 8. Slotbepalingen

Artikel 41

Deze regeling treedt in werking op het tijdstip waarop het Besluit spoorverkeer in werking treedt.

Artikel 42

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling spoorverkeer.

Bijlage 1

Ligt ter inzage bij het Ministerie van Verkeer en Waterstaat.

Bijlage 2

Ligt ter inzage bij het Ministerie van Verkeer en Waterstaat.

Bijlage 3

Ligt ter inzage bij het Ministerie van Verkeer en Waterstaat.

Bijlage 4

Ligt ter inzage bij het Ministerie van Verkeer en Waterstaat.

Bijlage 5

Ligt ter inzage bij het Ministerie van Verkeer en Waterstaat.

Bijlage 6

Ligt ter inzage bij het Ministerie van Verkeer en Waterstaat.

Bijlage 7

Ligt ter inzage bij het Ministerie van Verkeer en Waterstaat.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst met uitzondering van de bijlagen, die ter inzage worden gelegd bij het Ministerie van Verkeer en Waterstaat.