← Geldende tekst · Geschiedenis

Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 12 september 2005, nr. PG-2.611.880, houdende de regels inzake de verstrekking van subsidies op het terrein van de publieke gezondheid (Subsidieregeling publieke gezondheid)

Geldende tekst a fecha 2022-01-01

Gelet op artikel 3 van de Kaderwet volksgezondheidssubsidies;

Besluit:

Hoofdstuk I. Algemene subsidiebepalingen

§ 1. Begrippen en algemene bepalingen

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

Artikel 2

Deze regeling is van toepassing op de subsidies, bedoeld in Hoofdstuk II.

Artikel 3
1.

Een subsidie ten laste van een begroting die nog niet is vastgesteld, wordt verleend onder de voorwaarde, bedoeld in artikel 4:34, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

2.

Subsidie wordt slechts verstrekt indien:

3.

Het tweede lid, onderdelen b en c, zijn niet van toepassing op rechtspersonen krachtens publiekrecht ingesteld.

§ 2. Berekeningswijze instellingsubsidie

Artikel 4

Een subsidie of een uitkering die op grond van deze regeling wordt verstrekt, bestaat uit een door de minister vast te stellen bedrag voor overeenkomstig een door de minister goedgekeurd activiteitenplan uitgevoerde activiteiten.

Artikel 5

Baten en lasten die door middel van interne doorberekeningen worden toegerekend, worden bepaald op bedrijfseconomische en maatschappelijk aanvaardbare grondslagen. Voorzover hierin lasten zijn begrepen van materiële vaste activa, worden deze lasten op basis van aanschaffingsprijzen van die activa berekend.

Artikel 6

Vervallen

§ 3. Berekeningswijze projectsubsidies

Artikel 7

Vervallen

§ 4. Modellen en formulieren

Artikel 8

De minister kan de volgende modellen en formulieren vaststellen:

§ 5. Aanvraag van een instellingssubsidie

Artikel 9
1.

De instelling die voor haar activiteiten of een gedeelte daarvan in een jaar een instellingssubsidie verlangt, dient uiterlijk 13 weken vóór de aanvang van het desbetreffende jaar een subsidieaanvraag in. De aanvraag wordt onderbouwd met een activiteitenplan en een begroting en gaat, indien de liquiditeitsbehoefte niet regelmatig gespreid is over het jaar, vergezeld van een liquiditeitsprognose.

2.

In het activiteitenplan worden de aard en de omvang van de voorgenomen activiteiten beschreven. Daarbij wordt aangegeven welke doelstelling de instelling met de activiteiten nastreeft, op welke wijze zij zullen worden uitgevoerd en voor welke doelgroep zij zijn bestemd.

3.

De begroting geeft inzicht in de baten en lasten van de activiteiten van dat jaar. De begroting maakt onderscheid tussen personele en materiële middelen. De begroting is voorzien van een postgewijze toelichting. Daarbij wordt uitgegaan van het prijspeil en van het niveau van de kosten van de arbeidsvoorwaarden op het moment van indiening van de aanvraag. In geval van een privaatrechtelijke rechtspersoon bevat de begroting tevens zowel de baten en lasten van de instelling als geheel als de baten en lasten van elk te onderscheiden onderdeel van de instelling.

4.

De liquiditeitsprognose geeft gemotiveerd inzicht in het verloop van de liquiditeitsbehoefte van de activiteiten per kalenderkwartaal.

5.

De minister kan ontheffing verlenen van de in het eerste en zesde lid genoemde aanvraagtermijn.

6.

In afwijking van het eerste lid, wordt de subsidieaanvraag voor het jaar 2022 uiterlijk 15 november 2021 ingediend.

Artikel 10
1.

Bij de aanvraag van een instellingssubsidie door een privaatrechtelijke rechtspersoon worden tevens overgelegd:

2.

Voorzover de aanvrager voor dezelfde begrote uitgaven tevens subsidie of een andere financiële bijdrage heeft aangevraagd bij andere bestuursorganen of organisaties, doet hij daarvan mededeling in de aanvraag, onder vermelding van de stand van zaken met betrekking tot de beoordeling van die aanvraag of aanvragen.

3.

Overlegging van de in het eerste lid bedoelde afschriften kan achterwege blijven, indien de aanvrager er redelijkerwijs van uit kan gaan dat deze gegevens aan de minister bekend zijn.

§ 6. Aanvraag van een projectsubsidie

Artikel 11

Vervallen

Artikel 12

Vervallen

Artikel 13

Vervallen

§ 7. Subsidieverlening en bevoorschotting

Artikel 14

De minister geeft een beschikking op een aanvraag binnen dertien weken na ontvangst van de aanvraag.

Artikel 15
1.

De minister kan bij het besluit tot verlening van een instellingssubsidie ambtshalve tevens voorschotten verlenen.

Daarbij wordt rekening gehouden met de liquiditeitsbehoefte. Indien de subsidieaanvraag te laat wordt ingediend en de minister de aanvraag desondanks in behandeling neemt, kan hij het verlenen van voorschotten evenredig later doen plaatsvinden.

2.

De minister verstrekt, indien de liquiditeitsbehoefte regelmatig is gespreid, de volgende voorschotten op een verleende instellingssubsidie: in januari 8%, februari 8%, maart 8%, april 7%, mei 16%, juni 7%, juli 8%, augustus 8%, september 7%, oktober 8%, november 8% en december 7% van het voor het desbetreffende jaar verleende bedrag.

3.

Indien de minister voorschotten verstrekt voordat hij de beschikking tot verlening van een instellingssubsidie heeft gegeven, worden de percentages, bedoeld in het tweede lid, tot de datum van subsidieverlening, toegepast op het voor het voorgaande jaar verleende bedrag, in voorkomende gevallen bijgesteld overeenkomstig door de minister gegeven beschikkingen.

Artikel 16

Vervallen

§ 8. Verplichtingen van de subsidieontvanger

Artikel 17

De subsidieontvanger zorgt ervoor dat:

Artikel 18

De subsidieontvanger zorgt er voorts voor:

Artikel 19
1.

Bij instellingen die een instellingssubsidie ontvangen, is het boekjaar gelijk aan het kalenderjaar.

2.

De minister kan ontheffing verlenen van het eerste lid.

Artikel 20
1.

De subsidieontvanger meldt meteen aan de minister als:

2.

De melding wordt schriftelijk gedaan. De melding wordt voorzien van een toelichting. Bij de melding worden de relevante stukken overgelegd.

Artikel 21
1.

De privaatrechtelijke rechtspersoon die een instellingssubsidie ontvangt, verzekert zijn roerende en onroerende zaken op afdoende wijze tegen het risico van diefstal en brand alsmede tegen het risico van wettelijke aansprakelijkheid tegenover derden.

2.

De ontvanger van een instellingssubsidie verzekert voor vrijwilligers die werkzaamheden verrichten in het kader van de gesubsidieerde activiteiten, hun wettelijke aansprakelijkheid.

3.

De minister kan op aanvraag ontheffing verlenen van het eerste of tweede lid.

Artikel 22

De subsidieontvanger stelt na afloop van de periode waarvoor subsidie is verleend een verslag vast dat inzicht geeft in de aard, duur en omvang van de in het kader van de subsidiëring verrichte activiteiten. Het verslag vergelijkt de verrichte activiteiten met de in het activiteitenplan voorgenomen activiteiten.

Artikel 23
1.

Voorzover het bedrag van de verleende instellingssubsidie na uitvoering van de gesubsidieerde activiteiten overeenkomstig de geldende verplichtingen, niet is besteed aan de doeleinden waarvoor het is verstrekt, wordt het gereserveerd.

2.

Voor de berekening van het in het eerste lid bedoelde te reserveren bedrag wordt het totaal van de met de gesubsidieerde activiteiten samenhangende baten, bestaande uit de vastgestelde instellingssubsidie en de gerealiseerde overige baten, verminderd met de lasten van de gesubsidieerde activiteiten. Deze uitkomst wordt toegerekend naar rato van de vastgestelde instellingssubsidie en de, in de ingediende begroting opgenomen, met de gesubsidieerde activiteiten samenhangende, overige baten. Het te reserveren bedrag is het aan de instellingssubsidie toegerekende deel.

3.

Toevoegingen aan voorzieningen als bedoeld in artikel 374, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, die samenhangen met de gesubsidieerde activiteiten, worden gerekend tot de lasten van de gesubsidieerde activiteiten, bedoeld in het tweede lid, tenzij de minister anders bepaalt.

4.

Indien in de ingediende begroting onder de met de gesubsidieerde activiteiten samenhangende baten een vrijgevallen voorziening is opgenomen, blijft deze buiten beschouwing bij de berekening van het te reserveren bedrag, bedoeld in het tweede lid.

5.

De in het eerste lid bedoelde reservering wordt uitsluitend besteed aan doeleinden waarvoor de subsidie werd verstrekt.

6.

De in het eerste lid bedoelde reservering bedraagt ten hoogste 10% van het bij het besluit tot verlening bepaalde bedrag van de instellingssubsidie dan wel ten hoogste een lager percentage dat door de minister bij het besluit tot verlening is bepaald.

7.

Voor zover het bedrag, bedoeld in het eerste lid, gelet op de maximaal toegestane reservering niet gereserveerd kan worden, wordt het bij de vaststelling in mindering gebracht op de instellingsubsidie.

Artikel 24

Op de balans worden de voorzieningen, gesplitst naar hun aard, en de reservering opgenomen. In de toelichting op de balans worden de toevoegingen en de onttrekkingen aan de voorzieningen en reservering toegelicht.

Artikel 25
1.

De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat, behoudens schriftelijke toestemming van de minister, openbaarmaking van op grond van deze regeling gesubsidieerd onderzoek, delen of samenvattingen daarvan, niet plaats heeft binnen drie maanden nadat de voorgenomen openbaarmaking aan de minister is voorgelegd.

2.

De minister is bevoegd om de openbaarmaking, bedoeld in het eerste lid, desgewenst voorzien van commentaar, één of meermalen te vermenigvuldigen, openbaar te maken of openbaar te doen maken, met vermelding van de bron, zonder dat hiervoor enige vergoeding is verschuldigd.

3.

De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat de openbaarmaking, bedoeld in het eerste lid, op verzoek van de minister onmiddellijk en kosteloos aan de minister of aan door de minister aangewezen natuurlijke personen of rechtspersonen beschikbaar worden gesteld.

4.

Indien een gesubsidieerde activiteit leidt tot een publicatie, kan de minister bepalen dat de subsidieontvanger er zorg voor draagt dat bij de publicatie wordt aangegeven wie de uitvoerder en subsidiënt van de activiteit zijn geweest.

5.

Indien een subsidie gericht is of mede gericht is op de totstandkoming van een werk als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder 1°, van de Auteurswet, draagt de subsidieontvanger er zorg voor auteursrechthebbende te zijn ter zake van dat werk.

6.

De subsidieontvanger vrijwaart de Staat der Nederlanden voor aanspraken van derden ter zake van alle schade die zij lijden ten gevolge van de door of vanwege de subsidieontvanger verrichte publicaties.

Artikel 26
1.

Aan de subsidie kunnen verplichtingen als bedoeld in artikel 4:39 van de Algemene wet bestuursrecht worden verbonden.

2.

De minister kan tevens bij de subsidieverlening verplichtingen opleggen die strekken tot verwezenlijking van het doel van de subsidie.

Artikel 27
1.

De minister kan bepalen dat de subsidieontvanger in de gevallen, genoemd in artikel 4:41, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, een door hem te bepalen vergoeding voor vermogensvorming is verschuldigd.

2.

Bij de bepaling van de hoogte van de vergoeding wordt uitgegaan van de waarde van de goederen en andere vermogensbestanddelen op het tijdstip waarop de vergoeding verschuldigd wordt, met dien verstande dat in geval van ontvangst van schadevergoeding voor verlies of beschadiging van zaken, wordt uitgegaan van het bedrag dat als schadevergoeding door de instelling wordt ontvangen. Indien het onroerende zaken betreft, geschiedt de waardebepaling door één of drie onafhankelijke deskundigen.

3.

Toepassing van het eerste lid blijft achterwege indien de activiteiten van de subsidieontvanger, na toestemming van de minister, door een andere rechtspersoon worden voortgezet en de activa tegen boekwaarde aan die andere rechtspersoon in eigendom zijn overgedragen.

Artikel 28
1.

De vergoeding die de instelling betaalt aan een organisatie die zich de ondersteuning van één of meer gesubsidieerde instellingen ten doel stelt, voor door die organisatie aan de instelling ter beschikking gestelde goederen, is niet hoger dan het bedrag dat op grond van de verkrijgingsprijs of vervaardigingsprijs verminderd met de ontvangen investeringssubsidies en bestemmingsgiften berekend wordt, rekening houdend met de geldende afschrijvingspercentages.

2.

De vergoeding die de instelling betaalt aan een organisatie die zich de ondersteuning van één of meer gesubsidieerde instellingen ten doel stelt, voor door die organisatie aan de instelling geleverde diensten, is indien het diensten betreft die in het algemeen door soortgelijke instellingen in eigen beheer worden verricht, niet hoger dan het bedrag dat gelijk is aan de kosten die de instelling zou hebben gehad bij het verrichten van de diensten in eigen beheer.

3.

De vergoeding die de instelling betaalt aan een organisatie die zich de ondersteuning van één of meer gesubsidieerde instellingen ten doel stelt, voor door die organisatie aan de instelling geleverde diensten, andere dan de in het tweede lid bedoelde diensten, is niet hoger dan het bedrag dat voor het doen verrichten van dergelijke diensten door andere organisaties gebruikelijk kan worden geacht.

Artikel 29

De subsidieontvanger die aan derden goederen ter beschikking stelt of voor derden diensten verricht, brengt daarvoor een vergoeding in rekening die ten minste kostendekkend is, tenzij het derden betreft voor wie de gesubsidieerde activiteiten bestemd zijn. De minister kan ook andere gevallen aanwijzen waarin de bepaling niet geldt.

Artikel 30
1.

De subsidieontvanger verstrekt aan de door de minister aangewezen ambtenaren of andere personen op hun verzoek alle bescheiden en inlichtingen die noodzakelijk zijn voor een juiste vervulling van hun taak. De bescheiden worden op één adres getoond en de inlichtingen, op verzoek, schriftelijk verstrekt. Indien de instelling slechts kan voldoen aan deze verplichting door inbreuk te maken op het recht van enig persoon op bescherming van zijn persoonlijke levenssfeer, verstrekt de instelling de verlangde gegevens op zodanige wijze dat deze niet tot personen herleidbaar zijn.

2.

Ook anderszins wordt zoveel mogelijk medewerking verleend teneinde de door de minister aangewezen ambtenaren of andere personen in staat te stellen hun taak op een juiste wijze te vervullen.

3.

De subsidieontvanger werkt mee aan door of namens de minister ingestelde onderzoekingen die erop zijn gericht inlichtingen te verschaffen ten behoeve van de ontwikkeling van het beleid.

Artikel 31

Indien bij de minister het vermoeden is gerezen dat artikel 28 niet is nageleefd, spant de subsidieontvanger zich desgevraagd in de jaarrekening van de desbetreffende organisatie over te leggen.

§ 9. De aanvraag tot subsidievaststelling

Artikel 32
1.

Binnen 22 weken na afloop van de periode waarvoor subsidie is verleend, dient de subsidieontvanger een aanvraag in voor de subsidievaststelling.

2.

De aanvraag voor de subsidievaststelling gaat vergezeld van:

3.

Een subsidiedeclaratie kan achterwege blijven indien de daarmee te verstrekken informatie reeds in de in te zenden jaarrekening is opgenomen.

4.

De jaarrekening behoeft niet te worden ingezonden, indien het gaat om een subsidie aan een rechtspersoon krachtens publiekrecht ingesteld.

5.

De minister kan ontheffing en vrijstelling verlenen van de in het eerste lid genoemde aanvraagtermijn.

Artikel 33

De subsidiedeclaratie geeft een zodanig inzicht dat een verantwoord oordeel kan worden gevormd omtrent de aanwending en de besteding van de subsidie door de instelling en geeft de nodige informatie om de subsidie vast te stellen. De subsidiedeclaratie sluit aan op de indeling van de bij de subsidieaanvraag ingediende begroting. Belangrijke verschillen tussen declaratie en begroting worden toegelicht. In de subsidiedeclaratie van instellingssubsidies wordt de aansluiting tussen de subsidiedeclaratie en de jaarrekening toegelicht.

Artikel 34
1.

De afdelingen 2 tot en met 8 van Titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek zijn van overeenkomstige toepassing op de jaarrekening, met dien verstande dat de winst- en verliesrekening vervangen wordt door een exploitatierekening; op deze rekening zijn de bepalingen omtrent de winst- en verliesrekening zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing. Bepalingen omtrent winst en verlies zijn van overeenkomstige toepassing op het exploitatiesaldo.

2.

De grondslag voor de waardering van activa en passiva is de verkrijgings- of vervaardigingsprijs verminderd met de ontvangen investeringssubsidies en bestemmingsgiften.

3.

De minister kan bepalen dat bepalingen van de in het eerste lid bedoelde Titel of onderdelen daarvan niet van toepassing zijn op bepaalde instellingen.

Artikel 35
1.

De jaarrekening en de subsidiedeclaratie zijn ieder afzonderlijk voorzien van een controleverklaring van een accountant. Indien de subsidie wordt vastgesteld op basis van prestatie-eenheden is de subsidiedeclaratie in afwijking van de eerste volzin voorzien van een assurancerapport.

2.

Vervallen.

3.

De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat de accountant meewerkt aan door of namens de minister in te stellen onderzoeken naar de door de accountant verrichte werkzaamheden. De daaraan verbonden kosten worden geacht te zijn begrepen in de subsidie.

4.

Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing indien de verleende subsidie minder dan € 125.000 bedraagt.

§ 10. De vaststelling van de subsidie

Artikel 36

Binnen 22 weken na ontvangst van de aanvraag, bedoeld in artikel 32, geeft de minister een beschikking tot vaststelling van de subsidie.

Hoofdstuk II. Specifieke subsidiebepalingen

§ 1. Opsporing erfelijke hypercholesterolemie

Artikel 37

Vervallen

Artikel 38

Vervallen

Artikel 39

Vervallen

Artikel 40

Vervallen

§ 2. Bevolkingsonderzoek naar baarmoederhalskanker

Artikel 41

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

Artikel 42
1.

Voor de uitvoering van een bevolkingsonderzoek naar baarmoederhalskanker kan de minister een instellingssubsidie verstrekken aan de screeningsorganisatie.

2.

Subsidie als bedoeld in het eerste lid wordt slechts verstrekt:

Artikel 43

Vervallen

Artikel 44

De screeningsorganisatie draagt er voor zorg dat de verhouding tussen de bij de uitvoering van het bevolkingsonderzoek betrokken partijen is geregeld in een samenwerkingsovereenkomst, waarin ten minste zijn opgenomen de afbakening van het werkgebied, de organisatorische vormgeving en de daarbij behorende financiële afspraken.

Artikel 45

Bij de verlening van de subsidie, bedoeld in artikel 42, kan de minister verplichtingen opleggen met betrekking tot:

Artikel 46
1.

In afwijking van artikel 4 bestaat de subsidie, bedoeld in artikel 42, voor het jaar 2021 en voor het jaar 2022 uit het bedrag dat wordt berekend overeenkomstig de volgende formule:

(Qpu x Ppu) + (Qcpu x Pcpu) + (Qzas x Pzas) + (Qcuzm x Pcuzm) + (Quzas x Puzas) + (Qoo x Poo)

waarbij wordt verstaan onder:

2.

Het subsidiebedrag, bedoeld in het eerste lid, wordt in het besluit tot verlening gecorrigeerd voor wat betreft de tarieven voor laboratoriumonderzoek, in verband met de in de praktijk door de screeningslaboratoria aan de screeningsorganisatie in rekening gebrachte tarieven voor laboratoriumonderzoek.

3.

Indien de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend geheel zijn verricht en volledig is voldaan aan de verplichtingen die verbonden zijn aan de verleende subsidie, wordt de subsidie vastgesteld op het bedrag waarvan de hoogte bij de verlening is genoemd, verminderd met de eventuele overschrijding van de maximaal toegestane reservering, bedoeld in artikel 23.

Artikel 47

Onverminderd artikel 20, meldt de screeningsorganisatie onverwijld schriftelijk aan de minister indien sprake is van een stijging of daling van de som van het aantal Qpu en Qzas, bedoeld in artikel 46, van meer dan 2% ten opzichte van de subsidieverlening.

§ 3. Bevolkingsonderzoek naar borstkanker

Artikel 48

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

Artikel 49

Voor de uitvoering van een bevolkingsonderzoek naar borstkanker kan de minister een instellingssubsidie verstrekken aan de screeningsorganisatie.

Artikel 50

Subsidie als bedoeld in artikel 49 wordt slechts verstrekt:

Artikel 51
1.

In afwijking van artikel 4 bedraagt de subsidie, bedoeld in artikel 49, voor het jaar 2021 en voor het jaar 2022 ten hoogste € 99,33 voor elk onderzoek dat in het desbetreffende jaar is verricht in het kader van het bevolkingsonderzoek naar borstkanker van de desbetreffende screeningsorganisatie.

2.

Indien de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend geheel zijn verricht en volledig is voldaan aan de verplichtingen die verbonden zijn aan de verleende subsidie, wordt de subsidie vastgesteld op het bedrag waarvan de hoogte bij de verlening is genoemd, verminderd met de eventuele overschrijding van de maximaal toegestane reservering, bedoeld in artikel 23.

Artikel 52

Bij de verlening van de subsidie, bedoeld in artikel 49, kan de minister verplichtingen opleggen met betrekking tot:

Artikel 53

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

§ 4. Pre- en postnatale preventie

Artikel 54

Voor de uitvoering van het bevolkingsonderzoek naar darmkanker kan de minister een instellingssubsidie verstrekken aan de screeningsorganisatie.

Artikel 55

Subsidie als bedoeld in artikel 54 wordt slechts verstrekt:

Artikel 56

Bij de verlening van de subsidie, bedoeld in artikel 54, kan de minister verplichtingen opleggen met betrekking tot:

Artikel 57
1.

In afwijking van artikel 4 bedraagt de subsidie, bedoeld in artikel 54, voor het jaar 2021 en voor het jaar 2022 ten hoogste € 16,35 voor elk onderzoek dat in het desbetreffende jaar is verricht in het kader van het bevolkingsonderzoek naar darmkanker van de betreffende screeningsorganisatie.

2.

Indien de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend geheel zijn verricht en volledig is voldaan aan de verplichtingen die verbonden zijn aan de verleende subsidie, wordt de subsidie vastgesteld op het bedrag waarvan de hoogte bij de verlening is genoemd, verminderd met de eventuele overschrijding van de maximaal toegestane reservering, bedoeld in artikel 23.

Artikel 58

Onverminderd artikel 20, meldt de screeningsorganisatie onverwijld schriftelijk aan de minister indien sprake is van een stijging of daling van het aantal onderzoeken naar darmkanker van meer dan 2% ten opzichte van de subsidieverlening.

Artikel 59

De uitvoering van een bevolkingsonderzoek naar darmkanker als bedoeld in artikel 54 wordt aangewezen als een dienst van algemeen economisch belang in de zin van artikel 106, tweede lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.

§ 5. Nationaal programma grieppreventie

Artikel 60

Voor de uitvoering van het Nationaal Programma Grieppreventie kan de minister een instellingssubsidie verlenen aan de Stichting Nationaal Programma Grieppreventie te Utrecht.

Artikel 61

De subsidie, bedoeld in artikel 60, wordt verstrekt voor griepvaccinaties die in de periode van 1 september van enig jaar tot en met 30 april van het daarop volgende jaar worden toegediend door:

Artikel 62

In afwijking van artikel 19, eerste lid, loopt het boekjaar voor de instellingssubsidie, bedoeld in artikel 60, van 1 mei van enig jaar tot en met 30 april van het daarop volgende jaar.

Artikel 63
1.

In het boekjaar van 1 mei 2021 tot en met 30 april 2022 bestaat de subsidie, bedoeld in artikel 60, uit het bedrag dat wordt berekend overeenkomstig de volgende formule:

Qt x Pt + U

waarbij wordt verstaan onder:

Qt. het aantal griepvaccins, bedoeld in artikel 61, onderdeel a, dat in het boekjaar waarvoor de subsidie wordt verstrekt in het kader van het Nationaal Programma Grieppreventie wordt toegediend;

Pt. een bedrag van € 12,75;

U. het verschil tussen de overige baten en lasten van de uitvoering van het Nationaal Programma Grieppreventie, voor zover opgenomen in een door de minister goedgekeurde begroting, tot ten hoogste € 700.000.

2.

Bij het aantal toegediende griepvaccins, bedoeld in het eerste lid, onder Qt, wordt de volgende spillage toegestaan:

Artikel 64

Bij de verlening van de subsidie, bedoeld in artikel 60, kan de minister verplichtingen opleggen met betrekking tot de kwaliteit van het Nationaal Programma Grieppreventie.

Artikel 65

In afwijking van artikel 23 bedraagt het totaal van de in artikel 23, eerste lid, bedoelde reservering van de overschotten van de instellingssubsidies, bedoeld in artikel 60, 67a en 67j, ten hoogste € 275.000.

Artikel 66

De stichting, genoemd in artikel 60, draagt er zorg voor dat artsen, bedoeld in artikel 61:

Artikel 67

De stichting, genoemd in artikel 60:

§ 6. Aanvullende curatieve soa-bestrijding

Artikel 68

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

Artikel 69
1.

De Minister kan een coördinerende GGD jaarlijks een uitkering verstrekken voor aanvullende seksuele gezondheidszorg, coördinatie en soa-onderzoek in het verzorgingsgebied waar de coördinerende GGD is gevestigd.

2.

De uitkering wordt slechts verstrekt voor soa-onderzoek:

Artikel 70

De coördinerende GGD draagt er ten behoeve van zijn verzorgingsgebied zorg voor dat in het jaar waarvoor de uitkering wordt verstrekt:

Artikel 71

De uitkering bedraagt in 2022 jaarlijks ten hoogste:

Artikel 72

Vervallen

Artikel 73

Vervallen

Artikel 74

Vervallen

Artikel 75

In afwijking van de artikelen 32 tot en met 36 wordt de uitkering als volgt vastgesteld:

Hoofdstuk III. Slotbepalingen

Artikel 76*

De artikelen 25 en 29 zijn niet van toepassing op de uitkering.

Artikel 77

Vervallen

Artikel 78
1.

Deze regeling vervalt met ingang van 1 januari 2027, met dien verstande dat hoofdstuk II, paragraaf 5c, vervalt met ingang van 1 januari 2024 en hoofdstuk II, paragraaf 6, vervalt met ingang van 1 januari 2023.

2.

Deze regeling blijft van toepassing op subsidies en uitkeringen die op grond van deze regeling zijn verleend.

Artikel 79

Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling publieke gezondheid.

Deze regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Artikel 75a

Vervallen

Artikel 75b

Vervallen

Artikel 75c

Vervallen

Artikel 75d

Vervallen

Artikel 75e

Vervallen

Hoofdstuk III. Slotbepalingen

Deze regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Artikel 20a

Vervallen

§ 9. De aanvraag tot subsidievaststelling

§ 10. De vaststelling van de subsidie

Hoofdstuk II. Specifieke subsidiebepalingen

§ 1. Opsporing erfelijke hypercholesterolemie

§ 2. Bevolkingsonderzoek naar baarmoederhalskanker

§ 3. Bevolkingsonderzoek naar borstkanker

§ 4. Bevolkingsonderzoek naar darmkanker

§ 5. Nationaal programma grieppreventie

§ 6. Seksuele gezondheid

Hoofdstuk III. Slotbepalingen

Deze regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

§ 6.1. Algemeen

Artikel 68a
1.

Op deze paragraaf zijn de artikelen 4:35, 4:37, 4:38, 4:46, 4:48 tot en met 4:50, 4:56 en 4:57 van de Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige toepassing.

2.

Op deze paragraaf zijn de artikelen 9 en 23 van deze regeling van overeenkomstige toepassing.

§ 6.1. Algemeen

§ 6.3

§ 6.1. Algemeen

Artikel 75f

Vervallen

Artikel 75g

Vervallen

Artikel 75h

Vervallen

Artikel 75i

Vervallen

Hoofdstuk III. Slotbepalingen

Deze regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

§ 6.5. Seksualiteitshulpverlening en coördinatie

Hoofdstuk III. Slotbepalingen

Deze regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Artikel 75j

Vervallen

Artikel 75k

Vervallen

Artikel 75l

Vervallen

Artikel 75m

Vervallen

Artikel 75n

Vervallen

Artikel 75o

Vervallen

Artikel 75p

Vervallen

Hoofdstuk III. Slotbepalingen

Deze regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Artikel 47a

De uitvoering van een bevolkingsonderzoek naar baarmoederhalskanker als bedoeld in artikel 42 wordt aangewezen als een dienst van algemeen economisch belang in de zin van artikel 106, tweede lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.

§ 3. Bevolkingsonderzoek naar borstkanker

Artikel 53a

Vervallen

Artikel 53b

Vervallen

§ 4. Bevolkingsonderzoek naar darmkanker

Artikel 59a

Vervallen

§ 5. Nationaal programma grieppreventie

§ 6. Seksuele gezondheid

§ 6.1. Algemeen

§ 6.2. Aanvullende seksuele gezondheidszorg en coördinatie

§ 6.3

§ 6.4

§ 6.3

Hoofdstuk III. Slotbepalingen

Deze regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

§ 5. Nationaal programma grieppreventie

§ 6. Seksuele gezondheid

§ 6.1. Algemeen

§ 6.2. Aanvullende seksuele gezondheidszorg en coördinatie

§ 6.2. Aanvullende seksuele gezondheidszorg en coördinatie

Hoofdstuk III. Slotbepalingen

Deze regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Artikel 69a
1.

De coördinerende GGD consulteert de GGD-en in zijn verzorgingsgebied over de aanvraag, bedoeld in artikel 9.

2.

De aanvraag gaat vergezeld van:

Artikel 76

De minister kan, gelet op het belang dat deze regeling beoogt te beschermen, artikelen buiten toepassing laten of daarvan afwijken voorzover strikte toepassing leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard.

Artikel 1a

Op deze regeling is de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS niet van toepassing.

§ 2. Berekeningswijze

§ 3. Berekeningswijze projectsubsidies

§ 4. Modellen en formulieren

§ 5. Aanvraag van een instellingssubsidie

§ 6. Aanvraag van een projectsubsidie

§ 7. Subsidieverlening en bevoorschotting

§ 8. Verplichtingen van de subsidieontvanger

§ 9. De aanvraag tot subsidievaststelling

§ 10. De vaststelling van de subsidie

Hoofdstuk II. Specifieke subsidiebepalingen

§ 1. Opsporing erfelijke hypercholesterolemie

§ 2. Bevolkingsonderzoek naar baarmoederhalskanker

§ 3. Bevolkingsonderzoek naar borstkanker

§ 4. Bevolkingsonderzoek naar darmkanker

§ 5. Nationaal programma grieppreventie

§ 5a. Vaccinatie tegen pneumokokken

§ 6.2. Aanvullende seksuele gezondheidszorg en coördinatie

§ 6.2. Aanvullende seksuele gezondheidszorg en coördinatie

§ 6.4

§ 6.5. Seksualiteitshulpverlening en coördinatie

Hoofdstuk III. Slotbepalingen

Artikel 76

De minister kan, gelet op het belang dat deze regeling beoogt te beschermen, artikelen buiten toepassing laten of daarvan afwijken voorzover strikte toepassing leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard.

Deze regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Artikel 67a

Voor de uitvoering van de vaccinatie tegen de pneumokokkenziekte kan de minister een instellingssubsidie verstrekken aan de Stichting Nationaal Programma Grieppreventie te Utrecht.

Artikel 67b

De subsidie, bedoeld in artikel 67a, wordt verstrekt voor vaccinaties tegen de pneumokokkenziekte die in de periode van 1 mei van enig jaar tot en met 30 april van het daaropvolgende jaar worden toegediend door:

Artikel 67c

In afwijking van artikel 19, eerste lid, loopt het boekjaar voor de instellingssubsidie, bedoeld in artikel 67a, van 1 mei van enig jaar tot en met 30 april van het daaropvolgende jaar.

Artikel 67d
1.

Met ingang van het boekjaar van 1 mei 2021 tot en met 30 april 2022 bestaat de subsidie, bedoeld in artikel 67a, uit het bedrag dat wordt berekend overeenkomstig de volgende formule:

Qt x Pt + U

waarbij wordt verstaan onder:

2.

Vervallen.

Artikel 67e
1.

In aanvulling op het subsidiebedrag, bedoeld in artikel 67d, komen in het boekjaar van 1 mei 2020 tot en met 30 april 2021 ook de materiële kosten van het borgen van de koelkwaliteit en extra koelcapaciteit voor de vaccins, bedoeld in artikel 67b, eenmalig voor subsidie in aanmerking, overeenkomstig de volgende formule:

Qk x Pk

waarbij wordt verstaan onder:

2.

Het subsidieplafond voor de aanvullende subsidie, bedoeld in het eerste lid, bedraagt voor het boekjaar van 1 mei 2020 tot en met 30 april 2021 € 750.000.

3.

Het uit hoofde van het plafond beschikbare bedrag wordt naar rato verdeeld indien het totaal aangevraagde bedrag het plafond overschrijdt.

Artikel 67f

Bij de verlening van de subsidie, bedoeld in artikel 67a, kan de minister verplichtingen opleggen met betrekking tot de kwaliteit van de vaccinatie tegen de pneumokokkenziekte.

Artikel 67g

Vervallen

Artikel 67h

De stichting, genoemd in artikel 67a, draagt er zorg voor dat huisartsen, bedoeld in artikel 67b, de gevaccineerden registreren en deze registratie gedurende ten minste twintig jaren bewaren.

Artikel 67i

De stichting, genoemd in artikel 67a:

§ 5b. Vaccinatie tegen het coronavirus

§ 6.4

§ 6.5. Seksualiteitshulpverlening en coördinatie

Hoofdstuk III. Slotbepalingen

Artikel 76

De minister kan, gelet op het belang dat deze regeling beoogt te beschermen, artikelen buiten toepassing laten of daarvan afwijken voorzover strikte toepassing leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard.

Deze regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Artikel 67j

Voor de uitvoering van de vaccinatie tegen het coronavirus COVID-19 kan de minister in 2022 een instellingssubsidie verstrekken aan de Stichting Nationaal Programma Grieppreventie te Utrecht.

Artikel 67k
1.

De subsidie, bedoeld in artikel 67j, wordt verstrekt voor vaccinaties tegen het coronavirus die in de periode van 1 januari 2022 tot en met 31 december 2022 worden toegediend door huisartsen aan in ieder geval:

2.

Geen subsidie wordt verstrekt voor vaccinaties tegen het coronavirus in de periode, bedoeld in het eerste lid, die door huisartsen aan zichzelf en aan diens medewerkers worden toegediend.

Artikel 67l

In het boekjaar 2022 bestaat de subsidie, bedoeld in artikel 67j, uit het bedrag dat wordt berekend overeenkomstig de volgende formule:

(Qx x Px) + (Qy x Py) + (Qz x Pz) + (Quu x Puu) + U

waarbij wordt verstaan onder:

Artikel 67m

Vervallen

Artikel 67n

Bij de verlening van de subsidie, bedoeld in artikel 67j, kan de minister verplichtingen opleggen met betrekking tot de kwaliteit van de uitvoering van de vaccinatiecampagne tegen het coronavirus.

Artikel 67o

De stichting, genoemd in artikel 67j, draagt er zorg voor dat huisartsen, bedoeld in artikel 67k, de gevaccineerden registreren en deze registratie gedurende ten minste twintig jaren bewaren.

Artikel 67p

De stichting, genoemd in artikel 67j:

§ 6. Seksuele gezondheid

§ 6.1. Algemeen

§ 6.2. Aanvullende seksuele gezondheidszorg en coördinatie

§ 6.4

§ 6.4

Hoofdstuk III. Slotbepalingen

Artikel 76

De minister kan, gelet op het belang dat deze regeling beoogt te beschermen, artikelen buiten toepassing laten of daarvan afwijken voorzover strikte toepassing leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard.

Deze regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Artikel 52a

Onverminderd artikel 20, meldt de screeningsorganisatie onverwijld schriftelijk aan de minister indien sprake is van een stijging of daling van het aantal onderzoeken naar borstkanker van meer dan 2% ten opzichte van de subsidieverlening.

Artikel 52b

De uitvoering van een bevolkingsonderzoek naar borstkanker als bedoeld in artikel 49 wordt aangewezen als een dienst van algemeen economisch belang in de zin van artikel 106, tweede lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.

§ 5. Nationaal programma grieppreventie

§ 5a. Vaccinatie tegen pneumokokken

§ 5b. Vaccinatie tegen het coronavirus

§ 5c. Vaccinatie tegen HPV voor 18-26 jarigen

Artikel 67q

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

Artikel 67r

In afwijking van artikel 1a van deze regeling, zijn op deze paragraaf hoofdstuk 1, hoofdstuk 3, hoofdstuk 4, hoofdstuk 6 en hoofdstuk 7 van de Kaderregeling van toepassing.

Artikel 67s
1.

De minister kan een projectsubsidie verstrekken aan GGD GHOR NL voor de voorbereiding van de aanvullende HPV-vaccinatiecampagne in de periode van 1 januari 2022 tot en met 1 september 2022.

2.

De subsidie wordt uitsluitend verstrekt indien GGD GHOR NL met de Staat een overeenkomst sluit waarbij de Staat haar belast met en zij zich verplicht tot het verrichten van de dienst van algemeen economisch belang, bedoeld in artikel 67v.

Artikel 67t
1.

De aanvraag tot verlening van de subsidie wordt uiterlijk 1 januari 2022 ontvangen.

2.

De minister kan ontheffing verlenen voor de termijn, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 67u

De subsidie, bedoeld in artikel 67r, eerste lid, bestaat uit de werkelijke kosten van de voorbereiding van de aanvullende HPV-vaccinatiecampagne tot ten hoogste € 4.000.000.

Artikel 67v

De voorbereiding van de aanvullende HPV-vaccinatiecampagne als bedoeld in deze regeling wordt aangewezen als een dienst van algemeen economisch belang in de zin van artikel 106, tweede lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.

§ 6. Seksuele gezondheid

§ 6.1. Algemeen

§ 6.2. Aanvullende seksuele gezondheidszorg en coördinatie

§ 6.3

§ 6.5. Seksualiteitshulpverlening en coördinatie

Hoofdstuk III. Slotbepalingen

Artikel 76

De minister kan, gelet op het belang dat deze regeling beoogt te beschermen, artikelen buiten toepassing laten of daarvan afwijken voorzover strikte toepassing leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard.

Deze regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Artikel 46a
1.

In afwijking van het derde lid van artikel 46 toont de screeningsorganisatie voor het jaar 2021 op de bij het besluit tot verlening van de subsidie bepaalde wijze aan dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht en dat is voldaan aan de aan de verleende subsidie verbonden verplichtingen.

2.

In afwijking van het vierde lid van artikel 46, wordt de subsidie voor het jaar 2021 vastgesteld op een bedrag dat wordt berekend overeenkomstig de formule:

(Qpu x Ppu) + (Qcpu x Pcpu) + (Qzas x Pzas) + (Qcuzm x Pcuzm) + (Quzas x Puzas) + (Qoo x Poo)

waarbij wordt verstaan onder:

Qpu. het aantal beoordeelde hrHPV-testen dat, naar aanleiding van primaire uitstrijkjes, in het desbetreffende jaar is verricht in het kader van het bevolkingsonderzoek naar baarmoederhalskanker van de desbetreffende screeningsorganisatie, waarbij sprake is van een uitslag naar de desbetreffende vrouw of aansluitende cytologische beoordeling;

Ppu. een bedrag van € 40,71 per beoordeelde hrHPV-test naar aanleiding van een primair uitstrijkje, waarvan € 17,46 voor laboratoriumonderzoek;

Qcpu. het aantal cytologische beoordelingen dat, naar aanleiding van primaire uitstrijkjes, in het desbetreffende jaar heeft plaatsgevonden in het kader van het bevolkingsonderzoek naar baarmoederhalskanker van de desbetreffende screeningsorganisatie waarbij sprake is van een uitslag naar de desbetreffende vrouw;

Pcpu. een bedrag van € 28,57 voor laboratoriumonderzoek per cytologische beoordeling naar aanleiding van een positieve hrHPV-test bij een primair uitstrijkje;

Qzas. het aantal zelfafnamesets dat in het desbetreffende jaar is beoordeeld op hrHPV in het kader van het bevolkingsonderzoek naar baarmoederhalskanker van de desbetreffende screeningsorganisatie waarbij sprake is van een uitslag naar de desbetreffende vrouw;

Pzas. een bedrag van € 25,34 per beoordeelde ZAS op hrHPV, waarvan € 15,39 voor laboratoriumonderzoek;

Qcuzm. het aantal controle-uitstrijkjes dat in het desbetreffende jaar is beoordeeld in het kader van het bevolkingsonderzoek naar baarmoederhalskanker van de desbetreffende screeningsorganisatie waarbij sprake is van een uitslag naar de desbetreffende vrouw;

Pcuzm. een bedrag van € 57,85 per beoordeeld controle-uitstrijkje, waarvan € 35,56 voor laboratoriumonderzoek;

Quzas. het aantal uitstrijkjes naar aanleiding van een hrHPV-positieve test van vaginaal materiaal verkregen door de vrouw met een zelfafnameset, dat in het desbetreffende jaar is beoordeeld in het kader van het bevolkingsonderzoek naar baarmoederhalskanker van de desbetreffende screeningsorganisatie waarbij sprake is van een uitslag naar de desbetreffende vrouw;

Puzas.een bedrag van € 56,48 per beoordeeld uitstrijkje na een hrHPV-positieve test van vaginaal materiaal uit een ZAS, waarvan € 35,56 voor laboratoriumonderzoek;

Qoo. overige organisatiekosten, berekend op basis van het totaal van het aantal in 2019 beoordeelde zelfafnamesets op hrHPV en het aantal beoordeelde hrHPV-testen dat, naar aanleiding van primaire uitstrijkjes, in het desbetreffende jaar is verricht in het kader van het bevolkingsonderzoek naar baarmoederhalskanker van de desbetreffende screeningsorganisatie, waarbij sprake is van een uitslag naar de desbetreffende vrouw of aansluitende cytologische beoordeling;

Poo. een bedrag van € 31,86 per het totaal van het aantal beoordeelde hrHPV-testen naar aanleiding van een primair uitstrijkje en het aantal beoordeelde zelfafnamesets op hrHPV.

3.

Het subsidiebedrag, bedoeld in het tweede lid, wordt in het besluit tot vaststelling gecorrigeerd voor wat betreft de tarieven voor laboratoriumonderzoek, in verband met de in de praktijk door de screeningslaboratoria aan de screeningsorganisatie in rekening gebrachte tarieven voor laboratoriumonderzoek.

§ 3. Bevolkingsonderzoek naar borstkanker

§ 4. Bevolkingsonderzoek naar darmkanker

§ 5. Nationaal programma grieppreventie

§ 5a. Vaccinatie tegen pneumokokken

§ 5b. Vaccinatie tegen het coronavirus

§ 5c. Vaccinatie tegen HPV voor 18-26 jarigen

§ 6. Seksuele gezondheid

§ 6.1. Algemeen

§ 6.3

§ 6.4

§ 6.5. Seksualiteitshulpverlening en coördinatie

Hoofdstuk III. Slotbepalingen

Artikel 76

De minister kan, gelet op het belang dat deze regeling beoogt te beschermen, artikelen buiten toepassing laten of daarvan afwijken voorzover strikte toepassing leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard.

Deze regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.