Vaststellingsbesluit selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Justitiële Jeugdzorg 1945-2000 (Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap)

Type Archiefselectielijst
Publication 2006-03-01
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Gelet op artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995;

De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 27 september 2005, nr. arc-2005.02518/3);

Besluit:

Artikel 1

De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Raad voor de Strafrechttoepassing en Jeugdbescherming en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Justitiële Jeugdzorg over de periode 1945–2000’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.

Basisselectiedocument

1. De selectie

Selectiedoelstelling

Het BSD is opgesteld tegen de achtergrond van de selectiedoelstelling van het NA/PIVOT, zoals die door de Minister van WVC bij de behandeling van het ontwerp van de Archiefwet 1995 in de Tweede Kamer op 13 april 1994 is verwoord. De selectiedoelstelling luidt: het mogelijk maken van een reconstructie van de hoofdlijnen van het handelen van de overheid. Door het Convent van Rijksarchivarissen is de selectiedoelstelling vertaald in de richting van de (bewaar)doelstelling van het Nationaal Archief als ‘het selecteren van handelingen van de overheid om bronnen voor de kennis van de Nederlandse samenleving en cultuur veilig te stellen voor blijvende bewaring’.

De algemene selectiedoelstelling is geoperationaliseerd voor de Kinderbescherming en de deelbeleidsterreinen gezag over minderjarigen, adoptie, jeugdbescherming en jeugdstrafrecht over de periode 1945–2000. Dat wil zeggen dat de geformuleerde handelingen van de betrokken overheidsactoren zijn gewaardeerd op de bijdrage die zij leveren aan de verwezenlijking van de selectiedoelstelling. De selectie gold derhalve de vraag ten aanzien van welke handelingen de administratieve neerslag noodzakelijk zou zijn om een reconstructie mogelijk te maken van de hoofdlijnen van het handelen op voornoemd beleidsterrein.

Selectiecriteria

Uitgaande van de selectiedoelstelling heeft PIVOT in 1993 een lijst van algemene selectiecriteria geformuleerd. Met behulp van die algemene criteria wordt in een BSD een waardering toegekend aan de handelingen die door middel van het institutioneel onderzoek in kaart zijn gebracht, gelet op de uit de contextbeschrijving naar voren gekomen hoofdlijnen van het overheidshandelen.

De algemene selectiecriteria van PIVOT zijn positief geformuleerd; het zijn bewaarcriteria. Is een handeling op grond van een criterium gewaardeerd met B (‘blijvend te bewaren’), dan betekent dit dat de administratieve neerslag van die handeling te zijner tijd geheel dient te worden overgebracht naar het Nationaal Archief. De neerslag van een handeling die niet aan een van de selectiecriteria voldoet, wordt dus in principe niet overgebracht. De waardering van de desbetreffende handeling luidt dan V (op termijn te vernietigen), onder vermelding van de periode waarna de vernietiging dient plaats te vinden. De neerslag die uit dergelijke handelingen voortvloeit, is niet noodzakelijk geacht voor een reconstructie van het overheidshandelen op hoofdlijnen.

De thans door PIVOT gehanteerde algemene bewaarcriteria luiden als volgt:

De criteria zijn vooral ontwikkeld door de selectiedoelstelling te koppelen aan het uit de bestuurskunde afkomstige model van de beleidscyclus als voorstelling van feitelijk overheidshandelen. De fasen van de cyclus zijn achtereenvolgens beleidsvoorbereiding (inclusief agendavorming), bepaling, uitvoering en evaluatie/terugkoppeling. De toepassing van het model bij de selectie van overheidsarchief is uiteengezet in de PIVOT-brochure Handelend optreden (Rijksarchiefdienst/PIVOT, ’s-Gravenhage 1993).

Naast algemene criteria kunnen, eveneens binnen het kader van de selectiedoelstelling, in een BSD specifieke criteria worden geformuleerd voor handelingen die met behulp van de algemene criteria niet kunnen worden gewaardeerd. In dit BSD is voor de handelingen die betrekking hebben op adoptiezaken de waardering B 7 toegekend. Deze stukken worden bewaard in verband met de (mogelijke) vraag naar afstammingsgegevens. En het feit dat een geadopteerd kind de adoptie na zijn meerderjarigheid kan laten herroepen. De hier gehanteerde waardering is overeenkomstig het bepaalde in paragraaf 4.3 van de Normen 2000. Beleidsregels met betrekking tot de werkwijze van de Raad voor de Kinderbescherming.

Op grond van deze selectielijst kunnen sociale dossiers van een Raad voor de Kinderbescherming vernietigd worden op het moment dat het jongste kind met wie de Raad bemoeienis had meerderjarig is geworden, met uitzondering van de dossiers eindigend op een #. Dossiers eindigend op het cijfer #, die ten behoeve van wetenschappelijk onderzoek van vernietiging worden uitgezonderd, kunnen op grond van artikel 12 lid 1 van het Archiefbesluit 1995 overgebracht worden naar een rijksarchiefbewaarplaats.

In het separate verslag van het driehoeksoverleg wordt op de vraag van de toepasselijkheid van de algemene selectiecriteria, c.q. de noodzaak tot het hanteren van specifieke criteria voor het beleidsterrein, nader ingegaan.

2. Vaststelling Basisselectiedocument

In 2001 is het ontwerp-BSD door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, de Minister van Defensie, de Minister van Financiën, de Minister van Justitie, de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, de vakminister, de onder deze ministers ressorterende actoren, de Raad voor de Strafrechttoepassing en Jeugdbescherming aan de Staatssecretaris van OC&W aangeboden, waarna deze het ter advisering heeft ingediend bij de Raad voor Cultuur (RvC). Van het gevoerde driehoeksoverleg over de waarderingen van de handelingen is een verslag gemaakt, dat tegelijk met het BSD naar de RvC is verstuurd. Vanaf 2 augustus 2005 lag de selectielijst gedurende zes weken ter publieke inzage bij de registratiebalie van het Nationaal Archief evenals in de bibliotheken van Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, de Minister van Defensie, de Minister van Financiën, de Minister van Justitie, de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, de vakminister, de onder deze ministers ressorterende actoren, de Raad voor de Strafrechttoepassing en Jeugdbescherming, het Ministerie van OC&W en de rijksarchieven in de provincie/regionaal historische centra, hetgeen was aangekondigd in de Staatscourant en in het Archievenblad.

Op 27 September 2005 bracht de RvC advies uit (arc-2005.02518/3), hetwelk [naast enkele tekstuele correcties] aanleiding heeft gegeven tot de volgende wijzigingen in de ontwerp-selectielijst:

Daarop werd het BSD op 12 december 2005 door de Algemene Rijksarchivaris, namens de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, en de Minister van Binnenlandse Zaken [C/S&A/05/2596], de Minister van Justitie [C/S&A/05/2599], de Minister van Defensie [C/S&A/05/2597], de Minister van Financiën [C/S&A/05/2598] en de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport [C/S&A/05/2600] vastgesteld.

3. Actoren waarvoor de selectielijst geldt

Ministers

De Minister van Binnenlandse Zaken is als bewindspersoon verantwoordelijk voor de gemeentebesturen, betrokken bij de uitvoering van de Pleegkinderenwet. Hij is ook de bewindsman die verantwoordelijk was voor het Rijkscomputer centrum.

De Minister van Justitie heeft als centrale taak de zorg voor de rechtsorde. Daaruit vloeien taken voort: het opstellen van rechtsregels ter bevordering van de rechtsorde, het voorkomen van verstoringen van de rechtsorde en het oplossen van conflicten, en tenslotte het bestrijden van bedreigingen van de rechtsorde, zoals misdaden.

Vanaf 1905 is deze minister de verantwoordelijke bewindsman voor het beleidsterrein justitiële jeugdzorg. De minister heeft uit dien hoofde een regulerende taak ten aanzien van uiteenlopende onderwerpen als het gezag over minderjarigen (een onderdeel van het familierecht), de maatregelen voor kinderbescherming (ofwel het jeugdbeschermingsrecht) adoptie, het jeugdstrafrecht en de tenuitvoerlegging daarvan, en de jeugdreclassering. Tevens schept hij voorzieningen m.b.t. de rijks- en particuliere instellingen op dit terrein, zoals de rijks- en particuliere inrichtingen voor justitiële kinderbescherming, en de voogdij- en gezinsvoogdij-instellingen. Sinds 1989 heeft de Minister van Justitie een gedeelde verantwoordelijkheid voor het beleidsterrein jeugdhulpverlening.1Zie hiervoor het RIO Schappelijk welzijn op Maat: Een institutioneel onderzoek naar beleidsterreinen binnen het taakgebied welzijn, 1945–1996..

Hoofdpredikant/Hoofdaalmoezenier bij de inrichtingen van Justitie, 1965–1981

De Hoofdpredikant of Hoofdaalmoezenier bij de inrichtingen van Justitie was tussen 1965 en 1981 belast met het toezicht op protestantse en rooms-katholieke geestelijke verzorging in de jeugdinrichtingen van het rijk.

De Minister waaronder Welzijn ressorteert (tegenwoordig de Minister van VWS) heeft sinds 1945 bemoeienis met het beleidsterrein jeugdhulpverlening. Zie voor een beschrijving van onder meer het jeugdwelzijnsbeleid het RIO Schappelijk welzijn op Maat: Een institutioneel onderzoek naar beleidsterreinen binnen het taakgebied welzijn, 1945–1996.

De actor vakminister neemt deel aan het gestructureerd overleg met particuliere organisaties over het jeugdbeleid (GOPI) en het gestructureerd overleg met andere overheden over het jeugdbeleid (GOLO). Onbekend is welke ministers precies onder de actor vakminister vallen. Uit de Beschikking tijdelijk gestructureerd overleg jeugdhulpverlening overkoepelende particuliere organisaties van 20 mei 1981, nr. 284/781 en het Besluit gestructureerd overleg jeugdbeleid. (Stcrt. 151/188) blijkt dat hieronder iedere minister die het mede aangaat verstaan moet worden.

Raad voor de Kinderbescherming

De Raad voor de kinderbescherming en haar rechtsvoorgangers de Voogdijraden en de Raden voor de Kinderbescherming worden in dit BSD aangeduid als de actor de Raad. De Voogdijraden (eerst 15 en later 19) werden ingesteld bij de Burgerlijke Kinderwet uit 1901. Ze waren gevestigd in ieder arrondissement. In 1956 werden de Voogdijraden omgedoopt tot Raden voor de Kinderbescherming (Stb. 602/1954). In 1996 (Stb. 328 en 329) werd de organisatie ingrijpend gewijzigd. In plaats van de 19 Raden voor de kinderbescherming kwam er 1 Raad voor kinderbescherming. Deze Raad is gevestigd te Utrecht. Onder die ene Raad ressorteren 5 ressortbureaus (in ieder hofressort een) en ongeveer 40 werkeenheden. De Raad wordt ondersteund door een Landelijk Bureau. De taken en bevoegdheden van de Raad worden geregeld via het Burgerlijk Wetboek en lagere wet- en regelgeving. De voornaamste taak van de Raad is het optreden als adviseur van de rechter en andere overheden inzake de maatregelen van kinderbescherming en het jeugdstrafrecht. Daarnaast treed ze op in gevallen (zoals adoptie en echtscheiding) waar de belangen van minderjarigen in de knel dreigen te komen. De Raad is verantwoording over haar beleid schuldig aan de Minister van Justitie.

Het College van Advies voor de Kinderbescherming verving in 1956 het Algemeen College van Toezicht, Bijstand en Advies. Art. 22a van de gewijzigde Kinderbeginselenwet (Stb. 602/1954) bepaalt dat het College van Advies voor de Kinderbescherming de Minister van Justitie van advies dient over vraagstukken van algemeen beleid met betrekking tot de aan onze genoemde minister opgedragen uitvoering van de wettelijke bepalingen omtrent jeugdige personen. Nadere regels werden gegeven bij een wijziging op het Kinderbeginselenbesluit(Stb. 337/1956): art. 184–193. Het College bestaat uit ten minste 5 en ten hoogste 19 leden die benoemd worden door de Kroon. Het College zetelt in Den Haag. Aan het College wordt door de Minister van Justitie een secretaris toegevoegd, overige leden krijgen vergoeding voor de kosten. Naast de vraagstukken van algemeen beleid, kan het college vraagstukken het terrein van de kinderbescherming rakende in beraad nemen en de minister daarover adviseren. In 1989 werden de bepalingen met betrekking tot het College ondergebracht in de Wet op de jeugdhulpverlening (Stb. 360/1989) art. 81–84. Het College, voortaan College van Advies voor de Justitiële Kinderbescherminggeheten, bestaat vanaf dat moment uit een voorzitter, een plaatsvervangend voorzitter en ten minste 9 andere leden, die benoemd en ontslagen worden door de Kroon.

De klachtencommissies voor de Raden voor de kinderbescherming werden ingevoerd in 19822Organisatiebesluit Raden voor de kinderbescherming 1982: art. 35/43.. Tot 1997 werden uit de leden van iedere raad voor de kinderbescherming, drie leden aangewezen voor een klachtencommissie. Tezamen waren er zes klachtencommissies die regionaal werkten. De klachtencommissies behandelden klachten gericht tegen medewerkers van het bureau van een raad voor de kinderbescherming uit de regio. De Minister van Justitie voegde een secretaris aan de commissie toe. In 1996 werden de raden voor de kinderbescherming ingrijpend gereorganiseerd. Het aantal raden werd teruggebracht tot een, waaronder vijf ressortbureaus en daaronder weer ongeveer 40 werkeenheden ressorteerden. Deze reorganisatie had ook gevolgen voor de klachtencommissies. Het aantal klachtencommissies werd, bij het Besluit klachtbehandeling raad voor de kinderbescherming (Stb. 330/1996), teruggebracht van 6 naar 5, een voor ieder ressort. De klachtencommissies behandelen klachten gericht tegen medewerkers van de raad werkzaam in hun ressort. De Minister van Justitie benoemt de leden van de klachtencommissie en voegt tevens een secretaris aan de commissie toe.

Overige actoren

De Centrale Adoptieraad werd geïntroduceerd in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (art.969) bij de invoering van de Adoptiewet (Stb. 42/1956). De raad bracht advies uit over verzoeken voor adoptie en verrichte voor het overige werkzaamheden die haar bij AMvB werden opgedragen. De raad bestond uit ten minste zeven leden, die bij Koninklijk Besluit benoemd en ontslagen werden. In 1973 werd de Raad opgeheven.

Het Algemeen College van Toezicht, Bijstand en Advies voor het Rijkstucht- en opvoedingswezen is ingesteld op grond van art.5 van de Kinderbeginselenwet (Stb. 64/1901). Nadere regels werden gegeven bij het Kinderbeginselenbesluit (Stb. 209/1905): art. 184–198. Het College bestond uit ten minste 10 en ten hoogste 16 leden benoemd door de Kroon, en was gezeteld in Den Haag. Door de Minister van Justitie benoemde en bezoldigde ambtenaren stonden het College bij in haar werkzaamheden.

De taken van het College bestonden uit het houden van algemeen toezicht op de gang van zaken in de tuchtscholen en rijksopvoedingsgestichten, en op de naleving van de voorwaarden door de regering gesteld aan particuliere instellingen die regerings- of voogdijkinderen verzorgden en daarvoor subsidie ontvingen. Daarnaast verrichtte het College onderzoek naar vraagstukken op het gebied van de dwangopvoeding, en diende daarover de minister van advies. Tenslotte bestond de mogelijkheid voor de Minister van Justitie om het College te horen in een aantal individuele gevallen. Per 15 april 1955 werd het college opgeheven, maar het werd pas per 1 juli 1956 vervangen door College van Advies voor de Kinderbescherming

Voor omschrijving van de Klachtencommissie van een Rijksinrichting zie de actor Commissies van Toezicht voor de Rijksinrichtingen/Commissies van toezicht voor de justitiële jeugdinrichtingen voor kinderbescherming van het rijk.

Iedere rijksinrichting heeft een Commissie van toezicht. De leden van deze commissie worden door de Minister van Justitie benoemd en ontslagen. Van oorsprong was de taak van de commissies het bijstaan van de directeur van de inrichting van het rijk bij het beheer van de inrichting. Sinds 1983 (Stb. 273) zijn de commissies ook expliciet belast met de behandeling van klachten van minderjarige. Vanaf dat jaar bestaat er binnen de Commissie van toezicht ook een aparte klachtencommissie. Deze behandelt ingewikkelde zaken en beroepszaken tegen een eerdere beslissing van de commissies.

De Vertrouwenscommissie financiële pupillenadministratie tussen 1975 en 1990 op basis van Besluit automatisering financiële pupillenadministratie kinderbescherming (Stb. 79/1975) belast met het houden van toezicht op de door het Rijks Computercentrum bij te houden centrale financiële administratie m.b.t. minderjarigen op wie een maatregel van kinderbescherming van toepassing was. De commissie gaf de Minister van Justitie advies over verzoeken tot inlichtingen over, en inzage of verbetering van gegevens in die administratie. En tenslotte mocht de commissie de Minister van Justitie of de Nationale federatie van advies dienen over aangelegenheden de administratie betreffende.

De actor directeur van een rijksinrichting is de verantwoordelijke persoon voor het reilen en zeilen van een rijksinrichting voor de kinderbescherming. Deze rijksinrichtingen werden in 1905 ingesteld als inrichtingen voor de tenuitvoerlegging van de tuchtschoolstraf en de maatregel van ter beschikking stelling aan de Regering3In dit rapport kortweg jeugd-TBR genoemd. De maatregel werd in de jaren zestig aangevuld met de mogelijkheid tot opname in een inrichting voor buitengewone behandeling (de IBB-maatregel), In 1995 werden jeugd-TBR en IBB vervangen door de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (PIJ-maatregel). op basis van het Wetboek van Strafrecht. Ook minderjarigen die onder voogdij van een instelling stonden en wegens hun gedrag elders niet te handhaven waren, konden in een rijksinrichting worden opgenomen. Vanaf 1954 konden ook bepaalde kinderen die ondertoezicht gesteld waren op basis van het Burgerlijk Wetboek (OTS met uithuisplaatsing in een inrichting voor bijzondere tucht) in een rijksinrichting geplaatst worden.

De Minister van Justitie is de verantwoordelijke bewindsman voor de rijksinrichtingen. De inrichtingen worden onderscheiden naar opvangtehuizen, observatiehuizen, tuchtscholen (tegenwoordig inrichtingen voor de tenuitvoerlegging van jeugddetentie) en inrichtingen voor opvoeding, inrichtingen voor buitengewone behandeling en inrichtingen voor zeer intensieve behandeling.

Sinds de jaren tachtig vallen de rijksinrichtingen onder de noemer justitiële jeugdinrichtingen of inrichtingen voor justitiële kinderbescherming. Onder deze noemer worden ook particuliere inrichtingen begrepen. Het onderscheid ‘rijksparticulier’ is tegenwoordig eigenlijk alleen nog van belang in financiële termen, en voor de sturingsrelatie tussen het Ministerie (Dienst Justitiële Inrichtingen) en de inrichtingen. De particuliere inrichtingen vallen echter niet onder de Archiefwet en van hen zijn dan ook zowel in het RIO als dit BSD geen handelingen opgenomen.

N.B. De handelingen die de Rechterlijke Macht (kinderrechter, rechtbank, gerechtshof) en het Openbaar Ministerie ten aanzien van de jeugdhulpverlening verrichten, zijn in dit BSD niet opgenomen. Er wordt hier volstaan met te verwijzen naar het bij het RIO Gedeelde geschillen samengestelde BSD en het samen te stellen BSD voor het Openbaar Ministerie.

Voor de handelingen van de Minister van Onderwijs wordt verwezen naar het BSD behorende bij PIVOT-rapport Speciaal Centraal: een institutioneel onderzoek naar het deelbeleidsterrein speciaal onderwijs, periode 1950–1996.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.