Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 16 december 2005, Directie Sociale Verzekeringen, nr. SV/R&S/2005/102050, houdende regels met betrekking tot reïntegratie (Reïntegratieregeling)

Type Ministeriële regeling
Publication 2026-05-02
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Gelet op de artikelen 5, vierde lid, en 15, eerste lid, van het Reïntegratiebesluit, artikel 65h van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, artikel 65 van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, artikel 59i van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, en artikel 2.8 van de Wet Invoering en financiering Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen;

Besluit:

§ 1. Diversen

Artikel 1. Begrippen
1.

In deze regeling wordt verstaan onder:

2.

Voor de toepassing van deze regeling wordt gelijkgesteld met:

3.

Onder bloedverwant in de eerste graad als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, wordt mede verstaan een meerderjarig aangehuwd kind of een meerderjarig voormalig pleegkind van de ongehuwde meerderjarige.

4.

Onder voormalig pleegkind als bedoeld in het derde lid wordt verstaan een pleegkind waarvoor de ongehuwde meerderjarige een pleegvergoeding ontving of ontvangt op grond van de Wet op de jeugdzorg of de Jeugdwet of kinderbijslag ontving op grond van de Algemene Kinderbijslagwet.

Artikel 2. Aanvraagtermijnen loon- en inkomenssuppletie
1.

Een aanvraag voor loonsuppletie als bedoeld in artikel 65c van de WAO, artikel 67a van de WAZen artikel 2:25 of 3:67 van de Wajong wordt ingediend binnen twee maanden na aanvang van het werk in dienstbetrekking, dan wel bij aanvang van de werkzaamheden voordat een besluit over de mate van arbeidsongeschiktheid is genomen, binnen twee maanden nadat dat besluit is genomen.

2.

Een aanvraag voor inkomenssuppletie als bedoeld in artikel 65d van de WAO, artikel 67b van de WAZ en artikel 2:26 of 3:68 van de Wajong wordt ingediend binnen zes maanden na afloop van het boekjaar waarin de uitoefening van het bedrijf of beroep is voortgezet of waarin de persoon, die recht heeft op een uitkering op grond van een van de hiervoor genoemde wetten, werkzaamheden als zelfstandige is gaan verrichten.

3.

Bij overschrijding van de termijnen, bedoeld in het eerste of tweede lid, wordt geen loonsuppletie verstrekt over een periode die gelegen is meer dan twee maanden voor de aanvraag, respectievelijk geen inkomenssuppletie verstrekt over het boekjaar of de boekjaren gelegen voor de aanvraag.

Artikel 3. Maximaal bedrag starterskrediet

Het bedrag, bedoeld in artikel 15, eerste lid, van het Reïntegratiebesluit, wordt vastgesteld op € 47.285,37.

§ 2. Inkomenstoets vervoersvoorzieningen

Artikel 4. Inkomen

Voor de toepassing van artikel 5, eerste lid, van het Reïntegratiebesluit wordt onder inkomen verstaan hetgeen onder inkomen wordt verstaan op grond van artikel 3:2, eerste en tweede lid, van het Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten vermeerderd met:

Artikel 5. Inkomen echtgenoot

Bij de vaststelling van het inkomen van de persoon die de vervoersvoorziening aanvraagt of aan wie de vervoersvoorziening is toegekend, wordt mede in aanmerking genomen het inkomen van zijn echtgenoot.

Artikel 6. Aftrekbare kosten

Op het inkomen worden in mindering gebracht kosten ter zake van ziekte of arbeidsongeschiktheid van de persoon die de vervoersvoorziening aanvraagt of aan wie de vervoersvoorziening is toegekend, alsmede van zijn echtgenoot of van zijn gezinsleden indien zij voor hun levensonderhoud mede afhankelijk zijn van zijn inkomen, voorzover die kosten niet uit andere hoofde kunnen worden vergoed en naar het oordeel van het UWV als buitengewone lasten zijn aan te merken.

Artikel 7. Buiten beschouwing blijvende bedragen bij inkomensvaststelling

Bij het vaststellen van het inkomen blijft buiten beschouwing het bedrag waarmee de uitkering of inkomensvoorziening op grond van de WAO, de Wet WIA, de WAZ of de Wajong, of een combinatie hiervan is verhoogd, op grond van artikel 22 van de WAO, de artikelen 53of63 van de Wet WIA, artikel 10 van de WAZ, of artikel 2:51 of 3:9 van de Wajong, of een combinatie van deze artikelen.

Artikel 8. Vaststelling inkomen van personen die de leeftijd van 18 jaar nog niet hebben bereikt
1.

Bij de vaststelling van het inkomen van de persoon die de vervoersvoorziening aanvraagt of aan wie de vervoersvoorziening is toegekend en die de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt wordt in aanmerking genomen het gezamenlijk inkomen van de ouders van die persoon dan wel, indien het een pleegkind betreft, het gezamenlijk inkomen van de pleegouders indien laatstgenoemden het pleegkind als eigen kind opvoeden en onderhouden.

2.

Indien de ouders respectievelijk pleegouders van de in het eerste lid bedoelde persoon geen echtgenoten zijn van elkaar en hij:

Artikel 9. Vaststelling van het inkomen in het jaar van het bereiken van de leeftijd van 18 jaar

Indien een persoon in het kalenderjaar waarin hij een vervoersvoorziening heeft of aanvraagt, de leeftijd van 18 jaar bereikt, wordt:

Artikel 10. Vaststelling van het inkomen in het jaar van het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet
1.

Indien een persoon aan wie een vervoersvoorziening is toegekend de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet bereikt, wordt voor de toepassing van artikel 5, eerste lid, van het Reïntegratiebesluit onder inkomen verstaan het inkomen dat deze persoon over dat kalenderjaar zou hebben genoten indien hij in dat jaar niet de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet had bereikt.

2.

Indien de echtgenoot van de persoon, bedoeld in het eerste lid, in hetzelfde jaar als het jaar, bedoeld in het eerste lid, de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet bereikt, wordt voor de toepassing van artikel 3 van deze regeling onder inkomen van zijn echtgenoot verstaan, het inkomen dat de echtgenoot over dat kalenderjaar zou hebben genoten indien de echtgenoot in dat jaar niet de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet had bereikt.

Artikel 11. Afwijking inkomensgrens
1.

Indien de echtgenoot of een ander gezinslid van de persoon die een vervoersvoorziening aanvraagt of aan wie een vervoersvoorziening is toegekend, aanspraak heeft op een vervoersvoorziening of om een andere reden dan ziekte of gebrek is aangewezen op het gebruik van een vervoermiddel, wordt voor de verlening of beëindiging van de tweede in het gezin benodigde vervoersvoorziening het percentage, bedoeld in artikel 5, eerste lid, van het Reïntegratiebesluit, vastgesteld op 105%.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing indien één van de in het gezin benodigde vervoersvoorzieningen of het naast de vervoersvoorziening benodigde vervoermiddel niet voor ten minste driekwart wordt bekostigd uit het gezinsinkomen.

Artikel 12. Buiten toepassing blijven van inkomensgrens
1.

Artikel 5, eerste lid, van het Reïntegratiebesluit is niet van toepassing bij de toekenning van een vervoersvoorziening die betreft:

2.

Ten aanzien van de vervoersvoorzieningen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen 4° en 5°, vindt verhoging van de eigen bijdrage wegens overschrijding van de inkomensgrens plaats met ingang van de datum gelegen zes maanden nadat de persoon aan wie de voorziening is verleend van de voorgenomen verhoging in kennis is gesteld.

§ 2a. Inkomenstoets voorzieningen bij inschakeling in en ondersteuning bij arbeid als zelfstandige

Artikel 13. Verdeling werkloosheidsfondsen/arbeidsongeschiktheidsfondsen

Vervallen

Artikel 14. Onderlinge verdeling arbeidsongeschiktheidsfondsen

Vervallen

Artikel 15. Onderlinge verdeling werkloosheidsfondsen

De ten laste van de werkloosheidsfondsen komende bijdrage aan het Reïntegratiefonds in een bepaald kalenderjaar, wordt voor elk van deze fondsen bepaald aan de hand van de volgende formule:

Bf t = [ Uf t–2 : U t-2] × B t

waarbij :

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.