Besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 6 januari 2006, nr. WJZ/2006/288(8182), houdende bekendmaking van spellingregels en een lijst van woorden betreffende de schrijfwijze van de Nederlandse taal waartoe het Comité van Ministers op 25 april 2005 heeft beslist (Besluit bekendmaking spellingvoorschriften 2005)
Gezien de beslissing van 25 april 2005 van het Comité van Ministers van de Nederlandse Taalunie betreffende de schrijfwijze van de Nederlands taal;
Gelet op artikel 4, tweede lid, van de Spellingwet;
Besluit:
Artikel 1
Met ingang van 1 augustus 2006 geschiedt de schrijfwijze van de Nederlandse taal bij de in artikel 2 van de Spellingwet bedoelde overheidsorganen, bij de uit de openbare kas bekostigde onderwijsinstellingen en bij de examens waarvoor wettelijke voorschriften zijn vastgesteld, volgens:
- a. de leidraad die is opgenomen in de bijlage die bij dit besluit hoort, en
- b. de woordenlijst die ter inzage is gelegd in de bibliotheek van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.
Artikel 2
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit bekendmaking spellingvoorschriften 2005.
Bijlage behorende bij artikel 1, onder a, van het Besluit bekendmaking spellingvoorschriften 2005
Leidraad
Inhoudsopgave
Inleiding
1. Beginselen van de Nederlandse spelling
2. Klinkers
3. Medeklinkers
4. Accenttekens
5. Klemtoonteken en uitspraaktekens
6. Los, aaneen of met een koppelteken?
7. Klinkerbotsing
8. Samenstelling met tussenletters -e- of -en-
9. Afleiding met tussenletters -e- of -en-
10. Samenstelling of afleiding met of zonder tussenletter -s-
11. Werkwoorden
12. Engelse woorden in het Nederlands
13. Speciale meervouden van zelfstandige naamwoorden
14. Bezitsvorm van zelfstandige naamwoorden
15. Verkleinwoorden
16. Hoofdletters of kleine letters?
17. Afkortingen, symbolen, initiaalwoorden, letterwoorden, verkortingen
18. Woorden afbreken
Inleiding
Spelling berust op afspraken die we volgen als we gesproken taal vastleggen op papier of met de tekstverwerker. Die afspraken zijn bedoeld om het schrijven en lezen zo vlot en efficiënt mogelijk te maken. Daarbij proberen we een woord altijd op dezelfde manier te schrijven. In de loop van de voorbije eeuwen zijn daar regels voor geformuleerd.
Sinds 1804 wordt onze spelling vastgelegd door de overheid. Het gaat daarbij om basisbeginselen en om specifieke regels, zoals die voor het spellen van klinkers en medeklinkers, het gebruik van hoofdletters en tekens (accenten, koppelteken, trema en apostrof), voor de schrijfwijze van samenstellingen met een tussenklank (pannenkoek, aktetas) en voor de verdeling van woorden in lettergrepen. Daarbij publiceert de overheid een lijst van woorden die volgens de regels zijn gespeld en andere die moeilijk af te leiden zijn uit regels, bijvoorbeeld woorden die we overnemen uit andere talen.
Zowel in Vlaanderen als in Nederland schrijft de overheid het gebruik van de officiële spelling voor aan zichzelf en aan het onderwijs. De regels voor deze spelling worden vastgelegd door de Nederlandse Taalunie, een instelling waarin Nederland, Vlaanderen en Suriname samen zorg dragen voor de Nederlandse taal.
De meeste taalgebruikers volgen deze officiële spelling, ook al zijn ze daartoe niet verplicht en al worden overtredingen niet bestraft. Ze doen dat omdat spelfouten de aandacht van de lezer afleiden en omdat een correcte spelling in onze maatschappij door velen gezien wordt als een teken van zorgvuldigheid en kwaliteit. En ook omdat ze er zelf baat bij hebben dat in alle Nederlandse teksten dezelfde spelling wordt gevolgd. Alleen in die omstandigheden kunnen taalgebruikers het systeem optimaal leren en gebruiken.
Toch is spellen, zelfs met een stel duidelijke regels, niet eenvoudig. Het zal ook nooit eenvoudig worden, want het gaat erom een klanksysteem om te zetten in een schriftsysteem. Die twee zijn zo verschillend van aard dat het onmogelijk is om deze omzetting zonder inconsistenties tot stand te brengen. Dat probleem doet zich met name voor bij uitheemse woorden. Hun schrijfwijze roept het oorspronkelijke klanksysteem op en dat leidt vaak tot resultaten waar taalgebruikers moeite mee hebben. Squashen en skiën zijn redelijk bekende sporten, maar de schrijfwijze van ik squashte en ik skiede zal niet voor iedereen direct volgen uit de regels voor het Nederlands, net zomin als de schrijfwijze van een Bordeauxs café, een karbonadetje of karbonaadje.
Omdat onze taal voortdurend in beweging is, publiceert de Nederlandse Taalunie sinds 1995 om de tien jaar een geactualiseerde Woordenlijst Nederlandse taal. Die is aangevuld met woorden die na de vorige editie in onze taal zijn verschenen, terwijl woorden waarvan de opname niet nuttig is gebleken, zijn verwijderd.
De spellingregels zijn voor de uitgave van 2005 niet veranderd. Maar waar uit de praktijk is gebleken dat er onduidelijkheden bestonden, en zeker waar er schijnbare of echte tegenspraak bestond tussen de regels en de toepassing ervan in de Woordenlijst, werden ze anders verwoord. Daarbij worden enkele kwesties die in vorige edities niet uitputtend waren behandeld, nu duidelijker beschreven. Het gaat bijvoorbeeld om het al dan niet aaneenschrijven van diverse soorten woordgroepen en samenstellingen (50 eurobiljet, Middellandse Zeegebied, pseudoklassiek, re-integratie, accountmanager), om het gebruik van hoofdletters en puntjes in afkortingen (ADSL, aids) en om de schrijfwijze van namen van talen en dialecten (het Standaardnederlands, het New Yorks). Eén uitzonderingsregel voor het schrijven van de tussen-n in samenstellingen, die betrekking had op plantnamen met als linkerdeel de naam van een dier (paarde(n)bloem), is afgeschaft, omdat hij in de praktijk nodeloos veel problemen opleverde.
De Woordenlijst is voor deze uitgave grondig herzien. Er is gepoogd om in minder pagina’s meer woorden op te nemen waar de gebruiker een probleem mee kan hebben. Daarom werden veel samenstellingen geschrapt waarvan de spelling blijkt uit gelijksoortige gevallen. Er konden daardoor ongeveer zesduizend nieuwe trefwoorden worden opgenomen. Tegelijk is de presentatie van de woorden verbeterd. Bij sommige woorden met meer dan één mogelijke spelling (bijvoorbeeld met een hoofdletter of een kleine letter) wordt verduidelijkt wanneer we welke vorm kiezen. Bij werkwoorden die spelproblemen veroorzaken in de vervoeging, worden meer vormen opgenomen (bijvoorbeeld skiën, skiede, geskied; ik ski, jij skiet).
De Woordenlijst spreekt zich alleen uit over de vorm van de woorden en, als het om zelfstandige naamwoorden gaat, over het woordgeslacht. De opname van een woord mag derhalve niet beschouwd worden als een officiële goedkeuring van het woord, en het ontbreken van een woord betekent geen afkeuring.
Redactionele opmerkingen
Voor een goed begrip van de spelling is het noodzakelijk een onderscheid te maken tussen klanken en letters. In deze Leidraad wordt een klank genoteerd tussen twee schuine strepen. Als er over letters wordt gesproken, dan worden die letters schuin gedrukt. Ook voorbeeldwoorden zijn schuin gedrukt.
Dus in brood en cadeau wordt de /oo/ respectievelijk als oo en eau geschreven.
De regels die hier worden beschreven, behoren tot de officiële spelling die is vastgelegd door de Nederlandse Taalunie. De Woordenlijst, die volgt op de Leidraad, is samengesteld op basis van die regels. Wanneer er twijfel bestaat over de toepassing van een regel, biedt de Woordenlijst uitsluitsel.
- achter een woord betekent dat het woord in de verklarende lijst van vaktermen staat.
Het gewone teken om een woord af te breken op het eind van een tekstregel is het liggend streepje (-). Om verwarring te vermijden met het koppelteken in samengestelde woorden (auto-onderdelen) gebruiken we voor afbreking in deze Leidraad en in de Woordenlijst een bolletje, behalve op de plaats waar ook in de niet-afgebroken vorm een koppelteken staat: au•to-on•der•de•len.
Verwijzingen naar andere plaatsen in de tekst worden aangegeven met een pijltje: →.
In de tekst worden voorbeelden gegeven bij elke regel of bij elke categorie van woorden. Deze lijsten zijn alleen volledig als dat uitdrukkelijk wordt vermeld.
1. Beginselen van de Nederlandse spelling
De spelling van het Nederlands is gebaseerd op het basisbeginsel van de standaarduitspraak. Dat wordt ingeperkt door twee nevenbeginselen: dat van de gelijkvormigheid en dat van de etymologie.
1.1. beginsel van de standaarduitspraak
We spellen een woord met de klanken die we horen in de standaarduitspraak van dat woord.
Met standaarduitspraak wordt bedoeld: een uitspraak die niet gekleurd is door de woonplaats, leeftijd of andere kenmerken van een bepaalde spreker. We spellen dus niet srijfer of schraaiver, maar schrijver. In gevallen waarin de standaarduitspraak varieert, bijvoorbeeld in Vlaanderen en Nederland, kiest de officiële spelling meestal een vorm die beide varianten dekt. We schrijven daarom niet oto, maar auto.
1.2. beginsel van de gelijkvormigheid
We spellen een woord of woorddeel zo veel mogelijk op dezelfde wijze.
We proberen een woord of een deel van een woord altijd op dezelfde manier te schrijven, ook al spreken we het soms anders uit. Zo schrijven we bloed altijd met d, ook al horen we alleen een /d/ in vormen als bloeden en koelbloedig, en horen we een /t/ in bloed en bloedverwant.
Dit beginsel wordt beperkt door specifieke regels. De belangrijkste zijn:
(a) We schrijven geen v of z aan het eind van een lettergreep*.
We vervangen ze door f of s. We schrijven dus niet raav (gelijkvormig met raven), maar raaf en niet prijz (gelijkvormig met prijzen), maar prijs. Uitzonderingen vinden we in uitheemse woorden als pilav en fez.
(b) We schrijven geen dubbele medeklinker* aan het eind van een woord.
Als we dus een -t toevoegen aan de stam van een werkwoord voor de derde persoon enkelvoud (*werken – werk – het werkt), geldt dat niet als de stam eindigt op t (zitten – zit – niet: het zitt, maar het zit). Uitzonderingen vinden we in uitheemse woorden als baseball en jazz*.
(c) Als een woord eindigt op een sisklank*, vervalt de s van het volgende achtervoegsel*.
Als het grondwoord eindigt op -s, -sch of een andere sisklank, vervalt de s van het achtervoegsel -s of -st. We schrijven dus ik was het nerveust en niet ik was het nerveusst, wel het friste water en niet het frisste water, wel iets Belgisch en niet iets Belgischs*.
De vrouwelijke vorm van fietser schrijven we als fietsster, want voor het achtervoegsel -ster geldt deze regel niet.
De regel van de gelijkvormigheid kan een hulp zijn voor de taalgebruiker die zoekt hoe een woord moet worden geschreven. Wie bijvoorbeeld het woord geboortefeest zou willen schrijven en twijfelt over de tussen-n, kan zich laten leiden door andere woorden die tot dezelfde categorie behoren, zoals geboortedag, geboortekaartje, geboortepremie.
1.3. beginsel van de etymologie
De spelling van een woord wordt soms bepaald door zijn herkomst.
De spelling van een woord kan sporen bevatten van zijn geschiedenis of etymologie. De verschillende herkomst van de woorden is een verklaring voor de twee schrijfwijzen van de tweeklanken /ei/ en /au/. We schrijven zij anders dan zei, omdat die woorden in ouder Nederlands verschillend uitgesproken werden. Hetzelfde geldt voor bijvoorbeeld gauw en gouw*.
Woorden die we uit andere talen overnemen, schrijven we aanvankelijk in de uitheemse spelling, maar naarmate een woord zich aanpast aan het Nederlandse taalsysteem, wordt ook de schrijfwijze vernederlandst. Het Franse woord sérieux bijvoorbeeld is het Nederlandse serieus geworden, behalve in de nog als Frans aangevoelde uitdrukking iets au sérieux nemen. De spelling van woorden uit het Engels wordt zelden aangepast aan het Nederlands, hoewel het vaak om courante woorden gaat, zoals baby en computer.
2. Klinkers
2.1. verenkeling van lange klinkers in een open lettergreep
Een lange klinker wordt in een gesloten lettergreep* geschreven met twee tekens, in een open lettergreep met een enkel teken.
Het gaat om de lange klinkers* /aa/,
/ee/, /oo/ en /uu/. We schrijven dus oo in de gesloten lettergreep boom, maar o in de open lettergreep bo•men. Op dezelfde manier:
staar – staren
heel – helend
koor – koren
zuur – verzuren
Deze regel geldt niet voor de /ie/, waarvoor we een ander stel regels hebben. Ook zijn er talloze uitzonderingen, onder meer voor uitheemse woorden*.
De klinkers eu en oe worden in inheemse woorden altijd op dezelfde manier geschreven.
2.2. verdubbeling van medeklinkers op het eind van een gesloten lettergreep
Een medeklinker schrijven we dubbel na een korte klinker als er op die medeklinker nog een onbeklemtoonde lettergreep* volgt.
Het gaat om de medeklinkers b, d, f, g, k, l, m, n, p, r, s, t, z en c (uitgesproken als /k/) en om de korte klinkers* /a/, /e/, /i/, /o/, /u/.
netten
biggen
remmen
aerobiccen
Uitzonderingen op deze regel:
schakelen
dreumesen
lemmeten
bezigen
leeuweriken
stencilen
kieviten
ademen
Bussumer
Dokkumer
Maar: Blaricummer, Hilversummer
2.3. /ee/ op het eind van een inheems woord
De lange /ee/ wordt aan het einde van een inheems woord met twee tekens geschreven. In een samenstelling of een afleiding* behouden we deze dubbele klinker. Maar voor -isch schrijven we de e enkel.
zee – zeevis – overzeese
twee – tweeling – tweetjes – tweeën
Goeree – Goereese
De regel geldt ook voor sommige uitheemse woorden.
trochee – trocheïsch
Aandacht verdienen uitheemse woorden die geen grondwoord hebben dat eindigt op /ee/, maar wel afgeleide vormen die eindigen op -eeën, -eeër, -eïsch, -ese, -eïsme, -eïstisch.
farizeeën – farizeeër – farizees – farizese – farizeïsch – farizeïsme
Pyreneeën – Pyrenees – Pyrenese
Europeeër – Europees – Europese
2.4. /ee/ op het eind van een Frans woord
In het Frans kan een woord eindigen op -é (café) of op -ée (matinée). In het Nederlands vervalt het accent aigu op de ee.
café
comité
matinee
puree
assemblee
→ accenttekens, 4.1, 4.2
Als de aanduiding van een persoon eindigt op /ee/, schrijven we -é voor de mannelijke of sekseneutrale vorm, -ee voor de vrouwelijke vorm.
een attaché (m) – een attachee (v)
een employé (m) – een employee (v)
een invité (m) – een invitee (v)
Voor woorden die als zuiver uitheems worden aangevoeld, en die hun accenten niet verliezen, geldt deze regel niet. De vrouwelijke vorm behoudt de -ée.
een dégénéré (m) – een dégénérée (v)
een délégué (m) – een déléguée (v)
In verkleinwoorden wordt de slotklinker -é omgezet in ee.
café – cafeetje
prostitué of prostituee – prostitueetje
→ afbreking: 18
2.5. ie of i ?
We schrijven de lange /ie/ meestal als ie:
(a) in een gesloten lettergreep: fiets, niet, advies, plezier, lief, actief*;
(b) aan het einde van een woord: olie, hatsjie, kwestie, positie, die, neurie, industrie, bacterie;
(c) in een beklemtoonde open lettergreep die niet aan het eind van een woord komt: gierig, gieten, spiegel.
We schrijven de lange /ie/ meestal als i:
(a) in een onbeklemtoonde open lettergreep die niet aan het eind van een woord komt: figuur, gitaar, libel, miauw, riool;
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.