Regeling van de Minister van Economische Zaken van 1 februari 2006, nr. WJZ 6008406, houdende regels ter zake vrijstelling van het toestemmingsvereiste ex artikel 3.10, eerste lid, van de Telecommunicatiewet (Vrijstellingsregeling afwijkend gebruik frequentieruimte Justitie)

Type Ministeriële regeling
Publication 2025-09-04
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Gelet op artikel 3.10, derde lid,3.10, eerste lid, van de Telecommunicatiewet;

Besluit:

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

Artikel 2

Voor een afwijkend gebruik van de frequentieruimte is geen ontheffing als bedoeld in artikel 3.22, derde lid, van de wet vereist voor zover de desbetreffende frequentieruimte ingevolge het frequentieplan als bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van de wet is bestemd voor openbare mobiele telecommunicatiediensten en wordt voldaan aan de artikelen 3 tot en met 9van deze regeling.

Artikel 3
1.

Aan een afwijkend gebruik van de frequentieruimte ligt een besluit van of namens de Minister van Veiligheid en Justitie ten grondslag. Indien de bevoegdheid tot het nemen van besluiten als hier bedoeld door de Minister van Veiligheid en Justitie is gemandateerd, wordt van het mandaatbesluit alsmede van wijzigingen daarvan, een afschrift gezonden aan de Minister.

2.

Het besluit, bedoeld in het eerste lid, eerste volzin, omvat ten minste de volgende gegevens:

Artikel 4
1.

Het besluit tot een afwijkend gebruik wordt door de Minister van Veiligheid en Justitie, of door de mandataris als bedoeld in artikel 3, eerste lid, schriftelijk aan de Minister gemeld binnen uiterlijk 24 uur nadat het is genomen.

2.

Het besluit tot een afwijkend gebruik dat uit jammen bestaat, wordt door de Minister van Veiligheid en Justitie, of door de mandataris als bedoeld in artikel 3, eerste lid, voorafgaand aan de tenuitvoerlegging in ieder geval mondeling aan de Minister gemeld.

3.

Bij de melding worden de gegevens, bedoeld in artikel 3, tweede lid, verstrekt. Indien het afwijkend gebruik uit jammen bestaat worden daarbij, voorzover mogelijk, tevens de te hanteren vermogens van de te gebruiken apparatuur verstrekt.

Artikel 5
1.

De periode als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onder b, bedraagt:

2.

Het afwijkend gebruik van de frequentieruimte geschiedt niet langer dan strikt noodzakelijk is voor het beoogde operationele doel. Het daarbij gebruikte vermogen is niet groter dan strikt noodzakelijk is voor het beoogde operationele doel.

Artikel 6
1.

De apparatuur die wordt gebruikt voor het afwijkend gebruik van de frequentieruimte voldoet aan de volgende eisen:

2.

De apparatuur waarmee een afwijkend gebruik van de frequentieruimte is toegestaan, wordt opgeslagen op een door de korpschef aangewezen centrale plaats bij een regionale of landelijke eenheid van de politie.

Artikel 7

Met de in artikel 6 bedoelde apparatuur wordt gelijkgesteld apparatuur die rechtmatig is vervaardigd of in de handel is gebracht in een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel rechtmatig is vervaardigd in een staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij een daartoe strekkend of mede daartoe strekkend Verdrag dat Nederland bindt, en die voldoet aan eisen die een beschermingsniveau bieden dat ten minste gelijkwaardig is aan het niveau dat met de nationale eisen wordt nagestreefd.

Artikel 8

Bevoegd tot het bedienen van de apparatuur waarmee een afwijkend gebruik van de frequentieruimte kan plaatsvinden zijn de in artikel 141, aanhef, onderdelen b en d, bedoelde opsporingsambtenaren die in het bezit zijn van een door de Minister van Veiligheid en Justitie aangewezen verklaring waaruit blijkt dat de desbetreffende opsporingsambtenaar voldoende kennis heeft van de juridische, technische en operationele aspecten van het gebruik van de apparatuur.

Artikel 9
1.

De in artikel 8 bedoelde opsporingsambtenaar maakt na het afwijkend gebruik van de frequentieruimte, proces-verbaal op. Het proces-verbaal vermeldt:

2.

De opsporingsambtenaar brengt zo spoedig mogelijk, doch niet later dan zeven dagen na afloop van de in artikel 3, tweede lid, onder b, bedoelde periode, schriftelijk verslag uit aan de Minister van de gegevens, bedoeld in het eerste lid, onder a tot en met c. Het verslag wordt door de Minister opgenomen in een daartoe aan te leggen centrale registratie.

Artikel 10

Dit besluit wordt aangehaald als: Vrijstellingsregeling afwijkend gebruik frequentieruimte Justitie

Artikel 11

Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.