Besluit van de Minister voor Ontwikkelingssamenwerking van 19 juni 2006, nr. DVL/0803/2006, tot vaststelling van beleidsregels voor subsidiëring op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Draagvlakbevordering ontwikkelingssamenwerking)

Type Ministeriële regeling
Publication 2006-07-08
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Gelet op artikel 6 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken;

Gelet op de artikelen 9.1 en 9.2 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006;

Besluit:

Artikel 1

Voor subsidieverlening op grond van de artikelen 9.1 en 9.2 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 gelden voor de periode 2007–2010 de als bijlage bij dit besluit gevoegde beleidsregels.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.

Bijlage. Subsidiekader NCDO 2007–2010

I. Uitgangspunten

Het draagvlak voor internationale samenwerking en duurzame ontwikkeling in de Nederlandse samenleving is groot. Ruim driekwart van de bevolking steunt de omvang van het overheidsbudget op dit terrein, of wil dit zelfs verhoogd zien. Daarnaast geven burgers zelf fors aan internationale goede doelen en zijn zij actief in particuliere initiatieven, zowel in het buitenland als in meningsvormingsactiviteiten in Nederland zelf.

Ondanks deze – door de tijd heen constante – grote maatschappelijke steun voor internationale samenwerking, treden er veranderingen op in het draagvlak. Zo staat internationale samenwerking laag op het prioriteitenlijstje van de burger (in vergelijking met andere beleidsthema’s als werk, zorg, veiligheid) en is er groeiende scepsis over de effectiviteit van internationale samenwerking. Mede uit onvrede over de prestaties van de professionals bij de overheid, de multilaterale instellingen en de niet-gouvernementele organisaties nemen steeds meer burgers het heft in eigen hand en zetten zelfstandig ontwikkelingsprojecten op. Daarnaast is er een groeiende groep burgers die niet meer vanzelfsprekend, vanuit levensbeschouwing, geloof, ideologie, of welbegrepen eigenbelang in de uitbreiding van onze eigen welvaart, affiniteit met de doelen van internationale samenwerking heeft.

Deze veranderingen hebben consequenties voor het draagvlakbeleid van de Nederlandse overheid. Allereerst dient de overheid naast het informeren over het beleid veel nadrukkelijker te communiceren in termen van resultaat: laten zien dat internationale samenwerking werkt. Daarnaast dient de burger via interactieve methoden (internet, debat) meer ‘co-producent’ van het beleid te worden.

Internationaal vergelijkend OESO-onderzoek laat zien dat de kennis van het publiek over internationale samenwerking (die over het algemeen gering is) aanzienlijk kan toenemen door gerichte educatie op dit terrein. Om draagvlak te versterken zijn er volgens de OESO drie zaken noodzakelijk:

Communicatie en publiekseducatie over beleid kan alleen vrucht dragen indien er een ‘draagvlakbodem’ onder ligt die zorgt voor betrokkenheid, zingeving en handelingsperspectief. Het is niet gewenst dat de overheid deze laag als enige onderhoudt. Er is mede-eigenaarschap nodig en ruimte voor debat, die beide het beste gedijen op afstand van de overheid.

Naast de overheid is een intermediair nodig. NCDO is de meest natuurlijke organisatie om als intermediair op te treden. NCDO is een zelfstandige organisatie met een draagvlakmissie en vervult een brugfunctie tussen overheid en burger (en vice-versa) waarbij de nadruk ligt op het zichtbaar maken van resultaten van (overheids)beleid op het terrein van internationale samenwerking en duurzame ontwikkeling en resultaten van activiteiten van burgers.

II. Doelstelling en taken

Kerntaak van NCDO is het handhaven en versterken (verbreden en verdiepen) van het maatschappelijke en politieke draagvlak in Nederland voor internationale samenwerking en duurzame ontwikkeling.

Draagvlak is een multi-dimensionaal begrip, dat kennis, houding en gedrag omvat. Een doeltreffend en doelmatig draagvlakbeleid voor internationale samenwerking en duurzame ontwikkeling leidt tot het resultaat dat kennis en meningsvorming worden weerspiegeld in een houding en het gedragspatroon van de Nederlandse burger/samenleving.

Specifieke doelen daarbij zijn:

III. Taakuitvoering en -afbakening

In de bijdrage aan deze doelen heeft NCDO drie taken:

Dit betreft activiteiten waarbij NCDO zelf initiatiefnemer of co-producent is. Deze initiatieven worden in het jaarplan opgenomen. Daarnaast is er in het jaarplan ruimte voor niet voorziene communicatie-activiteiten, zodat kan worden ingesprongen op de actualiteit.

Dit betreft activiteiten waarvoor het initiatief ligt bij de aanvrager. De aanvragende organisaties worden gefinancierd voorzover hun beleid en strategie passen binnen het NCDO beleidskader 2007–2010.

Uitsluitend organisaties die niet door BZ gesubsidieerd worden i.h.k. van TMF/MFS komen in aanmerking voor subsidie.

Voor de uitvoering van haar subsidiebeleid hanteert NCDO een transparant subsidie- en beoordelingskader.

De NCDO-subsidieregelingen concentreren zich op activiteiten in Nederland en omvatten in ieder geval:

De rollen van NCDO als opdrachtgever en co-producent (initiatief ligt bij NCDO) moeten zich in haar procedures en werkwijzen onderscheiden van haar rol als subsidieverlener (initiatief ligt bij aanvrager). NCDO richt hiervoor drie onderscheiden procedures in.

In de taakafbakening tussen het ministerie van Buitenlandse Zaken en NCDO richt het ministerie zich primair op de directe en actuele beleidscommunicatie. NCDO maakt via publiekscommunicatie en draagvlakactiviteiten (resultaten van) het beleid van internationale samenwerking en duurzame ontwikkeling inzichtelijk en licht dit toe. Daarnaast creëert NCDO ruimte voor meningsvorming en debat.

Het ministerie zorgt voor een procedure en werkwijze waarbij NCDO in staat wordt gesteld om tijdig resultaten van overheidsbeleid (en van Nederlands overheidsbeleid t.a.v. Europees beleid) te communiceren .

Naast NCDO werken ook maatschappelijke organisaties en andere actoren (gemeenten, provincies, bedrijven, kennisinstituten etc.) in toenemende mate aan draagvlakontwikkeling. De activiteiten van NCDO zijn eigenstandig ten opzichte van die van het maatschappelijk middenveld en andere relevante actoren.

NCDO kan opdrachten van derden accepteren. In de NCDO bedrijfsvoering worden zij onderscheiden van de middelen uit de programmafinanciering.

IV. Bestuurlijk model

V. Beschikbaar bedrag

De Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 bevat in de artikelen 9.1 en 9.2 de grondslag voor subsidiëring van activiteiten met het oog op meningsvorming, voorlichting en bevordering van het draagvlak voor ontwikkelingssamenwerking NCDO ontvangt op die titel nagenoeg al haar financiële middelen in het raamwerk van een meerjaren-programmafinanciering van het ministerie van Buitenlandse Zaken voor de periode 2007–2010.

De ruimte voor dit subsidiekader NCDO is maximaal € 148 miljoen, verdeeld over gelijke jaartranches van maximaal € 37 miljoen. Wanneer de minister daartoe aanleiding ziet, kan dit bedrag worden verhoogd, ten behoeve van de uitvoering van specifieke activiteiten.

VI. Toetsing

NCDO dient een subsidieaanvraag in bij het ministerie van Buitenlandse Zaken. Het ministerie toetst of de specifieke beoogde resultaten van de subsidierelatie met NCDO op de juiste wijze wordt geadresseerd in de subsidieaanvraag, inclusief het meerjarenprogrammaplan en -begroting en het bedrijfsplan van NCDO.

Het voorstel wordt getoetst op basis van de volgende algemene criteria, in relatie tot de activiteiten waarop de aanvraag betrekking heeft:

Daarnaast zal de aanvraag beoordeeld worden op basis van de volgende criteria:

VII. Kwaliteitsbewaking en -ontwikkeling

Voor de gehele subsidieperiode (2007–2010) stelt NCDO een subsidieaanvraag, inclusief meerjarenprogrammaplan en -begroting en bedrijfsplan op. Na goedkeuring van deze stukken door het ministerie worden deze plannen telkens op jaarbasis verder ingevuld en geconcretiseerd in een NCDO-jaarplan. Dit jaarplan wordt niet later dan november van het jaar voorafgaande aan het planjaar ingediend. Het ministerie zorgt voor bespreking van het plan in een afstemmingsoverleg niet later dan eind december in het jaar voorafgaande aan het planjaar. In het jaarplan wordt flexibele ruimte opgenomen om op de actualiteit te kunnen inspelen. Het jaarplan behoeft de goedkeuring van het ministerie.

Voor planning en uitvoering van programma’s en activiteiten ingegeven door de actualiteit kan door het mnisterie of door NCDO zonodig een actualiteitenoverleg bijeengeroepen worden.

Verantwoording wordt jaarlijks afgelegd in een jaarverslag (uiterlijk op 1 juni van het daarop volgende jaar in te dienen), waarin op heldere wijze, en waar mogelijk gekwantificeerd, wordt aangegeven wat de relatie is tussen de gestelde doelen en behaalde resultaten, en de effecten daarvan. De jaarstukken (jaarverslag, jaarrekening) worden na vaststelling door het bestuur van de Stichting NCDO aangeboden aan de minister voor Ontwikkelingssamenwerking en worden tevens met duidelijke vermelding op de website van NCDO gepubliceerd. De resultaten van NCDO-evaluaties worden, voorzien van beleidsconclusies, aan de minister voor Ontwikkelingssamenwerking ter beschikking gesteld.

Het jaarplan en jaarverslag wordt getoetst op:

De jaarrekening wordt getoetst op:

Bovenstaande criteria zullen nader uitgewerkt worden in het financiële reglement als bijlage bij de beschikking. In dit reglement worden de afspraken met betrekking tot de financiële en beheersmatige verhouding tussen het ministerie van Buitenlandse Zaken en de NCDO vastgelegd.

Eind 2009 vindt een externe evaluatie plaats van het totale subsidieprogramma van NCDO.

Voortgangsgesprekken vinden plaats op grond van de jaarplan-begroting/jaarverslag-jaarekening-cyclus.

NCDO is verantwoordelijk voor een adequaat systeem van monitoring en evaluatie. NCDO wordt geacht op basis van bevindingen tijdig bijsturing te verrichten en hiervoor zonodig toestemming te vragen van de minister. De minister houdt, met name aan de hand van financiële en inhoudelijke rapportages, toezicht op de besteding van de middelen en de voortgang en is verantwoordelijk voor de uiteindelijke vaststelling van de verleende subsidie.

Dit besluit zal met de bijlage in de Staatscourant worden geplaatst.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.