Besluit van 18 december 2006, houdende regels met betrekking tot het financiële toetsingskader op grond van de Pensioenwet en de Wet verplichte beroepspensioenregeling (Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen)

Type AMvB
Publication 2026-01-01
State In force
Source BWB
artikelen 61
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 24 oktober 2006, Directie Arbeidsverhoudingen, nr. AV/PB/2006/84673;

Gelet op de artikelen 116, tweede lid, 126, derde lid, 128, derde lid, 131, tweede lid, 132, derde lid, 135, tweede lid, 136, tweede lid, 137, tweede lid, 138, zesde lid, 140, vijfde lid, 141, derde lid, 143, tweede lid, 144, vierde lid, 145, tweede lid, 147, zesde lid, en 203, vierde lid van de Pensioenwet en de artikelen 114, tweede lid, 121, derde lid, 123, derde lid, 126, tweede lid, 127, derde lid, 130, tweede lid, 131, tweede lid, 132, tweede lid, 133, zesde lid, 135, vijfde lid, 136, derde lid, 138, tweede lid, 139, vierde lid, 140, tweede lid, 142, zesde lid, en 197, vierde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling;

De Raad van State gehoord (advies van 16 november 2006, nr. W1206.0450/IV);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 13 december 2006, Directie Arbeidsverhoudingen, nr. AV/PB/2006/101170A:

Hebben goedgevonden en verstaan:

Paragraaf 1. Definities

Artikel 1. Definities

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

Paragraaf 1a. Risicohouding

Artikel 2. Hoogte technische voorzieningen
1.

Het bestuur van een fonds stelt de hoogte van de technische voorzieningen vast op basis van de contante waarde van de verwachte uitgaande kasstromen die voortvloeien uit de tot de datum van vaststelling opgebouwde pensioenverplichtingen.

2.

De contante waarde wordt vastgesteld op basis van een door De Nederlandsche Bank gepubliceerde actuele rentetermijnstructuur.

3.

Een fonds stelt de omvang van de verwachte uitgaande kasstromen vast op basis van verwachte marktontwikkelingen en voor het fonds prudente verzekeringstechnische grondslagen waaronder begrepen de voorzienbare trend in overlevingskansen.

Artikel 3. Inzenden berekening technische voorzieningen
1.

Een fonds dient ieder jaar vóór 1 juli de berekening van de technische voorzieningen per het einde van het voorafgaande jaar in bij De Nederlandsche Bank.

2.

Onverminderd het eerste lid, dient een fonds desgevraagd een berekening van de technische voorzieningen in bij De Nederlandsche Bank indien De Nederlandsche Bank tekenen ontwaart van een ontwikkeling die het eigen vermogen, de liquiditeit of de bedrijfsvoering van het fonds in gevaar kunnen brengen.

Paragraaf 3. Kostendekkende premie

Artikel 4. Kostendekkende premie en premiestabilisatie

Vervallen

Paragraaf 3. Kostendekkende premie

Artikel 5. Samenstelling eigen vermogen
1.

Het eigen vermogen van een fonds wordt met name gevormd door de volgende vermogensbestanddelen:

2.

Het eigen vermogen van een fonds wordt verminderd met het bedrag van de eigen aandelen die rechtstreeks door het fonds worden gehouden en met het bedrag van de immateriële activa.

Artikel 6. Vorming van eigen vermogen ten behoeve van toekomstige pensioenaanspraken

De vorming van eigen vermogen ten behoeve van toezeggingen die in de toekomst leiden tot een wijziging van de pensioenovereenkomst en als gevolg daarvan tot een toename van de pensioenverplichtingen, is een activiteit die verband houdt met pensioen en kan overeenkomstig artikel 116 van de Pensioenwet door een pensioenfonds worden verricht.

Artikel 7. Ledenrekeningen
1.

De ledenrekeningen, bedoeld in artikel 5, eerste lid, onder a, worden alleen meegeteld als onderdeel van het eigen vermogen, wanneer de statuten bepalen dat:

2.

De statutaire bepalingen met betrekking tot de ledenrekeningen worden niet gewijzigd dan nadat daarvoor toestemming van De Nederlandsche Bank is verkregen.

Artikel 8. Cumulatief preferent aandelenkapitaal en achtergestelde leningen
1.

Het cumulatief preferent aandelenkapitaal en de achtergestelde leningen, bedoeld in artikel 5, eerste lid, onder d en e, worden meegeteld tot een maximum van vijftig procent van het minimaal vereist eigen vermogen of van het eigen vermogen als dat lager is dan het minimaal vereist eigen vermogen, waarbij niet meer dan de helft van dat maximum in de vorm van achtergestelde leningen met vaste looptijd, of het cumulatief preferent aandelenkapitaal met vaste termijn, mits bindende overeenkomsten gelden op grond waarvan, in geval van liquidatie van het fonds, de achtergestelde leningen of preferente aandelen achtergesteld worden bij de vorderingen van alle andere crediteuren en pas worden terugbetaald als alle andere schulden zijn voldaan.

2.

Achtergestelde leningen als bedoeld in het eerste lid mogen meetellen tot een maximum van vijftig procent van het vereist eigen vermogen of van het eigen vermogen als dat lager is dan het vereist eigen vermogen.

3.

De achtergestelde leningen worden meegeteld voor zover bedragen zijn gestort.

4.

Achtergestelde leningen met een vaste looptijd worden meegeteld als de oorspronkelijke looptijd ten minste vijf jaar bedraagt. De hoogte tot welke de achtergestelde lening wordt meegeteld als onderdeel van het eigen vermogen wordt lineair verlaagd gedurende ten minste de vijf jaar die voorafgaan aan de datum van de aflossing.

5.

Achtergestelde leningen zonder een vaste looptijd worden meegeteld als deze worden of zullen worden afgelost met een opzeggingstermijn van ten minste vijf jaar of De Nederlandsche Bank aflossing heeft toegestaan. Het verzoek om toestemming voor de aflossing ontvangt De Nederlandsche Bank ten minste zes maanden voor de beoogde aflossingsdatum.

6.

De leningsovereenkomst bevat geen bepaling op grond waarvan de achtergestelde lening voor het einde van de looptijd, anders dan bij liquidatie van het fonds, wordt afgelost.

7.

In afwijking van het zesde lid kan De Nederlandsche Bank toestemming verlenen voor vervroegde terugbetaling van achtergestelde leningen met een vaste looptijd, wanneer het initiatief hiertoe uitgaat van het fonds en het eigen vermogen niet onder het vereiste niveau daalt.

8.

De leningsovereenkomst wordt niet gewijzigd dan nadat daarvoor toestemming van De Nederlandsche Bank is verkregen.

Artikel 9. Effecten met onbepaalde looptijd en andere vermogensinstrumenten
1.

De effecten met onbepaalde looptijd en andere vermogensinstrumenten, bedoeld in artikel 5, eerste lid, onder f, worden voor het totaal van deze effecten en van de achtergestelde leningen, bedoeld in artikel 8, eerste lid, meegeteld tot een maximum van vijftig procent van het totaal van het eigen vermogen of het minimaal vereist eigen vermogen, naar gelang welk bedrag het laagst is, voor zover:

2.

De aflossing van de effecten met onbepaalde looptijd en andere vermogensinstrumenten vindt niet plaats dan nadat daarvoor toestemming van De Nederlandsche Bank is verkregen.

Artikel 10. Obligo

Van het obligo van het geplaatste kapitaal of van het in aandelen verdeelde waarborgkapitaal wordt de helft meegeteld tot een maximum van vijftig procent van het eigen vermogen of het minimaal vereist eigen vermogen, naargelang welk bedrag het laagst is, mits van het geplaatste kapitaal minimaal vijfentwintig procent is gestort.

Artikel 11. Minimaal vereist eigen vermogen
1.

Het minimaal vereist eigen vermogen bedraagt het totaal van de in dit artikel beschreven berekeningen.

2.

Voor pensioenregelingen waarbij door het fonds beleggingsrisico wordt gelopen, wordt vier procent van het bedrag van de bruto technische voorzieningen vermenigvuldigd met de verhouding tussen de bruto technische voorzieningen onder aftrek van de overdrachten uit hoofde van verzekering en de bruto technische voorzieningen aan het eind van het afgelopen boekjaar. Dit verhoudingsgetal is ten minste vijfentachtig procent.

3.

Voor pensioenregelingen waarbij door het fonds geen beleggingsrisico wordt gelopen en de beheerslasten voor een periode van meer dan vijf jaar zijn vastgelegd, wordt één procent van de technische voorzieningen aan het einde van het boekjaar gerekend, overeenkomstig het tweede lid.

4.

Voor pensioenregelingen waarbij door het fonds geen beleggingsrisico wordt gelopen en de beheerslasten voor een periode van vijf jaar of minder zijn vastgelegd, wordt vijfentwintig procent van de netto beheerslasten in verband met de bedrijfsuitoefening in het afgelopen boekjaar gerekend.

5.

Voor pensioenregelingen met risicokapitaal bij overlijden, wordt 0,3 procent van het aanwezige risicokapitaal vermenigvuldigd met de verhouding tussen het risicokapitaal dat ten laste van het fonds blijft na aftrek van de overdrachten uit hoofde van verzekering en het risicokapitaal in het afgelopen boekjaar. Dit verhoudingsgetal is ten minste vijftig procent.

6.

Voor zover het fonds arbeidsongeschiktheidspensioen of premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid uitvoert, wordt de hoogste uitkomst van de volgende berekeningen gerekend:

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.