← Geldende tekst · Geschiedenis

Wet van 15 juli 2008, houdende samenvoeging van de Wet identificatie bij dienstverlening en de Wet melding ongebruikelijke transacties (Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme)

Geldende tekst a fecha 2015-01-01

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de Wet identificatie bij dienstverlening en de Wet melding ongebruikelijke transacties samen te voegen tot één wet, gericht op het voorkomen van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en het financieren van terrorisme;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen

Artikel 1
1.

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

2.

Deze wet is niet van toepassing op de personen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onder 12° en 13°, en belastingadviseurs als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onder 23°, voor zover zij voor een cliënt werkzaamheden verrichten betreffende de bepaling van diens rechtspositie, diens vertegenwoordiging en verdediging in rechte, het geven van advies voor, tijdens en na een rechtsgeding of het geven van advies over het instellen of vermijden van een rechtsgeding.

3.

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt onder de begrippen «trust», «trustee» en «insteller» verstaan: hetgeen daaronder in het Verdrag inzake het recht dat toepasselijk is op trusts en inzake de erkenning van trusts (Trb. 1985, 141) wordt verstaan.

Artikel 2
1.

Een instelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, 2°, 3°, 5°, 6°, 7°, 8°, 18° of 19°, die een bijkantoor of een dochtermaatschappij heeft in een staat die geen lidstaat is, draagt er zorg voor dat het bijkantoor onderscheidenlijk de dochtermaatschappij cliëntenonderzoek verricht dat gelijkwaardig is aan dat, geregeld in artikel 3, eerste tot en met vierde en zesde lid, en gegevens met betrekking tot het cliëntenonderzoek vastlegt en bewaart op een wijze die gelijkwaardig is aan hetgeen is geregeld in artikel 33.

2.

Indien het recht van de betrokken staat toepassing van het eerste lid niet toelaat, stelt de instelling degene die ingevolge artikel 24 belast is met het toezicht op de naleving van deze wet door de instelling daarvan in kennis en neemt zij maatregelen om het risico van witwassen en financieren van terrorisme te voorkomen.

Hoofdstuk 2. Bepalingen betreffende cliëntenonderzoek

§ 2.1. Cliëntenonderzoek

Artikel 3
1.

Een instelling verricht ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme cliëntenonderzoek.

2.

Het cliëntenonderzoek stelt de instelling in staat om:

3.

In afwijking van het tweede lid stelt het cliëntenonderzoek, indien de cliënt handelt als trustee, de instelling in staat om op risico gebaseerde en adequate maatregelen te nemen om inzicht te verwerven in de eigendoms- en zeggenschapsstructuur van de trust en daartoe:

4.

In afwijking van het tweede lid stelt het cliëntenonderzoek, indien cliënten optreden als vennoten van een personenvennootschap, de instelling in staat om:

5.

Een instelling verricht het cliëntenonderzoek in de volgende gevallen:

6.

Een instelling kan het cliëntenonderzoek afstemmen op de risicogevoeligheid voor witwassen of financiering van terrorisme van het type cliënt, zakelijke relatie, product of transactie.

7.

Het eerste tot en met zesde lid en het achtste lid is niet van toepassing op taxateurs als bedoeld in artikel 1, onderdeel a, onder 24°.

8.

Een instelling neemt op risico gebaseerde en adequate maatregelen om ervoor te zorgen dat de gegevens die ingevolge het tweede, derde en vierde lid zijn verzameld over daar bedoelde personen, actueel gehouden worden.

9.

Bij ministeriële regeling kan vrijstelling worden geregeld van het in het eerste of tweede lid bepaalde.

10.

Onze Minister van Financiën kan, op verzoek van een instelling, al dan niet voor bepaalde tijd, ontheffing verlenen van het eerste of tweede lid. Aan een vrijstelling en ontheffing kunnen beperkingen worden gesteld en voorschriften worden verbonden.

11.

In dit artikel wordt verstaan onder personenvennootschap: een maatschap als bedoeld in artikel 1655 van boek 7A van het Burgerlijk Wetboek, een vennootschap onder firma als bedoeld in artikel 16 van het Wetboek van Koophandel en een commanditaire vennootschap als bedoeld in artikel 19 van het Wetboek van Koophandel, alsmede een maatschap of vennootschap naar buitenlands recht die met deze rechtsvormen vergelijkbaar is.

12.

Voor de toepassing van het tweede lid wordt, indien de in het eerste lid bedoelde verplichting rust op een tussenpersoon als bedoeld in artikel 1, onderdeel a, onder 14°, onder cliënt mede verstaan: de wederpartij van de cliënt bij de door bemiddeling van de tussenpersoon tot stand gebrachte en gesloten overeenkomst inzake onroerende zaken en rechten waaraan onroerende zaken zijn onderworpen.

13.

In geval van een trustkantoor als bedoeld in artikel 1, onderdeel a, onder 10°, dat diensten verleent als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van de Wet toezicht trustkantoren:

Artikel 4
1.

Een instelling voldoet aan artikel 3, tweede lid, onderdelen a en b, voordat de zakelijke relatie wordt aangegaan of een incidentele transactie als bedoeld in artikel 3, vijfde lid, onderdeel b, wordt uitgevoerd.

2.

In afwijking van het eerste lid is het een instelling toegestaan de identiteit van de cliënt en, indien van toepassing, de identiteit van de uiteindelijk belanghebbende te verifiëren tijdens het aangaan van de zakelijke relatie, indien dit noodzakelijk is om de dienstverlening niet te verstoren en indien er weinig risico op witwassen of financieren van terrorisme bestaat. In dat geval verifieert de instelling de identiteit zo spoedig mogelijk na het eerste contact met de cliënt.

3.

In afwijking van het eerste lid is het een instelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 5°, toegestaan de begunstigde van een polis te identificeren en de identiteit te verifiëren nadat de zakelijke relatie is aangegaan. In dat geval vindt het identificeren en het verifiëren van de identiteit plaats op of voor het tijdstip van uitbetaling, dan wel op of voor het tijdstip waarop de begunstigde zijn rechten krachtens de polis wil uitoefenen.

4.

In afwijking van het eerste lid is het een bank als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, toegestaan een rekening te openen voordat de verificatie van de identiteit van de cliënt heeft plaatsgevonden, indien zij waarborgt dat deze rekening niet kan worden gebruikt voordat de verificatie heeft plaatsgevonden.

5.

In afwijking van het eerste lid kan een notaris, toegevoegd notaris of kandidaat-notaris als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 12°, de identiteit van de cliënt en, indien van toepassing, van de uiteindelijk belanghebbende verifiëren op het moment dat identificatie op grond van artikel 39 van de Wet op het notarisambt is vereist.

Artikel 5
1.

Onverminderd artikel 4 is het een instelling verboden een zakelijke relatie aan te gaan met of een transactie uit te voeren voor een cliënt, tenzij:

2.

Indien een instelling met betrekking tot een zakelijke relatie niet kan voldoen aan artikel 3, eerste tot en met vierde lid en dertiende lid, onderdeel a, beëindigt de instelling die zakelijke relatie.

3.

Het eerste en het tweede lid zijn niet van toepassing op de gevallen als bedoeld in de artikelen 6 en 7.

4.

Het is een bank verboden een correspondentbankrelatie aan te gaan of voort te zetten met een shellbank of met een bank waarvan bekend is dat deze een shellbank toestaat van haar rekeningen gebruik te maken.

§ 2.2. Vereenvoudigd cliëntenonderzoek

Artikel 6
1.

Onverminderd het in de artikelen 8 en 9 bepaalde, kan een instelling artikel 3, eerste lid, vijfde lid, aanhef en onderdelen a, b en d tot en met f, en artikel 4, eerste lid, achterwege laten ten aanzien van de volgende cliënten:

2.

Een instelling verzamelt voldoende gegevens om te kunnen vaststellen of het eerste lid op een cliënt van toepassing is.

3.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen categorieën cliënten worden aangewezen waarop het eerste lid van overeenkomstige toepassing is.

4.

Onze Minister van Financiën wijst de staten aan als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b.

Artikel 7
1.

Artikel 3, eerste lid, vijfde lid, aanhef en onderdelen a, b en d, en zesde lid, alsmede artikel 4, eerste lid, zijn niet van toepassing voor zover het betreft zakelijke relaties of transacties met betrekking tot:

2.

Een instelling verzamelt voldoende gegevens om te kunnen vaststellen of het eerste lid op een product van toepassing is.

3.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen producten of transacties worden aangewezen waarop het eerste lid van overeenkomstige toepassing is.

4.

Voor nationale betalingstransacties wordt het in het eerste lid genoemde bedrag van € 250 verdubbeld.

§ 2.3. Verscherpt cliëntenonderzoek

Artikel 8
1.

Een instelling verricht, onverminderd artikel 3, tweede, derde en vierde lid, verscherpt cliëntenonderzoek indien en naar gelang een zakelijke relatie of transactie naar haar aard of in verband met de staat waar de cliënt woonachtig of gevestigd is of zijn zetel heeft een hoger risico op witwassen of financieren van terrorisme met zich brengt. Bij ministeriële regeling kunnen categorieën zakelijke relaties en transacties worden aangewezen die naar hun aard een hoger risico op witwassen of financieren van terrorisme met zich brengen.

2.

Onverminderd het eerste lid neemt een instelling, indien een cliënt niet fysiek aanwezig is voor verificatie van diens identiteit, maatregelen om het hogere risico te compenseren. De instelling kan aan de vorige volzin voldoen indien zij:

3.

Onverminderd het eerste lid draagt een bank die een correspondentbankrelatie aangaat of is aangegaan met een bank in een staat die geen lidstaat is er zorg voor dat:

4.

Een instelling draagt er zorg voor dat zij over op risico gebaseerde procedures beschikt om te bepalen of de cliënt, de natuurlijke persoon, bedoeld in artikel 3, vierde lid, onderdeel b, of de uiteindelijk belanghebbende een politiek prominent persoon is die niet in Nederland woont of niet de Nederlandse nationaliteit heeft. Onverminderd het eerste lid draagt een instelling die een zakelijke relatie aangaat of voortzet met of een transactie verricht voor een cliënt waarop de eerste volzin van toepassing is, er tevens zorg voor dat:

5.

Indien de cliënt, de natuurlijke persoon, bedoeld in artikel 3, vierde lid, onderdeel b, of de uiteindelijk belanghebbende gedurende de zakelijke relatie een politiek prominent persoon wordt of blijkt te zijn, voldoet de instelling binnen een redelijke termijn aan het vierde lid.

6.

Bij ministeriële regeling kan vrijstelling worden geregeld van het vierde of vijfde lid terzake van personen die in Nederland wonen.

7.

Onze Minister van Financiën kan op verzoek van een instelling, al dan niet voor bepaalde tijd, aan die instelling ontheffing verlenen van het vierde of vijfde lid terzake van personen die in Nederland wonen. Aan een ontheffing kunnen beperkingen worden gesteld en voorschriften worden verbonden.

§ 2.4. Introduceren van cliënten en uitbesteding van identificatie

Artikel 9
1.

Onverminderd artikel 8, eerste lid, kan bij ministeriële regeling worden bepaald dat bij die regeling aangewezen instellingen bijzondere maatregelen nemen met betrekking tot cliënten die woonachtig of gevestigd zijn of hun zetel hebben in bij die regeling aangewezen staten met strategische tekortkomingen in de preventie van witwassen en financieren van terrorisme, hun uiteindelijk belanghebbenden of de natuurlijke personen, bedoeld in artikel 3, vierde lid, onderdeel b, of transacties, zakelijke relaties en correspondentbankrelaties gerelateerd aan die staten. In de regeling kan onderscheid worden gemaakt naar categorie instelling.

2.

Als bijzondere maatregelen met betrekking tot cliënten die woonachtig of gevestigd zijn of hun zetel hebben in een ingevolge het eerste lid aangewezen staat, hun uiteindelijk belanghebbenden of de natuurlijke personen, bedoeld in artikel 3, vierde lid, onderdeel b, kunnen worden aangewezen:

3.

Als bijzondere maatregelen met betrekking tot transacties, zakelijke relaties en correspondentbankrelaties gerelateerd aan een ingevolge het eerste lid aangewezen staat kunnen worden aangewezen:

Artikel 10
1.

Een instelling kan het cliëntenonderzoek, bedoeld in artikel 3, eerste lid, voor zover het betrekking heeft op het in het tweede lid, onderdelen a, b, c, e, f en g, het derde lid, onderdelen a, b, c en e, of het vierde lid, onderdelen a, b, c, d, f en g, van dat artikel bepaalde, laten verrichten door een derde, onverminderd haar verplichting om te voldoen aan het in die onderdelen bepaalde.

2.

Indien de in het eerste lid bedoelde uitbesteding een structureel karakter heeft legt de instelling de opdracht daartoe schriftelijk vast.

§ 2.5. Documenten die voor de verificatie van de identiteit gebruikt kunnen worden

Artikel 11
1.

Indien de cliënt, de insteller van een trust, de trustee van een trust, de vennoot van een personenvennootschap of de persoon bevoegd inzake het beheer van de personenvennootschap een natuurlijke persoon is, wordt diens identiteit geverifieerd aan de hand van documenten, gegevens of inlichtingen uit betrouwbare en onafhankelijke bron. Bij ministeriële regeling kunnen documenten, gegevens of inlichtingen worden aangewezen op basis waarvan kan worden voldaan aan het in de vorige zin bepaalde.

2.

Indien de cliënt, de insteller van een trust, de trustee van een trust, de vennoot van een personenvennootschap of de persoon bevoegd inzake het beheer van de personenvennootschap een rechtspersoon is opgericht naar Nederlands recht en in Nederland zijn zetel heeft of een buitenlandse rechtspersoon is die in Nederland is gevestigd, wordt diens identiteit geverifieerd aan de hand van documenten, gegevens of inlichtingen uit betrouwbare en onafhankelijke bron. Bij ministeriële regeling kunnen documenten, gegevens of inlichtingen worden aangewezen op basis waarvan kan worden voldaan aan het in de vorige zin bepaalde.

3.

Indien de cliënt, de insteller van een trust, de trustee van een trust, de vennoot van een personenvennootschap of de persoon bevoegd inzake het beheer van de personenvennootschap een buitenlandse rechtspersoon is die niet in Nederland is gevestigd, wordt de identiteit geverifieerd op basis van betrouwbare en in het internationale verkeer gebruikelijke documenten uit onafhankelijke bron, gegevens of inlichtingen of op basis van documenten, gegevens of inlichtingen die bij wet als geldig middel voor identificatie zijn erkend in de staat van herkomst van de cliënt, de insteller van een trust, de trustee van een trust, de vennoot van een personenvennootschap of de persoon bevoegd inzake het beheer van de personenvennootschap.

4.

Bij ministeriële regeling kunnen regels worden vastgesteld met betrekking tot het verifiëren van de identiteit van cliënten die niet onder het eerste tot en met het derde lid vallen.

Hoofdstuk 3. Bepalingen betreffende het melden van ongebruikelijke transacties

§ 3.1. Het meldpunt

Artikel 12
1.

Er is een Financiële inlichtingen eenheid.

2.

De Financiële inlichtingen eenheid is de verantwoordelijke autoriteit als bedoeld in de Verordening nr. 2006/1781/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende bij geldovermakingen te voegen informatie over de betaler.

3.

De algemene leiding, de organisatie en het beheer van de Financiële inlichtingen eenheid berusten bij Onze Minister van Justitie.

4.

Benoeming, schorsing en ontslag van het hoofd van de Financiële inlichtingen eenheid geschieden bij koninklijk besluit op voordracht van Onze Minister van Justitie, in overeenstemming met Onze Minister van Financiën.

5.

Onze Minister van Justitie bepaalt in overeenstemming met Onze Minister van Financiën de begroting van de Financiële inlichtingen eenheid.

Artikel 13

De Financiële inlichtingen eenheid heeft met het oog op het voorkomen en opsporen van witwassen en financieren van terrorisme tot taak:

Artikel 14
1.

Bij de Financiële inlichtingen eenheid kunnen persoonsgegevens worden verwerkt ten behoeve van de taak, bedoeld in artikel 13.

2.

Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de categorieën van personen waarover de Financiële inlichtingen eenheid gegevens verwerkt, de gegevensverstrekking en verbanden met andere verzamelingen van persoonsgegevens, de bewaring en vernietiging van gegevens en de protocolplicht.

3.

Op de verwerking van persoonsgegevens door de Financiële inlichtingen eenheid zijn de artikelen 1, 2, 3, eerste en tweede lid, 4, 5, 6, 7, 15, 16, eerste lid, onderdelen a, b en c, 17, 18, 22 en 23, 25 tot en met 31, alsmede artikel 33 van de Wet politiegegevens van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor de Financiële inlichtingen eenheid als verantwoordelijke in de zin van artikel 1, onderdeel f, van die wet wordt aangemerkt Onze Minister van Veiligheid en Justitie.

§ 3.2. De Meldingsplicht

Artikel 15
1.

Bij algemene maatregel van bestuur worden, zo nodig per daarbij te onderscheiden categorieën transacties, indicatoren vastgesteld aan de hand waarvan wordt beoordeeld of een transactie wordt aangemerkt als een ongebruikelijke transactie.

2.

Indien het spoedeisende belang dat vereist, kunnen bij regeling van Onze Minister van Financiën en Onze Minister van Justitie gezamenlijk de indicatoren, bedoeld in het eerste lid, worden vastgesteld voor een termijn van ten hoogste zes maanden.

Artikel 16
1.

Een instelling meldt een verrichte of voorgenomen ongebruikelijke transactie onverwijld nadat het ongebruikelijke karakter van de transactie bekend is geworden, aan de Financiële inlichtingen eenheid.

2.

Bij een melding als bedoeld in het eerste lid verstrekt de instelling de volgende gegevens:

3.

In afwijking van het tweede lid verstrekt een taxateur als bedoeld in artikel 1, onderdeel a, onder 24°, de gegevens bedoeld in het tweede lid voor zover zij daarover beschikt, alsmede een beschrijving van de desbetreffende onroerende zaken en rechten waaraan onroerende zaken zijn onderworpen.

4.

De meldingsplicht, bedoeld in het eerste lid, is van overeenkomstige toepassing indien:

5.

Bij een melding ingevolge het vierde lid verstrekt een instelling naast de gegevens, bedoeld in het tweede lid, een beschrijving van de redenen waarom het vierde lid van toepassing is.

Artikel 17
1.

De Financiële inlichtingen eenheid kan ten behoeve van de uitvoering van haar taak als bedoeld in artikel 13, onderdeel b, bij de instelling die een melding heeft gedaan, alsmede bij de instelling die bij een transactie is betrokken waarover de Financiële inlichtingen eenheid gegevens heeft verzameld, nadere inlichtingen vragen.

2.

De instelling waaraan overeenkomstig het eerste lid deze gegevens of inlichtingen zijn gevraagd, verstrekt deze schriftelijk, alsmede in spoedeisende gevallen mondeling, aan de Financiële inlichtingen eenheid binnen de door de Financiële inlichtingen eenheid gestelde termijn.

Artikel 18

De Financiële inlichtingen eenheid bepaalt de wijze waarop een melding moet worden gedaan, of gegevens of inlichtingen als bedoeld in artikel 17, eerste lid, moeten worden verstrekt.

§ 3.3. Vrijwaring

Artikel 19
1.

Gegevens of inlichtingen die in overeenstemming met de artikelen 16 of 17 te goeder trouw zijn verstrekt, kunnen niet dienen als grondslag voor of ten behoeve van een opsporingsonderzoek of een vervolging wegens verdenking van, of als bewijs ter zake van een tenlastelegging wegens witwassen of financieren van terrorisme door de instelling die deze gegevens of inlichtingen heeft verstrekt.

2.

Gegevens of inlichtingen die zijn verstrekt in de redelijke veronderstelling dat uitvoering wordt gegeven aan de artikelen 16 of 17 kunnen niet dienen als grondslag voor of ten behoeve van een opsporingsonderzoek of een vervolging wegens verdenking van, of als bewijs ter zake van een tenlastelegging wegens, overtreding van artikel 272 van het Wetboek van Strafrecht door de instelling die deze gegevens of inlichtingen heeft verstrekt.

3.

Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van personen die werkzaam zijn voor een instelling die gegevens of inlichtingen heeft verstrekt als omschreven in het eerste of tweede lid en die daaraan hebben meegewerkt.

Artikel 20
1.

Een instelling die op grond van artikel 16 een melding heeft gedaan of op grond van artikel 17 nadere inlichtingen heeft verstrekt in de redelijke veronderstelling uitvoering te geven aan die artikelen, is niet aansprakelijk voor enige schade die een derde dientengevolge lijdt.

2.

Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van personen die werkzaam zijn voor een instelling die een melding heeft gedaan of inlichtingen heeft verstrekt als omschreven in het eerste lid en die daaraan hebben meegewerkt.

§ 3.4. De Commissie inzake de meldingsplicht ongebruikelijke transacties

Artikel 21
1.

Er is een Commissie inzake de meldingsplicht van ongebruikelijke transacties.

2.

De commissie treedt periodiek in overleg met vertegenwoordigers van Onze Minister van Justitie en Onze Minister van Financiën over:

3.

Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot de samenstelling en de organisatie van de commissie.

§ 3.5. Geheimhouding

Artikel 22
1.

Het is aan een ieder die uit hoofde van de toepassing van deze wet of van krachtens deze wet genomen besluiten enige taak vervult of heeft vervuld verboden van gegevens of inlichtingen, die ingevolge deze wet zijn verstrekt of ontvangen, of van een buitenlandse toezichthoudende instantie zijn ontvangen, verder of anders gebruik te maken of daaraan verder of anders bekendheid te geven dan voor de uitoefening van zijn taak of door deze wet wordt geëist.

2.

Een toezichthouder is in afwijking van het eerste lid bevoegd gegevens of inlichtingen, die ingevolge deze wet zijn verstrekt of ontvangen of van een buitenlandse toezichthoudende instantie zijn ontvangen, te verstrekken aan een andere toezichthouder of aan een buitenlandse toezichthoudende instantie, tenzij:

3.

Voor zover de gegevens of inlichtingen, bedoeld in het tweede lid, zijn verkregen van een buitenlandse toezichthoudende instantie, verstrekt een toezichthouder deze niet aan een andere toezichthouder of aan een andere buitenlandse toezichthoudende instantie, tenzij de buitenlandse toezichthoudende instantie waarvan de gegevens of inlichtingen zijn verkregen uitdrukkelijk heeft ingestemd met de verstrekking van de gegevens of inlichtingen en in voorkomend geval heeft ingestemd met het gebruik voor een ander doel dan waarvoor de gegevens of inlichtingen zijn verstrekt.

4.

Indien een buitenlandse toezichthoudende instantie aan de toezichthouder die de gegevens of inlichtingen op grond van het tweede of derde lid heeft verstrekt, verzoekt om die gegevens of inlichtingen te mogen gebruiken voor een ander doel dan waarvoor zij zijn verstrekt, willigt de toezichthouder dat verzoek slechts in:

5.

Het eerste lid laat ten aanzien van degene op wie het eerste lid van toepassing is onverlet de toepasselijkheid van de bepalingen van het Wetboek van Strafvordering.

6.

In dit artikel wordt verstaan onder toezichthouder: Onze Minister van Financiën of een persoon aan wie Onze Minister van Financiën bevoegdheden heeft overgedragen op grond van artikel 31, alsmede de toezichthouder, bedoeld in artikel 1 van de Wet toezicht trustkantoren.

Artikel 23
1.

Een instelling en de personen die werkzaam zijn voor een instelling zijn, behoudens voor zover uit deze wet de noodzaak tot bekendmaking voortvloeit, verplicht tot geheimhouding jegens een ieder van:

2.

De instelling die ingevolge artikel 13, onderdeel c, gegevens of inlichtingen verkrijgt, is verplicht tot geheimhouding daarvan.

3.

Een ieder die kennis neemt van gegevens waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat ter zake op een instelling de geheimhoudingsplicht, bedoeld in het eerste of tweede lid, rust, is verplicht tot geheimhouding hiervan, behoudens voor zover uit deze wet de noodzaak tot bekendmaking voortvloeit.

4.

De in het eerste en derde lid bedoelde geheimhoudingsplicht is niet van toepassing op een mededeling gedaan door een instelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 11°, 12°, 13° en 23°, aan een cliënt met als doel deze te doen afzien van een onwettige handeling.

5.

Het eerste lid is niet van toepassing op mededelingen:

6.

Voor de toepassing van het vijfde lid wordt verstaan onder:

Hoofdstuk 4. Bepalingen betreffende toezicht en handhaving

Artikel 24
1.

Bij besluit van Onze Minister van Financiën en Onze Minister van Justitie gezamenlijk kunnen personen worden aangewezen die belast zijn met het toezicht op de naleving door de instellingen van deze wet.

2.

De personen die op grond van het eerste lid belast zijn met het toezicht op de instellingen, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 10° tot en met 15° en 23°, kunnen het toezicht op een risicogeoriënteerde wijze uitoefenen.

3.

De Nederlandsche Bank N.V. en de daartoe bij besluit van De Nederlandsche Bank N.V. aangewezen personen zijn belast met het toezicht op de naleving van de Verordening nr. 2006/1781/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende bij geldovermakingen te voegen informatie over de betaler.

4.

De Stichting Autoriteit Financiële Markten en de daartoe bij besluit van de Stichting Autoriteit Financiële Markten aangewezen personen zijn belast met het toezicht op de naleving van Verordening (EU) nr. 1031/2010 van de Europese Commissie van 12 november 2010 inzake de tijdstippen, het beheer en andere aspecten van de veiling van broeikasgasemissierechten overeenkomstig Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap (PbEU L 302).

5.

In afwijking van het eerste lid zijn belast met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet door notarissen, toegevoegd notarissen en kandidaat-notarissen, de personen die bij of krachtens de Wet op het notarisambt zijn belast met het houden van toezicht op de naleving van het bij of krachtens die wet bepaalde. Artikel 111a, derde lid, van de Wet op het notarisambt is van overeenkomstige toepassing.

6.

In afwijking van het eerste lid zijn belast met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet door advocaten, de personen die bij of krachtens de Advocatenwet zijn belast met het houden van toezicht op de naleving van het bij of krachtens die wet bepaalde. Artikel 45a, derde lid, van de Advocatenwet is van overeenkomstige toepassing.

7.

Van een besluit tot aanwijzing op grond van het eerste lid wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.

8.

Bij ministeriële regeling kunnen banken die deel uitmaken van een groep banken die blijvend is aangesloten bij een centrale kredietinstelling die controle uitoefent op de bedrijfsvoering en uitbesteding van die banken worden vrijgesteld van het toezicht door de Nederlandsche Bank N.V. op de naleving van deze wet, indien de centrale kredietinstelling toezicht houdt op die groep banken en in voldoende mate bevoegd is voor de naleving van deze wet noodzakelijke instructies te geven aan die banken. Aan deze vrijstelling kunnen beperkingen worden gesteld en voorschriften worden verbonden.

Artikel 25

Indien de personen die met wettelijk toezicht op instellingen zijn belast bij de uitoefening van hun taak feiten ontdekken die kunnen duiden op witwassen of financieren van terrorisme, lichten zij, zo nodig in afwijking van de toepasselijke wettelijke geheimhoudingsbepalingen, de Financiële inlichtingen eenheid in.

Artikel 26
1.

Onze Minister van Financiën kan aan instellingen, met uitzondering van advocaten, notarissen, toegevoegd notarissen en kandidaat-notarissen, een last onder dwangsom opleggen ter zake van overtreding van de artikelen 2, 2a, eerste en tweede lid, 3, eerste tot en met vijfde, achtste en tiende lid, 4, eerste lid, tweede lid, tweede volzin, derde lid, tweede volzin, en vierde lid, 5, eerste, tweede en vierde lid, 6, tweede lid, 7, tweede lid, 8, eerste tot en met vijfde en zevende lid, 9, eerste lid, 10, tweede lid, 11, 16, eerste tot en met vijfde lid, 17, tweede lid, 23, eerste tot en met derde lid, 33, 34, en 35 en 38, eerste, tweede en vierde lid, van deze wet, artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht, het bepaalde in Verordening (EG) nr. 2006/1781 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 15 november 2006 betreffende bij geldovermakingen te voegen informatie over de betaler (PbEU L 345) en het bepaalde in Verordening (EU) nr. 1031/2010 van de Europese Commissie van 12 november 2010 inzake de tijdstippen, het beheer en andere aspecten van de veiling van broeikasgasemissierechten overeenkomstig Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap (PbEU L 302), alsmede ter zake van het geen gevolg geven dan wel niet tijdig of onvolledig gevolg geven aan een krachtens artikel 32 gegeven aanwijzing.

2.

De deken, bedoeld in artikel 45g, eerste lid, van de Advocatenwet, kan aan advocaten een last onder dwangsom opleggen ter zake van overtreding van de in het eerste lid bedoelde artikelen.

3.

Het Bureau Financieel Toezicht, bedoeld in artikel 110, eerste lid, van de Wet op het notarisambt, kan aan notarissen, toegevoegd notarissen en kandidaat-notarissen, een last onder dwangsom opleggen ter zake van overtreding van de in het eerste lid bedoelde artikelen.

Artikel 27
1.

Onze Minister van Financiën kan aan instellingen, met uitzondering van advocaten, notarissen, toegevoegd notarissen en kandidaat-notarissen, een bestuurlijke boete opleggen ter zake van overtreding van de artikelen 2, 2a, eerste en tweede lid, 3, eerste tot en met vijfde, achtste en tiende lid, 4, eerste lid, tweede lid, tweede volzin, derde lid, tweede volzin, en vierde lid, 5, eerste, tweede en vierde lid, 6, tweede lid, 7, tweede lid, 8, eerste tot en met vijfde en zevende lid, 9, eerste lid, 10, tweede lid, 11, 16, eerste tot en met vijfde lid, 17, tweede lid, 23, eerste tot en met derde lid, 33, 34, en 35 en 38, eerste, tweede en vierde lid, van deze wet, artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht, het bepaalde in Verordening (EG) nr. 2006/1781 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 15 november 2006 betreffende bij geldovermakingen te voegen informatie over de betaler (PbEU L 345) en het bepaalde in Verordening (EU) nr. 1031/2010 van de Europese Commissie van 12 november 2010 inzake de tijdstippen, het beheer en andere aspecten van de veiling van broeikasgasemissierechten overeenkomstig Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap (PbEU L 302), alsmede ter zake van het geen gevolg geven dan wel niet tijdig of onvolledig gevolg geven aan een krachtens artikel 32 gegeven aanwijzing.

2.

De deken, bedoeld in artikel 45g, eerste lid, van de Advocatenwet, kan aan advocaten een bestuurlijke boete opleggen ter zake van overtreding van de in het eerste lid bedoelde artikelen.

3.

Het Bureau Financieel Toezicht, bedoeld in artikel 110, eerste lid, van de Wet op het notarisambt, kan aan notarissen, toegevoegd notarissen en kandidaat-notarissen, een bestuurlijke boete opleggen ter zake van overtreding van de in het eerste lid bedoelde artikelen.

Artikel 28
1.

Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld in artikel 27, eerste lid.

2.

Het bedrag van de bestuurlijke boete wordt bepaald bij algemene maatregel van bestuur, met dien verstande dat de bestuurlijke boete voor een afzonderlijke overtreding ten hoogste € 4 000 000 bedraagt. Indien tijdens het plegen van de overtreding nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert het opleggen van een bestuurlijke boete aan de overtreder ter zake van eenzelfde overtreding, wordt het bedrag van de bestuurlijke boete, bedoeld in de eerste volzin, voor een afzonderlijke overtreding verdubbeld.

3.

De algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het tweede lid, bepaalt bij elke daarin omschreven overtreding het bedrag van de deswege op te leggen bestuurlijke boete. De overtredingen worden gerangschikt in categorieën naar zwaarte van de overtreding met de daarbij behorende basisbedragen, minimumbedragen en maximumbedragen. Daarbij wordt de volgende indeling gebruikt:

Categorie Basisbedrag Minimumbedrag Maximumbedrag
1 € 10 000,– € 0,– € 10 000,–
2 € 500 000,– € 0,– € 1 000 000,–
3 € 2 000 000,– € 0,– € 4 000 000,–
4.

In afwijking van het tweede en derde lid kan Onze Minister van Financiën de hoogte van de bestuurlijke boete vaststellen op ten hoogste twee keer het bedrag van het voordeel dat de overtreder door de overtreding heeft verkregen indien diens voordeel groter is dan € 2 000 000.

5.

In afwijking van het tweede lid, eerste volzin, en het derde lid, bedraagt de bestuurlijke boete voor een overtreding die is gerangschikt in de derde categorie, bedoeld in het derde lid, indien de boete wordt opgelegd aan een bank of aan een beleggingsonderneming in de zin van verordening kapitaalvereisten, ten hoogste € 5.000.000, of, indien de bank of beleggingsonderneming een rechtspersoon is en indien dat meer is, ten hoogste 10% van de omzet in het voorafgaande boekjaar. Artikel 1:81, vierde en vijfde lid, van de Wet op het financieel toezicht is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 28a

In geval van een overtreding die is gerangschikt in de derde boetecategorie, bedoeld in artikel 28, derde lid, begaan door een bank of door een beleggingsonderneming in de zin van de verordening kapitaalvereisten, zijn de artikelen 1:75, 1:87 en 1:94 van de Wet op het financieel toezicht van overeenkomstige toepassing.

Artikel 28b

Vervallen

Artikel 28c

Vervallen

Artikel 28d

Vervallen

Artikel 28e

Vervallen

Artikel 28f

Vervallen

Artikel 28g

Vervallen

Artikel 29

Onze Minister van Financiën, de deken, bedoeld in artikel 45g, eerste lid, van de Advocatenwet en het Bureau Financieel Toezicht, bedoeld in artikel 110, eerste lid, van de Wet op het notarisambt kunnen de dwangsom en de bestuurlijke boete invorderen bij dwangbevel.

Artikel 30

Vervallen

Artikel 31
1.

De bevoegdheden die Onze Minister van Financiën op grond van dit hoofdstuk heeft kunnen bij algemene maatregel van bestuur worden overgedragen aan personen die ingevolge artikel 24, eerste lid, zijn aangewezen. Alsdan gelden de verplichtingen op grond van dit hoofdstuk jegens Onze Minister van Financiën als verplichtingen jegens de desbetreffende persoon.

2.

Aan de overdracht, bedoeld in het eerste lid, kunnen beperkingen worden gesteld en voorschriften worden verbonden.

Artikel 32

Indien een instelling niet voldoet aan haar verplichtingen op grond van de artikelen 2, 2a, eerste en tweede lid, 3, eerste tot en met vijfde, achtste en tiende lid, 4, eerste lid, tweede lid, tweede volzin, derde lid, tweede volzin, en vierde lid, 5, eerste, tweede en vierde lid, 6, tweede lid, 7, tweede lid, 8, eerste tot en met vijfde en zevende lid, 9, eerste lid, 10, tweede lid, 11, 16, eerste tot en met vijfde lid, 17, tweede lid, 23, eerste tot en met derde lid, 32, 33, 34, 35 en 38, eerste, tweede en vierde lid, van deze wet, artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht, het bepaalde in Verordening (EG) nr. 2006/1781 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 15 november 2006 betreffende bij geldovermakingen te voegen informatie over de betaler (PbEU 2010, L 345) en het bepaalde in Verordening (EU) nr. 1031/2010 van de Europese Commissie van 12 november 2010 inzake de tijdstippen, het beheer en andere aspecten van de veiling van broeikasgasemissierechten overeenkomstig Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap (PbEU 2010, L 302), kan de op grond van artikel 24, eerste lid, aangewezen persoon of de in artikel 24, vijfde of zesde lid, bedoelde persoon door middel van het geven van een aanwijzing de instelling verplichten binnen een door de op grond van artikel 24, eerste lid, aangewezen persoon of de in artikel 24, vijfde of zesde lid, bedoelde persoon gestelde termijn een bepaalde gedragslijn te volgen.

Hoofdstuk 5. Bepalingen met betrekking tot het bewaren van bewijsstukken en training

§ 5.1. Gegevens met betrekking tot cliëntenonderzoek

Artikel 33
1.

Een instelling die op grond van deze wet een persoon heeft geïdentificeerd en zijn identiteit heeft geverifieerd, of bij wie de cliënt is geïntroduceerd conform de procedure van artikel 5, legt op opvraagbare wijze de volgende gegevens vast:

2.

Indien een cliënt handelt als trustee legt een instelling, voor zover van toepassing, tevens op opvraagbare wijze de volgende gegevens vast van de instellers, de trustees en de uiteindelijk belanghebbenden:

3.

Indien een cliënt handelt als vennoot van een personenvennootschap legt een instelling, voor zover van toepassing, tevens op opvraagbare wijze de volgende gegevens vast van de vennoten, de personen bevoegd inzake het beheer van de personenvennootschap en de personen, bedoeld in artikel 3, vierde lid, onderdeel b:

4.

Een instelling bewaart de in het eerste tot en met derde lid bedoelde gegevens op toegankelijke wijze gedurende vijf jaar na het tijdstip van het beëindigen van de zakelijke relatie of tot vijf jaar na het uitvoeren van de desbetreffende transactie.

§ 5.2. Gegevens met betrekking tot een ongebruikelijke transactie

Artikel 34

Een instelling bewaart de gegevens, bedoeld in artikel 16, tweede lid, en legt deze vast, op zodanige wijze dat die gegevens opvraagbaar zijn en de desbetreffende transactie reconstrueerbaar is gedurende vijf jaar na het tijdstip van het doen van de melding.

§ 5.3. Opleiding

Artikel 35

Een instelling draagt er zorg voor dat haar werknemers, voor zover relevant voor de uitoefening van hun taken, bekend zijn met de bepalingen van deze wet en periodiek opleidingen genieten die hen in staat stellen een ongebruikelijke transactie te herkennen en een cliëntenonderzoek goed en volledig uit te voeren.

Hoofdstuk 6. Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 36

De rechtsgeldigheid van een privaatrechtelijke rechtshandeling van een instelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, welke is verricht in strijd met de bij of krachtens deze wet gestelde regels is niet uit dien hoofde aantastbaar.

Artikel 37

Een ontheffing die is verleend op grond van artikel 2, zesde lid, van de Wet identificatie bij dienstverlening, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet op artikel 3, zevende lid.

Artikel 38
1.

Ten aanzien van cliënten die reeds op grond van de Wet identificatie bij dienstverlening zijn geïdentificeerd of ten aanzien van wie geen verplichting tot identificatie op grond van die wet was vereist, alsmede in voorkomende gevallen de trust ten behoeve waarvan zij handelen, verricht een instelling het cliëntenonderzoek, bedoeld in artikel 3, eerste lid, in de navolgende gevallen binnen de daarbij genoemde termijn na een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip:

De artikelen 6, 7 en 8, vierde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.

2.

In afwijking van het eerste lid verricht een instelling in geval van een zakelijke relatie met betrekking tot een levensverzekeringsovereenkomst als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht het cliëntenonderzoek, bedoeld in artikel 3, eerste lid, wanneer een geldelijke uitkering plaatsvindt aan de cliënt.

3.

Gegevens van de in het eerste lid bedoelde personen die reeds op grond van de Wet identificatie bij dienstverlening zijn vastgelegd, worden geacht te zijn vastgelegd ingevolge deze wet.

4.

Onverminderd artikel 8, vierde lid, draagt een instelling er zorg voor dat een persoon als bedoeld in artikel 8, vierde lid, onderdeel a, beslist omtrent het voortzetten van de zakelijke relatie met cliënten als bedoeld in het eerste lid.

Artikel 39

Een last onder dwangsom of een bestuurlijke boete die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet was opgelegd ter zake van overtreding van een voorschrift, gesteld bij of krachtens de Wet identificatie bij dienstverlening of de Wet melding ongebruikelijke transacties, wordt aangemerkt als een last onder dwangsom of een bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 26 onderscheidenlijk 27.

Artikel 40

Op bezwaar of beroep, ingesteld vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet tegen een besluit op grond van de Wet identificatie bij dienstverlening of de Wet melding ongebruikelijke transacties, blijft het recht van toepassing dat gold voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet.

Artikel 41
1.

Met het toezicht op de naleving van de regels, gesteld bij of krachtens de Wet identificatie bij dienstverlening en de Wet melding ongebruikelijke transacties, zijn belast de op grond van artikel 24, eerste lid, aangewezen personen.

2.

De personen die op grond van artikel 24, eerste lid, zijn belast met het toezicht op de naleving van deze wet, kunnen na inwerkingtreding van deze wet tot drie jaren na de dag waarop de overtreding is begaan een bestuurlijke boete opleggen terzake van overtreding van een voorschrift gesteld bij of krachtens de Wet identificatie bij dienstverlening of de Wet melding ongebruikelijke transacties.

3.

Op een bestuurlijke boete als bedoeld in het tweede lid blijft het recht van toepassing dat gold voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet.

Artikel 42

Een aanwijzing die is gegeven op grond van artikel 17u van de Wet melding ongebruikelijke transacties, wordt vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet aangemerkt als een aanwijzing als bedoeld in artikel 32.

Artikel 43

Wijzigt de Wet inzake de geldtransactiekantoren.

Artikel 44

Wijzigt de Wet op de economische delicten.

Artikel 45

Wijzigt de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur.

Artikel 46

Wijzigt de Wet op het Centraal bureau voor de statistiek.

Artikel 47

Wijzigt de Wet toezicht trustkantoren.

Artikel 48

Wijzigt de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen.

Artikel 48a

Wijzigt deze wet.

Artikel 48b

Wijzigt de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

Artikel 48c

Wijzigt de Invorderingswet 1990.

Artikel 48d

Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964.

Artikel 48e

Wijzigt de Arbeidsomstandighedenwet.

Artikel 48f

Wijzigt de Wet arbeid vreemdelingen.

Artikel 49

De Wet identificatie bij dienstverlening en de Wet melding ongebruikelijke transacties worden ingetrokken.

Artikel 50

Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

Artikel 51

Deze wet wordt aangehaald als: Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme.

Bijlage. als bedoeld in artikel 28 van de wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme

Vervallen

Categorie-indeling

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden,

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden,

Artikel 42a

De artikelen 19, 20, 22, 23 en 33 tot en met 35 zijn van overeenkomstige toepassing op een platform voor de veiling van emissierechten.

Bijlage. als bedoeld in artikel 28 van de wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme

Vervallen

Artikel 2a
1.

Ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme verricht een instelling cliëntenonderzoek en meldt zij verrichte of voorgenomen ongebruikelijke transacties overeenkomstig de bij of krachtens de hoofdstukken 2 en 3 gestelde regels. Daarbij besteedt een instelling bijzondere aandacht aan ongebruikelijke transactiepatronen en aan transacties die naar hun aard een hoger risico op witwassen of financieren van terrorisme met zich brengen.

2.

Een instelling treft adequate maatregelen ter voorkoming van risico’s op witwassen en financieren van terrorisme die kunnen ontstaan door het gebruik van nieuwe technologieën in het economisch verkeer.

Hoofdstuk 2. Bepalingen betreffende cliëntenonderzoek

§ 2.1. Cliëntenonderzoek

§ 2.2. Vereenvoudigd cliëntenonderzoek

§ 2.3. Verscherpt cliëntenonderzoek

§ 2.4. Uitbesteding van cliëntenonderzoek

§ 2.5. Documenten die voor de verificatie van de identiteit gebruikt kunnen worden

Hoofdstuk 3. Bepalingen betreffende het melden van ongebruikelijke transacties

§ 3.1. De Financiële inlichtingen eenheid

§ 3.2. De Meldingsplicht

§ 3.3. Vrijwaring

§ 3.4. De Commissie inzake de meldingsplicht ongebruikelijke transacties

§ 3.5. Geheimhouding

Hoofdstuk 4. Bepalingen betreffende toezicht en handhaving

Hoofdstuk 5. Bepalingen met betrekking tot het bewaren van bewijsstukken en training

§ 5.1. Gegevens met betrekking tot cliëntenonderzoek

§ 5.2. Gegevens met betrekking tot een ongebruikelijke transactie

§ 5.3. Opleiding

Hoofdstuk 6. Overgangs- en slotbepalingen

Bijlage. als bedoeld in artikel 28 van de wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme

Vervallen

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden,