← Geldende tekst · Geschiedenis

Wet van 29 december 2008 tot vaststelling van een nieuwe Mediawet (Mediawet 2008)

Geldende tekst a fecha 2008-01-01

Allen die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de taakopdracht van de publieke omroep te wijzigen in het licht van ontwikkelingen in technologie, media-aanbod, mediaproductie, distributie en mediagebruik, de reclameregels voor commerciële omroepen te versoepelen en andere noodzakelijke aanpassingen te doen; dat het verder wenselijk is de Mediawet te moderniseren en technisch aan te passen en dat het daarom wenselijk is een nieuwe Mediawet vast te stellen;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen en reikwijdte

Hoofdstuk 2. Publieke mediadiensten

Titel 2.1. Publieke mediaopdracht

Titel 2.2. Landelijke publieke mediadienst

Titel 2.3. Regionale en lokale publieke mediadiensten

Titel 2.4. Wereldomroep

Titel 2.5. Nadere voorschriften media-aanbod publieke mediadiensten

Titel 2.6. Bekostiging publieke mediadiensten

Afdeling 2.6.1. Algemene bekostigingsaanspraak

Artikel 2.143
1.

De publieke media-instellingen voorzien op onafhankelijke wijze in de uitvoering van de publieke mediaopdracht en hebben daarvoor op de wijze zoals geregeld in deze wet aanspraak op bekostiging uit ’s Rijks kas die een kwalitatief hoogwaardig media-aanbod mogelijk maakt en waardoor continuïteit van financiering gewaarborgd is.

2.

Voor de bekostiging van de uitvoering van de publieke mediaopdracht en ter bestrijding van de overige kosten, bedoeld in artikel 2.146, worden onder de naam «rijksmediabijdrage» jaarlijks gelden beschikbaar gesteld door Onze Minister.

Artikel 2.144
1.

De rijksmediabijdrage bestaat ten minste uit een bedrag van € 577,093 miljoen, gebaseerd op de in het jaar 1998 door de Dienst omroepbijdragen op grond van de toen geldende wettelijke bepalingen aan Onze Minister afgedragen inkomsten en de mutaties in de rijksbegroting vanaf dat moment. Dit bedrag wordt vermeerderd met € 47,179 miljoen.

2.

Het bedrag van de rijksmediabijdrage wordt jaarlijks bijgesteld overeenkomstig:

Artikel 2.145

Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden

Artikel 2.146

Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden

Afdeling 2.6.2. Bekostiging landelijke publieke mediadienst

Afdeling 2.6.3. Bekostiging Wereldomroep

Afdeling 2.6.4. Algemene mediareserve

Afdeling 2.6.5. Bekostiging regionale publieke mediadiensten

Afdeling 2.6.6. Financiële verantwoording landelijke publieke mediadienst en Wereldomroep

Afdeling 2.6.7. Omroeporkesten, omroepkoren, muziekbibliotheek en media-archief

Titel 2.7. Evaluatie

Hoofdstuk 3. Commerciële omroepdiensten

Hoofdstuk 4. Bescherming jeugdigen

Hoofdstuk 5. Evenementen van aanzienlijk belang voor de samenleving

Hoofdstuk 6. Bijzondere bepalingen over politieke partijen, overheid, beperkte omroepdiensten, omroepzenders, omroepnetwerken en frequentieruimte

Titel 6.1. Politieke partijen en overheid

Titel 6.2. Toestemming omroepdiensten voor bijzondere doelen

Titel 6.3. Omroepzenders, omroepnetwerken en frequentieruimte

Titel 6.4. Buitengewone omstandigheden en omroepdiensten voor buitenlandse militairen

Artikel 6.26
1.

Bij algemene maatregel van bestuur worden, op voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, na overleg met Onze Minister, regels gesteld op grond waarvan in geval van buitengewone omstandigheden het gebruik van programmakanalen van de publieke mediadiensten, studio’s en andere faciliteiten, omroepzenders, omroepnetwerken en andere hulpmiddelen ter beschikking worden gesteld aan de bij of krachtens die algemene maatregel van bestuur aangewezen autoriteiten.

2.

Dit lid is nog niet in werking getreden; ingeval buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken kan bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, dit lid in werking treden.

Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, is bevoegd in de algemene noodtoestand, na overleg met Onze Minister, regels te stellen ten aanzien van de inhoud van radio- en televisieprogramma’s en het toezicht daarop, waarbij kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 7.11.

3.

De in het tweede lid bedoelde bevoegdheid wordt onverwijld beëindigd zodra artikel 31, eerste lid, van de Oorlogswet voor Nederland in werking wordt gesteld.

Artikel 6.27

Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden

Hoofdstuk 7. Toezicht en bestuursrechtelijke handhaving

Hoofdstuk 8. De pers

Hoofdstuk 9. Overgangs- en slotbepalingen

Titel 9.1. Overgangsbepalingen

Artikel 9.1

In afwijking van artikel 2.144, eerste lid, tweede volzin, bedraagt de vermeerdering van de rijksmediabijdrage:

Artikel 9.2

Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden

Artikel 9.3

Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden

Artikel 9.4

Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden

Artikel 9.5

Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden

Artikel 9.6

Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden

Titel 9.2. Wijziging van andere wetten

Titel 9.3. Slotbepalingen

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.