← Geldende tekst · Geschiedenis

Wet van 29 december 2008 tot vaststelling van een nieuwe Mediawet (Mediawet 2008)

Geldende tekst a fecha 2022-01-01

Allen die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de taakopdracht van de publieke omroep te wijzigen in het licht van ontwikkelingen in technologie, media-aanbod, mediaproductie, distributie en mediagebruik, de reclameregels voor commerciële omroepen te versoepelen en andere noodzakelijke aanpassingen te doen; dat het verder wenselijk is de Mediawet te moderniseren en technisch aan te passen en dat het daarom wenselijk is een nieuwe Mediawet vast te stellen;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen en reikwijdte

Hoofdstuk 2. Publieke mediadiensten

Titel 2.1. Publieke mediaopdracht

Titel 2.2. Landelijke publieke mediadienst

Titel 2.1. Publieke mediaopdracht

Titel 2.4. Wereldomroep

Titel 2.2. Landelijke publieke mediadienst

Titel 2.6. Bekostiging publieke mediadiensten

Afdeling 2.6.1. Algemene bekostigingsaanspraak

Artikel 2.143
1.

De NPO, de RPO en de publieke media-instellingen voorzien op onafhankelijke wijze in de uitvoering van de publieke mediaopdracht en hebben daarvoor op de wijze zoals geregeld in deze wet aanspraak op bekostiging uit ’s Rijks kas die een kwalitatief hoogwaardig media-aanbod mogelijk maakt en waardoor continuïteit van financiering gewaarborgd is.

2.

Voor de bekostiging van de uitvoering van de publieke mediaopdracht en ter bestrijding van de overige kosten, bedoeld in artikel 2.146, worden onder de naam «rijksmediabijdrage» jaarlijks gelden beschikbaar gesteld door Onze Minister.

Artikel 2.144
1.

De rijksmediabijdrage bestaat ten minste uit een bedrag dat voor het jaar 2019 855,002 miljoen euro bedraagt.

2.

Het bedrag van de rijksmediabijdrage wordt jaarlijks bijgesteld overeenkomstig:

Artikel 2.145

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de toepassing van de artikelen 2.143, tweede lid, en 2.144.

Artikel 2.146

De rijksmediabijdrage en de inkomsten van de Ster dienen ter bestrijding van de kosten verbonden aan:

Afdeling 2.6.2. Bekostiging landelijke publieke mediadienst

Afdeling 2.6.3. Bekostiging Wereldomroep

Afdeling 2.6.4. Algemene mediareserve

Afdeling 2.6.5. Bekostiging regionale publieke mediadiensten

Afdeling 2.6.6. Financiële verantwoording landelijke publieke mediadienst en Wereldomroep

Afdeling 2.6.7. Omroeporkesten, omroepkoren, muziekbibliotheek en media-archief

Titel 2.7. Evaluatie

Hoofdstuk 3. Commerciële omroepdiensten

Hoofdstuk 4. Bescherming jeugdigen

Hoofdstuk 5. Evenementen van aanzienlijk belang voor de samenleving

Hoofdstuk 6. Bijzondere bepalingen over politieke partijen, overheid, beperkte omroepdiensten, omroepzenders, omroepnetwerken en frequentieruimte

Titel 6.1. Politieke partijen en overheid

Titel 6.2. Toestemming omroepdiensten voor bijzondere doelen

Titel 6.3. Omroepzenders, omroepnetwerken en frequentieruimte

Titel 6.4. Buitengewone omstandigheden en omroepdiensten voor buitenlandse militairen

Artikel 6.26
1.

Bij algemene maatregel van bestuur worden, op voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, na overleg met Onze Minister, regels gesteld op grond waarvan in geval van buitengewone omstandigheden het gebruik van programmakanalen van de publieke mediadiensten, studio’s en andere faciliteiten, omroepzenders, omroepnetwerken en andere hulpmiddelen ter beschikking worden gesteld aan de bij of krachtens die algemene maatregel van bestuur aangewezen autoriteiten.

2.

Dit lid is nog niet in werking getreden; ingeval buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken kan bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, dit lid in werking treden.

Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, is bevoegd in de algemene noodtoestand, na overleg met Onze Minister, regels te stellen ten aanzien van de inhoud van radio- en televisieprogramma’s en het toezicht daarop, waarbij kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 7.11.

3.

De in het tweede lid bedoelde bevoegdheid wordt onverwijld beëindigd zodra artikel 31, eerste lid, van de Oorlogswet voor Nederland in werking wordt gesteld.

Artikel 6.27

In geval van rampen of crises als bedoeld in artikel 1 van de Wet veiligheidsregio’s, bieden mediadiensten het audiovisuele media-aanbod bestaande uit informatie bedoeld in artikel 46, tweede lid, van de wet veiligheidsregio’s, in samenwerking met het bestuur van de veiligheidsregio’s zoveel mogelijk op een voor personen met een auditieve of visuele beperking toegankelijke wijze aan.

Hoofdstuk 7. Toezicht en bestuursrechtelijke handhaving

Hoofdstuk 8. De pers

Hoofdstuk 9. Overgangs- en slotbepalingen

Titel 9.1. Overgangsbepalingen

Artikel 9.1

In afwijking van artikel 2.144, eerste lid, tweede volzin, bedraagt de vermeerdering van de rijksmediabijdrage:

Artikel 9.2

De artikelen 2.94, tweede lid, onderdeel b, en 3.7, tweede lid, onderdeel b, zijn tot één jaar na het tijdstip waarop deze wet in werking treedt niet van toepassing op de verspreiding van reclame- en telewinkelboodschappen ter uitvoering van overeenkomsten met adverteerders die zijn aangegaan vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet.

Artikel 9.3

Hoofdstuk VII van de Mediawet zoals die wet luidde op de dag voorafgaande aan het tijdstip waarop deze wet in werking treedt, blijft tot 1 januari 2011 van kracht, met dien verstande dat de in de artikelen 89 en 90 van genoemd hoofdstuk bedoelde gelden ter beschikking worden gesteld aan de raad van bestuur.

Artikel 9.4
1.

Concessies, erkenningen, zendtijdtoewijzingen, toestemmingen en ontheffingen die zijn verleend op grond van de Mediawet zoals die wet luidde op de dag voorafgaande aan het tijdstip waarop deze wet in werking treedt, worden geacht te zijn verleend op grond van deze wet voor de duur waarvoor zij zijn gegeven.

2.

Benoemingen op grond van de Mediawet zoals die wet luidde op de dag voorafgaande aan het tijdstip waarop deze wet in werking treedt, worden geacht te zijn geschied op grond van deze wet voor de duur van de benoemingstermijn.

Artikel 9.5

Voor overtredingen van het bepaalde bij of krachtens de Mediawet zoals die wet luidde op de dag voorafgaande aan het tijdstip waarop deze wet in werking treedt, en ten aanzien van voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet aangevangen bezwaar- en beroepsprocedures blijft de Mediawet zoals die wet luidde op de dag voorafgaande aan het tijdstip waarop deze wet in werking treedt, van toepassing.

Artikel 9.6

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen tot twee jaar na het tijdstip waarop deze wet in werking treedt, in gevallen waarin deze wet niet voorziet, regels worden gesteld met betrekking tot de invoering van artikelen van deze wet of onderdelen daarvan.

Titel 9.2. Wijziging van andere wetten

Titel 9.3. Slotbepalingen

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 1.1
1.

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

2.

Onder reclameboodschap als bedoeld in het eerste lid wordt niet verstaan het oproepen tot steun aan of het gunstig stemmen ten aanzien van instellingen met een wetenschappelijk, cultureel, godsdienstig, levensbeschouwelijk, politiek of liefdadig karakter, voor zover dat geen betrekking heeft op het kopen van een bepaald product of het gebruik maken van een bepaalde dienst die in de handel verkrijgbaar is.

Artikel 1.2
1.

Onder de bevoegdheid van Nederland vallen publieke of commerciële media-instellingen die krachtens artikel 2 van de Europese richtlijn onder die Nederlandse bevoegdheid vallen.

2.

Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een instelling die radioprogramma’s verzorgt, met dien verstande dat in ieder geval onder de bevoegdheid van Nederland valt een instelling die radioprogramma’s verzorgt die in Nederland door middel van een omroepzender, satelliet daaronder niet begrepen, worden verspreid.

Hoofdstuk 2. Publieke mediadiensten

Artikel 2.1
1.

Er is een publieke mediaopdracht die bestaat uit:

2.

Publieke mediadiensten zijn in overeenstemming met publieke waarden, waarbij zij voorzien in democratische, sociale en culturele behoeften van de Nederlandse samenleving. Zij verzorgen daartoe media-aanbod dat:

3.

Het programma-aanbod van de algemene programmakanalen van de landelijke, regionale en lokale publieke mediadiensten wordt via omroepzenders verspreid naar alle huishoudens in het verzorgingsgebied waarvoor de programma’s zijn bestemd zonder dat zij voor de ontvangst andere kosten moeten betalen dan de kosten van aanschaf en gebruik van technische voorzieningen die de ontvangst mogelijk maken.

Afdeling 2.2.1. Stichting Nederlandse Publieke Omroep

Paragraaf 2.2.1.1. Taken

Artikel 2.2
1.

De Stichting Nederlandse Publieke Omroep is het sturings- en samenwerkingsorgaan voor de uitvoering van de publieke mediaopdracht op landelijk niveau, bedoeld in artikel 2.1.

2.

Naast de andere taken die de NPO heeft op grond van deze wet, is zij belast met:

3.

Bij de uitvoering van haar taken stuurt de NPO en bevordert zij de samenwerking vanuit de kwantitatieve en kwalitatieve doelstellingen voor het media-aanbod en het publieksbereik van de landelijke publieke mediadienst, vervat in het concessiebeleidsplan, de prestatieovereenkomst, bedoeld in artikel 2.22, de profielen van de aanbodkanalen, de afspraken, bedoeld in artikel 2.55, de regeling, bedoeld in artikel 2.57, en de begroting, bedoeld in artikel 2.147, en neemt zij bij de verzorging van het media-aanbod door de landelijke publieke media-instellingen artikel 2.88 in acht.

Artikel 2.3
1.

De NPO kan in het kader van haar taak, bedoeld in artikel 2.2, tweede lid, onderdeel f, in naam van de gezamenlijke landelijke publieke media-instellingen overeenkomsten met derden aangaan.

2.

De NPO stelt in het kader van haar taak, bedoeld in artikel 2.2, tweede lid, onderdeel f, een gedragscode op ter bevordering van goed bestuur en integriteit bij de NPO, de landelijke publieke media-instellingen en de Ster.

3.

De gedragscode omvat in elk geval:

4.

Het beloningskader, bedoeld in het derde lid, onderdeel b, voor zover dat betrekking heeft op medewerkers die buiten de van toepassing zijnde collectieve arbeidsovereenkomst een beloning ontvangen, behoeft de goedkeuring van Onze Minister. Voor zover Onze Minister goedkeuring daaraan onthoudt of als de NPO nalatig blijft bij het vaststellen van een beloningskader, bepaalt hij de inhoud van het beloningskader. De NPO stelt vervolgens het beloningskader vast overeenkomstig de inhoud, bedoeld in de vorige volzin.

5.

De gedragscode wordt nageleefd door de NPO en de landelijke publieke media-instellingen.

Paragraaf 2.2.1.2. Organisatie

Artikel 2.4

De organen van de NPO zijn een raad van toezicht, een raad van bestuur en een college van omroepen.

Artikel 2.5
1.

De raad van toezicht bestaat uit een voorzitter en ten hoogste zes andere leden die op voordracht van Onze Minister bij koninklijk besluit worden benoemd, geschorst en ontslagen.

2.

Bij een vacature stelt de raad van toezicht profielschetsen voor de vacature en voor de raad als geheel op waarover hij in ieder geval de raad van bestuur, het college van omroepen, de representatieve maatschappelijke adviesraad, bedoeld in artikel 2.10, tweede lid, onderdeel i, en de gezamenlijke ondernemingsraden van de NPO, de NOS, de NTR en de omroeporganisaties die een erkenning als bedoeld in artikel 2.23, eerste lid, hebben verkregen, in de gelegenheid stelt binnen een redelijke termijn zienswijzen te geven.

3.

Na betrekking van de zienswijzen stelt de raad van toezicht de profielschetsen vast en maakt deze openbaar.

4.

Voor de selectie van kandidaten stelt de raad van toezicht een onafhankelijke benoemingsadviescommissie in. De benoemingsadviescommissie adviseert de raad van toezicht.

5.

De raad van toezicht geeft een zwaarwegend advies aan Onze Minister voor de voordracht, bedoeld in het eerste lid.

6.

Het advies, bedoeld in het vijfde lid, is gemotiveerd, waarbij in elk geval wordt ingegaan op de geschiktheid, de profielschetsen, de positie van de kandidaat in het rooster van aftreden en de procedure die heeft geleid tot het advies.

7.

Onze Minister neemt het advies over, tenzij het in strijd is met:

8.

Indien Onze Minister het advies niet overneemt, verzoekt hij onder opgave van een schriftelijke motivering de raad van toezicht ervoor te zorgen dat tot een nieuw advies wordt gekomen en informeert hij de Tweede Kamer dat een advies niet is overgenomen en de grond hiervoor.

9.

Ten behoeve van de ondersteuning bij het opstellen van de profielschetsen door de raad van toezicht en de selectie van kandidaten door de benoemingsadviescommissie, schakelt de raad van toezicht een wervingsadviesbureau in.

10.

Voor een van de andere leden als bedoeld in het eerste lid kunnen de gezamenlijke ondernemingsraden van de NPO, de NOS, de NTR en de omroeporganisaties die een erkenning als bedoeld in artikel 2.23, eerste lid, hebben verkregen, personen voor benoeming aanbevelen aan de benoemingsadviescommissie.

11.

Benoeming geschiedt voor vijf jaar en herbenoeming voor een aansluitende periode is eenmaal mogelijk.

Artikel 2.6
1.

Het lidmaatschap van de raad van toezicht is onverenigbaar met:

2.

Schorsing en ontslag zijn mogelijk wegens:

3.

Ontslag is verder mogelijk op eigen verzoek.

4.

De leden van de raad van toezicht ontvangen van de NPO een door Onze Minister vast te stellen vergoeding.

Artikel 2.7
1.

De raad van toezicht is belast met het toezicht op:

2.

De raad van toezicht staat de raad van bestuur met advies ter zijde.

3.

De raad van toezicht is verder belast met:

4.

Bij de uitvoering van zijn taak neemt de raad van toezicht het gemeenschappelijke belang van de landelijke publieke mediadienst in acht, werkt de raad met gevoel voor het krachtenveld waarin de landelijke publieke mediadienst functioneert en houdt de raad rekening met de belangen van de landelijke publieke media-instellingen.

5.

De raad van bestuur verstrekt de raad van toezicht tijdig de informatie die de raad van toezicht nodig heeft voor de uitvoering van zijn taak.

6.

De raad van toezicht stelt een rooster van aftreden voor zijn leden op waarin wordt voorzien dat de leden niet allen gelijktijdig aftreden.

Artikel 2.8
1.

De raad van bestuur bestaat uit een voorzitter en ten hoogste twee andere leden die worden benoemd, geschorst en ontslagen door de raad van toezicht.

2.

Benoeming geschiedt voor vijf jaar en herbenoeming voor een aansluitende periode is eenmaal mogelijk.

Artikel 2.9
1.

Op het lidmaatschap van de raad van bestuur is artikel 2.6, eerste lid, aanhef en onderdelen a en c tot en met h, van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat artikel 2.6, eerste lid, onderdeel c, niet van overeenkomstige toepassing is op het lidmaatschap van een orgaan van de Ster.

2.

De leden van de raad van bestuur zijn in dienst van de NPO. De raad van toezicht stelt hun arbeidsvoorwaarden vast.

4.

Een lid van de raad van bestuur kan niet na beëindiging van dat lidmaatschap voor een aansluitende periode worden benoemd als lid van de raad van toezicht.

Artikel 2.10
1.

De raad van bestuur bestuurt de NPO.

2.

Naast de andere taken en bevoegdheden die de raad van bestuur heeft op grond van deze wet, is hij belast met:

3.

De raad van bestuur is verder belast met datgene wat niet uitdrukkelijk tot de taken of bevoegdheden van de raad van toezicht behoort.

Artikel 2.11
1.

De volgende besluiten van de raad van bestuur behoeven de instemming van de raad van toezicht:

2.

De verdere werkwijze van de raad van toezicht en de raad van bestuur wordt geregeld in de statuten en reglementen van de NPO.

Artikel 2.12
1.

Het college van omroepen adviseert de raad van toezicht en de raad van bestuur desgevraagd of uit eigen beweging over het beleid inzake het media-aanbod van de landelijke publieke mediadienst.

2.

Het college van omroepen is zodanig samengesteld dat de omroeporganisaties die een erkenning als bedoeld in artikel 2.23, eerste lid, hebben verkregen, de omroepverenigingen die een voorlopige erkenning als bedoeld in artikel 2.23, tweede lid, hebben verkregen, de NOS en de NTR daarin elk één lid benoemen.

Artikel 2.13
1.

Het lidmaatschap van het college van omroepen is onverenigbaar met het lidmaatschap van een redactie als bedoeld in artikel 2.56.

2.

Het college wijst uit zijn midden de voorzitter aan en regelt zijn eigen werkwijze.

Artikel 2.14
1.

De raad van bestuur vraagt het college van omroepen om advies voordat hij:

2.

De raad van bestuur stelt het college van omroepen een redelijke termijn voor het geven van het advies. Het uitblijven van het advies van het college staat aan het aangaan van een overeenkomst of het nemen van een besluit door de raad van bestuur niet in de weg.

3.

Als uit het advies blijkt dat het college niet instemt met een voorgenomen overeenkomst of een voorgenomen besluit dan wel belangrijke onderdelen daarvan en de raad van bestuur wenst zijn voornemen ongewijzigd te handhaven, kan de raad van bestuur het college in de gelegenheid stellen daarover te worden gehoord binnen een door de raad van bestuur te stellen redelijke termijn. De raad van bestuur doet dat in ieder geval indien het een voorgenomen besluit of een voorgenomen overeenkomst betreft als bedoeld in artikel 2.10, tweede lid, onderdeel e, respectievelijk f.

4.

Indien de raad van bestuur na toepassing van het derde lid zijn voornemen ongewijzigd heeft gehandhaafd, legt hij de voorgenomen overeenkomst of het vastgestelde besluit ter instemming voor aan de raad van toezicht. De raad van bestuur motiveert daarbij waarom hij de voorgenomen overeenkomst ongewijzigd wil handhaven, respectievelijk het voorgenomen besluit ongewijzigd heeft vastgesteld.

5.

Alvorens de raad van toezicht besluit over instemming met een voorgenomen overeenkomst of vastgesteld besluit kan hij het college in de gelegenheid stellen daarover te worden gehoord binnen een door de raad van toezicht te stellen redelijke termijn. De raad van toezicht doet dat in ieder geval indien het een vastgesteld besluit of een voorgenomen overeenkomst betreft als bedoeld in artikel 2.10, tweede lid, onderdeel e, respectievelijk f.

Paragraaf 2.2.1.3. Informatieverstrekking, taakverwaarlozing, bestuursverslag en statuten

Artikel 2.15
1.

De NPO verstrekt Onze Minister desgevraagd alle inlichtingen met betrekking tot de werkzaamheden van de NPO.

2.

Onze Minister kan inzage verlangen in zakelijke gegevens en bescheiden van de NPO voor zover dat voor de vervulling van zijn taak nodig is.

Artikel 2.16
1.

Als de NPO naar de mening van Onze Minister zijn taken ernstig verwaarloost, kan Onze Minister na overleg met de NPO de noodzakelijke voorzieningen treffen.

2.

Onze Minister stelt de Tweede Kamer der Staten-Generaal onverwijld in kennis van de door hem getroffen voorzieningen.

Artikel 2.17
1.

De NPO stelt jaarlijks vóór 1 juni een bestuursverslag over het afgelopen kalenderjaar vast.

2.

In het bestuursverslag wordt aandacht besteed aan de werkzaamheden van de NPO, het gevoerde beleid in het algemeen en de doelmatigheid en doeltreffendheid van de werkwijze in het bijzonder.

3.

De NPO zendt het verslag aan Onze Minister en maakt het openbaar.

Artikel 2.18
1.

Wijzigingen in de statuten van de NPO behoeven de instemming van Onze Minister.

2.

De raad van toezicht en de raad van bestuur kunnen niet besluiten tot ontbinding van de NPO.

Paragraaf 2.2.1.4. Concessie, beleidsplan en prestatieovereenkomst

Artikel 2.19
1.

Voor de verwezenlijking van de publieke mediaopdracht op landelijk niveau wordt bij koninklijk besluit aan de NPO een concessie verleend.

2.

De concessie geldt voor tien jaar en treedt in werking met ingang van een in het koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

3.

Voor de toepassing van de artikelen 2.20 en 2.29 bestaat de concessieperiode uit twee perioden van vijf jaar.

Artikel 2.20
1.

Voorafgaand aan de concessieverlening en vóór aanvang van de tweede periode van vijf jaar van de concessieperiode dient de NPO een concessiebeleidsplan voor de komende vijf jaar in bij Onze Minister.

2.

Het concessiebeleidsplan bevat in elk geval:

3.

Bij ministeriële regeling kunnen regels gesteld worden over de inrichting van het concessiebeleidsplan en het tijdstip van indiening.

4.

De raad van bestuur stelt het concessiebeleidsplan vast na overleg met in elk geval de landelijke publieke media-instellingen en, voor zover het de samenwerking betreft, de betrokken regionale en lokale publieke media-instellingen.

Artikel 2.21
1.

De NPO maakt het concessiebeleidsplan openbaar.

2.

Over het concessiebeleidsplan vraagt Onze Minister advies aan het Commissariaat en de Raad voor cultuur. Bij toepassing van het vierde lid wordt het advies gevraagd na afloop van de termijn, genoemd in dat lid, onder a. Het advies heeft in elk geval betrekking op de wijze waarop in het concessiebeleidsplan vorm wordt gegeven aan de pluriformiteit van het media-aanbod.

3.

Het concessiebeleidsplan behoeft de instemming van Onze Minister voor zover het betreft de onderwerpen, bedoeld in artikel 2.20, tweede lid, onderdelen b en c, waarbij de instemming geschiedt in overeenstemming met het bepaalde in de Telecommunicatiewet.

4.

Voor zover de instemming, bedoeld in het derde lid, betrekking heeft op een nieuw of significant gewijzigd aanbodkanaal:

5.

Bij toepassing van het vierde lid maken het Commissariaat, de Raad voor cultuur en de Autoriteit Consument en Markt ten behoeve van hun adviezen dan wel rapportage gebruik van de zienswijzen, bedoeld in dat lid, onder a. Onze Minister doet die zienswijzen aan hen toekomen.

6.

Het Commissariaat kan de Autoriteit Consument en Markt de gegevens verstrekken die noodzakelijk zijn voor de analyse, bedoeld in het vierde lid, aanhef en onder b.

7.

Op de voorbereiding van een besluit over instemming als bedoeld in het vierde lid is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.

8.

Als de NPO wijzigingen wil aanbrengen in het door Onze Minister goedgekeurde deel van het concessiebeleidsplan, neemt zij die op in de begroting. Het eerste tot en met zevende lid zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2.22
1.

Mede op basis van het concessiebeleidsplan sluiten Onze Minister en de NPO een prestatieovereenkomst voor de duur van het concessiebeleidsplan.

2.

De prestatieovereenkomst bevat afspraken over:

3.

De prestatieovereenkomst heeft geen betrekking op de inhoud van het media-aanbod van de landelijke publieke mediadienst.

Paragraaf 2.2.1.5. Media-aanbod

Artikel 2.23
1.

Onze Minister kan eens in de vijf jaar aan ten hoogste zes omroeporganisaties erkenningen verlenen voor de verzorging van media-aanbod voor de landelijke publieke mediadienst volgens de bepalingen van deze afdeling. Een omroeporganisatie is een omroepvereniging als bedoeld in artikel 2.24 of een samenwerkingsomroep als bedoeld in artikel 2.24a.

2.

Onze Minister kan eens in de vijf jaar voorlopige erkenningen verlenen aan omroepverenigingen voor de verzorging van media-aanbod voor de landelijke publieke mediadienst volgens de bepalingen van deze afdeling.

Afdeling 2.2.2. Omroepverenigingen en een educatieve media-instelling

Artikel 2.24
1.

Een omroepvereniging is een vereniging die:

2.

Het in het eerste lid, onderdeel e, genoemde bedrag kan bij algemene maatregel van bestuur naar aanleiding van de door het Centraal Bureau voor de Statistiek vastgestelde consumentenprijsindex worden aangepast.

Artikel 2.25
1.

Voor een erkenning komt slechts in aanmerking een omroeporganisatie:

2.

De hoogte van het saldo, bedoeld in het eerste lid, wordt aangetoond door overlegging van de jaarrekening, bedoeld in artikel 2.171, tweede lid, die vergezeld gaat van een verklaring van een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.

3.

In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, kan ook in aanmerking komen voor een erkenning een samenwerkingsomroep waarin zijn vertegenwoordigd:

Artikel 2.26
1.

Voor een voorlopige erkenning komt slechts in aanmerking een omroepvereniging die:

2.

Artikel 2.25, tweede lid, is van toepassing.

Artikel 2.27
1.

Het Commissariaat stelt het aantal leden per omroeporganisatie die een aanvraag voor een erkenning of voorlopige erkenning heeft ingediend vast op een peildatum die door Onze Minister wordt bepaald. Bij een samenwerkingsomroep wordt het aantal leden bepaald door het totaal aantal leden van de omroepverenigingen die hij vertegenwoordigt.

2.

Als lid tellen mee personen die:

3.

Het Commissariaat bepaalt de wijze waarop de vaststelling van het aantal leden gebeurt en de aanvrager verstrekt aan het Commissariaat alle gegevens die het daarvoor nodig acht.

Artikel 2.28

Vervallen

Artikel 2.29
1.

Een erkenning of een voorlopige erkenning wordt op aanvraag verleend en geldt voor een periode van vijf jaar die samenvalt met een vijfjaarlijkse periode van de concessie als bedoeld in artikel 2.19, derde lid, en vervalt van rechtswege na afloop van de erkenningperiode.

2.

Een erkenning kan alleen overgaan met toestemming van Onze Minister op aanvraag van de omroeporganisatie waaraan deze is verleend, en alleen aan een omroeporganisatie die door fusie is gevormd overeenkomstig artikel 2.25, eerste lid, aanhef en onderdeel a, onder 2°, 3° of 4°. Aan een toestemming kunnen voorwaarden worden verbonden. Artikel 2.32, eerste lid, wat betreft de artikelen 2.24 en 2.24a, en tweede lid, onderdelen a en c, is van overeenkomstige toepassing.

3.

Een erkenning of voorlopige erkenning geeft aanspraak op een financiële bijdrage voor de verzorging van media-aanbod volgens het bepaalde bij of krachtens deze wet.

4.

Door overgang van een erkenning treedt de verkrijgende omroeporganisatie in alle uit de wet voortvloeiende rechten en verplichtingen van haar rechtsvoorganger.

Artikel 2.30
1.

Een aanvraag voor een erkenning of voorlopige erkenning bevat de statuten van de aanvrager en een beleidsplan.

2.

Het beleidsplan is afgestemd op het concessiebeleidsplan voor dezelfde periode en bevat in elk geval:

3.

Het deel van het beleidsplan dat betrekking heeft op samenwerking kan door de desbetreffende aanvragers gezamenlijk worden ingediend.

4.

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over:

5.

Aangaande eenzelfde omroepvereniging kan slechts een aanvraag worden toegewezen.

Artikel 2.31
1.

Voordat Onze Minister besluit over het verlenen van een erkenning of voorlopige erkenning vraagt hij de Raad voor cultuur, het Commissariaat en de NPO binnen een door hem te stellen termijn te adviseren over een aanvraag.

2.

Het uitblijven van een advies staat aan het nemen van een besluit over het verlenen van een erkenning of voorlopige erkenning niet in de weg.

3.

Als een aanvraag is ingediend door een omroepvereniging als bedoeld in artikel 2.25, derde lid, onderdeel b, bevat het advies een concreet voorstel voor het samengaan van deze aanvrager met een of meer andere aanvragers, gericht op de totstandkoming van een samenwerkingsomroep. De mate waarin aanvragers kunnen bijdragen aan de uitvoering van de publieke mediaopdracht op landelijk niveau met inachtneming van hun in het media-aanbod te weerspiegelen identiteit, is bepalend voor de inhoud van het voorstel.

4.

Als het advies een voorstel als bedoeld in het derde lid bevat, stelt Onze Minister na overweging van het advies, de betreffende aanvragers in de gelegenheid als samenwerkingsomroep gezamenlijk een nieuwe aanvraag in te dienen. Artikel 2.30 en het eerste lid zijn van toepassing.

Artikel 2.32
1.

Onze Minister wijst een aanvraag voor een erkenning of een voorlopige erkenning af als de aanvrager niet voldoet aan de artikelen 2.24, 2.24a, 2.25, eerste lid, onderdelen a, b en d, en derde lid, of 2.26, eerste lid, onderdelen a, b, en d tot en met g.

2.

Onze Minister kan een aanvraag afwijzen als:

3.

Onze Minister kan daarnaast een aanvraag afwijzen als de aanvraag niet uitgaat van een voorstel als bedoeld in artikel 2.31, derde lid.

Artikel 2.33
1.

Onze Minister trekt een erkenning of een voorlopige erkenning in als een instelling niet meer voldoet aan de artikelen 2.24, 2.24a, 2.25, eerste lid, onderdeel d, of 2.26, eerste lid, onderdelen f en g, dan wel niet voldoet aan artikel 2.25, eerste lid, onderdeel c, of 2.26, eerste lid, onderdeel c.

2.

Onze Minister kan een erkenning of voorlopige erkenning intrekken als het Commissariaat aan de instelling binnen een jaar ten minste twee maal een bestuurlijke sanctie als bedoeld in titel 7.2 heeft opgelegd wegens overtreding van het bepaalde bij of krachtens deze wet of artikel 5:20, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

3.

Onze Minister kan een erkenning of voorlopige erkenning daarnaast intrekken als bij de tweede evaluatie, bedoeld in artikel 2.184, derde lid, is vastgesteld dat de instelling onvoldoende heeft bijgedragen aan de uitvoering van de publieke mediaopdracht op landelijk niveau door de wijze waarop zij uitvoering heeft gegeven aan de publieke taak, bedoeld in artikel 2.24, eerste lid, onderdeel b, of 2.24a, eerste lid, onderdeel b. Artikel 2.31, eerste en tweede lid, is van overeenkomstige toepassing. Een besluit als bedoeld in de eerste volzin voorziet in het tijdstip met ingang waarvan de erkenning of voorlopige erkenning wordt ingetrokken. Dit tijdstip is niet later dan één jaar na de bekendmaking van het besluit, bedoeld in de eerste volzin.

4.

Onze Minister kan op verzoek van de raad van bestuur een erkenning of voorlopige erkenning intrekken als:

Artikel 2.34
1.

De omroeporganisaties zijn verplicht gedurende de erkenningperiode media-aanbod te verzorgen, waaronder in elk geval radio- en televisieprogramma’s.

2.

Het media-aanbod van een omroeporganisatie weerspiegelt de identiteit en missie van die organisatie zoals die in de statuten zijn omschreven. Een omroeporganisatie rapporteert hierover jaarlijks in haar bestuursverslag.

Afdeling 2.2.3. Nederlandse Programma Stichting

Artikel 2.35
1.

De Stichting NTR heeft tot taak media-aanbod voor de landelijke publieke mediadienst te verzorgen dat voorziet in de bevrediging van in de samenleving levende maatschappelijke, culturele, godsdienstige of geestelijke behoeften, zodanig dat dit media-aanbod samen met het media-aanbod van de andere landelijke publieke media-instellingen een evenwichtig beeld oplevert van de maatschappelijke, culturele, godsdienstige en geestelijke verscheidenheid in Nederland.

2.

Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald welk media-aanbod als bedoeld in het eerste lid in ieder geval door de NTR wordt verzorgd.

3.

De NTR heeft eveneens tot taak het voor de landelijke publieke mediadienst verzorgen van een breed en samenhangend educatief media-aanbod op het gebied van onderwijs, scholing en vorming.

4.

De raad van bestuur kan de NTR belasten met het verzorgen van media-aanbod als bedoeld in artikel 2.54, tweede lid.

Artikel 2.36
1.

De raad van toezicht van de NTR bestaat uit vijf of zeven leden die op zwaarwegende voordracht van de raad van toezicht door Onze Minister worden benoemd en die door Onze Minister kunnen worden geschorst en ontslagen.

2.

De raad van toezicht wijst uit zijn midden de voorzitter aan.

3.

Benoeming geschiedt voor een periode van vier jaar en herbenoeming voor een aansluitende periode is eenmaal mogelijk.

4.

De raad van toezicht wordt zodanig samengesteld dat bestuurlijke ervaring en deskundigheid op de terreinen die relevant zijn voor het media-aanbod dat de NTR verzorgt, aanwezig zijn.

5.

Bij een vacature draagt de raad van toezicht zorg voor de procedure die leidt tot de voordracht, bedoeld in het eerste lid. In elk geval het opstellen en het openbaar maken van profielschetsen voor de vacature en voor de raad als geheel zijn onderdeel van die procedure.

6.

De voordracht van de raad van toezicht aan Onze Minister is gemotiveerd, waarbij in elk geval wordt ingegaan op de geschiktheid, de profielschetsen, de positie van de kandidaat in het rooster van aftreden en de procedure die heeft geleid tot de voordracht.

7.

Onze Minister neemt de voordracht over, tenzij deze in strijd is met:

Artikel 2.37
1.

Het lidmaatschap van de raad van toezicht van de NTR is onverenigbaar met:

2.

Schorsing en ontslag zijn mogelijk wegens:

3.

Ontslag is verder mogelijk op eigen verzoek.

4.

De leden van de raad van toezicht kunnen gezamenlijk worden ontslagen, als bij de tweede evaluatie, bedoeld in artikel 2.184, derde en vierde lid, is vastgesteld dat de NTR onvoldoende heeft bijgedragen aan de uitvoering van de publieke mediaopdracht op landelijk niveau door de wijze waarop zij uitvoering heeft gegeven aan de publieke taak, bedoeld in artikel 2.35. In geval van een ontslag als bedoeld in de eerste volzin benoemt Onze Minister de leden van de nieuwe raad van toezicht.

5.

De leden van de raad van toezicht ontvangen van de NTR een door Onze Minister vast te stellen vergoeding.

Artikel 2.38

De statuten van de NTR regelen de instelling van een adviesraad die de algemeen directeur adviseert over het media-aanbod van de NTR.

Artikel 2.39
1.

De NTR verstrekt Onze Minister desgevraagd alle inlichtingen met betrekking tot de werkzaamheden van de NTR.

2.

Onze Minister kan inzage verlangen in zakelijke gegevens en bescheiden van de NTR voor zover dat voor de vervulling van zijn taak nodig is.

Artikel 2.40
1.

De NTR stelt jaarlijks vóór 1 juni een bestuursverslag vast over het afgelopen kalenderjaar.

2.

In het bestuursverslag wordt aandacht besteed aan de werkzaamheden van de NTR, het gevoerde beleid in het algemeen en de doelmatigheid en doeltreffendheid van de werkzaamheden in het bijzonder.

3.

De NTR zendt het bestuursverslag aan Onze Minister en maakt het openbaar.

Artikel 2.41
1.

Wijzigingen in de statuten van de NTR behoeven de instemming van Onze Minister.

2.

De raad van toezicht en de algemeen directeur kunnen niet besluiten tot ontbinding van de NTR.

Afdeling 2.2.4. Kerkgenootschappen en genootschappen op geestelijke grondslag

Artikel 2.42

Vervallen

Artikel 2.43

Vervallen

Artikel 2.44

Vervallen

Artikel 2.45

Vervallen

Artikel 2.46

Vervallen

Artikel 2.47

Vervallen

Artikel 2.48

Vervallen

Artikel 2.49

Vervallen

Afdeling 2.2.5. Coördinatie en ordening aanbodkanalen

Artikel 2.50

Gedurende de concessieperiode, bedoeld in artikel 2.19, wordt:

Artikel 2.51
1.

Het media-aanbod van de landelijke publieke media-instellingen en de Ster wordt uitsluitend verspreid via een aanbodkanaal als bedoeld in artikel 2.20, tweede lid, onder b en c, waarvoor Onze Minister instemming heeft verleend als bedoeld in artikel 2.21, derde lid.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing op media-aanbod als bedoeld in artikel 2.21a.

Artikel 2.52

Bij de coördinatie en ordening op en tussen de aanbodkanalen kan de raad van bestuur voorstellen voor programma’s toetsen aan de kwantitatieve en kwalitatieve doelstellingen voor het media-aanbod en het publieksbereik van de landelijke publieke mediadienst, vervat in het concessiebeleidsplan, de prestatieovereenkomst, bedoeld in artikel 2.22, de profielen van de aanbodkanalen, de afspraken, bedoeld in artikel 2.55, de regeling, bedoeld in artikel 2.57, en de begroting, bedoeld in artikel 2.147, en neemt zij artikel 2.88 in acht.

Artikel 2.53
1.

De raad van bestuur verzorgt de plaatsing van het media-aanbod van de landelijke publieke media-instellingen en de Ster op de aanbodkanalen.

2.

De raad van bestuur kan de plaatsing op de aanbodkanalen herzien:

Artikel 2.54
1.

De raad van bestuur zorgt er in het kader van de coördinatie voor dat het media-aanbod op de aanbodkanalen van de landelijke publieke mediadienst past binnen de kaders van artikel 2.1, het concessiebeleidsplan en de profielen van de aanbodkanalen en voldoet aan de artikelen 2.115, 2.116 en 2.119 tot en met 2.123, alsmede dat de landelijke publieke media-instellingen beschikken over ruimte op de aanbodkanalen die nodig is om media-aanbod dat is vervaardigd met de budgetten, bedoeld in artikel 2.149, eerste lid, onder a tot en met d, te kunnen plaatsen.

2.

De raad van bestuur kan het initiatief nemen tot het verzorgen van media-aanbod door een landelijke publieke media-instelling op basis van een voorstel dat niet afkomstig is van de NPO of een landelijke publieke media-instelling.

3.

Bij het verzorgen van media-aanbod als bedoeld in het tweede lid neemt de landelijke publieke media-instelling de afspraken in acht die de raad van bestuur over het media-aanbod heeft gemaakt met de partij van wie het voorstel afkomstig is.

Artikel 2.55
1.

De raad van bestuur bevordert dat tussen de NPO en de landelijke publieke media-instellingen afspraken tot stand komen over de kwantitatieve en kwalitatieve doelstellingen voor het media-aanbod, de publieksbetrokkenheid en het publieksbereik op de aanbodkanalen en over de wederzijdse inspanningen daarvoor.

2.

De instellingen:

3.

Het tweede lid is ook van toepassing op het media-aanbod dat omroepverenigingen die vertegenwoordigd zijn in een samenwerkingsomroep in eerdere erkenningperiodes hebben verzorgd.

Artikel 2.56
1.

Voor de coördinatie en ordening op en tussen de aanbodkanalen van het media-aanbod van de landelijke publieke mediadienst wordt de raad van bestuur bijgestaan door een redactie, die als volgt is samengesteld:

2.

Het lidmaatschap van een redactie is onverenigbaar met het lidmaatschap van een orgaan van de NPO, een landelijke publieke media-instelling of een omroepvereniging die in een samenwerkingsomroep vertegenwoordigd is.

Artikel 2.57

Een regeling voor de coördinatie en ordening van het media-aanbod als bedoeld in artikel 2.10, tweede lid, onderdeel c, regelt in elk geval:

Artikel 2.58
1.

De NPO stuurt jaarlijks vóór 1 juni aan het Commissariaat en Onze Minister een verslag over het afgelopen kalenderjaar met daarin in elk geval:

2.

Het Commissariaat brengt uiterlijk 19 december 2022 en vervolgens om de drie jaar verslag uit aan de Europese Commissie over de uitvoering van het eerste lid, onderdeel f.

Artikel 2.59
1.

De landelijke publieke media-instellingen en de Ster verstrekken desgevraagd aan de raad van toezicht van de NPO, de raad van bestuur en de door hem daartoe aangewezen medewerkers van de NPO alle inlichtingen voor zover dat voor de vervulling van de taken van de raad van toezicht en de raad van bestuur redelijkerwijs nodig is. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing op de omroepverenigingen die in een samenwerkingsomroep vertegenwoordigd zijn.

2.

De raad van bestuur en de door hem daartoe aangewezen medewerkers van de NPO kunnen inzage verlangen in zakelijke gegevens en bescheiden van de landelijke publieke media-instellingen, de Ster en de omroepverenigingen die in een samenwerkingsomroep vertegenwoordigd zijn.

Artikel 2.60
1.

Onverminderd artikel 2.88, eerste lid, zijn de regelingen, bedoeld in artikel 2.10, tweede lid, onderdeel c, en de overige besluiten die de raad van bestuur of de door hem gemandateerden nemen in de uitoefening van hun taken, bindend voor de landelijke publieke media-instellingen en de Ster, voor zover die regelingen en besluiten hen aangaan.

2.

De raad van bestuur ziet er op toe dat de regelingen en besluiten worden nageleefd.

Titel 2.3. Regionale en lokale publieke mediadiensten

Paragraaf 2.3.1. Aanwijzing

Artikel 2.61
1.

Voor de verzorging van de publieke mediadiensten op regionaal en lokaal niveau kan het Commissariaat regionale respectievelijk lokale instellingen als publieke media-instellingen aanwijzen volgens de bepalingen van deze paragraaf.

2.

Voor aanwijzing komen slechts in aanmerking instellingen die:

3.

Aanwijzing geschiedt nadat provinciale staten hebben dan wel de gemeenteraad heeft geadviseerd over de vraag of de instelling aan de eisen, bedoeld in het tweede lid, voldoet.

Artikel 2.62
1.

Er kan per provincie één regionale publieke media-instelling worden aangewezen, waarbij het Commissariaat acht slaat op alle factoren die voor het functioneren van de instelling van belang kunnen zijn.

2.

In afwijking van het eerste lid kunnen in de provincie Zuid-Holland twee regionale publieke media-instellingen worden aangewezen.

Artikel 2.63
1.

Als meer dan één lokale instelling in een gemeente aan de eisen, bedoeld in artikel 2.61, tweede lid, voldoet, bevordert het college van burgemeester en wethouders voor zover dat redelijkerwijs mogelijk is het samengaan van die instellingen.

2.

Er kan per gemeente slechts één lokale publieke media-instelling worden aangewezen, waarbij het Commissariaat acht slaat op alle factoren die voor het functioneren van de instelling van belang kunnen zijn.

Artikel 2.64
1.

Een instelling die de publieke mediaopdracht wil uitvoeren voor meer dan één provincie of gemeente, wordt alleen dan voor dat gebied aangewezen, als provinciale staten of de gemeenteraden van de desbetreffende provincies of gemeenten het in artikel 2.61, derde lid bedoelde advies gezamenlijk hebben uitgebracht.

2.

Het Commissariaat stelt provinciale staten en de gemeenteraden van de desbetreffende provincies of gemeenten in kennis van een aanvraag van een instelling als bedoeld in het eerste lid.

Artikel 2.65
1.

Een aanwijzing geschiedt op aanvraag, geldt voor de duur van vijf jaar, die begint met ingang van de concessie, bedoeld in artikel 2.60k, dan wel met ingang van het zesde jaar van die concessie, en daarna van rechtswege vervalt.

2.

Zonodig wijst het Commissariaat de dagen waarop en de uren waarin programma-aanbod van regionale en lokale mediadiensten wordt uitgezonden op de voor de regionale dan wel lokale publieke mediadiensten beschikbare ruimte op een omroepzender.

Artikel 2.66
1.

Provinciale staten brengen dan wel de gemeenteraad brengt tijdens de aanwijzingsperiode ten minste eenmaal aan het Commissariaat advies uit over de vraag of een aangewezen regionale of lokale publieke media-instelling naar hun of zijn mening nog voldoet aan de eisen van artikel 2.61, tweede lid.

2.

Als tijdens de aanwijzingsperiode bij het Commissariaat ernstige twijfel bestaat of de regionale of lokale publieke media-instelling nog aan de eisen van artikel 2.61, tweede lid, voldoet, kan hij een tussentijds advies vragen.

Artikel 2.67
1.

Het Commissariaat trekt een aanwijzing in, als de desbetreffende regionale of lokale publieke media-instelling niet meer voldoet aan de eisen van artikel 2.61, tweede lid.

2.

Het Commissariaat trekt de aanwijzing van een regionale of lokale publieke media-instelling die niet meer voldoet aan artikel 2.61, tweede lid, onderdelen b of c, pas in nadat de desbetreffende media-instelling gedurende vier maanden, gerekend van de dag waarop het desbetreffende feit is geconstateerd, in de gelegenheid is gesteld opnieuw aan dit vereiste te voldoen en zij daarin niet is geslaagd.

Artikel 2.68
1.

Een aanwijzing kan door het Commissariaat worden ingetrokken als:

2.

Het Commissariaat beslist pas over intrekking op grond van het eerste lid, onderdeel a, nadat hij gedeputeerde staten respectievelijk het college van burgemeester en wethouders van de desbetreffende provincie of gemeente in de gelegenheid heeft gesteld binnen een door het Commissariaat te stellen redelijke termijn hun zienswijze te geven.

3.

Het uitblijven van een zienswijze binnen de gestelde termijn staat aan het nemen van een beslissing door het Commissariaat niet in de weg.

Artikel 2.69

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over:

Paragraaf 2.3.2. Media-aanbod

Artikel 2.70

Het programma-aanbod van de regionale en lokale publieke mediadienst bestaat per programmakanaal:

Artikel 2.71
1.

Een lokale publieke media-instelling kan met de regionale publieke media-instelling in wier verzorgingsgebied zij werkzaam is een samenwerkingsovereenkomst sluiten.

2.

De overeenkomst wordt overgelegd aan het Commissariaat.

3.

Bij een samenwerkingsovereenkomst voor de verzorging van programma-aanbod kan in afwijking van artikel 2.70 het programma-aanbod van de lokale publieke mediadienst:

4.

Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald:

Titel 2.4. Wereldomroep

Paragraaf 2.4.1. Taken

Artikel 2.72
1.

Het media-aanbod van de regionale publieke media-instellingen wordt uitsluitend verspreid via:

2.

Het eerste lid, onder a, is niet van toepassing op media-aanbod als bedoeld in artikel 2.60m1.

Paragraaf 2.3.1. Stichting Regionale Publieke Omroep

Artikel 2.73
1.

De raad van bestuur kan media-aanbod van een regionale publieke media-instelling dat daarvoor door die media-instelling met voldoende gebruiksrechten beschikbaar is gesteld plaatsen op een aanbodkanaal van de landelijke publieke mediadienst.

2.

Op het eerste lid zijn de artikelen 2.52, 2.53, 2.54, eerste lid, 2.57, 2.58, 2.59, eerste lid, en 2.60 zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing.

3.

Op media-aanbod van een regionale publieke media-instelling dat is geplaatst op een aanbodkanaal van de landelijke publieke mediadienst zijn de regels over reclame- en telewinkelboodschappen voor de landelijke publieke mediadienst van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2.74
1.

Het aanbodkanaal, bedoeld in artikel 2.50, aanhef en onder b, is mede bestemd voor de catch-up van de programma’s op de televisieprogrammakanalen van de regionale publieke mediadienst.

2.

Een regionale publieke media-instelling kan voor plaatsing op het aanbodkanaal, bedoeld in het eerste lid, beschikbaar stellen een programma als bedoeld in het eerste lid:

3.

In afwijking van artikel 2.73, eerste lid, plaatst de raad van bestuur een programma dat tijdig beschikbaar is gesteld met toepassing van het tweede lid op het aanbodkanaal, bedoeld in het eerste lid.

4.

In afwijking van artikel 2.73, tweede lid, is op het derde lid uitsluitend artikel 2.59, eerste lid, zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2.75

Vervallen

Artikel 2.76

Vervallen

Artikel 2.77

Vervallen

Artikel 2.78

Vervallen

Artikel 2.79

Vervallen

Artikel 2.80

Vervallen

Paragraaf 2.3.2. Media-aanbod

Artikel 2.81

Vervallen

Artikel 2.82

Vervallen

Artikel 2.83

Vervallen

Paragraaf 2.4.1. Taken

Artikel 2.84

Vervallen

Artikel 2.85

Vervallen

Artikel 2.86

Vervallen

Paragraaf 2.4.5. Media-aanbod

Artikel 2.87

Vervallen

Titel 2.5. Nadere voorschriften media-aanbod publieke mediadiensten

Afdeling 2.5.1. Verantwoordelijkheid en onafhankelijkheid

Artikel 2.88
1.

De publieke media-instellingen bepalen, onverminderd het bepaalde bij of krachtens deze wet, vorm en inhoud van het door hen verzorgde media-aanbod en zijn daar verantwoordelijk voor.

2.

De publieke media-instellingen brengen in overeenstemming met hun werknemers die zijn belast met de verzorging en samenstelling van het media-aanbod een redactiestatuut tot stand.

3.

Het redactiestatuut bevat de journalistieke rechten en plichten van de werknemers, waaronder in elk geval:

4.

De NTR en omroeporganisaties, waaraan omroepverenigingen die een voorlopige erkenning als bedoeld in artikel 2.23, tweede lid, hebben verkregen, de verzorging van hun media-aanbod hebben opgedragen, dragen ervoor zorg dat de verantwoordelijkheid van die omroepverenigingen in de samenwerking is gewaarborgd.

5.

Een publieke media-instelling neemt passende maatregelen om te voorkomen dat het aanbod van haar mediadiensten aanzet tot geweld of haat jegens een groep personen of een lid van een groep, op een van de gronden genoemd in artikel 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, of uitlokt tot het plegen van een terroristisch misdrijf.

5.

De publieke media-instellingen nemen in hun jaarverslag een reflectie op over de wijze waarop de journalistieke deontologie in acht is genomen en hoe het eigen redactiestatuut is gerespecteerd.

Afdeling 2.5.2. Reclame en telewinkelen

Paragraaf 2.4.5. Media-aanbod

Artikel 2.89
1.

Tenzij dit bij of krachtens deze wet is toegestaan, bevat het media-aanbod van de publieke mediadiensten geen:

2.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald in welke gevallen vermijdbare uitingen zijn toegestaan en wanneer uitingen onvermijdbaar zijn.

Artikel 2.90

Behoudens toestemming van het Commissariaat bevat het media-aanbod van de publieke mediadiensten geen oproepen in het kader van ledenwerving, andere verenigingsactiviteiten of nevenactiviteiten als bedoeld in afdeling 2.5.6.

Artikel 2.91
1.

In het media-aanbod van de publieke mediadiensten mogen reclame- en telewinkelboodschappen die zijn aangeboden door derden worden opgenomen.

2.

Reclame- en telewinkelboodschappen, inclusief omlijsting daarvan, in het media-aanbod van de landelijke publieke mediadienst worden uitsluitend verzorgd door de Ster.

3.

De Ster kan op verzoek van regionale en lokale publieke media-instellingen reclame- en telewinkelboodschappen, inclusief omlijsting daarvan, verzorgen die worden opgenomen in het media-aanbod van die instellingen.

Artikel 2.92
1.

De Ster en de regionale en lokale publieke media-instellingen die reclame- of telewinkelboodschappen in het media-aanbod opnemen, zijn aangesloten bij de Nederlandse Reclame Code of een vergelijkbare door de Stichting Reclame Code tot stand gebrachte regeling en ter zake onderworpen aan het toezicht van de Stichting Reclame Code.

2.

Aansluiting wordt aangetoond door een schriftelijke verklaring van de Stichting Reclame Code aan het Commissariaat over te leggen.

Artikel 2.93

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de wijze waarop inzicht wordt gegeven in de financiën die betrekking hebben op de verzorging van reclame- en telewinkelboodschappen in het media-aanbod van de regionale en lokale publieke mediadiensten.

Paragraaf 2.3.2. Media-aanbod van regionale of lokale publieke mediadienst

Artikel 2.94
1.

Reclame- en telewinkelboodschappen zijn door akoestische of visuele middelen duidelijk onderscheiden van de overige inhoud van het programma-aanbod.

2.

Het programma-aanbod bevat geen reclame- en telewinkelboodschappen voor:

3.

Het televisieprogramma-aanbod bevat voorts geen reclame- en telewinkelboodschappen voor:

4.

Het derde lid, onder a, is van overeenkomstige toepassing op radioprogramma-aanbod.

Artikel 2.95
1.

Het aandeel reclame- en telewinkelboodschappen in het programma-aanbod bedraagt:

2.

Ten hoogste een derde van de tijd die wordt gebruikt voor reclame- of telewinkelboodschappen in het programma-aanbod wordt gebruikt voor omlijsting.

Artikel 2.96
1.

Reclame- en telewinkelboodschappen in het programma-aanbod worden zodanig geplaatst dat zij:

2.

Telewinkelboodschappen in het programma-aanbod duren elk ten hoogste één minuut en een blok als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, bestaat voor ten hoogste tweederde van de duur uit telewinkelboodschappen.

3.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels gesteld worden over de plaatsing van reclame- en telewinkelboodschappen in en rond programma-aanbod dat in het bijzonder bestemd is voor kinderen jonger dan twaalf jaar.

4.

Rond televisieprogramma-aanbod van de landelijke publieke mediadienst dat in het bijzonder is bestemd voor kinderen jonger dan twaalf jaar worden geen reclame- of telewinkelboodschappen geplaatst.

Artikel 2.97
1.

In programma’s worden alleen reclame- of telewinkelboodschappen opgenomen als:

2.

In programma’s van kerkelijke of geestelijke aard en in programma’s die in het bijzonder bestemd zijn voor kinderen jonger dan twaalf jaar worden geen reclame- of telewinkelboodschappen opgenomen.

Artikel 2.98
1.

De artikelen 2.94 tot en met 2.97 zijn zo veel mogelijk van overeenkomstige toepassing op het overige media-aanbod van de publieke mediadiensten. Wat betreft de toepassing van artikel 2.96, eerste lid, onderdeel a, geldt de vorige volzin uitsluitend voor het overige media-aanbod met beeldinhoud, al dan niet mede met geluidsinhoud.

2.

In afwijking van het eerste lid bevat het media-aanbod met beeldinhoud, al dan niet mede met geluidsinhoud, van mediadiensten op aanvraag van de landelijke publieke mediadienst geen reclame- of telewinkelboodschappen.

Paragraaf 2.4.2. Organisatie

Artikel 2.99

De Stichting Etherreclame heeft tot taak het verzorgen van media-aanbod voor de landelijke publieke mediadienst en, op verzoek, voor de regionale en lokale publieke mediadiensten dat bestaat uit reclame- en telewinkelboodschappen die zijn aangeboden door derden, inclusief omlijsting daarvan.

Artikel 2.100
1.

Het bestuur van de Ster bestaat uit ten hoogste drie leden, die door de raad van toezicht van de Ster worden benoemd, geschorst en ontslagen.

2.

Artikel 2.99d, eerste lid, aanhef en onder b tot en met g, is van overeenkomstige toepassing op het lidmaatschap van het bestuur van de Ster.

3.

Het bestuur is in dienst van de Ster. De raad van toezicht stelt zijn arbeidsvoorwaarden vast.

Artikel 2.101
1.

Benoeming van de leden van het bestuur van de Ster geschiedt voor een periode van vijf jaar en herbenoeming voor een aansluitende periode is eenmaal mogelijk.

2.

Schorsing en ontslag zijn mogelijk wegens:

3.

Ontslag is verder mogelijk op eigen verzoek.

Artikel 2.102
1.

De Ster verstrekt Onze Minister desgevraagd alle inlichtingen met betrekking tot de werkzaamheden van de Ster.

2.

Onze Minister kan inzage verlangen in zakelijke gegevens en bescheiden van de Ster voor zover dat voor de vervulling van zijn taak nodig is.

Artikel 2.103
1.

De Ster stelt jaarlijks vóór 1 juni een bestuursverslag over het afgelopen kalenderjaar vast.

2.

In het bestuursverslag wordt aandacht besteed aan de werkzaamheden van de Ster, het gevoerde beleid in het algemeen en de doelmatigheid en doeltreffendheid van de werkwijze in het bijzonder.

3.

De Ster zendt het verslag aan Onze Minister en maakt het openbaar.

Artikel 2.104
1.

Wijzigingen in de statuten van de Ster behoeven de instemming van Onze Minister.

2.

De raad van toezicht of het bestuur van de Ster kan niet besluiten tot ontbinding van de Ster.

Paragraaf 2.5.2.3. Stichting Etherreclame

Artikel 2.105
1.

De Ster doet jaarlijks vóór 15 september aan Onze Minister opgave van de verwachte inkomsten uit de reclame- en telewinkelboodschappen van de landelijke publieke mediadienst in het lopende en in het volgende kalenderjaar.

2.

De Ster zendt een afschrift van deze opgaven ter kennisneming aan het Commissariaat en de NPO.

3.

De inkomsten die de Ster verwerft uit de verzorging van reclame- en telewinkelboodschappen voor de landelijke publieke mediadienst stelt zij na aftrek van de door Onze Minister goedgekeurde uitgaven ter beschikking van Onze Minister.

Afdeling 2.5.3. Sponsoring

Artikel 2.106
1.

Media-aanbod van de publieke mediadiensten wordt niet gesponsord.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing op media-aanbod:

3.

Media-aanbod als bedoeld in het tweede lid wordt niet gesponsord als het:

Artikel 2.107
1.

Bij gesponsord media-aanbod wordt ter informatie van het publiek duidelijk vermeld dat en door wie het media-aanbod is gesponsord.

2.

De vermelding geschiedt door neutrale vermelding of vertoning van naam, (beeld)merk of ander onderscheidend teken van de sponsor.

3.

Bij een gesponsord programma vindt de vermelding plaats aan het begin of het einde van het programma en kan de vermelding daarnaast plaatsvinden aan het begin of het einde van een reclameblok dat in het programma is opgenomen.

4.

Ten aanzien van de vermelding geldt dat zij:

5.

Het derde en vierde lid zijn zo veel mogelijk van overeenkomstige toepassing op het overige media-aanbod van de publieke mediadiensten.

Artikel 2.108
1.

In gesponsord media-aanbod mogen producten of diensten van een sponsor worden vermeld of getoond, behalve als deze een bijdrage in geld heeft gegeven en onverminderd artikel 2.88b, derde lid, aanhef en onderdeel b.

2.

Het Commissariaat kan toestemming verlenen voor het vermelden of vertonen van de naam, het (beeld)merk, producten of diensten van sponsors in de titel van gesponsord media-aanbod, mits het publiek niet rechtstreeks door middel van specifieke aanprijzingen wordt aangespoord tot het kopen of huren van producten of afname van diensten van de sponsors.

3.

Het Commissariaat kan aan het verlenen van toestemming voorschriften verbinden.

Artikel 2.109

Sponsorbijdragen worden rechtstreeks van de sponsors en door middel van een schriftelijke overeenkomst bedongen of aanvaard.

Artikel 2.110

De landelijke publieke media-instellingen sturen een afschrift van een sponsorovereenkomst aan de raad van bestuur:

Artikel 2.111
1.

Als de raad van bestuur binnen twee weken na ontvangst van het afschrift van de sponsorovereenkomst, of in het geval van artikel 2.110, onderdeel b, vóór de beoogde datum van verspreiding, schriftelijk heeft meegedeeld dat de sponsorovereenkomst in strijd is met het gemeenschappelijke belang van de landelijke publieke mediadienst, wordt het media-aanbod waarop de overeenkomst betrekking heeft niet verspreid, tenzij de overeenkomst wordt ontbonden of gewijzigd.

2.

In het geval de raad van bestuur aanvullende informatie verlangt, moet voor de toepassing van het eerste lid de schriftelijke mededeling zijn gegeven binnen twee weken nadat de aanvullende informatie is ontvangen.

Artikel 2.112

De artikelen 2.110 en 2.111 zijn van overeenkomstige toepassing op de wijziging van een sponsorovereenkomst.

Artikel 2.113

De publieke media-instellingen brengen jaarlijks via de jaarrekening verslag uit over de inkomsten uit sponsorbijdragen, het gesponsorde media-aanbod en de hoedanigheid van de sponsors, gespecificeerd per onderdeel van het media-aanbod.

Artikel 2.114

De artikelen 2.107 tot en met 2.113 zijn van overeenkomstige toepassing als een andere instelling dan bedoeld in de begripsomschrijving van sponsoring in artikel 1.1 een bijdrage heeft gegeven voor de productie of aankoop van media-aanbod om de verspreiding daarvan te bevorderen of mogelijk te maken.

Afdeling 2.5.1. Verantwoordelijkheid en verplichtingen

Paragraaf 2.4.5. Media-aanbod

Artikel 2.115
1.

Op elk televisieprogrammakanaal van de landelijke en regionale publieke mediadienst bestaat het programma-aanbod voor ten minste vijftig procent van de duur uit Europese producties in de zin van artikel 1 van de Europese richtlijn.

2.

Het audiovisueel media-aanbod op aanvraag bestaat per aanbodkanaal voor ten minste dertig procent uit Europese producties als bedoeld in artikel 1 van de Europese richtlijn.

3.

De Europese producties van een aanbodkanaal als bedoeld in het tweede lid worden door de aanbieder van het aanbodkanaal onder de aandacht van het publiek gebracht.

4.

Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing op een mediadienst op aanvraag van een publieke media-instelling met een lage omzet of een klein publiek.

5.

Het Commissariaat kan aan een publieke media-instelling of aan de NPO ontheffing verlenen van het tweede en het derde lid indien de toepassing van deze leden gelet op de aard of het onderwerp van deze mediadienst op aanvraag praktisch onhaalbaar of ongerechtvaardigd zou zijn.

Artikel 2.116
1.

Bij algemene maatregel van bestuur wordt vastgesteld hoeveel procent van het totaal van de budgetten, bedoeld in artikel 2.149, eerste lid, met uitzondering van onderdeel e, wordt besteed aan Europese producties als bedoeld in artikel 1 van de Europese richtlijn die kunnen worden aangemerkt als onafhankelijke productie. Het percentage, bedoeld in de vorige volzin, wordt vastgesteld op ten minste tien en ten hoogste vijfentwintig procent.

2.

Op elk van de televisieprogrammakanalen van de landelijke publieke mediadienst bestaat het programma-aanbod uit ten minste tien procent van de duur uit producties als bedoeld in artikel 2.115 die kunnen worden aangemerkt als onafhankelijke productie.

Artikel 2.117

Op elk van de televisieprogrammakanalen van de regionale publieke mediadienst bestaat het programma-aanbod voor ten minste tien procent van de duur uit producties als bedoeld in artikel 2.115 die kunnen worden aangemerkt als onafhankelijke productie.

Artikel 2.118

Vervallen

Artikel 2.119

Ten minste een derde deel van de programma’s, bedoeld in de artikelen 2.116 en 2.117, is niet ouder dan vijf jaar.

Artikel 2.120
1.

Als onafhankelijke productie wordt aangemerkt media-aanbod dat niet geproduceerd is door:

2.

Bij algemene maatregel van bestuur:

Artikel 2.121
1.

Voor de toepassing van de artikelen 2.116, tweede lid, en 2.117 tot en met 2.120 blijft buiten beschouwing media-aanbod:

2.

Voor de toepassing van artikel 2.116, eerste lid, blijft buiten beschouwing media-aanbod als bedoeld in het eerste lid, onder a, d, e en f.

Paragraaf 2.5.2.1. Algemene bepalingen

Artikel 2.122
1.

Op elk televisieprogrammakanaal van de landelijke en regionale publieke mediadienst bestaat het programma-aanbod voor ten minste vijftig procent van de duur uit oorspronkelijk Nederlands- of Friestalige producties.

2.

Voor de toepassing van het eerste lid blijft buiten beschouwing:

3.

Het Commissariaat kan in bijzondere gevallen geheel of gedeeltelijk ontheffing verlenen van het eerste lid. Het Commissariaat kan aan een ontheffing voorschriften verbinden.

Artikel 2.123
1.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de ondertiteling van televisieprogramma-aanbod, waarbij onder meer kan worden bepaald welk percentage van het televisieprogramma-aanbod van de landelijke publieke mediadienst bestaat uit producties als bedoeld in artikel 2.122, eerste lid, die voorzien zijn van ondertiteling ten behoeve van personen met een auditieve beperking.

2.

Het Commissariaat kan in bijzondere gevallen geheel of gedeeltelijk ontheffing verlenen van een verplichting betreffende het percentage, bedoeld in het eerste lid. Het Commissariaat kan aan een ontheffing voorschriften verbinden.

Paragraaf 2.5.2.2. Specifieke voorschriften

Artikel 2.124

In het media-aanbod van de publieke mediadiensten worden geen films opgenomen buiten de met de rechthebbenden overeengekomen periodes.

Afdeling 2.5.5. Stichting Stimuleringsfonds Nederlandse culturele mediaproducties

Paragraaf 2.5.2.2. Specifieke voorschriften

Artikel 2.125

Vervallen

Artikel 2.126

Vervallen

Paragraaf 2.5.2.3. Stichting Etherreclame

Artikel 2.127

Vervallen

Paragraaf 2.5.5.3. Begroting en jaarrekening

Artikel 2.128

Vervallen

Artikel 2.129

Vervallen

Artikel 2.130

Vervallen

Paragraaf 2.5.2.4. Inkomsten uit reclame en telewinkelen

Artikel 2.131

Vervallen

Afdeling 2.5.3. Sponsoring

Artikel 2.132
1.

De NPO en de publieke media-instellingen mogen alleen na voorafgaande toestemming van het Commissariaat nevenactiviteiten verrichten.

2.

Nevenactiviteiten zijn activiteiten, directe of indirecte deelnemingen in rechtspersonen daaronder begrepen, die niet rechtstreeks verband houden met of ten dienste staan van de uitvoering van de publieke mediaopdracht, met uitzondering van verenigingsactiviteiten als bedoeld in artikel 2.136.

3.

Toestemming kan alleen worden gegeven als een nevenactiviteit verband houdt met of ten dienste staat van de verwezenlijking van de publieke mediaopdracht en direct gerelateerd is aan het media-aanbod van de publieke media-instelling, op marktconforme wijze wordt verricht en ten minste kostendekkend is.

4.

In afwijking van het eerste lid is geen voorafgaande toestemming van het Commissariaat nodig voor het bij wijze van experiment van beperkte omvang en duur verrichten van nevenactiviteiten die bestaan uit het leveren van goederen of diensten, met inbegrip van rechten en verplichtingen aan:

5.

De NPO en de publieke media-instellingen melden nevenactiviteiten als bedoeld in het vierde lid bij het Commissariaat.

6.

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over:

Artikel 2.133

Op overeenkomsten ter zake van nevenactiviteiten die er toe strekken om rechten op en de bekendheid van media-aanbod dat voor de landelijke publieke mediadienst is verzorgd of daaraan verbonden namen en merken buiten de publieke mediadienst te exploiteren, zijn de artikelen 2.110 tot en met 2.112 van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de termijn, bedoeld in artikel 2.111, eerste en tweede lid, twee maanden is.

Artikel 2.134
1.

In het kader van nevenactiviteiten kunnen de NPO en de publieke media-instellingen rechtspersonen of samenwerkingsverbanden oprichten of daarin deelnemen.

2.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over het verrichten van nevenactiviteiten.

3.

De instellingen die nevenactiviteiten willen verrichten, tonen desgevraagd ten genoegen van het Commissariaat aan dat de nevenactiviteiten voldoen aan het bepaalde bij of krachtens artikel 2.132 en dit artikel.

Artikel 2.135
1.

Tenzij bij of krachtens deze wet anders is bepaald, gebruiken de NPO, de RPO en de publieke media-instellingen al hun inkomsten voor de uitvoering van de publieke mediaopdracht.

2.

De landelijke publieke media-instelling die samenwerkingsomroep is, draagt ervoor zorg dat de omroepverenigingen die hij vertegenwoordigt, al hun inkomsten voor de uitvoering van de publieke mediaopdracht gebruiken, tenzij bij of krachtens deze wet anders is bepaald.

Artikel 2.136
1.

Omroeporganisaties die een erkenning of een voorlopige erkenning als bedoeld in artikel 2.23 hebben verkregen, kunnen netto inkomsten uit contributies en verenigingsactiviteiten en, tot ten hoogste een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen bedrag en volgens bij algemene maatregel van bestuur te stellen nadere regels uit programmabladen gebruiken voor eigen verenigingsactiviteiten.

2.

Verenigingsactiviteiten zijn activiteiten die:

3.

Onder verenigingsactiviteiten als bedoeld in het eerste lid worden ook verstaan activiteiten van een stichting die samenwerkingsomroep is en die een erkenning als bedoeld in artikel 2.23, eerste lid, heeft verkregen, en welke activiteiten:

4.

De landelijke publieke media-instelling die samenwerkingsomroep is, draagt ervoor zorg dat de omroepverenigingen die hij vertegenwoordigt, netto inkomsten uit contributies en verenigingsactiviteiten gebruiken voor eigen verenigingsactiviteiten als bedoeld in het tweede lid, voor zover de omroepverenigingen van die bevoegdheid gebruik maken.

Artikel 2.137
1.

Het is omroepverenigingen niet toegestaan in het kader van ledenwerving op geld waardeerbare voordelen aan leden te verstrekken.

2.

Onverminderd het eerste lid kan het Commissariaat regels stellen over het verstrekken van op geld waardeerbare voordelen aan leden en over activiteiten in het kader van ledenwerving. De regels behoeven de goedkeuring van Onze Minister.

3.

De landelijke publieke media-instelling die samenwerkingsomroep is, draagt ervoor zorg dat de omroepverenigingen die hij vertegenwoordigt de regels in acht nemen.

Artikel 2.138
1.

Als een omroeporganisatie voornemens is na afloop van de periode waarvoor een erkenning of een voorlopige erkenning als bedoeld in artikel 2.23 is verleend een commerciële omroepdienst te verzorgen of een belang te verwerven in een commerciële media-instelling, meldt zij dit aan het Commissariaat.

2.

Na de melding kan de omroeporganisatie in het laatste jaar van de erkenningperiode activiteiten verrichten die noodzakelijk zijn om te zorgen dat zij of de rechtspersoon waarin zij een belang verwerft na afloop van de erkenningperiode een commerciële omroepdienst kan verzorgen.

3.

Tijdens de periode dat een omroeporganisatie activiteiten als bedoeld in het tweede lid verricht, is artikel 2.33, eerste lid, niet van toepassing en wordt zij beschouwd als omroeporganisatie.

Artikel 2.139
1.

De landelijke publieke media-instellingen stellen de volgende gegevens van hun programma-aanbod ter beschikking van de NPO: per programma de titel, een korte omschrijving, de naam van de landelijke publieke media-instelling die het programma verzorgt, het programmakanaal waarop het programma wordt verspreid, de datum en het tijdstip van verspreiding, en de classificatie, bedoeld in artikel 4.2.

2.

De landelijke publieke media-instellingen aanvaarden dat de NPO de gegevens voor vermenigvuldiging en openbaarmaking aan het publiek via gedrukte of elektronische programmagidsen ter beschikking stelt aan de omroeporganisaties en tegen een marktconforme vergoeding aan andere afnemers die daarom verzoeken.

3.

De landelijke publieke media-instellingen stellen de gegevens, bedoeld in het eerste lid, tijdig ter beschikking van de NPO. De NPO stelt die gegevens ten minste zes weken voorafgaand aan de verspreiding van het desbetreffende programma-aanbod ter beschikking van de omroeporganisaties en van de andere afnemers, bedoeld in het tweede lid.

4.

De NPO sluit met de andere afnemers, bedoeld in het tweede lid, een overeenkomst met betrekking tot de beschikbaarstelling van de gegevens. De overeenkomst bepaalt in elk geval dat de gegevens niet worden gewijzigd, en bevat overigens geen bepalingen of voorwaarden die de terbeschikkingstelling van de gegevens hinderen.

5.

Het bedrag van de vergoeding, bedoeld in het tweede lid, is voor zover het betreft afnemers die programmagidsen binnen Nederland uitbrengen:

6.

Het Commissariaat kan bij regeling andere bedragen dan de bedragen, bedoeld in het vijfde lid, vaststellen, als de resultaten van zijn tweejaarlijks onderzoek naar de marktprijs van de vergoedingen daartoe aanleiding geven. Het Commissariaat maakt de resultaten van het onderzoek en de wijze van berekening van de marktprijs van de vergoedingen bekend.

Artikel 2.140

Vervallen

Artikel 2.141
1.

De NPO, de RPO en de publieke media-instellingen zijn met al hun activiteiten niet dienstbaar aan het maken van winst door derden en tonen dat desgevraagd naar genoegen van het Commissariaat aan.

2.

De landelijke publieke media-instelling die samenwerkingsomroep is, draagt ervoor zorg dat de omroepverenigingen die hij vertegenwoordigt, met al hun activiteiten niet dienstbaar zijn aan het maken van winst door derden en tonen dat desgevraagd naar genoegen van het Commissariaat aan.

Artikel 2.142
1.

De NPO, de RPO en de publieke media-instellingen zorgen er voor dat leden van hun organen, werknemers en andere personen of rechtspersonen waarmee een overeenkomst is gesloten met het oog op de uitvoering van de publieke mediaopdracht, voor zichzelf of voor anderen geen op geld waardeerbaar voordeel van derden bedingen of aanvaarden dat direct of indirect verband houdt met werkzaamheden van de betrokkene voor de instelling, tenzij het daartoe bevoegde orgaan van de instelling daarvoor toestemming heeft gegeven.

2.

Toestemming wordt alleen gegeven als de betrokkene aannemelijk maakt dat het voordeel niet is bedoeld als tegenprestatie voor het door hem in de uitoefening van zijn werkzaamheden voor de instelling bevoordelen van derden.

3.

Een persoon of rechtspersoon die een overeenkomst als bedoeld in het eerste lid heeft gesloten, wordt ten opzichte van degenen die in zijn dienst werken niet aangemerkt als een derde.

4.

De landelijke publieke media-instelling die samenwerkingsomroep is, draagt ervoor zorg dat de omroepverenigingen die hij vertegenwoordigt, overeenkomstig het eerste tot en met derde lid handelen.

Titel 2.6. Bekostiging publieke mediadiensten

Afdeling 2.6.1. Algemene bekostigingsaanspraak

Afdeling 2.5.6. Nevenactiviteiten en overige bepalingen

Paragraaf 2.5.4.2. Nederlands- en Friestalige producties

Artikel 2.147
1.

De NPO dient jaarlijks vóór 15 september een begroting voor de landelijke publieke mediadienst in bij Onze Minister en het Commissariaat.

2.

De begroting bevat in elk geval:

3.

De financiële middelen worden als volgt onderverdeeld:

Artikel 2.148
1.

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de inhoud en inrichting van de begroting.

2.

Het Commissariaat zendt vóór 15 oktober zijn opmerkingen met betrekking tot de begroting aan Onze Minister.

3.

De NPO maakt de begroting openbaar.

Paragraaf 2.5.4.3. Films

Artikel 2.149
1.

Onze Minister stelt jaarlijks vóór 1 december met inachtneming van artikel 2.148a de budgetten van de landelijke publieke mediadienst voor het komende jaar vast voor:

2.

Onze Minister stelt de budgetten vast op tachtig procent van de overeenkomstige budgetten van het voorgaande jaar als de NPO de begroting niet volgens de daarvoor geldende regels heeft ingediend.

Artikel 2.150
1.

Het budget, bedoeld in artikel 2.149, eerste lid, onderdeel f, bedraagt vijftig procent van het totaal van de budgetten, bedoeld in artikel 2.149, eerste lid, onderdelen a en b, en dertig procent van het totaal van de budgetten, bedoeld in artikel 2.149, eerste lid, onderdelen c en d.

2.

Onder versterking van het media-aanbod wordt verstaan stimulering van de verzorging van media-aanbod en samenwerking ter bevordering van de pluriformiteit van het media-aanbod.

3.

Het budget komt geheel ten goede aan media-aanbod van de omroeporganisaties, de NOS en de NTR.

4.

Het media-aanbod, bedoeld in artikel 2.54, tweede lid, komt ten laste van het budget, bedoeld in artikel 2.149, eerste lid, onder f.

Artikel 2.151
1.

Onze Minister stelt de budgetten door tussenkomst van het Commissariaat ter beschikking van de raad van bestuur.

2.

De budgetten, bedoeld in artikel 2.149, eerste lid, onderdelen e en f, besteedt de raad van bestuur aan de daar genoemde doelen.

Artikel 2.152
1.

De raad van bestuur verdeelt het budget, bedoeld in artikel 2.149, eerste lid, aanhef en onder a, over de omroeporganisaties met een erkenning, bedoeld in artikel 2.23, eerste lid, zodanig dat elke omroeporganisatie een bedrag ontvangt dat gelijk is aan de som van de bedragen die worden toegerekend aan de organisaties waaruit de omroeporganisatie is samengesteld.

2.

De organisaties waaruit een omroeporganisatie kan zijn samengesteld zijn:

3.

Bepalend voor de indeling, bedoeld in het tweede lid, is de organisatie waarvan sprake was bij aanvang van de erkenningperiode met begindatum 1 januari 2016, met dien verstande dat:

4.

Voor indeling bij het tweede lid, onder c, geldt ook een voorlopige erkenning als bedoeld in artikel 2.23, tweede lid, in een erkenningperiode later dan die, bedoeld in het derde lid, maar eerder dan de erkenningperiode waarin het jaar valt waarop op de budgetverdeling betrekking heeft.

5.

De bedragen die worden toegerekend aan de organisaties, bedoeld in het tweede lid, onder respectievelijk a, b en c, verhouden zich tot elkaar als 3: 2: 1.

Artikel 2.153

Vervallen

Artikel 2.154
1.

De raad van bestuur kan ten hoogste vijftien procent van het voor een instelling vastgestelde bedrag inhouden als:

2.

Ingehouden bedragen worden toegevoegd aan het budget, bedoeld in artikel 2.149, eerste lid, aanhef en onder f.

Artikel 2.155

De raad van bestuur beslist jaarlijks vóór 1 januari over de verdeling van de budgetten.

Artikel 2.156

Vervallen

Artikel 2.157
1.

De landelijke publieke media-instellingen ontvangen voorschotten volgens bij ministeriële regeling te stellen regels. De NTR en de omroeporganisaties, bedoeld in artikel 2.26, eerste lid, onderdeel f, ontvangen tevens de bedragen ten beheer die zijn gemoeid met de bevoorschotting van de omroepverenigingen die een voorlopige erkenning als bedoeld in artikel 2.23, tweede lid, hebben verkregen.

2.

Als een instelling zijn jaarrekening, bedoeld in artikel 2.171, tweede lid, niet tijdig indient:

3.

Als een instelling haar gelden in strijd met het bepaalde bij of krachtens deze wet uitgeeft, kan het Commissariaat de raad van bestuur verzoeken de bevoorschotting te verminderen of te beëindigen.

4.

De raad van bestuur voldoet meteen aan verzoeken als bedoeld in het tweede en derde lid.

Paragraaf 2.5.4.3. Films

Artikel 2.158

Vervallen

Artikel 2.159

Vervallen

Afdeling 2.6.3. Bekostiging Wereldomroep

Paragraaf 2.6.3.1. Begroting

Artikel 2.160

Vervallen

Artikel 2.161

Vervallen

Artikel 2.162

Vervallen

Paragraaf 2.5.5.2. Organisatie

Artikel 2.163

Vervallen

Artikel 2.164

Vervallen

Artikel 2.165

Vervallen

Afdeling 2.6.3. Bekostiging Wereldomroep

Artikel 2.166
1.

Onze Minister kan uit de rijksmediabijdrage en de inkomsten van de Ster een algemene mediareserve vormen die bestemd is voor:

2.

Het Commissariaat beheert de algemene mediareserve.

Artikel 2.167
1.

Onze Minister kan, voor zover dat de financiering van de rekening-courantverhouding niet in gevaar brengt, uit de algemene mediareserve gelden ter beschikking stellen ten behoeve van:

2.

Onze Minister stelt gelden ten behoeve van de NPO en de landelijke publieke media-instellingen door tussenkomst van het Commissariaat ter beschikking aan de raad van bestuur. Voor de landelijke publieke media-instellingen is artikel 2.152a, tweede lid, van overeenkomstige toepassing.

3.

Onze Minister stelt gelden ten behoeve van de RPO, de regionale publieke media-instellingen en de instellingen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, door tussenkomst van het Commissariaat aan hen ter beschikking.

Artikel 2.168
1.

Renteopbrengsten uit het beheer van de algemene mediareserve zijn bestemd voor door Onze Minister te bepalen mediadoeleinden in brede zin.

2.

Onze Minister kan uit de renteopbrengsten gelden ter beschikking stellen aan:

3.

Artikel 2.167, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2.169
1.

Onze Minister kan aan een besluit tot het ter beschikking stellen van gelden op grond van de artikelen 2.167 en 2.168 voorschriften verbinden.

2.

De voorschriften hebben geen betrekking op de specifieke inhoud van media-aanbod.

3.

Onze Minister kan een besluit tot het ter beschikking stellen van gelden intrekken of wijzigen, als de voorschriften niet worden nageleefd.

Afdeling 2.6.5. Bekostiging regionale publieke mediadiensten

Artikel 2.170
1.

Onze Minister stelt jaarlijks vóór 1 december het totaalbudget vast dat voor het volgend jaar beschikbaar is voor de bekostiging van de regionale publieke mediadiensten. Onze Minister stelt het totaalbudget ter beschikking aan het Commissariaat.

2.

Het Commissariaat kan op aanvraag van regionale publieke media-instellingen uit het budget, bedoeld in het eerste lid, een bijdrage verstrekken in de kosten die rechtstreeks verband houden met het verzorgen van regionale publieke mediadiensten, voor zover die kosten niet op andere wijze zijn gedekt. Het Commissariaat beslist jaarlijks vóór 1 januari op een aanvraag.

3.

Aan de verstrekking van de bijdrage, bedoeld in het tweede lid, worden geen voorwaarden verbonden die in strijd zijn met het bepaalde bij of krachtens deze wet.

4.

Een aanvraag als bedoeld in het tweede lid gaat vergezeld van een begroting die is afgestemd op de begroting, bedoeld in artikel 2.169a, eerste lid, voor dezelfde periode.

5.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over:

6.

Het Commissariaat zendt vóór 15 oktober zijn opmerkingen met betrekking tot de begrotingen van de regionale publieke media-instellingen aan Onze Minister.

7.

De regionale publieke media-instellingen besteden de ontvangen bedragen aan de verzorging van publieke mediadiensten op regionaal niveau.

8.

De regionale publieke media-instellingen ontvangen voorschotten volgens bij ministeriële regeling te stellen regels.

9.

Als een regionale publieke media-instelling haar jaarrekening, bedoeld in artikel 2.173a, tweede lid, niet tijdig indient:

Als een instelling voorschotten in strijd met het bepaalde bij of krachtens de wet gebruikt, kan het Commissariaat de bevoorschotting verminderen of beëindigen.

Afdeling 2.6.6. Financiële verantwoording landelijke publieke mediadienst en Wereldomroep

Paragraaf 2.6.2.3. Gelden voor bijzondere doelen

Artikel 2.171
1.

Het Commissariaat is belast met de rechtmatigheidstoetsing van de uitgaven van de NPO, de landelijke publieke media-instellingen en de Ster.

2.

De landelijke publieke media-instellingen en de Ster zenden jaarlijks vóór 1 mei de jaarrekening aan het Commissariaat en sturen gelijktijdig een afschrift daarvan aan de raad van bestuur. De NPO, de landelijke publieke media-instellingen en de Ster nemen in het bestuursverslag, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.34i, 2.40 en 2.103, in samenhang met de artikelen 48 en 300 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek een samengevatte jaarrekening op.

3.

De raad van bestuur zendt vóór 1 juli de jaarrekening van de NPO aan het Commissariaat.

Artikel 2.172
1.

Titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek is van toepassing op de jaarrekeningen, met dien verstande dat de winst- en verliesrekening wordt vervangen door een exploitatierekening. Op deze rekening zijn de bepalingen over de winst- en verliesrekening zo veel mogelijk van overeenkomstige toepassing. Bepalingen over winst en verlies zijn zo veel mogelijk van overeenkomstige toepassing op het exploitatiesaldo.

2.

Het boekjaar is gelijk aan het kalenderjaar.

3.

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de inhoud en inrichting van de jaarrekening, waaronder regels over de wijze waarop inzicht wordt gegeven in de kosten van de programmering.

4.

Regels over de wijze waarop inzicht wordt gegeven in de kosten van de programmering of wijzigingen van die regels worden niet eerder vastgesteld dan vier weken nadat een ontwerp daarvan aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.

Artikel 2.173

Het Commissariaat brengt als onderdeel van het financieel verslag, bedoeld in artikel 7.7, verslag uit over de rechtmatigheidstoetsing.

Paragraaf 2.6.2.1. Begroting

Artikel 2.174
1.

De landelijke publieke media-instellingen kunnen met toestemming van de raad van bestuur en onder de door hem te stellen voorwaarden, die per instelling of categorie van instellingen kunnen verschillen, gelden voor de verzorging van media-aanbod reserveren. De NPO kan gelden die bestemd zijn voor de verzorging van media-aanbod door de landelijke publieke media-instellingen, reserveren. De NPO kan tevens gelden die bestemd zijn voor de uitvoering van zijn taken en werkzaamheden, reserveren.

2.

Het totaal van de gereserveerde gelden in een kalenderjaar bedraagt niet meer dan tien procent van de uitgaven van de NPO en de landelijke publieke media-instellingen met uitzondering van de uitgaven aan verenigingsactiviteiten, zoals opgenomen in de jaarrekening, bedoeld in artikel 2.171, tweede en derde lid.

3.

Gelden die in strijd met het eerste lid zijn gereserveerd, worden terugbetaald aan de raad van bestuur.

Artikel 2.175
1.

De regionale publieke media-instellingen kunnen met toestemming van het Commissariaat en onder door hem te stellen voorwaarden, die per instelling kunnen verschillen, gelden voor de verzorging van media-aanbod reserveren. De RPO kan gelden reserveren die bestemd zijn voor de uitvoering van haar taken en werkzaamheden.

2.

Het totaal van de gereserveerde gelden in een kalenderjaar bedraagt niet meer dan tien procent van de uitgaven van een regionale publieke media-instelling of de RPO.

3.

Gelden die in strijd met het eerste lid zijn gereserveerd, worden terugbetaald aan het Commissariaat.

Artikel 2.176
1.

Gereserveerde gelden voor de verzorging van media-aanbod worden in het volgende kalenderjaar besteed aan de doelen waarvoor zij oorspronkelijk bestemd zijn.

2.

Onze Minister kan voor de landelijke publieke media-instellingen op verzoek van de raad van bestuur ontheffing verlenen van het eerste lid. Onze Minister kan aan een ontheffing voorschriften verbinden.

3.

Het Commissariaat kan op verzoek van een regionale publieke media-instelling ontheffing verlenen van het eerste lid. Het Commissariaat kan aan een ontheffing voorschriften verbinden.

Artikel 2.177
1.

Gelden die in strijd met het bepaalde bij of krachtens deze wet zijn gebruikt of die in strijd met de artikelen 2.174, tweede lid, 2.174a, eerste lid, en 2.175, eerste lid, zijn gereserveerd, of die in strijd met artikel 2.174a, tweede lid, tweede volzin, niet zijn ontvangen, vordert het Commissariaat van de NPO, de RPO of de landelijke of regionale publieke media-instelling terug.

2.

Teruggevorderde gelden worden toegevoegd aan de algemene mediareserve.

Paragraaf 2.6.2.2. Vaststelling budgetten

Artikel 2.178
1.

De landelijke en regionale publieke media-instellingen en de Ster richten hun organisatie zodanig in dat een deugdelijke inrichting, sturing en beheersing van de bedrijfsprocessen gewaarborgd is.

2.

De landelijke en regionale publieke media-instellingen en de Ster voeren een deugdelijke administratie waaruit te allen tijde Onze Minister, de raad van bestuur en het Commissariaat elk de benodigde informatie die zij voor de uitvoering van hun taken nodig hebben, op eenduidige wijze kunnen verkrijgen.

3.

De landelijke publieke media-instelling die samenwerkingsomroep is, draagt ervoor zorg dat de omroepverenigingen die hij vertegenwoordigt, overeenkomstig het eerste en tweede lid handelen.

4.

De raad van bestuur en het Commissariaat bevorderen dat onderscheidenlijk de landelijke publieke media-instellingen en de regionale publieke media-instellingen een eenduidige financiële boekhouding voeren.

Artikel 2.179

Vervallen

Afdeling 2.6.1. Algemene bekostigingsaanspraak

Artikel 2.180
1.

De instellingen die door Onze Minister zijn aangewezen voor het in stand houden en exploiteren van omroeporkesten en omroepkoren, van een media-archief en van een expertisecentrum voor media-educatie dienen eenmaal per vijf jaar bij Onze Minister een meerjarenplan voor de volgende periode van vijf jaar in.

2.

De meerjarenplannen zijn afgestemd op het voor de desbetreffende periode geldende concessiebeleidsplan voor de landelijke publieke mediadienst.

Artikel 2.181
1.

De instellingen dienen jaarlijks vóór 15 september een begroting in bij Onze Minister.

2.

De instellingen dienen jaarlijks vóór 1 mei bij Onze Minister een jaarrekening over het voorafgaande kalenderjaar in.

Artikel 2.182
1.

De meerjarenplannen en de jaarrekeningen behoeven de instemming van Onze Minister.

2.

Met betrekking tot de meerjarenplannen hoort Onze Minister de NPO.

Artikel 2.183
1.

Onze Minister stelt uit de rijksmediabijdrage en de inkomsten van de Ster, aan de instellingen een bijdrage in de kosten ter beschikking. Onze Minister stelt de bijdrage voor de instelling die is aangewezen voor het in stand houden en exploiteren van omroeporkesten en omroepkoren door tussenkomst van het Commissariaat ter beschikking van de raad van bestuur, die de bijdrage ter beschikking stelt aan de instelling.

2.

Onze Minister kan aan een besluit tot het ter beschikking stellen van bijdragen voorschriften verbinden.

3.

Als een instelling niet voldoet aan de artikelen 2.180 en 2.181 of de aan een besluit tot het ter beschikking stellen van bijdragen verbonden voorschriften niet naleeft, kan Onze Minister:

Titel 2.7. Evaluatie

Artikel 2.184
1.

De NPO evalueert regelmatig de wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan de publieke mediaopdracht.

2.

Een evaluatie vindt in elk geval eens in de vijf jaar plaats.

3.

Als de evaluatiecommissie in haar rapportage, bedoeld in artikel 2.186, eerste lid, heeft vastgesteld dat er gegronde redenen zijn aan te nemen dat een omroeporganisatie onvoldoende heeft bijgedragen aan de uitvoering van de publieke mediaopdracht op landelijk niveau door de wijze waarop zij uitvoering heeft gegeven aan de publieke taak, bedoeld in artikel 2.24, eerste lid, onderdeel b, of 2.24a, eerste lid, onderdeel b, vindt in afwijking van het tweede lid in elk geval binnen twee jaar en vier jaar na het tijdstip waarop deze rapportage is uitgebracht een eerste respectievelijk tweede evaluatie plaats van de wijze waarop de betreffende omroeporganisatie uitvoering geeft aan deze publieke taak.

4.

Het derde lid is van overeenkomstige toepassing op de NTR en de NOS en de wijze waarop zij uitvoering hebben gegeven aan hun wettelijke taak.

Artikel 2.185
1.

De NPO stelt een commissie in die tot taak heeft de evaluatie te verrichten voor de duur van de evaluatie. De commissie bestaat uit ten minste vijf onafhankelijke deskundigen en is zo veel mogelijk representatief voor het kijk- en luisterpubliek.

2.

De leden van de evaluatiecommissie worden op voordracht van de raad van bestuur benoemd door de raad van toezicht, gehoord Onze Minister.

Artikel 2.186
1.

De evaluatiecommissie rapporteert in elk geval over:

2.

De evaluatiecommissie rapporteert over de wijze waarop omroeporganisaties, de NTR of de NOS afzonderlijk uitvoering hebben gegeven aan de publieke mediaopdracht op landelijk niveau als bedoeld in artikel 2.184, derde en vierde lid.

Artikel 2.187
1.

De evaluatiecommissie kan aanbevelingen doen over de wijze waarop aan de publieke mediaopdracht in de komende jaren uitvoering wordt gegeven.

2.

De evaluatiecommissie brengt op een bij ministeriële regeling te bepalen tijdstip rapport uit aan de raad van toezicht van de NPO, die het aan Onze Minister zendt en openbaar maakt.

Hoofdstuk 3. Commerciële omroepdiensten

Titel 3.1. Toestemming

Artikel 3.1
1.

Onverminderd het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet is het verzorgen van een commerciële omroepdienst alleen toegestaan met toestemming van het Commissariaat.

2.

In afwijking van het eerste lid is artikel 3.29b van overeenkomstige toepassing voor zover de commerciële omroepdienst bestaat uit het verzorgen van radioprogramma-aanbod via het open internet.

3.

Als een commerciële media-instelling meerdere programmakanalen verzorgt, is voor ieder programmakanaal afzonderlijk toestemming nodig.

4.

Als een commerciële media-instelling het door een derde aangeleverde programma-aanbod van een programmakanaal wijzigt, heeft die commerciële media-instelling voor het gewijzigde programmakanaal toestemming nodig.

5.

Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de wijze waarop aanvragen voor een toestemming worden ingediend.

Artikel 3.2
1.

Een toestemming wordt op aanvraag verleend en geldt voor vijf jaar.

2.

Een toestemming is niet overdraagbaar en vervalt van rechtswege na afloop van de toestemmingsperiode.

3.

In de toestemming wordt aangegeven of deze betrekking heeft op televisieomroep of op radio-omroep.

4.

Op grond van een toestemming voor televisieomroep is het tevens toegestaan teletekst te verzorgen.

Artikel 3.3

Het Commissariaat kan een aanvraag afwijzen als:

Artikel 3.4
1.

Het Commissariaat trekt een toestemming in als de commerciële media-instelling:

2.

Het Commissariaat kan een toestemming intrekken als de commerciële media-instelling:

Titel 2.7. Evaluatie

Afdeling 3.2.1. Verantwoordelijkheid

Artikel 3.5
1.

Een commerciële media-instelling bepaalt, onverminderd het bepaalde bij of krachtens deze wet, vorm en inhoud van het door haar verzorgde programma-aanbod en is daar verantwoordelijk voor.

2.

Een commerciële media-instelling brengt in overeenstemming met de werknemers die zijn belast met de verzorging en samenstelling van het programma-aanbod een redactiestatuut tot stand waarin de journalistieke rechten en plichten van deze werknemers worden geregeld.

3.

Een commerciële media-instelling neemt passende maatregelen om te voorkomen dat het aanbod van haar mediadiensten aanzet tot geweld of haat jegens een groep personen of een lid van een groep, op een van de gronden genoemd in artikel 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, of uitlokt tot het plegen van een terroristisch misdrijf.

Afdeling 2.6.4. Algemene mediareserve

Artikel 3.6
1.

Een commerciële media-instelling die reclame- of telewinkelboodschappen in het programma-aanbod opneemt, is aangesloten bij de Nederlandse Reclame Code of een vergelijkbare door de Stichting Reclame Code tot stand gebrachte regeling en ter zake onderworpen aan het toezicht van de Stichting Reclame Code.

2.

Aansluiting wordt aangetoond door een schriftelijke verklaring van de Stichting Reclame Code aan het Commissariaat over te leggen.

Artikel 3.7
1.

Reclame- en telewinkelboodschappen zijn door akoestische, visuele of ruimtelijke middelen duidelijk onderscheiden van de overige inhoud van het programma-aanbod.

2.

Het programma-aanbod bevat geen reclame- en telewinkelboodschappen voor:

3.

In de naam van een programmakanaal mogen namen of (beeld-)merken van personen, bedrijven of instellingen op neutrale wijze worden vermeld of getoond.

4.

Het Commissariaat kan nadere regels stellen voor de vermelding of vertoning, bedoeld in het derde lid, welke regels de goedkeuring behoeven van Onze Minister.

5.

Het televisieprogramma-aanbod bevat voorts geen reclame- en telewinkelboodschappen voor:

6.

Het vijfde lid, onder a, is van overeenkomstige toepassing op radioprogramma-aanbod.

Artikel 3.8
1.

Het programma-aanbod op een programmakanaal bestaat voor niet meer dan twintig procent van de tijdvakken tussen 06:00 uur en 18:00 uur en tussen 18:00 uur en 24:00 uur uit reclame- of telewinkelboodschappen.

2.

Met inachtneming van deze afdeling kunnen in het programma-aanbod bestaande uit het verslag of de weergave van sportevenementen afzonderlijke reclame- of telewinkelboodschappen worden geplaatst en in het overige programma-aanbod bij uitzondering.

Artikel 3.9
1.

In het programma-aanbod op een programmakanaal duren blokken van telewinkelboodschappen zonder onderbreking ten minste vijftien minuten.

2.

Blokken van telewinkelboodschappen zijn gedurende de gehele duur daarvan door visuele en akoestische middelen duidelijk als zodanig herkenbaar.

3.

Artikel 3.8, eerste en tweede lid, is niet van toepassing op de telewinkelblokken.

Artikel 3.10
1.

In programma’s worden alleen reclame- of telewinkelboodschappen opgenomen als deze geen afbreuk doen aan de integriteit, het karakter of de samenhang van het desbetreffende programma of aan de rechten van rechthebbenden.

2.

In programma’s die bestaan uit de weergave van kerkelijke of geestelijke samenkomsten worden geen reclame- of telewinkelboodschappen opgenomen.

3.

In programma’s die in het bijzonder bestemd zijn voor kinderen jonger dan twaalf jaar worden geen telewinkelboodschappen opgenomen.

Artikel 3.11
1.

In de volgende programma’s worden ten hoogste eenmaal per geprogrammeerd tijdvak van dertig minuten reclame- of telewinkelboodschappen opgenomen:

2.

In programma’s die in het bijzonder bestemd zijn voor kinderen jonger dan twaalf jaar worden ten hoogste eenmaal per geprogrammeerd tijdvak van dertig minuten reclameboodschappen opgenomen, mits de geprogrammeerde duur van het programma meer dan dertig minuten bedraagt.

Artikel 3.12

Vervallen

Artikel 3.13

In televisieprogramma’s die bestaan uit het verslag van een evenement worden alleen reclame- of telewinkelboodschappen opgenomen tijdens de in het evenement voorkomende gebruikelijke pauzes of tussen de daarin voorkomende gebruikelijke zelfstandige onderdelen.

Artikel 3.14
1.

In afwijking van de artikelen 3.8 en 3.11 mag een televisieprogrammakanaal worden verzorgd dat:

2.

In het programma-aanbod van een televisieprogrammakanaal als bedoeld in het eerste lid mogen andere reclameboodschappen worden opgenomen met inachtneming van de bepalingen die gelden voor het opnemen van reclameboodschappen in televisieprogramma-aanbod.

Afdeling 3.2.1. Verantwoordelijkheid

Artikel 3.15
1.

Programma-aanbod wordt alleen gesponsord als in het redactiestatuut, bedoeld in artikel 3.5, tweede lid, waarborgen zijn opgenomen voor de redactionele onafhankelijkheid van de werknemers die belast zijn met de verzorging en samenstelling van het programma-aanbod ten opzichte van de sponsors.

2.

Programma-aanbod bestaande uit nieuws, actualiteiten of politieke informatie wordt niet gesponsord.

Artikel 3.16
1.

Bij gesponsord programma-aanbod wordt ter informatie van het publiek duidelijk vermeld dat en door wie het programma-aanbod is gesponsord.

2.

De vermelding is zodanig vormgegeven dat:

3.

Bij een gesponsord programma vindt de vermelding plaats aan het begin of het einde van het programma en kan de vermelding daarnaast plaatsvinden aan het begin of het einde van de in het programma opgenomen reclameboodschap of reclameboodschappen.

Artikel 3.17
1.

In gesponsord programma-aanbod mogen:

2.

Het vermelden en vertonen als bedoeld in het eerste lid mogen het publiek niet door middel van specifieke aanprijzingen aansporen tot het kopen of huren van producten of afname van diensten van de sponsors.

3.

Het Commissariaat kan nadere regels stellen voor de vertoning of vermelding in de titel, welke regels de goedkeuring behoeven van Onze Minister.

Artikel 3.18

Artikel 3.16, eerste tot en met derde lid, is van overeenkomstige toepassing als een andere instelling dan bedoeld in de begripsomschrijving van sponsoring in artikel 1.1 een bijdrage heeft gegeven voor de productie of aankoop van programma-aanbod om de verspreiding daarvan te bevorderen of mogelijk te maken.

Artikel 3.19
1.

Bij programma-aanbod dat bestaat uit het verslag of de weergave van een evenement dat niet voornamelijk bestemd is om als programma te worden uitgezonden, mogen de namen of (beeld)merken van die personen, bedrijven of instellingen, die een financiële of andere bijdrage hebben gegeven voor de totstandkoming van het evenement worden vermeld of getoond.

2.

Artikel 3.16, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

3.

Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op situaties die vallen onder het verbod op sponsoring op grond van artikel 5 van de Tabaks- en rookwarenwet.

Afdeling 2.6.6. Financiële verantwoording landelijke en regionale publieke mediadiensten

Paragraaf 2.6.6.1. Rechtmatigheidstoetsing en jaarrekening

Artikel 3.20
1.

Op een televisieprogrammakanaal bestaat het programma-aanbod voor ten minste vijftig procent van de duur uit Europese producties in de zin van artikel 1 van de Europese richtlijn.

2.

Het Commissariaat kan in bijzondere gevallen ten aanzien van een bepaalde commerciële media-instelling gedeeltelijke ontheffing verlenen van het eerste lid, met dien verstande dat het percentage niet lager gesteld kan worden dan tien. Het Commissariaat kan aan een ontheffing voorschriften verbinden.

Artikel 3.21
1.

Op een televisieprogrammakanaal bestaat het programma-aanbod uit ten minste tien procent van de duur uit producties als bedoeld in artikel 3.20, eerste lid, die kunnen worden aangemerkt als onafhankelijke producties.

2.

Ten minste een derde deel van de producties, bedoeld in het eerste lid, is niet ouder dan vijf jaar.

Artikel 3.22
1.

Als onafhankelijke productie wordt aangemerkt programma-aanbod dat niet geproduceerd is door:

2.

Bij algemene maatregel van bestuur:

Artikel 3.23
1.

Voor de toepassing van de artikelen 3.20 tot en met 3.22 blijft buiten beschouwing programma-aanbod dat:

2.

De artikelen 3.20 tot en met 3.22 zijn niet van toepassing op:

Paragraaf 2.6.6.2. Reservering en terugvordering

Artikel 3.24
1.

Op een televisieprogrammakanaal bestaat het programma-aanbod voor ten minste veertig procent uit oorspronkelijk Nederlands- of Friestalige producties.

2.

Het Commissariaat kan in bijzondere gevallen geheel of gedeeltelijk ontheffing verlenen van het eerste lid. Het Commissariaat kan aan een ontheffing voorschriften verbinden.

Artikel 3.25
1.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de ondertiteling van televisieprogramma’s, waarbij onder meer kan worden bepaald welk percentage van het programma-aanbod, bedoeld in artikel 3.24, eerste lid, voorzien is van ondertiteling ten behoeve van personen met een auditieve beperking.

2.

Het Commissariaat kan in bijzondere gevallen geheel of gedeeltelijk ontheffing verlenen van een verplichting betreffende het percentage, bedoeld in het eerste lid. Het Commissariaat kan aan een ontheffing voorschriften verbinden.

Paragraaf 2.6.6.3. Overige bepalingen

Artikel 3.26

In het programma-aanbod worden geen films opgenomen buiten de met de rechthebbenden overeengekomen periodes.

Afdeling 2.6.6. Financiële verantwoording landelijke en regionale publieke mediadiensten

Artikel 3.27
1.

Een commerciële media-instelling brengt jaarlijks verslag uit aan het Commissariaat over de maatregelen die zij treft om de toegankelijkheid van het audiovisuele media-aanbod voor personen met een handicap verder te ontwikkelen.

2.

Het Commissariaat brengt uiterlijk 19 december 2022 en vervolgens om de drie jaar verslag uit aan de Europese Commissie over de uitvoering van het eerste lid.

Artikel 3.28

Vervallen

Artikel 3.29

De artikelen 3.8, 3.9, eerste en derde lid, 3.10, tweede lid, 3.11 tot en met 3.14 en 3.19 tot en met 3.26 zijn niet van toepassing op programma-aanbod dat niet direct of indirect buiten Nederland ontvangen kan worden en dat:

Titel 2.7. Evaluatie

Artikel 3.30
1.

Een commerciële media-instelling is aan het Commissariaat jaarlijks kosten verbonden aan het toezicht verschuldigd voor elke verkregen toestemming en voor elke van haar mediadiensten op aanvraag.

2.

Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de vaststelling van de toezichtskosten, bedoeld in het eerste lid, waarbij in elk geval:

3.

Het Commissariaat kan de verschuldigde toezichtskosten invorderen bij dwangbevel.

Artikel 3.31

Vervallen

Hoofdstuk 4. Bescherming jeugdigen

Artikel 4.1
1.

Het audiovisueel media-aanbod mag alleen dan aanbod bevatten dat schade kan toebrengen aan de lichamelijke, geestelijke of morele ontwikkeling van personen jonger dan zestien jaar, als de instelling die verantwoordelijk is voor de inhoud van het aanbod is aangesloten bij de door Onze Minister erkende organisatie, bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, en ter zake gebonden is aan de regels en het toezicht daarop van die organisatie met betrekking tot het verspreiden van het hiervoor bedoelde aanbod.

2.

De instelling die is aangesloten bij de door Onze Minister erkende organisatie, bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, toont dit aan door een schriftelijke verklaring van de erkende organisatie aan het Commissariaat over te leggen.

3.

Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing voor zover het audiovisueel media-aanbod wordt aangeboden in een andere lidstaat van de Europese Unie en de aanbieder daarvan aan het Commissariaat heeft aangetoond dat de bescherming van personen jonger dan zestien jaar tegen het betreffende audiovisuele media-aanbod ten minste overeenkomstig is aan het beschermingsniveau als bedoeld in artikel 4.2.

Artikel 4.2
1.

Onze Minister kan een organisatie erkennen die voorziet in regelingen omtrent classificatie en het verspreiden van aanbod als bedoeld in artikel 4.1, tweede lid, en het toezicht daarop.

2.

De regelingen hebben in ieder geval betrekking op:

Artikel 4.3
1.

Een organisatie komt slechts voor erkenning in aanmerking als:

2.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de eisen bedoeld in het eerste lid en kunnen andere eisen voor erkenning worden gesteld.

3.

Aan een erkenning kunnen voorschriften worden verbonden.

Artikel 4.4
1.

Onze Minister trekt een erkenning in als de erkende organisatie niet meer voldoet aan de artikelen 4.2 en 4.3, eerste lid.

2.

Onze Minister kan een erkenning intrekken als de erkende organisatie niet voldoet aan de nadere regels en andere eisen, bedoeld in artikel 4.3, tweede lid, of de voorschriften, bedoeld in artikel 4.3, derde lid.

Artikel 4.5

Van een beschikking tot erkenning en intrekking van een erkenning wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.

Artikel 4.6

Vervallen

Hoofdstuk 5. Evenementen van aanzienlijk belang voor de samenleving

Artikel 5.1
1.

Bij algemene maatregel van bestuur wordt een lijst vastgesteld van evenementen die, wanneer zij als een televisieprogramma worden verspreid, in ieder geval worden verspreid op een open televisieprogrammakanaal, en kan worden bepaald welke van die evenementen tevens worden aangemerkt als evenementen als bedoeld in artikel 14 van de Europese richtlijn.

2.

Een evenement kan op de lijst worden geplaatst als in ieder geval wordt voldaan aan twee van de volgende voorwaarden:

Artikel 5.2

Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld ter uitvoering van de verplichting, bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, waarbij in ieder geval wordt bepaald of de op de lijst genoemde evenementen, wanneer zij als televisieprogramma worden verspreid, in ieder geval worden verspreid op een open televisieprogrammakanaal door middel van volledige of gedeeltelijke rechtstreekse verslaggeving dan wel door middel van volledige of gedeeltelijke uitgestelde verslaggeving.

Artikel 5.3
1.

Publieke media-instellingen en commerciële media-instellingen oefenen verworven verspreidingsrechten die betrekking hebben op evenementen die zijn vermeld op de lijst van evenementen uit overeenkomstig de krachtens artikel 5.2 gestelde regels.

2.

De instellingen oefenen na 30 juli 1997 verworven uitzendrechten uit overeenkomstig de regels die door andere lidstaten van de Europese Unie overeenkomstig artikel 14, van de Europese richtlijn zijn gesteld.

Hoofdstuk 6. Bijzondere bepalingen over politieke partijen, overheid, beperkte omroepdiensten, omroepzenders, omroepnetwerken en frequentieruimte

Titel 2.7. Evaluatie

Afdeling 3.2.4. Europese producties, onafhankelijke producties, Nederlands- en Friestalige producties en films

Artikel 6.1
1.

Het Commissariaat wijst jaarlijks een aantal uren op de algemene programmakanalen van de landelijke publieke mediadienst toe aan politieke partijen die bij de laatstgehouden verkiezing van de leden van de Tweede of Eerste Kamer der Staten-Generaal een of meer zetels hebben verworven.

2.

Het Commissariaat wijst een aantal uren op de algemene programmakanalen van de landelijke publieke mediadienst toe aan:

3.

De uren, bedoeld in het tweede lid, zijn beschikbaar in een door het Commissariaat te bepalen periode die onmiddellijk vooraf gaat aan de dag die in Nederland voor de desbetreffende verkiezing is vastgesteld.

Artikel 6.2
1.

Als een politieke partij op grond van de artikelen 137c, 137d, 137e, 137f, 137g of 429quater van het Wetboek van Strafrecht is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke geldboete, wijst het Commissariaat in afwijking van artikel 6.1, eerste en tweede lid, aan deze politieke partij geen uren toe gedurende een periode die ingaat op de dag waarop de veroordeling onherroepelijk is geworden. Deze periode is:

2.

Als een politieke partij is veroordeeld wegens een terroristisch misdrijf als bedoeld in artikel 83 van het Wetboek van Strafrecht is, wijst het Commissariaat in afwijking van artikel 6.1, eerste en tweede lid, aan deze politieke partij geen uren toe gedurende een periode van vier jaar die ingaat op de dag waarop de veroordeling onherroepelijk is geworden.

3.

Als aan de lijst van een politieke partij aan de lijst waarvan op de dag waarop de veroordeling onherroepelijk wordt op grond van de Kieswet geen zetels zijn toegewezen, op grond van een verkiezing die plaatsvindt binnen een periode van twee jaar na die dag één of meer zetels worden toegewezen, gaat de periode gedurende welke aan deze politieke partij geen uren als bedoeld in artikel 6.1, eerste lid, worden toegewezen, in op de dag waarop de verkiezing heeft plaatsgevonden.

Artikel 6.3
1.

Na een veroordeling als bedoeld in artikel 6.2, eerste lid, worden aan de politieke partij, zo nodig in afwijking van artikel 6.2, eerste lid, onderdeel a, in ieder geval geen uren als bedoeld in artikel 6.1, tweede lid, toegewezen binnen twee jaar na de dag waarop de veroordeling onherroepelijk is geworden.

2.

Als aan een politieke partij met toepassing van artikel 6.2, eerste lid, geen uren meer worden toegewezen, dan vervallen met ingang van de dag waarop de veroordeling onherroepelijk is geworden van rechtswege ook de uren die al zijn toegewezen.

Artikel 6.4

Een politieke partij gebruikt de aan haar toegewezen uren geheel en alleen voor programma-aanbod op politiek terrein.

Afdeling 6.1.2. Overheid

Artikel 6.5
1.

Het Commissariaat wijst jaarlijks op aanvraag van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, een aantal uren op de algemene programmakanalen van de landelijke publieke mediadienst toe ten behoeve van overheidsvoorlichting.

2.

Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld over:

Artikel 6.6
1.

De toegewezen uren zijn beschikbaar voor Onze Ministers voor gebruik door overheidsinstellingen of personen die door hen zijn aangewezen.

2.

De toegewezen uren worden geheel gebruikt en alleen voor overheidsvoorlichting.

Afdeling 3.2.5. Overige bepalingen

Artikel 6.7
1.

Onze Minister stelt jaarlijks op advies van het Commissariaat en de NPO de totale hoeveelheid uren vast die op de algemene programmakanalen van de landelijke publieke mediadienst beschikbaar zijn voor politieke partijen en de overheid.

2.

Het Commissariaat kan in bijzondere gevallen of voor bijzondere doelen meer uren vaststellen.

Artikel 6.8

De artikelen 2.53, 2.59, 2.60, 2.88, eerste lid, 2.89, 2.106 tot en met 2.109, 2.114, 2.124, 2.139 en 2.142 en hoofdstuk 4 zijn van overeenkomstige toepassing op politieke partijen en de overheid en het gebruik van de aan hen toegewezen uren. De artikelen 2.59 en 2.60 zijn daarbij slechts van overeenkomstige toepassing voor zover het betreft de activiteiten die verband houden met het gebruik van de toegewezen uren.

Titel 3.2. Programma-aanbod

Artikel 6.9
1.

Het Commissariaat kan aan natuurlijke of rechtspersonen toestemming verlenen voor het via een omroepzender verzorgen van een omroepdienst voor een bijzonder doel, met een beperkt bereik en van beperkte duur. Het Commissariaat kan tevens de toestemming verlenen voor het verzorgen van een omroepdienst zonder beperkte duur voor zover dit aangewezen is gelet op de aard van de omroepdienst.

2.

Het Commissariaat kan aan een toestemming voorschriften verbinden.

Titel 6.3. Omroepzenders, omroepnetwerken en frequentieruimte

Afdeling 3.2.5. Overige bepalingen

Paragraaf 6.3.1.1. Verspreiding programma-aanbod

Artikel 6.10

De aanbieder van een omroepzender of een omroepnetwerk verspreidt geen programma-aanbod als de instelling die verantwoordelijk is voor vorm en inhoud van het desbetreffende programma-aanbod, krachtens deze wet of krachtens de op die instelling van toepassing zijnde buitenlandse regelgeving niet gerechtigd is voor verspreiding bestemd programma-aanbod te verzorgen. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing op een pakketaanbieder.

Artikel 6.11
1.

Het is de aanbieder van een omroepzender of een omroepnetwerk toegestaan via de omroepzender of het omroepnetwerk:

De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing op een pakketaanbieder.

2.

Hoofdstuk 4 is van overeenkomstige toepassing.

Paragraaf 6.3.1.2. Doorgifteverplichtingen omroepnetwerken

Artikel 6.12
1.

Deze paragraaf is van toepassing op pakketaanbieders die een of meer programmapakketten naar ten minste 100.000 abonnees in Nederland verspreiden of laten verspreiden.

2.

Als een pakketaanbieder programma-aanbod door middel van twee of meer omroepnetwerken of omroepzenders verspreidt of laat verspreiden, worden voor de toepassing van het eerste lid de desbetreffende aantallen abonnees samengevoegd.

3.

Als een pakketaanbieder een rechtspersoon is, worden voor de toepassing van dit artikel samengevoegd het aantal abonnees van die pakketaanbieder en de aantallen abonnees van de dochtermaatschappijen die de pakketaanbieder in stand houdt. Als de pakketaanbieder een rechtspersoon is en een dochtermaatschappij die door een andere pakketaanbieder in stand wordt gehouden, worden voor de toepassing van dit artikel samengevoegd het aantal abonnees van die dochtermaatschappij, het aantal abonnees van de pakketaanbieder die deze dochtermaatschappij in stand houdt, en de aantallen abonnees van de andere dochtermaatschappijen die deze pakketaanbieder in stand houdt.

Artikel 6.13
1.

Als een pakketaanbieder een of meer digitale programmapakketten verspreidt of laat verspreiden, ontvangen alle abonnees die met hem een overeenkomst met betrekking tot de ontvangst van een of meer digitale programmapakketten hebben gesloten, in elk geval een digitaal standaardprogrammapakket.

2.

Het standaardprogrammapakket bestaat uit ten minste dertig televisieprogrammakanalen en een door de pakketaanbieder met inachtneming van het vierde lid te bepalen aantal radioprogrammakanalen. Bij ministeriële regeling kunnen diensten worden aangewezen waarvan het signaal als integraal onderdeel van de programmakanalen moet worden doorgegeven en kunnen nadere regels worden gesteld voor de doorgifte van deze diensten.

3.

Voor zover het betreft televisieprogrammakanalen, bevat het standaardprogrammapakket in elk geval:

4.

Voor zover het betreft radioprogrammakanalen, bevat het standaardprogrammapakket in elk geval:

5.

Bij de vaststelling of een pakketaanbieder heeft voldaan aan het vereiste, bedoeld in de eerste volzin van het tweede lid, worden de volgende regels in acht genomen:

Artikel 6.14
1.

Als een pakketaanbieder een of meer analoge programmapakketten verspreidt of laat verspreiden, ontvangen alle abonnees die met hem een overeenkomst met betrekking tot de ontvangst van een of meer analoge programmapakketten hebben gesloten, in elk geval een analoog standaardprogrammapakket.

2.

Het standaardprogrammapakket bestaat uit ten minste vijftien televisieprogrammakanalen en een door de pakketaanbieder met inachtneming van het vierde lid te bepalen aantal radioprogrammakanalen. De programmakanalen worden ongewijzigd verspreid.

3.

Artikel 6.13, derde lid, aanhef en onderdelen a, b, d en e, is van toepassing. Artikel 6.13, derde lid, aanhef en onderdeel f, is van toepassing met dien verstande dat het aantal televisieprogrammakanalen twee bedraagt.

4.

Artikel 6.13, vierde lid, aanhef en onderdelen a, b, c en d, is van toepassing. Artikel 6.13, vierde lid, aanhef en onderdeel e, is van toepassing met dien verstande dat het aantal radioprogrammakanalen twee bedraagt.

Paragraaf 3.2.4.1. Europese en onafhankelijke producties

Artikel 6.15

Artikel 6.12 is van toepassing.

Artikel 6.16
1.

Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat een pakketaanbieder voorziet in de instelling van een geschillencommissie voor de behandeling van klachten van abonnees over de samenstelling van het digitale standaardprogrammapakket.

2.

Als het eerste lid toepassing heeft gevonden, kunnen twee of meer pakketaanbieders besluiten gezamenlijk een geschillencommissie als bedoeld in het eerste lid in te stellen.

3.

Als het eerste lid toepassing heeft gevonden, worden bij ministeriële regeling tevens voorschriften gegeven over de wijze van behandeling van de klachten, de samenstelling van de geschillencommissie en over de gevolgen van de beslissing van de geschillencommissie in geval van gegrondheid van een klacht.

Artikel 6.17

Vervallen

Artikel 6.18

Vervallen

Artikel 6.19

Vervallen

Artikel 6.20

Vervallen

Artikel 6.21

Vervallen

Artikel 6.22

Vervallen

Afdeling 6.3.2. Gebruik frequentieruimte

Artikel 6.23
1.

Onze Minister, in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken, wijst de frequentieruimte in de FM-band aan die wordt gebruikt voor het verspreiden van radioprogramma-aanbod dat overwegend bestaat uit Nederlandstalige muziek. Bij ministeriële regeling wordt nader omschreven in welke gevallen radioprogramma-aanbod aan deze eis voldoet.

2.

Onze Minister, in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken, wijst andere frequentieruimte in de FM-band aan die slechts mag worden gebruikt voor het verspreiden van bij die aanwijzing vast te stellen categorieën radioprogramma-aanbod dat, gelet op de aard, inhoud of doelgroep, verhoudingsgewijs lage inkomsten uit reclame of verhoudingsgewijs hoge kosten meebrengt.

3.

Als aard en omvang van de frequentieruimte in de FM-band die beschikbaar is voor het verspreiden van radioprogramma-aanbod daartoe aanleiding geven, kan Onze Minister, in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken, afzien van het aanwijzen van frequentieruimte in de FM-band op grond van het eerste en tweede lid.

Artikel 6.24

Vervallen

Artikel 6.25

Artikel 6.23 is niet van toepassing op:

Titel 6.2. Toestemming omroepdiensten voor bijzondere doelen

Hoofdstuk 6. Bijzondere bepalingen over politieke partijen, overheid, beperkte omroepdiensten, omroepzenders, omroepnetwerken en frequentieruimte

Titel 6.1. Politieke partijen en overheid

Artikel 7.1
1.

Er is een Commissariaat voor de Media.

2.

Het Commissariaat heeft rechtspersoonlijkheid en is gevestigd in de gemeente Hilversum.

3.

Het Commissariaat is belast met de uitvoering van taken die hem zijn opgedragen bij of krachtens deze wet en andere wetten.

Artikel 7.2

Op het Commissariaat is de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen van toepassing met uitzondering van artikel 17 voor zover het betreft het bepaalde in artikel 2.139, zesde lid, van de Mediawet 2008.

Artikel 7.3
1.

Het Commissariaat bestaat uit een voorzitter en twee of vier andere leden.

2.

Een benoeming geschiedt voor vijf jaar en herbenoeming voor een aansluitende periode is eenmaal mogelijk.

3.

Onverminderd artikel 12 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen gebeurt benoeming door Onze Minister van de leden van het Commissariaat op de zwaarwegende voordracht van het Commissariaat en met inachtneming van het vierde tot en met twaalfde lid.

4.

Bij een vacature draagt het Commissariaat zorg voor de procedure die leidt tot de voordracht, bedoeld in het derde lid.

5.

Het Commissariaat stelt profielschetsen op voor de vacature en voor het Commissariaat als geheel.

6.

De profielschetsen behoeven de instemming van Onze Minister.

7.

Het Commissariaat maakt de profielschetsen na de instemming openbaar.

8.

Voor de selectie van kandidaten stelt het Commissariaat een onafhankelijke benoemingsadviescommissie in.

9.

De benoemingsadviescommissie is samengesteld uit een gelijk aantal onafhankelijke leden, leden namens het Commissariaat en leden namens Onze Minister.

10.

Het advies van de benoemingsadviescommissie berust op unanieme besluitvorming.

11.

De benoemingsadviescommissie brengt aan het Commissariaat een bindend advies uit.

12.

De voordracht van het Commissariaat aan Onze Minister is gemotiveerd, waarbij in elk geval wordt ingegaan op de geschiktheid, de profielschetsen, de positie van de kandidaat in het rooster van aftreden en de procedure die heeft geleid tot de voordracht.

13.

Onze Minister neemt de voordracht over, tenzij deze in strijd is met:

Artikel 7.4

Onverminderd artikel 13 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen zijn onverenigbaar met het lidmaatschap van het Commissariaat:

Artikel 7.5
1.

Het Commissariaat neemt besluiten bij meerderheid van stemmen.

2.

Het Commissariaat kan alleen met instemming van alle leden aan één of meer van zijn leden mandaat en machtiging verlenen voor het uitvoeren van delen van zijn taak.

3.

Het Commissariaat stelt inzake zijn besluitvorming en werkwijze een bestuursreglement vast.

Artikel 7.6

De kosten van het Commissariaat worden door Onze Minister vergoed op basis van de door hem goedgekeurde begroting.

Artikel 7.7
1.

Onverminderd artikel 34 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen dient het Commissariaat jaarlijks voor 1 september bij Onze Minister een financieel verslag in over het beheer van de algemene mediareserve, bedoeld in artikel 2.166.

2.

Het financieel verslag gaat vergezeld van een verklaring omtrent de getrouwheid en de rechtmatigheid, afgegeven door een accountant als bedoeld in artikel 393 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek en behoeft de instemming van Onze Minister.

3.

Het Commissariaat maakt het financieel verslag openbaar.

Artikel 7.8

Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de inhoud en inrichting van de begroting, het financieel verslag en aandachtspunten voor de accountantscontrole.

Artikel 7.9
1.

Het Commissariaat zendt besluiten zo spoedig mogelijk na de bekendmaking aan Onze Minister.

2.

Besluiten van het Commissariaat kunnen binnen acht weken na ontvangst daarvan door Onze Minister dan wel gedurende de tijd dat het besluit is geschorst worden vernietigd.

3.

Besluiten van het Commissariaat kunnen binnen acht weken na ontvangst daarvan door Onze Minister worden geschorst.

4.

Van een besluit tot schorsing, opheffing of verlenging van de schorsing wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.

Artikel 7.10

Het Commissariaat plaatst besluiten tot vaststelling van nadere regels op grond van deze wet en tot vaststelling van beleidsregels over de uitvoering van zijn taken in de Staatscourant.

Titel 6.2. Toestemming omroepdiensten voor bijzondere doelen

Artikel 7.11
1.

Het Commissariaat is belast met de bestuursrechtelijke handhaving van het bepaalde bij of krachtens deze wet, met uitzondering van:

2.

Met het toezicht op de naleving zijn belast de leden van het Commissariaat en de bij besluit van het Commissariaat aangewezen medewerkers van het Commissariaat.

3.

Van een besluit als bedoeld in het tweede lid wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.

Artikel 7.12
1.

Bij overtreding van het bepaalde bij of krachtens deze wet, met uitzondering van de artikelen 2.34, eerste lid, 2.58, onderdelen a tot en met c, en e, 2.170, eerste tot en met zesde lid, en achtste en negende lid, en 2.170b, of van artikel 5:20, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan het Commissariaat aan de overtreder een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste € 225 000 per overtreding.

2.

De bestuurlijke boete bij overtreding van het bepaalde in artikel 2.34, eerste lid, bedraagt tien procent van het totale bedrag aan gelden dat gemiddeld in de kalenderjaren voorafgaand aan de overtreding tijdens de lopende erkenningperiode aan de omroeporganisatie ter beschikking is gesteld voor de verzorging van media-aanbod voor de landelijke publieke mediadienst.

Artikel 7.13

De te betalen geldsommen van de bestuurlijke boeten en dwangsommen komen toe aan Onze Minister en zijn bestemd voor door hem te bepalen mediadoelen in brede zin, met uitzondering van de bestuurlijke boete, bedoeld in artikel 7.12, tweede lid, die wordt toegevoegd aan de algemene mediareserve, bedoeld in artikel 2.166.

Artikel 7.14

Bij overtreding van het bepaalde bij of krachtens deze wet of artikel 5:20, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan het Commissariaat, naast of in plaats van het opleggen van een bestuurlijke boete en een last onder dwangsom:

Artikel 7.15

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2013/570.

1.

Bij een onherroepelijke veroordeling tot een onvoorwaardelijke geldboete op grond van artikel 137d van het Wetboek van Strafrecht verbiedt het Commissariaat:

2.

Een verbod geldt voor een periode van:

Artikel 7.16

Vervallen

Artikel 7.17

Bij intrekking of vermindering van uren kan het Commissariaat als dat nodig is de verdeling van de uren, bedoeld in de artikelen 6.1 en 6.5, herzien.

Artikel 7.18
1.

De publieke en commerciële media-instellingen, alsmede politieke partijen en de overheid bewaren gedurende twee weken na de uitzending opnamen van het door hen verzorgde programma-aanbod en stellen deze desgevraagd ter beschikking van het Commissariaat.

2.

Een media-instelling die een mediadienst op aanvraag verzorgt, bewaart haar media-aanbod nog gedurende twee weken vanaf het moment dat het aanbod niet meer op aanvraag kan worden afgenomen en stelt het desgevraagd ter beschikking van het Commissariaat.

Artikel 7.19
1.

De in artikel 7.11, tweede lid, bedoelde toezichthouders zijn bevoegd:

2.

De toezichthouders oefenen de in het eerste lid genoemde bevoegdheden zo nodig uit met behulp van de sterke arm.

Artikel 7.20
1.

Het Commissariaat stelt jaarlijks vóór 1 november Onze Minister in kennis van het voorgenomen handhavingsbeleid in het volgende kalenderjaar.

2.

Het Commissariaat oefent geen voorafgaand toezicht uit op de inhoud van media-aanbod.

Hoofdstuk 8. De pers

Titel 7.2. Toezicht en handhaving

Artikel 8.1
1.

Er is een Stimuleringsfonds voor de journalistiek.

2.

Het Stimuleringsfonds heeft rechtspersoonlijkheid en is gevestigd in de gemeente ’s-Gravenhage.

Artikel 8.2
1.

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

2.

Op het Stimuleringsfonds is de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen van toepassing met uitzondering van artikel 22.

Artikel 8.3
1.

Het Stimuleringsfonds heeft tot doel het handhaven en bevorderen van de pluriformiteit van de pers, voor zover die van belang is voor de informatie en opinievorming.

2.

Het Stimuleringsfonds is belast met:

Artikel 8.4
1.

Het Stimuleringsfonds heeft een bestuur dat bestaat uit een voorzitter en ten hoogste zes andere leden.

2.

Een benoeming geschiedt voor vijf jaar en herbenoeming voor een aansluitende periode is eenmaal mogelijk.

3.

Onverminderd artikel 12 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen gebeurt benoeming door Onze Minister van de leden van het bestuur op de voordracht van het bestuur en met inachtneming van het vierde tot en met negende lid.

4.

Bij een vacature draagt het bestuur zorg voor de procedure die leidt tot de voordracht, bedoeld in het derde lid.

5.

Het bestuur stelt profielschetsen op voor de vacature en voor het bestuur als geheel.

6.

De profielschetsen behoeven de instemming van Onze Minister.

7.

Het bestuur maakt de profielschetsen na de instemming openbaar.

8.

De voordracht van het bestuur aan Onze Minister is gemotiveerd, waarbij in elk geval wordt ingegaan op de geschiktheid, de profielschetsen, de positie van de kandidaat in het rooster van aftreden en de procedure die heeft geleid tot de voordracht.

9.

Onze Minister neemt de voordracht over, tenzij deze in strijd is met:

Artikel 8.5

Onverminderd artikel 13 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen zijn met het lidmaatschap van het bestuur van het Stimuleringsfonds onverenigbaar:

Artikel 8.6
1.

Het Stimuleringsfonds neemt besluiten bij meerderheid van stemmen.

2.

Het Stimuleringsfonds kan slechts met instemming van alle leden aan één of meer van zijn leden mandaat en machtiging verlenen voor het uitvoeren van delen van zijn taak.

3.

Het Stimuleringsfonds stelt inzake zijn besluitvorming en werkwijze een bestuursreglement vast.

Artikel 8.7

Onze Minister vergoedt uit de in artikel 8.8 bedoelde inkomsten en uit andere beschikbare financiële middelen de kosten van het Stimuleringsfonds op basis van de door hem goedgekeurde begroting.

Artikel 8.8
1.

Bij ministeriële regeling:

2.

Regionale en lokale publieke media-instellingen en commerciële media-instellingen voldoen jaarlijks het met toepassing van het eerste lid vastgestelde bedrag aan het Commissariaat, dat het ter beschikking stelt aan Onze Minister.

Artikel 8.9

Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de inrichting van de begroting, het financieel verslag en aandachtspunten voor de accountantscontrole.

Titel 7.1. Commissariaat voor de Media

Artikel 8.10
1.

Het Stimuleringsfonds kan binnen de door Onze Minister beschikbaar gestelde bedragen subsidie verstrekken op grond van deze titel.

2.

Subsidie wordt alleen verstrekt ten behoeve van persorganen die voldoen aan de volgende voorwaarden:

Artikel 8.11
1.

Het Stimuleringsfonds kan ten behoeve van een persorgaan aan de uitgever daarvan subsidie verstrekken in de vorm van kredieten of kredietfaciliteiten voor de uitvoering van een project dat gericht is op een rendabele exploitatie van het persorgaan.

2.

Subsidie wordt alleen verstrekt als:

3.

Uitsluitend ten behoeve van een eenmalige reorganisatie van een persorgaan kan de subsidie worden verstrekt in de vorm van een uitkering als het activiteitenplan niet op doeltreffende wijze kan worden uitgevoerd met kredieten of kredietfaciliteiten.

Artikel 8.12
1.

Het Stimuleringsfonds kan ten behoeve van het starten van de exploitatie van een persorgaan aan de uitgever daarvan subsidie verstrekken in de vorm van kredieten of kredietfaciliteiten.

2.

Subsidie wordt alleen verstrekt als:

3.

Subsidie kan worden verstrekt tot ten hoogste de helft van de in het activiteitenplan begrote kosten die zijn berekend volgens door het Stimuleringsfonds vast te stellen richtlijnen over een periode van ten hoogste vier jaar vanaf de start van de exploitatie.

4.

Als de werkelijke exploitatietekorten lager zijn dan de voorziene exploitatiekosten kan de subsidie lager worden vastgesteld tot ten hoogste vijfentwintig procent van de werkelijke exploitatietekorten.

Artikel 8.13
1.

Het Stimuleringsfonds kan ten behoeve van twee of meer persorganen gezamenlijk aan de uitgever of uitgevers daarvan subsidie verstrekken voor de uitvoering van een project gericht op het verbeteren van de exploitatiepositie van die persorganen.

2.

Subsidie wordt alleen verstrekt als:

Artikel 8.14
1.

Het Stimuleringsfonds kan voor het verrichten van organisatieonderzoek dat gericht is op structurele verbetering van de exploitatiepositie van een persorgaan aan de uitgever daarvan subsidie verstrekken.

2.

Subsidie wordt alleen verstrekt als:

3.

Subsidie kan worden verstrekt tot ten hoogste tweederde deel van de kosten van het onderzoek.

Titel 6.2. Toestemming omroepdiensten voor bijzondere doelen

Artikel 8.15
1.

Het Stimuleringsfonds kan subsidie verstrekken voor het verrichten van onderzoek ten behoeve van de persbedrijfstak als geheel.

2.

Subsidie wordt alleen verstrekt als:

Titel 6.1. Politieke partijen en overheid

Artikel 8.16
1.

Het Stimuleringsfonds kan ieder jaar subsidieplafonds vaststellen voor de verschillende activiteiten waarvoor subsidie kan worden verstrekt.

2.

Een besluit tot vaststelling van een subsidieplafond wordt in de Staatscourant bekendgemaakt.

Artikel 8.17
1.

Subsidies worden verstrekt op aanvraag.

2.

Het Stimuleringsfonds kan een aanvraag voorleggen aan een externe adviesinstantie.

3.

Het Stimuleringsfonds waarborgt dat vertrouwelijke gegevens betreffende de bedrijfsvoering van de aanvrager als zodanig behandeld worden.

Artikel 8.18

Verplichtingen die het Stimuleringsfonds aan een subsidieontvanger oplegt hebben geen betrekking op de inhoud van een persorgaan.

Artikel 8.19

Het Stimuleringsfonds doet van een besluit tot verlening van een subsidie binnen een week nadat het besluit is genomen mededeling in de Staatscourant, met vermelding van de hoogte van de subsidie.

Artikel 8.20
1.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over:

2.

Voorwaarden als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, hebben geen betrekking op de inhoud van een persorgaan.

Artikel 8.21
1.

Met het toezicht op de naleving van de bepalingen en voorschriften die op grond van dit hoofdstuk gelden voor subsidieontvangers zijn belast de leden van het Stimuleringsfonds en de bij besluit van het Stimuleringsfonds aangewezen medewerkers van het Stimuleringsfonds.

2.

Van een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.

Hoofdstuk 9. Overgangs- en slotbepalingen

Titel 7.2. Toezicht en handhaving

Titel 7.2. Toezicht en handhaving

Artikel 9.7

Voor de erkenningperiode die loopt van 1 januari 2016 tot en met 31 december 2020 kan Onze Minister met inachtneming van afdeling 2.2.2 en onverminderd artikel 9.8a de erkenningen, bedoeld in artikel 2.23, eerste lid, alleen verlenen aan:

Artikel 9.8
1.

In afwijking van artikel 2.32, eerste lid, onderdeel a, wijst Onze Minister een aanvraag voor een erkenning voor de periode die loopt van 1 januari 2016 tot en met 31 december 2020 eveneens af, als de aanvrager niet voldoet aan artikel 9.7.

2.

In afwijking van artikel 2.33, eerste lid, onderdeel a, trekt Onze Minister een erkenning voor de periode die loopt van 1 januari 2016 tot en met 31 december 2020 eveneens in, als de aanvrager niet meer voldoet aan artikel 9.7.

Artikel 9.9

De leden van de raad van toezicht van de Nederlandse Programma Stichting, bedoeld in artikel 2.36, zoals dat artikel luidde op de dag voorafgaande aan het tijdstip van inwerkingtreding van het onderdeel betreffende artikel 2.36 van de Wet van 6 november 2013 tot wijziging van de Mediawet 2008 teneinde het stelsel van de landelijke publieke omroep te moderniseren, zijn met ingang van dat tijdstip van inwerkingtreding, lid van de raad van toezicht van de NTR, bedoeld in artikel 2.36, zoals dat artikel luidt op dat tijdstip, voor het resterende gedeelte van hun benoemingstermijn. Deze leden van de raad van toezicht van de NTR kunnen voor een aansluitende periode van maximaal vier jaar eenmaal herbenoemd worden.

Artikel 9.10

Ten behoeve van de financiële verantwoording over het jaar 2015 blijven met betrekking tot kerkgenootschappen, genootschappen op geestelijke grondslag en rechtspersonen waarin twee of meer van deze genootschappen samenwerken waaraan een aanwijzing was verleend, bedoeld in artikel 2.42, zoals dat artikel luidde op 31 december 2015, de artikelen 2.171 tot en met 2.174 en 2.176 tot en met 2.178 van toepassing. De artikelen 2.138b en 2.179 zoals die artikelen luidden op 31 december 2015 zijn eveneens van toepassing.

Artikel 9.11

De vaststelling van het budget, bedoeld in artikel 2.149, eerste lid, onderdeel d, is voor de kalenderjaren 2014 en 2015 ten minste gebaseerd op de wettelijke grondslagen zoals die golden op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van het onderdeel betreffende artikel 2.149 van de Wet van 6 november 2013 tot wijziging van de Mediawet 2008 teneinde het stelsel van de landelijke publieke omroep te moderniseren, ten aanzien van de vaststelling van het budget van de Nederlandse Programma Stichting en de educatieve media-instelling die een erkenning had verkregen op grond van artikel 2.28, zoals dat artikel toen luidde.

Artikel 9.12
1.

In afwijking van artikel 2.150, derde lid, komt:

2.

Aan elk van de in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde omroeporganisaties wordt een gelijk deel van het budget, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, besteed.

Artikel 9.13

De artikelen 2.184 tot en met 2.187 blijven buiten toepassing voor de vijfjaarlijkse periode van de concessie, bedoeld in artikel 2.19, derde lid, die loopt van 1 september 2010 tot en met 31 december 2015.

Artikel 9.14
1.

Van overdrachtsbelasting zijn vrijgesteld verkrijgingen van onroerende zaken en de rechten waaraan deze zijn onderworpen, bij vorming van een omroeporganisatie als bedoeld in artikel 9.7, aanhef en onderdelen b en c.

2.

Het eerste lid is alleen van toepassing als de onroerende zaken en de rechten waaraan deze zijn onderworpen uiterlijk 1 juli 2015 worden verkregen vanwege fusie tot een omroepvereniging of oprichting van een samenwerkingsomroep.

3.

Als onroerende zaken en de rechten waaraan deze zijn onderworpen, die zijn verkregen onder toepassing van het eerste en tweede lid, als gevolg van het niet finaal tot stand komen van een omroeporganisatie worden verkregen door de inbrenger, is die verkrijging vrijgesteld van overdrachtsbelasting.

Artikel 9.15

De voordracht voor een krachtens de artikelen 2.21a, 2.34a, 2.116 of 2.136 vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.

Titel 8.2. Subsidieverstrekking ten behoeve van persorganen

Artikel 9.16

Onze Minister stelt regels ter uitvoering van artikel 22 van de Europese richtlijn, voor zover naar het oordeel van Onze Minister een of meer van deze artikelen niet, niet voldoende, niet juist of niet tijdig zijn uitgewerkt in de Nederlandse Reclame Code of in een vergelijkbare door de Stichting Reclame Code tot stand gebrachte regeling, dan wel de Stichting Reclame Code in gebreke blijft met het toezicht daarop.

Artikel 9.17

Een wijziging van de Europese richtlijn gaat voor de toepassing van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 1.2, 2.115 tot en met 2.121, 3.20 tot en met 3.23, en hoofdstuk 5 gelden met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijn uitvoering moet zijn gegeven.

Artikel 9.18

Na inwerkingtreding van deze wet:

Artikel 9.19

De Mediawet wordt ingetrokken.

Artikel 9.20
1.

Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

2.

Als deze wet na 31 december 2008 in werking treedt, werken de artikelen 2.143, 2.144 en 9.1, onderdeel a, terug tot en met 1 januari 2008.

Artikel 9.21
1.

Deze wet wordt aangehaald als: Mediawet 2008.

2.

Bij plaatsing in het Staatsblad wordt de in deze wet voorkomende aanduiding «20..» telkens vervangen door het jaartal van het Staatsblad waarin deze wet wordt geplaatst.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 2.21a
1.

Artikel 2.21, derde lid, is niet van toepassing, als bij wijze van experiment van beperkte omvang of duur media-aanbod via andere aanbodkanalen dan die, bedoeld in artikel 2.20, tweede lid, onderdelen b en c, wordt aangeboden. Een experiment dient om te onderzoeken of deze aanbodkanalen een bijdrage kunnen leveren aan de verwezenlijking van de publieke mediaopdracht op landelijk niveau.

2.

Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald wanneer sprake is van beperkte omvang of duur en kunnen nadere regels worden gesteld over het uitvoeren van experimenten.

Paragraaf 2.2.1.5. Media-aanbod

Afdeling 2.2.2. Omroeporganisaties

Afdeling 2.2.2a. Nederlandse Omroep Stichting

Afdeling 2.2.3. Nederlandse Programma Stichting

Artikel 2.35a

De organen van de NTR zijn een raad van toezicht, een algemeen directeur en een adviesraad.

Artikel 2.37a
1.

De raad van toezicht houdt toezicht op het beleid van de algemeen directeur, op de algemene gang van zaken binnen de NTR en op de pluriformiteit van het media-aanbod van de NTR en staat de algemeen directeur met advies terzijde.

2.

Bij de vervulling van hun taak richten de leden van de raad van toezicht zich naar het algemene belang van de NTR.

Artikel 2.37b
1.

De algemeen directeur van de NTR wordt benoemd, geschorst en ontslagen door de raad van toezicht.

2.

Artikel 2.37, eerste lid, aanhef en onderdelen b tot en met g, is van overeenkomstige toepassing op de algemeen directeur.

3.

De algemeen directeur is in dienst van de NTR. De raad van toezicht stelt zijn arbeidsvoorwaarden vast.

Artikel 2.37c
1.

De algemeen directeur bestuurt de NTR.

2.

De algemeen directeur is belast met de dagelijkse leiding en het financiële beheer van de NTR.

3.

De algemeen directeur is verder belast met datgene wat niet uitdrukkelijk tot de taken of bevoegdheden van de raad van toezicht behoort.

Afdeling 2.2.3. Stichting NTR

Afdeling 2.2.4. Kerkgenootschappen en genootschappen op geestelijke grondslag

Titel 2.3. Regionale en lokale publieke mediadiensten

Paragraaf 2.3.1. Aanwijzing

Titel 2.4. Wereldomroep

Paragraaf 2.4.1. Taken

Paragraaf 2.4.2. Organisatie

Paragraaf 2.4.2. Organisatie

Paragraaf 2.3.1a. Aanwijzing van regionale of lokale publieke media-instelling

Titel 2.5. Nadere voorschriften media-aanbod publieke mediadiensten

Afdeling 2.5.1. Verantwoordelijkheid en verplichtingen

Afdeling 2.5.2. Reclame en telewinkelen

Paragraaf 2.4.3. Informatie, jaarverslag en statuten

Paragraaf 2.4.4. Beleidsplan en prestatieovereenkomst

Afdeling 2.5.3. Sponsoring

Afdeling 2.5.2. Reclame en telewinkelen

Paragraaf 2.5.2.1. Algemene bepalingen

Afdeling 2.5.5. Stichting Stimuleringsfonds Nederlandse culturele mediaproducties

Paragraaf 2.5.2.3. Stichting Etherreclame

Paragraaf 2.5.4.2. Nederlands- en Friestalige producties

Paragraaf 2.5.4.3. Films

Afdeling 2.5.5. Stichting Stimuleringsfonds Nederlandse culturele mediaproducties

Artikel 2.138a
1.

Wanneer een omroeporganisatie uitvoering geeft aan het voornemen, bedoeld in artikel 2.138, eerste lid, draagt zij binnen vier maanden na afloop van de periode waarvoor een erkenning of een voorlopige erkenning als bedoeld in artikel 2.23 is verleend, zorg voor de vaststelling van een eindafrekening. De eindafrekening gaat vergezeld van een verklaring van een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. Artikel 2.171, eerste lid, is van overeenkomstige toepassing. Het Commissariaat kan de termijn, bedoeld in de eerste volzin, verlengen met een door hem te stellen termijn.

2.

Mede op basis van de eindafrekening, bedoeld in het eerste lid, stelt het Commissariaat het terug te betalen bedrag vast. Teruggevorderde bedragen voegt het Commissariaat toe aan de algemene mediareserve, bedoeld in artikel 2.166.

3.

In het geval, bedoeld in het eerste lid:

4.

Voor de toepassing van dit artikel wordt onder omroeporganisatie tevens begrepen haar rechtsopvolger of rechtsverkrijgende.

5.

Het eerste tot en met vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing, als:

Artikel 2.142a
1.

De NPO, de RPO, de landelijke en regionale publieke media-instellingen en de instellingen die door Onze Minister zijn aangewezen voor het in stand houden en exploiteren van omroeporkesten en omroepkoren, van een media-archief en van een expertisecentrum voor media-educatie, richten hun bestuurlijke organisatie zodanig in dat overeenkomstig hun statuten en reglementen:

2.

De NPO en de landelijke publieke media-instellingen volgen daarbij zo veel als mogelijk aanbevelingen uit de gedragscode, bedoeld in artikel 2.3, tweede lid.

3.

De landelijke publieke media-instelling die samenwerkingsomroep is, draagt ervoor zorg dat de omroepverenigingen die hij vertegenwoordigt, overeenkomstig het eerste en tweede lid handelen.

4.

Bij algemene maatregel van bestuur kan nader worden omschreven wanneer sprake is van een sobere, doelmatige en evenwichtige inrichting als bedoeld in het eerste lid, onder a.

Titel 2.6. Bekostiging publieke mediadiensten

Afdeling 2.6.1. Algemene bekostigingsaanspraak

Afdeling 2.6.2. Bekostiging landelijke publieke mediadienst

Paragraaf 2.6.2.1. Begroting

Paragraaf 2.5.5.3. Begroting en jaarrekening

Artikel 2.152a
1.

De raad van bestuur verdeelt het budget, bedoeld in artikel 2.149, eerste lid, aanhef en onder b, over de omroepverenigingen met een voorlopige erkenning, bedoeld in artikel 2.23, tweede lid, zodanig dat elke omroepvereniging met een voorlopige erkenning over een bedrag beschikt dat gelijk is aan vijftien procent van het bedrag voor een omroeporganisatie die met toepassing van artikel 2.152, derde lid, wordt ingedeeld als omroepvereniging als bedoeld in artikel 2.24.

2.

De NTR en de omroeporganisaties, bedoeld in artikel 2.26, eerste lid, onderdeel f, ontvangen de bedragen, bedoeld in het eerste lid en artikel 2.150, derde lid, van elk van de omroepverenigingen die een voorlopige erkenning hebben verkregen, ten beheer.

3.

De landelijke publieke media-instellingen, bedoeld in artikel 2.149, eerste lid, onderdelen a tot en met d, besteden de ontvangen bedragen en de budgetten aan de in de desbetreffende onderdelen genoemde doelen.

Paragraaf 2.6.2.2. Vaststelling budgetten

Paragraaf 2.6.3.1. Begroting

Paragraaf 2.6.3.2. Vaststelling budgetten

Afdeling 2.6.4. Algemene mediareserve

Afdeling 2.6.3. Bekostiging Wereldomroep

Artikel 2.170a
1.

Als een regionale publieke media-instelling voornemens is na afloop van de periode waarvoor een aanwijzing als bedoeld in artikel 2.61 is verleend, een commerciële omroepdienst te verzorgen of een belang te verwerven in een commerciële media- instelling, meldt zij dit aan het Commissariaat.

2.

Na de melding kan de regionale publieke media-instelling in het laatste jaar van de periode waarvoor een aanwijzing is verleend, activiteiten verrichten die noodzakelijk zijn om te zorgen dat zij of de rechtspersoon waarin zij een belang verwerft, na afloop van de periode waarvoor die aanwijzing is verleend, een commerciële omroepdienst kan verzorgen.

3.

Als een regionale publieke media-instelling uitvoering geeft aan het voornemen, bedoeld in het eerste lid, draagt zij binnen vier maanden na afloop van de periode waarvoor een aanwijzing is verleend, zorg voor de vaststelling van een eindafrekening. Artikel 2.138a, eerste lid, tweede, derde en vierde volzin, is van overeenkomstige toepassing.

4.

Mede op basis van de eindafrekening, bedoeld in het derde lid, stelt het Commissariaat het terug te betalen bedrag vast. Artikel 2.138a, tweede lid, tweede volzin, is van toepassing.

5.

In het geval, bedoeld in het derde lid:

6.

Voor de toepassing van het derde, vierde en vijfde lid wordt onder regionale publieke media-instelling tevens begrepen haar rechtsopvolger of rechtsverkrijgende.

7.

Als een regionale publieke media-instelling na afloop van de periode waarvoor een aanwijzing is verleend, niet opnieuw wordt aangewezen, draagt zij binnen vier maanden na afloop van de periode waarvoor die aanwijzing is verleend, zorg voor de vaststelling van een eindafrekening wat betreft de financiën die betrekking hebben op de verzorging van media-aanbod voor de regionale publieke mediadienst. Artikel 2.138a, eerste lid, tweede, derde en vierde volzin, is van overeenkomstige toepassing. Artikel 2.138a, tweede lid, is van toepassing.

8.

In het geval, bedoeld in het zevende lid, zijn het vijfde en zesde lid van overeenkomstige toepassing.

9.

Het zevende lid is eveneens van toepassing, als een aanwijzing overeenkomstig artikel 2.67 of artikel 2.68 wordt ingetrokken. Artikel 2.138a, eerste lid, tweede, derde en vierde volzin, is van overeenkomstige toepassing. Artikel 2.138a, tweede lid, is van toepassing.

10.

In het geval, bedoeld in het negende lid, zijn het vijfde en zesde lid van overeenkomstige toepassing.

Afdeling 2.6.1. Algemene bekostigingsaanspraak

Paragraaf 2.6.3.2. Vaststelling budgetten

Paragraaf 2.6.6.2. Reservering en terugvordering

Artikel 2.174a
1.

Omroeporganisaties die een erkenning of een voorlopige erkenning als bedoeld in artikel 2.23 hebben verkregen, kunnen netto inkomsten uit contributies en verenigingsactiviteiten als bedoeld in artikel 2.136 tot een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen bedrag reserveren voor die verenigingsactiviteiten.

2.

De landelijke publieke media-instelling die samenwerkingsomroep is, draagt ervoor zorg dat de omroepverenigingen die hij vertegenwoordigt, slechts tot een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen bedrag overeenkomstig het eerste lid reserveren voor eigen verenigingsactiviteiten. De instelling ontvangt jaarlijks aan het einde van het boekjaar, bedoeld in artikel 2.172, tweede lid, van de omroepverenigingen over dat boekjaar het deel van hun exploitatiesaldo dat overblijft na aftrek van de overeenkomstig de eerste volzin voor verenigingsactiviteiten gereserveerde gelden.

3.

Gelden die in strijd met het eerste lid zijn gereserveerd of in strijd met het tweede lid, tweede volzin, niet zijn ontvangen, worden terugbetaald aan de raad van bestuur.

Paragraaf 2.6.6.1. Rechtmatigheidstoetsing en jaarrekening

Afdeling 2.6.6. Financiële verantwoording landelijke en regionale publieke mediadiensten

Artikel 2.188
1.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden criteria vastgesteld op basis waarvan afzonderlijke landelijke publieke media-instellingen worden geëvalueerd als bedoeld in artikel 2.186, tweede lid.

2.

De voordracht voor een krachtens het eerste lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet gedaan dan nadat het ontwerp in de Staatscourant is bekendgemaakt en aan een ieder de gelegenheid is geboden om binnen vier weken na de dag waarop de bekendmaking is geschied, wensen en bedenkingen ter kennis van Onze Minister te brengen. Gelijktijdig met de bekendmaking wordt het ontwerp aan de beide kamers der Staten-Generaal overgelegd.

Hoofdstuk 3. Commerciële omroepdiensten

Titel 3.1. Toestemming

Titel 3.2. Programma-aanbod

Afdeling 2.6.4. Algemene mediareserve

Afdeling 3.2.3. Sponsoring

Afdeling 2.6.7. Omroeporkesten, omroepkoren, media-archief en expertisecentrum voor media-educatie

Paragraaf 3.2.4.1. Europese en onafhankelijke producties

Paragraaf 3.2.4.2. Nederlands- en Friestalige producties

Paragraaf 3.2.4.3. Films

Afdeling 3.2.3. Sponsoring

Titel 3.1. Toestemming omroepdiensten

Hoofdstuk 4. Bescherming jeugdigen

Hoofdstuk 3. Commerciële mediadiensten

Hoofdstuk 4. Bescherming jeugdigen

Afdeling 3.2.1. Verantwoordelijkheid en verplichtingen

Afdeling 3.2.2. Reclame en telewinkelen

Afdeling 6.1.2. Overheid

Titel 3.3. Toezichtskosten

Titel 6.3. Omroepzenders, omroepnetwerken en frequentieruimte

Afdeling 3.2.3. Sponsoring

Paragraaf 3.2.4.1. Europese en onafhankelijke producties

Paragraaf 3.2.4.3. Films

Paragraaf 6.3.1.3. Programmaraden

Afdeling 6.3.2. Gebruik frequentieruimte

Titel 6.3. Omroepzenders, omroepnetwerken en frequentieruimte

Hoofdstuk 7. Toezicht en bestuursrechtelijke handhaving

Titel 3.2a. Commerciële mediadiensten op aanvraag

Hoofdstuk 5. Evenementen van aanzienlijk belang voor de samenleving en evenementen van groot belang

Titel 7.2. Toezicht en handhaving

Titel 7.1. Commissariaat voor de Media

Titel 8.3. Overige vormen subsidieverstrekking

Titel 6.2. Toestemming omroepdiensten voor bijzondere doelen

Hoofdstuk 9. Overgangs- en slotbepalingen

Titel 6.4. Buitengewone omstandigheden en omroepdiensten voor buitenlandse militairen

Titel 6.3a. Ongewijzigd verspreiden van media-aanbod van een publieke of commerciële media-instelling

Titel 9.3. Slotbepalingen

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 2.88a

Publieke media-instellingen stellen ten minste de volgende gegevens van de media-instelling gemakkelijk, rechtstreeks en permanent beschikbaar voor het publiek:

Afdeling 2.5.2. Reclame en telewinkelen

Paragraaf 2.4.1. Taken

Paragraaf 2.4.1. Taken

Paragraaf 2.4.4. Beleidsplan en prestatieovereenkomst

Afdeling 2.5.3. Sponsoring

Afdeling 2.5.3. Sponsoring

Paragraaf 2.5.4.1. Europese en onafhankelijke producties

Paragraaf 2.5.4.2. Nederlands- en Friestalige producties

Paragraaf 2.5.2.3. Stichting Etherreclame

Afdeling 2.5.5. Stichting Stimuleringsfonds Nederlandse culturele mediaproducties

Paragraaf 2.5.2.4. Inkomsten uit reclame en telewinkelen

Paragraaf 2.5.4.2. Nederlands- en Friestalige producties

Paragraaf 2.5.4.2. Nederlands- en Friestalige producties

Paragraaf 2.5.5.1. Taak

Afdeling 2.5.6. Nevenactiviteiten en overige bepalingen

Titel 2.6. Bekostiging publieke mediadiensten

Afdeling 2.5.4. Europese producties, onafhankelijke producties, Nederlands- en Friestalige producties en films

Afdeling 2.6.2. Bekostiging landelijke publieke mediadienst

Paragraaf 2.5.4.2. Nederlands- en Friestalige producties

Paragraaf 2.5.4.2. Nederlands- en Friestalige producties

Paragraaf 2.5.5.3. Begroting en jaarrekening

Afdeling 2.5.6. Nevenactiviteiten en overige bepalingen

Paragraaf 2.5.5.4. Statuten en ontbinding

Paragraaf 2.6.3.2. Vaststelling budgetten

Afdeling 2.6.3. Bekostiging Wereldomroep

Afdeling 2.6.5. Bekostiging regionale publieke mediadiensten

Afdeling 2.6.1. Algemene bekostigingsaanspraak

Paragraaf 2.6.3.2. Vaststelling budgetten

Paragraaf 2.6.2.1. Begroting

Paragraaf 2.6.2.2. Vaststelling budgetten

Afdeling 2.6.6. Financiële verantwoording landelijke en regionale publieke mediadiensten

Titel 2.7. Evaluatie

Hoofdstuk 3. Commerciële mediadiensten

Titel 3.1. Toestemming omroepdiensten

Titel 2.7. Evaluatie

Afdeling 2.6.6. Financiële verantwoording landelijke en regionale publieke mediadiensten

Afdeling 2.6.4. Algemene mediareserve

Afdeling 3.2.1. Verantwoordelijkheid en verplichtingen

Afdeling 2.6.6. Financiële verantwoording landelijke en regionale publieke mediadiensten

Afdeling 3.2.2. Reclame en telewinkelen

Paragraaf 3.2.4.1. Europese en onafhankelijke producties

Paragraaf 3.2.4.2. Nederlands- en Friestalige producties

Paragraaf 2.6.6.3. Overige bepalingen

Afdeling 2.6.7. Omroeporkesten, omroepkoren, media-archief en expertisecentrum voor media-educatie

Titel 3.2. Programma-aanbod

Hoofdstuk 4. Bescherming jeugdigen

Hoofdstuk 3. Commerciële mediadiensten

Artikel 5.4
1.

Aanbieders van omroepdiensten die exclusieve rechten hebben verworven ten aanzien van evenementen van groot belang, stellen korte fragmenten daarvan tegen vergoeding ter beschikking van andere aanbieders van omroepdiensten in de Europese Gemeenschap die daarom verzoeken. De verzoekende aanbieder van een omroepdienst is vrij in de keuze van fragmenten van evenementen van groot belang en mag deze verspreiden.

2.

Korte fragmenten duren maximaal 90 seconden per evenement en mogen onbeperkt worden herhaald binnen één etmaal. Als de wedstrijdbepalende sportmomenten van het evenement samen langer duren dan 90 seconden en de weergave zich beperkt tot die sportmomenten, mogen korte fragmenten bij uitzondering maximaal 180 seconden duren.

3.

Voor verspreiding van de korte fragmenten gelden de volgende voorwaarden:

4.

Alleen de media-instelling die korte fragmenten overeenkomstig het derde lid verspreidt, kan het desbetreffende programma in identieke vorm als media-aanbod van haar mediadienst op aanvraag aanbieden.

5.

Een speeldag van een sportcompetitie of sportevenement wordt als één evenement beschouwd.

6.

De vergoeding voor een kort fragment bedraagt niet meer dan de extra kosten die rechtstreeks voortkomen uit het verschaffen van toegang tot het signaal.

7.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over het ter beschikking stellen van korte fragmenten en het gebruik daarvan.

Hoofdstuk 6. Bijzondere bepalingen over politieke partijen, overheid, beperkte omroepdiensten, omroepzenders, omroepnetwerken en frequentieruimte

Titel 3.2. Programma-aanbod

Afdeling 3.2.1. Verantwoordelijkheid en verplichtingen

Afdeling 3.2.4. Europese producties, onafhankelijke producties, Nederlands- en Friestalige producties en films

Titel 6.2. Toestemming omroepdiensten voor bijzondere doelen

Titel 6.3. Omroepzenders, omroepnetwerken en frequentieruimte

Afdeling 3.2.3. Sponsoring

Paragraaf 6.3.1.2. Doorgifteverplichtingen omroepnetwerken

Paragraaf 3.2.4.1. Europese en onafhankelijke producties

Afdeling 6.3.2. Gebruik frequentieruimte

Hoofdstuk 5. Evenementen van aanzienlijk belang voor de samenleving en evenementen van groot belang

Titel 3.2a. Commerciële mediadiensten op aanvraag

Titel 7.2. Toezicht en handhaving

Hoofdstuk 5. Evenementen van aanzienlijk belang voor de samenleving en evenementen van groot belang

Titel 7.1. Commissariaat voor de Media

Titel 8.2. Subsidieverstrekking ten behoeve van persorganen

Titel 6.3. Omroepzenders, omroepnetwerken en frequentieruimte

Hoofdstuk 9. Overgangs- en slotbepalingen

Titel 9.1. Overgangsbepalingen

Titel 6.3a. Ongewijzigd verspreiden van media-aanbod van een publieke of commerciële media-instelling

Titel 8.2. Subsidieverstrekking ten behoeve van persorganen

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 3.5a
1.

Een commerciële media-instelling stelt ten minste de volgende gegevens van de media-instelling gemakkelijk, rechtstreeks en permanent beschikbaar voor het publiek:

2.

Een commerciële media-instelling informeert het Commissariaat onverwijld over wijzigingen die van invloed kunnen zijn op de bevoegdheid van Nederland over deze commerciële media-instelling.

Afdeling 3.2.2. Reclame en telewinkelen

Afdeling 3.2.2. Reclame en telewinkelen

Artikel 3.19a
1.

Productplaatsing in het programma-aanbod is toegestaan met uitzondering van nieuws- en actualiteitenprogramma’s, programma's over consumentenzaken, programma’s van kerkelijke of geestelijke aard en programma’s die in het bijzonder bestemd zijn voor kinderen jonger dan twaalf jaar.

2.

Deze afdeling is niet van toepassing op aanbod dat is geproduceerd voor 19 december 2009.

Artikel 3.19b
1.

Productplaatsing mag alleen voorkomen als in het redactiestatuut, bedoeld in artikel 3.5, tweede lid, waarborgen zijn opgenomen voor de redactionele onafhankelijkheid van de werknemers die belast zijn met de verzorging en samenstelling van het programma-aanbod in verband met productplaatsing.

2.

Productplaatsing in het programma-aanbod is zodanig vormgegeven dat:

3.

Productplaatsing is niet toegestaan voor:

4.

Bij programma-aanbod waarin productplaatsing is opgenomen wordt ter informatie van het publiek duidelijk vermeld dat het programma-aanbod voorzien is van productplaatsing. De vermelding geschiedt op passende wijze en vindt plaats aan het begin en het einde van het programma en eveneens aan het begin of het einde van de in het programma opgenomen reclameboodschap of reclameboodschappen.

5.

Het Commissariaat kan nadere regels stellen over de toepassing van productplaatsing in programma-aanbod, welke regels de goedkeuring behoeven van Onze Minister.

Artikel 3.19c

Artikel 3.19b, vierde lid, is niet van toepassing op programma-aanbod met productplaatsing dat niet geproduceerd of besteld is door of in opdracht van de commerciële media-instelling dan wel door of in opdracht van een aan haar verbonden onderneming.

Afdeling 3.2.3. Sponsoring

Paragraaf 2.6.6.2. Reservering en terugvordering

Paragraaf 3.2.4.2. Nederlands- en Friestalige producties

Paragraaf 3.2.4.3. Films

Afdeling 3.2.3a. Productplaatsing

Titel 2.7. Evaluatie

Artikel 3.29a

In deze titel wordt onder commerciële mediadienst op aanvraag verstaan: mediadienst op aanvraag die door een commerciële media-instelling wordt verzorgd en waarbij het media-aanbod betrekking heeft op producten met bewegende beeldinhoud al dan niet mede met geluidsinhoud. Daaronder worden ook begrepen bijbehorende ondertitelingsdiensten en elektronische programmagidsen.

Artikel 3.29b
1.

Een media-instelling die een commerciële mediadienst op aanvraag verzorgt of beëindigt, meldt het moment van de aanvang of de beëindiging van de mediadienst op aanvraag binnen twee weken na dat moment aan het Commissariaat. Als een media-instelling een door een derde aangeleverde commerciële mediadienst op aanvraag wijzigt, meldt deze media-instelling eveneens de gewijzigde commerciële mediadienst op aanvraag. De volgende gegevens van de media-instelling worden daarbij in elk geval verstrekt:

2.

Een media-instelling die een commerciële mediadienst op aanvraag verzorgt, stelt eveneens ten minste de gegevens, bedoeld in het eerste lid, gemakkelijk, rechtstreeks en permanent beschikbaar, alsmede de naam van het Commissariaat als het orgaan dat is belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze titel.

3.

Een media-instelling die een commerciële mediadienst op aanvraag verzorgt informeert het Commissariaat onverwijld over wijzigingen die van invloed kunnen zijn op de bevoegdheid van Nederland over deze media-instelling.

Artikel 3.29c
1.

Het audiovisueel media-aanbod van een commerciële mediadienst op aanvraag bestaat voor ten minste dertig procent uit Europese producties als bedoeld in artikel 1 van de Europese richtlijn.

2.

De Europese producties op een commerciële mediadienst op aanvraag worden door de media-instelling die de commerciële mediadienst op aanvraag verzorgt onder de aandacht van het publiek gebracht.

3.

Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op een media-instelling die een commerciële mediadienst op aanvraag met een lage omzet of een klein publiek verzorgt.

4.

Het Commissariaat kan voor een media-instelling die een commerciële mediadienst op aanvraag verzorgt ontheffing verlenen van het eerste en tweede lid indien de toepassing van het derde lid gelet op de aard of het onderwerp van deze mediadienst op aanvraag praktisch onhaalbaar of ongerechtvaardigd zou zijn.

Artikel 3.29d

Op commerciële mediadiensten op aanvraag zijn de artikelen 3.5, 3.5b, 3.6, 3.7, tweede lid, aanhef en onderdeel a, 3.15 tot en met 3.19c, 3.26 en 3.27 van overeenkomstige toepassing met uitzondering van de artikelen 3.16, tweede lid, aanhef en onderdeel a, en 3.19b, derde lid, onderdeel b.

Titel 3.1. Toestemming omroepdiensten

Hoofdstuk 5. Evenementen van aanzienlijk belang voor de samenleving en evenementen van groot belang

Hoofdstuk 6. Bijzondere bepalingen over politieke partijen, overheid, beperkte omroepdiensten, omroepzenders, omroepnetwerken en frequentieruimte

Afdeling 6.1.1. Politieke partijen

Afdeling 3.2.3a. Productplaatsing

Titel 6.3. Omroepzenders, omroepnetwerken en frequentieruimte

Afdeling 6.1.2. Overheid

Paragraaf 6.3.1.1. Verspreiding programma-aanbod

Paragraaf 3.2.4.2. Nederlands- en Friestalige producties

Paragraaf 3.2.4.3. Films

Afdeling 6.3.2. Gebruik frequentieruimte

Titel 3.3. Toezichtskosten

Hoofdstuk 3a. Videoplatformdiensten

Titel 7.1. Commissariaat voor de Media

Hoofdstuk 8. De pers

Titel 8.1. Stimuleringsfonds voor de pers

Titel 6.3. Omroepzenders, omroepnetwerken en frequentieruimte

Titel 7.1. Commissariaat voor de Media

Titel 7.1. Commissariaat voor de Media

Hoofdstuk 9. Overgangs- en slotbepalingen

Titel 6.4. Buitengewone omstandigheden, crisiscommunicatie en omroepdiensten voor buitenlandse militairen

Titel 7.1. Commissariaat voor de Media

Artikel 9.17a

Vooruitlopend op wetgeving ter zake kunnen bij ministeriële regeling regels worden gesteld voor vormen van audiovisuele commerciële communicatie in de zin van artikel 1 van de Europese richtlijn waarop de hoofdstukken 1 tot en met 8 van deze wet niet van toepassing zijn.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 2.34a
1.

De Nederlandse Omroep Stichting heeft tot taak media-aanbod voor de landelijke publieke mediadienst te verzorgen op het gebied van nieuws, sport en evenementen dat zich bij uitstek leent voor gezamenlijke verzorging, waaronder media-aanbod dat:

2.

De NOS verzorgt teletekst voor de landelijke publieke mediadienst.

3.

Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald welk media-aanbod als bedoeld in het eerste lid in ieder geval door de NOS wordt verzorgd.

Artikel 2.34b

De organen van de NOS zijn een raad van toezicht en een directie.

Artikel 2.34c
1.

De raad van toezicht van de NOS bestaat uit vijf of zeven leden die op zwaarwegende voordracht van de raad van toezicht door Onze Minister worden benoemd en die door Onze Minister kunnen worden geschorst en ontslagen.

2.

De raad van toezicht wijst uit zijn midden de voorzitter aan.

3.

Benoeming geschiedt voor een periode van vier jaar en herbenoeming voor een aansluitende periode is eenmaal mogelijk.

4.

De raad van toezicht wordt zodanig samengesteld dat bestuurlijke ervaring en deskundigheid op de terreinen die relevant zijn voor het media-aanbod dat de NOS verzorgt, aanwezig zijn.

5.

Bij een vacature draagt de raad van toezicht zorg voor de procedure die leidt tot de voordracht, bedoeld in het eerste lid. In elk geval het opstellen en het openbaar maken van profielschetsen voor de vacature en voor de raad als geheel zijn onderdeel van die procedure.

6.

De voordracht van de raad van toezicht aan Onze Minister is gemotiveerd, waarbij in elk geval wordt ingegaan op de geschiktheid, de profielschetsen, de positie van de kandidaat in het rooster van aftreden en de procedure die heeft geleid tot de voordracht.

7.

Onze Minister neemt de voordracht over, tenzij deze in strijd is met:

Artikel 2.34d
1.

Het lidmaatschap van de raad van toezicht van de NOS is onverenigbaar met:

2.

Schorsing en ontslag zijn mogelijk wegens:

3.

Ontslag is verder mogelijk op eigen verzoek.

4.

De leden van de raad van toezicht kunnen gezamenlijk worden ontslagen, als bij de tweede evaluatie, bedoeld in artikel 2.184, derde en vierde lid, is vastgesteld dat de NOS onvoldoende heeft bijgedragen aan de uitvoering van de publieke mediaopdracht op landelijk niveau door de wijze waarop zij uitvoering heeft gegeven aan de publieke taak, bedoeld in artikel 2.34a. In geval van een ontslag als bedoeld in de eerste volzin benoemt Onze Minister de leden van de nieuwe raad van toezicht.

5.

De leden van de raad van toezicht ontvangen van de NOS een door Onze Minister vast te stellen vergoeding.

Artikel 2.34e
1.

De raad van toezicht houdt toezicht op het beleid van de directie en op de algemene gang van zaken binnen de NOS en de pluriformiteit van het media-aanbod van de NOS en staat de directie met advies terzijde.

2.

Bij de vervulling van hun taak richten de leden van de raad van toezicht zich naar het algemene belang van de NOS.

Artikel 2.34f
1.

De directie van de NOS bestaat uit ten hoogste drie leden die worden benoemd, geschorst en ontslagen door de raad van toezicht.

2.

Artikel 2.34d, eerste lid, aanhef en onderdelen b tot en met g, is van overeenkomstige toepassing op de leden van de directie.

3.

De directieleden zijn in dienst van de NOS. De raad van toezicht stelt hun arbeidsvoorwaarden vast.

Artikel 2.34g
1.

De directie bestuurt de NOS.

2.

De directie is belast met de dagelijkse leiding en het financiële beheer van de NOS.

3.

De directie is verder belast met datgene wat niet uitdrukkelijk tot de taken of bevoegdheden van de raad van toezicht behoort.

Artikel 2.34h
1.

De NOS verstrekt Onze Minister desgevraagd alle inlichtingen met betrekking tot de werkzaamheden van de stichting.

2.

Onze Minister kan inzage verlangen in zakelijke gegevens en bescheiden van de NOS voor zover dat voor de vervulling van zijn taak nodig is.

Artikel 2.34i
1.

De NOS stelt jaarlijks vóór 1 mei een bestuursverslag over het afgelopen kalenderjaar vast.

2.

In het bestuursverslag wordt aandacht besteed aan de werkzaamheden van de NOS, het gevoerde beleid in het algemeen en de doelmatigheid en doeltreffendheid van de werkzaamheden in het bijzonder.

3.

De NOS zendt het bestuursverslag aan Onze Minister en maakt het openbaar.

Afdeling 2.2.3. Nederlandse Programma Stichting

Afdeling 2.2.5. Coördinatie en ordening aanbodkanalen

Titel 2.3. Regionale en lokale publieke mediadiensten

Paragraaf 2.3.1. Aanwijzing

Titel 2.4. Wereldomroep

Paragraaf 2.4.3. Informatie, jaarverslag en statuten

Paragraaf 2.3.2. Media-aanbod van regionale of lokale publieke mediadienst

Paragraaf 2.4.1. Taken

Titel 2.5. Nadere voorschriften media-aanbod publieke mediadiensten

Afdeling 2.5.1. Verantwoordelijkheid en verplichtingen

Afdeling 2.5.2. Reclame en telewinkelen

Paragraaf 2.5.2.1. Algemene bepalingen

Paragraaf 2.4.3. Informatie, jaarverslag en statuten

Paragraaf 2.4.4. Beleidsplan en prestatieovereenkomst

Paragraaf 2.5.2.4. Inkomsten uit reclame en telewinkelen

Afdeling 2.5.4. Europese producties, onafhankelijke producties, Nederlands- en Friestalige producties en films

Paragraaf 2.5.2.3. Stichting Etherreclame

Paragraaf 2.5.4.3. Films

Afdeling 2.5.5. Stichting Stimuleringsfonds Nederlandse culturele mediaproducties

Paragraaf 2.5.5.2. Organisatie

Paragraaf 2.5.5.2. Organisatie

Paragraaf 2.5.5.4. Statuten en ontbinding

Afdeling 2.5.6. Nevenactiviteiten en overige bepalingen

Titel 2.6. Bekostiging publieke mediadiensten

Afdeling 2.6.1. Algemene bekostigingsaanspraak

Afdeling 2.5.5. Stichting Stimuleringsfonds Nederlandse culturele mediaproducties

Paragraaf 2.5.5.1. Taak

Paragraaf 2.6.2.3. Gelden voor bijzondere doelen

Paragraaf 2.6.2.3. Gelden voor bijzondere doelen

Paragraaf 2.6.2.2. Vaststelling budgetten

Afdeling 2.6.4. Algemene mediareserve

Afdeling 2.6.5. Bekostiging regionale en lokale publieke mediadiensten

Afdeling 2.6.5. Bekostiging regionale en lokale publieke mediadiensten

Paragraaf 2.6.6.1. Rechtmatigheidstoetsing en jaarrekening

Paragraaf 2.6.3.2. Vaststelling budgetten

Afdeling 2.6.7. Omroeporkesten, omroepkoren, muziekbibliotheek, media-archief en expertisecentrum voor media-educatie

Titel 2.7. Evaluatie

Hoofdstuk 3. Commerciële mediadiensten

Titel 3.1. Toestemming omroepdiensten

Titel 3.1. Toestemming omroepdiensten

Afdeling 2.6.5. Bekostiging regionale en lokale publieke mediadiensten

Afdeling 3.2.3. Sponsoring

Afdeling 3.2.3a. Productplaatsing

Paragraaf 3.2.4.1. Europese en onafhankelijke producties

Paragraaf 3.2.4.2. Nederlands- en Friestalige producties

Paragraaf 3.2.4.3. Films

Afdeling 3.2.5. Overige bepalingen

Titel 3.3. Toezichtskosten

Hoofdstuk 4. Bescherming jeugdigen

Hoofdstuk 4. Bescherming jeugdigen

Hoofdstuk 6. Bijzondere bepalingen over politieke partijen, overheid, beperkte omroepdiensten, omroepzenders, omroepnetwerken en frequentieruimte

Titel 6.1. Politieke partijen en overheid

Afdeling 3.2.3a. Productplaatsing

Afdeling 6.1.3. Overige bepalingen politieke partijen en overheid

Titel 6.2. Toestemming omroepdiensten voor bijzondere doelen

Titel 3.3. Toezichtskosten

Afdeling 3.2.5. Overige bepalingen

Paragraaf 3.2.4.3. Films

Paragraaf 6.3.1.2. Doorgifteverplichtingen omroepnetwerken

Paragraaf 6.3.1.1. Verspreiding programma-aanbod

Afdeling 6.3.2. Gebruik frequentieruimte

Titel 6.4. Buitengewone omstandigheden en omroepdiensten voor buitenlandse militairen

Hoofdstuk 7. Toezicht en bestuursrechtelijke handhaving

Titel 6.3. Omroepzenders, omroepnetwerken en frequentieruimte

Hoofdstuk 8. De pers

Titel 8.2. Subsidieverstrekking ten behoeve van persorganen

Titel 7.2. Toezicht en handhaving

Hoofdstuk 9. Overgangs- en slotbepalingen

Titel 6.3a. Ongewijzigd verspreiden van media-aanbod van een publieke of commerciële media-instelling

Titel 7.3. Overige taken

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 2.34j
1.

Wijziging in de statuten van de NOS behoeven de instemming van Onze Minister.

2.

De raad van toezicht en de directie kunnen niet besluiten tot ontbinding van de NOS.

Afdeling 2.2.3. Stichting NTR

Afdeling 2.2.4. Kerkgenootschappen en genootschappen op geestelijke grondslag

Afdeling 2.2.5. Coördinatie en ordening aanbodkanalen

Titel 2.3. Regionale en lokale publieke mediadiensten

Paragraaf 2.3.2. Media-aanbod

Titel 2.4. Wereldomroep

Paragraaf 2.4.1. Taken

Paragraaf 2.3.1a. Aanwijzing van regionale of lokale publieke media-instelling

Paragraaf 2.4.3. Informatie, jaarverslag en statuten

Paragraaf 2.4.1. Taken

Titel 2.4. Wereldomroep

Afdeling 2.5.1. Verantwoordelijkheid en verplichtingen

Afdeling 2.5.2. Reclame en telewinkelen

Paragraaf 2.5.2.1. Algemene bepalingen

Paragraaf 2.5.2.2. Specifieke voorschriften

Paragraaf 2.4.5. Media-aanbod

Paragraaf 2.5.2.1. Algemene bepalingen

Afdeling 2.5.4. Europese producties, onafhankelijke producties, Nederlands- en Friestalige producties en films

Paragraaf 2.5.4.3. Films

Afdeling 2.5.5. Stichting Stimuleringsfonds Nederlandse culturele mediaproducties

Paragraaf 2.5.2.4. Inkomsten uit reclame en telewinkelen

Paragraaf 2.5.2.4. Inkomsten uit reclame en telewinkelen

Paragraaf 2.5.4.1. Europese en onafhankelijke producties

Paragraaf 2.5.5.4. Statuten en ontbinding

Afdeling 2.5.6. Nevenactiviteiten en overige bepalingen

Titel 2.6. Bekostiging publieke mediadiensten

Afdeling 2.6.1. Algemene bekostigingsaanspraak

Afdeling 2.6.2. Bekostiging landelijke publieke mediadienst

Paragraaf 2.5.5.2. Organisatie

Afdeling 2.6.2. Bekostiging landelijke publieke mediadienst

Paragraaf 2.6.3.2. Vaststelling budgetten

Afdeling 2.6.2. Bekostiging landelijke publieke mediadienst

Afdeling 2.6.5. Bekostiging regionale en lokale publieke mediadiensten

Paragraaf 2.6.6.1. Rechtmatigheidstoetsing en jaarrekening

Paragraaf 2.6.2.3. Gelden voor bijzondere doelen

Afdeling 2.6.3. Bekostiging Wereldomroep

Titel 2.7. Evaluatie

Hoofdstuk 3. Commerciële mediadiensten

Titel 3.1. Toestemming omroepdiensten

Titel 3.1. Toestemming omroepdiensten

Afdeling 3.2.1. Verantwoordelijkheid en verplichtingen

Afdeling 3.2.3. Sponsoring

Afdeling 2.6.7. Omroeporkesten, omroepkoren, media-archief en expertisecentrum voor media-educatie

Paragraaf 3.2.4.1. Europese en onafhankelijke producties

Paragraaf 3.2.4.1. Europese en onafhankelijke producties

Paragraaf 3.2.4.2. Nederlands- en Friestalige producties

Titel 3.2. Programma-aanbod

Titel 3.2a. Commerciële mediadiensten op aanvraag

Hoofdstuk 4. Bescherming jeugdigen

Hoofdstuk 5. Evenementen van aanzienlijk belang voor de samenleving en evenementen van groot belang

Hoofdstuk 5. Evenementen van aanzienlijk belang voor de samenleving en evenementen van groot belang

Titel 6.1. Politieke partijen en overheid

Afdeling 3.2.5. Overige bepalingen

Afdeling 3.2.4. Europese producties, onafhankelijke producties, Nederlands- en Friestalige producties en films

Afdeling 6.1.2. Overheid

Titel 6.2. Toestemming omroepdiensten voor bijzondere doelen

Afdeling 3.2.5. Overige bepalingen

Paragraaf 6.3.1.1. Verspreiding programma-aanbod

Paragraaf 6.3.1.1. Verspreiding programma-aanbod

Paragraaf 6.3.1.1. Verspreiding programma-aanbod

Afdeling 6.1.2. Overheid

Titel 6.1. Politieke partijen en overheid

Hoofdstuk 7. Toezicht en bestuursrechtelijke handhaving

Titel 6.3. Omroepzenders, omroepnetwerken en frequentieruimte

Hoofdstuk 8. De pers

Titel 7.3. Overige taken

Titel 7.1. Commissariaat voor de Media

Hoofdstuk 9. Overgangs- en slotbepalingen

Titel 6.4. Buitengewone omstandigheden, crisiscommunicatie en omroepdiensten voor buitenlandse militairen

Titel 8.4. Overige bepalingen

Titel 7.2. Toezicht en handhaving

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 2.88b
1.

Reclame- en telewinkelboodschappen en gesponsord media-aanbod zijn als zodanig herkenbaar.

2.

In reclame- en telewinkelboodschappen en gesponsord media-aanbod worden geen subliminale technieken gebruikt.

3.

Het media-aanbod bevat geen:

Afdeling 2.5.2. Reclame en telewinkelen

Paragraaf 2.4.3. Informatie, jaarverslag en statuten

Paragraaf 2.4.5. Media-aanbod

Paragraaf 2.5.2.1. Algemene bepalingen

Afdeling 2.5.2. Reclame en telewinkelen

Afdeling 2.5.4. Europese producties, onafhankelijke producties, Nederlands- en Friestalige producties en films

Paragraaf 2.5.2.4. Inkomsten uit reclame en telewinkelen

Paragraaf 2.5.5.3. Begroting en jaarrekening

Paragraaf 2.5.5.4. Statuten en ontbinding

Artikel 2.138b

Vervallen

Titel 2.6. Bekostiging publieke mediadiensten

Afdeling 2.5.5. Stichting Stimuleringsfonds Nederlandse culturele mediaproducties

Afdeling 2.6.2. Bekostiging landelijke publieke mediadienst

Paragraaf 2.5.5.4. Statuten en ontbinding

Paragraaf 2.6.2.3. Gelden voor bijzondere doelen

Afdeling 2.6.2. Bekostiging landelijke publieke mediadienst

Paragraaf 2.6.2.1. Begroting

Afdeling 2.6.2. Bekostiging landelijke publieke mediadienst

Afdeling 2.6.3. Bekostiging Wereldomroep

Paragraaf 2.6.3.1. Begroting

Paragraaf 2.6.3.2. Vaststelling budgetten

Paragraaf 2.6.6.3. Overige bepalingen

Afdeling 2.6.5. Bekostiging regionale en lokale publieke mediadiensten

Hoofdstuk 3. Commerciële mediadiensten

Titel 3.1. Toestemming omroepdiensten

Titel 3.2. Programma-aanbod

Artikel 3.5b
1.

Reclame- en telewinkelboodschappen, gesponsord programma-aanbod en productplaatsing zijn als zodanig herkenbaar.

2.

In reclame- en telewinkelboodschappen, gesponsord programma-aanbod en programma-aanbod met productplaatsing worden geen subliminale technieken gebruikt.

3.

Het programma-aanbod bevat geen sluikreclame.

Afdeling 3.2.3. Sponsoring

Paragraaf 3.2.4.1. Europese en onafhankelijke producties

Paragraaf 3.2.4.2. Nederlands- en Friestalige producties

Afdeling 3.2.3. Sponsoring

Titel 3.2a. Commerciële mediadiensten op aanvraag

Titel 3.3. Toezichtskosten

Hoofdstuk 4. Bescherming jeugdigen

Hoofdstuk 5. Evenementen van aanzienlijk belang voor de samenleving en evenementen van groot belang

Hoofdstuk 6. Bijzondere bepalingen over politieke partijen, overheid, beperkte omroepdiensten, omroepzenders, omroepnetwerken en frequentieruimte

Titel 3.2a. Commerciële mediadiensten op aanvraag

Afdeling 3.2.4. Europese producties, onafhankelijke producties, Nederlands- en Friestalige producties en films

Afdeling 6.1.2. Overheid

Titel 6.2. Toestemming omroepdiensten voor bijzondere doelen

Afdeling 6.3.1. Gebruik omroepzenders en omroepnetwerken

Artikel 6.14a

Vervallen

Paragraaf 6.3.1.3. Programmaraden

Afdeling 6.3.2. Gebruik frequentieruimte

Titel 7.3. Overige taken

Hoofdstuk 8. De pers

Titel 8.1. Stimuleringsfonds voor de pers

Titel 7.1. Commissariaat voor de Media

Artikel 8.15a
1.

Het Stimuleringsfonds kan op basis van daartoe door hem vast te stellen regelingen subsidie verstrekken voor andere activiteiten dan die, bedoeld in de artikelen 8.11 tot en met 8.15, voor zover die activiteiten passen in de doelstellingen van het Stimuleringsfonds.

2.

Deze regelingen behoeven de goedkeuring van Onze Minister.

Titel 6.3a. Ongewijzigd verspreiden van media-aanbod van een publieke of commerciële media-instelling

Hoofdstuk 7. Toezicht en bestuursrechtelijke handhaving

Titel 9.2. Wijziging van andere wetten

Titel 8.1. Stimuleringsfonds voor de pers

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 7.21
1.

Het Commissariaat is belast met het onderzoek naar ontwikkelingen ten aanzien van concentraties en financieel-economische omstandigheden op de nationale en internationale mediamarkten en de gevolgen daarvan voor de pluriformiteit en onafhankelijkheid van de informatievoorziening.

2.

Het Commissariaat rapporteert jaarlijks over zijn bevindingen aan Onze Minister.

3.

Het Commissariaat maakt zijn bevindingen openbaar, met uitzondering van gegevens die naar hun aard vertrouwelijk zijn.

4.

Het Commissariaat handhaaft de naleving van het redactiestatuut, bedoeld in de artikelen 2.88, tweede lid, en 3.5, tweede lid.

Hoofdstuk 7. Toezicht en bestuursrechtelijke handhaving

Titel 8.3. Overige vormen subsidieverstrekking

Hoofdstuk 9. Overgangs- en slotbepalingen

Titel 9.1. Overgangsbepalingen

Titel 9.3. Slotbepalingen

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Afdeling 9.2.1. Overgangsrecht verlening van erkenningen voor de periode 2016–2021

Titel 8.4. Overige bepalingen

Artikel 9.15

De voordracht voor een krachtens de artikelen 2.21a, 2.34a, 2.116 of 2.136 vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 9.14a
1.

In afwijking van artikel 34 van de Mededingingswet is geen melding vereist voor een voornemen tot concentratie van:

2.

Dit artikel is van toepassing in de periode vanaf 1 januari 2013 tot en met 31 december 2015.

Afdeling 9.2.4. Overgangsrecht vaststelling budget NTR voor de periode 2014–2016

Titel 8.4. Overige bepalingen

Artikel 9.15

De voordracht voor een krachtens de artikelen 2.21a, 2.34a, 2.116 of 2.136 vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 2.148a
1.

Voorafgaand aan elke periode van vijf jaar, bedoeld in artikel 2.19, derde lid, wordt door Onze Minister het bedrag vastgesteld dat de landelijke publieke mediadienst in die periode jaarlijks ten minste ter beschikking wordt gesteld ten behoeve van zijn taakvervulling.

2.

Het in het eerste lid bedoelde bedrag is voor het eerste jaar van de genoemde periode gelijk aan het bedrag dat ten behoeve van de landelijke publieke mediadienst beschikbaar wordt gesteld in de rijksbegroting voor dat jaar. Het aandeel van de rijksmediabijdrage in dat bedrag wordt voor de daaropvolgende jaren bijgesteld overeenkomstig:

3.

Indien na aanvang van de periode van vijf jaar, bedoeld in het eerste lid, veranderde omstandigheden zich in overwegende mate verzetten tegen ongewijzigde voortzetting van het ter beschikking stellen van de met inachtneming van het eerste en tweede lid vastgestelde bedragen, kan Onze Minister de hoogte van het voor resterende jaren ter beschikking te stellen bedrag wijzigen met inachtneming van een redelijke termijn. De hoogte van het aldus gewijzigde bedrag is gelijk aan het bedrag dat voor het betreffende jaar waarin het gewijzigde bedrag voor het eerst van toepassing is ten behoeve van de landelijke publieke mediadienst beschikbaar wordt gesteld in de rijksbegroting voor dat jaar en wordt voor de daaropvolgende jaren bijgesteld overeenkomstig de onderdelen a en b van het tweede lid.

4.

In geval van een wijziging van het bedrag zoals bedoeld in het derde lid, vergoedt Onze Minister de schade die de landelijke publieke mediadienst lijdt doordat hij in vertrouwen op het eerder vastgestelde bedrag anders heeft gehandeld dan hij met inachtneming van het gewijzigde bedrag zou hebben gedaan.

Afdeling 2.6.2. Bekostiging landelijke publieke mediadienst

Artikel 2.173a
1.

Het Commissariaat is belast met de rechtmatigheidstoetsing van de uitgaven van de RPO en de regionale publieke media-instellingen.

2.

De RPO en de regionale publieke media-instellingen zenden jaarlijks vóór 1 mei de jaarrekening aan het Commissariaat.

3.

De artikelen 2.172 en 2.173 zijn van toepassing.

Paragraaf 2.6.6.2. Reservering en terugvordering

Paragraaf 2.6.3.1. Begroting

Afdeling 2.6.7. Omroeporkesten, omroepkoren, media-archief en expertisecentrum voor media-educatie

Titel 2.7. Evaluatie

Hoofdstuk 3. Commerciële mediadiensten

Titel 3.2. Programma-aanbod

Afdeling 3.2.1. Verantwoordelijkheid en verplichtingen

Afdeling 3.2.1. Verantwoordelijkheid en verplichtingen

Paragraaf 3.2.4.2. Nederlands- en Friestalige producties

Paragraaf 3.2.4.3. Films

Afdeling 3.2.1. Verantwoordelijkheid en verplichtingen

Titel 3.3. Toezichtskosten

Hoofdstuk 4. Bescherming jeugdigen

Hoofdstuk 6. Bijzondere bepalingen over politieke partijen, overheid, beperkte omroepdiensten, omroepzenders, omroepnetwerken en frequentieruimte

Titel 3.2a. Commerciële mediadiensten op aanvraag

Afdeling 6.1.2. Overheid

Titel 3.2a. Commerciële mediadiensten op aanvraag

Afdeling 6.3.1. Gebruik omroepzenders en omroepnetwerken

Artikel 6.9a

In deze afdeling wordt verstaan onder:

Paragraaf 6.3.1.2. Verspreiding van pakketten televisie- en radioprogrammakanalen

Artikel 6.14b

Het digitale standaardprogrammapakket dat een pakketaanbieder door middel van een satelliet verspreidt of laat verspreiden, bevat in afwijking van artikel 6.13, derde en vierde lid, niet het programma-aanbod op programmakanalen als bedoeld in de onderdelen b, c, d en e van artikel 6.13, derde lid, onderscheidenlijk de onderdelen b, c en d van artikel 6.13, vierde lid.

Artikel 6.14c

Vervallen

Artikel 6.14d

Het Commissariaat kan geheel of gedeeltelijk ontheffing verlenen van de verplichtingen, bedoeld in de artikelen 6.13, 6.14 en 6.14b en de op die artikelen berustende voorschriften, als het onverkort nakomen daarvan leidt tot disproportionele kosten, tot een belemmering van innovatie of tot anderszins onredelijke uitkomsten. Het Commissariaat kan aan een ontheffing voorschriften verbinden.

Paragraaf 6.3.1.3. Geschillencommissie

Afdeling 6.1.2. Overheid

Titel 6.1. Politieke partijen en overheid

Hoofdstuk 7. Toezicht en bestuursrechtelijke handhaving

Titel 6.2. Toestemming omroepdiensten voor bijzondere doelen

Artikel 7.16a
1.

Het Commissariaat kan aan een landelijke of regionale publieke media-instelling een aanwijzing geven, als:

Een aanwijzing omvat een of meer maatregelen en is evenredig aan het doel waarvoor zij wordt gegeven.

2.

Onder wanbeheer wordt uitsluitend verstaan:

3.

In de aanwijzing geeft het Commissariaat gemotiveerd aan op welke punten sprake is van wanbeheer en de in verband daarmee te nemen maatregelen.

4.

De instelling voldoet aan de aanwijzing. In de aanwijzing wordt daarvoor een termijn gesteld.

5.

Voordat het Commissariaat een aanwijzing geeft, stelt hij de instelling vier weken in de gelegenheid haar zienswijze naar voren te brengen.

6.

Een aanwijzing kan inhouden de opdracht om bestuurders of toezichthouders te vervangen.

Hoofdstuk 8. De pers

Titel 6.4. Buitengewone omstandigheden, crisiscommunicatie en omroepdiensten voor buitenlandse militairen

Titel 6.4. Buitengewone omstandigheden, crisiscommunicatie en omroepdiensten voor buitenlandse militairen

Hoofdstuk 9. Overgangs- en slotbepalingen

Titel 9.2. Overgangsbepalingen bij de Wet van PM tot wijziging van de Mediawet 2008 teneinde het stelsel van de landelijke publieke omroep te moderniseren

Afdeling 9.2.1. Overgangsrecht verlening van erkenningen voor de periode 2016–2021

Afdeling 9.2.3. Overgangsrecht financiële verantwoording kerkgenootschappen en genootschappen op geestelijke grondslag

Afdeling 9.2.2. Overgangsrecht raad van toezicht NTR

Afdeling 9.2.2. Overgangsrecht raad van toezicht NTR

Afdeling 9.2.3. Overgangsrecht financiële verantwoording kerkgenootschappen en genootschappen op geestelijke grondslag

Afdeling 9.2.3. Overgangsrecht financiële verantwoording kerkgenootschappen en genootschappen op geestelijke grondslag

Titel 7.3. Overige taken

Artikel 9.15

De voordracht voor een krachtens de artikelen 2.21a, 2.34a, 2.116 of 2.136 vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Afdeling 9.2.4. Overgangsrecht vaststelling budget NTR voor de periode 2014–2016

Titel 8.1. Stimuleringsfonds voor de journalistiek

Artikel 9.15

De voordracht voor een krachtens de artikelen 2.21a, 2.34a, 2.116 of 2.136 vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Afdeling 2.2.2. Omroeporganisaties

Artikel 2.24a
1.

Een samenwerkingsomroep is een vereniging of stichting waarin twee of meer omroepverenigingen vertegenwoordigd zijn, die gericht is op het voeren van een landelijke publieke media-instelling en die:

2.

Het in het eerste lid, onderdeel e, genoemde bedrag kan bij algemene maatregel van bestuur naar aanleiding van de door het Centraal Bureau voor de Statistiek vastgestelde consumentenprijsindex worden aangepast.

Artikel 9.8a

De omroepverenigingen PowNed en WNL kunnen afzien van deelname aan de procedure tot verlening van de erkenningen, bedoeld in artikel 9.7, door het indienen van een aanvraag voor een voorlopige erkenning als bedoeld in artikel 2.23, tweede lid. In afwijking van artikel 2.26, eerste lid, onderdeel a, kan Onze Minister voor de erkenningperiode die loopt van 1 januari 2016 tot en met 31 december 2020, een voorlopige erkenning als bedoeld in artikel 2.23, tweede lid, verlenen aan een of beide van de omroepverenigingen.

Afdeling 9.2.4. Overgangsrecht vaststelling budget NTR voor de periode 2014–2016

Afdeling 9.2.5. Overgangsrecht programmaversterkingsbudget voor de periode 2016–2021

Afdeling 9.2.6. Overgangsrecht evaluatie landelijke publieke mediadienst voor de periode 2010–2016

Afdeling 9.2.7. Overgangsrecht vrijstelling overdrachtsbelasting

Afdeling 9.2.8. Overgangsrecht vrijstelling melding van voorgenomen concentratie door omroepverenigingen

Titel 9.2. Overgangsbepalingen bij de Wet van 6 november 2013 tot wijziging van de Mediawet 2008 teneinde het stelsel van de landelijke publieke omroep te moderniseren

Artikel 9.15

De voordracht voor een krachtens de artikelen 2.21a, 2.34a, 2.116 of 2.136 vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Afdeling 9.2.8. Overgangsrecht vrijstelling melding van voorgenomen concentratie door omroepverenigingen

Titel 8.2. Subsidieverstrekking ten behoeve van persorganen

Artikel 9.15

De voordracht voor een krachtens de artikelen 2.21a, 2.34a, 2.116 of 2.136 vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 2.170b
1.

Het college van burgemeester en wethouders zorgt voor de bekostiging van het functioneren van de lokale publieke media-instelling als de gemeenteraad een advies als bedoeld in artikel 2.61, derde lid heeft uitgebracht en daarbij positief heeft geadviseerd over de vraag of de instelling voldoet aan de eis, bedoeld in artikel 2.61, tweede lid, onderdeel c.

2.

De bekostiging betreft vergoeding van de kosten die rechtstreeks verband houden met het verzorgen van de lokale publieke mediadienst, voor zover die kosten niet op andere wijze zijn gedekt, op zodanige wijze dat op lokaal niveau in een toereikend media-aanbod kan worden voorzien en continuïteit van bekostiging is gewaarborgd.

3.

Als twee of meer gemeenteraden gezamenlijk een advies als bedoeld in artikel 2.61, derde lid hebben uitgebracht, en daarbij positief hebben geadviseerd over de vraag of de instelling voldoet aan de eis, bedoeld in artikel 2.61, tweede lid, onderdeel c, zorgen de colleges van burgemeester en wethouders van de desbetreffende gemeenten gezamenlijk voor de bekostiging, bedoeld in het eerste lid.

4.

Aan de bekostiging worden geen voorschriften verbonden die in strijd zijn met het bepaalde bij of krachtens deze wet.

5.

Onze Minister zendt telkens na drie jaar aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van het bepaalde in dit artikel in de praktijk.

Paragraaf 2.6.3.1. Begroting

Afdeling 2.6.5. Bekostiging regionale en lokale publieke mediadiensten

Titel 2.7. Evaluatie

Hoofdstuk 3. Commerciële mediadiensten

Titel 3.2. Programma-aanbod

Afdeling 2.6.6. Financiële verantwoording landelijke en regionale publieke mediadiensten

Afdeling 3.2.1. Verantwoordelijkheid en verplichtingen

Afdeling 3.2.2. Reclame en telewinkelen

Paragraaf 3.2.4.1. Europese en onafhankelijke producties

Paragraaf 3.2.4.3. Films

Titel 3.2a. Commerciële mediadiensten op aanvraag

Hoofdstuk 5. Evenementen van aanzienlijk belang voor de samenleving en evenementen van groot belang

Afdeling 6.1.1. Politieke partijen

Titel 6.3. Omroepzenders, omroepnetwerken en frequentieruimte

Afdeling 6.3.1. Gebruik omroepzenders en omroepnetwerken

Paragraaf 6.3.1.2. Verspreiding van pakketten televisie- en radioprogrammakanalen

Paragraaf 6.3.1.3. Geschillencommissie

Afdeling 6.3.2. Gebruik frequentieruimte

Hoofdstuk 7. Toezicht en bestuursrechtelijke handhaving

Hoofdstuk 8. De pers

Titel 8.3. Overige vormen subsidieverstrekking

Hoofdstuk 9. Overgangs- en slotbepalingen

Afdeling 9.2.5. Overgangsrecht programmaversterkingsbudget voor de periode 2016–2021

Afdeling 9.2.6. Overgangsrecht evaluatie landelijke publieke mediadienst voor de periode 2010–2016

Afdeling 9.2.7. Overgangsrecht vrijstelling overdrachtsbelasting

Afdeling 9.2.8*. Overgangsrecht vrijstelling melding van voorgenomen concentratie door omroepverenigingen

Afdeling 9.2.1. Overgangsrecht verlening van erkenningen voor de periode 2016–2021

Titel 8.2. Subsidieverstrekking ten behoeve van persorganen

Artikel 9.15

De voordracht voor een krachtens de artikelen 2.21a, 2.34a, 2.116 of 2.136 vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 2.60a
1.

Onze Minister wijst een stichting aan als het samenwerkings- en coördinatieorgaan voor de uitvoering van de publieke mediaopdracht op regionaal niveau, bedoeld in artikel 2.1.

2.

De stichting, bedoeld in het eerste lid, wordt voor de toepassing van deze wet aangeduid als de RPO.

3.

De RPO wordt belast met de volgende taken:

4.

De Kaderwet zelfstandige bestuursorganen is niet van toepassing op de RPO.

Artikel 2.60b

De organen van de RPO zijn een raad van toezicht en een bestuur.

Artikel 2.60c
1.

De raad van toezicht van de RPO bestaat uit een voorzitter en ten hoogste vier andere leden die op voordracht van Onze Minister bij koninklijk besluit worden benoemd, geschorst en ontslagen.

2.

Bij een vacature stelt de raad van toezicht profielschetsen voor de vacature en voor de raad als geheel op waarover hij in ieder geval het bestuur van de RPO en de gezamenlijke ondernemingsraden van de regionale publieke media-instellingen in de gelegenheid stelt binnen een redelijke termijn zienswijzen te geven.

3.

Na betrekking van de zienswijzen stelt de raad van toezicht de profielschetsen vast en maakt deze openbaar.

4.

Voor de selectie van kandidaten stelt de raad van toezicht een onafhankelijke benoemingsadviescommissie in. De benoemingsadviescommissie adviseert de raad van toezicht.

5.

De raad van toezicht geeft een zwaarwegend advies aan Onze Minister voor de voordracht, bedoeld in het eerste lid.

6.

Het advies, bedoeld in het vijfde lid, is gemotiveerd, waarbij in elk geval wordt ingegaan op de geschiktheid, de profielschetsen, de positie van de kandidaat in het rooster van aftreden en de procedure die heeft geleid tot het advies.

7.

Onze Minister neemt het advies over, tenzij het in strijd is met:

8.

Indien Onze Minister het advies niet overneemt, verzoekt hij onder opgave van een schriftelijke motivering de raad van toezicht ervoor te zorgen dat tot een nieuw advies wordt gekomen en informeert hij de Tweede Kamer dat een advies niet is overgenomen en de grond hiervoor.

9.

Ten behoeve van de ondersteuning bij het opstellen van de profielschetsen door de raad van toezicht en de selectie van kandidaten door de benoemingsadviescommissie, schakelt de raad van toezicht een wervingsadviesbureau in.

10.

De gezamenlijke ondernemingsraden van de regionale publieke media-instellingen kunnen voor benoeming van een van de andere leden als bedoeld in het eerste lid, personen aanbevelen aan de benoemingsadviescommissie.

11.

Benoeming geschiedt voor vijf jaar en herbenoeming voor een aansluitende periode is eenmaal mogelijk.

Artikel 2.60d
1.

Het lidmaatschap van de raad van toezicht van de RPO is onverenigbaar met:

2.

Schorsing en ontslag zijn mogelijk wegens:

3.

Ontslag is verder mogelijk op eigen verzoek.

4.

De leden van de raad van toezicht van de RPO ontvangen van de RPO een door Onze Minister vast te stellen vergoeding.

Artikel 2.60e
1.

De raad van toezicht van de RPO houdt toezicht op het beleid van het bestuur van de RPO, de algemene gang van zaken bij de RPO en de uitvoering van de publieke mediaopdracht op regionaal niveau en staat het bestuur van de RPO met advies terzijde.

2.

De raad van toezicht van de RPO is verder belast met:

3.

Bij de vervulling van hun taak richten de leden van de raad van toezicht van de RPO zich naar het gemeenschappelijke belang van de regionale publieke mediadienst.

4.

De raad van toezicht stelt een rooster van aftreden voor zijn leden op waarin wordt voorzien dat de leden niet allen gelijktijdig aftreden.

Artikel 2.60f
1.

Het bestuur van de RPO bestaat uit ten hoogste zes leden die worden benoemd, geschorst en ontslagen door de raad van toezicht van de RPO.

2.

Benoeming geschiedt voor vijf jaar en herbenoeming voor een aansluitende periode is eenmaal mogelijk.

Artikel 2.60g
1.

Voor het bestuur van de RPO is artikel 2.60d, eerste lid, onder c tot en met f, van overeenkomstige toepassing.

2.

Het lidmaatschap van het bestuur van de RPO is onverenigbaar met het lidmaatschap van een orgaan van of een dienstbetrekking bij een publieke media-instelling, de regionale publieke media-instellingen uitgezonderd.

3.

De leden van het bestuur van de RPO zijn in dienst van de RPO. De raad van toezicht van de RPO stelt hun arbeidsvoorwaarden vast.

4.

Artikel 668a, eerste tot en met vierde lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek is niet van toepassing op de leden van het bestuur van de RPO.

5.

Een lid van het bestuur van de RPO kan niet na beëindiging van dat lidmaatschap voor een aansluitende periode worden benoemd als lid van de raad van toezicht van de RPO.

Artikel 2.60h
1.

Het bestuur van de RPO is belast met de uitvoering van de taken van de RPO.

2.

Naast de andere taken en bevoegdheden die het bestuur van de RPO heeft op grond van deze wet, is hij belast met:

Artikel 2.60i
1.

De volgende besluiten van het bestuur van de RPO behoeven de instemming van de raad van toezicht van de RPO:

2.

De verdere werkwijze van de raad van toezicht van de RPO en het bestuur van de RPO wordt geregeld in de statuten en reglementen van de RPO.

3.

In de statuten wordt in ieder geval geregeld op welke wijze de regionale publieke media-instellingen worden betrokken bij de besluitvorming van het bestuur van de RPO.

Artikel 2.60j
1.

De artikelen 2.15 tot en met 2.18, eerste lid, zijn van overeenkomstige toepassing voor de RPO.

2.

De raad van toezicht van de RPO en het bestuur van de RPO kunnen niet besluiten tot ontbinding van de RPO.

Artikel 2.60k

Voor de verwezenlijking van de publieke mediaopdracht op regionaal niveau wordt bij koninklijk besluit aan de RPO een concessie verleend die geldt voor tien jaar en in werking treedt met ingang van een in het koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

Artikel 2.60l
1.

Voorafgaand aan de concessieverlening en vóór aanvang van de tweede periode van vijf jaar van de concessieperiode dient de RPO een concessiebeleidsplan RPO voor de komende vijf jaar in bij Onze Minister.

2.

Het concessiebeleidsplan RPO bevat in elk geval:

3.

Bij ministeriële regeling kunnen regels gesteld worden over de inrichting van het concessiebeleidsplan RPO en het tijdstip van indiening.

4.

Het bestuur van de RPO stelt het concessiebeleidsplan RPO vast na overleg met in elk geval de regionale publieke media-instellingen en, voor zover het de samenwerking betreft, de betrokken landelijke en lokale publieke media-instellingen.

Artikel 2.60m
1.

De RPO maakt het concessiebeleidsplan RPO openbaar.

2.

Over het concessiebeleidsplan RPO vraagt Onze Minister advies aan het Commissariaat en de Raad voor cultuur. Bij toepassing van het vierde lid wordt het advies gevraagd na afloop van de termijn, genoemd in dat lid, onder a.

3.

Het concessiebeleidsplan RPO behoeft de instemming van Onze Minister voor zover het betreft de onderwerpen, bedoeld in artikel 2.60l, tweede lid, onder b en c, waarbij de instemming geschiedt in overeenstemming met het bepaalde in de Telecommunicatiewet.

4.

Voor zover de instemming, bedoeld in het derde lid, betrekking heeft op een nieuw of significant gewijzigd aanbodkanaal:

5.

Bij toepassing van het vierde lid maken het Commissariaat, de Raad voor cultuur en de Autoriteit Consument en Markt ten behoeve van hun adviezen dan wel rapportage gebruik van de zienswijzen, bedoeld in dat lid, onder a. Onze Minister doet die zienswijzen aan hen toekomen.

6.

Het Commissariaat kan de Autoriteit Consument en Markt de gegevens verstrekken die noodzakelijk zijn voor de analyse, bedoeld in het vierde lid, aanhef en onder b.

7.

Op de voorbereiding van een besluit over instemming als bedoeld in het vierde lid is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.

8.

Als de RPO wijzigingen wil aanbrengen in het door Onze Minister goedgekeurde deel van het concessiebeleidsplan RPO, dan neemt zij die op in de begroting. Het eerste tot en met zevende lid zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2.60n
1.

Mede op basis van het concessiebeleidsplan RPO sluiten Onze Minister en de RPO een prestatieovereenkomst voor de duur van het concessiebeleidsplan RPO.

2.

De prestatieovereenkomst bevat afspraken over:

3.

De prestatieovereenkomst heeft geen betrekking op de inhoud van het media-aanbod van de regionale publieke mediadienst.

Artikel 2.60o

De regionale publieke media-instellingen verstrekken desgevraagd aan de raad van toezicht van de RPO, het bestuur van de RPO en de door hem daartoe aangewezen medewerkers van de RPO alle inlichtingen voor zover dat voor de vervulling van de taken van de raad van toezicht van de RPO en het bestuur van de RPO redelijkerwijs nodig is.

Paragraaf 2.3.2. Media-aanbod van regionale of lokale publieke mediadienst

Titel 2.4. Wereldomroep

Titel 2.5. Nadere voorschriften media-aanbod publieke mediadiensten

Afdeling 2.5.1. Verantwoordelijkheid en verplichtingen

Afdeling 2.5.1. Verantwoordelijkheid en verplichtingen

Paragraaf 2.5.2.1. Algemene bepalingen

Afdeling 2.5.3. Sponsoring

Afdeling 2.5.4. Europese producties, onafhankelijke producties, Nederlands- en Friestalige producties en films

Paragraaf 2.5.4.2. Nederlands- en Friestalige producties

Paragraaf 2.5.4.1. Europese en onafhankelijke producties

Paragraaf 2.5.4.1. Europese en onafhankelijke producties

Paragraaf 2.5.5.2. Organisatie

Titel 2.6. Bekostiging publieke mediadiensten

Afdeling 2.6.1. Algemene bekostigingsaanspraak

Paragraaf 2.6.2.2. Vaststelling budgetten

Artikel 2.169a
1.

De RPO dient jaarlijks vóór 15 september een begroting voor de regionale publieke mediadienst in bij Onze Minister en het Commissariaat.

2.

De begroting bevat in elk geval:

3.

De financiële middelen worden als volgt onderverdeeld:

Artikel 2.169b
1.

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de inhoud en inrichting van de begroting.

2.

Het Commissariaat zendt vóór 15 oktober zijn opmerkingen met betrekking tot de begroting aan Onze Minister.

3.

De RPO maakt de begroting openbaar.

Paragraaf 2.6.6.1. Rechtmatigheidstoetsing en jaarrekening

Paragraaf 2.6.6.3. Overige bepalingen

Hoofdstuk 3. Commerciële mediadiensten

Titel 3.1. Toestemming omroepdiensten

Afdeling 3.2.2. Reclame en telewinkelen

Afdeling 3.2.4. Europese producties, onafhankelijke producties, Nederlands- en Friestalige producties en films

Titel 3.2a. Commerciële mediadiensten op aanvraag

Hoofdstuk 4. Bescherming jeugdigen

Hoofdstuk 5. Evenementen van aanzienlijk belang voor de samenleving en evenementen van groot belang

Hoofdstuk 6. Bijzondere bepalingen over politieke partijen, overheid, beperkte omroepdiensten, omroepzenders, omroepnetwerken en frequentieruimte

Titel 3.3. Toezichtskosten

Afdeling 6.1.1. Politieke partijen

Afdeling 6.1.2. Overheid

Afdeling 6.1.3. Overige bepalingen politieke partijen en overheid

Titel 6.2. Toestemming omroepdiensten voor bijzondere doelen

Afdeling 6.1.2. Overheid

Paragraaf 6.3.1.1. Verspreiding programma-aanbod

Paragraaf 6.3.1.2. Verspreiding van pakketten televisie- en radioprogrammakanalen

Paragraaf 6.3.1.3. Geschillencommissie

Afdeling 6.3.1. Gebruik omroepzenders en omroepnetwerken

Titel 6.4. Buitengewone omstandigheden en omroepdiensten voor buitenlandse militairen

Hoofdstuk 8. De journalistiek

Afdeling 9.2.2. Overgangsrecht raad van toezicht NTR

Afdeling 9.2.2. Overgangsrecht raad van toezicht NTR

Afdeling 9.2.3. Overgangsrecht financiële verantwoording kerkgenootschappen en genootschappen op geestelijke grondslag

Afdeling 9.2.4. Overgangsrecht vaststelling budget NTR voor de periode 2014–2016

Afdeling 9.2.5. Overgangsrecht programmaversterkingsbudget voor de periode 2016–2021

Afdeling 9.2.6. Overgangsrecht evaluatie landelijke publieke mediadienst voor de periode 2010–2016

Afdeling 9.2.1. Overgangsrecht verlening van erkenningen voor de periode 2016–2021

Afdeling 9.2.8*. Overgangsrecht vrijstelling melding van voorgenomen concentratie door omroepverenigingen

Artikel 9.14b
1.

In afwijking van artikel 34 van de Mededingingswet is geen melding vereist voor een voornemen tot concentratie van:

2.

Dit artikel is van toepassing in de periode vanaf 1 januari 2013 tot en met 31 december 2015.

Afdeling 9.2.2. Overgangsrecht raad van toezicht NTR

Artikel 9.14c
1.

In afwijking van artikel 2.60k kan de eerste concessie die wordt verleend aan de RPO gelden voor een periode korter dan tien jaar.

2.

In geval van toepassing van het eerste lid heeft het eerste concessiebeleidsplan RPO, in afwijking van artikel 2.60l, betrekking op de volledige periode van de eerste concessie.

Titel 9.3. Slotbepalingen

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Afdeling 9.2.3. Overgangsrecht financiële verantwoording kerkgenootschappen en genootschappen op geestelijke grondslag

Artikel 9.14d

De concessie van de NPO, de concessieperiode en de tweede van de twee perioden van vijf jaar, bedoeld in artikel 2.19, derde lid, de tweede periode van vijf jaar, bedoeld in artikel 2.20, eerste lid, de erkenningen en de voorlopige erkenningen, bedoeld in artikel 2.23, eerste, respectievelijk tweede lid, en de erkenningperiode die gelden op het moment van inwerkingtreding van dit artikel worden, voor zover van toepassing in afwijking van deze wet, van rechtswege met een jaar verlengd.

Titel 9.3. Slotbepalingen

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 2.170c
1.

Het overlegorgaan, bedoeld in artikel 2.146, onderdeel l, dient jaarlijks vóór 15 september een begroting in bij Onze Minister.

2.

Het overlegorgaan dient jaarlijks vóór 1 mei een jaarrekening over het voorafgaande kalenderjaar in bij Onze Minister.

Artikel 2.170d
1.

Onze Minister stelt uit de rijksmediabijdrage en de inkomsten van de Ster aan het overlegorgaan, bedoeld in artikel 2.146, onderdeel l, een bijdrage in de kosten ter beschikking.

2.

Onze Minister kan aan een besluit tot het ter beschikking stellen van bijdragen voorschriften verbinden.

3.

Als het overlegorgaan niet voldoet aan artikel 2.170c of indien hij de aan een besluit tot het ter beschikking stellen van bijdragen verbonden voorschriften niet naleeft, kan Onze Minister:

Paragraaf 2.6.6.1. Rechtmatigheidstoetsing en jaarrekening

Paragraaf 2.6.6.2. Reservering en terugvordering

Titel 2.7. Evaluatie

Hoofdstuk 3. Commerciële mediadiensten

Titel 3.1. Toestemming omroepdiensten

Afdeling 3.2.2. Reclame en telewinkelen

Paragraaf 3.2.4.1. Europese en onafhankelijke producties

Paragraaf 3.2.4.2. Nederlands- en Friestalige producties

Paragraaf 3.2.4.2. Nederlands- en Friestalige producties

Titel 3.3. Toezichtskosten

Hoofdstuk 3a. Videoplatformdiensten

Hoofdstuk 6. Bijzondere bepalingen over politieke partijen, overheid, beperkte omroepdiensten, omroepzenders, omroepnetwerken en frequentieruimte

Afdeling 6.1.1. Politieke partijen

Afdeling 6.1.3. Overige bepalingen politieke partijen en overheid

Afdeling 6.3.1. Gebruik omroepzenders en omroepnetwerken

Paragraaf 6.3.1.1. Verspreiding programma-aanbod

Paragraaf 6.3.1.2. Verspreiding van pakketten televisie- en radioprogrammakanalen

Paragraaf 6.3.1.3. Geschillencommissie

Afdeling 6.3.2. Gebruik frequentieruimte

Hoofdstuk 7. Toezicht en bestuursrechtelijke handhaving

Titel 7.2. Toezicht en handhaving

Titel 7.1. Commissariaat voor de Media

Hoofdstuk 7. Toezicht en bestuursrechtelijke handhaving

Titel 7.1. Commissariaat voor de Media

Titel 7.3. Overige taken

Titel 8.3. Overige vormen subsidieverstrekking

Hoofdstuk 8. De journalistiek

Titel 8.1. Stimuleringsfonds voor de journalistiek

Afdeling 9.2.1. Overgangsrecht verlening van erkenningen voor de periode 2016–2021

Afdeling 9.2.4. Overgangsrecht vaststelling budget NTR voor de periode 2014–2016

Titel 9.2. Overgangsbepalingen bij de Wet van 6 november 2013 tot wijziging van de Mediawet 2008 teneinde het stelsel van de landelijke publieke omroep te moderniseren

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 3a.1

In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

Artikel 3a.2
1.

Onder de bevoegdheid van Nederland valt een aanbieder van een videoplatformdienst die krachtens artikel 28bis, eerste tot en met vierde lid, van de Europese richtlijn in Nederland is gevestigd of geacht wordt in Nederland te zijn gevestigd.

2.

Een aanbieder van een videoplatform stelt, gemakkelijk, rechtstreeks en permanent ten minste de volgende gegevens beschikbaar voor het publiek:

Artikel 3a.3
1.

Een aanbieder van een videoplatform heeft een gedragscode die maatregelen voorschrijft als bedoeld in artikel 28ter, eerste lid, en tweede lid, tweede en vierde alinea, van de Europese richtlijn, en past deze gedragscode en maatregelen op dit videoplatform toe.

2.

De gedragscode, bedoeld in het eerste lid, omvat daartoe naargelang het geval de maatregelen als genoemd in artikel 28ter, derde lid, van de Europese richtlijn.

3.

De gedragscode, bedoeld in eerste lid, bevat duidelijke en ondubbelzinnige doelstellingen en voorziet in:

4.

De aanbieder van een videoplatform zorgt ervoor dat de gedragscode voldoende draagvlak heeft onder de belangrijkste betrokkenen.

Artikel 3a.4
1.

Een aanbieder van een videoplatform die audiovisuele commerciële communicatie in de handel brengt, verkoopt of organiseert, is aangesloten bij de Nederlandse Reclame Code of een vergelijkbare door de Stichting Reclame Code tot stand gebrachte regeling en ter zake onderworpen aan het toezicht van de Stichting Reclame Code.

2.

Aansluiting wordt aangetoond door een schriftelijke verklaring van de Stichting Reclame Code aan het Commissariaat over te leggen.

Artikel 3a.5
1.

Audiovisuele commerciële communicatie op een videoplatformdienst is als zodanig herkenbaar.

2.

In audiovisuele commerciële communicatie wordt geen subliminale technieken gebruikt.

3.

Audiovisuele commerciële communicatie wordt niet aangeboden in de vorm van sluikreclame.

4.

Indien audiovisueel media-aanbod of door gebruikers gegenereerde video's audiovisuele commerciële communicatie bevatten en de aanbieder van een videoplatform daarvan op de hoogte is, informeert de aanbieder van een videoplatform de gebruiker van de videoplatformdienst hierover op een manier die voor de gebruiker duidelijk is.

Hoofdstuk 4. Bescherming jeugdigen

Artikel 4.1a
1.

Audiovisueel media-aanbod dat schade kan toebrengen aan de lichamelijke, geestelijke of morele ontwikkeling van personen jonger dan zestien jaar wordt door de instelling die verantwoordelijk is voor de inhoud van het aanbod zodanig beschikbaar gesteld dat personen jonger dan zestien jaar deze normaliter niet te horen of te zien krijgen.

2.

De meest schadelijke inhoud als nodeloos geweld en pornografie wordt door de instelling die verantwoordelijk is voor de inhoud van het aanbod ontoegankelijk gemaakt voor personen jonger dan zestien jaar.

3.

Voor zover het televisieprogramma-aanbod betreft dat niet als meest schadelijke inhoud kan worden gekwalificeerd, worden de maatregelen die volgen uit de regelingen als bedoeld in artikel 4.2, tweede lid, beschouwd als maatregelen als bedoeld in het eerste lid.

4.

De op grond van dit artikel door media-instellingen verzamelde of anderszins gegenereerde persoonsgegevens van minderjarigen worden niet verwerkt voor commerciële doeleinden.

Hoofdstuk 3a. Videoplatformdiensten

Hoofdstuk 4. Bescherming jeugdigen

Titel 6.1. Politieke partijen en overheid

Afdeling 6.1.1. Politieke partijen

Afdeling 6.1.1. Politieke partijen

Paragraaf 6.3.1.1. Verspreiding programma-aanbod

Paragraaf 6.3.1.1. Verspreiding programma-aanbod

Paragraaf 6.3.1.3. Geschillencommissie

Afdeling 6.3.2. Gebruik frequentieruimte

Artikel 6.25a
1.

Het media-aanbod van een publieke of commerciële media-instelling wordt ongewijzigd verspreid, tenzij de betreffende publieke of commerciële media-instelling toestemming heeft gegeven voor een gewijzigde vorm van verspreiding.

2.

Gewijzigde verspreiding van audiovisueel media-aanbod door de toevoeging van een overlay is mogelijk indien:

Artikel 6.28

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over het verzorgen van omroepdiensten die uitsluitend bestemd zijn voor de in Nederland gelegerde militairen van buitenlandse strijdkrachten en hun gezinnen.

Hoofdstuk 7. Toezicht en bestuursrechtelijke handhaving

Artikel 7:22
1.

Het Commissariaat houdt een lijst bij met publieke en commerciële media-instellingen die op grond van artikel 1.2, eerste lid, onder de bevoegdheid van Nederland vallen, met de vermelding op welk criterium als bedoeld in artikel 2, tweede tot en met vijfde lid, van de Europese richtlijn de rechtsmacht van de betreffende aanbieder is gebaseerd.

2.

Het Commissariaat houdt een lijst bij met de aanbieders van videoplatformen die op grond van artikel 3a.2, eerste lid, onder de bevoegdheid van Nederland vallen, met de vermelding op welk criterium als bedoeld in artikel 28bis, eerste tot en met vierde lid, van de Europese richtlijn de rechtsmacht van de betreffende aanbieder is gebaseerd.

Hoofdstuk 8. De pers

Titel 7.2. Toezicht en handhaving

Titel 7.3. Overige taken

Titel 8.3. Overige vormen subsidieverstrekking

Hoofdstuk 9. Overgangs- en slotbepalingen

Titel 9.1. Overgangsbepalingen

Titel 9.2. Overgangsbepalingen bij de Wet van 6 november 2013 tot wijziging van de Mediawet 2008 teneinde het stelsel van de landelijke publieke omroep te moderniseren

Afdeling 9.2.1. Overgangsrecht verlening van erkenningen voor de periode 2016–2021

Afdeling 9.2.2. Overgangsrecht raad van toezicht NTR

Afdeling 9.2.3. Overgangsrecht financiële verantwoording kerkgenootschappen en genootschappen op geestelijke grondslag

Afdeling 9.2.4. Overgangsrecht vaststelling budget NTR voor de periode 2014–2016

Afdeling 9.2.5. Overgangsrecht programmaversterkingsbudget voor de periode 2016–2021

Afdeling 9.2.6. Overgangsrecht evaluatie landelijke publieke mediadienst voor de periode 2010–2016

Afdeling 9.2.1. Overgangsrecht verlening van erkenningen voor de periode 2016–2021

Afdeling 9.2.1. Overgangsrecht verlening van erkenningen voor de periode 2016–2021

Afdeling 9.2.2. Overgangsrecht raad van toezicht NTR

Afdeling 9.2.2. Overgangsrecht raad van toezicht NTR

Afdeling 9.2.3. Overgangsrecht financiële verantwoording kerkgenootschappen en genootschappen op geestelijke grondslag

Titel 9.3. Slotbepalingen

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 2.11a

De raad van toezicht en het college van omroepen hebben ten minste tweemaal per jaar overleg.

Artikel 2.14a
1.

De raad van bestuur benoemt, op voordracht van het college van omroepen, een ombudsman voor de publieke omroep voor een periode van drie jaar. Herbenoeming is mogelijk.

2.

De raad van bestuur kan de ombudsman tussentijds ontslaan indien deze, ondanks een voorafgaande waarschuwing van het college van omroepen, naar het oordeel van dit college structureel in gebreke blijft.

3.

De raad van bestuur kan voorzien in tijdelijke vervanging van de ombudsman indien deze wegens ziekte of verlof langdurig niet in staat is zijn functie te vervullen.

4.

De ombudsman heeft geen financiële of andere belangen bij bedrijven of instellingen en vervult geen nevenfuncties waardoor een goede vervulling van de functie of de handhaving van de onafhankelijkheid van de ombudsman of van het vertrouwen daarin in het geding kan zijn.

5.

De ombudsman beoordeelt na een klacht of uit eigen beweging het journalistieke handelen van de landelijke publieke media-instellingen bij de verzorging van media-aanbod op het gebied van nieuws, informatie en educatie. Dit oordeel is niet bindend en de ombudsman kan geen rectificatie afdwingen.

Paragraaf 2.2.1.3. Informatieverstrekking, taakverwaarlozing, bestuursverslag en statuten

Paragraaf 2.2.1.4. Concessie, beleidsplan en prestatieovereenkomst

Afdeling 2.2.2a. Nederlandse Omroep Stichting

Afdeling 2.2.4. Kerkgenootschappen en genootschappen op geestelijke grondslag

Afdeling 2.2.5. Coördinatie en ordening aanbodkanalen

Titel 2.3. Regionale en lokale publieke mediadiensten

Paragraaf 2.3.1. Stichting Regionale Publieke Omroep

Paragraaf 2.3.1a. Aanwijzing van regionale of lokale publieke media-instelling

Titel 2.4. Wereldomroep

Paragraaf 2.4.1. Taken

Paragraaf 2.4.3. Informatie, jaarverslag en statuten

Titel 2.5. Nadere voorschriften media-aanbod publieke mediadiensten

Afdeling 2.5.1. Verantwoordelijkheid en verplichtingen

Paragraaf 2.5.2.2. Specifieke voorschriften

Afdeling 2.5.3. Sponsoring

Afdeling 2.5.5. Stichting Stimuleringsfonds Nederlandse culturele mediaproducties

Paragraaf 2.5.5.1. Taak

Paragraaf 2.5.4.3. Films

Titel 2.6. Bekostiging publieke mediadiensten

Afdeling 2.6.1. Algemene bekostigingsaanspraak

Artikel 2.150a

Onze Minister kan de budgetten, bedoeld in artikel 2.149, eerste lid, in de loop van het jaar verhogen naar aanleiding van een bijstelling als bedoeld in artikel 2.148a, tweede lid. Daarbij geeft hij toepassing aan de verdeling, bedoeld in artikel 2.150, eerste lid.

Paragraaf 2.6.2.3. Gelden voor bijzondere doelen

Afdeling 2.6.3. Bekostiging Wereldomroep

Paragraaf 2.6.3.1. Begroting

Paragraaf 2.6.6.1. Rechtmatigheidstoetsing en jaarrekening

Afdeling 2.6.7. Omroeporkesten, omroepkoren, media-archief en expertisecentrum voor media-educatie

Titel 2.7. Evaluatie

Hoofdstuk 3. Commerciële mediadiensten

Titel 3.2. Programma-aanbod

Afdeling 3.2.2. Reclame en telewinkelen

Afdeling 3.2.2. Reclame en telewinkelen

Afdeling 3.2.3a. Productplaatsing

Paragraaf 3.2.4.3. Films

Hoofdstuk 3a. Videoplatformdiensten

Hoofdstuk 4. Bescherming jeugdigen

Hoofdstuk 5. Evenementen van aanzienlijk belang voor de samenleving en evenementen van groot belang

Hoofdstuk 4. Bescherming jeugdigen

Afdeling 6.1.1. Politieke partijen

Afdeling 6.1.3. Overige bepalingen politieke partijen en overheid

Titel 6.2. Toestemming omroepdiensten voor bijzondere doelen

Afdeling 6.3.1. Gebruik omroepzenders en omroepnetwerken

Paragraaf 6.3.1.2. Verspreiding van pakketten televisie- en radioprogrammakanalen

Paragraaf 6.3.1.1. Verspreiding programma-aanbod

Afdeling 6.3.2. Gebruik frequentieruimte

Hoofdstuk 7. Toezicht en bestuursrechtelijke handhaving

Hoofdstuk 8. De pers

Titel 8.1. Stimuleringsfonds voor de pers

Titel 8.4. Overige bepalingen

Hoofdstuk 9. Overgangs- en slotbepalingen

Titel 8.3. Overige vormen subsidieverstrekking

Titel 9.2. Overgangsbepalingen bij de Wet van 6 november 2013 tot wijziging van de Mediawet 2008 teneinde het stelsel van de landelijke publieke omroep te moderniseren

Afdeling 9.2.1. Overgangsrecht verlening van erkenningen voor de periode 2016–2021

Afdeling 9.2.6. Overgangsrecht evaluatie landelijke publieke mediadienst voor de periode 2010–2016

Afdeling 9.2.2. Overgangsrecht raad van toezicht NTR

Afdeling 9.2.3. Overgangsrecht financiële verantwoording kerkgenootschappen en genootschappen op geestelijke grondslag

Afdeling 9.2.4. Overgangsrecht vaststelling budget NTR voor de periode 2014–2016

Afdeling 9.2.5. Overgangsrecht programmaversterkingsbudget voor de periode 2016–2021

Afdeling 9.2.6. Overgangsrecht evaluatie landelijke publieke mediadienst voor de periode 2010–2016

Afdeling 9.2.7. Overgangsrecht vrijstelling overdrachtsbelasting

Afdeling 9.2.6. Overgangsrecht evaluatie landelijke publieke mediadienst voor de periode 2010–2016

Titel 9.3. Slotbepalingen

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 2.60m1
1.

Artikel 2.60m, derde lid, is niet van toepassing, als bij wijze van experiment van beperkte omvang of duur media-aanbod via andere aanbodkanalen dan die, bedoeld in artikel 2.60l, tweede lid, onder b en c, wordt aangeboden. Een experiment dient om te onderzoeken of deze aanbodkanalen een bijdrage kunnen leveren aan de verwezenlijking van de publieke mediaopdracht op regionaal niveau.

2.

Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald wanneer sprake is van beperkte omvang of duur en kunnen nadere regels worden gesteld over het uitvoeren van experimenten.

Titel 2.4. Wereldomroep

Paragraaf 2.4.3. Informatie, jaarverslag en statuten

Titel 2.5. Nadere voorschriften media-aanbod publieke mediadiensten

Afdeling 2.5.1. Verantwoordelijkheid en verplichtingen

Afdeling 2.5.2. Reclame en telewinkelen

Artikel 2.99a

De organen van de Ster zijn een raad van toezicht en een bestuur.

Artikel 2.99b
1.

De raad van toezicht van de Ster bestaat uit vijf leden die op voordracht van de raad van toezicht door Onze Minister worden benoemd en die door Onze Minister kunnen worden geschorst en ontslagen.

2.

De raad van toezicht wijst uit zijn midden de voorzitter aan.

3.

Benoeming geschiedt voor een periode van vier jaar. Herbenoeming is eenmaal mogelijk, voor een aansluitende periode.

Artikel 2.99c
1.

Bij een vacature draagt de raad van toezicht van de Ster zorg voor de procedure die leidt tot de voordracht, bedoeld in artikel 2.99b, eerste lid.

2.

De raad van toezicht stelt profielschetsen op voor de vacature en voor de raad als geheel.

3.

De NPO en, voor zover de Ster media-aanbod voor de regionale respectievelijk lokale publieke mediadiensten verzorgt, de RPO en het overlegorgaan, bedoeld in artikel 2.146, aanhef en onder l, worden in de gelegenheid gesteld om binnen een redelijke termijn zienswijzen te geven op de profielschetsen.

4.

De profielschetsen behoeven de instemming van Onze Minister.

5.

De raad van toezicht maakt de profielschetsen na de instemming openbaar.

6.

Voor de selectie van kandidaten stelt de raad van toezicht een onafhankelijke benoemingsadviescommissie in die de raad van toezicht adviseert.

7.

De voordracht van de raad van toezicht aan Onze Minister is gemotiveerd, waarbij in elk geval wordt ingegaan op de geschiktheid, de profielschetsen, de positie van de kandidaat in het rooster van aftreden en de procedure die heeft geleid tot de voordracht.

8.

Onze Minister neemt de voordracht over, tenzij deze in strijd is met:

Artikel 2.99d
1.

Het lidmaatschap van de raad van toezicht van de Ster is onverenigbaar met:

2.

Schorsing en ontslag zijn mogelijk wegens:

3.

Ontslag is verder mogelijk op eigen verzoek.

4.

De leden van de raad van toezicht ontvangen van de Ster een door Onze Minister vast te stellen vergoeding.

Artikel 2.99e
1.

De raad van toezicht van de Ster houdt toezicht op het beleid van het bestuur van de Ster en op de algemene gang van zaken binnen de Ster en staat het bestuur met advies terzijde.

2.

Bij de vervulling van hun taak richten de leden van de raad van toezicht zich naar het algemene belang van de Ster en naar haar taak als onderdeel van het publieke mediabestel.

Artikel 2.101a
1.

Het bestuur van de Ster bestuurt de Ster.

2.

Het bestuur is belast met de dagelijks leiding en het financiële beheer van de Ster.

3.

Het bestuur is verder belast met datgene wat niet uitdrukkelijk tot de taken van de raad van toezicht van de Ster behoort.

Artikel 2.102a
1.

Als de Ster naar de mening van Onze Minister haar taken ernstig verwaarloost, kan Onze Minister na overleg met de Ster de noodzakelijke voorzieningen treffen.

2.

Onze Minister stelt de Tweede Kamer der Staten-Generaal onverwijld in kennis van de door hem getroffen voorzieningen.

Artikel 2.104a

De raad van bestuur bevordert dat tussen de NPO en de Ster afspraken tot stand komen over het beleid inzake de inkomsten uit reclame- en telewinkelboodschappen op de aanbodkanalen van de landelijke publieke mediadienst en de wederzijdse inspanningen daarvoor.

Afdeling 2.5.3. Sponsoring

Afdeling 2.5.4. Europese producties, onafhankelijke producties, Nederlands- en Friestalige producties en films

Afdeling 2.5.5. Stichting Stimuleringsfonds Nederlandse culturele mediaproducties

Paragraaf 2.5.5.3. Begroting en jaarrekening

Titel 2.6. Bekostiging publieke mediadiensten

Paragraaf 2.6.2.1. Begroting

Paragraaf 2.6.3.2. Vaststelling budgetten

Afdeling 2.6.5. Bekostiging regionale en lokale publieke mediadiensten

Artikel 2.169c
1.

Onze Minister stelt jaarlijks vóór 1 december het budget vast voor de uitvoering van de taken en werkzaamheden van de RPO.

2.

Onze Minister kan aan een besluit tot het vast stellen van het budget schriftelijke voorwaarden verbinden.

3.

Het budget, bedoeld in het eerste lid, stelt Onze Minister door tussenkomst van het Commissariaat ter beschikking aan de RPO.

4.

Onze Minister stelt het budget vast op tachtig procent van het budget van het voorgaande jaar als de RPO de begroting niet volgens de daarvoor geldende regels heeft ingediend.

5.

Het budget, bedoeld in het eerste lid, besteedt het bestuur van de RPO aan de daar genoemde doelen.

Paragraaf 2.6.6.1. Rechtmatigheidstoetsing en jaarrekening

Paragraaf 2.6.6.2. Reservering en terugvordering

Paragraaf 2.6.6.3. Overige bepalingen

Hoofdstuk 3. Commerciële mediadiensten

Titel 3.1. Toestemming omroepdiensten

Afdeling 3.2.4. Europese producties, onafhankelijke producties, Nederlands- en Friestalige producties en films

Paragraaf 3.2.4.2. Nederlands- en Friestalige producties

Titel 3.3. Toezichtskosten

Hoofdstuk 3a. Videoplatformdiensten

Hoofdstuk 6. Bijzondere bepalingen over politieke partijen, overheid, beperkte omroepdiensten, omroepzenders, omroepnetwerken en frequentieruimte

Afdeling 6.1.1. Politieke partijen

Afdeling 6.1.2. Overheid

Afdeling 6.1.2. Overheid

Titel 6.2. Toestemming omroepdiensten voor bijzondere doelen

Paragraaf 6.3.1.1. Verspreiding programma-aanbod

Paragraaf 6.3.1.1. Verspreiding programma-aanbod

Paragraaf 6.3.1.3. Geschillencommissie

Afdeling 6.3.2. Gebruik frequentieruimte

Hoofdstuk 7. Toezicht en bestuursrechtelijke handhaving

Titel 7.3. Overige taken

Hoofdstuk 8. De pers

Titel 8.3. Overige vormen subsidieverstrekking

Titel 8.3. Overige vormen subsidieverstrekking

Hoofdstuk 9. Overgangs- en slotbepalingen

Titel 9.1. Overgangsbepalingen

Titel 9.2. Overgangsbepalingen bij de Wet van 6 november 2013 tot wijziging van de Mediawet 2008 teneinde het stelsel van de landelijke publieke omroep te moderniseren

Afdeling 9.2.8*. Overgangsrecht vrijstelling melding van voorgenomen concentratie door omroepverenigingen

Afdeling 9.2.8. Overgangsrecht vrijstelling melding van voorgenomen concentratie door omroepverenigingen

Afdeling 9.2.9. Overgangsrecht RPO

Afdeling 9.2.10. Verlenging van de concessie en de erkenningen van de landelijke publieke mediadienst die zijn verleend voor een periode die afloopt op 31 december 2020

Afdeling 9.2.11. Overgangsrecht maximum percentage reclame- en telewinkelboodschappen in televisieprogramma-aanbod landelijke publieke mediadienst

Afdeling 9.2.10. Verlenging van de concessie en de erkenningen van de landelijke publieke mediadienst die zijn verleend voor een periode die afloopt op 31 december 2020

Titel 9.3. Slotbepalingen

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Titel 2.4. Wereldomroep

Artikel 2.72

Vervallen

Titel 2.5. Nadere voorschriften media-aanbod publieke mediadiensten

Paragraaf 2.5.2.2. Specifieke voorschriften

Afdeling 2.5.4. Europese producties, onafhankelijke producties, Nederlands- en Friestalige producties en films

Paragraaf 2.5.4.1. Europese en onafhankelijke producties

Paragraaf 2.5.4.2. Nederlands- en Friestalige producties

Paragraaf 2.5.5.1. Taak

Paragraaf 2.5.5.4. Statuten en ontbinding

Afdeling 2.5.6. Nevenactiviteiten en overige bepalingen

Titel 2.6. Bekostiging publieke mediadiensten

Paragraaf 2.6.2.1. Begroting

Paragraaf 2.6.2.3. Gelden voor bijzondere doelen

Afdeling 2.6.3. Bekostiging Wereldomroep

Paragraaf 2.6.3.2. Vaststelling budgetten

Afdeling 2.6.5. Bekostiging regionale en lokale publieke mediadiensten

Paragraaf 2.6.6.2. Reservering en terugvordering

Afdeling 2.6.7. Omroeporkesten, omroepkoren, media-archief en expertisecentrum voor media-educatie

Titel 2.7. Evaluatie

Afdeling 3.2.3. Sponsoring

Paragraaf 3.2.4.1. Europese en onafhankelijke producties

Paragraaf 3.2.4.2. Nederlands- en Friestalige producties

Hoofdstuk 4. Bescherming jeugdigen

Hoofdstuk 5. Evenementen van aanzienlijk belang voor de samenleving en evenementen van groot belang

Hoofdstuk 6. Bijzondere bepalingen over politieke partijen, overheid, beperkte omroepdiensten, omroepzenders, omroepnetwerken en frequentieruimte

Afdeling 6.1.2. Overheid

Afdeling 6.1.3. Overige bepalingen politieke partijen en overheid

Afdeling 6.3.1. Gebruik omroepzenders en omroepnetwerken

Paragraaf 6.3.1.2. Verspreiding van pakketten televisie- en radioprogrammakanalen

Paragraaf 6.3.1.3. Geschillencommissie

Afdeling 6.3.2. Gebruik frequentieruimte

Titel 6.3a. Ongewijzigd verspreiden van media-aanbod van een publieke of commerciële media-instelling

Titel 7.2. Toezicht en handhaving

Titel 8.4. Overige bepalingen

Hoofdstuk 9. Overgangs- en slotbepalingen

Titel 9.1. Overgangsbepalingen

Afdeling 9.2.4. Overgangsrecht vaststelling budget NTR voor de periode 2014–2016

Afdeling 9.2.5. Overgangsrecht programmaversterkingsbudget voor de periode 2016–2021

Afdeling 9.2.7. Overgangsrecht vrijstelling overdrachtsbelasting

Afdeling 9.2.8*. Overgangsrecht vrijstelling melding van voorgenomen concentratie door omroepverenigingen

Afdeling 9.2.8. Overgangsrecht vrijstelling melding van voorgenomen concentratie door omroepverenigingen

Afdeling 9.2.9. Overgangsrecht RPO

Afdeling 9.2.12. Overgangsrecht aanwijzing regionale publieke media-instelling

Artikel 9.14f

In afwijking van artikel 2.65, eerste lid, blijft een aanwijzing op grond van artikel 2.65, eerste lid, zoals dat luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit artikel, die geldt op de dag waarop artikel I, onderdeel Ma, van de Wijziging van de Mediawet 2008 met het oog op de versterking van het toekomstperspectief van de publieke omroep in werking treedt, gelden tot en met 31 december 2025 en vervalt daarna van rechtswege.

Titel 9.3. Slotbepalingen

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 2.72

Vervallen

Paragraaf 2.4.2. Organisatie

Artikel 2.73

Vervallen

Artikel 2.74

Vervallen

Titel 2.5. Nadere voorschriften media-aanbod publieke mediadiensten

Afdeling 2.5.3. Sponsoring

Afdeling 2.5.6. Nevenactiviteiten en overige bepalingen

Titel 2.6. Bekostiging publieke mediadiensten

Paragraaf 2.6.2.3. Gelden voor bijzondere doelen

Afdeling 2.6.3. Bekostiging Wereldomroep

Paragraaf 2.6.3.1. Begroting

Paragraaf 2.6.3.2. Vaststelling budgetten

Afdeling 2.6.4. Algemene mediareserve

Paragraaf 2.6.6.1. Rechtmatigheidstoetsing en jaarrekening

Paragraaf 2.6.6.3. Overige bepalingen

Titel 3.1. Toestemming omroepdiensten

Afdeling 3.2.3a. Productplaatsing

Paragraaf 3.2.4.1. Europese en onafhankelijke producties

Afdeling 3.2.5. Overige bepalingen

Hoofdstuk 6. Bijzondere bepalingen over politieke partijen, overheid, beperkte omroepdiensten, omroepzenders, omroepnetwerken en frequentieruimte

Titel 6.1. Politieke partijen en overheid

Afdeling 6.1.1. Politieke partijen

Afdeling 6.1.3. Overige bepalingen politieke partijen en overheid

Afdeling 6.3.1. Gebruik omroepzenders en omroepnetwerken

Paragraaf 6.3.1.2. Verspreiding van pakketten televisie- en radioprogrammakanalen

Paragraaf 6.3.1.3. Geschillencommissie

Afdeling 6.3.2. Gebruik frequentieruimte

Titel 8.2. Subsidieverstrekking ten behoeve van persorganen

Titel 8.4. Overige bepalingen

Hoofdstuk 9. Overgangs- en slotbepalingen

Titel 9.1. Overgangsbepalingen

Titel 9.2. Overgangsbepalingen bij de Wet van 6 november 2013 tot wijziging van de Mediawet 2008 teneinde het stelsel van de landelijke publieke omroep te moderniseren

Afdeling 9.2.11. Overgangsrecht maximum percentage reclame- en telewinkelboodschappen in televisieprogramma-aanbod landelijke publieke mediadienst

Artikel 9.14e
1.

In afwijking van artikel 2.95, eerste lid, aanhef en onder a, bedraagt het aandeel reclame- en telewinkelboodschappen per televisieprogrammakanaal van de landelijke publieke mediadienst niet meer dan een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vast te stellen percentage van de totale duur van het programma-aanbod op dat kanaal per jaar, welk percentage niet meer bedraagt dan tien.

2.

De voordracht voor een op grond van het eerste lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.

3.

Dit artikel is van toepassing voor de jaren 2022 tot en met 2025.

Afdeling 9.2.12. Overgangsrecht aanwijzing regionale publieke media-instelling

Titel 9.3. Slotbepalingen

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.