← Geldende tekst · Geschiedenis

Besluit van 18 maart 2009, houdende nadere regels voor de binnenvaart (Binnenvaartbesluit)

Geldende tekst a fecha 2013-07-01

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat van 21 mei 2008, nr. CEND/HDJZ/2008-459 sector SCH Hoofddirectie Juridische Zaken,

Gelet op de artikelen 5, tweede lid, 7, tweede lid, 14, vijfde lid, 22, eerste lid, 23, tweede lid, 25, eerste, tweede en derde lid, 26, eerste lid, 28, vijfde en zesde lid, 29, derde lid, 30, derde lid, 34, 35, 36, derde lid, 37, eerste lid, 38, en 39, vierde lid, van de Binnenvaartwet, artikel 2 van de Wet geluidhinder, de artikelen 4, eerste lid, onder a, en derde lid, 9, 10, tweede lid, onderdeel b, en 18 van de Scheepvaartverkeerswet, de artikelen 8.40, eerste lid, 8.41, derde lid, 8.42, eerste en tweede lid, 8.45, 10.45, tweede lid, 10.46 en 10.48, eerste lid van de Wet milieubeheer, artikel 74c van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2:1, eerste lid, 2:7, eerste lid, 4:3, tweede en vierde lid en artikel 5:12, eerste en tweede lid, van de Arbeidstijdenwet;

De Raad van State gehoord (advies van 18 juli 2008 nr. W09.08.0185/IV);

Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat van 13 maart 2009, nr. CEND/HDJZ-2009/102 sector SCH, uitgebracht mede namens Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen

Artikel 1

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt, tenzij anders is bepaald, verstaan onder:

Hoofdstuk 2. Toegang tot de markt

Artikel 2
1.

Bij bedrijfsmatig vervoer van goederen of personen tussen twee plaatsen aan de binnenwateren, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Herziene Rijnvaartakte, is het schip voorzien van een Rijnvaartverklaring.

2.

Bij bedrijfsmatig vervoer van goederen of personen dat niet plaatsvindt tussen twee plaatsen als bedoeld in het eerste lid, is het schip voorzien van:

3.

Het tweede lid is van toepassing op:

4.

Bij regeling van Onze Minister kan vrijstelling worden verleend van het tweede lid.

Artikel 3
1.

Onze Minister verstrekt voor een schip een Rijnvaartverklaring, indien de eigenaar voldoet aan bij regeling van Onze Minister te stellen regels:

2.

De houder van een Rijnvaartverklaring doet aan Onze Minister binnen twee weken schriftelijk mededeling van iedere wijziging in de omstandigheden op grond waarvan de Rijnvaartverklaring is verstrekt.

3.

Onze Minister trekt de verklaring in, indien niet langer aan de in het eerste lid bedoelde regels wordt voldaan en kan de verklaring intrekken als de houder niet voldoet aan de verplichting genoemd in het tweede lid.

4.

Onze Minister kan in het geval dat een Rijnvaartverklaring wordt aangevraagd in verband met het verrichten van vervoer als bedoeld in artikel 2, tweede lid, uitzonderingen toestaan wat betreft de eis van meerderheid, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel c, onder cc, alsmede artikel 3, tweede lid, van de bijlage bij Verordening (EEG) nr. 2919/85 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 17 oktober 1985 houdende vaststelling van de voorwaarden waaraan moet worden voldaan om in aanmerking te komen voor het regime dat door de Herziene Rijnvaartakte wordt gereserveerd voor de vaartuigen die tot de Rijnvaart behoren (PbEG L 280), op voorwaarde dat het doel van Aanvullend Protocol nr. 2 bij de Herziene Rijnvaartakte niet in gevaar wordt gebracht en hij tevens de door de Centrale Commissie voor de Rijnvaart vastgestelde algemene voorwaarden, bedoeld in artikel 3, vierde lid, van de bijlage bij bovengenoemde verordening overeenkomstig toepast.

Artikel 4
1.

Onze Minister kan voor een schip dat niet in aanmerking komt voor een Rijnvaartverklaring of een geëigend document als bedoeld in artikel 2, tweede lid, op aanvraag van de eigenaar van het schip een bewijs van toelating als bedoeld in dat artikellid verstrekken, indien dat schip is voorzien van een door Onze Minister aangewezen document dat door een andere staat dan een lidstaat van de Europese Unie, door een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of door Zwitserland wordt verstrekt in het kader van een door Nederland met de betrokken staat gesloten overeenkomst.

2.

Onze Minister kan als niet wordt voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 4, tweede lid, van de Herziene Rijnvaartakte:

3.

Artikel 3, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 5

Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld met betrekking tot:

Hoofdstuk 3. Regels aan boord

§ 1. Certificaat van onderzoek

Artikel 6

Voor de volgende categorieën van binnenschepen is een certificaat van onderzoek vereist:

Artikel 7

Het certificaat van onderzoek is niet vereist voor:

Artikel 8

Een communautair binnenvaartcertificaat voor binnenschepen overeenkomstig richtlijn nr. 2006/87/EG van het Europees parlement en de Raad van de Europese Gemeenschappen van 12 december 2006 tot vaststelling van de technische voorschriften voor binnenschepen en tot intrekking van richtlijn nr. 82/714/EEG van de Raad (PbEG L 389) wordt gelijkgesteld met een certificaat van onderzoek.

Artikel 9
1.

Voor binnenschepen waarop aanvullende regels als bedoeld in artikel 8, tweede lid, van de wet, van toepassing zijn en die zijn voorzien van een certificaat van onderzoek, verstrekt Onze Minister op aanvraag van de eigenaar van het binnenschip een communautair aanvullend binnenvaartcertificaat van onderzoek overeenkomstig richtlijn nr. 2006/87/EG van het Europees parlement en de Raad van de Europese Gemeenschappen van 12 december 2006 tot vaststelling van de technische voorschriften voor binnenschepen en tot intrekking van richtlijn nr. 82/714/EEG van de Raad (PbEG L389).

2.

Onze Minister verstrekt op aanvraag voor zeeschepen ten behoeve van de vaart op de binnenwateren een communautair aanvullend binnenvaartcertificaat van onderzoek.

3.

Op het communautair aanvullend binnenvaartcertificaat van onderzoek zijn hoofdstuk 3, paragraaf 1, van de wet en deze paragraaf van overeenkomstige toepassing.

Artikel 10
1.

Onze Minister kan een voorlopig certificaat van onderzoek afgeven voor binnenschepen, behorende tot de categorieën, bedoeld in artikel 6, voor:

2.

Het voorlopig certificaat is geldig:

3.

Het voorlopig certificaat van onderzoek kan voorschriften bevatten die door Onze Minister in het belang van de veiligheid van het binnenschip of de opvarenden nodig worden geacht. De eigenaar draagt zorg voor de naleving van deze voorschriften.

Artikel 11
1.

Bij regeling van Onze Minister worden vastgesteld:

2.

Bij regeling van Onze Minister worden nadere regels vastgesteld met betrekking tot:

§ 2. Bemanning

Artikel 12
1.

De categorieën schepen, bedoeld in artikel 22, eerste lid, van de wet, zijn:

2.

Tot de in het eerste lid genoemde categorieën behoren niet:

§ 3. Vaarbewijs

Artikel 13
1.

Voor de vaart op rivieren, kanalen en meren is de gezagvoerder voorzien van een groot, beperkt groot, dan wel klein vaarbewijs, voor rivieren, kanalen en meren.

2.

Voor de vaart op de overige binnenwateren is de gezagvoerder voorzien van een groot, beperkt groot, dan wel klein vaarbewijs, voor alle binnenwateren.

3.

Voor de toepassing van het eerste lid worden onder rivieren, kanalen en meren verstaan de binnenwateren met uitzondering van de Westerschelde, de Oosterschelde, de Waddenzee, de Eems, de Dollard, het IJsselmeer, het IJmeer en het Markermeer met uitzondering van de Gouwzee.

Artikel 14
1.

Een groot vaarbewijs is vereist voor het voeren van:

2.

Een groot vaarbewijs is geldig voor het voeren van schepen waarvoor een beperkt groot vaarbewijs of een klein vaarbewijs vereist is.

3.

In afwijking van het eerste lid, onder a, is een groot vaarbewijs niet vereist voor schepen die een lengte hebben van ten minste 20 meter en minder dan 40 meter en die niet behoren tot de in het eerste lid, onderdelen b tot en met e, genoemde categorieën als de gezagvoerder op grond van het bepaalde in artikel 15 in het bezit is van een geldig beperkt groot vaarbewijs.

4.

Het eerste lid, onderdeel e, is niet van toepassing op sleepboten, duwboten of sleepduwboten met een lengte van minder dan 15 meter, indien:

Artikel 15
1.

Een beperkt groot vaarbewijs is vereist voor het voeren van:

2.

Een beperkt groot vaarbewijs is geldig voor het voeren van een schip waarvoor een klein vaarbewijs vereist is.

Artikel 16

Een klein vaarbewijs is vereist voor het voeren van:

Artikel 17
1.

Het bezit van een vaarbewijs is niet vereist voor het voeren van:

2.

Geen verplichting tot het bezit van een vaarbewijs geldt voor de gezagvoerder die in het bezit is van een bij regeling van Onze Minister aangewezen krachtens de Herziene Rijnvaartakte afgegeven geldig gelijkwaardig vaarbewijs of van een geldig gelijkwaardig vaarbewijs als bedoeld in artikel 25, derde lid, van de wet.

3.

Geen verplichting tot het bezit van een vaarbewijs geldt voor de gezagvoerder van een zeeschip:

4.

Geen verplichting tot het bezit van een vaarbewijs geldt voor de gezagvoerder, indien:

Artikel 18
1.

Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld houdende vrijstelling van de vaarbewijsplicht, indien naar het oordeel van Onze Minister de veilige vaart voldoende gewaarborgd is.

2.

De in het eerste lid genoemde regels betreffen in elk geval de voorschriften voor afgifte en intrekking van vrijstellingsbewijzen.

Artikel 19

Bij regeling van Onze Minister worden vorm en inhoud van de vaarbewijzen vastgesteld.

Artikel 20
1.

Bij de aanvraag tot afgifte van een vaarbewijs worden overgelegd:

2.

Onverminderd het eerste lid toont de aanvrager bij de aanvraag tot afgifte van een beperkt groot vaarbewijs of een groot vaarbewijs op bij regeling van Onze Minister te bepalen wijze aan dat hij een vaartijd heeft doorlopen van drie jaren respectievelijk vier jaren.

3.

Een jaar vaartijd als bedoeld in het tweede lid bestaat uit 180 effectieve vaardagen. Binnen een periode van 365 opeenvolgende dagen kunnen maximaal 180 dagen als vaartijd worden meegerekend.

4.

In het geval van ongeldigverklaring van het vaarbewijs mag bij een nieuwe aanvraag tot afgifte geen gebruik worden gemaakt van een eerder overgelegd getuigschrift of erkend bewijs van bekwaamheid voor de binnenvaart.

5.

Bij regeling van Onze Minister worden nadere regels gegeven omtrent de toelating van de aanvrager tot het onderzoek en de wijze van onderzoek als bedoeld in artikel 26, tweede lid, onderdeel b, van de wet.

Artikel 21

In plaats van een document als bedoeld in artikel 20, eerste lid, onderdeel b, kan worden overgelegd:

Artikel 22
1.

Een groot vaarbewijs en een beperkt groot vaarbewijs, afgegeven voor de 50-jarige leeftijd van de houder, zijn geldig tot de dag waarop hij de leeftijd van 50 jaar en dertien weken heeft bereikt.

2.

Een groot vaarbewijs en een beperkt groot vaarbewijs, afgegeven aan de houder na het bereiken van de leeftijd van 50 jaar, zijn geldig tot de dag waarop de houder de leeftijd van 65 jaar en dertien weken heeft bereikt in bij regeling genoemde gevallen, mits zij samen met de geneeskundige verklaring, bedoeld in artikel 28 van de wet, worden getoond.

3.

Een groot vaarbewijs en een beperkt groot vaarbewijs zijn na de dag waarop de houder de leeftijd van 65 jaar en dertien weken heeft bereikt slechts geldig in bij regeling genoemde gevallen, mits zij samen met de geneeskundige verklaring, bedoeld in artikel 28 van de wet, worden getoond.

4.

Een klein vaarbewijs, afgegeven voor de 65-jarige leeftijd van de houder, is geldig tot de dag waarop de houder de leeftijd van 70 jaar heeft bereikt.

5.

Een klein vaarbewijs, afgegeven nadat de houder de 65-jarige leeftijd heeft bereikt, is vijf jaar geldig.

Artikel 23
1.

Het vaarbewijs wordt binnen twee weken na ongeldigverklaring als bedoeld in artikel 30 van de wet bij Onze Minister ingeleverd.

2.

Onze Minister kan degene wiens vaarbewijs ongeldig is verklaard geheel of gedeeltelijk ontheffing van het examen verlenen.

3.

Bij regeling van Onze Minister worden nadere regels gesteld met betrekking tot het in dit artikel bepaalde.

Artikel 24

Bij regeling van Onze Minister worden regels gesteld omtrent de verstrekking van gegevens betreffende afgegeven en ongeldige vaarbewijzen, bedoeld in artikel 35 van de wet. Die regels betreffen:

§ 4. Geneeskundig onderzoek

Artikel 25
1.

Het geneeskundig onderzoek ter afgifte van de geneeskundige verklaringen, bedoeld in de artikelen 23 en 28 van de wet, heeft betrekking op de lichamelijke en geestelijke toestand van de aanvrager in het algemeen en in het bijzonder op:

2.

Het geneeskundig onderzoek en de afgifte van de geneeskundige verklaring geschieden met inachtneming van de bij regeling van Onze Minister te stellen regels.

Artikel 26
1.

Het geneeskundig onderzoek ten behoeve van de verkrijging van het vaarbewijs blijft achterwege, indien uit een eigen verklaring van de aanvrager blijkt, dat hij lichamelijk en geestelijk voldoende geschikt is voor het voeren van een binnenschip en indien hij:

2.

De eigen verklaring heeft betrekking op de onderwerpen, bedoeld in artikel 25, eerste lid.

3.

De aanvrager, bedoeld in het eerste lid, onder b, legt bescheiden over ten bewijze van het feit dat hij voldoet aan de aldaar gestelde vereisten.

4.

De eigen verklaring mag niet ouder zijn dan zesentwintig weken.

5.

Indien de eigen verklaring op enige afwijking wijst kan een deskundige, bedoeld in artikel 28, eerste lid, van de wet, een geneeskundige verklaring afgeven, indien hij van oordeel is dat de afwijking het veilig varen niet nadelig zal beïnvloeden.

6.

Het opmaken en het beoordelen van de eigen verklaring geschiedt met inachtneming van de bij regeling van Onze Minister te stellen regels.

Artikel 27
1.

Het geneeskundig onderzoek ten behoeve van de verkrijging van het vaarbewijs blijft achterwege indien de aanvrager van een groot of beperkt groot vaarbewijs reeds een geldig groot of beperkt groot vaarbewijs bezit en de 50-jarige leeftijd nog niet heeft bereikt en niet is gebleken dat hij sinds de afgifte van dat vaarbewijs medisch ongeschikt is geworden.

2.

De houder van het beperkt groot vaarbewijs of van het groot vaarbewijs toont zijn lichamelijke en geestelijke geschiktheid opnieuw aan bij Onze Minister door het overleggen van een geneeskundige verklaring als bedoeld in artikel 28 van de wet, die niet ouder dan dertien weken is:

Artikel 28
1.

Een geneeskundige verklaring als bedoeld in artikel 23 van de wet, afgegeven vóór de 50-jarige leeftijd van een bemanningslid, is geldig tot dertien weken na de dag waarop hij de 50-jarige leeftijd bereikt.

2.

Een geneeskundige verklaring als bedoeld in artikel 23 van de wet, afgegeven vóór de 55-jarige leeftijd van een bemanningslid, is geldig tot dertien weken na de dag waarop hij de 55-jarige leeftijd bereikt.

3.

Een geneeskundige verklaring als bedoeld in artikel 23 van de wet, afgegeven vóór de 60-jarige leeftijd van een bemanningslid, is geldig tot dertien weken na de dag waarop hij de 60-jarige leeftijd bereikt.

4.

Een geneeskundige verklaring als bedoeld in artikel 23 van de wet, afgegeven vóór de 65-jarige leeftijd van een bemanningslid, is geldig tot dertien weken na de dag waarop hij de 65-jarige leeftijd bereikt.

5.

Een geneeskundige verklaring als bedoeld in artikel 23 van de wet afgegeven nadat een bemanningslid de 65-jarige leeftijd heeft bereikt, is geldig gedurende een jaar.

6.

Een geneeskundige verklaring als bedoeld in artikel 23 van de wet is niet vereist voor de gezagvoerder die in het bezit is van een groot patent als bedoeld in het Reglement betreffende het scheepvaartpersoneel op de Rijn.

Artikel 29
1.

Bij regeling van Onze Minister worden nadere regels gesteld omtrent de aanwijzing van instellingen of personen die het geneeskundig onderzoek verrichten alsmede over de procedure die instellingen of personen bij het geneeskundig onderzoek volgen.

2.

Bij regeling van Onze Minister worden nadere regels gesteld omtrent het onderzoek naar de kennis en bekwaamheid om het binnenschip te voeren als bedoeld in artikel 29, derde lid, onder a, van de wet. Deze regels betreffen:

Hoofdstuk 4. Scheepsnummer en gegevensverstrekking

Artikel 30
1.

Onze Minister houdt de afgifte van scheepsnummers, bedoeld in artikel 36, eerste lid, van de wet, bij in een register.

2.

Bij regeling van Onze Minister worden nadere regels gesteld omtrent:

Artikel 31

Bij regeling van Onze Minister worden regels gesteld betreffende de middelen waarmee de gegevens ten behoeve van het toezicht op de naleving van de voorschriften betreffende de vaartijden, de rusttijden en de bemanningssterkte worden geregistreerd.

Artikel 32

Bij regeling van Onze Minister kunnen in het belang van de statistiek regels worden gesteld omtrent de verstrekking van gegevens betreffende het vervoer.

Artikel 33
1.

Onze Minister wijst de bevoegde autoriteit onderscheidenlijk de bevoegde autoriteiten aan, bedoeld in de reglementen ter uitvoering van de Herziene Rijnvaartakte.

2.

De bevoegde autoriteit, bedoeld in het eerste lid, is verantwoordelijk voor verwerking van de persoonsgegevens als bedoeld in artikel 39, vierde lid, van de wet.

Hoofdstuk 5. Overgangsbepalingen

Artikel 34

Een geldige geneeskundige verklaring als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van het Besluit vaartijden en bemanningssterkte binnenvaart, geldt als een geneeskundige verklaring als bedoeld in artikel 23 van de Binnenvaartwet.

Artikel 35

Een geldige eigen verklaring als bedoeld in artikel 7 van het Besluit vaarbewijzen binnenvaart, geldt als een eigen verklaring als bedoeld in artikel 26 van dit besluit.

Artikel 36

Een geldig groot vaarbewijs als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de Binnenschepenwet, geldt als een groot vaarbewijs als bedoeld in artikel 14 van dit besluit.

Artikel 37

Een geldig klein vaarbewijs als bedoeld in artikel 16, tweede lid, van de Binnenschepenwet, geldt als een klein vaarbewijs als bedoeld in artikel 16 van dit besluit.

Artikel 38

Een geldige Rijnvaartverklaring als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de Wet vervoer binnenvaart, geldt als een Rijnvaartverklaring als bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel a, van dit besluit.

Artikel 39

Een geldig bewijs van toelating als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Wet vervoer binnenvaart, geldt als een bewijs van toelating als bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel b, van dit besluit.

Artikel 40

Een geldig geëigend document als bedoeld in artikel 7, onderdeel b, van de Wet vervoer binnenvaart, geldt als een geëigend document als bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel c, van dit besluit.

Hoofdstuk 6. Wijziging van algemene maatregelen van bestuur

Artikel 41

Vervallen

Artikel 42

Vervallen

Artikel 43

Vervallen

Artikel 44

Vervallen

Artikel 45

Vervallen

Artikel 46

Vervallen

Artikel 47

Vervallen

Artikel 48

Vervallen

Hoofdstuk 7. Slotbepalingen

Artikel 49

Dit besluit wordt aangehaald als: Binnenvaartbesluit.

Artikel 50

Dit besluit, de Binnenvaartwet, met uitzondering van hoofdstuk 5, paragraaf 2 (de artikelen 48 tot en met 50c), en de Invoeringswet Binnenvaartwet, met uitzondering van de artikelen 24a en 27, tweede lid, treden in werking met ingang van 1 juli 2009.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Artikel 24a

De geldigheid van het vaardocument, bedoeld in artikel 33a, is van rechtswege geschorst gedurende de periode dat het ingevolge de artikelen 35a, eerste lid, van de Scheepvaartverkeerswet onderscheidenlijk 42, eerste lid, van de wet, is ingevorderd maar nog niet overhandigd.

§ 4. Geneeskundig onderzoek

Hoofdstuk 4. Scheepsnummer en gegevensverstrekking

Hoofdstuk 4a. Registratie van ontzegde vaarbevoegdheden en van ingevorderde en ongeldig verklaarde vaardocumenten

§ 1. Het register

Artikel 33a

In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

Artikel 33b

In het register worden per betrokkene in samenhang en voor zover van toepassing, de volgende gegevens opgenomen:

Artikel 33c

Onze Minister past de volgende maatregelen toe ten aanzien van het register:

§ 2. Informatieverstrekking aan en uit het register

Artikel 33d
1.

De officier van justitie, bedoeld in artikel 35a, tweede lid, van de Scheepvaartverkeerswet, meldt onverwijld aan Onze Minister, ter opneming in het register:

2.

Onze Minister registreert onverwijld de ongeldigverklaring van een vaardocument.

Artikel 33e
1.

Onze Minister meldt onverwijld aan de instanties die zijn belast met de afgifte van vaardocumenten de opneming, wijziging of verwijdering van gegevens.

2.

Onze Minister geeft uitsluitend informatie door die de instanties behoeven om afgifte van een vaardocument te weigeren onderscheidenlijk niet langer te weigeren.

Artikel 33f

Onze Minister meldt onverwijld aan Onze Minister van Veiligheid en Justitie een wijziging in het register.

Artikel 33g
1.

Onze Minister kan informatie uit het register verstrekken aan een ambtenaar die is aangewezen voor opsporing of toezicht als bedoeld in de artikelen 40 of 45 van de wet onderscheidenlijk 32 of 34 van de Scheepvaartverkeerswet, mits hij zich van de handhavingsbevoegdheid van die ambtenaar heeft vergewist.

2.

Onze Minister geeft uitsluitend informatie door die een ambtenaar als bedoeld in het eerste lid nodig heeft voor de handhaving op dat moment.

Artikel 33h
1.

Onze Minister verstrekt informatie uit het register aan autoriteiten buiten de Europese Economische Ruimte die belast zijn met de handhaving van de vaarbewijsplicht of met de afgifte van vaardocumenten, indien zij schriftelijk hebben verklaard de verkregen informatie uitsluitend te gebruiken in het belang van de handhaving van de vaarbewijsplicht of van de afgifte van vaardocumenten.

2.

Op de informatieverstrekking, bedoeld in het eerste lid, zijn de artikelen 33e, tweede lid, en 33g, tweede lid, van overeenkomstige toepassing.

Artikel 33i

Informatieverstrekking uit het register of informatieverstrekking aan het register als in dit besluit bedoeld, anders dan desgevraagd of incidenteel, kan geschieden met behulp van elektronische koppeling van bestanden, mits niet méér informatie wordt verstrekt of verkregen dan nodig is voor het doel van de verstrekking of verkrijging.

§ 3. Aanpassing van de opgeslagen informatie

Artikel 33j

Onze Minister verwijdert onverwijld de gegevens van een betrokkene uit het register:

Artikel 33k

Onze Minister kan op verzoek van een instantie die vaardocumenten afgeeft of van het openbaar ministerie gegevens in het register aanvullen, verbeteren of uit het register verwijderen.

§ 4. Nadere regeling

Artikel 33l

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ter uitwerking van dit hoofdstuk.

Hoofdstuk 5. Overgangsbepalingen

Hoofdstuk 6. Wijziging van algemene maatregelen van bestuur

Hoofdstuk 7. Slotbepalingen

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.