Wijzigingsgeschiedenis
Besluit van de Minister van Justitie van 30 maart 2009, nummer WBN 2009/1, houdende wijziging van de tekst van de Handleiding voor de toepassing van de Rijkswet op het Nederlanderschap toegespitst op buiten het Koninkrijk afgelegde optieverklaringen en ingediende naturalisatieverzoeken
37 versions
· 2026-02-01
2026-02-01
Circulaire voor Optie/Naturalisatieverzoeken in het buitenland — arts.
2026-01-01
Circulaire voor Optie/Naturalisatieverzoeken in het buitenland — arts.
2025-04-01
Circulaire voor Optie/Naturalisatieverzoeken in het buitenland — arts.
2025-01-01
Circulaire voor Optie/Naturalisatieverzoeken in het buitenland — arts.
2024-07-01
Circulaire voor Optie/Naturalisatieverzoeken in het buitenland — arts.
2024-01-01
Circulaire voor Optie/Naturalisatieverzoeken in het buitenland — arts.
2023-10-01
Circulaire voor Optie/Naturalisatieverzoeken in het buitenland — arts.
2023-08-01
Circulaire voor Optie/Naturalisatieverzoeken in het buitenland — arts.
2023-01-01
Circulaire voor Optie/Naturalisatieverzoeken in het buitenland — arts.
2022-09-01
Circulaire voor Optie/Naturalisatieverzoeken in het buitenland — art. 1
2022-07-01
Circulaire voor Optie/Naturalisatieverzoeken in het buitenland — art. 1
2022-04-01
Circulaire voor Optie/Naturalisatieverzoeken in het buitenland — arts.
2022-01-01
Circulaire voor Optie/Naturalisatieverzoeken in het buitenland — arts.
2021-08-30
Circulaire voor Optie/Naturalisatieverzoeken in het buitenland — arts.
2020-10-01
Circulaire voor Optie/Naturalisatieverzoeken in het buitenland — arts.
2020-04-01
Circulaire voor Optie/Naturalisatieverzoeken in het buitenland — arts.
2019-07-01
Circulaire voor Optie/Naturalisatieverzoeken in het buitenland — arts.
2018-05-01
Circulaire voor Optie/Naturalisatieverzoeken in het buitenland — arts.
2016-04-22
Circulaire voor Optie/Naturalisatieverzoeken in het buitenland — arts.
2016-04-01
Circulaire voor Optie/Naturalisatieverzoeken in het buitenland — arts.
2016-01-07
Circulaire voor Optie/Naturalisatieverzoeken in het buitenland — arts.
2015-10-27
Circulaire voor Optie/Naturalisatieverzoeken in het buitenland — arts.
2015-04-17
Circulaire voor Optie/Naturalisatieverzoeken in het buitenland — arts.
2015-04-01
Circulaire voor Optie/Naturalisatieverzoeken in het buitenland — arts.
2015-01-22
Circulaire voor Optie/Naturalisatieverzoeken in het buitenland — arts.
2015-01-01
Circulaire voor Optie/Naturalisatieverzoeken in het buitenland — arts.
2014-12-25
Circulaire voor Optie/Naturalisatieverzoeken in het buitenland — arts.
2014-11-22
Circulaire voor Optie/Naturalisatieverzoeken in het buitenland — arts.
2014-04-04
Circulaire voor Optie/Naturalisatieverzoeken in het buitenland — arts.
2014-04-01
Circulaire voor Optie/Naturalisatieverzoeken in het buitenland — arts.
2013-07-01
Circulaire voor Optie/Naturalisatieverzoeken in het buitenland — arts.
2013-05-01
Circulaire voor Optie/Naturalisatieverzoeken in het buitenland — arts.
2010-10-01
Circulaire voor Optie/Naturalisatieverzoeken in het buitenland — arts.
2010-01-01
Circulaire voor Optie/Naturalisatieverzoeken in het buitenland — arts.
2009-04-25
Circulaire voor Optie/Naturalisatieverzoeken in het buitenland — arts.
2009-03-02
Circulaire voor Optie/Naturalisatieverzoeken in het buitenland — arts.
Wijzigingen op 2009-03-02
@@ -983,915 +983,3 @@
Samengevat gelden voor het in deze bepaling bedoelde kind de volgende voorwaarden:
### 3. Modellen behorend bij optieverklaringen in het buitenland en naturalisatieverzoeken vanuit het buitenland
### Paragraaf 2.2. Vrijstelling van het examen ([paragraaf 2.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099¶graaf=2.2))
Om voor vrijstelling in aanmerking te kunnen komen, dient betrokkene het document over te leggen op grond waarvan hij stelt te zijn vrijgesteld (zie [paragraaf 2.2 van de toelichting op artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099¶graaf=2.2)). Het hoofd van de post onderzoekt of het document recht op vrijstelling geeft. Is dit niet het geval, dan licht hij betrokkene hierover in.
### Paragraaf 2.3. Belemmering
Ingevolge [artikel 4 Besluit naturalisatietoets](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013604&artikel=4) juncto [artikelen 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021067&artikel=5) en [6 van de Regeling naturalisatietoets Nederland](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021067&artikel=6) is een verzoeker tot naturalisatie ontheven van het afleggen van het inburgeringsexamen, indien de verzoeker heeft aangetoond:
### Paragraaf 3. Drie jaar onafgebroken huwelijk (geregistreerd partnerschap) en samenwoning met een Nederlander ([artikel 8.2, paragraaf 1.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099¶graaf=1.2))
Samenwoning buiten het Koninkrijk kan in sommige gevallen worden aangetoond met een bewijs van inschrijving in de bevolkingsadministratie van het land van samenwoning. Overigens heeft niet ieder land een gemeentelijke of centrale bevolkingsadministratie. In die gevallen moet de verzoeker met andere bewijsstukken aantonen dat sprake is geweest van drie jaar feitelijke samenwoning met de Nederlandse echtgenoot. Hierbij wordt onder meer gedacht aan een combinatie van stukken zoals een huurovereenkomst, bankafschriften, rekeningen en officiële documenten van een overheidsinstantie. Van belang is dat in deze stukken de personalia van de verzoeker en het betreffende samenwoonadres worden vermeld.
### Artikel 11-2. jo. lid 3 jo. lid 6
Verzoeken om medeverlening voor kinderen die bij het indienen van het verzoek van de ouder zestien jaar of ouder zijn, worden afgewezen indien er op grond van hun gedrag ernstige vermoedens bestaan dat zij een gevaar opleveren voor de openbare orde als bedoeld in [artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9) en [artikel 9, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9). Bij deze groep kinderen wordt op dezelfde wijze als bij meerderjarige verzoekers beoordeeld of er openbare orde aspecten zijn op grond waarvan het verzoek moet worden afgewezen. Zie ook de [toelichting bij artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, RWN (paragraaf 6.1)](359339).
### Paragraaf 1.2. Toelichting Geen vereiste van toelating en hoofdverblijf (Toelichting ad [artikel 11, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11))
De vereisten van toelating en van hoofdverblijf van het [tweede en derde lid van artikel 11 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11) zijn niet van toepassing op het minderjarige kind van een vader of moeder die hoofdverblijf heeft in het buitenland en die met toepassing van het [tweede lid van artikel 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8) het Nederlanderschap verkrijgt, mits het kind feitelijk tot het gezin van deze ouder behoort en zijn hoofdverblijf niet heeft in het land waarvan hij onderdaan is.
### 3. Modellen behorend bij optieverklaringen in het buitenland en naturalisatieverzoeken vanuit het buitenland
Ook kan een zonodig gelegaliseerde verklaring van de autoriteit van het land van de nationaliteit van de echtgenoot van moeder, bedoeld in [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder i RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6), en een zonodig gelegaliseerde verklaring van de autoriteit van het land van geboorte van de optant worden verlangd, waaruit blijkt dat de moeder van de optant niet de nationaliteit van een van deze landen bezat op de dag van de geboorte van de optant. Ten aanzien van de adoptiefmoeder, bedoeld in artikel 6, eerste lid, aanhef en onder j RWN, kan worden volstaan met de eerste verklaring.
Bij optieverklaringen afgelegd in het buitenland geldt uiteraard niet het vereiste van toelating in het Koninkrijk. De optant zal in de praktijk niet in het bezit zijn van een verblijfsdocument voor het Koninkrijk.
### Paragraaf 2.2.4. Af te leggen verklaringen
### Paragraaf 2.2.4.1. Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid (model 1.36a)
Ook is het mogelijk dat de optant vanwege zijn fysieke of psychische toestand niet in staat is om de bereidverklaring in te vullen en te ondertekenen en vervolgens ook niet in staat is de verklaring van verbondenheid af te leggen. Hierbij kan gedacht worden aan personen die niet in staat zijn hun wil te bepalen of deze niet kunnen uiten of aan personen aan wie het, door het hoofd van de diplomatieke of consulaire post, is toegestaan zich bij het afleggen van de optieverklaring te laten vertegenwoordigen door een gemachtigde. Zie hiervoor [artikel 2, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2). Indien bij het (door een gemachtigde) afleggen van de optieverklaring reeds aanstonds duidelijk is dat de optant vanwege zijn fysieke of psychische toestand niet in staat is de verklaring van verbondenheid af te leggen, wordt de bereidverklaring niet ingevuld en wordt er vervolgens geen verklaring van verbondenheid afgelegd. Zie hiervoor [artikel 60a, zesde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60a) en de [toelichting bij artikel 2, tweede lid, RWN](359339). Er moet echter wel ten minste één bewijsstuk(ken) van de onmogelijkheid tot het invullen van de bereidverklaring en het afleggen van de verklaring van verbondenheid worden overgelegd door bijvoorbeeld een gemachtigde. Zie hiervoor de toelichting bij [artikel 2, tweede lid RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2); bijvoorbeeld een gemotiveerde medische verklaring van een onafhankelijk (behandelend) medisch specialist. De beoordeling of sprake is van een fysieke of psychische onmogelijkheid ligt bij het hoofd van de diplomatieke of consulaire post. Zie hiervoor de [toelichting bij artikel 2, tweede lid, RWN](359339) en [paragraaf 2.12.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025740&artikel=6-3¶graaf=2¶graaf=2.12¶graaf=2.12.5&z=2010-10-01&g=2010-10-01) Zwaarwegende redenen ([artikel 60a, zesde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60a)) en niet (mondeling) afleggen verklaring van verbondenheid).
Indien het hoofd van de diplomatieke of consulaire post een verzoek om de verklaring van verbondenheid schriftelijk te mogen afleggen (gemotiveerd) weigert, is dit een beslissing in de zin van de [Algemene wet bestuursrecht (Awb)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537) waartegen de optant binnen 6 weken bezwaar kan indienen bij het hoofd van de diplomatieke of consulaire post. Vervolgens staat beroep bij de bestuursrechter open.
### Paragraaf 2.2.4.2. Waarheidsverklaring
Verder dient de optant een zogenaamde waarheidsverklaring (model 1.14a) te ondertekenen ([artikel 6, vierde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=6)). In deze verklaring, waarvan de tekst is opgenomen in de optieverklaring (zie modellen 1.5a, 1.6a, 1.9a, 1.12a en 1.13a), verklaart de optant dat hij de gevraagde gegevens, betreffende zichzelf en de in de optieverklaring genoemde personen naar waarheid heeft verstrekt en geen relevant gegeven heeft verzwegen.
### Paragraaf 2.2.4.3. Verklaring omtrent verblijfsstatus en gedrag
Enkele optanten zijn niet verplicht de zogenaamde verklaring omtrent gedrag af te leggen. Het gaat dan om opties op grond van [artikel 6, eerste lid, onder d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6), [artikel 26, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=26) en [artikel 28, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=28), indien de optant op het moment van het afleggen van de optie de leeftijd van 16 jaar nog niet heeft bereikt. Voorts hoeft geen verklaring omtrent gedrag te worden ondertekend indien een optie op grond van [artikel 6, eerste lid, onder c RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6) wordt afgelegd.
### Paragraaf 2.2.5. (overige) over te leggen documenten
Het hoofd van de diplomatiek of consulaire post die de optieverklaring in ontvangst neemt, verlangt in beginsel van de optant dat hij gegevens bewijst door middel van originele, zonodig gelegaliseerde/van apostille voorziene documenten. Zie ook [artikel 6, vijfde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=6).
### Paragraaf 2.2.5.2. Buitenlandse akten van de burgerlijke stand
Wat betreft verklaringen en/of afschriften dan wel uittreksels van buitenlandse akten van de burgerlijke stand geldt dat de optant in beginsel de volgende documenten dient over te leggen (zie voor uitzonderingen ook hierna bij [paragraaf 2.2.5.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025740&artikel=6-3¶graaf=2¶graaf=2.2¶graaf=2.2.5¶graaf=2.2.5.3&z=2010-10-01&g=2010-10-01)):
### Paragraaf 2.2.5.3. In het verleden overgelegde buitenlandse akten
Indien reeds in het verleden gelegaliseerde/van apostille voorziene (en soms tevens inhoudelijk geverifieerde documenten) zijn overgelegd, wordt afgezien van het wederom overleggen van dezelfde documenten. Het moet dan gaan om documenten die zijn gelegaliseerd overeenkomstig de thans geldende legalisatiecirculaire.
Echter, in geval van op goede gronden gerezen twijfel, dienen opnieuw originele gelegaliseerde/van apostille voorziene documenten te worden overgelegd.
### Paragraaf 2.2.5.4. Verkrijging, vertaling en legalisatie van buitenlandse documenten
### Paragraaf 2.3. Paragraaf 2.3 Inontvangstneming optieverklaring
### Paragraaf 2.3.1. Bevoegdheid hoofd van de diplomatieke of consulaire post
Ingevolge [artikel 25, eerste en tweede lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=25) neemt het hoofd van de diplomatieke of consulaire post uitsluitend optieverklaringen in ontvangst van de volgende personen:
Dit zijn personen die nergens ter wereld hun hoofdverblijf hebben omdat zij per voer- of vaartuig steeds van verblijfplaats veranderen. Omdat het aantal passanten beperkt is, zal niet vaak sprake zijn van een situatie als hier bedoeld. De situatie kan zich voordoen bij opties op grond van [artikel 6, eerste lid aanhef en onder c en d, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6), [artikel 26 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=26) en [artikel 28 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=28).
Nadat het hoofd van de post de optieverklaring voor ontvangst heeft getekend en een kopie van de voor ontvangst getekende verklaring aan de optant heeft afgegeven, beoordeelt het hoofd van de post voorafgaand aan de verdere behandeling van de optieverklaring of de optant al dan niet dient te betalen overeenkomstig het BON. Het hoofd van de post informeert de optant hierover (model 1.25a). Indien de optant optiegelden verschuldigd is, wordt hem de hoogte van het bedrag meegedeeld en wordt hij terstond in de gelegenheid gesteld de betaling te verrichten ([artikel 26, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=26)). Zie ook de [toelichting onder artikel 13 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=13).
### Paragraaf 2.3.4. Beoordeling volledigheid optieverklaring/inverzuimstelling
### Paragraaf 2.4. Voorbereiding van de beslissing
Nadat de optiegelden zijn betaald of het hoofd van de post heeft vastgesteld dat geen betaling verschuldigd is, en het hoofd van de post heeft vastgesteld dat de verklaring volledig is, toetst hij de door de optant verstrekte gegevens. Hij toetst – voor zover aanwezig – aan de gegevens die in de administratie van zijn ressort zijn opgenomen ([artikel 27, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=27)). Zijn in de optieverklaring personen genoemd die geen hoofdverblijf hebben in zijn ressort (kinderen voor wie medeverkrijging vanhet Nederlanderschap verzocht wordt), dan verzoekt hij zo nodig, al naar gelang de plaats waar zij als ingeschrevene zijn ingeschreven in de administratie, aan het hoofd van de post van het betreffende ressort om binnen vier weken (of in voorkomend geval de burgemeester van de betreffende gemeente in Nederland, de gezaghebber van het betreffende Nederlands-Antilliaanse eilandgebied, dan wel de Minister van Algemene Zaken van Aruba om binnen tien weken) de door optant verstrekte gegevens te toetsen ([artikel 27, tweede lid en derde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=27)). Zie voor een juiste adressering aangaande de Nederlandse Antillen en Aruba het hoofdstuk Voorlichting.
### Paragraaf 2.4.2.1. Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid (bij optieverklaringen afgelegd op of ná 1 maart 2009)
### Paragraaf 2.4.2.2. Geen gevaar voor de openbare orde, etc.
Bij opties op grond van [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder c, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6) blijft onderzoek naar de antecedenten van de optant achterwege.
### Paragraaf 2.4.2.3. Naamsvaststelling en naamskeuze bij optie
Bij de naamsvaststelling worden de wettelijk vertegenwoordiger, de andere ouder als bedoeld in [artikel 2, vierde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2) en het (de) kind(eren), die de leeftijd van twaalf jaar hebben bereikt, in de gelegenheid gesteld hun zienswijze kenbaar te maken ([artikel 28, derde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=28)).
Indien het hoofd van de post concludeert dat aan de optievoorwaarden is voldaan, maar dat de naam van de optant of van de persoon ten aanzien van wie een verklaring tot medeverkrijging is afgelegd, niet vastgesteld kan worden op de wijze zoals in de naamsverklaring is verzocht, deelt het hoofd van de post dit aan de optant mee en geeft hij aan op welke wijze hij de namen van de optant zal vaststellen. Hij vraagt de optant of deze in dat geval zijn optieverklaring wil intrekken of dat deze toch een bevestiging van de optieverklaring wenst. Indien de optant de procedure wil voortzetten wordt de optieverklaring bevestigd en de naam vastgesteld in overeenstemming met het Nederlandse namenrecht. Bij deze vaststelling wordt zoveel als mogelijk is, rekening gehouden met de door de optant uitgesproken voorkeur. In een bijlage bij de bevestiging wordt gemotiveerd aangegeven waarom de naam niet is vastgesteld zoals verzocht. Dit besluit is voor bezwaar vatbaar.
### Paragraaf 2.5. Bevestiging
Voor zover mogelijk en indien van toepassing voegt hij bij deze verklaring een volledig ingevuld uitwisselingsformulier als bedoeld in de Overeenkomst van Parijs van 10 september 1964, betreffende het uitwisselen van gegevens met betrekking tot verkrijging van nationaliteit bij de verkrijging van het Nederlanderschap door een persoon met de nationaliteit van: België, Duitsland, Frankrijk, Griekenland, Italië, Luxemburg, Noorwegen, Oostenrijk, Portugal en Turkije (model 1.35**Uitwisselingsformulier**). Bij een persoon van Surinaamse nationaliteit voegt hij een ingevuld formulier gebaseerd op het Memorandum of Understanding (MoU) inzake wederzijdse uitwisseling van informatie betreffende de verkrijging en verlies van de nationaliteit tussen Nederland en Suriname, ondertekend op 26 augustus 2008 toe (model 1.35a**Uitwisselingsformulier MoU Suriname-Nederland**). Het hoofd van de diplomatieke of consulaire post maakt één uitwisselingsformulier op per meerderjarige, die door optie het Nederlanderschap heeft verkregen en die voorheen de Surinaamse nationaliteit bezat. Minderjarige kinderen die hebben gedeeld in de verkrijging van het Nederlanderschap van de ouder door optie en die voorheen de Surinaamse nationaliteit bezaten, staan vermeld op het uitwisselingsformulier van de ouder.
Indien naamsvaststelling en/of naamskeuze heeft plaatsgevonden, wordt een kopie van het verzoek om naamsvaststelling, (model 1.15a) een kopie van de bevestiging van de optieverklaring waarbij de geslachtsnaam is vastgesteld (model 1.33a) en een verklaring van naamskeuze (model 1.16a en 1.17a) gezonden aan de desbetreffende instantie (gemeente of ander ressort) waar de geboorteakte is opgemaakt. Dit geldt ook voor naamsvaststellingen die gevolgen hebben voor de namen van de kinderen van de optant. Ook de Centrale Justitiële documentatiedienst te Almelo ontvangt een kennisgeving van de naamsvaststelling en/of naamskeuze in geval van een consulaire geboorteakte.
### Paragraaf 2.7. Archivering
Tot slot archiveert het hoofd van de post de optieverklaring en de daarbij behorende documenten, alsmede afschriften van de bevestiging gedurende tenminste twaalf jaar na de bekendmaking van de bevestiging ([artikel 30, tweede lid BWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=30)). Deze bewaarplicht in het [BWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605) is een uitvloeisel van [artikel 14, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) waarin is voorzien in de intrekking van de verkrijging van het Nederlanderschap binnen twaalf jaar na de bevestiging, indien de verkrijging van het Nederlanderschap berust op een door de betrokken persoon gegeven valse verklaring of bedrog dan wel op het verzwijgen van enig voor de verkrijging of verlening relevant feit. Voor de bijzondere gevallen waarin ook na twaalf jaar nog intrekking van de verkrijging van het Nederlanderschap mogelijk is, is een langere archieftijd in het kader van de [RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738) weliswaar wenselijk, maar niet noodzakelijk, omdat het verzwijgen van dergelijke misdrijven altijd bewust zal gebeuren. De bewaarplicht op grond van [artikel 12 BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=12) laat overigens onverlet de (bewaar)verplichtingen op grond van de [Archiefwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376).
### Paragraaf 2.8. Weigering bevestiging
Indien het hoofd van de post concludeert dat de optieverklaring niet kan leiden tot bevestiging van de verkrijging van het Nederlanderschap omdat niet aan de voorwaarden wordt voldaan, weigert hij deze schriftelijk. Dit is een beschikking in de zin van de [Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537). Zonodig stelt het hoofd van de post met toepassing van [artikel 4:7 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:7) belanghebbenden in de gelegenheid om een zienswijze kenbaar te maken voordat hij het besluit neemt (bijvoorbeeld als de opgevraagde antecedentgegevens afwijken van de gegevens op de verklaring omtrent verblijfsstatus en gedrag). Het besluit vermeldt de gronden van de weigering, en vermeldt dat de optant dan wel – indien van toepassing – zijn wettelijk vertegenwoordiger, binnen zes weken na ontvangst van het besluit bij de Minister van Buitenlandse Zaken een bezwaarschrift kan indienen. Een weigering van de bevestiging ten aanzien van de optant houdt tevens een weigering in ten aanzien van de in de verklaring genoemde personen. De beslissing wordt in persoon aan de optant of wettelijk vertegenwoordiger uitgereikt of per aangetekende post naar het laatst bekende adres van de optant, zijn wettelijk vertegenwoordiger of gemachtigde verzonden.
### Paragraaf 2.8.2. Bevestiging ten aanzien van de ouder/weigering bevestiging medeverkrijging
Indien het hoofd van de post concludeert dat de verkrijging van het Nederlanderschap wel bevestigd dient te worden ten aanzien van de optant maar niet ten aanzien van de medeverkrijging van een kind dat in de optieverklaring is genoemd, bevestigt hij de verkrijging ten aanzien van de optant en weigert hij medeverkrijging voor het kind (in de bevestiging worden de personalia van dat kind niet opgenomen). Hetzelfde geldt in het geval dat het minderjarige kind in de optieverklaring van zowel zijn vader als zijn moeder is opgenomen en zowel zijn vader als moeder door bevestiging het Nederlanderschap verkrijgen. De medeverkrijging zal separaat schriftelijk door het hoofd van de post worden geweigerd. De schriftelijke weigering van het hoofd van de post is een beschikking in de zin van de [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537), waartegen op de gebruikelijke wijze rechtsmiddelen kunnen worden aangewend.
### Paragraaf 2.9.1. Paragraaf 2.9.1 De Minister van Buitenlandse Zaken beslist
De beslissing op het bezwaarschrift wordt genomen door de Minister van Buitenlandse Zaken. De optant of zijn wettelijk vertegenwoordiger wordt zonodig in de gelegenheid gesteld zijn bezwaren mondeling toe te lichten. De [hoofdstukken 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&hoofdstuk=6) en [7 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&hoofdstuk=7) zijn van toepassing.
### Paragraaf 2.9.2. Afhandeling van de beslissing
### Paragraaf 2.9.2.3. Bezwaarschrift niet-ontvankelijk of ongegrond
Indien het bezwaarschrift niet-ontvankelijk of ongegrond is, wordt dit schriftelijk en gemotiveerd aan de indiener van het bezwaarschrift kenbaar gemaakt onder vermelding van de instantie waarbij en de termijn waarbinnen een beroepschrift kan worden ingediend.
### Paragraaf 2.10. (hoger) beroep
Op grond van [artikel 37 WRvS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002367&artikel=37) kan zowel de optant als de Minister van Buitenlandse Zaken van de uitspraak van de rechtbank hoger beroep instellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. De bepalingen van de [hoofdstukken 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&hoofdstuk=6) (zie [artikel 6:24](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=6:24)) en [8 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&hoofdstuk=8) zijn – met uitzondering van enkele artikelen (zie [artikel 39 WRvS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002367&artikel=39)) en voor zover daarvan in [artikel 37 en volgende WRvS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002367&artikel=37) niet is afgeweken – van overeenkomstige toepassing.
### Paragraaf 2.11. Verhuizing van de optant tijdens de procedure
### Paragraaf 2.12.2. De uitreiking/naturalisatieceremonie
De optant en zij die in de verkrijging van het Nederlanderschap door optie delen, zijn in één bevestiging genoemd. Deze personen worden dan ook tezamen opgeroepen te verschijnen. Indien de hoofdoptant niet aanwezig is, kan de bevestiging niet worden uitgereikt. In dat geval wordt de hoofdoptant voor de volgende ceremonie opgeroepen, op de wijze die hierboven is beschreven bij ‘termijn van oproeping’.
### Paragraaf 2.12.3. Andere wijze van bekendmaking dan uitreiking en de termijn ([artikel 5, vijfde lid, RVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013506&artikel=5))
Uitgangspunt bij de bekendmaking is dat ook buiten het Koninkrijk een feestelijk getinte bijeenkomst ter viering van de verkrijging van het Nederlanderschap zal plaatsvinden. Echter wegens bijzondere aan de personele omvang van de diplomatieke of consulaire post gerelateerde omstandigheden kan het hoofd komen tot een andere wijze van bekendmaking dan uitreiking in persoon. Dit staat overigens los van de – door de op te roepen/reeds opgeroepen persoon – aan te voeren zwaarwegende redenen waarom de ceremonie door de optant niet in persoon kan worden bijgewoond (zie hiervoor verder [paragraaf 2.12.5.](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025740&artikel=6-3¶graaf=2¶graaf=2.12¶graaf=2.12.5&z=2010-10-01&g=2010-10-01)).
### Paragraaf 2.12.4. Afleggen verklaring van verbondenheid
Het hoofd van de diplomatieke of consulaire post houdt bij of een verklaring van verbondenheid is afgelegd en de wijze waarop dit is gebeurd. Het feit van aflegging tekent het hoofd van de diplomatieke of consulaire post aan op het afschrift van de optieverklaring dat aan de IND ter opname in het nationaliteitenregister wordt verzonden (zie tevens [paragraaf 2.12.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025740&artikel=6-3¶graaf=2¶graaf=2.12¶graaf=2.12.6&z=2010-10-01&g=2010-10-01)**Procedurele aspecten na de terugmelding**). Dit geldt alleen voor optieverklaringen die zijn afgelegd op of ná 1 maart 2009.
Indien de optant bij het afleggen van de optieverklaring zich wel bereid heeft verklaard (model 1.36a) de verklaring van verbondenheid af te leggen, maar hij komt deze toezegging niet na en door het hoofd van de diplomatieke of consulaire post is geen vrijstelling van het afleggen van deze verklaring gegeven, dan zal de optiebevestiging niet worden uitgereikt en het Nederlanderschap niet worden verkregen.
### Paragraaf 2.12.5. Zwaarwegende redenen ([artikel 60a, zesde lid BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60a)) en niet (mondeling) afleggen verklaring van verbondenheid
### Paragraaf 2.12.5.1. Zwaarwegende redenen om niet op een naturalisatieceremonie te verschijnen
Onder zwaarwegend wordt bijvoorbeeld verstaan een langdurige zware depressie of een andere, ernstige psychologische belemmering. Daarnaast kan, anders dan in Nederland, incidenteel voor buiten het Koninkrijk woonachtigen sprake zijn van een zodanig grote af te leggen reisafstand naar de plaats waar de ceremonie wordt gehouden, dat in redelijkheid niet van de optant kan worden verlangd dat hij in persoon de ceremonie bijwoont ([artikel 5, vijfde lid, onder c, RVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013506&artikel=5)).
### Paragraaf 2.12.5.2. Mondeling afleggen verklaring van verbondenheid en uitzonderingen
Bijvoorbeeld indien de optant vanwege langdurige ziekenhuisopname niet in staat is de naturalisatieceremonie bij te wonen, maar fysiek wel in staat is de verklaring van verbondenheid uit te spreken, kan het hoofd van de diplomatieke of consulaire post een ‘privé naturalisatieceremonie' organiseren op de kamer van de optant. Na het mondeling afleggen van de verklaring van verbondenheid, reikt het hoofd van de diplomatieke of consulaire post de optiebevestiging uit.
Bij het (door een gemachtigde) afleggen van de optieverklaring is gebleken dat de optant vanwege zijn fysieke of psychische toestand niet in staat is de verklaring van verbondenheid af te leggen. Zie [artikel 60a, zesde lid BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60a) en de [toelichting bij artikel 2, tweede lid RWN](359339). Het hoofd van de diplomatieke of consulaire post heeft derhalve afgezien van het invullen en onderteken van de bereidverklaring en ziet af van het afleggen van de verklaring van verbondenheid. Het verzoek van de optant om, vanwege zwaarwegende redenen, niet in persoon op een naturalisatieceremonie te verschijnen is door het hoofd van de diplomatieke of consulaire post ook gehonoreerd. Zie [artikel 60a, zesde lid BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60a) en de [toelichting bij artikel 2, tweede lid RWN](359339). Het hoofd van de diplomatieke of consulaire post heeft besloten om de uitreiking op een aan de omstandigheden aangepaste wijze te doen. In voorkomende gevallen wordt de optiebevestiging bekendgemaakt zonder dat verklaring van verbondenheid is afgelegd.
### 2. Naturalisatie vanuit het buitenland
### Artikel 7
Op de kinderen voor wie medeverlening wordt verzocht, is in alle gevallen [artikel 11, zesde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11) van toepassing (dus ook indien het verzoek is ingediend vóór 1 april 2003).
Vanaf 1 oktober 2006 treedt het naturalisatiebesluit in werking door de uitreiking ervan aan de betrokkene. Voor het naturalisatiebesluit dat op of na 1 oktober 2006 is vastgesteld, geldt dat dit wordt uitgereikt op de naturalisatieceremonie.
### 7-1. Toelichting ad [artikel 7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=7)
Voor wat betreft de **voorwaarden** voor verlening van het Nederlanderschap, zie de [toelichting bij artikelen 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8), [9, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=9) en [11 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=11).
Dit artikel is een inleidende bepaling waaruit blijkt dat naturalisatie – de [RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738) spreekt van ‘verlenen van het Nederlanderschap’ – tot stand komt bij koninklijk besluit en alleen als iemand daar zelf om vraagt. Dit koninklijk besluit is een zogenoemd ‘klein KB’, waarvoor geen overleg in de ministerraad is vereist, waarvoor het advies van de Raad van State achterwege kan blijven en waarvoor geen plaatsing in het Staatsblad nodig is. [Artikel 7, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=7) verleent een adviserende functie aan de Minister van Justitie van de Nederlandse Antillen respectievelijk Aruba maar de uiteindelijke voordracht vindt plaats door de Minister van Justitie van Nederland op grond van [artikel 7, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=7). De Minister is bevoegd om een verzoek om naturalisatie aan te houden of af te wijzen (zie [artikel 9, vijfde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9)).
[Artikel 21 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=21) bepaalt dat bij algemene maatregel van rijksbestuur de autoriteiten en ambtenaren worden aangewezen die bevoegd zijn tot het in ontvangst nemen van verzoeken om naturalisatie. [Dit artikel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=21) bepaalt voorts dat bij algemene maatregel van rijksbestuur nadere voorschriften kunnen worden gesteld voor de wijze van inontvangstneming van verzoeken om naturalisatie en voor de verdere administratieve behandeling van verlening van het Nederlanderschap. Deze nadere regelgeving is opgenomen in de algemene maatregel van rijksbestuur [BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605). [Artikel 2, aanhef en onder d, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=2) bepaalt dat in het buitenland de hoofden van de diplomatieke en consulaire posten bevoegd zijn tot het in ontvangst nemen van verzoeken om naturalisatie. De vormvoorschriften, procedurele vereisten en administratieve behandeling van de verzoeken om naturalisatie zijn voor het buitenland geregeld in de [artikelen 2 tot en met 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=2); [31](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=31) en [32](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=32) en [51 tot en met 56 BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=51).
### 7-1-3. Procedure naturalisatie
### Paragraaf 3.2. Indiening verzoek om naturalisatie
### Paragraaf 3.2.1. Meerderjarige verzoeker ([artikel 8, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8), [artikel 10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=10) en [artikel 11, vijfde lid RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11))
### Paragraaf 3.2.2. Medeverlening ([artikel 11, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11))
Deze kinderen hoeven niet in persoon te verschijnen bij de indiening van het verzoek.
Voor kinderen tussen de 12 en de 16 jaar is verschijning in persoon niet voorgeschreven maar verdient het wel de voorkeur dat zij in persoon verschijnen. Stuit dat op bezwaar, dan wordt hen schriftelijk verzocht het model 2.10a (formulier zienswijze medeverlening minderjarigen van 12 tot en met 15 jaar) te ondertekenen, waarin zij aangeven of zij al dan niet instemmen met de medeverlening van het Nederlanderschap en die verklaring, met een kopie van een geldig buitenlands reisdocument, te zenden aan de autoriteit waar het verzoek om naturalisatie van de ouder is ingediend. Zie ook de [toelichting bij artikel 2 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=2).
### Paragraaf 3.2.3. Wettelijk vertegenwoordiger/(andere) ouder
In voorkomende gevallen kan het hoofd van de post verlangen dat de verzoeker c.q. het mee te naturaliseren kind van 16 jaar of ouder hem ontvangt om in persoon de voor de besluitvorming benodigde gegevens in ontvangst te nemen.
### Paragraaf 3.2.5. Uitsluitend schriftelijk verzoek
### Paragraaf 3.3. Te verstrekken gegevens
Een kanttekening wordt gemaakt bij de echtgenoot/partner van een ambtenaar, bedoeld in [artikel 17, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004052&artikel=17), juncto [artikel 2, tweede lid, van het Reglement Dienst Buitenlandse Zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004052&artikel=2) die uitgezonden is (geweest) naar een Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging in het buitenland (deze vreemdeling behoudt niet alleen zijn hoofdverblijf in Nederland, maar behoudt in de regel, mits aan de daarvoor gestelde voorwaarden voldaan blijft, tevens zijn verblijfsrecht in Nederland). Een vereiste is dat de vreemdeling gedurende de periode van uitzending alsook het daaraan voorafgaande verblijf in Nederland heeft samengewoond met de echtgenoot/partner. (Zie [artikel 1, eerste lid, aanhef en onder h RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1)).
Het hoofd van de diplomatieke of consulaire post voegt bij het advies aan de IND (een) uittreksel(s) uit eerdergenoemde bevolkingsadministratie of – voor zover aanwezig – stukken uit de eigen administratie, waaruit – voor zoveel mogelijk – de hier bedoelde gegevens blijken. Ook van de kinderen en kindskinderen voor wie medeverlening wordt verzocht, worden uittreksels en/of (afschriften van) stukken bijgevoegd waaruit – voor zoveel mogelijk – blijkt van de gegevens bedoeld bij ad a t/m e en g (wat betreft het hoofdverblijf), alsmede van de geslachtsnaam, voornamen, plaats en datum van geboorte van de ouders en wie gezag over de kinderen uitoefent. Zie voor een nadere toelichting van het begrip ‘hoofdverblijf‘ de toelichting bij de [artikelen 1, eerste lid, onder h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1) en [8, eerste lid, onder c, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8).
### Paragraaf 3.4. Paragraaf 3.4 Af te leggen verklaringen
### Paragraaf 3.4.1. Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid (model 2.30a)
Ook is het mogelijk dat de verzoeker vanwege zijn fysieke of psychische toestand niet in staat is om de bereidverklaring in te vullen en te ondertekenen en vervolgens ook niet in staat is de verklaring van verbondenheid af te leggen. Hierbij kan gedacht worden aan personen die niet in staat zijn hun wil te bepalen of deze niet kunnen uiten of aan verzoekers aan wie het, door het hoofd van de diplomatieke of consulaire post, is toegestaan zich bij de indiening van het verzoek om naturalisatie te laten vertegenwoordigen door een gemachtigde. Zie hiervoor de [toelichting bij artikel 2 tweede lid, RWN](359339).Indien bij de (door een gemachtigde) indiening van het verzoek om naturalisatie reeds duidelijk is dat de verzoeker vanwege zijn fysieke of psychische toestand niet in staat is de verklaring van verbondenheid af te leggen, wordt de bereidverklaring niet ingevuld. Dit wordt op het adviesblad opgenomen. Zie hiervoor [artikel 60b, zesde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60b) en de [toelichting bij artikel 2, tweede lid, RWN](359339). Bij punt 6. **Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid** wordt het derde bolletje **‘niet mogelijk, zie toelichting’** ingevuld en wordt naast een schriftelijke toelichting hierbij ook ten minste één bewijsstuk(ken) van de onmogelijk tot het invullen van de bereidverklaring en het afleggen verklaring van verbondenheid toegevoegd. Zie hiervoor de [toelichting bij artikel 2, tweede lid RWN](359339); bijvoorbeeld een gemotiveerde medische verklaring van een onafhankelijk (behandelend) medisch specialist. De uiteindelijke beoordeling of er sprake is van een fysieke of psychische onmogelijkheid ligt bij de Minister van Justitie. Als uitgangspunt volgt de Minister van Justitie het advies in deze van het hoofd van de diplomatieke of consulaire post.
Indien het hoofd van de diplomatieke of consulaire post een verzoek om de verklaring van verbondenheid schriftelijk te mogen afleggen (gemotiveerd) weigert, is dit een beslissing in de zin van de [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537) (Awb) waartegen de verzoeker binnen 6 weken bezwaar kan indienen bij het hoofd van de diplomatieke of consulaire post. Vervolgens staat beroep bij de bestuursrechter open.
Bij een naturalisatieverzoek ingediend in het buitenland behoeft de verzoeker uiteraard niet schriftelijk te verklaren dat in het kader van de verkrijging en het behoud van de verblijfsvergunning (binnen het Koninkrijk) van hemzelf en de overige in het naturalisatieverzoek genoemde personen de gevraagde gegevens naar waarheid zijn verstrekt en geen relevante gegevens zijn verzwegen. Een schriftelijke verklaring omtrent het gedrag blijft echter gehandhaafd. Door middel van de verklaring omtrent verblijfsstatus en gedrag(2.3a) dient de verzoeker schriftelijk te verklaren dat hij of een van de in het verzoek om naturalisatie genoemde personen ouder dan 16 jaar, al dan niet in aanraking is geweest met politie en/of Justitie in verband met een misdrijf. Indien verzoeker in deze verklaring aangeeft wel in aanraking te zijn geweest met politie en/of Justitie, of aangeeft dat dit geldt voor een in het verzoek om naturalisatie genoemd kind, dan informeert het hoofd van de post de verzoeker over de openbare orde richtlijnen bij naturalisatie en wijst verzoeker erop dat een en ander gevolgen kan hebben voor de beslissing op het verzoek om naturalisatie. De verzoeker wordt in de gelegenheid gesteld om in de verklaring aan te geven of er sprake is van bijzondere feiten en/of omstandigheden op grond waarvan, naar zijn mening, ten aanzien van hem of de betreffende minderjarige niet mag worden geconcludeerd dat hij gevaar oplevert voor de openbare orde, de goede zeden of de veiligheid van het Koninkrijk. Zie ook de [toelichting bij artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, RWN (paragraaf 6.1)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099¶graaf=6.1).
### Paragraaf 3.4.4. Bereidheidsverklaring afstand
Ten aanzien van de afstandsverplichting informeert het hoofd van de diplomatieke of consulaire post – voor zover mogelijk – de verzoeker of hij al dan niet behoort tot een uitzonderingscategorie dan wel of redelijkerwijs van hem kan worden verlangd dat hij afstand doet van zijn oorspronkelijke nationaliteit. Indien geen van de uitzonderingen van toepassing is, dient de verzoeker een verklaring te ondertekenen dat hij bereid is het mogelijke te zullen doen om bij of na de totstandkoming van de naturalisatie zijn oorspronkelijke nationaliteit(en) te verliezen ([artikel 32 BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=32)). De bereidheidsverklaring is opgenomen als model 2.4a (bereidheidsverklaring tot afstand oorspronkelijke nationaliteit) respectievelijk model 2.5a (verklaring in verband met verlies van de Egyptische/Oostenrijkse/Zuid-Afrikaanse nationaliteit). Zie voor de afstandsverplichting verder de [toelichting bij artikel 9, eerste lid, onder b, RWN](359339).
### Paragraaf 3.5. Over te leggen documenten
### Paragraaf 3.5.2. Buitenlandse akten (van de burgerlijke stand)
De verzoeker dient in beginsel de volgende buitenlandse akten (van de burgerlijke stand) over te leggen (zie voor uitzonderingen hieronder [paragraaf 3.5.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025740&artikel=7¶graaf=3.5¶graaf=3.5.3&z=2010-10-01&g=2010-10-01) (in het verleden overgelegde buitenlandse akten)):
### Paragraaf 3.5.3. In het verleden overgelegde buitenlandse akten
Indien reeds in het verleden gelegaliseerde/van apostille voorziene (en soms tevens inhoudelijk geverifieerde) documenten zijn overgelegd, wordt afgezien van het wederom overleggen van dezelfde documenten. Het moet dan gaan om documenten die zijn gelegaliseerd overeenkomstig de thans geldende legalisatiecirculaire.
### Paragraaf 3.5.5. (overige) over te leggen documenten
Het verzoek om naturalisatie dient zoveel mogelijk te worden ondersteund door overgelegde originele, zonodig gelegaliseerde/van apostille voorziene (bewijs)stukken. Het hoofd van de diplomatieke of consulaire post kan van de verzoeker verlangen dat hij gegevens bewijst door middel van documenten ([artikel 31, vijfde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=31)). Volledigheid van de stukken is ook in het belang van de verzoeker, aangezien in geval van afwijzing van het verzoek de naturalisatiegelden niet worden gerestitueerd. Indien de verzoeker een aantal benodigde gegevens niet kan verstrekken. dient hem te worden geadviseerd te wachten met indiening van het verzoek tot het moment dat alle verlangde gegevens kunnen worden verstrekt. Mocht verzoeker er echter op staan om zijn verzoek in te dienen, ondanks het niet overleggen van de door het hoofd van de post gevraagde documenten of het niet voldoen aan de voorwaarden voor naturalisatie, dan dient het hoofd van de post het verzoek in ontvangst te nemen. Het hoofd van de post kan in dit geval verlangen dat verzoeker een verklaring ondertekent als opgenomen in model 2.2 1 (verklaring ‘geïnformeerd over negatief advies’).
### Paragraaf 3.6. Inontvangstneming verzoek
### Paragraaf 3.6.1. Bevoegdheid hoofd van de diplomatieke of consulaire post
**Passanten**
Dit zijn personen die nergens ter wereld hun hoofdverblijf hebben omdat zij per voer- of vaartuig steeds van verblijfplaats veranderen. Aangezien deze personen geen hoofdverblijf binnen het Koninkrijk hebben in de zin van [artikel 8, eerste lid, aanhef en sub c, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8), betreft deze categorie uitsluitend personen die overeenkomstig het bepaalde in [artikel 8, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8) hetzij oud-Nederlander zijn, hetzij gehuwd zijn met of een geregistreerd partnerschap hebben met een Nederlander, dan wel tijdens hun meerderjarigheid binnen het Koninkrijk zijn geadopteerd door een Nederlander. Verwacht mag worden dat passanten slechts sporadisch verzoeken om naturalisatie indienen.
### Paragraaf 3.7.1. Beoordeling bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid (bij verzoeken om naturalisatie ingediend op of ná 1 maart 2009)
Het hoofd van de diplomatieke of consulaire post controleert bij verzoeken om naturalisatie die op of ná 1 maart 2009 zijn ingediend of iedere persoon die om verkrijging van het Nederlanderschap heeft verzocht en die hiertoe wettelijk verplicht is, zich bereid heeft verklaard bij de verkrijging van het Nederlanderschap een verklaring van verbondenheid af te leggen (zie [paragraaf 3.4.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025740&artikel=7¶graaf=3.4¶graaf=3.4.1&z=2010-10-01&g=2010-10-01) Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid (model 2.30a)). Alleen als het afleggen ervan redelijkerwijs niet gevraagd kan worden, zoals aan verzoekers die niet in staat zijn hun wil te bepalen of deze niet kunnen uiten of aan verzoekers aan wie het, door het hoofd van de diplomatieke of consulaire post, is toegestaan zich bij de indiening van het verzoek om naturalisatie te laten vertegenwoordigen door een gemachtigde, hoeft de bereidverklaring niet ondertekend te zijn. Indien de verzoeker zich op de naturalisatieceremonie laat vertegenwoordigen door een gemachtigde, moet de verklaring van verbondenheid schriftelijk getekend door de verzoeker, worden aangeleverd door de gemachtigde op de ceremonie.
### Paragraaf 3.7.3. Beoordeling verplichting afleggen inburgeringsexamen
### Paragraaf 3.7.4. Buitenbehandelingstelling
Doet zich de situatie voor als beschreven in de [toelichting bij artikel 13,eerste lid, RWN, paragraaf 2.4](359339) (verzoeker heeft weliswaar het hoge naturalisatietarief betaald maar wenst in aanmerking te komen voor laag tarief en verzuimt daarvoor financiële stukken over te leggen) dan brengt het hoofd van de post eveneens advies uit.
Het hoofd van de post dient in het advies duidelijk aan te tekenen dat de verzoeker weliswaar om aanvulling is gevraagd maar dat hij in gebreke is gebleven.
### Paragraaf 3.8.1. Onderzoek juistheid verstrekte persoonsgegevens
De administratieve behandeling van het verzoek om naturalisatie vangt aan nadat:
### Paragraaf 3.8.2. Toetsing voorwaarden (mede)naturalisatie/naamsvaststelling en naamswijziging
Vervolgens onderzoekt het hoofd van de post ([artikel 36 BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=36)):
### Paragraaf 3.8.3. Verhuizing tijdens de adviesfase
De in [artikel 8, eerste lid, BON](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782&artikel=8) bedoelde afdracht van de geïnde naturalisatiegelden geschiedt, ongeacht door welk ressort advies wordt uitgebracht, door het ressort waar de gelden zijn betaald. Dat ressort behoudt ook altijd de vergoeding als bedoeld in het [tweede lid van artikel 8 BON](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782&artikel=8).
### Paragraaf 3.9. Uitbrengen advies
Het hoofd van de post sluit het onderzoek af met het uitbrengen van een schriftelijk advies aan de IND over het verzoek om naturalisatie en over de eventuele naamsvaststelling c.q. naamswijziging ([artikel 54, vijfde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=54)). Zie model 2.22a (adviesblad naturalisatie). De adviezen die kunnen worden uitgebracht zijn: ‘geen bezwaar’ en ‘bezwaar’
### Paragraaf 3.10. Beslissing op het verzoek
### Paragraaf 3.11. Bezwaar
Bezwaar tegen een informatieve brief, waarin het beleid nader wordt toegelicht, is géén besluit in de zin van de [Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537) en zal derhalve niet-ontvankelijk worden verklaard. Hierbij kan worden gedacht aan een bezwaarschrift gericht tegen de bijlage bij de kennisgeving van naturalisatie, waarin de naturalisandus wordt gewezen op de afstandsplicht.
### Paragraaf 3.13. Naturalisatieceremonie
Op grond van [artikel 60b, tweede en vierde lid BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60b) is in het buitenland het hoofd van de diplomatieke of consulaire post bevoegd tot bekendmaking van het naturalisatiebesluit. Het staat hem vrij om door middel van een machtiging de uitreiking over te dragen aan een ambtenaar van de betreffende diplomatieke of consulaire post. Hij roept de naturalisandus tijdig op voor een naturalisatieceremonie. Verschijnt de opgeroepen persoon niet, dan vindt geen uitreiking plaats en wordt een oproeping voor de volgende ceremonie toegezonden. Zonodig wordt een derde oproep per aangetekende post verzonden. Wordt het besluit niet binnen een jaar na de dag waarop het is gedagtekend, uitgereikt, dan vervalt het in de regel. De naturalisandus is dan geen Nederlander geworden. Hij dient daarvoor een nieuw verzoek tot naturalisatie in te dienen of een optieverklaring af te leggen.
### Paragraaf 3.13.1. De oproeping
Het hoofd van de diplomatieke of consulaire post roept in beginsel de persoon op te verschijnen die ten tijde van het indienen van het naturalisatieverzoek 16 jaar of ouder was. Was de naturalisandus of mede-naturalisandus jonger dan 16 jaar, dan roept het hoofd van de diplomatieke of consulaire post zijn wettelijke vertegenwoordiger op ([artikel 60b, tweede lid BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60b), zie tevens [paragraaf 3.13.3 Andere wijze van bekendmaking dan uitreiking en de termijn (artikel 5, vijfde lid, RVVN)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025740&artikel=7¶graaf=3.13¶graaf=3.13.3&z=2010-10-01&g=2010-10-01)). De oproeping vindt plaats door middel van een schriftelijke uitnodiging aan de naturalisandus of zijn wettelijke vertegenwoordiger. In beginsel wordt die wettelijk vertegenwoordiger opgeroepen die namens de minderjarige naturalisandus het naturalisatieverzoek heeft ingediend ([artikel 2, derde lid RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2)). Zie ook bijlage 1 (tabel oproepen en uitreiken).
### Paragraaf 3.13.2. De uitreiking/naturalisatieceremonie
Het hoofd van de diplomatieke of consulaire post reikt het uittreksel van het besluit uit aan de naturalisandus of medenaturalisandus die ten tijde van het indienen van het naturalisatieverzoek 16 jaar of ouder was én na het, al dan niet schriftelijk, afleggen van de verklaring van verbondenheid door de personen die hiertoe verplicht zijn. Was de betrokkene op dat tijdstip jonger dan 16 jaar dan wordt het uittreksel uitgereikt aan zijn wettelijke vertegenwoordiger ([artikel 60b, vijfde lid BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60b)). Zie ook bijlage 1 (tabel oproepen en uitreiken).
### Paragraaf 3.13.3. Andere wijze van bekendmaking dan uitreiking en de termijn ([artikel 5, vijfde lid, RVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013506&artikel=5))
Uitgangspunt bij de bekendmaking is dat ook buiten het Koninkrijk een feestelijk getinte bijeenkomst ter viering van de verkrijging van het Nederlanderschap zal plaatsvinden. Echter wegens bijzondere aan de personele omvang van de diplomatieke of consulaire post gerelateerde omstandigheden kan het hoofd komen tot een andere wijze van bekendmaking dan uitreiking in persoon. Dit staat overigens los van de – door de op te roepen/reeds opgeroepen persoon – aan te voeren zwaarwegende redenen waarom de ceremonie door de optant niet in persoon kan worden bijgewoond (zie hiervoor verder [paragraaf 3.13.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025740&artikel=7¶graaf=3.13¶graaf=3.13.4&z=2010-10-01&g=2010-10-01).).
### Paragraaf 3.13.4. Afleggen verklaring van verbondenheid
De minderjarige die ten tijde van de indiening van het verzoek om naturalisatie jonger is dan zestien jaar hoeft niet uitgenodigd te worden om te verschijnen op de naturalisatieceremonie en hoeft geen verklaring van verbondenheid af te leggen. Ook medenaturalisandi van 16 of 17 jaar ([artikel 11, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11)) zijn niet verplicht om de bereidverklaring en de verklaring van verbondenheid af te leggen. Hier wordt op termijn door de wetgever in voorzien. Deze medenaturalisandi moeten echter wel verplicht op een naturalisatieceremonie verschijnen. Zie [artikel 60b, derde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60b).
Uittreksels uit het besluit tot verlening van het Nederlanderschap zijn op één naam gesteld. Er kan echter sprake zijn van kinderen die delen in verkrijging van het Nederlanderschap. Indien de opgeroepen naturalisandus, die verplicht is te verschijnen en de verklaring van verbondenheid af te leggen, niet verschijnt op de naturalisatieceremonie, kan het uittreksel van het naturalisatiebesluit niet worden uitgereikt. De uittreksels betreffende de minderjarige kinderen die met de naturalisandus zouden meenaturaliseren, worden dan ook niet uitgereikt, ook al zijn de kinderen wel aanwezig op de naturalisatieceremonie. De uitreiking van het uittreksel uit het naturalisatiebesluit wordt in dat geval aangehouden. Zie [artikel 60b, derde lid en tiende lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60b). Bij de volgende naturalisatieceremonie kan de (hoofd)naturalisandus alsnog op de ceremonie verschijnen en de verklaring van verbondenheid afleggen. Zo nodig wordt de uitnodiging nog eenmaal, dit maal per aangetekende brief, herhaald ([artikel 60a, tiende lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60a)). Pas dan kan het de naturalisandus betreffende uittreksel van het naturalisatiebesluit en eventueel de meenaturaliserende kinderen betreffende uittreksels worden uitgereikt en verkrijgen zij allen de Nederlandse nationaliteit. Indien de (hoofd)naturalisandus niet op een naturalisatieceremonie is verschenen (en dus niet de verklaring van verbondenheid heeft afgelegd), vervalt het naturalisatiebesluit een jaar na dagtekening ervan.
### Paragraaf 3.13.5. Zwaarwegende redenen ([artikel 60b, zesde lid BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60b)) en niet (mondeling) afleggen verklaring van verbondenheid
### Paragraaf 3.13.5.1. Zwaarwegende redenen om niet op een naturalisatieceremonie te verschijnen
Uitgangspunt van de regelgeving is dat de opgeroepen persoon zoveel mogelijk op de naturalisatieceremonie verschijnt. Dit betekent dat het hoofd van de diplomatieke of consulaire post vrijstaat, op verzoek van de betrokkene zelf, in overleg met hem een andere datum te bepalen waarop een ceremonie wordt gehouden en hij toch kan verschijnen. Daarbij is het overigens wel van belang dat de duur van de periode die ligt tussen de vaststelling van het naturalisatiebesluit en de uitreiking van het desbetreffende uittreksel, zo beperkt mogelijk blijft, in ieder geval niet langer dan een jaar.
### Paragraaf 3.13.5.2. Mondeling afleggen verklaring van verbondenheid en uitzonderingen
De verzoeker heeft bij het indienen van zijn verzoek om naturalisatie de bereidverklaring ondertekend. Het hoofd van de diplomatieke of consulaire post heeft, al dan niet bij de indiening van het verzoek om naturalisatie, bepaald dat van de verzoeker redelijkerwijs niet kan worden verlangd dat hij de verklaring van verbondenheid mondeling aflegt.
### Paragraaf 3.13.6. Procedurele aspecten na uitreiking
Aan de hand van het terugmeldformulier stelt de minister vast of de betrokken naturalisandus Nederlander is geworden en zijn procedure kan worden afgesloten. Is betrokkene Nederlander geworden, dan worden de gegevens ten aanzien van deze verlening in het nationaliteitenregister opgenomen. Ook wordt na terugmelding de eventuele afstandsprocedure opgestart.
Indien van toepassing maakt de Immigratie- en Naturalisatiedienst na ontvangst van het terugmeldformulier een uitwisselingsformulier op, als bedoeld in de Overeenkomst van Parijs van 10 september 1964, betreffende het uitwisselen van gegevens met betrekking tot verkrijging van nationaliteit bij de verkrijging van het Nederlanderschap door een persoon met de nationaliteit van: België, Duitsland, Frankrijk, Griekenland, Italië, Luxemburg, Noorwegen, Oostenrijk, Portugal en Turkije (model 1.35**Uitwisselingsformulier**). Bij een persoon van Surinaamse nationaliteit voegt hij een ingevuld formulier gebaseerd op het Memorandum of Understanding (MoU) inzake wederzijdse uitwisseling van informatie betreffende de verkrijging en verlies van de nationaliteit tussen Nederland en Suriname, ondertekend op 26 augustus 2008 toe (model 1.35a**Uitwisselingsformulier MoU Suriname-Nederland**). De Immigratie- en Naturalisatiedienst maakt één uitwisselingsformulier op per meerderjarige, die door naturalisatie het Nederlanderschap heeft verkregen en die voorheen de Surinaamse nationaliteit bezat. Minderjarige kinderen die hebben gedeeld in de verkrijging van het Nederlanderschap van de ouder door naturalisatie en die voorheen de Surinaamse nationaliteit bezaten, staan vermeld op het uitwisselingsformulier van de ouder.
Indien de verklaring van verbondenheid schriftelijk is afgelegd (model 4.1a of 4.2a), wordt deze verklaring gearchiveerd in het naturalisatiedossier bij de diplomatieke of consulaire post.
### Artikel 8.1.b. jo. c. jo. d. jo. e. jo. lid 2
### Paragraaf 1. Fictieve toets bij buiten het Koninkrijk ingediende verzoeken ([artikel 8.1.b jo. lid 2, paragraaf 3.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099¶graaf=3.8))
### Paragraaf 2.1. Voorlichtingsfase ([paragraaf 2.1.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099¶graaf=2.1.1))
### Paragraaf 2.3. Belemmering
### Paragraaf 1.1. Toelichting Openbare orde (Toelichting ad [artikel 11, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11))
### Paragraaf 1.2. Toelichting Geen vereiste van toelating en hoofdverblijf (Toelichting ad [artikel 11, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11))
Voorts is in dit artikellid bepaald dat het mee te naturaliseren kind feitelijk tot het gezin moet behoren van de vader of moeder die hoofdverblijf heeft in het buitenland en aldaar om naturalisatie verzoekt. ‘Feitelijk behoren tot het gezin’ van de vader of moeder houdt in het kader van de [RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738) in dat het kind bij die ouder op hetzelfde adres woont en er sprake is van een morele en financiële afhankelijkheid van de ouder(s). De feitelijke gezinsband met de ouder kan als verbroken worden beschouwd indien ouder en kind niet meer samenwonen (bijvoorbeeld omdat het kind duurzaam is opgenomen in een ander gezin, omdat het zelfstandig is gaan wonen of omdat het zelfstandig een gezin heeft gevormd door het aangaan van een relatie). De bewijslast om aan te tonen dat de feitelijke gezinsband niet is verbroken, ligt bij de ouder. De ouder zal goede redenen moeten aanvoeren waarom hij en het kind (die beiden hoofdverblijf hebben in het buitenland) niet meer samenwonen. Het enkele feit dat de ouder nog met het gezag is belast, is bijvoorbeeld onvoldoende grond om aan te nemen dat het kind nog feitelijk behoort tot het gezin van die ouder.
Ingevolge [artikel 9, eerste lid, aanhef en onder c, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9) wordt een verzoek om naturalisatie van een vreemdeling als bedoeld in [artikel 8, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8) afgewezen, indien hij zijn hoofdverblijf heeft in het land waarvan hij onderdaan is. In [artikel 11, zesde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11) is opgenomen dat deze afwijzingsgrond eveneens geldt voor de mee te naturaliseren kinderen van die persoon (zie ook de [toelichting bij artikel 9, eerste lid, aanhef en onder c, RWN](359339)).
Samengevat gelden voor het in deze bepaling bedoelde kind de volgende voorwaarden:
### 3. Modellen behorend bij optieverklaringen in het buitenland en naturalisatieverzoeken vanuit het buitenland
Samenwoning buiten het Koninkrijk kan in sommige gevallen worden aangetoond met een bewijs van inschrijving in de bevolkingsadministratie van het land van samenwoning. Overigens heeft niet ieder land een gemeentelijke of centrale bevolkingsadministratie. In die gevallen moet de verzoeker met andere bewijsstukken aantonen dat sprake is geweest van drie jaar feitelijke samenwoning met de Nederlandse echtgenoot. Hierbij wordt onder meer gedacht aan een combinatie van stukken zoals een huurovereenkomst, bankafschriften, rekeningen en officiële documenten van een overheidsinstantie. Van belang is dat in deze stukken de personalia van de verzoeker en het betreffende samenwoonadres worden vermeld.
### Paragraaf 1.2. Toelichting Geen vereiste van toelating en hoofdverblijf (Toelichting ad [artikel 11, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11))
### 3. Modellen behorend bij optieverklaringen in het buitenland en naturalisatieverzoeken vanuit het buitenland
### Paragraaf 2.3. Paragraaf 2.3 Inontvangstneming optieverklaring
Dit betreft de hoofdregel: het hoofd van de diplomatieke of consulaire post neemt de optieverklaringen in ontvangst van optanten die hoofdverblijf hebben in het ressort van zijn diplomatieke of consulaire post. Het feit dat de optieverklaring ook kan zien op minderjarige kinderen die in de optieverklaring delen en hun hoofdverblijf niet in dat ressort hebben, doet daar niet aan af. Bij een zelfstandige optieverklaring ten behoeve van een minderjarige, is het hoofd van de post waar de minderjarige zijn hoofdverblijf heeft, bevoegd de optieverklaring in ontvangst te nemen. Dit geldt ook ais de wettelijk vertegenwoordiger zijn hoofdverblijf in een ander ressort heeft.
Optieverklaringen van andere personen dan hierboven genoemd worden niet door het hoofd van de post in ontvangst genomen ([artikel 25, vierde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=25)). Zo mogelijk deelt het hoofd van de post aan de optant mee bij welke post de verklaring wel **in persoon**kan worden afgelegd.
### Paragraaf 2.3.3. Beoordeling verschuldigdheid optiegelden
### Paragraaf 2.4. Voorbereiding van de beslissing
### Paragraaf 2.4.1. Toetsing juistheid verstrekte gegevens
Nadat de optiegelden zijn betaald of het hoofd van de post heeft vastgesteld dat geen betaling verschuldigd is, en het hoofd van de post heeft vastgesteld dat de verklaring volledig is, toetst hij de door de optant verstrekte gegevens. Hij toetst – voor zover aanwezig – aan de gegevens die in de administratie van zijn ressort zijn opgenomen ([artikel 27, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=27)). Zijn in de optieverklaring personen genoemd die geen hoofdverblijf hebben in zijn ressort (kinderen voor wie medeverkrijging vanhet Nederlanderschap verzocht wordt), dan verzoekt hij zo nodig, al naar gelang de plaats waar zij als ingeschrevene zijn ingeschreven in de administratie, aan het hoofd van de post van het betreffende ressort om binnen vier weken (of in voorkomend geval de burgemeester van de betreffende gemeente in Nederland, de gezaghebber van het betreffende Nederlands-Antilliaanse eilandgebied, dan wel de Minister van Algemene Zaken van Aruba om binnen tien weken) de door optant verstrekte gegevens te toetsen ([artikel 27, tweede lid en derde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=27)). Zie voor een juiste adressering aangaande de Nederlandse Antillen en Aruba het hoofdstuk Voorlichting.
### Paragraaf 2.4.2. Beoordeling of aan de (overige) voorwaarden wordt voldaan
### Paragraaf 2.4.2.2. Geen gevaar voor de openbare orde, etc.
Verzoeken tot naamsvaststelling, alsmede verklaringen van instemming van de wettelijk vertegenwoordiger, andere ouder en de kinderen, die de leeftijd van twaalf jaar en ouder hebben bereikt, zijn opgenomen in de modellen 1.15a, 1.20a en 1.24a. Op de optieverklaring wordt vermeld of tevens een verzoek tot vaststelling van de geslachtsna(a)m(en)/of voorna(a)m(en) is gedaan.
### Paragraaf 2.4.2.4. Onderzoek naar zienswijze kind/wettelijk vertegenwoordiger/(andere) ouder
Indien dit nog niet gebeurd is in een eerdere fase van de procedure – bijvoorbeeld tegelijk met het afleggen van de optieverklaring door de optant – stelt het hoofd van de post de andere in de optieverklaring genoemde personen, mits zij de leeftijd van twaalf jaar hebben bereikt, alsook de wettelijk vertegenwoordiger en de andere ouder (als bedoeld in [artikel 2, vierde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2)) op hun verzoek in de gelegenheid hun zienswijze inzake de optie kenbaar te maken ([artikel 10, vierde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=10)). Zie ook hiervoor bij ‘verklaring afleggen in persoon’ en de [toelichting bij artikel 2, vierde lid, RWN](359339).
### Paragraaf 2.5. Bevestiging
Indien het hoofd van de post concludeert dat de optieverklaring niet kan leiden tot bevestiging van de verkrijging van het Nederlanderschap omdat niet aan de voorwaarden wordt voldaan, weigert hij deze schriftelijk. Dit is een beschikking in de zin van de [Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537). Zonodig stelt het hoofd van de post met toepassing van [artikel 4:7 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:7) belanghebbenden in de gelegenheid om een zienswijze kenbaar te maken voordat hij het besluit neemt (bijvoorbeeld als de opgevraagde antecedentgegevens afwijken van de gegevens op de verklaring omtrent verblijfsstatus en gedrag). Het besluit vermeldt de gronden van de weigering, en vermeldt dat de optant dan wel – indien van toepassing – zijn wettelijk vertegenwoordiger, binnen zes weken na ontvangst van het besluit bij de Minister van Buitenlandse Zaken een bezwaarschrift kan indienen. Een weigering van de bevestiging ten aanzien van de optant houdt tevens een weigering in ten aanzien van de in de verklaring genoemde personen. De beslissing wordt in persoon aan de optant of wettelijk vertegenwoordiger uitgereikt of per aangetekende post naar het laatst bekende adres van de optant, zijn wettelijk vertegenwoordiger of gemachtigde verzonden.
### Paragraaf 2.9.2.1. Paragraaf 2.9.2.1 Bezwaarschrift gegrond
### Paragraaf 2.9.2.3. Bezwaarschrift niet-ontvankelijk of ongegrond
### Paragraaf 2.12. Naturalisatieceremonie
De [regeling verkrijging en verlies Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013506) (hierna: RVVN) bevat in [artikel 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013506&artikel=5) sinds 1 april 2003 de mogelijkheid tot een ceremoniële bijeenkomst op vrijwillige basis voor zowel overheid als betrokkenen. Tijdens deze ceremonie zal de verkrijging van het Nederlanderschap worden gevierd. Met ingang van 1 januari 2007 is dit voor de optiebevestiging veranderd. Vanaf die datum treedt de optiebevestiging voor de daarin genoemde persoon of personen pas in werking door uitreiking van de optiebevestiging, in de regel op de naturalisatieceremonie. Met ingang van 1 maart 2009 voor het verkrijgen van het Nederlanderschap nog een vereiste ingevoerd, namelijk het afleggen van de verklaring van verbondenheid. Uitgangspunt bij de verklaring van verbondenheid is dat deze in persoon en mondeling wordt afgelegd tijdens de naturalisatieceremonie. Indien het hoofd komt tot een andere wijze van bekendmaking dan uitreiking in persoon, wordt de verklaring van verbondenheid eerst schriftelijk afgelegd (zie hiervoor [artikel 29, vierde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=29), [artikel 60a, vijfde en zesde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60a), [artikel 5, vierde lid, onder d, RVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013506&artikel=5), [paragraaf 2.12.5.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025740&artikel=6-3¶graaf=2¶graaf=2.12¶graaf=2.12.5¶graaf=2.12.5.2&z=2014-04-04&g=2014-04-04) Mondeling afleggen verklaring van verbondenheid en uitzonderingen en [paragraaf 2.12.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025740&artikel=6-3¶graaf=2¶graaf=2.12¶graaf=2.12.3&z=2014-04-04&g=2014-04-04) Andere wijze van bekendmaking dan uitreiking en de termijn ([artikel 5, vijfde lid, RVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013506&artikel=5))). De optiebevestiging wordt aan de betrokkene bekendgemaakt door uitreiking en pas dan treedt het besluit tot verkrijging van het Nederlanderschap, met terugwerkende kracht tot de datum van dagtekening, in werking. Het besluit tot bevestiging van de optieverklaring werkt terug tot de dag van de dagtekening door het hoofd van de diplomatieke of consulaire post (zie ook onder ‘algemeen’ van [paragraaf 2.12.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025740&artikel=6-3¶graaf=2¶graaf=2.12¶graaf=2.12.2&z=2014-04-04&g=2014-04-04)).
### Paragraaf 2.12.1. De oproeping
### Paragraaf 2.12.2. De uitreiking/naturalisatieceremonie
### Paragraaf 2.12.3. Andere wijze van bekendmaking dan uitreiking en de termijn ([artikel 5, vijfde lid, RVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013506&artikel=5))
### Paragraaf 2.12.4. Afleggen verklaring van verbondenheid
### Paragraaf 2.12.5. Zwaarwegende redenen ([artikel 60a, zesde lid BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60a)) en niet (mondeling) afleggen verklaring van verbondenheid
### Paragraaf 2.12.5.1. Zwaarwegende redenen om niet op een naturalisatieceremonie te verschijnen
### Paragraaf 2.12.5.2. Mondeling afleggen verklaring van verbondenheid en uitzonderingen
De optant heeft bij het afleggen van zijn optieverklaring de bereidverklaring ondertekend. Het hoofd van de diplomatieke of consulaire post heeft, al dan niet bij het afleggen van de optieverklaring, bepaald dat van de optant redelijkerwijs niet kan worden verlangd dat hij de verklaring van verbondenheid mondeling kan afleggen.
Zie [artikel II van het Besluit van 19 mei 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019915&artikel=II), Stb. 250, tot wijziging van het BVVN. Zie verder [artikel 60b BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60b) en hieronder [paragraaf 3.13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025740&artikel=7¶graaf=3.13&z=2014-04-04&g=2014-04-04).
Hieronder wordt de **procedure** beschreven voor de behandeling van verzoeken om naturalisatie.
### Paragraaf 3.1. Voorlichtingsfase
Voor kinderen van 16 jaar of ouder is verschijning in persoon voorgeschreven in [artikel 3 1, derde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=31); zij dienen zich te legitimeren met een geldig buitenlands reisdocument. Zie ook de [toelichting bij artikel 2 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=2).
### Paragraaf 3.2.3. Wettelijk vertegenwoordiger/(andere) ouder
### Paragraaf 3.2.4. Gemachtigde
### Paragraaf 3.2.5. Uitsluitend schriftelijk verzoek
### Paragraaf 3.3. Te verstrekken gegevens
### Paragraaf 3.4. Paragraaf 3.4 Af te leggen verklaringen
### Paragraaf 3.4.1. Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid (model 2.30a)
In de regel legt degene aan wie het uittreksel uit het naturalisatiebesluit wordt uitgereikt de verklaring van verbondenheid mondeling af. Zie [artikel 60b, vierde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60b). Echter, indien van de verzoeker redelijkerwijs niet kan worden verlangd dat hij de verklaring van verbondenheid mondeling aflegt, kan hoofd van de diplomatieke of consulaire post bepalen dat de verzoeker de verklaring van verbondenheid schriftelijk aflegt. Zie [artikel 60b, vijfde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60b). Indien bij het indienen van het verzoek om naturalisatie reeds door het hoofd van de diplomatieke of consulaire post geconstateerd is dat van een verzoeker redelijkerwijs niet kan worden verlangd dat hij de verklaring van verbondenheid mondeling aflegt, kan hiervan door het hoofd van de diplomatieke of consulaire post een aantekening worden gemaakt in het naturalisatiedossier. Dan zal betrokkene wel de bereidverklaring ondertekenen, hij is immers bereid om een verklaring van verbondenheid af te leggen en dit is een voorwaarde voor naturalisatie. Deze informatie kan vervolgens bij het toezenden van de uitnodigingbrief voor de naturalisatieceremonie gebruikt worden door bijvoorbeeld alvast de schriftelijke verklaring van verbondenheid toe te sturen.
Indien de verzoeker weigert de bereidverklaring te ondertekenen of op de bereidverklaring aangeeft dat hij niet bereid is de verklaring van verbondenheid af te leggen, attendeert het hoofd van de diplomatieke of consulaire post de verzoeker erop dat hij vanwege zijn weigering het Nederlanderschap niet verkrijgt en dat daardoor zijn eventuele minderjarige kinderen voor wie hij medeverlening heeft verzocht, geen Nederlander worden. Het hoofd van de diplomatieke of consulaire post ontraadt de verzoeker een verzoek om naturalisatie in te dienen. Mocht de verzoeker desalniettemin met zijn verzoek verder willen gaan, dan wordt de verkrijging van het Nederlanderschap door naturalisatie afgewezen.
Voor zowel het verkrijgen van documenten als de vertalingen en eventuele legalisatie van stukken, dient betrokkene zelf zorg te dragen. Indien de documenten zijn opgesteld in een andere taal dan het Nederlands, Engels, Duits of Frans, dient verzoeker zorg te dragen voor een door een beëdigd vertaler gemaakte vertaling, die gehecht moet zijn aan het originele (afschrift van het) document. Ten aanzien van de over te leggen documenten is de thans geldende [Circulaire legalisatie en verificatie buitenlandse bewijsstukken alsmede toepassing DNA-onderzoek in gevallen waarin bewijsstukken ontbreken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019820) van toepassing.
### Paragraaf 3.5.5. (overige) over te leggen documenten
### Paragraaf 3.6.1. Bevoegdheid hoofd van de diplomatieke of consulaire post
**Personen met hoofdverblijf in het ressort**
Verzoeken van andere personen dan hierboven genoemd worden niet door het hoofd van de post in ontvangst genomen ([artikel 51, vierde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=51)). Zo mogelijk deelt het hoofd van de post aan de verzoeker mee bij welke andere post in het buitenland het verzoek **in persoon** kan worden ingediend.
### Paragraaf 3.7.1. Beoordeling bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid (bij verzoeken om naturalisatie ingediend op of ná 1 maart 2009)
### Paragraaf 3.7.2. Beoordeling verschuldigdheid naturalisatiegelden
### Paragraaf 3.7.3. Beoordeling verplichting afleggen inburgeringsexamen
Indien na het verstrijken van de termijn van zes weken de gevraagde documenten niet zijn overgelegd en de verschuldigde naturalisatiegelden op dat moment ook nog niet zijn betaald, wordt het verzoek om naturalisatie door het hoofd van de post buiten behandeling gesteld wegens niet (tijdige) betaling van die gelden (zie hierboven).
### Paragraaf 3.8.1. Onderzoek juistheid verstrekte persoonsgegevens
### Paragraaf 3.9. Uitbrengen advies
### Paragraaf 3.10. Beslissing op het verzoek
### Paragraaf 3.12. (hoger) beroep
### Paragraaf 3.13. Naturalisatieceremonie
### Paragraaf 3.13.1. De oproeping
### Paragraaf 3.13.2. De uitreiking/naturalisatieceremonie
### Paragraaf 3.13.3. Andere wijze van bekendmaking dan uitreiking en de termijn ([artikel 5, vijfde lid, RVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013506&artikel=5))
### Paragraaf 3.13.5.1. Zwaarwegende redenen om niet op een naturalisatieceremonie te verschijnen
### Paragraaf 3.13.5.2. Mondeling afleggen verklaring van verbondenheid en uitzonderingen
Na uitreiking van het desbetreffende uittreksel stuurt het hoofd van de diplomatieke of consulaire post door middel van het terugmeldformulier (model 2.29a of 29b) daarvan, via het ministerie van Buitenlandse Zaken, onverwijld een bericht aan de IND ([artikel 60b, negende lid BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60b)). Op het terugmeldformulier vermeldt het hoofd van de diplomatieke of consulaire post de datum waarop het besluit is bekendgemaakt en de wijze van bekendmaking. Ingevolge [artikel 60b, twaalfde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60b), deelt de uitreikende autoriteit de Minister van Justitie mee ‘of en op welke wijze de verklaring van verbondenheid is afgelegd’. Deze informatie wordt op het terugmeldformulier (model 2.29a of 2.29b) aangetekend en is alleen van toepassing op verzoeken om naturalisatie ingediend op of na 1 maart 2009. Ook vermeldt het hoofd van de diplomatieke of consulaire post of hij na herhaalde oproepingen het besluit niet heeft kunnen bekendmaken, als gevolg waarvan het besluit is vervallen. De uittreksels die het hoofd van de diplomatieke of consulaire post niet heeft kunnen uitreiken, stuurt hij, via het ministerie van Buitenlandse Zaken, terug aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND).
Het hoofd van de diplomatieke of consulaire post wordt verzocht eventuele onjuistheden in het besluit zo spoedig mogelijk te melden aan de IND. De IND draagt (zonodig) in dat geval zorg voor een nieuw besluit. Het hoofd van de diplomatieke of consulaire post hoeft een eerder uitgereikt uittreksel niet door middel van een verbeterd exemplaar opnieuw uit te reiken. Ingeval het besluit reeds is bekendgemaakt, mag het verbeterde exemplaar (aangetekend) aan de betrokkene worden opgestuurd. Wanneer het hoofd van de diplomatieke of consulaire post nog in het bezit is van het onjuiste uittreksel is het wenselijk dat hij dit, ter voorkoming van fraude, terugstuurt aan de IND, alwaar het wordt vernietigd.
### Artikel 8.1.b. jo. c. jo. d. jo. e. jo. lid 2
### 8.1.b. jo. lid 2 toelichting ad [artikel 8.1.b jo. lid 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8)
### Paragraaf 1. Fictieve toets bij buiten het Koninkrijk ingediende verzoeken ([artikel 8.1.b jo. lid 2, paragraaf 3.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099¶graaf=3.8))
### Paragraaf 2. Toelichting bij procedure inburgeringsexamen en (gedeeltelijke) vrijstellingen ([artikel 8.1.d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8))
### Paragraaf 2.1. Voorlichtingsfase ([paragraaf 2.1.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099¶graaf=2.1.1))
### Paragraaf 2.2. Vrijstelling van het examen ([paragraaf 2.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099¶graaf=2.2))
### Artikel 11-2. jo. lid 3 jo. lid 6
### Paragraaf 1.1. Toelichting Openbare orde (Toelichting ad [artikel 11, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11))
Het onderhavig artikellid verklaart slechts de vereisten van toelating en hoofdverblijf van het tweede en derde lid niet van toepassing, hetgeen betekent dat de overige in die leden gestelde vereisten voor medeverlening wél van toepassing zijn. Zo zal bij een verzoek om medeverlening van een kind van zestien jaar of ouder worden getoetst of er afwijzingsgronden van [artikel 9 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9)aanwezig zijn (zie [paragraaf 1.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025740&artikel=11-2¶graaf=1.1&z=2014-04-04&g=2014-04-04)) en zal het kind uitdrukkelijk moeten instemmen met de medeverlening. Ook het bepaalde in [artikel 2 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2) is onverkort van toepassing. Zo zal het betrokken kind dat de leeftijd van twaalf jaar heeft bereikt, de wettelijk vertegenwoordiger of de andere ouder (mits de wettelijk vertegenwoordiger of andere ouder in hetzelfde land wonen) worden gewezen op de mogelijkheid om op verzoek een zienswijze omtrent de medeverlening naar voren te brengen (zie [artikel 54, vierde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=54) en de [toelichting bij artikel 2, vierde lid, RWN](359339)).
Ingevolge [artikel 2 BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=2) is in het buitenland het hoofd van de diplomatieke of consulaire post bevoegd een verzoek om (mede)naturalisatie in ontvangst te nemen. De [artikelen 31](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=31), [32](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=32), en [51 tot en met 56 BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=51) voor de administratieve behandeling van verzoeken om naturalisatie vanuit het buitenland zijn van toepassing. Net als bij een verzoek in het Koninkrijk dient de ouder derhalve de kinderen die hij in zijn verzoek wenst te betrekken, te vermelden in zijn verzoek om naturalisatie en verstrekt hij voor zoveel mogelijk de relevante gegevens betreffende zichzelf en die kinderen.
Voorts is in dit artikellid bepaald dat het mee te naturaliseren kind feitelijk tot het gezin moet behoren van de vader of moeder die hoofdverblijf heeft in het buitenland en aldaar om naturalisatie verzoekt. ‘Feitelijk behoren tot het gezin’ van de vader of moeder houdt in het kader van de [RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738) in dat het kind bij die ouder op hetzelfde adres woont en er sprake is van een morele en financiële afhankelijkheid van de ouder(s). De feitelijke gezinsband met de ouder kan als verbroken worden beschouwd indien ouder en kind niet meer samenwonen (bijvoorbeeld omdat het kind duurzaam is opgenomen in een ander gezin, omdat het zelfstandig is gaan wonen of omdat het zelfstandig een gezin heeft gevormd door het aangaan van een relatie). De bewijslast om aan te tonen dat de feitelijke gezinsband niet is verbroken, ligt bij de ouder. De ouder zal goede redenen moeten aanvoeren waarom hij en het kind (die beiden hoofdverblijf hebben in het buitenland) niet meer samenwonen. Het enkele feit dat de ouder nog met het gezag is belast, is bijvoorbeeld onvoldoende grond om aan te nemen dat het kind nog feitelijk behoort tot het gezin van die ouder.
Ingevolge [artikel 9, eerste lid, aanhef en onder c, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9) wordt een verzoek om naturalisatie van een vreemdeling als bedoeld in [artikel 8, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8) afgewezen, indien hij zijn hoofdverblijf heeft in het land waarvan hij onderdaan is. In [artikel 11, zesde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11) is opgenomen dat deze afwijzingsgrond eveneens geldt voor de mee te naturaliseren kinderen van die persoon (zie ook de [toelichting bij artikel 9, eerste lid, aanhef en onder c, RWN](359339)).
Samengevat gelden voor het in deze bepaling bedoelde kind de volgende voorwaarden:
### 3. Modellen behorend bij optieverklaringen in het buitenland en naturalisatieverzoeken vanuit het buitenland
### Paragraaf 2.2.4. Af te leggen verklaringen
### Paragraaf 2.2.4.2. Waarheidsverklaring
### Paragraaf 2.2.5.1. Buitenlands reisdocument
De optant dient – zoveel mogelijk – een geldig buitenlands reisdocument over te leggen. Dit niet alleen in verband met de identificatie maar ook om de nationaliteit van de optant te kunnen ‘vaststellen' en de in het reisdocument vermelde personalia te vergelijken met de gegevens in overgelegde akte(n) van de burgerlijke stand.
### Paragraaf 2.2.5.2. Buitenlandse akten van de burgerlijke stand
Na de betaling van de optiegelden; de vaststelling dat geen betaling verschuldigd is; of de beslissing tot gehele ontheffing van betaling (model 1.27a HRWN), beoordeelt de Minister van Buitenlandse Zaken de optieverklaring op zijn volledigheid. Zonodig verzoekt hij de optant om aanvulling van de gegevens en stelt hij een termijn vast waarbinnen deze gegevens alsnog aangeleverd moeten zijn ([artikel 4:5, eerste lid Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:5), [artikel 26, tweede lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=26)). Het verdient aanbeveling een en ander op schrift te stellen en het bericht onmiddellijk aan de optant mee te geven. Indien de door de Minister van Buitenlandse Zaken gevraagde gegevens niet worden verstrekt of de documenten niet worden overgelegd, kan de Minister van Buitenlandse Zaken besluiten de optieverklaring buiten behandeling te stellen met toepassing van artikel 4:5 Awb. Op grond van [artikel 4:15 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:15) wordt door het in verzuim stellen de beslistermijn van dertien weken opgeschort tot de dag waarop de aanvulling van de verklaring is ontvangen of de verzuimtermijn is verstreken.
### Paragraaf 2.4.2.1. Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid (bij optieverklaringen afgelegd op of ná 1 maart 2009)
### Paragraaf 2.4.2.2. Geen gevaar voor de openbare orde, etc.
### Paragraaf 2.4.2.3. Naamsvaststelling en naamskeuze bij optie
### Paragraaf 2.4.2.4. Onderzoek naar zienswijze kind/wettelijk vertegenwoordiger/(andere) ouder
### Paragraaf 3.2.1. Meerderjarige verzoeker ([artikel 8, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8), [artikel 10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=10) en [artikel 11, vijfde lid RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11))
### Paragraaf 3.2.2. Medeverlening ([artikel 11, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11))
### Paragraaf 3.2.5. Uitsluitend schriftelijk verzoek
### Paragraaf 3.3. Te verstrekken gegevens
### Paragraaf 3.4.1. Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid (model 2.30a HRWN)
De verzoeker dient een waarheidsverklaring te ondertekenen ([artikel 31,vierde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=31)). In deze verklaring, waarvan de tekst is opgenomen in het verzoek om naturalisatie, verklaart verzoeker dat hij de gevraagde gegevens naar waarheid heeft verstrekt, dat er ten aanzien van hem geen sprake is van een ander huwelijk dan aangegeven en dat hij geen relevante gegevens heeft verzwegen.
### Paragraaf 3.4.3. Verklaring verblijf gedrag
### Paragraaf 3.5.1. Buitenlands reisdocument
De verzoeker dient – voor zover mogelijk – een geldig buitenlands reisdocument over te leggen, inclusief alle pagina's met in- en uitreisstempels. Dit niet alleen in verband met identificatie van de verzoeker maar ook om zijn nationaliteit en verblijf te kunnen vaststellen en de in het reisdocument vermeide personalia te vergelijken met de overgelegde akte(n) van de burgerlijke stand.
### Paragraaf 3.5.2. Buitenlandse akten (van de burgerlijke stand)
### Paragraaf 3.5.4. Verkrijging, vertaling en legalisatie van buitenlandse documenten
### Paragraaf 3.5.6. Bewijsnood
### Paragraaf 3.7.2. Beoordeling verschuldigdheid naturalisatiegelden
### Paragraaf 3.7.4. Buitenbehandelingstelling
### Paragraaf 3.13. Naturalisatieceremonie
### Paragraaf 3.13.2. De uitreiking/naturalisatieceremonie
### Paragraaf 3.13.5.2. Mondeling afleggen verklaring van verbondenheid en uitzonderingen
### Paragraaf 3.13.6. Procedurele aspecten na uitreiking
### Paragraaf 2.2. Vrijstelling van het examen ([paragraaf 2.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099¶graaf=2.2))
### Paragraaf 2.3. Belemmering
### Paragraaf 3. Drie jaar onafgebroken huwelijk (geregistreerd partnerschap) en samenwoning met een Nederlander ([artikel 8.2, paragraaf 1.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099¶graaf=1.2))
### Paragraaf 2.3. Paragraaf 2.3 Inontvangstneming optieverklaring
### Paragraaf 2.3.2. Ontvangstbevestiging
### Paragraaf 2.3.3. Beoordeling verschuldigdheid optiegelden
### Paragraaf 2.4.2.3. Naamsvaststelling en naamskeuze bij optie
### Paragraaf 3.2.3. Wettelijk vertegenwoordiger/(andere) ouder
### Paragraaf 3.2.5. Uitsluitend schriftelijk verzoek
### Paragraaf 3.4.1. Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid (model 2.30a HRWN)
### Paragraaf 3.6.1. Bevoegdheid Minister van Buitenlandse Zaken
### Paragraaf 3.7.2. Beoordeling verschuldigdheid naturalisatiegelden
### Paragraaf 3.7.4. Buitenbehandelingstelling
### Paragraaf 3.9. Uitbrengen advies
### Paragraaf 3.13. Naturalisatieceremonie
Op grond van [artikel 60b, tweede en vierde lid BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60b) is in het buitenland de Minister van Buitenlandse Zaken bevoegd tot bekendmaking van het naturalisatiebesluit. Het staat hem vrij om door middel van een machtiging de uitreiking over te dragen aan een ambtenaar van de betreffende diplomatieke of consulaire post. Hij roept de naturalisandus tijdig op voor een naturalisatieceremonie. Verschijnt de opgeroepen persoon niet, dan vindt geen uitreiking plaats en wordt een oproeping voor de volgende ceremonie toegezonden. Zonodig wordt een derde oproep per aangetekende post verzonden. Wordt het besluit niet binnen een jaar na de dag waarop het is gedagtekend, uitgereikt, dan vervalt het in de regel. De naturalisandus is dan geen Nederlander geworden. Hij dient daarvoor een nieuw verzoek tot naturalisatie in te dienen of een optieverklaring af te leggen.
### Paragraaf 3.13.2. De uitreiking/naturalisatieceremonie
### Paragraaf 3.13.4. Afleggen verklaring van verbondenheid
### Paragraaf 3.13.5. Zwaarwegende redenen ([artikel 60b, zesde lid BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60b)) en niet (mondeling) afleggen verklaring van verbondenheid
### Paragraaf 3.13.5.1. Zwaarwegende redenen om niet op een naturalisatieceremonie te verschijnen
### Paragraaf 3.13.5.2. Mondeling afleggen verklaring van verbondenheid en uitzonderingen
### Paragraaf 3.13.6. Procedurele aspecten na uitreiking
### 8.1.b. jo. lid 2 toelichting ad [artikel 8.1.b jo. lid 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8)
### Paragraaf 2. Toelichting bij procedure inburgeringsexamen en (gedeeltelijke) vrijstellingen ([artikel 8.1.d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8))
### Paragraaf 2.1. Voorlichtingsfase ([paragraaf 2.1.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099¶graaf=2.1.1))
### Paragraaf 2.2. Vrijstelling van het examen ([paragraaf 2.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099¶graaf=2.2))
### Paragraaf 3. Drie jaar onafgebroken huwelijk (geregistreerd partnerschap) en samenwoning met een Nederlander ([artikel 8.2, paragraaf 1.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099¶graaf=1.2))
### Artikel 11-2. jo. lid 3 jo. lid 6
### 3. Modellen behorend bij optieverklaringen in het buitenland en naturalisatieverzoeken vanuit het buitenland
### Paragraaf 2.4.2.2. Geen gevaar voor de openbare orde, etc.
Voornoemde stukken zijn nodig in verband met de opname van deze documenten in het nationaliteitenregister ([artikel 30, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=30)).
Als de Minister van Buitenlandse Zaken concludeert dat de optieverklaring niet kan leiden tot bevestiging van de verkrijging van het Nederlanderschap omdat niet aan de voorwaarden wordt voldaan, weigert hij deze schriftelijk. Dit is een beschikking in de zin van de [Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537). Zonodig stelt de Minister van Buitenlandse Zaken met toepassing van [artikel 4:7 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:7) belanghebbenden in de gelegenheid om een zienswijze kenbaar te maken voordat hij het besluit neemt (bijvoorbeeld als de opgevraagde antecedentgegevens afwijken van de gegevens op de verklaring verblijf en gedrag). Het besluit vermeldt de gronden van de weigering, en vermeldt dat de optant dan wel – indien van toepassing – zijn wettelijk vertegenwoordiger, binnen zes weken na ontvangst van het besluit bij de Minister van Buitenlandse Zaken een bezwaarschrift kan indienen. Een weigering van de bevestiging ten aanzien van de optant houdt tevens een weigering in ten aanzien van de in de verklaring genoemde personen. De beslissing wordt in persoon aan de optant of wettelijk vertegenwoordiger uitgereikt of per aangetekende post naar het laatst bekende adres van de optant, zijn wettelijk vertegenwoordiger of gemachtigde verzonden.
### Paragraaf 2.8.2. Bevestiging ten aanzien van de ouder/weigering bevestiging medeverkrijging
Als de Minister van Buitenlandse Zaken concludeert dat de verkrijging van het Nederlanderschap wel bevestigd dient te worden ten aanzien van de optant maar niet ten aanzien van de medeverkrijging van een kind dat in de optieverklaring is genoemd, bevestigt hij de verkrijging ten aanzien van de optant en weigert hij medeverkrijging voor het kind. De personalia van dat kind worden niet in de bevestiging opgenomen. Hetzelfde geldt in het geval dat het minderjarige kind in de optieverklaring van zowel zijn vader als zijn moeder is opgenomen en zowel zijn vader als moeder door bevestiging het Nederlanderschap verkrijgen. De medeverkrijging zal separaat schriftelijk door de Minister van Buitenlandse Zaken worden geweigerd. De schriftelijke weigering van de Minister van Buitenlandse Zaken is een beschikking in de zin van de [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537), waartegen op de gebruikelijke wijze rechtsmiddelen kunnen worden aangewend.
### Paragraaf 2.9.2.3. Bezwaarschrift niet-ontvankelijk of ongegrond
Indien het bezwaarschrift niet-ontvankelijk of ongegrond is, wordt dit schriftelijk en gemotiveerd aan de indiener van het bezwaarschrift kenbaar gemaakt onder vermelding van de instantie waarbij en de termijn waarbinnen een beroepschrift kan worden ingediend.
### Paragraaf 2.10. (hoger) beroep
### Paragraaf 2.12.2. De uitreiking/naturalisatieceremonie
### Paragraaf 2.12.3. Andere wijze van bekendmaking dan uitreiking en de termijn ([artikel 5, vijfde lid, RVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013506&artikel=5))
### Paragraaf 2.12.4. Afleggen verklaring van verbondenheid
### Paragraaf 2.12.5. Zwaarwegende redenen ([artikel 60a, zesde lid BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60a)) en niet (mondeling) afleggen verklaring van verbondenheid
### Paragraaf 2.12.5.1. Zwaarwegende redenen om niet op een naturalisatieceremonie te verschijnen
### Paragraaf 2.12.5.2. Mondeling afleggen verklaring van verbondenheid en uitzonderingen
### Paragraaf 3.3. Te verstrekken gegevens
### Paragraaf 3.4. Af te leggen verklaringen
### Paragraaf 3.4.1. Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid (model 2.30a HRWN)
### Paragraaf 3.5.5. (overige) over te leggen documenten
### Paragraaf 3.7.1. Beoordeling bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid (bij verzoeken om naturalisatie ingediend op of ná 1 maart 2009)
### Paragraaf 3.11. Bezwaar
### Paragraaf 3.12. (hoger) beroep
### Paragraaf 3.13.1. De oproeping
### Paragraaf 3.13.2. De uitreiking/naturalisatieceremonie
### Paragraaf 3.13.3. Andere wijze van bekendmaking dan uitreiking en de termijn ([artikel 5, vijfde lid, RVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013506&artikel=5))
### Paragraaf 3.13.4. Afleggen verklaring van verbondenheid
### Paragraaf 3.13.5. Zwaarwegende redenen ([artikel 60b, zesde lid BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60b)) en niet (mondeling) afleggen verklaring van verbondenheid
### Paragraaf 3.13.5.2. Mondeling afleggen verklaring van verbondenheid en uitzonderingen
### Paragraaf 1. Fictieve toets bij buiten het Koninkrijk ingediende verzoeken ([artikel 8.1.b jo. lid 2, paragraaf 3.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099¶graaf=3.8))
### Paragraaf 2.2. Vrijstelling van het examen ([paragraaf 2.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099¶graaf=2.2))
### Paragraaf 1.2. Toelichting Geen vereiste van toelating en hoofdverblijf (Toelichting ad [artikel 11, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11))
Samengevat gelden voor het in deze bepaling bedoelde kind de volgende voorwaarden:
Hierbij is voor een deel aangesloten bij het begrip ‘feitelijk behoren tot het gezin’, zoals dat in de het vreemdelingenbeleid wordt gehanteerd.
### 3. Modellen behorend bij optieverklaringen in het buitenland en naturalisatieverzoeken vanuit het buitenland
### Paragraaf 2.4.2.3. Naamsvaststelling en naamskeuze bij optie
### Paragraaf 2.9.2.2. Bezwaarschrift tegen weigering medeverkrijging Nederlanderschap door kind gegrond
### Paragraaf 2.10. (hoger) beroep
### Paragraaf 2.11. Verhuizing van de optant tijdens de procedure
### Paragraaf 2.12.1. De oproeping
### Paragraaf 2.12.5.1. Zwaarwegende redenen om niet op een naturalisatieceremonie te verschijnen
### Paragraaf 2.12.5.2. Mondeling afleggen verklaring van verbondenheid en uitzonderingen
### Paragraaf 2.12.6. Procedurele aspecten na uitreiking
### Artikel 7
### Paragraaf 3.2.5. Uitsluitend schriftelijk verzoek
### Paragraaf 3.4.1. Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid (model 2.30a HRWN)
### Paragraaf 3.5.2. Buitenlandse akten (van de burgerlijke stand)
### Paragraaf 3.8.1. Onderzoek juistheid verstrekte persoonsgegevens
### Paragraaf 3.9. Uitbrengen advies
### Paragraaf 3.13. Naturalisatieceremonie
### Paragraaf 3.13.1. De oproeping
### Paragraaf 3.13.2. De uitreiking/naturalisatieceremonie
### Paragraaf 3.13.5.1. Zwaarwegende redenen om niet op een naturalisatieceremonie te verschijnen
### Paragraaf 3.13.5.2. Mondeling afleggen verklaring van verbondenheid en uitzonderingen
### Paragraaf 1. Fictieve toets bij buiten het Koninkrijk ingediende verzoeken ([artikel 8.1.b jo. lid 2, paragraaf 3.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099¶graaf=3.8))
Samengevat gelden voor het in deze bepaling bedoelde kind de volgende voorwaarden:
Hierbij is voor een deel aangesloten bij het begrip ‘feitelijk behoren tot het gezin’, zoals dat in de het vreemdelingenbeleid wordt gehanteerd.
### 3. Modellen behorend bij optieverklaringen in het buitenland en naturalisatieverzoeken vanuit het buitenland
### Paragraaf 2.11. Verhuizing van de optant tijdens de procedure
### Paragraaf 2.12. Naturalisatieceremonie
### Paragraaf 2.12.1. De oproeping
### Paragraaf 2.12.2. De uitreiking/naturalisatieceremonie
### Paragraaf 2.12.5.2. Mondeling afleggen verklaring van verbondenheid en uitzonderingen
### Paragraaf 2.12.6. Procedurele aspecten na uitreiking
Met ingang van 1 maart 2009 is de bereidheid om bij verkrijging van het Nederlanderschap een verklaring van verbondenheid af te leggen een nieuwe voorwaarde voor de verkrijging van het Nederlanderschap. In de regel moet tijdens de naturalisatieceremonie de naturalisandus die de bereidverklaring gegeven heeft, de verklaring van verbondenheid afleggen voordat hem het uittreksel uit het besluit tot verlening van het Nederlanderschap wordt uitgereikt. Zie ook toelichting bij [artikel 60b, derde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60b) en [artikel 2, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2), [artikel 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6), [artikel 8, eerste lid, onder e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8), [artikel 11 vierde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11), [artikel 23](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=23), [artikel 26](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=26) en [artikel 28 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=28).
### Paragraaf 3.4.1. Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid (model 2.30a HRWN)
### Paragraaf 3.5.6. Bewijsnood
### Paragraaf 3.11. Bezwaar
### Paragraaf 3.13. Naturalisatieceremonie
### Paragraaf 3.13.1. De oproeping
### Paragraaf 3.13.2. De uitreiking/naturalisatieceremonie
### Paragraaf 3.13.5.1. Zwaarwegende redenen om niet op een naturalisatieceremonie te verschijnen
### Paragraaf 3.13.5.2. Mondeling afleggen verklaring van verbondenheid en uitzonderingen
### Paragraaf 3.13.6. Procedurele aspecten na uitreiking
### Paragraaf 1.2. Toelichting Geen vereiste van toelating en hoofdverblijf (Toelichting ad [artikel 11, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11))
Hierbij is voor een deel aangesloten bij het begrip ‘feitelijk behoren tot het gezin’, zoals dat in de het vreemdelingenbeleid wordt gehanteerd.
### 3. Modellen behorend bij optieverklaringen in het buitenland en naturalisatieverzoeken vanuit het buitenland
Vervallen.
Vervallen.
### Paragraaf 1.2. Toelichting Geen vereiste van toelating en hoofdverblijf (Toelichting ad [artikel 11, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11))
Hierbij is voor een deel aangesloten bij het begrip ‘feitelijk behoren tot het gezin’, zoals dat in de het vreemdelingenbeleid wordt gehanteerd.
### 3. Modellen behorend bij optieverklaringen in het buitenland en naturalisatieverzoeken vanuit het buitenland
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
### Paragraaf 2.12.5. Zwaarwegende redenen ([artikel 60a, zesde lid BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60a)) en niet (mondeling) afleggen verklaring van verbondenheid
### Paragraaf 2.12.5.2. Mondeling afleggen verklaring van verbondenheid en uitzonderingen
### Paragraaf 3.4.1. Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid (model 2.30a HRWN)
### Paragraaf 3.7.4. Buitenbehandelingstelling
### Paragraaf 3.8.3. Verhuizing tijdens de adviesfase
### Paragraaf 3.13.2. De uitreiking/naturalisatieceremonie
### Paragraaf 3.13.4. Afleggen verklaring van verbondenheid
### Paragraaf 3.13.5. Zwaarwegende redenen ([artikel 60b, zesde lid BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60b)) en niet (mondeling) afleggen verklaring van verbondenheid
### Paragraaf 3.13.5.2. Mondeling afleggen verklaring van verbondenheid en uitzonderingen
### Artikel 11-2. jo. lid 3 jo. lid 6
### Paragraaf 1.1. Toelichting Openbare orde (Toelichting ad [artikel 11, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11))
### Paragraaf 1.2. Toelichting Geen vereiste van toelating en hoofdverblijf (Toelichting ad [artikel 11, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11))
### 3. Modellen behorend bij optieverklaringen in het buitenland en naturalisatieverzoeken vanuit het buitenland
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
### Paragraaf 2.2.4.2. Waarheidsverklaring
### Paragraaf 2.2.5.1. Algemeen
### Paragraaf 2.4.2.1. Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid (bij optieverklaringen afgelegd op of ná 1 maart 2009)
### Paragraaf 2.10. (hoger) beroep
### Paragraaf 2.12.2. De uitreiking/naturalisatieceremonie
### Paragraaf 2.12.5. Zwaarwegende redenen ([artikel 60a, zesde lid BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60a)) en niet (mondeling) afleggen verklaring van verbondenheid
### Paragraaf 2.12.5.2. Mondeling afleggen verklaring van verbondenheid en uitzonderingen
### Paragraaf 3.2.5. Uitsluitend schriftelijk verzoek
### Paragraaf 3.4.1. Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid (model 2.30a HRWN)
### Paragraaf 3.13.5. Zwaarwegende redenen ([artikel 60b, zesde lid BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60b)) en niet (mondeling) afleggen verklaring van verbondenheid
### Paragraaf 3.13.5.2. Mondeling afleggen verklaring van verbondenheid en uitzonderingen
### Artikel 8.1.b. jo. c. jo. d. jo. e. jo. lid 2
### 3. Modellen behorend bij optieverklaringen in het buitenland en naturalisatieverzoeken vanuit het buitenland
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Voor de behandeling van optieverklaringen en verzoeken om naturalisatie in het buitenland is het van belang dat de buitenlandse documenten of akten die overgelegd worden gelegaliseerd zijn en zonodig inhoudelijk geverifieerd volgens de thans geldende legalisatiecirculaire van de Minister van Justitie.
**Circulaire Buitenland**
### Paragraaf 1.1. wettekst artikel 6, tweede lid
### Paragraaf 1.2. algemeen
**Uitzonderingen** (zie ook de toelichting bij artikel 6, derde lid, paragraaf 21.3.12.5.2, HRWN).
**Niet uitreiken bij niet verschijnen of weigering afleggen verklaring van verbondenheid (artikel 60a, derde lid, BVVN en de toelichting bij artikel 6, derde lid, paragraaf 21.3.12.5, HRWN)**
Wordt de toezegging een verklaring van verbondenheid af te leggen niet nagekomen en is geen ontheffing van het mondeling of schriftelijk afleggen verleend, dan zal de optiebevestiging niet worden uitgereikt en het Nederlanderschap niet worden verkregen. Immers, pas door de bekendmaking wordt iemand Nederlander.
### Paragraaf 2. toelichting bij artikel 6, derde lid
### Paragraaf 2.1. wettekst artikel 6, derde lid
### Paragraaf 2.2. algemeen
In artikel 21 RWN is bepaald dat bij algemene maatregel van rijksbestuur de autoriteiten en ambtenaren worden aangewezen die bevoegd zijn tot het in ontvangst nemen van optieverklaringen tot verkrijging van het Nederlanderschap. Voorts is bepaald dat bij algemene maatregel van rijksbestuur nadere voorschriften gesteld kunnen worden betreffende de wijze van inontvangstneming van de verklaringen en de bevestigingen van de verkrijging van het Nederlanderschap, alsmede betreffende de verdere administratieve behandeling van de verkrijging van het Nederlanderschap. In het BVVN zijn deze voorschriften opgenomen en vorenbedoelde autoriteiten en ambtenaren aangewezen. In artikel 2, aanhef en onder d, BVVN is bepaald dat in het buitenland de Minister van Buitenlandse Zaken bevoegd is tot het in ontvangst nemen van optieverklaringen ter verkrijging van het Nederlanderschap.
De vormvoorschriften, procedurele vereisten en administratieve behandeling van de verklaringen zijn voor het buitenland beschreven in de artikelen 25 tot en met 30 BVVN. In de hierna opgenomen procedurebeschrijving is de volgorde van het BVVN aangehouden.
### Paragraaf 2.3. procedure
Het afleggen van een optieverklaring zal worden voorafgegaan door informatieverstrekking aan de aspirant-optant door het tot het in ontvangst nemen van de verklaring bevoegde Minister van Buitenlandse Zaken. Voor een deel zal daarbij gebruik kunnen worden gemaakt van IND-brochures of een verwijzing naar het internet. Verder kan in deze fase aan de aspirant-optant bijvoorbeeld opgave worden gedaan van de bij het afleggen van de optieverklaring te verstrekken gegevens en over te leggen documenten. De Minister van Buitenlandse Zaken informeert de aspirant-optant over zijn verplichting om, als onderdeel van de verkrijging van het Nederlanderschap, een verklaring van verbondenheid af te leggen. De optant wordt erop attent gemaakt dat hij de verklaring van verbondenheid, in beginsel op een naturalisatieceremonie, zal moeten afleggen en dat de optiebevestiging niet eerder bekend wordt gemaakt, dan nadat de verklaring van verbondenheid daadwerkelijk is afgelegd. Ook kan de aspirant-optant erop worden gewezen dat de eventuele optiebevestiging als regel door uitreiking in persoon tijdens een ceremoniële bijeenkomst in werking treedt. Indien al onmiddellijk blijkt dat niet wordt voldaan aan de vereisten voor optie, kan de betrokkene worden gewezen op de eventuele mogelijkheid en voorwaarden voor verlening van de Nederlandse nationaliteit door naturalisatie.
Indien de optant zich bij de Minister van Buitenlandse Zaken vervoegt om een optieverklaring af te leggen, ligt het in de rede eerst te onderzoeken of de optant alle voor de aanvraag benodigde documenten heeft verzameld, geld bij zich heeft om de optiegelden te betalen en voor zover mogelijk te toetsen of aan de voorwaarden voor optie wordt voldaan. Indien een optant (nog) niet aan de voorwaarden voor verkrijging van het Nederlanderschap voldoet, of indien hij (nog) niet in staat is de benodigde documenten over te leggen, wordt hem ontraden een verklaring af te leggen. Indien de optant er niettemin op staat een verklaring af te leggen, ondanks het feit dat hij (nog) niet aan de voorwaarden voor bevestiging van de verklaring voldoet, dient de Minister van Buitenlandse Zaken de verklaring in ontvangst te nemen.
### Paragraaf 2.3.2. afleggen van de optieverklaring
### Paragraaf 2.3.2.1. vormvereisten: afleggen in persoon
### Paragraaf 2.3.2.1.2. minderjarige optant
Ingevolge artikel 2, vierde lid, RWN wordt een kind van 12 jaar of ouder op zijn verzoek in de gelegenheid gesteld om een zienswijze omtrent de verkrijging naar voren te brengen. Bij een minderjarige optant van 12 tot 16 jaar is niet voorgeschreven dat het in persoon verschijnt om een zienswijze naar voren te brengen omtrent de verkrijging van het Nederlanderschap.
### Paragraaf 2.3.2.1.3. kinderen van de optant
Ingevolge artikel 2, vierde lid, RWN wordt een kind van 12 jaar of ouder op zijn verzoek in de gelegenheid gesteld om een zienswijze omtrent de medeverkrijging naar voren te brengen.
Hebben kinderen de leeftijd van 16 jaar bereikt, dan is verschijning in persoon voorgeschreven om een instemmingsverklaring af te geven (model 1.2a, zie ook model 1.21a) (artikel 6, derde lid, BVVN). Zij dienen zich – zoveel mogelijk – met een geldig buitenlands reisdocument te legitimeren. Van verschijning in persoon kan slechts om zwaarwegende redenen worden afgeweken (zie toelichting bij artikel 2, tweede en vierde lid, RWN).
### Paragraaf 2.3.2.1.4. wettelijk vertegenwoordiger/andere ouder
### Paragraaf 2.3.2.3. te verstrekken gegevens
### Paragraaf 2.3.2.4. af te leggen verklaringen
### Paragraaf 2.3.2.4.1. bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid (model 1.36a HRWN)
### Paragraaf 2.3.10. (hoger) beroep
### Paragraaf 2.3.12.6.1. zwaarwegende redenen om niet op een naturalisatieceremonie te verschijnen
### Paragraaf 2.3.3. te verstrekken gegevens
### Paragraaf 2.3.11. bezwaar
### Paragraaf 2.3.13.6. zwaarwegende redenen (artikel 60b, zesde lid BVVN) en niet (mondeling) afleggen verklaring van verbondenheid
### Paragraaf 3.4. toelichting bij artikel 8., tweede lid (drie jaar onafgebroken huwelijk (geregistreerd partnerschap) en samenwoning met een Nederlander)
### Paragraaf 4. toelichting bij artikel artikel 11, tweede, derde en zesde lid
### Paragraaf 4.1. wettekst artikel 11, tweede, derde en zesde lid
### Paragraaf 4.3. toelichting bij artikel 11, zesde lid (toelichting ‘geen vereiste van toelating en hoofdverblijf’)
Op grond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder c, RWN wordt een verzoek om naturalisatie van een vreemdeling als bedoeld in artikel 8, tweede lid, RWN afgewezen, indien hij zijn hoofdverblijf heeft in het land waarvan hij onderdaan is. In artikel 11, zesde lid, RWN is opgenomen dat deze afwijzingsgrond eveneens geldt voor de mee te naturaliseren kinderen van die persoon (zie ook de toelichting bij artikel 9, eerste lid, aanhef en onder c, RWN).
Samengevat gelden voor het in deze bepaling bedoelde kind de volgende voorwaarden:
Hierbij is voor een deel aangesloten bij het begrip ‘feitelijk behoren tot het gezin’, zoals dat in de het vreemdelingenbeleid wordt gehanteerd.
### 4. Modellen behorend bij optieverklaringen in het buitenland en naturalisatieverzoeken vanuit het buitenland
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
2009-03-02
Circulaire voor Optie/Naturalisatieverzoeken in het buitenland — ver
original version
Tekst op deze datum