← Geldende tekst · Geschiedenis

Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 16 september 2010, nr. AV/PB/2010/18205, tot wijziging van de Regeling Pensioenwet BES

Geldende tekst a fecha 2012-07-01

Paragraaf 1. Aanmelding fonds

Artikel 1. Aanmelding pensioenfonds

Het bestuur van een pensioenfonds meldt de oprichting van het pensioenfonds overeenkomstig artikel 4 van de wet door middel van het formulier dat als bijlage 1 bij deze regeling is gevoegd.

Paragraaf 2. Toetsing betrouwbaarheid beleidsbepalers

Artikel 2. Betrouwbaarheid

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

Artikel 3. Betrouwbaarheidstoetsing

De betrouwbaarheidstoetsing:

Artikel 4. Frequentie toetsing

De toetsing van betrouwbaarheid van de betrokkenen geschiedt om de drie jaar en wanneer de Bank dit noodzakelijk acht, onder meer:

Artikel 5. Onverenigbaarheid van belangen
1.

Gelet op aard en de ernst van de misdrijven genoemd in bijlage 2.A.2, worden de aan die misdrijven ten grondslag liggende gedragingen op voorhand geacht onverenigbaar te zijn met de belangen die de wet beoogt te beschermen.

2.

Indien de antecedenten van de betrokkene kunnen worden gekwalificeerd als feiten en omstandigheden in de zin van zowel bijlage 2.A.1 als bijlage 2.A.2, dan geldt het bepaalde van het eerste lid, tenzij sedert de dag waarop deze uitspraak onherroepelijk is geworden acht jaren of meer zijn verstreken.

Paragraaf 3. Continuïteitsanalyse

Artikel 6. Continuïteitsanalyse
1.

Het inzicht dat de continuïteitsanalyse biedt in de mate waarin de voorwaardelijke toeslagverlening kan worden toegekend, wordt aangegeven door de cumulatieve toekenning over de 15 prognosejaren op jaarbasis uit te drukken.

2.

Bij de continuïteitsanalyse worden kalenderjaren gehanteerd, tenzij sprake is van een continuïteitsanalyse op grond van artikel 12, tweede lid, van het Besluit Pensioenwet BES. In dat geval worden actuele data gebruikt.

3.

Het pensioenfonds geeft aan waarin een continuïteitsanalyse afwijkt van een eerder uitgevoerde continuïteitsanalyse.

Paragraaf 4. Afkoop kleine pensioenen bij ingang

Artikel 7. Hoogte bedrag en consumentenprijsindexcijfer
1.

Het bedrag, bedoeld in artikel 7b, eerste lid, van de wet, wordt vastgesteld op 1446.55 USD.

2.

Het consumentenprijsindexcijfer dat door het Centraal Bureau voor de Statistiek is vastgesteld voor Bonaire voor het jaar 2012 wordt aangewezen als consumentenprijsindexcijfer, bedoeld in artikel 7b, derde lid, van de wet.

Artikel 8. Uitzondering op afkoop

De afkoop van een pensioen, bedoeld in artikel 7b, eerste lid, van de wet, is niet mogelijk:

Paragraaf 5. Waardeoverdracht

Artikel 9. Definities
1.

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

Artikel 10. Procedure met betrekking tot overdragende pensioenuitvoerder
1.

De gewezen deelnemer kan uiterlijk tot twee jaar na beëindiging van de deelneming een verzoek tot waardeoverdracht doen bij de overdragende pensioenuitvoerder.

2.

Bij het verzoek legt de gewezen deelnemer een schriftelijke verklaring van de ontvangende pensioenuitvoerder over waarin deze verklaart bereid te zijn mee te werken aan de waardeoverdracht.

3.

De overdragende pensioenuitvoerder verstrekt binnen twee maanden na ontvangst van het in het eerste lid bedoelde verzoek aan de gewezen deelnemer een schriftelijke gedagtekende opgave van de overdrachtswaarde en de daaraan ten grondslag liggende gegevens, waaronder:

4.

De waardeoverdracht kan plaatsvinden nadat de gewezen deelnemer schriftelijk heeft ingestemd met de in het derde lid bedoelde opgave.

5.

Indien de gewezen deelnemer niet binnen zes maanden na dagtekening van de opgave of, indien hij tegen die opgave bezwaar heeft gemaakt of beroep heeft aangetekend, binnen zes maanden nadat die opgave in rechte onaantastbaar is geworden, schriftelijk met de opgave heeft ingestemd, wordt het verzoek geacht te zijn ingetrokken.

Artikel 11. Procedure met betrekking tot ontvangende pensioenuitvoerder

De ontvangende pensioenuitvoerder kan de overdrachtswaarde in ontvangst nemen wanneer aan de volgende voorwaarden is voldaan:

Artikel 12. Realisatie waardeoverdracht
1.

De overdragende pensioenuitvoerder draagt de overdrachtswaarde over aan de ontvangende pensioenuitvoerder binnen drie maanden na ontvangst van het in artikel 11, onderdeel c, bedoelde verzoek.

2.

Door de overdracht vervallen de pensioenaanspraken van de gewezen deelnemer jegens de overdragende pensioenuitvoerder.

Artikel 13. Bepaling omvang overdrachtswaarde
1.

De overdrachtswaarde heeft uitsluitend betrekking op aanspraken op ouderdoms-, weduwen- en weduwnaarspensioen en bijzonder weduwen- en weduwnaarspensioen.

2.

Voor de bepaling van de omvang van de overdrachtswaarde wordt uitgegaan van de bedragen die gelden op de datum waarop het verzoek tot overdracht of overname van de overdrachtswaarde door de pensioenuitvoerder is ontvangen. Wanneer het verzoek is ontvangen voor de datum waarop betrokkene deelnemer is geworden, dan wel zijn deelnemerschap is geëindigd, treedt de datum van indiensttreding of van beëindiging van het deelnemerschap in de plaats van de datum, bedoeld in de eerste volzin.

Artikel 14. Berekening contante waarde
1.

Bij overdracht of overname van de overdrachtswaarde wordt uitgegaan van de contante-waardefactoren, die het bestuur, na overleg met de Bank, heeft vastgesteld ter berekening van de contante waarden van:

2.

De contante-waardefactoren, bedoeld in het eerste lid, worden vastgesteld met toepassing van de rekenrente van de laatstelijk samengestelde actuariële balans van het fonds. De sterftekansen worden ontleend aan de door het Actuarieel Genootschap gepubliceerde sterftetafels die toegepast zijn bij de laatstelijk samengestelde actuariële balans.

Artikel 15. Rentestandskorting
1.

Indien de overdragende pensioenuitvoerder een rentestandskorting toepast, wordt de over te dragen overdrachtswaarde vermenigvuldigd met de factor (100 - X ) : 100, waarin X de waarde van de bedoelde rentestandskorting voorstelt.

2.

Indien ontvangende pensioenuitvoerder een rentestandskorting toepast, wordt voor de toepassing van artikel 16 het bedrag van de beschikbaar gestelde overdrachtswaarde vermenigvuldigd met de factor 100 : ( 100 - X ), waarin X de waarde van de bedoelde rentestandskorting voorstelt.

Artikel 16. Berekening deelnemingsjaren
1.

De ontvangende pensioenuitvoerder berekent fictieve deelnemingsjaren gelijk aan W: CWP, waarin:

W = het bedrag van de beschikbaar gestelde overdrachtswaarde, na toepassing van artikel 15, tweede lid; en

CWP = de contante waarde van het ouderdomspensioen per dienstjaar, vastgesteld met gebruikmaking van de contante-waardefactoren, bedoeld in artikel 14.

Tevens omvat CWP voor alle deelnemers de contante waarde van het weduwen- en weduwnaarspensioen per dienstjaar.

2.

Voor de toepassing van het eerste lid wordt gebruik gemaakt van het inkomen op de datum, bedoeld in artikel 13, tweede lid.

3.

De fictieve deelnemingsjaren, bedoeld in het eerste lid, worden door de ontvangende pensioenuitvoerder behandeld alsof zij zijn opgebouwd in de pensioenovereenkomst met de nieuwe werkgever.

Artikel 17. Bijzondere gevallen
1.

Voor groepen van gevallen waarin toepassing van deze paragraaf tot een naar het oordeel van de betrokken pensioenuitvoerders onredelijke uitkomst leidt, zijn de pensioenuitvoerders gezamenlijk dan wel individueel bevoegd ten gunste van belanghebbenden een regeling te treffen die met de strekking van deze paragraaf overeenkomt.

2.

Van de in het eerste lid bedoelde regeling wordt een afschrift gezonden aan de Algemene Rekenkamer en aan de Bank.

Paragraaf 6. Consistentie

Artikel 18. Consistentie
1.

Voor de toepassing van artikel 7f, eerste lid, van de wet wordt verstaan onder:

2.

Consistentie als bedoeld in artikel 7f, eerste lid, van de wet, bestaat voor een pensioenfonds indien:

3.

Indien uitgaande van het vereist eigen vermogen van het pensioenfonds niet aan de in het tweede lid, onderdeel a, bedoelde voorwaarde wordt voldaan, bestaat consistentie als bedoeld in artikel 7f, eerste lid, van de wet indien:

4.

De Bank kan op verzoek van een pensioenfonds toestaan dat onderdeel b van het tweede of derde lid niet wordt toegepast, dan wel dat voor de continuïteitsanalyse, bedoeld in die onderdelen, mag worden uitgegaan van een hogere dekkingsgraad dan de technische voorzieningen.

5.

Consistentie als bedoeld in artikel 7f, eerste lid, van de wet, bestaat voor een door een verzekeraar uitgevoerde pensioenregeling indien op basis van een berekening met het rekeninstrument voor verzekeraars over een periode van 15 jaar een toeslagverlening wordt verwacht die in voldoende mate aansluit bij de gewekte verwachtingen.

Paragraaf 7. Vaststelling vereist eigen vermogen

Artikel 19. Standaardmodel

Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden

Artikel 20. Correlaties

Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden

Artikel 21. Risicoprofiel

Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden

Artikel 22. Vereenvoudigd model

Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden

Artikel 23. Intern model

Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden

Artikel 24. Overgangsregeling

Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden

Paragraaf 8. Begroting, jaarverslag, verantwoording van de Bank

Artikel 25. Indienen van de begroting
1.

De begroting, bedoeld in artikel 23 van de wet, is voorzien van:

Artikel 26. Eisen aan de begroting
1.

De begroting legt een koppeling tussen:

2.

De begroting dient zodanig te zijn ingericht dat:

Artikel 27. Eisen aan de toelichting bij de begroting
1.

De toelichting bij de begroting bevat een financieel en een beleidsmatig deel en een toelichting per begrotingsartikel.

2.

De toelichting bij het financiële deel van de begroting gaat in op:

3.

De toelichting bij het beleidsmatige deel van de begroting gaat in op:

Artikel 28. Eisen aan de gewijzigde of aanvullende begroting

Op de gewijzigde of aanvullende begroting, bedoeld in artikel 154, vierde lid, van de Pensioenwet, dat op grond van artikel 23 van de wet van overeenkomstige toepassing is, zijn de artikelen 25 tot en met 27 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 29. Indienen van jaarverslag en verantwoording
1.

De Bank zendt het jaarverslag en de verantwoording, bedoeld in artikel 23 van de wet, gelijktijdig aan de minister.

2.

De verantwoording gaat vergezeld van de bevindingen van de raad van commissarissen.

Artikel 30. Eisen aan verantwoording
1.

De verantwoording legt een koppeling met de begroting en volgt de systematiek van de begroting. Artikel 26 is van overeenkomstige toepassing. Afwijkingen van de begroting worden toegelicht.

2.

De verantwoording bevat een vergelijking met de realisatie, opgenomen in de verantwoording van het voorafgaande jaar, en de begroting van het jaar waarop de verantwoording betrekking heeft.

Artikel 31. Eisen aan het jaarverslag
1.

In het jaarverslag doet de Bank verslag van:

2.

Artikel 27, derde lid, is van overeenkomstige toepassing op het jaarverslag.

Artikel 32. Bevindingen

De raad van commissarissen vermeldt in zijn bevindingen of:

Paragraaf 9. Kosten

Artikel 33. Vaststelling verschuldigd bedrag kosten
1.

De minimumbedragen, bedoeld in artikel 42, tweede lid, onderdeel a, van het Besluit Pensioenwet BES bedragen voor het:

2.

De maatstaven, bedoeld in artikel 42, tweede lid, onderdeel b, van het Besluit Pensioenwet BES, bedragen voor het:

3.

De maximummaatstaven, bedoeld in artikel 42, tweede lid, onderdeel c, van het Besluit Pensioenwet BES, bedragen voor het:

4.

De tarieven, bedoeld in artikel 42, tweede lid, onderdeel d, van het Besluit Pensioenwet BES, bedragen voor het heffingsjaar 2010 voor:

Artikel 34. Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als Regeling Pensioenwet BES.

Bijlage 1. behorend bij paragraaf 1

Formulier pensioenfonds als bedoeld in artikel 4, tweede lid, Pensioenwet BES

1. Algemene gegevens
a. Bedrijfstakpensioenfonds of ondernemingspensioenfonds?
b. naam
postadres
bezoekadres
telefoon
Fax
e-mail
Inschrijfnummer Kamer van Koophandel en Nijverheid
Administrateur/contactpersoon
c. bij bedrijfstakpensioenfondsen: Ten behoeve van welke bedrijftak of gedeelte daarvan werkt het fonds?
bij ondernemingspensioenfondsen: Naam van de onderneming of instelling waaraan het fonds is verbonden.
d. Aantal werknemers dat als deelnemers is opgenomen
e. Aantal ondernemingen dat bij het fonds is aangesloten
2. Financiële structuur van het fonds
a. Worden de pensioenverplichtingen (bijvoorbeeld ouderdomspensioen, nabestaandenpensioen en arbeidsongeschikteheidspensioen) herverzekerd? O ja O nee
Zo ja, welke?
b. Worden overlijdensrisico’s herverzekerd? O ja O nee
c. Worden arbeidsongeschiktheidsrisico’s herverzekerd? O ja O nee
3. Externe adviseurs naam van de externe deskundige
Naam van de actuaris
4. Beleidsbepalers (artikel 5a Pensioenwet BES)
a. naam en functie van bestuursleden en andere personen die het beleid van het fonds (mede) bepalen
Naam functie
4b. Naam en functie van de personen die het dagelijks beleid bepalen
Naam functie
5. Ondertekening
Namens het bestuur van het fonds
datum
plaats
Voorzitter
Naam
handtekening
secretaris
Naam
handtekening

Bijlage 2. behorend bij paragraaf 2

Bijlage 2.A.1:. Strafrechtelijke antecedenten als bedoeld in artikel 2, onderdeel c, en artikel 5, tweede lid

Onder strafrechtelijke antecedenten worden in ieder geval verstaan:

De betrokkene is bij rechterlijke uitspraak veroordeeld ter zake van poging tot, voorbereiding van, doen plegen van, uitlokken van medeplegen van en/of medeplichtigheid aan een of meer van de hieronder opgesomde strafbare feiten uit:

Onder veroordelingen wordt ook verstaan veroordelingen in het buitenland wegens overtreding van een of meer daar geldende strafbepalingen vergelijkbaar met de hiervoor genoemde.

De betrokkene heeft een vrijwillige betaling als bedoeld in artikel 76 van het Wetboek van Strafrecht BES gedaan ter zake van een of meer van de hiervoor onder 1 genoemde strafbare feiten.

Onder transacties wordt ook verstaan in het buitenland met de terzake bevoegde autoriteiten ter zake van overtreding van een of meer daar geldende strafbepalingen vergelijkbaar met de hiervoor genoemde.

De betrokkene wordt terzake van een of meer van de hiervoor onder 1 genoemde strafbare feiten niet of niet verder vervolgd, dan wel vrijgesproken of ontslagen van rechtsvervolging.

Onder voorwaardelijke of onvoorwaardelijk sepot, niet verdere vervolging, vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging wordt ook verstaan soortgelijke uitspraken en maatregelen buiten de openbare lichamen ter zake van overtreding van een of meer daar geldende strafbepalingen vergelijkbaar met de hiervoor genoemde.

Bijlage 2.A.2:. Strafrechtelijke antecedenten als bedoeld in artikel 2, onderdeel c, en artikel 5, eerste en tweede lid

Veroordelingen binnen of buiten de openbare lichamen

De betrokkene is bij onherroepelijke rechterlijke uitspraak veroordeeld voor (poging tot, voorbereiding van, doen plegen van, uitlokken van en/of medeplichtigheid aan) een of meer van de hieronder opgesomde strafbare feiten:

Bijlage 2.B:. Financiële antecedenten als bedoeld in artikel 2, onderdeel c

Onder financiële antecedenten, van belang voor de beoordeling van de daaraan ten grondslag liggende gedraging of gedragingen, worden voor de betrokkene in ieder geval verstaan:

Andere feiten of omstandigheden die wijzen op betrokkenheid van betrokkene bij één of meer financiële gedragingen voor zover die redelijkerwijs van belang kunnen zijn voor de beoordeling van diens betrouwbaarheid.

Bijlage 2.C:. Toezichtsantecedenten als bedoeld in artikel 2, onderdeel c

Onder toezichtsantecedenten, van belang voor de beoordeling van de daaraan ten grondslag liggende gedraging of gedragingen, worden in ieder geval voor de betrokkene verstaan:

Bijlage 2.D:. Fiscaal bestuursrechtelijke antecedenten

Onder fiscaal bestuurlijke antecedenten, van belang voor de beoordeling van de daaraan ten grondslag liggende gedraging of gedragingen, worden voor de betrokkene in ieder geval verstaan:

Aan betrokkene is op grond van de Belastingwet BES een straf opgelegd ter zake van één of meer van de hierna genoemde strafbare feiten:

Bijlage 2.E:. Overige antecedenten als bedoeld in artikel 2, onderdeel c

Onder overige antecedenten, van belang voor de beoordeling van de daaraan ten grondslag liggende gedraging(en), worden in ieder geval voor de betrokkene verstaan:

Bijlage 3. behorend bij paragraaf 7

Artikel 1. Rentefactoren voor het bepalen van het vereist eigen vermogen voor renterisico

Artikel 2. Formules en procedure standaardmodel

Het vereist eigen vermogen per risicofactor als bedoeld in artikel 19 wordt als volgt aangeduid:

S1 voor het vereist eigen vermogen voor het renterisico.

S2 voor het vereist eigen vermogen voor het aandelen- en vastgoedrisico.

S3 voor het vereist eigen vermogen voor het valutarisico.

S4 voor het vereist eigen vermogen voor het grondstoffenrisico.

S5 voor het vereist eigen vermogen voor het kredietrisico.

S6 voor het vereist eigen vermogen voor het verzekeringstechnische risico.

S7 voor het vereist eigen vermogen voor het liquiditeitsrisico.

S8 voor het vereist eigen vermogen voor het concentratierisico.

S9 voor het vereist eigen vermogen voor het operationeel risico.

Het vereist eigen vermogen wordt bepaald aan de hand van de volgende formule en op basis van onderstaande procedure:

• waarbij ρ = 0,50.

Daarbij zal deze formule worden aangepast als aan de risicofactoren S7, S8 en S9 waarden worden toegekend.

Het vereist eigen vermogen van het fonds, als bedoeld in artikel 13c van de wet, wordt bepaald aan de hand van een iteratief proces. Dit proces bestaat uit het herhaald toepassen van het standaardmodel. Het beleggingsbeleid met de bijbehorende beleggingskarakteristieken blijft daarbij gelijk. Het belegde vermogen in de tweede toepassing en in iedere daaropvolgende herhaalde toepassing is gelijk aan het belegde vermogen in de daaraan voorafgaande toepassing minus het aan het eind van de daaraan voorafgaande toepassing bepaalde verschil tussen het eigen vermogen en de uitkomst van de formule. De herhalingsprocedure stopt indien dit verschil niet langer significant is. Dit is doorgaans het geval na twee herhalingen. De uitkomst van de formule is dan gelijk aan het vereist eigen vermogen.

In deze formule komt het vereist vermogen voor het aandelen- en vastgoedrisico S 2 als volgt tot stand. In is bepaald dat in het standaardmodel bij de aggregatie van het vereist eigen vermogen voor respectievelijk aandelen ontwikkelde markten en indirect vastgoed (S 2A ), aandelen opkomende markten (S 2B ), niet-beursgenoteerde aandelen (S 2C ) en direct vastgoed (S 2D ) tot het totale vereist eigen vermogen voor aandelen- en vastgoedrisico (S 2 ) rekening wordt gehouden met de mogelijke statistische samenhang tussen de effecten van de scenario’s. Bij de aggregatie wordt uitgegaan van een uniforme correlatie ρ’ van 0,75. De componenten S 2A tot en met S 2D worden vervolgens gecombineerd tot het totaal vereist eigen vermogen voor aandelen- en vastgoedrisico S 2 aan de hand van de formule:

Waarbij ρ’ = 0,75.