← Geldende tekst · Geschiedenis

Wet van 22 december 2011, houdende regels inzake de volkshuisvesting, de ruimtelijke ordening en het milieubeheer in de openbare lichamen Bonaire, Sint-Eustatius en Saba (Wet volkshuisvesting, ruimtelijke ordening en milieubeheer BES)

Geldende tekst a fecha 2024-04-01

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is in het belang van de volkshuisvesting, de ruimtelijke ordening en de bescherming van het milieu in de openbare lichamen Bonaire, Sint-Eustatius en Saba regels te stellen;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1.1

Deze wet is van toepassing in de openbare lichamen Bonaire, Sint-Eustatius en Saba.

Artikel 1.2
1.

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

2.

In deze wet en de daarop berustende bepalingen worden:

3.

Bij algemene maatregel van bestuur worden categorieën van inrichtingen aangewezen, die nadelige gevolgen voor het milieu kunnen veroorzaken.

4.

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt onder inrichting verstaan een inrichting, behorende tot een categorie die krachtens het derde lid is aangewezen. Daarbij worden als één inrichting beschouwd de tot eenzelfde onderneming of instelling behorende installaties die onderling technische, organisatorische of functionele bindingen hebben en in elkaars onmiddellijke nabijheid zijn gelegen. Onze Minister kan nadere regels stellen met betrekking tot hetgeen in deze wet en de daarop berustende bepalingen onder inrichting wordt verstaan.

5.

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt:

6.

In hoofdstuk 7 en de daarop berustende bepalingen wordt onder bevoegd gezag mede verstaan het bestuursorgaan dat bevoegd is een plan vast te stellen.

Artikel 1.3
1.

Een ieder neemt voldoende zorg voor het milieu in acht.

2.

De zorg, bedoeld in het eerste lid, houdt in ieder geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen voor het milieu kunnen worden veroorzaakt, verplicht is dergelijk handelen achterwege te laten voor zover zulks in redelijkheid kan worden gevergd, dan wel alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd teneinde die gevolgen te voorkomen of, voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken.

Artikel 1.4
1.

Onze Minister stelt in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie en Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap eenmaal in de vijf jaar een milieubeleidsplan voor de openbare lichamen vast dat de hoofdlijnen bevat van het gedurende de planperiode in de openbare lichamen te voeren milieubeleid.

2.

Tot de hoofdlijnen van het beleid behoren in ieder geval:

3.

Het milieubeleidsplan omvat in ieder geval de hoofdlijnen van het beleid ter uitvoering van deze wet met betrekking tot:

4.

Bij de vaststelling van het beleid met betrekking tot afvalstoffen als bedoeld in het derde lid, onderdeel a, houdt Onze Minister:

5.

Onze Minister betrekt bij de voorbereiding van het milieubeleidsplan in ieder geval de bestuurscolleges van de openbare lichamen en de naar zijn oordeel bij de te behandelen onderwerpen meest belanghebbende instellingen en organisaties.

6.

In het milieubeleidsplan wordt rekening gehouden met het natuurbeleidsplan en de natuurplannen, bedoeld in onderscheidenlijk artikel 2, eerste lid, en 9, eerste lid, van de Wet grondslagen natuurbeheer en –bescherming BES alsmede met de ontwikkelingsplannen, bedoeld in artikel 7 van de Wet grondslagen ruimtelijke ontwikkelingsplanning BES.

7.

Zodra het milieubeleidsplan is vastgesteld, doet Onze Minister hiervan mededeling door overlegging van het plan aan de beide kamers der Staten-Generaal en door toezending ervan aan de bestuurscolleges.

8.

Onze Minister maakt de vaststelling bekend in de Staatscourant. Hij geeft hierbij aan op welke wijze kennis kan worden verkregen van de inhoud van het plan.

9.

Het milieubeleidsplan geldt met ingang van een bij besluit van Onze Minister vast te stellen tijdstip.

10.

Het milieubeleidsplan kan worden gewijzigd.

11.

Ieder bestuursorgaan houdt rekening met het geldende milieubeleidsplan bij het uitoefenen van een bevoegdheid krachtens deze wet.

Artikel 1.5
1.

De eilandsraad stelt jaarlijks een milieuprogramma vast. Het programma bevat ten minste de door de eilandsraad en het bestuurscollege in de eerstvolgende vijf jaar te verrichten activiteiten met betrekking tot:

2.

Bij de vaststelling van het milieuprogramma neemt de eilandsraad het milieubeleidsplan, bedoeld in artikel 1.4, in acht.

3.

Bij de vaststelling van het milieuprogramma met betrekking tot afvalstoffen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, houdt de eilandsraad:

4.

Het milieuprogramma wordt voorbereid door het bestuurscollege. Het bestuurscollege legt het ontwerp van het programma voor aan de eilandsraad.

5.

Zodra het milieuprogramma is vastgesteld door de eilandsraad zendt het bestuurscollege het milieuprogramma aan Onze Minister en aan de inspecteur.

6.

Het bestuurscollege maakt de vaststelling bekend in één of meer plaatselijke dagbladen en voorts op de voor publicatie van officiële mededelingen gebruikelijke wijze.

Hoofdstuk 2. Bouwen

Hoofdstuk 3. Huisvesting

Artikel 3.1
1.

De eilandsraad kan in het belang van een evenwichtige en rechtvaardige verdeling van woonruimte een huisvestingsverordening vaststellen.

2.

Indien toepassing wordt gegeven aan het eerste lid:

Artikel 3.2
1.

In de huisvestingsverordening kan de eilandsraad bepalen dat voor een of meer daarbij aangewezen categorieën woonruimte in verband met de aard, grootte of prijs van die woonruimte bij het verlenen van huisvestingsvergunningen voorrang wordt gegeven aan een daarbij aangewezen gedeelte van de overeenkomstig artikel 3.1, tweede lid, onderdeel b, aangewezen categorieën woningzoekenden.

2.

In de huisvestingsverordening kan de eilandsraad bepalen dat voor een of meer daarbij aangewezen categorieën woonruimte bij het verlenen van huisvestingsvergunningen voorrang wordt gegeven aan woningzoekenden waarvoor de voorziening in de behoefte aan woonruimte dringend noodzakelijk is. Hierbij kunnen de criteria voor indeling in urgentiecategorieën worden opgenomen.

3.

In de huisvestingsverordening kan de eilandsraad bepalen dat voor een of meer daarbij aangewezen categorieën woonruimte bij de verlening van huisvestingsvergunningen en bij de uitgifte van bouwkavels voorrang kan worden gegeven aan woningzoekenden die economisch of maatschappelijk aan het eiland gebonden zijn.

4.

Voor de toepassing van het derde lid is een woningzoekende:

Artikel 3.3
1.

De eilandsraad stelt in de huisvestingsverordening regels met betrekking tot:

2.

De eilandsraad kan in de huisvestingsverordening bepalen dat een aanvraag slechts in behandeling wordt genomen, indien de aanvrager aannemelijk kan maken dat hij, indien hij een huisvestingsvergunning voor de in de aanvraag aangegeven woonruimte krijgt, die woonruimte ook daadwerkelijk in gebruik zal kunnen nemen.

Artikel 3.4
1.

Een huisvestingsvergunning wordt verleend indien de aanvrager behoort tot een krachtens artikel 3.1, tweede lid, onderdeel b, aangewezen categorie woningzoekenden.

2.

Indien de woonruimte is aangewezen op grond van artikel 3.2, eerste, tweede of derde lid, kan de huisvestingsvergunning worden geweigerd indien een of meer andere woningzoekenden aan wie op grond van dat artikel voorrang kan worden gegeven in aanmerking wensen te komen voor die woonruimte.

Artikel 3.5
1.

Het is verboden om woonruimte die is aangewezen krachtens artikel 3.1, tweede lid, onderdeel a, voor bewoning in gebruik te nemen zonder vergunning van het bestuurscollege.

2.

Het is verboden om woonruimte die is aangewezen krachtens artikel 3.1, tweede lid, onderdeel a, voor bewoning in gebruik te geven aan een persoon die niet beschikt over een huisvestingsvergunning.

Artikel 3.6

Het bestuurscollege kan een huisvestingsvergunning intrekken, indien:

Hoofdstuk 4. Afvalstoffen

Paragraaf 4.1. Algemeen

Artikel 4.1
1.

Een ieder die handelingen met betrekking tot afvalstoffen verricht of nalaat en die weet of redelijkerwijs had kunnen weten dat daardoor nadelige gevolgen voor het milieu ontstaan of kunnen ontstaan, is verplicht alle maatregelen te nemen of na te laten die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd, teneinde die gevolgen zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken.

2.

Het is een ieder bij wie afvalstoffen ontstaan, verboden handelingen met betrekking tot die afvalstoffen te verrichten of na te laten, waarvan hij weet of redelijkerwijs had kunnen weten dat daardoor nadelige gevolgen voor het milieu ontstaan of kunnen ontstaan.

3.

Het verbod, bedoeld in het tweede lid, geldt niet voor zover het handelingen betreft, die degenen die deze verricht, uitdrukkelijk zijn toegestaan bij of krachtens deze wet.

Artikel 4.2
1.

Het is verboden zich van afvalstoffen te ontdoen door deze, al dan niet in verpakking, buiten een inrichting te storten, anderszins op of in de bodem te brengen of te verbranden.

2.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan, indien het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet, voor daarbij aangegeven categorieën van gevallen vrijstelling worden verleend van het verbod, bedoeld in het eerste lid, en kunnen regels worden gesteld over het zich ontdoen van afvalstoffen voor die categorieën van gevallen.

Artikel 4.3

Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden

Artikel 4.4

Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden

Artikel 4.5

Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden

Artikel 4.6

Het bestuurscollege draagt er zorg voor dat:

Artikel 4.7
1.

De eilandsraad stelt in het belang van de bescherming van het milieu een afvalstoffenverordening vast.

2.

Bij het vaststellen van de afvalstoffenverordening houdt de eilandsraad rekening met de voorkeursvolgorde, bedoeld in artikel 1.5, derde lid, onderdeel a.

3.

De afvalstoffenverordening bevat ten minste regels omtrent:

4.

In afwijking van artikel 4.6, onderdeel a, wijst de eilandsraad in de afvalstoffenverordening categorieën van afvalstoffen aan die:

5.

In afwijking van artikel 4.6, onderdeel a, kan de eilandsraad in het belang van een doelmatig beheer van afvalstoffen in de afvalstoffenverordening voorts bepalen dat:

6.

De eilandsraad stelt nadere regels betreffende het beheer van afvalstoffen als bedoeld in het vierde lid, onderdeel a, b en c.

Artikel 4.8
1.

Onze Minister kan, voor zover dat in het belang van een doelmatig beheer van afvalstoffen noodzakelijk is, aan de eilandsraad een bindende aanwijzing geven met betrekking tot het opnemen in de afvalstoffenverordening van regels als bedoeld in artikel 4.7, vierde lid, onderdelen a, b en c, en zesde lid.

2.

Onze Minister pleegt over een voornemen tot het geven van een aanwijzing overleg met de eilandsraad.

3.

Onze Minister deelt het voornemen, onder vermelding van de redenen daarvoor, mede aan de beide Kamers der Staten-Generaal.

4.

Onze Minister doet van de aanwijzing mededeling in de Staatscourant.

Paragraaf 4.2. Het beheer van gevaarlijke afvalstoffen, ingezamelde of afgegeven afvalstoffen of reststoffen die voortkomen uit de verbranding van afvalstoffen

Paragraaf 4.3. Het grensoverschrijdend overbrengen van afvalstoffen

Paragraaf 4.4. Afvalwater

Artikel 4.25
1.

Het bestuurscollege draagt zorg voor het beheer van afvalwater in gebieden waarin dat doelmatig is.

2.

De verplichting, bedoeld in het eerste lid, geldt niet voor afvalwater vanuit een inrichting dat niet, dan wel uitsluitend na voorafgaande zuivering door of vanwege de exploitant van die inrichting, kan worden verwerkt door een rioolwaterzuiveringsinstallatie of andere zuiveringsinstallatie in beheer bij het openbaar lichaam.

3.

De eilandsraad stelt in het belang van de bescherming van het milieu een afvalwaterverordening vast, waarbij de gebieden, bedoeld in het eerste lid, worden aangewezen en waarbij regels worden gesteld omtrent het aanbieden van afvalwater in verband met het beheer.

Artikel 4.26
1.

Met betrekking tot het lozen van afvalwater voorziet de afvalwaterverordening, bedoeld in artikel 4.25, derde lid, ten minste in:

2.

De afvalwaterverordening kan voorts voorzien in voorwaarden waaronder afvalwater afkomstig van inrichtingen ter inzameling of ter verwerking door een rioolwaterzuiveringsinstallatie of andere zuiveringsinstallatie in beheer bij het openbaar lichaam kan worden aangeboden.

Hoofdstuk 5. Algemene regels en vergunningen

Hoofdstuk 6. Bodem

Hoofdstuk 7. Milieueffectrapportage

Hoofdstuk 8

Paragraaf 5.3. Vergunningen

Paragraaf 8.2. Milieuschade

Artikel 8.3
1.

Indien door een activiteit een onmiddellijke dreiging van milieuschade ontstaat, treft degene die de activiteit verricht onmiddellijk de nodige preventieve maatregelen.

2.

Indien door een activiteit milieuschade ontstaat, treft degene die de activiteit verricht elke haalbare maatregel om de betrokken verontreinigende stoffen of andere schadefactoren onmiddellijk onder controle te houden, in te perken, te verwijderen of anderszins te beheersen, teneinde verdere milieuschade en negatieve effecten op de menselijke gezondheid of verdere aantasting van functies te voorkomen of te beperken.

3.

Indien milieuschade of een onmiddellijke dreiging daarvan ontstaat, meldt degene die de activiteit onderneemt dit voorval zo spoedig mogelijk aan het bestuursorgaan dat bevoegd is tot het verlenen van de vergunning indien het een inrichting betreft die bij of krachtens algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, is aangewezen, dan wel, in andere gevallen, aan het bestuurscollege.

4.

Het bevoegd gezag dat de melding ontvangt, geeft van die melding en de daarbij verstrekte gegevens onverwijld kennis aan de gezaghebber, de inspecteur en andere bestuursorganen of overheidsdiensten die direct belang hebben bij een onverwijlde mededeling.

Artikel 8.4
1.

Degene die een activiteit verricht waardoor milieuschade of een onmiddellijke dreiging daarvan wordt veroorzaakt, draagt de kosten voor de getroffen preventieve of herstelmaatregelen, tenzij hij bewijst dat de milieuschade of de onmiddellijke dreiging daarvan:

2.

In het geval een bestuursorgaan zelf maatregelen treft of de uitvoering daarvan opdraagt aan derden, verhaalt het de kosten op degene die de milieuschade of de dreiging daarvan heeft veroorzaakt.

3.

Het bestuursorgaan, bedoeld in het tweede lid, kan afzien van kostenverhaal indien:

4.

Voor de toepassing van dit artikel wordt onder kosten verstaan: kosten verbonden aan de toepassing van preventieve maatregelen of herstelmaatregelen, met inbegrip van ramingskosten van milieuschade, onmiddellijke dreiging van zulke schade en alternatieve maatregelen, alsook de administratieve, juridische en handhavingskosten, de kosten voor het vergaren van gegevens en andere algemene kosten, en de kosten in verband met monitoring en toezicht.

Paragraaf 4.2. Het beheer van gevaarlijke afvalstoffen, ingezamelde of afgegeven afvalstoffen of reststoffen die voortkomen uit de verbranding van afvalstoffen

Hoofdstuk 9. Stoffen

Hoofdstuk 10. Toezicht, handhaving en strafbepalingen

Afdeling 10.1. Toezicht en handhaving

Artikel 10.1
1.

Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens deze wet bepaalde, zijn belast de bij besluit van Onze Minister aangewezen ambtenaren. Ambtenaren, ressorterende onder een ander dan zijn ministerie, wijst hij niet aan dan in overeenstemming met Onze Minister wie het mede aangaat.

2.

Voor de krachtens het eerste lid aangewezen ambtenaren, ressorterende onder een ander ministerie dan dat van Onze Minister, worden regels betreffende de vervulling van hun in het eerste lid bedoelde taak niet gesteld dan in overeenstemming met Onze Minister wie het mede aangaat.

3.

Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens de betrokken wet bepaalde binnen hun ambtsgebied zijn eveneens belast de bij besluit van het bestuurscollege aangewezen ambtenaren.

4.

Bij een besluit als bedoeld in het eerste lid kan Onze Minister gevallen of categorieën van gevallen aanwijzen met betrekking waartoe, in afwijking van het derde lid, bij zijn besluit aangewezen ambtenaren uitsluitend belast zijn met het toezicht op de naleving.

5.

Van een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.

6.

Onze Minister kan ambtenaren aanwijzen ten behoeve van het toezicht op de uitvoering van de aan het bestuurscollege bij of krachtens deze wet opgedragen taken. Deze ambtenaren beschikken over de bevoegdheden van de artikelen 5:15 tot en met 5:17 van de Algemene wet bestuursrecht, met dien verstande dat in artikel 5.16a van die wet voor «identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht» wordt gelezen: identiteitsdocument als bedoeld in artikel 2 van de Wet identificatieplicht BES. De artikelen 5:12, 5:13 en 5:20, eerste en tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 10.2
1.

Onze Minister heeft tot taak zorg te dragen voor de bestuursrechtelijke handhaving van

2.

Het bestuurscollege heeft tot taak zorg te dragen voor de bestuursrechtelijke handhaving van:

Artikel 10.3
1.

De titels 4.4 en 5.1 tot en met 5.3 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van toepassing op bestuursorganen die tot taak hebben zorg te dragen voor het toezicht op en de bestuursrechtelijke handhaving van het bepaalde bij of krachtens deze wet, met dien verstande dat:

2.

De in het eerste lid, onderdelen b en c, bedoelde bedragen kunnen bij regeling van Onze Minister van Justitie en Veiligheid worden gewijzigd voor zover de consumentenprijsindex daartoe aanleiding geeft.

Artikel 10.4
1.

Onze Minister en het bestuurscollege zijn bevoegd tot het opleggen van een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom in gevallen waarin hen de zorg voor de bestuursrechtelijke handhaving van de betrokken bepalingen is opgedragen.

2.

Een besluit tot oplegging van een last onder bestuursdwang of oplegging van een last onder dwangsom gericht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens hoofdstuk 2, kan mede inhouden dat het bouwen, gebruik of slopen wordt gestaakt dan wel dat voorzieningen worden getroffen, met inbegrip van het slopen van een bouwwerk, gericht op het tegengaan van gevaar voor de gezondheid of veiligheid.

Artikel 10.5

Het bestuursorgaan zendt onverwijld een afschrift van de beschikking tot oplegging van een last onder bestuursdwang, tot oplegging van een last onder dwangsom of tot intrekking van zodanige beschikkingen dan wel van de beschikking tot intrekking van een vergunning of ontheffing aan:

Artikel 10.6
1.

De krachtens artikel 10.1 aangewezen ambtenaren zijn voor de vervulling van hun taak bevoegd, met medeneming van de benodigde apparatuur, een woning of een tot woning bestemd gedeelte van een vaartuig binnen te treden zonder toestemming van de bewoner.

2.

Op het binnentreden, bedoeld in het eerste lid, is Titel X van het Derde Boek van het Wetboek van Strafvordering BES van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van de artikelen 155, vierde lid, 156, tweede lid, 157, tweede en derde lid, 158, eerste lid, met dien verstande dat de zinsnede «en zoveel mogelijk de grond van de verdenking» vervalt, en 160, eerste lid, en met dien verstande dat de machtiging wordt verleend door de gezaghebber.

Artikel 10.7
1.

Het ten aanzien van een vergunning of ontheffing bevoegde gezag kan de vergunning of ontheffing geheel of gedeeltelijk intrekken, indien niet overeenkomstig die vergunning of ontheffing is of wordt gehandeld, dan wel indien aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften of voor de houder van de vergunning of ontheffing als zodanig geldende algemene regels niet worden nageleefd.

2.

Een vergunning of ontheffing, die betrekking heeft op het beheer van gevaarlijke afvalstoffen, dan wel van andere afvalstoffen die van elders afkomstig zijn, kan, voor zover zij het beheer van afvalstoffen betreft, tevens worden ingetrokken, indien op grond van hoofdstuk 4 voor de houder geldende voorschriften niet worden nageleefd.

3.

Het bevoegd gezag gaat niet tot intrekking als bedoeld in het eerste en tweede lid over dan nadat het de betrokkene de gelegenheid heeft geboden om binnen een daartoe te bepalen termijn zijn handelen alsnog in overeenstemming te brengen met de vergunning of ontheffing, onderscheidenlijk de voorschriften of de algemene regels, bedoeld in het eerste of tweede lid.

Artikel 10.8
1.

Een overheidslichaam kan, behoudens matiging door de rechter, de te zijnen laste komende kosten van het beheer van afvalstoffen ten aanzien waarvan in strijd is gehandeld met het bij of krachtens deze wet bepaalde, verhalen op degene door wiens onrechtmatige daad die kosten zijn veroorzaakt, of op degene die anderszins krachtens burgerlijk recht buiten overeenkomst aansprakelijk is voor de gevolgen daarvan.

2.

Een overheidslichaam kan in een geval als bedoeld in het eerste lid, overeenkomstig de regels betreffende ongerechtvaardigde verrijking, de daar bedoelde kosten verhalen op degene die door het beheer van de betrokken afvalstoffen ongerechtvaardigd wordt verrijkt.

3.

Voor de toepassing van dit artikel is niet vereist dat op het tijdstip waarop de in het eerste lid bedoelde handeling met de in dat lid bedoelde afvalstoffen zich heeft voorgedaan, reeds jegens de overheid onrechtmatig werd gehandeld.

Artikel 10.9
1.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen in het belang van een doelmatige handhaving regels worden gesteld.

2.

Bij of krachtens de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid, kunnen in ieder geval regels worden gesteld met betrekking tot een strategische, programmatische en onderling afgestemde uitoefening van de handhavingsbevoegdheden door de bestuursorganen die belast zijn met de bestuursrechtelijke handhaving van het bepaalde bij of krachtens de betrokken wetten en van het toezicht op de naleving door de onder hun gezag werkzame toezichthouders.

3.

Bij of krachtens de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid, kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de afstemming van de werkzaamheden van de bestuursorganen en toezichthouders, bedoeld in het tweede lid, op die van andere organen en ambtenaren, die belast zijn met de handhaving van het bepaalde bij of krachtens de betrokken wetten.

4.

Bij ministeriële regeling van Onze Minister kunnen, in overeenstemming met Onze Minister wie het mede aangaat, nadere regels worden gesteld met betrekking tot het bepaalde bij de maatregel.

Artikel 10.10
1.

Onze Minister is belast met de coördinatie van de uitvoering van het bepaalde krachtens artikel 10.9.

2.

Er wordt regelmatig overleg gevoerd tussen de bestuursorganen die belast zijn met de handhaving en het toezicht over de afstemming van de werkzaamheden. In dat overleg worden in ieder geval afspraken gemaakt over de wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan het bepaalde krachtens artikel 10.9.

Artikel 10.11
1.

Onze Minister kan, indien dat in het belang van een doelmatige handhaving geboden is, in overeenstemming met Onze betrokken Minister, aan het bestuurscollege een aanwijzing geven ter zake van de uitvoering van het bepaalde krachtens artikel 10.9.

2.Bij het geven van een aanwijzing houdt Onze Minister rekening met het geldende milieubeleidsplan, bedoeld in artikel 1.4, en stelt hij een termijn binnen welke gevolg moet zijn gegeven aan de aanwijzing.

3.

Onze Minister pleegt over een voornemen tot het geven van een aanwijzing overleg met het betrokken bestuurscollege.

4.

Onze Minister doet van het besluit, houdende de aanwijzing, mededeling door overlegging van het besluit aan de Staten-Generaal en door plaatsing ervan in de Staatscourant.

5.

Het bestuurscollege doet schriftelijk mededeling aan Onze betrokken Minister van de wijze waarop hij gevolg heeft gegeven aan de aanwijzing.

6.

Indien het bestuurscollege geen gevolg geeft aan een aanwijzing, kan Onze Minister gevolg geven aan de aanwijzing voor rekening van het betrokken openbaar lichaam.

Afdeling 10.2. Strafbepalingen

Artikel 10.12

Een gedraging in strijd met een voorschrift dat is verbonden aan een krachtens deze wet verleende vergunning of ontheffing, is verboden.

Artikel 10.13
1.

Handelen in strijd met de voorschriften of overtreding van de verboden gegeven in de artikelen 4.1, 4.2, 4.3, 4.4, 4.7, 4.9, 4.10, 4.11, 4.13, 4.14, 4.15, 4.24, tweede lid, 4.25, 5.1, eerste en tweede lid, 5.15, 5.16, 5.17, 5.18, 5.19, 5.20, 5.25, 5.26, 5.36, 5.38, 8.3, eerste en tweede lid, 8.5, 8.6, eerste lid, 9.1, 9.2, 9.4 en 10.12 is:

2.

Handelen in strijd met de voorschriften of overtreding van de verboden gegeven in de artikelen 2.1, 2.2, 2.5, 2.6, 5.3, eerste, tweede en derde lid, 5.4, eerste lid, 5.34, 6.1, 6.2, 6.3, 6.4, 6.5, 6.6, 6.7, 6.8, 6.10, zesde lid, 6.12, 6.13, eerste lid, 8.1, 8.2, en 8.3, derde lid, is:

3.

Handelen in strijd met artikel 5.39, eerste lid, is een overtreding en wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste twee maanden of geldboete van de tweede categorie.

4.

Handelen in strijd met de voorschriften of overtreding van de verboden gegeven in de artikelen 5.39, tweede lid, en 5.40, is een overtreding en wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van de derde categorie.

5.

Overtreding van het verbod gegeven in artikel 3.5, eerste lid, is een overtreding en wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van de vierde categorie.

6.

Overtreding van het verbod gegeven in artikel 3.5, tweede lid, is een overtreding en wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste vier maanden of geldboete van de derde categorie.

7.

Als bijkomende straf kan worden opgelegd:

8.

Tezamen met straffen kunnen de volgende maatregelen worden opgelegd:

Hoofdstuk 11. Overige bepalingen

Paragraaf 11.1. Algemene bepalingen omtrent beschikkingen

Artikel 11.1

Deze paragraaf is van toepassing op het geven van beschikkingen bij of krachtens deze wet en op het aanvragen van dergelijke beschikkingen, tenzij in deze wet anders is bepaald.

Artikel 11.2
1.

De aanvraag van een beschikking wordt schriftelijk ingediend bij het bestuursorgaan dat bevoegd is op de aanvraag te beslissen.

2.

Het bestuursorgaan zendt de aanvraag waarvan kennelijk een ander bestuursorgaan bevoegd is, onverwijld door naar dat orgaan, onder gelijktijdige mededeling daarvan aan de afzender.

3.

Het bestuursorgaan zendt geschriften die niet voor hem bestemd zijn en die ook niet worden doorgezonden, zo spoedig mogelijk terug aan de afzender.

Artikel 11.3
1.

De aanvraag wordt ondertekend en bevat ten minste:

2.

De aanvrager verschaft voorts de gegevens en bescheiden die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.

Artikel 11.4
1.

Het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien:

2.

Indien de aanvraag of een van de daarbij behorende gegevens of bescheiden in een vreemde taal is gesteld en een vertaling daarvan voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking noodzakelijk is, kan het bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn de aanvraag met een vertaling aan te vullen.

3.

Indien de aanvraag of een van de daarbij behorende gegevens of bescheiden omvangrijk of ingewikkeld is en een samenvatting voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking noodzakelijk is, kan het bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn de aanvraag met een samenvatting aan te vullen.

4.

Een besluit om de aanvraag niet te behandelen wordt aan de aanvrager bekendgemaakt binnen vier weken nadat de aanvraag is aangevuld of nadat de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken.

Artikel 11.5
1.

Indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, is de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden.

2.

Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan, zonder toepassing te geven aan artikel 11.4, de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking.

Artikel 11.6
1.

Voordat een bestuursorgaan een aanvraag tot het geven van een beschikking geheel of gedeeltelijk afwijst, stelt het de aanvrager in de gelegenheid zijn zienswijze naar voren te brengen indien:

2.

Het eerste lid geldt niet indien sprake is van een afwijking van de aanvraag die slechts van geringe betekenis voor de aanvrager kan zijn.

Artikel 11.7
1.

Voordat een bestuursorgaan een beschikking geeft waartegen een belanghebbende die de beschikking niet heeft aangevraagd naar verwachting bedenkingen zal hebben, stelt het die belanghebbende in de gelegenheid zijn zienswijze naar voren te brengen indien:

2.

Het eerste lid geldt niet indien de belanghebbende niet heeft voldaan aan een wettelijke verplichting gegevens te verstrekken.

Artikel 11.8

Bij toepassing van de artikelen 11.6 en 11.7 kan de belanghebbende naar keuze schriftelijk of mondeling zijn zienswijze naar voren brengen.

Artikel 11.9

Het bestuursorgaan kan toepassing van de artikelen 11.6 en 11.7 achterwege laten voor zover:

Artikel 11.10
1.

Een beschikking wordt gegeven binnen de bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn of, bij het ontbreken van zulk een termijn, binnen een redelijke termijn na ontvangst van de aanvraag.

2.

De in het eerste lid bedoelde redelijke termijn is in ieder geval verstreken wanneer het bestuursorgaan binnen zestien weken na ontvangst van de aanvraag geen beschikking heeft gegeven, noch een kennisgeving als bedoeld in artikel 11.11, derde lid, heeft gedaan.

Artikel 11.11
1.

Indien een beschikking niet binnen de bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn kan worden gegeven, deelt het bestuursorgaan dit aan de aanvrager mede en noemt het daarbij een zo kort mogelijke termijn waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing indien het bestuursorgaan na het verstrijken van de bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn niet langer bevoegd is.

3.

Indien, bij het ontbreken van een bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn, een beschikking niet binnen zestien weken kan worden gegeven, stelt het bestuursorgaan de aanvrager daarvan in kennis en noemt daarbij een redelijke termijn waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien.

Artikel 11.12
1.

De termijn voor het geven van een beschikking wordt opgeschort met ingang van de dag na die waarop het bestuursorgaan:

2.

De termijn voor het geven van een beschikking wordt voorts opgeschort:

3.

In geval van overmacht deelt het bestuursorgaan zo spoedig mogelijk aan de aanvrager mede dat de beslistermijn is opgeschort, alsmede binnen welke termijn de beschikking wel tegemoet kan worden gezien.

4.

Indien de opschorting eindigt, doet het bestuursorgaan daarvan in de gevallen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, of het tweede lid, onderdelen b en c, zo spoedig mogelijk mededeling aan de aanvrager, onder vermelding van de termijn binnen welke de beschikking alsnog moet worden gegeven.

Paragraaf 7.1. Algemeen

Artikel 11.13

Eenieder die betrokken is bij de uitvoering van deze wet en daarbij de beschikking krijgt over gegevens waarvan hij het vertrouwelijke karakter kent of redelijkerwijs moet vermoeden, en voor wie niet reeds uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift ter zake van die gegevens een geheimhoudingsplicht geldt, is verplicht tot geheimhouding daarvan, behoudens voor zover enig wettelijk voorschrift hem tot bekendmaking verplicht of uit zijn taak bij de uitvoering van deze wet de noodzaak tot bekendmaking voortvloeit.

Paragraaf 11.3. Wijziging Wet bescherming Antarctica

Artikel 11.14

Wijzigt de Wet bescherming Antarctica.

Paragraaf 11.4. Wijziging van de Wet grondslagen ruimtelijke ontwikkelingsplanning BES

Artikel 11.15

Wijzigt de Wet grondslagen ruimtelijke ontwikkelingsplanning BES.

Paragraaf 5.4. Regels met betrekking tot stortplaatsen

Paragraaf 5.5. Regels met betrekking tot badinrichtingen en zwemgelegenheden

Artikel 11.17

Wijzigt de Wet financiën openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.

Paragraaf 11.7. Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 11.18
1.

Hoofdstuk 4 is niet van toepassing op gedragingen, voor zover daaromtrent voorschriften gelden, die zijn gesteld bij of krachtens:

2.

Hoofdstuk 6 is niet van toepassing op de bodem en de oevers van een oppervlaktewaterlichaam en, voor zover het oppervlaktewaterlichaam behoort tot de zee, de ondergrond van de zeebodem.

3.

Hoofdstuk 9 is niet van toepassing op het vervoeren, het ten vervoer aanbieden en het ten vervoer aannemen, het laden en het lossen en het neerleggen tijdens het vervoer van stoffen, preparaten of micro-organismen, alsmede op het laten staan en het laten liggen van een vervoermiddel waarin of waarop zich zodanige stoffen, preparaten of micro-organismen of resten daarvan bevinden, voor zover daaromtrent regels zijn gesteld bij of krachtens de Wet luchtvaart of de Luchtvaartwet BES, dan wel op de handelingen, genoemd in artikel 2, eerste lid, van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen ten aanzien van stoffen, preparaten of micro-organismen, voor zover daaromtrent regels zijn gesteld bij of krachtens die wet. In afwijking van de eerste volzin is hoofdstuk 9 van toepassing met betrekking tot de verpakking van micro-organismen, zijnde genetisch gemodificeerde organismen, indien die organismen zich bij de handelingen, bedoeld in de eerste volzin, niet bevinden in een verpakking die voldoet aan de regels die ter zake zijn gesteld bij of krachtens de Wet vervoer gevaarlijke stoffen, de Wet luchtvaart of de Luchtvaartwet BES.

4.

Hoofdstuk 9 is niet van toepassing op gedragingen, voor zover daaromtrent regels zijn gesteld bij of krachtens de Wet op de geneesmiddelenvoorziening BES of de Wet voorschriften bestrijdingsmiddelen BES.

5.

De voordracht voor een algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 5.1, eerste lid, wordt gedaan door Onze Minister en, voor zover het onderdelen van het milieubeleid betreft die tot zijn verantwoordelijkheid behoren, Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie.

6.

De voordracht voor een algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 9.4 wordt gedaan door Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, mede namens Onze Minister.

Artikel 11.19
1.

De artikelen 5.13, tweede lid, onderdeel a, 5.14, derde lid, tweede volzin, en 5.31, tweede lid, onderdeel a, zijn tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip niet van toepassing op vergunningen voor inrichtingen die voor dat tijdstip in werking zijn gebracht.

2.

Artikel 5.36 is van toepassing op stortplaatsen waar na het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet afvalstoffen worden gestort.

Artikel 11.20

Uiterlijk twaalf maanden na het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, geeft de eilandsraad uitvoering aan de artikelen 2.4, 2.5, 4.7 en 4.25, tweede lid.

Artikel 11.21

Onze Minister zendt binnen zes jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de beide Kamers der Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk.

Artikel 11.22
1.

Het bevoegd gezag draagt er zorg voor dat een vergunning ten aanzien van een onderwerp waarin door deze wet is voorzien, die vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet is verstrekt, uiterlijk binnen een jaar na dat tijdstip met deze wet in overeenstemming is.

2.

Het bestuurscollege kan een bouwvergunning die vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet is verstrekt, geheel of gedeeltelijk intrekken indien niet binnen een half jaar na dat tijdstip is begonnen met de bouwwerkzaamheden of indien de bouwwerkzaamheden na aanvang meer dan een half jaar stilliggen.

Artikel 11.23

Indien een algemene maatregel van bestuur krachtens deze wet later in werking treedt dan deze wet blijven in afwijking van de artikelen 215 en 216 van de Wet openbare lichamen Bonaire, Sint-Eustatius en Saba de in de openbare lichamen onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet geldende eilandsverordeningen ten aanzien van onderwerpen waarin door die algemene maatregel van bestuur wordt voorzien, van toepassing totdat die algemene maatregel van bestuur in werking treedt.

Artikel 11.24

De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

Artikel 11.25

Deze wet wordt aangehaald als: Wet volkshuisvesting, ruimtelijke ordening en milieubeheer BES.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Paragraaf 5.1. Algemeen

Artikel 5.1
1.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld, die nodig zijn ter bescherming van het milieu tegen de nadelige gevolgen die inrichtingen daarvoor kunnen veroorzaken. Daarbij kan worden bepaald dat daarbij gestelde regels slechts gelden in daarbij aangegeven categorieën van gevallen.

2.

In afwijking van het eerste lid kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur categorieën van inrichtingen worden aangewezen, waarvoor het is verboden zonder een daartoe verleende vergunning een inrichting:

3.

Het verbod, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, geldt niet voor het veranderen van een inrichting of de werking daarvan:

4.

Bij de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid, kan voor de daarbij aangegeven onderwerpen of categorieën van gevallen worden bepaald dat bij eilandverordening nadere regels worden gesteld die nodig zijn ter bescherming van het milieu tegen de nadelige gevolgen die inrichtingen daarvoor kunnen veroorzaken.

Paragraaf 5.2. Algemene regels

Artikel 5.6
1.

Het bestuurscollege van het openbaar lichaam waar de inrichting zal zijn of is gelegen, is bevoegd te beslissen op de aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 5.1, tweede lid.

2.

In afwijking van het eerste lid kan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden bepaald dat Onze Minister bevoegd is te beslissen op de aanvraag om een vergunning ten aanzien van daarbij aangewezen categorieën van inrichtingen.

3.

In afwijking van het eerste en tweede lid kan Onze Minister, indien dat geboden is in het belang van de veiligheid van de Staat, in overeenstemming met Onze betrokken Minister, bepalen dat Onze Minister ten aanzien van een bij of krachtens zijn besluit aangewezen inrichting bevoegd is te beslissen op de aanvraag om een vergunning.

Artikel 5.7
1.

Indien bij of krachtens wettelijk voorschrift dan wel door een verandering van de inrichting of de werking daarvan de bevoegdheid te beslissen op aanvragen om een vergunning overgaat naar een ander bestuursorgaan, worden reeds voor die inrichting verleende vergunningen gelijkgesteld met vergunningen, verleend door dat andere bestuursorgaan.

2.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de overgang, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 5.8
1.

Indien een vergunning wordt aangevraagd als bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, onderdeel a en b, en voor die inrichting al een of meer vergunningen krachtens deze wet zijn verleend, kan het bevoegd gezag, uit eigen beweging of op verzoek, bepalen dat een vergunning moet worden aangevraagd voor die verandering en voor het in werking hebben na die verandering van de gehele inrichting of onderdelen daarvan, waarmee die verandering samenhangt.

2.

Indien het bevoegd gezag heeft bepaald dat een zodanige vergunning moet worden aangevraagd, besluit het tot het buiten behandeling laten van aanvragen om een vergunning voor de betrokken verandering van de inrichting of van de werking daarvan, die geen betrekking hebben op een zodanige vergunning.

3.

Het bevoegd gezag kan de rechten die de vergunninghouder aan de al eerder verleende vergunningen ontleende, niet wijzigen anders dan mogelijk zou zijn met toepassing van de artikelen 5.28 tot en met 5.32.

4.

Een met toepassing van dit artikel verleende vergunning vervangt met ingang van het tijdstip waarop zij in werking treedt, de eerder voor de inrichting of met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde onderdelen daarvan verleende vergunningen. Deze vergunningen vervallen op het tijdstip waarop de met toepassing van dit artikel verleende vergunning onherroepelijk wordt.

Artikel 5.9
1.

Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de wijze waarop de aanvraag moet geschieden en de gegevens die door de aanvrager moeten worden verstrekt met het oog op de beslissing op de aanvraag.

2.

Bij de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid, wordt in ieder geval bepaald dat de aanvrager in gevallen waarin de vergunning betrekking heeft op het oprichten of veranderen van een inrichting, hetgeen tevens is aan te merken als bouwen in de zin van hoofdstuk 2:

3.

Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld ter uitvoering van het bepaalde krachtens het eerste en tweede lid.

Artikel 5.10
1.

Het bestuurscollege stelt de inspecteur in de gelegenheid advies uit te brengen over het ontwerp van de beschikking op de aanvraag om een vergunning.

2.

Indien Onze Minister bevoegd is te beslissen op de aanvraag om een vergunning, stelt Onze Minister het bestuurscollege in de gelegenheid advies uit te brengen over het ontwerp van de beschikking op de aanvraag om een vergunning.

3.

De adviseurs, bedoeld in het eerste en tweede lid, kunnen te allen tijde uit eigen beweging advies uitbrengen over het ontwerp van de beschikking op de aanvraag om een vergunning.

Artikel 5.11
1.

Het bevoegd gezag betrekt bij de beslissing op de aanvraag in ieder geval:

2.

Het bevoegd gezag houdt bij de beslissing op de aanvraag in ieder geval rekening met het voor hem geldende milieubeleidsplan, bedoeld in artikel 1.4, en het voor hem geldende milieuprogramma, bedoeld in artikel 1.5.

3.

Het bevoegd gezag neemt bij de beslissing op de aanvraag in ieder geval in acht:

4.

Het bevoegd gezag geeft in de motivering van de beslissing op de aanvraag aan, op welke wijze de in het eerste lid genoemde aspecten de inhoud van het besluit hebben beïnvloed.

Artikel 5.12

Het bevoegd gezag draagt er bij de beslissing op de aanvraag zorg voor dat er geen strijd ontstaat met regels die met betrekking tot de inrichting gelden, gesteld bij of krachtens deze wet dan wel bij of krachtens de Wet grondslagen ruimtelijke ontwikkelingsplanning BES.

Artikel 5.13
1.

De vergunning kan slechts in het belang van de bescherming van het milieu worden geweigerd.

2.

De vergunning wordt in ieder geval geweigerd indien:

3.

In afwijking van het eerste lid kan de vergunning tevens worden geweigerd ingeval door verlening daarvan strijd zou ontstaan met een ontwikkelingsplan als bedoeld in de Wet grondslagen ruimtelijke ontwikkelingsplanning BES.

Artikel 5.14
1.

In de vergunning wordt duidelijk aangegeven waarop zij betrekking heeft.

2.

De vergunning kan in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend.

3.

In het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk – bij voorkeur bij de bron – te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

4.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de wijze waarop de voor een inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden bepaald. Daarbij kan worden bepaald dat de gestelde regels slechts gelden in daarbij aangegeven categorieën van gevallen.

5.

Voor zover met betrekking tot de inrichting regels gelden, gesteld bij of krachtens deze wet, kunnen de beperkingen en voorschriften daarvan alleen afwijken voor zover dat bij wettelijk voorschrift is toegestaan.

Artikel 5.15
1.

De aan een vergunning te verbinden voorschriften geven de doeleinden aan, die de vergunninghouder in het belang van de bescherming van het milieu op een door hem te bepalen wijze dient te verwezenlijken.

2.

Bij de voorschriften worden emissiegrenswaarden gesteld voor stoffen of voor daarbij aan te wijzen groepen, families of categorieën van stoffen, die in aanmerkelijke hoeveelheden uit de inrichting kunnen vrijkomen en die direct of door overdracht tussen water, lucht en bodem nadelige gevolgen voor het milieu kunnen veroorzaken.

3.

Bij het vaststellen van de emissiegrenswaarden wordt uitgegaan van de emissies op het punt waar zij de bron, in voorkomend geval na reiniging, verlaten, tenzij dat redelijkerwijs niet mogelijk is. De emissiegrenswaarden worden vastgesteld zonder rekening te houden met een mogelijke verdunning.

4.

Voor zover aan een vergunning voorschriften worden verbonden als bedoeld in het eerste en tweede lid, kunnen daaraan in ieder geval ook voorschriften worden verbonden, inhoudende dat:

Artikel 5.16
1.

Voor zover dit naar het oordeel van het bevoegd gezag noodzakelijk is, kunnen aan de vergunning voorschriften worden verbonden, inhoudende de verplichting tot het treffen van technische maatregelen.

2.

Indien voorschriften als bedoeld in het eerste lid aan de vergunning worden verbonden in plaats van voorschriften als bedoeld in artikel 5.15, eerste en tweede lid, leiden de technische maatregelen tot een gelijkwaardige bescherming van het milieu.

3.

Voor zover aan een vergunning voorschriften worden verbonden als bedoeld in het eerste lid, kunnen daaraan in ieder geval ook voorschriften worden verbonden, inhoudende dat:

4.

Voor zover aan een vergunning voorschriften worden verbonden als bedoeld in het derde lid, is artikel 5.15, vierde lid, onderdeel b, van overeenkomstige toepassing.

Artikel 5.17

Aan de vergunning worden in ieder geval de voor de betrokken inrichting in aanmerking komende voorschriften verbonden met betrekking tot:

Artikel 5.18
1.

Aan de vergunning kunnen in het belang van de bescherming van het milieu andere voorschriften worden verbonden. Die voorschriften kunnen in ieder geval inhouden:

2.

Bij een voorschrift inzake nadere eisen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel f, kan worden aangegeven hoe van die eisen door het aangewezen bestuursorgaan openbaar wordt kennisgegeven.

Artikel 5.19
1.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld, inhoudende de verplichting voor het bevoegd gezag beperkingen of voorschriften, die nodig zijn ter bescherming van het milieu en waarvan de inhoud in die maatregel is aangegeven, aan te brengen onderscheidenlijk te verbinden aan de vergunningen voor inrichtingen die behoren tot een bij de maatregel aangewezen categorie. Bij de algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat de daarbij gestelde regels slechts gelden in daarbij aangegeven categorieën van gevallen.

2.

Artikel 5.2, eerste lid, is van overeenkomstige toepassing op de beslissing tot het vaststellen van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het eerste lid.

3.

Ten aanzien van bij het eerste lid aan te wijzen beperkingen en voorschriften zijn de artikelen 5.14, derde lid, eerste volzin, 5.15 tot en met 5.18 en 5.28, eerste en tweede lid, van overeenkomstige toepassing.

4.

Bij de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid, wordt bepaald in hoeverre het bevoegd gezag met betrekking tot daarbij aangegeven onderwerpen van bij de maatregel gestelde regels kan afwijken of nadere eisen kan stellen. Daarbij kan worden bepaald dat de bevoegdheid tot afwijken of tot het stellen van nadere eisen slechts geldt in bij de maatregel aangegeven categorieën van gevallen.

5.

Bij de maatregel wordt voor de daarbij opgelegde verplichtingen het tijdstip aangegeven, waarop zij met betrekking tot de reeds verleende vergunningen moeten zijn uitgevoerd.

Artikel 5.20
1.

Indien de vergunning betrekking heeft op een inrichting waarin afvalstoffen nuttig worden toegepast of worden verwijderd, bevat de vergunning ten minste de verplichtingen:

2.

Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld omtrent de wijze waarop de registratie plaatsvindt.

Artikel 5.21
1.

Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald dat in daarbij aangegeven categorieën van gevallen waarin inrichtingen ernstige nadelige gevolgen voor het milieu kunnen veroorzaken, aan de vergunning tevens voorschriften kunnen worden verbonden, die de verplichting inhouden dat degene die de inrichting drijft:

2.

Bij een maatregel krachtens het eerste lid worden nadere regels gesteld met betrekking tot de op te leggen voorschriften. Daarbij worden in ieder geval aangegeven het bedrag waarvoor en de termijn gedurende welke de zekerheid ten hoogste in stand moet worden gehouden, alsmede de voorwaarden waaraan moet worden voldaan alvorens de verplichting kan komen te vervallen.

3.

Bij de maatregel kunnen regels worden gesteld voor gevallen waarin aan de verplichting uitvoering wordt gegeven door het sluiten en in stand houden van een verzekering. Daarbij wordt rekening gehouden met hetgeen redelijkerwijs door verzekering kan worden gedekt.

4.

Indien overeenkomstig het eerste lid een voorschrift als bedoeld in dat lid, onderdeel a, aan een vergunning is verbonden, kan het bevoegd gezag bij het niet nakomen door de houder van de vergunning van een krachtens de vergunning voor hem geldende verplichting waarvoor financiële zekerheid is gesteld, bepalen tot welk bedrag het verhaal zal nemen op de gestelde zekerheid. Het bevoegd gezag kan het te verhalen bedrag invorderen bij dwangbevel.

Artikel 5.22

In een vergunning kan worden bepaald:

Artikel 5.23
1.

In een vergunning kan worden bepaald dat zij slechts geldt voor een daarbij vast te stellen termijn van ten hoogste vijf jaar, indien:

2.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen categorieën van inrichtingen waarin afvalstoffen nuttig worden toegepast of worden verwijderd, worden aangewezen, ten aanzien waarvan de vergunning, voor zover zij deze handelingen betreft, slechts geldt voor een bij de vergunning te stellen termijn van ten hoogste tien jaar. Bij de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in de eerste volzin, kan worden bepaald dat de aanwijzing slechts betrekking heeft op daarbij aangegeven categorieën van gevallen.

3.

In een vergunning wordt bepaald dat zij slechts geldt voor een daarbij aangegeven termijn, voor zover dat is bepaald bij een algemene maatregel van bestuur, die is vastgesteld ter uitvoering van een voor de openbare lichamen verbindend verdrag of een voor de openbare lichamen verbindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie. De bij de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in de eerste volzin, aangegeven termijn kan zo nodig afwijken van de in het eerste en tweede lid genoemde termijnen.

Artikel 5.24
1.

De vergunning voor een inrichting vervalt:

2.

Indien kan worden verwacht dat de inrichting niet binnen de in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde termijn kan worden voltooid en in werking gebracht, kan in de vergunning een andere termijn worden vastgesteld, die daarvoor in de plaats treedt.

Artikel 5.25
1.

Een voor een inrichting verleende vergunning geldt tevens voor veranderingen van de inrichting of van de werking daarvan die niet in overeenstemming zijn met de voor de inrichting verleende vergunning of de daaraan verbonden beperkingen en voorschriften, maar die niet leiden tot andere of grotere nadelige gevolgen voor het milieu dan die de inrichting ingevolge de vergunning en de daaraan verbonden beperkingen en voorschriften mag veroorzaken, onder voorwaarde dat:

2.

Het eerste lid is niet van toepassing op veranderingen ten aanzien waarvan, indien zij vergunningplichtig zouden zijn geweest, bij de voorbereiding van de besluiten ter zake, een milieueffectrapport als bedoeld in hoofdstuk 7 had moeten worden gemaakt.

3.

Een besluit inzake een verklaring als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, wordt zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk zes weken na ontvangst van de melding, bekendgemaakt.

4.

Zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk twee weken na de bekendmaking van de verklaring, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, geeft het bevoegd gezag openbaar kennis daarvan. Indien de verklaring betrekking heeft op een inrichting die behoort tot een krachtens artikel 5.10, eerste lid, aangewezen categorie, zendt het bevoegd gezag bovendien een afschrift van de melding en de verklaring aan de inspecteur.

5.

Het bevoegd gezag geeft een ieder desgevraagd kosteloos inzage in de melding en de daarbij behorende stukken en verstrekt daarvan desgevraagd tegen betaling van de kosten een afschrift.

6.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot:

Artikel 5.26
1.

Een voor een inrichting verleende vergunning geldt voor een ieder die de inrichting drijft. Degene die de inrichting drijft, draagt er zorg voor dat de aan de vergunning verbonden voorschriften worden nageleefd.

2.

Indien een vergunning zal gaan gelden voor een ander dan de vergunninghouder, meldt de vergunninghouder dat ten minste een maand voordien aan het bevoegd gezag, onder vermelding van de bij algemene maatregel van bestuur aangegeven gegevens.

3.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen categorieën van gevallen worden aangegeven, waarin de vergunning slechts geldt voor degene aan wie zij is verleend. Daarbij kan tevens worden bepaald dat in daarbij aangegeven categorieën van gevallen:

Artikel 5.27
1.

Indien met betrekking tot een inrichting waarvoor de bij of krachtens artikel 5.1, tweede lid, gestelde verboden niet gelden, die verboden op enig tijdstip gaan gelden, kan die inrichting in afwijking van die bepaling zonder vergunning in werking worden gehouden tot twaalf weken na dat tijdstip en, indien binnen deze termijn een aanvraag om de krachtens die bepaling vereiste vergunning is ingediend, vervolgens tot acht weken na het tijdstip waarop de beschikking op die aanvraag in werking is getreden.

2.

Indien zodanige verboden gaan gelden ten gevolge van een verandering van de inrichting of van de werking daarvan, is het eerste lid niet van toepassing, voor zover het die verandering betreft.

3.

Indien de bij of krachtens artikel 5.1, tweede lid, gestelde verboden met betrekking tot de inrichting niet golden, blijven de voorschriften die krachtens een algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 5.1, eerste lid, voor de inrichting golden onmiddellijk voor het gaan gelden van die verboden, voor de inrichting van toepassing gedurende de periode waarin de inrichting ingevolge het eerste lid zonder vergunning in werking mag worden gehouden, behoudens voor zover het veranderingen als bedoeld in het tweede lid betreft.

Artikel 5.28
1.

Het bevoegd gezag beziet regelmatig of de beperkingen waaronder een vergunning is verleend, en de voorschriften die aan een vergunning zijn verbonden, nog toereikend zijn gezien de ontwikkelingen op het gebied van de technische mogelijkheden tot bescherming van het milieu en de ontwikkelingen met betrekking tot de kwaliteit van het milieu.

2.

Het bevoegd gezag wijzigt de beperkingen waaronder de vergunning is verleend en de voorschriften die daaraan zijn verbonden, vult deze aan of trekt ze in, dan wel brengt alsnog beperkingen aan, of verbindt alsnog voorschriften aan de vergunning, voor zover blijkt dat de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu veroorzaakt, gezien de ontwikkeling van de technische mogelijkheden tot bescherming van het milieu verder kunnen, of, gezien de ontwikkeling van de kwaliteit van het milieu, verder moeten worden beperkt.

3.

Met betrekking tot de beslissing ter zake en de inhoud van de beperkingen en voorschriften zijn de artikelen 5.10 tot en met 5.23 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 5.29
1.

Het bevoegd gezag kan beperkingen waaronder een vergunning is verleend, en voorschriften die daaraan zijn verbonden, wijzigen, aanvullen of intrekken, dan wel alsnog beperkingen aanbrengen of voorschriften aan een vergunning verbinden in het belang van de bescherming van het milieu.

2.

Een belanghebbende, met uitzondering van de vergunninghouder, kan het bevoegd gezag verzoeken een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu met toepassing van het eerste lid te wijzigen.

3.

Met betrekking tot de beslissing ter zake en de inhoud van de beperkingen en voorschriften zijn de artikelen 5.10 tot en met 5.23 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 5.30
1.

Op aanvraag van de vergunninghouder kan het bevoegd gezag beperkingen waaronder een vergunning is verleend, en voorschriften die daaraan zijn verbonden, wijzigen, aanvullen of intrekken, dan wel alsnog beperkingen aanbrengen of voorschriften aan een vergunning verbinden.

2.

Met betrekking tot de beslissing ter zake en de inhoud van die beperkingen en voorschriften zijn de artikelen 5.10 tot en met 5.23 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 5.31
1.

Het bevoegd gezag kan, onverminderd het in de artikelen 5.33 en 10.7 bepaalde, een vergunning voor een inrichting geheel of gedeeltelijk intrekken:

2.

Het bevoegd gezag trekt de vergunning in:

3.

Een belanghebbende, met uitzondering van de vergunninghouder, kan het bevoegd gezag verzoeken een vergunning met toepassing van het eerste lid in te trekken.

4.

Met betrekking tot een beslissing als bedoeld in het eerste lid zijn de artikelen 5.10 tot en met 5.12 van overeenkomstige toepassing.

5.

In een geval als aangegeven bij of krachtens artikel 5.21 kan een voorschrift overeenkomstig de betrokken algemene maatregel van bestuur aan de beschikking tot intrekking worden verbonden. Artikel 5.21, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

6.

In de beschikking tot intrekking kan worden bepaald dat een voorschrift als bedoeld in het vijfde lid, dan wel daarbij aangewezen aan de vergunning verbonden voorschriften gedurende een daarbij aan te geven termijn blijven gelden.

7.

Het bevoegd gezag gaat tot intrekking van een vergunning op grond van het eerste lid, onderdeel c, d of e, of het tweede lid niet over zonder de vergunninghouder in de gelegenheid te hebben gesteld binnen een termijn van zes weken schriftelijk of mondeling zienswijzen over de intrekking naar voren te brengen. Van de beschikking wordt mededeling gedaan door toezending daarvan aan de adviseurs, bedoeld in artikel 5.10, eerste en tweede lid.

Artikel 5.32
1.

Het bevoegd gezag kan de vergunning geheel of gedeeltelijk intrekken op verzoek van de vergunninghouder, indien het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet.

2.

Met betrekking tot de beslissing ter zake zijn de artikelen 5.11 en 5.12 van overeenkomstige toepassing.

3.

Artikel 5.31, vijfde en zesde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 5.33
1.

In gevallen waarin het bestuurscollege het bevoegd gezag is, kan Onze Minister, indien dat in het algemeen belang geboden is, aan het bestuurscollege een bindende aanwijzing geven ter zake van het nemen van een besluit ten aanzien van een aanvraag om een vergunning of ten aanzien van een reeds verleende vergunning. Daarbij houdt hij rekening met het geldende milieubeleidsplan voor de openbare lichamen, bedoeld in artikel 1.4.

2.

Onze Minister pleegt over een voornemen tot het geven van een aanwijzing overleg met het bestuurscollege.

3.

Onze Minister deelt het voornemen, onder vermelding van de redenen daarvoor, mede aan de beide Kamers der Staten-Generaal.

4.

De aanwijzing wordt vermeld in de beschikking van het bestuurscollege, ter zake waarvan zij is gegeven. Een exemplaar van de aanwijzing wordt gevoegd bij ieder exemplaar van die beschikking.

Paragraaf 5.4. Regels met betrekking tot stortplaatsen

Paragraaf 5.5. Regels met betrekking tot badinrichtingen en zwemgelegenheden

Artikel 5.39
1.

Degene die voornemens is een badinrichting op te richten, te wijzigen of uit te breiden, geeft van dit voornemen kennis aan het bestuurscollege.

2.

Het is de houder van een badinrichting verboden gelegenheid tot zwemmen of baden in die badinrichting te geven indien niet is voldaan aan de voorschriften, bedoeld in het derde lid.

3.

In het belang van de hygiëne en de veiligheid van de bezoekers van de badinrichting worden bij algemene maatregel van bestuur voorschriften gegeven, waarbij kan worden bepaald dat bij eilandverordening nadere regels worden gesteld.

4.

Artikel 5.4 is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 5.40

Indien de omstandigheden met betrekking tot een badinrichting, daartoe vanuit het oogpunt van hygiëne of veiligheid van de bezoekers aanleiding geven, kan het bestuurscollege de houder van de inrichting gelasten deze te sluiten.

Artikel 5.41

De voordracht voor een krachtens artikel 5.1 vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide Kamers der Staten-Generaal is overgelegd.

Hoofdstuk 6. Bodem

Hoofdstuk 7. Milieueffectrapportage

Artikel 7.1
1.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden activiteiten aangewezen die:

2.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden categorieën van besluiten omtrent de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, aangewezen, waarvoor een milieueffectrapport wordt gemaakt alvorens het bevoegd gezag het besluit neemt.

3.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden categorieën van besluiten omtrent de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, aangewezen, waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of deze activiteiten vanwege de bijzondere omstandigheden waaronder ze verricht worden belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben, en indien dat het geval is, waarvoor een milieueffectrapport wordt gemaakt alvorens het bevoegd gezag het besluit neemt.

4.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden plannen met betrekking tot de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, aangewezen, waarvoor bij de voorbereiding ervan een milieueffectrapport wordt gemaakt indien het plan het kader vormt voor een besluit als bedoeld in het tweede lid.

5.

Geen milieueffectrapport hoeft te worden overgelegd indien:

6.

Een besluit als bedoeld in het vijfde lid, onderdeel b, bevat in elk geval:

7.

Ingeval ter zake van een activiteit tegelijkertijd een besluit en een plan worden voorbereid en dat plan uitsluitend wordt voorbereid met het oog op de inpassing van die activiteit in dat plan, wordt ter voorbereiding van dat besluit en dat plan één milieueffectrapport gemaakt. Het milieueffectrapport wordt voorbereid met toepassing van paragraaf 7.2.

8.

Uiterlijk twee weken na het nemen van het besluit, bedoeld in het vijfde lid, onderdeel b, doet het bevoegd gezag gelijktijdig mededeling van dat besluit door kennisgeving in een of meer plaatselijke dagbladen, in de Staatscourant en op de voor publicatie van officiële mededelingen gebruikelijke wijze, en wordt een exemplaar van dat besluit ter inzage gelegd, ten aanzien waarvan in de kennisgeving de plaats, het tijdstip en de uren worden vermeld.

Artikel 7.2
1.

In gevallen waarin een besluit wordt genomen op verzoek van degene die de betrokken activiteit onderneemt, maakt deze het milieueffectrapport.

2.

In andere dan de in het eerste lid bedoelde gevallen maakt het bevoegd gezag het milieueffectrapport.

Paragraaf 7.2. De milieueffectrapportage die betrekking heeft op een besluit

Artikel 7.3
1.

Een milieueffectrapport dat betrekking heeft op een besluit bevat ten minste de volgende gegevens:

2.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels gesteld worden met betrekking tot de wijze waarop de gegevens, bedoeld in het eerste lid, worden bepaald en beschreven.

Artikel 7.4
1.

Degene die een aangewezen activiteit als bedoeld in artikel 7.1, eerste lid, onderdeel a, wil ondernemen en voornemens is een aanvraag in te dienen tot het nemen van een besluit als bedoeld in artikel 7.1, tweede lid, deelt dat voornemen schriftelijk mee aan het bevoegd gezag.

2.

Op verzoek van de aanvrager kan het bevoegd gezag advies uitbrengen inzake de reikwijdte en het detailniveau van de informatie ten behoeve van een milieueffectrapport.

3.

Bij afwezigheid van een verzoek als bedoeld in het tweede lid, kan het bevoegd gezag ambtshalve advies uitbrengen.

4.

Het bevoegd gezag geeft uiterlijk acht weken na ontvangst van het verzoek dan wel bij ontstentenis daarvan uiterlijk acht weken na de mededeling van het voornemen, een advies inzake de reikwijdte en het detailniveau van de informatie ten behoeve van een milieueffectrapport.

Artikel 7.5
1.

Degene die een aangewezen activiteit als bedoeld in artikel 7.1, eerste lid, onderdeel b, wil ondernemen en voornemens is een aanvraag in te dienen tot het nemen van een besluit als bedoeld in artikel 7.1, derde lid, deelt dat schriftelijk mee aan het bevoegd gezag.

2.

Het bevoegd gezag neemt uiterlijk acht weken na de datum van ontvangst een beslissing omtrent de vraag of bij de voorbereiding van het besluit, vanwege de belangrijke nadelige gevolgen die de voorgenomen activiteit voor het milieu kan hebben, een milieueffectrapport moet worden gemaakt.

3.

Indien het bevoegd gezag oordeelt dat een milieueffectrapport moet worden gemaakt, brengt het bevoegd gezag samen met de beslissing advies uit inzake de reikwijdte en het detailniveau van de informatie ten behoeve van een milieueffectrapport.

Artikel 7.6
1.

Een milieueffectrapport dat betrekking heeft op een besluit, wordt samen met de aanvraag aan het bevoegd gezag overgelegd.

2.

Het bevoegd gezag geeft kennis van de aanvraag en het milieueffectrapport in één of meer plaatselijke dagbladen en voorts op de voor publicatie van officiële mededelingen gebruikelijke wijze.

3.

In de kennisgeving wordt vermeld:

4.

Indien er een onafhankelijke instantie advies zal uitbrengen, zendt het bevoegd gezag een exemplaar van de aanvraag en het erbij behorende milieueffectrapport onverwijld aan de onafhankelijke instantie, bedoeld in het derde lid, onderdeel c. Deze onafhankelijke instantie brengt binnen acht weken na de kennisgeving, bedoeld in het tweede lid, haar advies uit.

Artikel 7.7

Het bevoegd gezag laat een verzoek tot het nemen van een besluit waarvoor een milieueffectrapport moet worden opgesteld buiten behandeling indien:

Artikel 7.8

In het besluit wordt in ieder geval vermeld:

Paragraaf 5.4. Regels met betrekking tot stortplaatsen

Artikel 7.9
1.

Het milieueffectrapport dat betrekking heeft op een plan als bedoeld in artikel 7.1, vierde lid, wordt opgesteld door het bevoegd gezag en bevat ten minste:

2.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels gesteld worden met betrekking tot de wijze waarop de in het eerste lid bedoelde gegevens worden bepaald en beschreven.

Artikel 7.10

Alvorens het milieueffectrapport op te stellen, raadpleegt het bevoegd gezag de adviseurs en de bestuursorganen die ingevolge het wettelijk voorschrift waarop het plan berust bij de voorbereiding van het plan worden betrokken over de reikwijdte en het detailniveau van de informatie die gericht is op wat relevant is voor het plan en die op grond van artikel 7.9 in het milieueffectrapport moet worden opgenomen.

Artikel 7.11
1.

Het bevoegd gezag geeft kennis van het plan en het milieueffectrapport in één of meer plaatselijke dagbladen en voorts op de voor publicatie van officiële mededelingen gebruikelijke wijze.

2.

In de kennisgeving wordt vermeld:

3.

Indien er een onafhankelijke instantie advies zal uitbrengen, zendt het bevoegd gezag een exemplaar van het ontwerp van het plan en het erbij behorende milieueffectrapport onverwijld aan de onafhankelijke instantie, bedoeld in het tweede lid, onderdeel c. Deze onafhankelijke instantie brengt binnen acht weken na de kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, haar advies uit.

Artikel 7.12

Het bevoegd gezag stelt een plan als bedoeld in artikel 7.1, vierde lid, niet vast:

Artikel 7.13

Bij de vaststelling van het plan wordt in ieder geval vermeld:

Hoofdstuk 8. Maatregelen in bijzondere omstandigheden

Paragraaf 8.1. Ongewone voorvallen

Artikel 8.1
1.

Degene die een inrichting drijft, treft alle maatregelen die nodig zijn om een ongewoon voorval te voorkomen en de gevolgen daarvan voor mens en milieu te beperken.

2.

Indien zich in een inrichting een ongewoon voorval voordoet of heeft voorgedaan, treft degene die de inrichting drijft, onmiddellijk de maatregelen die redelijkerwijs van hem kunnen worden verlangd, om de gevolgen van die gebeurtenis te voorkomen of, voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, zoveel mogelijk te beperken en ongedaan te maken.

Artikel 8.2
1.

Degene die een inrichting drijft, waarin zich een ongewoon voorval voordoet of heeft voorgedaan, meldt dit voorval zo spoedig mogelijk aan het bestuursorgaan dat bevoegd is tot het verlenen van de vergunning krachtens artikel 5.1, tweede lid, indien het een inrichting betreft die bij of krachtens algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, is aangewezen, dan wel, in andere gevallen, aan het bestuurscollege.

2.

Het bevoegd gezag kan in een vergunning voor een inrichting of bij een maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 5.4 voor een ongewoon voorval, waarvan de nadelige gevolgen voor het milieu niet significant zijn:

3.

Indien toepassing wordt gegeven aan het tweede lid, zijn het vierde en vijfde lid, niet van toepassing.

4.

In aanvulling op een melding als bedoeld in het eerste lid, verstrekt degene die een inrichting drijft, het bevoegd gezag tevens, zodra zij bekend zijn, de gegevens met betrekking tot:

5.

Het bevoegd gezag dat de melding, bedoeld in het eerste of vierde lid, ontvangt, geeft van die melding en de daarbij verstrekte gegevens onverwijld kennis aan de gezaghebber, de inspecteur en andere bestuursorganen of overheidsdiensten die direct belang hebben bij een onverwijlde mededeling.

6.

Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen ter zake de melding, bedoeld in het eerste of vierde lid.

Paragraaf 8.2. Milieuschade

Paragraaf 7.3. De milieueffectrapportage die betrekking heeft op een plan

Artikel 8.5

Degene die een inrichting drijft, treft alle maatregelen die redelijkerwijze mogelijk zijn om zware ongevallen te voorkomen en de gevolgen daarvan voor mens en milieu te beperken.

Artikel 8.6
1.

Degene die een inrichting drijft die behoort tot één van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorieën, stelt een veiligheidsrapport op waarin het gevoerde beleid ter voorkoming van zware ongevallen, rekening houdend met de aanwezigheid en de omvang van de risico's, is vastgelegd.

2.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen:

3.

De voordracht voor een krachtens het tweede lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.

Hoofdstuk 9. Stoffen

Hoofdstuk 10. Toezicht, handhaving en strafbepalingen

Afdeling 10.1. Toezicht en handhaving

Afdeling 10.2. Strafbepalingen

Hoofdstuk 11. Overige bepalingen

Paragraaf 11.1. Algemene bepalingen omtrent beschikkingen

Paragraaf 11.1. Algemene bepalingen omtrent beschikkingen

Paragraaf 11.3. Wijziging Wet bescherming Antarctica

Paragraaf 11.4. Wijziging van de Wet grondslagen ruimtelijke ontwikkelingsplanning BES

Paragraaf 11.5. Wijziging Arbeidsveiligheidswet BES

Paragraaf 11.6. Wijziging Wet financiën openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Paragraaf 11.7. Overgangs- en slotbepalingen

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 2.1
1.

De eigenaar van een bouwwerk, open erf of terrein of degene die uit andere hoofde bevoegd is tot het daaraan treffen van voorzieningen draagt er zorg voor dat als gevolg van de staat van dat bouwwerk, dat open erf of terrein geen gevaar voor de gezondheid of veiligheid ontstaat, dan wel voortduurt.

2.

Een ieder die een bouwwerk bouwt, gebruikt, laat gebruiken of sloopt, dan wel een open erf of terrein gebruikt of laat gebruiken, draagt er, voor zover dat in diens vermogen ligt, zorg voor dat als gevolg van dat bouwen, gebruik of slopen geen gevaar voor de gezondheid of veiligheid ontstaat dan wel voortduurt.

Artikel 2.2
1.

Het is verboden:

2.

Geen bouwvergunning is vereist voor het bouwen:

3.

Het tweede lid, onderdeel b, is niet van toepassing op het bouwen in, op, aan of bij:

Artikel 2.3
1.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen technische voorschriften worden gegeven omtrent:

2.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen andere dan technische voorschriften worden gegeven omtrent het onderwerp, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c. Tot die voorschriften kunnen in ieder geval behoren:

3.

De voorschriften, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b, kunnen uitsluitend worden gegeven vanuit het oogpunt van veiligheid, gezondheid, bruikbaarheid, energiezuinigheid of milieu.

4.

De voorschriften, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, en het tweede lid, kunnen uitsluitend worden gegeven vanuit het oogpunt van brandveiligheid.

Artikel 2.4
1.

De eilandsraad stelt een bouwverordening vast die uitsluitend voorschriften bevat omtrent:

2.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gegeven omtrent de inhoud van de voorschriften, bedoeld in het eerste lid.

3.

De eilandsraad brengt binnen een jaar na het in werking treden van de krachtens het tweede lid gegeven voorschriften de bouwverordening met die voorschriften in overeenstemming. Zolang de bouwverordening niet met die voorschriften in overeenstemming is gebracht, gelden die voorschriften rechtstreeks.

Artikel 2.5
1.

Een bouwwerk is niet in strijd met redelijke eisen van welstand.

2.

De eilandsraad stelt een welstandsnota vast. Deze nota bevat de criteria op basis waarvan het bestuurscollege beoordeelt of een bouwwerk voldoet aan het eerste lid.

Artikel 2.6
1.

Het is verboden:

voor zover daarbij niet wordt voldaan aan de op de desbetreffende activiteit van toepassing zijnde voorschriften, bedoeld in de artikelen 2.3, eerste en tweede lid, en 2.4, eerste lid.

2.

Het is verboden een bouwwerk dan wel een deel daarvan, in stand te laten voor zover bij het bouwen daarvan niet is voldaan aan de op dat bouwen van toepassing zijnde voorschriften, bedoeld in de artikelen 2.3, eerste lid, onderdeel a, en 2.4, eerste lid, onderdelen c en e.

3.

De verboden, bedoeld in het eerste en tweede lid, hebben mede betrekking op het niet voldoen aan de voorschriften, bedoeld in artikel 2.4, tweede lid, voor zover deze voorschriften ingevolge artikel 2.4, derde lid, rechtstreeks gelden.

4.

De verboden, bedoeld in het eerste en tweede lid, zijn niet van toepassing voor zover een bouwvergunning afwijking van de desbetreffende voorschriften met betrekking tot bouwen uitdrukkelijk toestaat.

Artikel 2.7

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden voorschriften gegeven omtrent de wijze van inrichting en indiening van een aanvraag om een bouwvergunning, alsmede omtrent de daarbij over te leggen gegevens en bescheiden.

Artikel 2.8
1.

Het bestuurscollege tekent de datum van ontvangst aan op het geschrift waarbij de aanvraag om een bouwvergunning is ingediend.

2.

Het bestuurscollege zendt de aanvrager een ontvangstbevestiging, waarin de datum, bedoeld in het eerste lid, is vermeld.

3.

Het bestuurscollege doet een openbare kennisgeving van de aanvraag om een bouwvergunning in één of meer plaatselijke dagbladen en voorts op de voor publicatie van officiële mededelingen gebruikelijke wijze.

4.

Het bestuurscollege beslist omtrent de aanvraag om een bouwvergunning binnen zestien weken na ontvangst van de aanvraag. Het bestuurscollege kan de beslissing eenmaal met ten hoogste acht weken verdagen.

5.

Het bestuurscollege stelt een openbaar register in, waarin aantekening wordt gehouden van:

6.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat het bestuurscollege ook andere gegevens dan de gegevens, bedoeld in het vijfde lid, aantekent in het register.

7.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald binnen welke termijn de gegevens, bedoeld in het vijfde en zesde lid, worden aangetekend. Die termijn kan voor de verschillende gegevens verschillend worden gesteld.

Artikel 2.9
1.

Het bestuurscollege houdt de beslissing omtrent de aanvraag om een bouwvergunning aan, indien er geen grond is om de vergunning te weigeren en het bouwen tevens aan te merken is als het oprichten of veranderen van een inrichting waarvoor een vergunning op grond van artikel 5.1 is vereist, tenzij die vergunning verleend is en deze beslissing onherroepelijk is geworden.

2.

Nadat de vergunning op grond van artikel 5.1 onherroepelijk is geworden, verleent het bestuurscollege de bouwvergunning binnen vier weken na dat tijdstip.

Artikel 2.10

De bouwvergunning wordt geweigerd, indien:

Artikel 2.11
1.

In een bouwvergunning kan worden bepaald dat zij geldt voor een daarin opgenomen termijn.

2.

Aan een bouwvergunning kunnen voorschriften worden verbonden ter bescherming van de belangen ten behoeve waarvan de voorschriften strekken krachtens welke de vergunning wordt verleend.

Artikel 2.12

Onverminderd artikel 10.7 kan het bestuurscollege de bouwvergunning geheel of gedeeltelijk intrekken:

Artikel 2.13

De voordracht voor een krachtens artikel 2.3 vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide Kamers der Staten-Generaal is overgelegd.

Hoofdstuk 3. Huisvesting

Hoofdstuk 4. Afvalstoffen

Paragraaf 4.1. Algemeen

Paragraaf 4.3. Het grensoverschrijdend overbrengen van afvalstoffen

Paragraaf 4.4. Afvalwater

Hoofdstuk 5. Algemene regels en vergunningen

Paragraaf 5.1. Algemeen

Paragraaf 5.2. Algemene regels

Paragraaf 5.3. Vergunningen

Hoofdstuk 6. Bodem

Hoofdstuk 7. Milieueffectrapportage

Paragraaf 7.1. Algemeen

Paragraaf 7.2. De milieueffectrapportage die betrekking heeft op een besluit

Hoofdstuk 7. Milieueffectrapportage

Paragraaf 7.1. Algemeen

Paragraaf 7.2. De milieueffectrapportage die betrekking heeft op een besluit

Paragraaf 8.3. Zware ongevallen

Hoofdstuk 9. Stoffen

Hoofdstuk 10. Toezicht, handhaving en strafbepalingen

Afdeling 10.1. Toezicht en handhaving

Afdeling 10.2. Strafbepalingen

Hoofdstuk 9. Stoffen

Paragraaf 11.2. Geheimhouding

Paragraaf 11.3. Wijziging Wet bescherming Antarctica

Paragraaf 11.4. Wijziging van de Wet grondslagen ruimtelijke ontwikkelingsplanning BES

Paragraaf 11.5. Wijziging Arbeidsveiligheidswet BES

Paragraaf 11.5. Wijziging Arbeidsveiligheidswet BES

Paragraaf 11.7. Overgangs- en slotbepalingen

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 10.5a

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2023/148.

1.

Onze Minister en het Bestuurscollege kunnen van de overtreder bij dwangbevel de verschuldigde kosten van bestuursdwang of de verschuldigde dwangsom, verhoogd met de op de invordering vallende kosten, invorderen.

2.

Het dwangbevel wordt op kosten van de overtreder bij deurwaardersexploit betekend en levert een executoriale titel op in de zin van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering BES.

3.

Gedurende zes weken na de dag van betekening staat verzet tegen het dwangbevel open door dagvaarding van het openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba respectievelijk de Staat der Nederlanden.

4.

Het verzet schorst de tenuitvoerlegging. Op verzoek van het openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba respectievelijk de Staat der Nederlanden, kan de rechter de schorsing van de tenuitvoerlegging opheffen.

Afdeling 10.2. Strafbepalingen

Hoofdstuk 10. Toezicht, handhaving en strafbepalingen

Paragraaf 11.1. Algemene bepalingen omtrent beschikkingen

Paragraaf 11.2. Geheimhouding

Paragraaf 11.3. Wijziging Wet bescherming Antarctica

Paragraaf 11.1. Algemene bepalingen omtrent beschikkingen

Paragraaf 11.6. Wijziging Wet financiën openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Paragraaf 11.7. Overgangs- en slotbepalingen

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 5.2
1.

Bij de beslissing tot het vaststellen van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, worden in ieder geval betrokken:

2.

Ten aanzien van de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen voorschriften zijn de artikelen 5.14, derde lid, eerste volzin, 5.15 tot en met 5.22 en 5.28, eerste en tweede lid, van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat het stellen van financiële zekerheid slechts kan worden voorgeschreven in de vorm van het sluiten van een verzekering tegen aansprakelijkheid voor schade, voortvloeiend uit de nadelige gevolgen voor het milieu, die de inrichting veroorzaakt.

Artikel 5.3
1.

Bij een algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 5.1, eerste lid, kan met betrekking tot daarbij aangewezen categorieën van inrichtingen de verplichting worden opgelegd tot het melden van het oprichten of het veranderen van een inrichting waarop de maatregel betrekking heeft, dan wel van het veranderen van de werking daarvan.

2.

Bij de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid, wordt aangegeven op welke wijze en bij welk bestuursorgaan de melding wordt verricht.

3.

Onze Minister kan nadere regels stellen over de te melden gegevens en de wijze waarop zij moeten worden verstrekt.

4.

Van de melding wordt een openbare kennisgeving gedaan in één of meer plaatselijke dagbladen en voorts op de voor publicatie van officiële mededelingen gebruikelijke wijze.

Artikel 5.4
1.

Bij of krachtens de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, kan met betrekking tot daarbij aangegeven onderwerpen de verplichting worden opgelegd te voldoen aan voorschriften die nodig zijn ter bescherming van het milieu, gesteld door een bij die maatregel aangewezen bestuursorgaan.

2.

Op het stellen van voorschriften als bedoeld in het eerste lid, is artikel 5.2, eerste lid, van overeenkomstige toepassing.

3.

Het bestuursorgaan, bedoeld in het eerste lid, kan voorschriften stellen die afwijken van de regels, gesteld bij of krachtens de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in dat lid, of de nadere regels, bedoeld in artikel 5.1, vierde lid, voor zover dat bij of krachtens die maatregel of bij die nadere regels is bepaald.

4.

Het bestuursorgaan kan de voorschriften aanvullen, wijzigen of intrekken indien dat nodig is ter bescherming van het milieu.

5.

Bij of krachtens de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid, worden categorieën aangegeven waarin van de beschikking waarbij het voorschrift wordt gesteld, openbare kennisgeving wordt gedaan in één of meer plaatselijke dagbladen en voorts op de voor publicatie van officiële mededelingen gebruikelijke wijze.

Artikel 5.5
1.

Bij of krachtens de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, kan voor de daarbij aangegeven onderwerpen worden bepaald dat bij eilandverordening gestelde regels omtrent die onderwerpen van de bij of krachtens de maatregel gestelde regels kunnen afwijken en in welke mate kan worden afgeweken en kan worden bepaald dat slechts kan worden afgeweken in daarbij aangegeven categorieën van gevallen.

2.

Op het stellen van regels bij verordening als bedoeld in het eerste lid is artikel 5.2 van overeenkomstige toepassing.

Paragraaf 5.3. Vergunningen

Paragraaf 5.5. Regels met betrekking tot badinrichtingen en zwemgelegenheden

Hoofdstuk 6. Bodem

Artikel 6.1
1.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen in het belang van de bescherming van de bodem regels worden gesteld met betrekking tot:

2.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat bij besluit van een daarin aangewezen bestuursorgaan, grond kan worden toegepast in andere gevallen dan die ingevolge de regels, bedoeld in het eerste lid, onder g, mits dit geen onaanvaardbare risico’s oplevert voor de volksgezondheid en geen bedreiging vormt van de functionele eigenschappen van water, bodem en lucht voor mens, plant en dier. Een bestuursorgaan dat van deze mogelijkheid gebruik maakt, stelt in het daartoe strekkend besluit de nodige eisen aan de kwaliteit, waaronder de samenstelling van grond.

3.

Dit lid is nog niet in werking getreden.

4.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat van de in het eerste lid bedoelde regels mag worden afgeweken voor zover:

Artikel 6.2

Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden

Artikel 6.3

Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden

Artikel 6.4

Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden

Artikel 6.5

Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden

Artikel 6.6

Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden

Artikel 6.7

Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden

Artikel 6.8

Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden

Artikel 6.9

Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden

Artikel 6.10

Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden

Artikel 6.11

Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden

Artikel 6.12
1.

Het is verboden zonder vergunning van het bestuurscollege te ontgronden dan wel als eigenaar, erfpachter, vruchtgebruiker, opstalhouder of gebruiker van enige onroerende zaak toe te laten, dat aldaar zonder vergunning ontgronding plaats heeft.

2.

Het bestuurscollege stelt de inspecteur in de gelegenheid advies uit te brengen over het ontwerp van de vergunning.

3.

Aan de vergunning kunnen voorschriften worden verbonden ter bevordering en bescherming van belangen betrokken bij de ontgronding, de herinrichting van de ontgronde onroerende zaken en de aanpassing van de omgeving van de ontgronde onroerende zaken.

4.

De voorschriften kunnen in ieder geval inhouden dat:

5.

Aan de vergunning kunnen voorschriften worden verbonden inhoudende dat op een daarbij omschreven wijze moet worden aangetoond of aan andere voorschriften aan de vergunning wordt voldaan en dat de daarbij verkregen gegevens ter beschikking worden gesteld van het bestuurscollege.

6.

Weigering, intrekking of wijziging van de vergunning kan geschieden op grond van strijd met de belangen, bedoeld in het derde lid.

Artikel 6.13
1.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels gesteld worden over:

2.

De voordracht voor een krachtens het eerste lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.

Paragraaf 7.3. De milieueffectrapportage die betrekking heeft op een plan

Hoofdstuk 8. Maatregelen in bijzondere omstandigheden

Paragraaf 8.1. Ongewone voorvallen

Paragraaf 8.2. Milieuschade

Paragraaf 8.3. Zware ongevallen

Afdeling 10.1. Toezicht en handhaving

Afdeling 10.2. Strafbepalingen

Hoofdstuk 11. Overige bepalingen

Paragraaf 11.2. Geheimhouding

Paragraaf 11.3. Wijziging Wet bescherming Antarctica

Paragraaf 11.4. Wijziging van de Wet grondslagen ruimtelijke ontwikkelingsplanning BES

Paragraaf 11.5. Wijziging Arbeidsveiligheidswet BES

Paragraaf 11.6. Wijziging Wet financiën openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Paragraaf 11.7. Overgangs- en slotbepalingen

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.