Regeling van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 19 september 2012, nr. WJZ/387165 (10152), houdende regels voor de verstrekking van subsidie voor de instandhouding van rijksmonumenten (Subsidieregeling instandhouding monumenten)
Gelet op artikel 3, tweede lid, van het Besluit rijkssubsidiëring instandhouding monumenten 2013;
Besluit:
Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen
Artikel 1. Begripsbepalingen
In deze regeling wordt verstaan onder:
- a. eigenaar: natuurlijke persoon of rechtspersoon die het recht van eigendom of een ander zakelijk recht heeft op een rijksmonument,
- b. groen monument: rijksmonument of zelfstandig onderdeel zijnde een aanleg die geheel of gedeeltelijk bestaat uit beplanting, zoals een park- of tuinaanleg,
- c. herbouwwaarde: kosten om een rijksmonument of zelfstandig onderdeel in zijn geheel opnieuw te vervaardigen, met dezelfde constructie, materiaalsoorten en detaillering,
- d. inspectierapport: rapport dat de technische of fysieke staat van een rijksmonument of zelfstandig onderdeel beschrijft, en dat is opgesteld door een ter zake deskundige persoon of instantie,
- e. instandhoudingsplan: plan als bedoeld in artikel 10,
- f. kerkgebouw: rijksmonument of zelfstandig onderdeel, dat in oorsprong uitsluitend of voor een overwegend deel is vervaardigd voor het gezamenlijk belijden van de godsdienst of levensovertuiging,
- g. minister: Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
- h. professionele organisatie voor monumentenbehoud: aangewezen organisatie als bedoeld in artikel 30,
- i. werelderfgoed: gebied dat door UNESCO is aangewezen als werelderfgoed op grond van de Overeenkomst inzake de bescherming van het cultureel en natuurlijk erfgoed van de wereld (Parijs, 16 november 1972),
- j. woonhuis: rijksmonument of zelfstandig onderdeel dat in oorsprong is vervaardigd voor bewoning of dat voor meer dan de helft van de oppervlakte voor bewoning in gebruik is, met dien verstande dat niet als woonhuis wordt aangemerkt een gebouw dat deel uitmaakt van een geregistreerd museum, een kerkgebouw, kasteel, paleis, hoofdhuis van een buitenplaats, landhuis, gebouw van liefdadigheid, molen, gemaal, agrarisch gebouw of watertoren,
- k. zelfstandig onderdeel:
- 1°. deel van een rijksmonument dat is aan te merken als een zelfstandige bouwkundige eenheid,
- 2°. deel van een rijksmonument dat is aan te merken als een toren van een kerkgebouw,
- 3°. alle delen gezamenlijk van een rijksmonument, zijnde een aanleg zoals een park- of tuinaanleg, die aan één eigenaar behoren, en niet het gehele rijksmonument omvatten, of
- 4°. alle delen gezamenlijk van een archeologisch rijksmonument, die aan één eigenaar behoren, en niet het gehele rijksmonument omvatten.
Hoofdstuk 2. Subsidieverstrekking voor onderhoud
§ 2.1. Algemeen
Artikel 2. Reikwijdte
De minister kan jaarlijks aan de eigenaar van een rijksmonument of zelfstandig onderdeel op aanvraag voor een periode van zes kalenderjaren subsidie voor het normale onderhoud van dat monument verstrekken.
Artikel 3. Subsidieplafonds
Voor subsidieverlening zijn jaarlijks ten hoogste de volgende bedragen beschikbaar voor:
- a. archeologische rijksmonumenten: € 800.000,
- b. groene monumenten: € 8,3 miljoen,
- c. overige rijksmonumenten: € 55,92 miljoen.
Indien in enig jaar een beschikbaar bedrag niet geheel wordt verleend, wordt het resterende bedrag aan het desbetreffende subsidieplafond voor het volgende jaar toegevoegd.
Artikel 4. Subsidiabele kosten
Subsidiabel zijn de kosten van werkzaamheden, maatregelen en voorzieningen die als zodanig zijn aangemerkt in de Leidraad subsidiabele instandhoudingskosten die als bijlage bij deze regeling is opgenomen.
Artikel 5. Maximumbedrag subsidiabele kosten
De subsidiabele kosten op grond waarvan het subsidiebedrag wordt bepaald, zijn ten hoogste 3 procent van de herbouwwaarde.
In afwijking van het eerste lid zijn de subsidiabele kosten op grond waarvan het subsidiebedrag wordt bepaald ten hoogste € 60.000 voor een molen.
Het eerste lid is niet van toepassing op groene monumenten en archeologische rijksmonumenten.
§ 2.2. Aanvraag
Artikel 6. Aanvraagtermijn
Een aanvraag om subsidie wordt ingediend van 1 februari tot en met 31 maart in het jaar voorafgaand aan de periode van zes kalenderjaren waarvoor subsidie wordt gevraagd.
Artikel 7. Wijze van indiening
Een aanvraag kan elektronisch of op papier worden ingediend. Elektronische aanvragen worden ingediend via de internetsite www.monumenten.nl met gebruikmaking van de daar beschikbare aanvraagmodule. Aanvragen op papier worden ingediend bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed te Amersfoort.
Artikel 8. In te dienen bescheiden
Bij een aanvraag om subsidie wordt gebruik gemaakt van een hiervoor door de minister vastgesteld aanvraagformulier. De minister stelt een afzonderlijk formulier vast waarmee een eigenaar aanvragen ten behoeve van 20 of meer rijksmonumenten gezamenlijk kan indienen.
In een aanvraagformulier kunnen de volgende bescheiden worden gevraagd:
- a. een instandhoudingsplan of een meerjarenbegroting als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder b,
- b. een actueel inspectierapport en, indien niet in het inspectierapport opgenomen, een of meer actuele overzichts- en detailfoto’s die een duidelijke indruk geven van het rijksmonument of zelfstandig onderdeel en zijn gebreken,
- c. met uitzondering van molens, archeologische rijksmonumenten en groene monumenten, een verzekeringspolis waaruit de herbouwwaarde blijkt, of voor zover geen verzekering is afgesloten of de herbouwwaarde niet uit de verzekeringspolis blijkt, een door een verzekeraar geaccepteerde taxatie van de herbouwwaarde,
- d. voor zover het een zelfstandig onderdeel betreft dat is aan te merken als een zelfstandige bouwkundige eenheid of als een toren van een kerkgebouw, een tekening waarop het zelfstandig onderdeel duidelijk is weergegeven ten opzichte van aangrenzende zelfstandige onderdelen,
- e. voor zover het een zelfstandig onderdeel van een beschermd archeologisch monument betreft, een overzichtskaart waarop de betrokken kadastrale percelen zijn aangegeven,
- f. voor zover het een groen monument betreft, een overzichtskaart van de groenaanleg met de plaats van de werkzaamheden en voor zover het een zelfstandig onderdeel betreft, de betrokken kadastrale percelen,
- g. voor zover het instandhoudingsplan ingrijpende werkzaamheden omvat, voldoende gegevens en bescheiden waaruit, aanvullend op het inspectierapport, de technische of fysieke staat van het rijksmonument of zelfstandig onderdeel nauwkeurig blijkt en waarmee de noodzaak van de ingrepen voldoende wordt onderbouwd, en
- h. voor zover de aanvraag een kerkgebouw betreft, een verklaring van de eigenaar dat het kerkgebouw gedurende de periode waarvoor subsidie wordt gevraagd bestendig wordt gebruikt.
Artikel 9. In te dienen bescheiden door professionele organisaties voor monumentenbehoud
In afwijking van artikel 8, tweede lid, gaat een aanvraag van een professionele organisatie voor monumentenbehoud slechts vergezeld van een overzicht van de rijksmonumenten of zelfstandige onderdelen waarvoor subsidie wordt gevraagd.
Het overzicht bevat per rijksmonument of zelfstandig onderdeel:
- a. het monumentnummer,
- b. de totale begrote subsidiabele kosten als bedoeld in artikel 4,
- c. voor zover het een zelfstandig onderdeel betreft, een omschrijving van dat onderdeel waarbij het te onderscheiden is van andere zelfstandige onderdelen van het desbetreffende rijksmonument, en
- d. voor zover het geen molen, archeologisch rijksmonument of groen monument betreft, de herbouwwaarde.
Artikel 10. Instandhoudingsplan
Het instandhoudingsplan heeft betrekking op zes kalenderjaren en omvat:
- a. een overzicht van de aard en omvang van de voorgenomen werkzaamheden en een omschrijving van de daarmee beoogde resultaten, en
- b. een meerjarenbegroting volgens een door de minister vastgesteld model.
In de meerjarenbegroting wordt aangegeven in welk jaar de onderscheiden werkzaamheden worden verricht.
§ 2.3. Verlening
Artikel 11. Beslistermijn
De minister beslist jaarlijks voor 1 september gelijktijdig op de in het desbetreffende jaar ingediende en voor subsidie in aanmerking komende aanvragen.
Artikel 12. Weigeringsgronden
Onverminderd artikel 7.6 van de Erfgoedwet wordt een aanvraag om subsidie in ieder geval geweigerd:
- a. voor zover de aanvraag betrekking heeft op een woonhuis,
- b. voor zover de aanvraag betrekking heeft op een kerkgebouw en een verklaring als bedoeld in artikel 8, tweede lid, onder h, ontbreekt,
- c. voor zover de subsidie naar het oordeel van de minister niet noodzakelijk is voor het normaal onderhoud van het rijksmonument of zelfstandig onderdeel,
- d. voor zover de werkzaamheden waarvoor subsidie wordt gevraagd naar het oordeel van de minister niet sober en doelmatig zijn,
- e. voor zover voor de kosten waarvoor subsidie wordt gevraagd reeds rijkssubsidie wordt verstrekt,
- f. voor zover bij schade de subsidiabele kosten op grond van een verzekering worden gedekt,
- g. voor zover de kosten waarvoor subsidie wordt gevraagd op grond van de Wet op de omzetbelasting op verschuldigde belasting in aftrek kunnen worden gebracht of op grond van de Wet op het BTW-compensatiefonds kunnen worden teruggevorderd,
- h. voor zover aan de aanvrager voor het rijksmonument of zelfstandig onderdeel waarvoor subsidie wordt gevraagd, in de vijf kalenderjaren voorafgaand aan het jaar van de aanvraag subsidie is verleend op grond van deze regeling, artikel 3 van het Besluit rijkssubsidiëring instandhouding monumenten 2011 of artikel 3 van het Besluit rijkssubsidiëring instandhouding monumenten,
- i. indien de aanvraag wordt ingediend buiten de termijn, bedoeld in artikel 6, of
- j. indien de subsidiabele kosten van een aanvraag die betrekking heeft op een archeologisch rijksmonument minder dan € 3000 bedragen of minder dan € 6000 bedragen indien de aanvraag betrekking heeft op een ander rijksmonument.
Het eerste lid, onder a, is niet van toepassing op een aanvraag van een:
- a. provincie, gemeente, waterschap of openbaar lichaam dat is ingesteld met toepassing van de Wet gemeenschappelijke regelingen, of
- b. professionele organisatie voor monumentenbehoud met een hoofdactiviteit tot het in stand houden van monumenten voor zover deze blijkt uit het aanwijzingsbesluit.
Artikel 13. Subsidiebedrag
Het subsidiebedrag dat wordt verleend, bedraagt 60 procent van de subsidiabele kosten met toepassing van artikel 5.
Artikel 14. Verdeelcriteria
Indien in enig jaar een subsidieplafond als bedoeld in artikel 3 niet hoog genoeg is om alle aanvragen ten laste van het desbetreffende beschikbare bedrag te honoreren, wordt op die aanvragen in de volgende volgorde beslist:
- a. aanvragen, voor zover die rijksmonumenten of zelfstandige onderdelen omvatten die deel uit maken van een werelderfgoed,
- b. aanvragen van professionele organisaties voor monumentenbehoud,
- c. aanvragen, voor zover deze niet voldoen aan onderdeel a of b.
Indien na toepassing van het eerste lid, onder a en b, nog middelen beschikbaar zijn, wordt het resterende budget als volgt verdeeld:
- a. 75 procent van het budget voor aanvragen, voor zover die rijksmonumenten of zelfstandige onderdelen betreffen met een herbouwwaarde van minder dan € 8,3 miljoen, voor zover die groene monumenten of archeologische rijksmonumenten betreffen met minder dan € 250.000 aan subsidiabele kosten of voor zover die molens betreffen, en
- b. 25 procent van het budget voor aanvragen, voor zover deze rijksmonumenten of zelfstandige onderdelen betreffen met een hogere herbouwwaarde onderscheidenlijk meer subsidiabele kosten dan in onderdeel a.
Indien bij toepassing van het eerste lid het subsidieplafond wordt overschreden door subsidieverlening aan alle aanvragen in het eerste lid, onderdeel a, b of c, wordt op de aanvragen in het desbetreffende onderdeel beslist in volgorde van totale begrote kosten uit de aanvraag, waarbij een aanvraag met lagere totale begrote kosten voorrang krijgt. Bij aanvragen van professionele organisaties voor monumentenbehoud worden de rijksmonumenten en zelfstandige onderdelen uit de ingediende overzichten, bedoeld in artikel 9, in volgorde van begrote kosten gezet en voor de toepassing van dit lid elk afzonderlijk als aanvraag beschouwd.
Artikel 15. Bevoorschotting
Indien de subsidie minder dan € 25.000 bedraagt, verleent de minister de eigenaar een voorschot van 100% van het subsidiebedrag.
Indien de subsidie € 25.000 of meer bedraagt, kan de minister de eigenaar een voorschot verlenen tot 100% van het subsidiebedrag.
De verlening van het voorschot geschiedt gelijktijdig met de beschikking tot subsidieverlening.
De uitkering van het voorschot geschiedt in jaarlijkse of meerjaarlijkse termijnen, op bij de beschikking aan te geven tijdstippen.
Indien de liquiditeitsbehoefte van de subsidieontvanger om een ander betaalritme vraagt, kan de minister in afwijking van het vierde lid een groter of kleiner deel van de subsidie in door hem te bepalen termijnen als voorschot betalen.
Artikel 16. Bijzondere bepalingen voor professionele organisaties voor monumentenbehoud
Een professionele organisatie voor monumentenbehoud kan de subsidie aanwenden voor uitvoering van subsidiabele werkzaamheden aan alle rijksmonumenten en zelfstandige onderdelen uit het overzicht, bedoeld in artikel 9, waarvoor subsidie is verleend.
Na een aanvraag als bedoeld in artikel 2 en onverminderd artikel 14 kan de minister er mee instemmen dat een professionele organisatie voor monumentenbehoud een overzicht als bedoeld in artikel 9 ten behoeve waarvan subsidie is verleend met ingang van het opvolgende kalenderjaar uitbreidt met andere rijksmonumenten of zelfstandige onderdelen die geen onderdeel uitmaken van dat overzicht. In dat geval wijzigt de minister de beschikking tot subsidieverlening en verhoogt hij de verleende subsidie naar rato van het aantal resterende kalenderjaren van het overzicht. De verhoging bedraagt voor de gehele resterende periode:
- a. voor toegevoegde beschermde archeologische monumenten of zelfstandige onderdelen daarvan en voor groene monumenten: 50 procent van de subsidiabele kosten;
- b. voor molens: 50 procent van de subsidiabele kosten, waarbij de subsidiabele kosten maximaal € 10.000,– bedragen, vermenigvuldigd met het aantal resterende kalenderjaren van het overzicht;
- c. voor overige monumenten of zelfstandige onderdelen daarvan: 50 procent van de subsidiabele kosten, waarbij de subsidiabele kosten maximaal 0,5 procent van de herbouwwaarde bedragen, vermenigvuldigd met het aantal resterende kalenderjaren van het overzicht.
§ 2.4. Verplichtingen van de subsidieontvanger
Artikel 17. Meldingsplicht
De subsidieontvanger doet onverwijld een schriftelijke melding aan de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed zodra aannemelijk is dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend niet, niet tijdig of niet geheel zullen worden verricht of dat niet, niet tijdig of niet geheel aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen zal worden voldaan.
Artikel 18. Nader onderzoek herbouwwaarde
Indien de minister ernstige twijfel heeft over de juistheid van de opgegeven herbouwwaarde, kan de minister een nader onderzoek naar de herbouwwaarde instellen. De subsidieontvanger werkt mee aan dit onderzoek.
Artikel 19. Onderhoudsplicht
De minister kan de subsidieontvanger verplichten na afloop van de werkzaamheden waarvoor subsidie is verleend, het rijksmonument of het zelfstandig onderdeel te bewaren en te onderhouden in de staat waarin het door de werkzaamheden waarvoor subsidie is verleend, is gebracht.
Artikel 20. Gebruik kerkgebouw
Een kerkgebouw waarvoor subsidie is verleend, wordt gedurende de subsidieperiode overeenkomstig de verklaring, bedoeld in artikel 8, tweede lid, onder h, bestendig gebruikt.
Artikel 21. Verplichtingen bij de uitvoering van werkzaamheden
De minister kan de subsidieontvanger verplichten:
- a. mee te werken aan een onderzoek naar de bouw- of ontstaansgeschiedenis van het rijksmonument of zelfstandig onderdeel,
- b. de aanbesteding en de gunning van de werkzaamheden waarvoor subsidie is verleend, op een door de minister te bepalen wijze te doen plaatsvinden,
- c. de minister tussentijds te berichten over de voortgang van werkzaamheden,
- d. mee te werken aan een onderzoek door een deskundige naar de uitvoering van de voorgenomen werkzaamheden,
- e. werkzaamheden uit te voeren volgens in de beroepsgroep geldende normen,
- f. het rijksmonument of het zelfstandig onderdeel te voorzien van een of meer installaties ter beperking van schade als gevolg van brand of blikseminslag, ter bescherming van de monumentale waarde van het rijksmonument of het zelfstandig onderdeel,
- g. advies te vragen aan de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed alvorens met de voorgenomen werkzaamheden wordt gestart voor zover de monumentale waarde van het rijksmonument of het zelfstandig onderdeel of de werkzaamheden daartoe aanleiding vormen, of
- h. werkzaamheden onder nader door hem te stellen voorwaarden te doen begeleiden indien voor de uitvoering daarvan specifieke kennis is vereist.
Artikel 22. Verzekeringsplicht
De minister kan de subsidieontvanger verplichten:
- a. voor de duur van de werkzaamheden waarvoor subsidie is verleend, een Casco-All-Risks verzekering af te sluiten, of
- b. vanaf de aanvang van de werkzaamheden waarvoor subsidie is verleend, op eigen kosten het rijksmonument of het zelfstandig onderdeel te verzekeren dan wel verzekerd te houden tegen brand-, storm- en bliksemschade en na afloop van de werkzaamheden daartegen verzekerd te houden.
§ 2.5. Verantwoording en vaststelling
Artikel 23. Desgevraagd verantwoording over prestaties bij subsidies minder dan € 25.000
Indien de subsidie minder dan € 25.000 bedraagt, toont de subsidieontvanger op verzoek van de minister aan dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht en dat is voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen. Bij beschikking wordt aangegeven op welke wijze dit wordt aangetoond.
Artikel 24. Verantwoording over prestaties bij subsidies van € 25.000 of meer
Indien de subsidie € 25.000 of meer bedraagt, toont de subsidieontvanger aan de hand van een prestatieverklaring aan dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht en dat is voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen.
De minister kan voor de prestatieverklaring een model vaststellen.
De prestatieverklaring gaat vergezeld van een inspectierapport per rijksmonument of per zelfstandig onderdeel, dat is opgesteld na afloop van het verrichten van de werkzaamheden waarvoor subsidie is verleend.
Het derde lid is niet van toepassing op professionele organisaties voor monumentenbehoud.
Voor zover uit de prestatieverklaring volgt dat niet alle activiteiten waarvoor subsidie is verleend zijn uitgevoerd of de subsidieontvanger zich niet aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen heeft gehouden, bevat de prestatieverklaring de redenen hiervoor.
Onverminderd het bepaalde in het eerste tot en met vierde lid, toont de subsidieontvanger op verzoek van de minister aan dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht en dat is voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen. Bij beschikking wordt aangegeven op welke wijze dit wordt aangetoond.
Artikel 25. Verantwoording van kosten bij subsidies van € 125.000 of meer
Indien de subsidie € 125.000 of meer bedraagt, legt de subsidieontvanger rekening en verantwoording af aan de hand van een financieel verslag. artikel 4:76 van de Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing.
De minister kan voor het financieel verslag een model vaststellen.
De minister kan de subsidieontvanger verplichten het financieel verslag vergezeld te doen gaan van een verklaring van een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.
In de verklaring, bedoeld in het derde lid, verklaart de accountant dat de bedragen in het financieel verslag juist zijn en doet hij tevens een uitspraak over de naleving door de subsidieontvanger van de in het controleprotocol genoemde voorschriften.
De subsidieontvanger bedingt bij de accountant dat deze zijn onderzoek inricht volgens een door de minister vast te stellen controleprotocol.
De minister kan de subsidieontvanger verplichten de desbetreffende originele rekeningen en betalingsbewijzen te overleggen.
Artikel 26. Vaststelling
Een aanvraag tot subsidievaststelling wordt ingediend in de periode van 1 juni tot en met 15 juli van het kalenderjaar dat volgt op de periode waarvoor subsidie is verleend. Indien de verleende subsidie minder dan € 25.000 bedraagt, wordt deze vastgesteld zonder aanvraag daartoe.
Aanvragen tot subsidievaststelling die worden ingediend vóór de periode van 1 juni tot en met 15 juli, worden geacht te zijn ingediend op de eerste dag van die periode.
Een beschikking tot subsidievaststelling wordt gegeven:
- a. indien de verleende subsidie minder dan € 25.000 bedraagt, binnen 22 weken na afloop van de periode waarvoor de subsidie is verleend, en
- b. indien de verleende subsidie € 25.000 of meer bedraagt binnen 22 weken na ontvangst van de aanvraag tot vaststelling.
Artikel 27. Lager vaststellen bij werkzaamheden in strijd met de wet
Onverminderd artikel 4:46 van de Algemene wet bestuursrecht kan de subsidie in ieder geval lager dan de verlening worden vastgesteld indien werkzaamheden waarvoor subsidie is verleend, zijn verricht in strijd met het bij of krachtens de wet bepaalde.
Artikel 28. Eigendomsoverdracht
Indien de subsidieontvanger de eigendom of een ander zakelijk recht van een rijksmonument of een zelfstandig onderdeel overdraagt aan een derde, dient de subsidieontvanger binnen drie maanden na de overdracht een aanvraag tot vaststelling van de subsidie in bij de minister. De artikelen 23 tot en met 27 zijn van overeenkomstige toepassing.
Na de vaststelling, bedoeld in het eerste lid, kan de minister op verzoek van de eigenaar aan wie de eigendom of het zakelijk recht is overgedragen, aan die eigenaar subsidie verstrekken ten behoeve van de afronding van het instandhoudingsplan. artikel 14 is niet van toepassing.
Artikel 29. Terugvordering
De subsidieontvanger is na de subsidievaststelling verplicht een teveel aan ontvangen voorschot onverwijld terug te betalen, tenzij de minister tot verrekening op andere wijze heeft besloten.
Bij terugvordering van onverschuldigd betaalde subsidiebedragen of voorschotten kan de minister de subsidieontvanger verplichten de met de terugvordering verband houdende kosten te voldoen. Tevens kan de minister in dat geval de wettelijke rente vorderen.
Hoofdstuk 3. Aanwijzing van professionele organisaties
§ 3.1. Aanwijzingsprocedure
Artikel 30. Aanwijzing
De minister kan op aanvraag een privaatrechtelijke rechtspersoon of kerkgenootschap aanwijzen als professionele organisatie voor monumentenbehoud.
De minister wijst een organisatie slechts aan indien zij eigenaar is van ten minste twintig rijksmonumenten en zij op professionele wijze de monumentale waarden van die monumenten in stand houdt.
Indien een aanvrager bij de aanvraag heeft aangetoond dat het in stand houden van monumenten een hoofdactiviteit van de organisatie is, vermeldt de minister dit in het aanwijzingsbesluit.
Artikel 31. Beoordelingscriteria
Een aanvrager toont in ieder geval aan dat:
- a. de organisatie een statutaire doelstelling tot instandhouding van cultureel erfgoed heeft,
- b. de kwaliteit van de uitvoering van werkzaamheden aan rijksmonumenten is geborgd,
- c. de professionele omgang met rijksmonumenten in de vijf jaar voorafgaand aan de aanvraag een structureel en consistent karakter heeft,
- d. de organisatie financieel stabiel is, en
- e. ten minste de helft van het aantal rijksmonumenten waarvan de organisatie eigenaar is in goede staat is.
Indien een aanvrager een vermelding als bedoeld in artikel 30, derde lid, wenst, toont deze aan dat het in stand houden van monumenten een hoofdactiviteit van de organisatie is, hetgeen onder meer kan blijken uit de feitelijke activiteiten van de organisatie.
Artikel 32. Aanvraag
Een aanvraag tot aanwijzing als professionele organisatie voor monumentenbehoud wordt ingediend bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed en omvat in ieder geval:
- a. de statuten van de rechtspersoon,
- b. een beleid- of visiedocument waarin de kwaliteit van de werkzaamheden bij cultureel erfgoed is geborgd en waarin ten minste wordt ingegaan op de volgende aspecten:
- 1°. de toepassing van in de beroepsgroep geldende normen voor werkzaamheden aan rijksmonumenten,
- 2°. het planmatige onderhoud van rijksmonumenten,
- 3°. het verrichten van cultuurhistorisch onderzoek bij restauratiewerkzaamheden, en
- 4°. de beschikking over en organisatie van structurele deskundigheid bij de uitvoering van werkzaamheden aan rijksmonumenten,
- c. de beschikbare jaarverslagen en jaarrekeningen of financiële verslagen van de vijf jaren voorafgaand aan het jaar van de aanvraag,
- d. een overzicht waaruit de staat van de rijksmonumenten waarvan zij eigenaar is blijkt.
De stukken, bedoeld in het eerste lid, gaan niet bij de aanvraag voor zover de aanvrager er redelijkerwijs van uit kan gaan dat deze al in het bezit van de minister zijn.
Artikel 33. Termijnen
Aanvragen kunnen in enig jaar tot en met 31 augustus van dat jaar worden ingediend.
De minister beslist in enig jaar binnen 22 weken na 31 augustus op de aanvragen die in dat jaar zijn ingediend.
Artikel 34. Advies
De minister vraagt advies over een aanvraag aan de Raad.
De Raad zendt binnen dertien weken na ontvangst van het adviesverzoek zijn advies aan de minister.
Artikel 35. Intrekking van de aanwijzing
Indien een professionele organisatie voor monumentenbehoud niet meer voldoet aan de criteria op grond waarvan zij is aangewezen, trekt de minister de aanwijzing in.
Op verzoek van de minister toont een professionele organisatie voor monumentenbehoud aan dat zij voldoet aan de criteria op grond waarvan zij is aangewezen.
§ 3.2. Beoordelingscommissie
Artikel 36. Commissie
Vervallen
Artikel 37. Advies en werkwijze beoordelingscommissie
Vervallen
Artikel 38. Inlichtingenplicht
Vervallen
Artikel 39. Vergoeding
Vervallen
Artikel 40. Openbaarmaking en archivering
Vervallen
Hoofdstuk 4. Slotbepalingen
Artikel 41. Wijziging Subsidieregeling stimulering herbestemming monumenten
Vervallen
Artikel 42. Afwijking subsidievoorschriften in verband met COVID-19
De minister kan de periode waarvoor de subsidie is verleend verlengen, indien de desbetreffende subsidieontvanger door de uitbraak van COVID-19 of de maatregelen ter bestrijding ervan redelijkerwijs niet in staat is de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend binnen de oorspronkelijke periode af te ronden.
In 2020 behoeft de minister, in afwijking van artikel 11, niet gelijktijdig te beslissen op de in dat jaar ingediende en voor subsidie in aanmerking komende aanvragen.
Ten aanzien van subsidieverstrekking in 2020 kan de minister hoofdstuk 1.1, aanhef en onderdeel f, van de bijlage bij deze regeling buiten toepassing laten voor werkzaamheden die zijn begonnen na de indiening van de subsidieaanvraag, indien het gelet op de uitbraak van COVID-19 of de maatregelen ter bestrijding ervan doelmatiger is deze werkzaamheden voorafgaand aan de subsidieverlening uit te voeren en indien de aanvrager de minister voldoende inzicht geeft in de noodzaak van deze werkzaamheden.
Artikel 43. Inwerkingtreding
Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2013.
Deze regeling vervalt met ingang van 1 januari 2022.
Artikel 44. Citeertitel
Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling instandhouding monumenten.
Bijlage. als bedoeld in artikel 4 van de Subsidieregeling instandhouding monumenten
Hoofdstuk 1.1. Algemene bepalingen subsidiabele kosten
Leidraad subsidiabele instandhoudingskosten
Subsidiabel zijn de kosten van werkzaamheden, maatregelen en voorzieningen ten behoeve van de instandhouding van beschermde monumenten of zelfstandige onderdelen, voor zover dat is bepaald in deze bijlage, met dien verstande dat:
Leidraad subsidiabele instandhoudingskosten
Leidraad subsidiabele instandhoudingskosten
Subsidiabel zijn de kosten van werkzaamheden, maatregelen en voorzieningen ten behoeve van de instandhouding van rijksmonumenten of zelfstandige onderdelen, voor zover dat is bepaald in deze bijlage, met dien verstande dat:
Subsidiabel zijn de kosten van werkzaamheden, maatregelen en voorzieningen ten behoeve van de instandhouding van rijksmonumenten of zelfstandige onderdelen, voor zover dat is bepaald in deze bijlage, met dien verstande dat:
Subsidiabel zijn de kosten van werkzaamheden, maatregelen en voorzieningen ten behoeve van de instandhouding van rijksmonumenten of zelfstandige onderdelen, voor zover dat is bepaald in deze bijlage, met dien verstande dat:
In hoofdstuk 1.1 staan algemene bepalingen ten aanzien van subsidiabele kosten. Deze bepalingen gelden voor alle subsidiabele kosten, genoemd in deze bijlage.
In hoofdstuk 1.1 staan algemene bepalingen ten aanzien van subsidiabele kosten. Deze bepalingen gelden voor alle subsidiabele kosten, genoemd in deze bijlage.
In hoofdstuk 1.1 staan algemene bepalingen ten aanzien van subsidiabele kosten. Deze bepalingen gelden voor alle subsidiabele kosten, genoemd in deze bijlage.
Technisch noodzakelijk, sober en doelmatig
In het instandhoudingsplan, met name in de werkomschrijving of het bestek en in de begroting, moeten de onderdelen zoals genoemd in deze Leidraad terug te vinden zijn.
Kosten van werkzaamheden die niet zijn opgenomen in de Leidraad komen niet voor subsidieverlening in aanmerking. In een aantal gevallen is aangegeven welke kosten niet subsidiabel zijn. Deze niet-subsidiabele kostenposten zijn telkens bedoeld ter verduidelijking en als afbakening om aan te geven waar de grens tussen subsidiabel en niet-subsidiabel ligt, maar zijn niet limitatief. Indien is aangegeven dat kosten niet-subsidiabel zijn in het kader van de Subsidieregeling instandhouding monumenten (hierna: Sim), kunnen deze kosten wel subsidiabel zijn op grond van een andere subsidieregeling. Met name bij groene monumenten is deze beperking toegevoegd, om budgettaire redenen. In deze gevallen kunnen de werkzaamheden op zich dus wel belangrijk zijn voor de instandhouding van monumentale waarden.
Waar in de Leidraad wordt gesproken over ‘instandhouding’, wordt gelet op artikel 7.3 van de Erfgoedwet zowel op normaal onderhoud als op restauratie gedoeld. De Sim richt zich op onderhoud en klein herstel waarmee verval van rijksmonumenten kan worden voorkomen. Door het op sober onderhoud afgestemde maximumbedrag aan subsidiabele kosten zal subsidiëring van (deel)restauraties of grote ingrepen in de praktijk niet mogelijk zijn. Toch is in de Leidraad – behalve bij groene monumenten – geen onderscheid gemaakt in onderhoud en restauratie. Voor gebouwde monumenten zou ten aanzien van veel werkzaamheden met percentages moeten worden gewerkt, wat in veel gevallen een arbitraire grens zou opleveren. Dat levert onwenselijke situaties op. In de praktijk zal het maximumbedrag aan subsidiabele kosten de indiening van restauratieplannen belemmeren. Voor archeologische monumenten geldt weliswaar geen maximumbedrag aan subsidiabele kosten, maar de kosten van grotere ingrepen zijn daar relatief laag in vergelijking met die bij gebouwde monumenten.
Technisch noodzakelijk, sober en doelmatig
De werkzaamheden moeten strekken tot instandhouding van het rijksmonument of het zelfstandig onderdeel daarvan, ze moeten sober, doelmatig en technisch noodzakelijk zijn en gericht op maximaal behoud van monumentale waarden. Sober en doelmatig houdt in dit verband in dat de werkzaamheden gericht moeten zijn op maximaal behoud van monumentale waarden, dat ze op een vakkundige wijze worden uitgevoerd en dat met de werkzaamheden verval en vervolgschade worden voorkomen. Behoud gaat hierbij vóór herstel, herstel vóór vervanging en vervanging vóór reconstructie. Het reconstrueren van monumenten is in beginsel niet subsidiabel.
Behoud van monumentale waarden
Bij (materiaal)technisch noodzakelijk gebleken vervanging dienen de nieuwe onderdelen in materiaal, vorm, detaillering, uitvoering, afwerking én kwaliteit zoveel mogelijk overeen te komen met de afkomende, te vervangen onderdelen. Van geval tot geval zal een gedegen afweging moeten plaatsvinden of onderdelen of elementen gereconstrueerd mogen en kunnen worden en zo ja op welke manier.
Het is uiteindelijk ter beoordeling van de minister of aan voornoemde uitgangspunten wordt voldaan. Een instandhoudingsplan wordt op deze punten getoetst aan de hand van de bevindingen in het inspectierapport en detailfoto’s van de gebreken enerzijds en de in het plan opgenomen werkzaamheden anderzijds. De blijkens het inspectierapport meest urgente werkzaamheden zullen normaal gesproken in het plan moeten zijn opgenomen. Is dat niet het geval en wordt subsidie gevraagd voor andere werkzaamheden, dan zal dit in de aanvraag moeten worden onderbouwd. Om het plan als doelmatig te kunnen aanmerken, zal de eigenaar moeten verklaren dat de niet opgenomen urgente werkzaamheden wel worden uitgevoerd en wanneer ze zijn gepland. Als voorbeeld kan dienen een aanvraag in het kader van de Sim, een onderhoudsregeling. Indien het plan betrekking heeft op andere dan de meest noodzakelijke onderhoudswerkzaamheden of op restauratie, zal de aanvrager moeten verklaren dat ook het noodzakelijke onderhoud in de desbetreffende planperiode zal worden uitgevoerd.
Behoud van monumentale waarden
Zoals gezegd worden alleen de werkzaamheden die direct verband houden met de instandhouding van de monumentale waarden van het rijksmonument gesubsidieerd. Uit de aard der zaak wordt de hoofdstructuur van het monument daartoe gerekend, maar ook bijvoorbeeld vaste interieuronderdelen en monumentale installaties. Een en ander neemt niet weg dat werkzaamheden niet altijd noodzakelijk zullen zijn en dus ook niet altijd zonder meer subsidiabel zullen zijn. Zo zal bijvoorbeeld herstel van voegwerk dat technisch gezien nog goed is, niet subsidiabel zijn. Het onderhoud van niet-monumentale verwarmingsinstallaties, elektrotechnische en andere installaties is evenmin subsidiabel.
De subsidiabele instandhoudingskosten voor groene monumenten zijn samengebracht in hoofdstuk 1.3, in paragraaf 92. Daarnaast zijn ook de paragrafen 01 en 05 van hoofdstuk 1.3 van toepassing. De overige paragrafen van hoofdstuk 1.3 zijn niet van toepassing op groene monumenten.
De subsidiabele instandhoudingskosten voor groene monumenten zijn samengebracht in hoofdstuk 1.3, in paragraaf 92. Daarnaast zijn ook de paragrafen 01 en 05 van hoofdstuk 1.3 van toepassing. De overige paragrafen van hoofdstuk 1.3 zijn niet van toepassing op groene monumenten.
Paragraaf 92 voor groene monumenten heeft een specifieke indeling. Deze hangt samen met de wens om met het beschikbare budget zoveel mogelijk groene monumenten in stand te houden. Niet alle voor de instandhouding noodzakelijke kosten kunnen op grond van de Sim worden gesubsidieerd. Er moeten prioriteiten worden gesteld. Er is een splitsing aangebracht tussen subsidiabel onderhoud enerzijds en op grond van de Sim niet-subsidiabel onderhoud en restauratie anderzijds. Subsidiabel op grond van de Sim zijn onderhoudswerkzaamheden met ‘prioriteit 1’. Het betreft onderhoudswerkzaamheden aan de hoofdstructuur en de aantoonbare kernwaarden (hoofdkarakteristiek) van groene monumenten. Onderhoudswerkzaamheden met ‘prioriteit 2’ en restauratiewerkzaamheden zijn niet subsidiabel op grond van de Sim. Ze kunnen wel subsidiabel zijn in het kader van een andere subsidieregeling, bijvoorbeeld een restauratiesubsidieregeling van een provincie.
Voor zover het werkzaamheden aan het interieur van het monument betreft, wordt het volgende opgemerkt. In de Leidraad is bij de subsidiabele kosten niet telkens onderscheid gemaakt tussen kosten van werkzaamheden aan de buitenkant van een monument en van werkzaamheden aan de binnenkant van een monument. Uitgangspunt is dat kosten die betrekking hebben op werkzaamheden aan de binnenkant van een monument, slechts subsidiabel zijn indien die werkzaamheden strekken tot behoud van de monumentale waarde van het monument of bijvoorbeeld om constructieve reden noodzakelijk zijn. Zo zal het ‘witten’ van binnenmuren in de meeste gevallen niet subsidiabel zijn omdat dit niet noodzakelijk is voor de bescherming van de monumentale waarde of een constructieve noodzaak heeft. Dit schilderwerk is wel subsidiabel indien pleisterwerk om constructieve of technische redenen vervangen moet worden.
Voor zover het werkzaamheden aan het interieur van het monument betreft, wordt het volgende opgemerkt. In de Leidraad is bij de subsidiabele kosten niet telkens onderscheid gemaakt tussen kosten van werkzaamheden aan de buitenkant van een monument en van werkzaamheden aan de binnenkant van een monument. Uitgangspunt is dat kosten die betrekking hebben op werkzaamheden aan de binnenkant van een monument, slechts subsidiabel zijn indien die werkzaamheden strekken tot behoud van de monumentale waarde van het monument of bijvoorbeeld om constructieve reden noodzakelijk zijn. Zo zal het ‘witten’ van binnenmuren in de meeste gevallen niet subsidiabel zijn omdat dit niet noodzakelijk is voor de bescherming van de monumentale waarde of een constructieve noodzaak heeft. Dit schilderwerk is wel subsidiabel indien pleisterwerk om constructieve of technische redenen vervangen moet worden.
Of interieuronderdelen daadwerkelijk monumentale waarden bezitten, dient in eerste instantie, voor zover mogelijk, beoordeeld te worden aan de hand van hetgeen vermeld is in het besluit tot aanwijzing van het rijksmonument. Biedt dit onvoldoende uitsluitsel, dan zullen de monumentale waarden nader bepaald kunnen worden aan de hand van een cultuurhistorisch of bouwhistorisch rapport of een andere publicatie die op de monumentale waarden ingaat. Daarnaast kan ook het oordeel van de minister ertoe leiden dat in het kader van de vaststelling van de subsidiabele kosten aan bepaalde onderdelen monumentale waarde wordt toegekend.
Het interieur van een rijksmonument bestaat uit vaste en losse onderdelen.
Het Burgerlijk Wetboek (art. 3:4) is bepalend voor de vraag of iets kan worden aangemerkt als vast interieuronderdeel van een gebouw. De vuistregels zijn in dit verband grofweg: is iets hecht verbonden met het gebouw of maakt iets het gebouw als gebouw compleet.
Veiligheid
Voor de vraag of een gebouw incompleet is, moet worden gekeken of het gebouw zonder het interieuronderdeel als gebouw incompleet – onaf – is. Voorbeelden van dit soort interieuronderdelen zijn deuren (die betrekkelijk eenvoudig uit hun hengsels zijn te lichten) en wandafwerkingen, aangebracht op of voor onafgewerkte muurvlakken, die zonder beschadiging zijn te verwijderen. Het gaat hierbij overigens om het gebouw en niet zozeer om de functie die het heeft. Het ontbreken van een object dat van belang is voor de functie, bijvoorbeeld voor de eredienst in een kerkgebouw, maakt dit gebouw niet incompleet.
Voor zover vaste interieuronderdelen van belang zijn voor de monumentale waarde van het rijksmonument, zijn de kosten van werkzaamheden aan deze onderdelen in beginsel subsidiabel.
Bij losse interieuronderdelen (veelal de inrichting) kan gedacht worden aan gebruiksvoorwerpen, gordijnen, kandelaars, los meubilair, kerkschatten, schilderijen en tapijten. Losse interieuronderdelen en de werkzaamheden daaraan, zijn niet subsidiabel.
Veiligheid
De Arbeidsomstandighedenwet stelt eisen met betrekking tot veiligheid, gezondheid en welzijn van degenen die met de uitvoering van werk belast zijn. Deze wet is ook van toepassing op instandhoudingswerkzaamheden. Er moeten zogenoemde Arbo-voorzieningen worden getroffen om risico’s zo veel mogelijk te beperken. Met betrekking tot de instandhouding van rijksmonumenten wordt onderscheid gemaakt tussen tijdelijke bouwplaatsvoorzieningen (steigers, dakrandbeveiliging, en dergelijke) en voorzieningen van meer permanente aard (zoals ladder- en veiligheidshaken, loopbruggen, luiken en verlichting).
De Arbeidsomstandighedenwet stelt eisen met betrekking tot veiligheid, gezondheid en welzijn van degenen die met de uitvoering van werk belast zijn. Deze wet is ook van toepassing op instandhoudingswerkzaamheden. Er moeten zogenoemde Arbo-voorzieningen worden getroffen om risico’s zo veel mogelijk te beperken. Met betrekking tot de instandhouding van rijksmonumenten wordt onderscheid gemaakt tussen tijdelijke bouwplaatsvoorzieningen (steigers, dakrandbeveiliging, en dergelijke) en voorzieningen van meer permanente aard (zoals ladder- en veiligheidshaken, loopbruggen, luiken en verlichting).
De tijdelijke bouwplaatsvoorzieningen zijn uitsluitend nodig, indien ingrijpende werkzaamheden moeten worden uitgevoerd. In de regel wordt hiervoor een (hoofd)aannemer ingeschakeld. Het treffen van de benodigde tijdelijke voorzieningen valt onder de verantwoordelijkheid van de aannemer (zie hoofdstuk 1.3, paragrafen 01.04 en 01.05).
Indieningsvereisten bij grotere ingrepen
In geval van een instandhoudingsplan voor ingrijpende werkzaamheden moeten meer stukken bij de subsidieaanvraag gevoegd worden dan bij normaal onderhoud. Het kan hierbij gaan om tekeningen en specialistische rapporten.
In geval van een instandhoudingsplan voor ingrijpende werkzaamheden moeten meer stukken bij de subsidieaanvraag gevoegd worden dan bij normaal onderhoud. Het kan hierbij gaan om tekeningen en specialistische rapporten.
Voorzieningen en apparatuur
Diverse specialistische werkzaamheden worden in de planvorming niet door de (restauratie)architect uitgevoerd, maar door andere specialisten. In dit verband kan gedacht worden aan adviezen op bouwfysisch, constructief of installatietechnisch gebied, aan bouwhistorisch- of interieuronderzoek, aan beeldhouwwerk, bijzonder schilderwerk en werkzaamheden aan installaties en interieur en aan specialistische werkzaamheden ten behoeve van groene of archeologische monumenten (zoals het opstellen van tuinhistorische adviezen of adviezen over grondmechanica en het maken van bodem- en geochemische analyses). Dergelijke werkzaamheden door derden (zoals adviseurs, onderzoekers en restauratoren) zijn subsidiabel, mits ze noodzakelijk zijn en geadviseerd of voorgeschreven dan wel vooraf goedgekeurd zijn door de minister (zie hoofdstuk 1.3, paragraaf 01.04, onder ‘overige kosten’).
In specifieke gevallen kan de minister adviseren of voorschrijven om voorzieningen te treffen dan wel apparatuur te installeren. Daarbij kan gedacht worden aan beschermende voorzieningen voor gevels, gebrandschilderde ramen, houten of natuurstenen vloeren, aan reiniging en/of behandeling van gevels en beeldhouwwerken of aan het aanbrengen van vogel- en ongedierte werende voorzieningen. Voorts kan het gaan om het plaatsen van installaties voor klimaatbeheersing, bliksemafleiding, inbraakbeveiliging of brandmelding.
Zelfwerkzaamheid
Het kan ook zijn dat in vooroverleg over een instandhoudingsplan een dergelijke voorziening of installatie door de minister is geadviseerd. Indien de minister adviseert of voorschrijft de voorziening te treffen of de apparatuur te installeren, zijn de kosten daarvan subsidiabel.
Zelfwerkzaamheid
Voor de instandhouding van een monument is specifiek vakmanschap doorgaans onontbeerlijk. De regelgeving biedt een eigenaar van een monument de ruimte om instandhoudingswerkzaamheden geheel of gedeeltelijk zelf uit te voeren of door eigen personeel te laten uitvoeren in het kader van een door hem gedreven onderneming (zie hoofdstuk 1.3, paragraaf 01.04).
Meerwerk
Meerwerk
Informatie en toegang voor publiek
Kosten die verband houden met het geven van informatie aan bezoekers, zoals het aanbrengen of vernieuwen van richting- en informatieborden, zijn niet subsidiabel. Ook kosten die verband houden met het toegankelijk maken of ontsluiten van een rijksmonument voor het publiek zijn niet subsidiabel. Het betreft kosten, gerelateerd aan het vergroten van het draagvlak voor rijksmonumenten, die niet direct noodzakelijk zijn voor de instandhouding ervan.
Kosten die verband houden met het geven van informatie aan bezoekers, zoals het aanbrengen of vernieuwen van richting- en informatieborden, zijn niet subsidiabel. Ook kosten die verband houden met het toegankelijk maken of ontsluiten van een rijksmonument voor het publiek zijn niet subsidiabel. Het betreft kosten, gerelateerd aan het vergroten van het draagvlak voor rijksmonumenten, die niet direct noodzakelijk zijn voor de instandhouding ervan.
De kosten voor het opstellen van een instandhoudingsplan, door een architect/bouwkundige/ groenbeheerder/archeoloog, zullen worden getoetst aan de hieronder uitgewerkte honorariumpercentages. Tot de werkzaamheden inzake het opstellen van een instandhoudingsplan behoren:
De kosten voor het opstellen van een instandhoudingsplan, door een architect/bouwkundige/ groenbeheerder/archeoloog, zullen worden getoetst aan de hieronder uitgewerkte honorariumpercentages. Tot de werkzaamheden inzake het opstellen van een instandhoudingsplan behoren:
1. Tabel voor de berekening van het honorarium inzake het opstellen van een instandhoudingsplan
De kosten voor het opstellen van een instandhoudingsplan, door een architect/bouwkundige/ groenbeheerder/archeoloog, zullen worden getoetst aan de hieronder uitgewerkte honorariumpercentages. Tot de werkzaamheden inzake het opstellen van een instandhoudingsplan behoren:
In de toelichting op het aanvraagformulier is aangegeven aan welke eisen genoemde stukken dienen te voldoen.
Het subsidiabele honorariumbedrag voor het opstellen van een instandhoudingsplan wordt als volgt vastgesteld:
Eerst wordt het honorariumpercentage bepaald aan de hand van het hiernavolgende overzicht, waarin dat percentage is gerelateerd aan de totale instandhoudingskosten/ bouwsom. Vervolgens wordt het subsidiabele honorariumbedrag berekend door het gevonden honorariumpercentage te vermenigvuldigen met de subsidiabele kosten.
2. Tabel voor de berekening van het honorarium inzake de planbegeleiding
Bij instandhoudingsplannen is begeleiding door een architect/bouwkundige/groenbeheerder/ archeoloog subsidiabel indien en voor zover die begeleiding uit de volgende werkzaamheden bestaan:
De totale kosten voor de begeleiding van de uitvoering van een instandhoudingsplan, over de planperiode van zes jaar gerekend, zijn aan een maximum gebonden.
3. Tabel voor de berekening van de toeslag voor het vervaardigen van aanvullende stukken (niet van toepassing op normaal onderhoud als bedoeld in de Sim)
Eerst wordt het honorariumpercentage bepaald aan de hand van het hiernavolgende overzicht, waarin dat percentage is gerelateerd aan de totale instandhoudingskosten/ bouwsom. Vervolgens wordt het subsidiabele honorariumbedrag berekend door het gevonden honorariumpercentage te vermenigvuldigen met de subsidiabele kosten.
Indien de instandhoudingswerkzaamheden ingrijpender herstel en/of grote ingrepen omvatten zijn aanvullende, meer gedetailleerde stukken nodig om het instandhoudingsplan goed te kunnen beoordelen. Welke aanvullende stukken dat betreft, hangt af van het uit te voeren werk. In dit verband wordt verwezen naar de toelichting op het aanvraagformulier.
Indien de instandhoudingswerkzaamheden ingrijpender herstel en/of grote ingrepen omvatten zijn aanvullende, meer gedetailleerde stukken nodig om het instandhoudingsplan goed te kunnen beoordelen. Welke aanvullende stukken dat betreft, hangt af van het uit te voeren werk. In dit verband wordt verwezen naar de toelichting op het aanvraagformulier.
Voor het (laten) vervaardigen van de benodigde aanvullende stukken mag de architect/bouwkundige/groenbeheerder/archeoloog boven op het honorarium een toeslag berekenen. De totale som (plankosten, begeleidingskosten en toeslag) is aan een maximum gebonden conform onderstaande tabel.
4. Grondslagen voor de berekening van het bouwplaatsuurloon
Grondslagen voor de berekening van de gemiddelde loonkosten van aannemers en onderaannemers zijn:
Subsidiabele gemiddelde (bouwplaats)uurloon:
Het actuele subsidiabele gemiddelde uurloon staat vermeld op de internetsite van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed www.cultureelerfgoed.nl en op www.monumenten.nl.
Het gemiddelde uurloon is inclusief twee reisuren maar exclusief algemene bouwplaatskosten, algemene bedrijfskosten, winst + risico en btw.
De kosten van een aannemer zijn te verdelen in directe en indirecte kosten.
De kosten van een aannemer zijn te verdelen in directe en indirecte kosten.
Directe kosten:
Tot de directe kosten van een bouwwerk behoren de kosten van de daarin te verwerken materialen en het daarbij behorende loon van het personeel. Onder de directe kosten worden voor instandhoudingswerkzaamheden ook begrepen de kosten van eventuele onderaannemers en steigerwerk.
Indirecte kosten:
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
Artikel 42a. Overgangsperiode Aangewezen organisaties voor monumentenbehoud
Een organisatie die op grond van artikel 33 van het Besluit rijkssubsidiëring instandhouding monumenten 2011, zoals dat luidde voor inwerkingtreding van het Besluit rijkssubsidiëring instandhouding monumenten 2013, door de minister was aangewezen als organisatie voor monumentenbehoud kan in de jaren 2013 en 2014 een aanvraag om subsidie indienen overeenkomstig artikel 9.
Een aanvraag om subsidie van een organisatie als bedoeld in het eerste lid, gedaan in het jaar 2013 of 2014, wordt niet geweigerd op de grond, bedoeld in artikel 12, eerste lid, onderdeel a.
De laatste volzin van artikel 14, derde lid, is van overeenkomstige toepassing bij een aanvraag als bedoeld in dit artikel, met dien verstande dat de aanvragen van organisaties als bedoeld in het eerste lid niet worden aangemerkt als aanvragen als bedoeld in artikel 14, eerste lid, onder b.
De artikelen 16, eerste lid, en 24, vierde lid, zijn van overeenkomstige toepassing op een organisatie als bedoeld in het eerste lid voor de subsidie verleend op een aanvraag als bedoeld in dit artikel.
Bijlage. als bedoeld in artikel 4 van de Subsidieregeling instandhouding monumenten
Leidraad subsidiabele instandhoudingskosten
Subsidiabel zijn de kosten van werkzaamheden, maatregelen en voorzieningen ten behoeve van de instandhouding van rijksmonumenten of zelfstandige onderdelen, voor zover dat is bepaald in deze bijlage, met dien verstande dat:
Leidraad subsidiabele instandhoudingskosten
Met deze bijlage ‘Leidraad subsidiabele instandhoudingskosten’ (hierna: Leidraad) wordt gestreefd naar een efficiënte afhandeling van subsidieaanvragen en subsidievaststellingen. Daartoe is aangesloten bij de indeling van werkzaamheden bij de reeds bestaande ‘STABU-hoofdcodering’. STABU staat voor Standaardbestek voor de Burger- en Utiliteitsbouw. De Leidraad is gebaseerd op dezelfde codering als STABU. Voor specifieke werkzaamheden, die niet of onvoldoende in de STABU-hoofdcodering voorkomen, is een nieuwe codering toegevoegd. Dit is bijvoorbeeld gebeurd voor werktuigbouwkundige installaties, ‘klinkende’ onderdelen van monumenten (zoals orgels) en ‘groene’ monumenten (zoals parken en tuinen) en beplanting op archeologische monumenten.
Technisch noodzakelijk, sober en doelmatig
Vanwege de brede opzet van de Leidraad kan deze ook van (overeenkomstige) toepassing worden verklaard in andere subsidieregelingen van het Rijk of van een provincie.
Technisch noodzakelijk, sober en doelmatig
De werkzaamheden moeten strekken tot instandhouding van het rijksmonument of het zelfstandig onderdeel daarvan, ze moeten sober, doelmatig en technisch noodzakelijk zijn en gericht op maximaal behoud van monumentale waarden. Sober en doelmatig houdt in dit verband in dat de werkzaamheden gericht moeten zijn op maximaal behoud van monumentale waarden, dat ze op een vakkundige wijze worden uitgevoerd en dat met de werkzaamheden verval en vervolgschade worden voorkomen. Behoud gaat hierbij vóór herstel, herstel vóór vervanging en vervanging vóór reconstructie. Het reconstrueren van monumenten is in beginsel niet subsidiabel.
Behoud van monumentale waarden
Zoals gezegd worden alleen de werkzaamheden die direct verband houden met de instandhouding van de monumentale waarden van het rijksmonument gesubsidieerd. Uit de aard der zaak wordt de hoofdstructuur van het monument daartoe gerekend, maar ook bijvoorbeeld vaste interieuronderdelen en monumentale installaties. Een en ander neemt niet weg dat werkzaamheden niet altijd noodzakelijk zullen zijn en dus ook niet altijd zonder meer subsidiabel zullen zijn. Zo zal bijvoorbeeld herstel van voegwerk dat technisch gezien nog goed is, niet subsidiabel zijn. Het onderhoud van niet-monumentale verwarmingsinstallaties, elektrotechnische en andere installaties is evenmin subsidiabel.
Groene monumenten
Ten aanzien van de fysieke hechtheid van de verbinding werd in het verleden ook wel gesproken van ‘aard- en nagelvast’. Hierbij kan worden gedacht aan vloeren, plafonds, schouwen en betimmeringen, hecht verankerd (kerk)meubilair, maar ook aan wandbespanningen en geschilderd behangsel.
Veiligheid
Hiermee is uiteraard niet gezegd dat losse voorwerpen en objecten niet van waarde kunnen zijn in relatie tot het rijksmonument. Hiervan is namelijk in veel gevallen sprake. De Sim maakt subsidiëring van dergelijke – ‘roerende’ – zaken echter niet mogelijk.
Veiligheid
Het komt vaak voor dat delen van rijksmonumenten zeer moeilijk of niet bereikbaar zijn zonder een hoogwerker, kraan of steiger. Om reguliere inspecties en werkzaamheden goed en veilig te kunnen uitvoeren is het in zo’n situatie noodzakelijk voorzieningen van meer permanente aard aan te brengen om die gedeelten steeds gemakkelijk te kunnen bereiken. Voorbeelden van dergelijke voorzieningen zijn loopbruggen in ruimten boven gewelven in kerken, ladder- en veiligheidshaken, klimhaken (voldoende en op de juiste plaats) en dak- en torenspitsluiken. Hoewel zelden een verfraaiing, zijn dergelijke Arbo-voorzieningen noodzakelijk om rijksmonumenten in stand te kunnen blijven houden. Het aanbrengen, mits tot een minimum beperkt en deskundig uitgevoerd, is dan ook subsidiabel (zie hoofdstuk 1.3, paragrafen 32, 33 en 70).
Indieningsvereisten bij grotere ingrepen
De tekeningen worden onderscheiden in: opnametekeningen (bestaande toestand en gebrekentekeningen), plantekeningen (nieuwe toestand, hoe de gebreken worden verholpen, of welke wijzigingen worden aangebracht) en aanvullende tekeningen (zoals doorsneden, principedetails en werktekeningen). Het vervaardigen van tekeningen behoort bij het opstellen van een plan voor restauratiewerkzaamheden en andere grotere ingrepen en is in dat kader subsidiabel (zie paragraaf 01.04 van de Leidraad bij ‘architecten-/plankosten’).
Voorzieningen en apparatuur
In specifieke gevallen kan de minister adviseren of voorschrijven om voorzieningen te treffen dan wel apparatuur te installeren. Daarbij kan gedacht worden aan beschermende voorzieningen voor gevels, gebrandschilderde ramen, houten of natuurstenen vloeren, aan reiniging en/of behandeling van gevels en beeldhouwwerken of aan het aanbrengen van vogel- en ongedierte werende voorzieningen. Voorts kan het gaan om het plaatsen van installaties voor klimaatbeheersing, bliksemafleiding, inbraakbeveiliging of brandmelding.
Zelfwerkzaamheid
Voor de instandhouding van een monument is specifiek vakmanschap doorgaans onontbeerlijk. De regelgeving biedt een eigenaar van een monument de ruimte om instandhoudingswerkzaamheden geheel of gedeeltelijk zelf uit te voeren of door eigen personeel te laten uitvoeren in het kader van een door hem gedreven onderneming (zie hoofdstuk 1.3, paragraaf 01.04).
Meerwerk
In het algemeen geldt dat de kosten van ‘zelfwerkzaamheid’ alleen dan subsidiabel zijn indien de eigenaar achteraf kan aantonen (bijvoorbeeld door middel van een accountantsverklaring) hoeveel uren door hemzelf of zijn personeel binnen het kader van een door hem gedreven onderneming zijn besteed aan subsidiabele werkzaamheden. Uren die zijn besteed buiten het kader van de door hem gedreven onderneming gelden als ‘doe-het-zelf’-uren en zijn niet subsidiabel.
Informatie en toegang voor publiek
De kosten voor het opstellen van een instandhoudingsplan, door een architect/bouwkundige/ groenbeheerder/archeoloog, zullen worden getoetst aan de hieronder uitgewerkte honorariumpercentages. Tot de werkzaamheden inzake het opstellen van een instandhoudingsplan behoren:
2. Tabel voor de berekening van het honorarium inzake de planbegeleiding
Bij instandhoudingsplannen is begeleiding door een architect/bouwkundige/groenbeheerder/ archeoloog subsidiabel indien en voor zover die begeleiding uit de volgende werkzaamheden bestaan:
3. Tabel voor de berekening van de toeslag voor het vervaardigen van aanvullende stukken (niet van toepassing op normaal onderhoud als bedoeld in de Sim)
Het subsidiabele honorariumbedrag voor de begeleiding wordt als volgt vastgesteld:
3. Tabel voor de berekening van de toeslag voor het vervaardigen van aanvullende stukken (niet van toepassing op normaal onderhoud als bedoeld in de Sim)
Grondslagen voor de berekening van de gemiddelde loonkosten van aannemers en onderaannemers zijn:
5. Grondslagen voor de opbouw van de algemene bouwplaatskosten
De indirecte kosten zijn de kosten van de hulpmiddelen en de organisatie die nodig zijn om het bouwwerk tot stand te brengen.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
Hoofdstuk 4. Slotbepalingen
Bijlage. als bedoeld in artikel 4 van de Subsidieregeling instandhouding monumenten
Leidraad subsidiabele instandhoudingskosten 2013
Subsidiabel zijn de kosten van werkzaamheden, maatregelen en voorzieningen ten behoeve van de instandhouding van beschermde monumenten of zelfstandige onderdelen, voor zover dat is bepaald in deze bijlage, met dien verstande dat:
Subsidiabel zijn de kosten van werkzaamheden, maatregelen en voorzieningen ten behoeve van de instandhouding van rijksmonumenten of zelfstandige onderdelen, voor zover dat is bepaald in deze bijlage, met dien verstande dat:
Technisch noodzakelijk, sober en doelmatig
Technisch noodzakelijk, sober en doelmatig
Behoud van monumentale waarden
Veiligheid
Veiligheid
Indieningsvereisten bij grotere ingrepen
Voorzieningen en apparatuur
Voorzieningen en apparatuur
Tijdens de uitvoering van het instandhoudingsplan kunnen onverwacht gebreken aan het licht komen, waardoor extra werkzaamheden noodzakelijk zijn om het rijksmonument in stand te kunnen houden. Mits het subsidiabele instandhoudingswerkzaamheden betreft, kan de begrotingspost ‘onvoorzien’ voor de dekking hiervan gebruikt worden. De systematiek van de Sim laat het tussentijds verhogen van de subsidie voor dergelijk meerwerk niet toe.
Hoofdstuk 2. Tabellen en grondslagen voor berekeningen
2. Tabel voor de berekening van het honorarium inzake de planbegeleiding
3. Tabel voor de berekening van de toeslag voor het vervaardigen van aanvullende stukken (niet van toepassing op normaal onderhoud als bedoeld in de Sim)
4. Grondslagen voor de berekening van het bouwplaatsuurloon
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
Artikel 1a. Grondslag
Deze regeling berust op artikel 7.7, eerste lid, van de Erfgoedwet.
Hoofdstuk 2. Subsidieverstrekking voor onderhoud
§ 2.1. Algemeen
§ 2.2. Aanvraag
§ 2.3. Verlening
§ 2.4. Verplichtingen van de subsidieontvanger
§ 2.5. Verantwoording en vaststelling
Hoofdstuk 3. Aanwijzing van professionele organisaties
Hoofdstuk 4. Slotbepalingen
Artikel 42b. Verhoging subsidieplafond 2016 monumenten met hoge herbouwwaarde
In 2016 wordt na toepassing van artikel 14, tweede lid, aan het budget voor overige beschermde monumenten, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel c, met een herbouwwaarde van € 8,3 miljoen of meer, een bedrag van ten hoogste € 20 miljoen toegevoegd.
Indien in 2016 het beschikbare bedrag, bedoeld in het eerste lid, niet geheel wordt verleend, wordt het resterende bedrag in 2017 na aftrek van € 10 miljoen op gelijke wijze als bedoeld in het eerste lid toegevoegd aan het bedrag voor overige beschermde monumenten met een herbouwwaarde van € 8,3 miljoen of meer.
Indien het in 2017 toegevoegde bedrag, bedoeld in het tweede lid, met toepassing van dat lid niet geheel wordt verleend, dan wordt het resterende bedrag in datzelfde jaar na toepassing van artikel 14, tweede lid, toegevoegd aan het bedrag voor groene monumenten met meer dan € 250.000 aan subsidiabele kosten.
Artikel 42c. Verhoging subsidieplafond overige beschermde rijksmonumenten 2018
In 2018 wordt aan het budget voor overige rijksmonumenten, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel c, een bedrag van € 16 miljoen toegevoegd.
Bijlage. als bedoeld in artikel 4 van de Subsidieregeling instandhouding monumenten
Hoofdstuk 1.1. Algemene bepalingen subsidiabele kosten
Technisch noodzakelijk, sober en doelmatig
Groene monumenten
Veiligheid
Indieningsvereisten bij grotere ingrepen
Tijdens de uitvoering van het instandhoudingsplan kunnen onverwacht gebreken aan het licht komen, waardoor extra werkzaamheden noodzakelijk zijn om het rijksmonument in stand te kunnen houden. Mits het subsidiabele instandhoudingswerkzaamheden betreft, kan de begrotingspost ‘onvoorzien’ voor de dekking hiervan gebruikt worden. De systematiek van de Sim laat het tussentijds verhogen van de subsidie voor dergelijk meerwerk niet toe.
Hoofdstuk 1.3. Subsidiabele kosten
2. Tabel voor de berekening van het honorarium inzake de planbegeleiding
3. Tabel voor de berekening van de toeslag voor het vervaardigen van aanvullende stukken (niet van toepassing op normaal onderhoud als bedoeld in de Sim)
5. Grondslagen voor de opbouw van de algemene bouwplaatskosten
De indirecte kosten worden verdeeld in:
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
Artikel 42d. Aanpassing subsidieplafond 2019
In 2019 wordt het budget voor archeologische rijksmonumenten, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, verminderd met een bedrag van € 2 miljoen.
In 2019 wordt aan het budget voor groene monumenten, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel b, een bedrag van € 2 miljoen toegevoegd.
In 2019 wordt aan het budget voor overige monumenten, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel c, een bedrag van € 23 miljoen toegevoegd.
Bijlage. als bedoeld in artikel 4 van de Subsidieregeling instandhouding monumenten
Hoofdstuk 1.2. Uitwerking algemene bepalingen
Interieur
Hoofdstuk 1.3. Subsidiabele kosten
2. Tabel voor de berekening van het honorarium inzake de planbegeleiding
4. Grondslagen voor de berekening van het bouwplaatsuurloon
5. Grondslagen voor de opbouw van de algemene bouwplaatskosten
Normen voor subsidiabele aannemerskosten:
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
Artikel 42e. Aanpassing subsidieplafond 2020
Artikel 3, tweede lid, is niet van toepassing ten aanzien van het in 2019 resterende bedrag voor de categorie archeologische monumenten.
In 2020 wordt aan het budget voor groene monumenten, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel b, een bedrag van € 2 miljoen toegevoegd.
In 2020 wordt aan het budget voor overige rijksmonumenten, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel c, een bedrag van € 13,6 miljoen toegevoegd.
Bijlage. als bedoeld in artikel 4 van de Subsidieregeling instandhouding monumenten
Hoofdstuk 1.2. Uitwerking algemene bepalingen
Interieur
5. Grondslagen voor de opbouw van de algemene bouwplaatskosten
De onderdelen c, d en e bij elkaar vormen een opslag van maximaal 20%.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
Artikel 42f. Structurele verhoging subsidieplafonds monumenten met hoge subsidiabele kosten of hoge herbouwwaarde
Na toepassing vanartikel 14, tweede lid, wordt:
- a. aan het budget voor groene monumenten, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel b, met € 250.000,– of meer aan subsidiabele kosten, een bedrag van € 1 miljoen toegevoegd.
- b. aan het budget voor overige rijksmonumenten, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel c, met een herbouwwaarde van € 8,3 miljoen of meer, een bedrag van € 3 miljoen toegevoegd.
Indien een beschikbaar bedrag als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a of b, in enig jaar niet volledig wordt verleend, wordt het resterende bedrag toegevoegd aan het bedrag dat op grond van desbetreffende onderdeel voor het daaropvolgende jaar beschikbaar is.
Indien in enig jaar na toepassing van artikel 14, eerste lid, onderdelen a of b, geen middelen meer beschikbaar zijn, is het eerste lid van overeenkomstige toepassing.
Bijlage. als bedoeld in artikel 4 van de Subsidieregeling instandhouding monumenten
Algemeen
Interieur
5. Grondslagen voor de opbouw van de algemene bouwplaatskosten
Omvatten de instandhoudingswerkzaamheden ook ingrijpender herstel en/of grote ingrepen dan dient de begroting van de aannemer dan wel de architect, archeoloog of ingenieur voor de beoordeling van de subsidiabele kosten, alleen voor zover het de ingrijpende werkzaamheden betreft, gespecificeerd te zijn in onder andere eenheden, uren, materiaal- en materieelkosten, stel- en verrekenposten.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.