← Geldende tekst · Geschiedenis

Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 8 december 2012, nr. WJZ/353186 (10126), houdende verlaagde bezoldigingmaxima voor topfunctionarissen in het onderwijs en ter invoering van de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen in de publieke en semipublieke sector (Regeling bezoldiging topfunctionarissen OCW-sectoren)

Geldende tekst a fecha 2026-01-01

Gehoord de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en mede namens de Minister van Economische Zaken;

Gelet op de artikelen 2.6, eerste lid, 4.1, derde lid, 4.2, zevende lid, 5.1, eerste lid, en 5.2, eerste en tweede lid, van de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector; de artikelen 5:14 en 10:3 van de Algemene wet bestuursrecht; artikel 3, tweede lid, onder g, van de Wet op het onderwijstoezicht; de artikelen 2 en 4 van de Experimentenwet onderwijs en artikel 6.4, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit WHW 2008;

Besluit:

Paragraaf 1. Algemene bepalingen

Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

Paragraaf 2. Functionarissen in het onderwijs

Artikel 2. Toepassingsbereik

De artikelen 3 tot en met 3c zijn uitsluitend van toepassing op:

Artikel 3. Bezoldigingsmaximum per klasse voor topfunctionarissen van onderwijsinstellingen
1.

In afwijking van artikel 2.3, eerste lid, van de wet komen partijen geen bezoldiging overeen die per kalenderjaar meer bedraagt dan het van toepassing zijnde bezoldigingsmaximum voor dat jaar.

2.

Voor een rechtspersoon of instelling geldt het bezoldigingsmaximum behorende bij het aantal complexiteitspunten dat op basis van de criteria, genoemd in de bijlage bij deze regeling, is berekend.

3.

Voor universiteiten, zoals bedoeld in de bijlage behorende bij de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, onder a, b, h en i, geldt het aantal complexiteitspunten van 9 als minimumaantal.

4.

Per klasse geldt het volgende bezoldigingsmaximum:

Klasse Bezoldigingsmaximum
A (4 complexiteitspunten) € 156.000
B (5 – 6 complexiteitspunten) € 175.000
C (7 – 8 complexiteitspunten) € 187.000
D (9 – 12 complexiteitspunten) € 204.000
E (13 – 15 complexiteitspunten) € 222.000
F (16 – 17 complexiteitspunten) € 238.000
G (18 – 20 complexiteitspunten) Het bedrag, bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, van de wet.
Artikel 4. Elektronische verzending bezoldigingsgegevens

Vervallen

Artikel 5. Elektronische melding accountant

Vervallen

Paragraaf 2a. Topfunctionarissen van de cultuurfondsen

Artikel 6. Toezicht en handhaving door de Inspectie van het onderwijs
1.

De inspecteur-generaal van het onderwijs en de ambtenaren van de Inspectie van het onderwijs die zijn belast met de uitoefening van de taken, bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet op het onderwijstoezicht, zijn belast met het toezicht op de naleving van de wet, het besluit en deze regeling, ten aanzien van de rechtspersonen en instellingen, genoemd onder de nummers 1 tot en met 8, 13, 14 en 16, in bijlage 1 bij de wet onder het opschrift ‘Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap’.

2.

De inspecteur-generaal van het onderwijs is gemandateerd om ten aanzien van de rechtspersonen waarop hij toezicht houdt, de bevoegdheden aan te wenden, bedoeld in de artikelen 5.4, eerste lid, 5.5, eerste tot en met vierde lid, en 5.6, eerste en derde lid, van de wet.

3.

De inspecteur-generaal van het onderwijs kan ten aanzien van de aan hem toekomende bevoegdheden, bedoeld in het tweede lid, ondermandaat verlenen.

4.

De inspecteur-generaal van het onderwijs is bevoegd te beslissen op een bezwaarschrift dat is ingediend tegen een in ondermandaat genomen besluit ter aanwending van de bevoegdheden, bedoeld in het tweede lid.

Artikel 7. Toezicht en handhaving door het Commissariaat voor de Media
1.

De leden van het Commissariaat voor de Media en de bij besluit van het Commissariaat aangewezen medewerkers van het Commissariaat, bedoeld in artikel 7.11, tweede lid, van de Mediawet 2008 zijn belast met het toezicht op de naleving van de wet, het besluit en deze regeling ten aanzien van de instellingen, genoemd onder de nummers 17 en 18, in bijlage 1 bij de wet onder het opschrift ‘Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap’.

2.

De leden van het Commissariaat voor de Media zijn gemandateerd om ten aanzien van de rechtspersonen waarop het op grond van het eerste lid toezicht houdt, de bevoegdheden aan te wenden, bedoeld in de artikelen 5.4, eerste lid, 5.5, eerste tot en met vierde lid, en 5.6, eerste en derde lid, van de wet.

Paragraaf 2a. Topfunctionarissen van de cultuurfondsen

Artikel 8. Intrekking uitgewerkte beschikking

Vervallen

Artikel 9. Wijziging in verband met het vervallen van delegatiegrondslag

Vervallen

Artikel 10. Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2013. Indien de Staatscourant waarin deze regeling wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 31 december 2013, treedt deze regeling in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst, en werkt zij terug tot en met 1 januari 2013.

Artikel 11. Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling normering topinkomens OCW-sectoren.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Artikel 5a. Toepassingsbereik

Deze paragraaf is uitsluitend van toepassing op de topfunctionarissen van de cultuurfondsen.

Artikel 5b. Verlaagde bezoldigingsmaxima topfunctionarissen van de cultuurfondsen

In afwijking van artikel 2.3, eerste lid, van de wet komen partijen voor de topfunctionarissen van de cultuurfondsen geen bezoldiging overeen die per kalenderjaar meer bedraagt dan € 218.000 voor zover het betreft:

Paragraaf 3. Toezicht en handhaving

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Artikel 7a. Begripsbepaling toezicht overige OCW-sectoren

In de artikelen 7b tot en met 7k wordt onder instellingen verstaan: rechtspersonen op wie de wet van toepassing is en die niet vallen onder het toezicht van de Inspectie van het onderwijs, bedoeld in artikel 6, eerste lid, of het Commissariaat voor de Media, bedoeld in artikel 7, eerste lid, en voor zover de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap de minister is wie het aangaat.

Artikel 7b. Sector primair onderwijs voor zover geen onderwijsinstelling

Voor instellingen in de sector primair onderwijs, alsmede de sector jeugd, onderwijs en zorg, worden de volgende personen, werkzaam binnen het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, belast met het toezicht op de naleving van de wet, het besluit en de regeling:

Artikel 7c. Sector voortgezet onderwijs voor zover geen onderwijsinstelling

Voor instellingen in de sector voortgezet onderwijs worden de volgende personen, werkzaam binnen het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, belast met het toezicht op de naleving van de wet, het besluit en de regeling:

Artikel 7d. Sector middelbaar beroepsonderwijs voor zover geen onderwijsinstelling

Voor instellingen in de sector middelbaar beroepsonderwijs worden de volgende personen, werkzaam binnen het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, belast met het toezicht op de naleving van de wet, het besluit en de regeling:

Artikel 7e. Sector hoger onderwijs en studiefinanciering voor zover geen onderwijsinstelling

Voor instellingen in de sector hoger onderwijs en studiefinanciering worden de volgende personen, werkzaam binnen het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, belast met het toezicht op de naleving van de wet, het besluit en de regeling:

Artikel 7f. Sector onderzoek en wetenschapsbeleid

Voor instellingen in de sector onderzoek en wetenschapsbeleid worden de volgende personen, werkzaam binnen het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, belast met het toezicht op de naleving van de wet, het besluit en de regeling:

Artikel 7g. Sector monumenten en archeologie

Voor instellingen in de sector monumenten en archeologie worden de volgende personen, werkzaam binnen het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, belast met het toezicht op de naleving van de wet, het besluit en de regeling:

Artikel 7h. Sector erfgoed en kunsten

Voor instellingen in de sector erfgoed en kunsten worden de volgende personen, werkzaam binnen het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, belast met het toezicht op de naleving van de wet, het besluit en de regeling:

Artikel 7i. Sector media en creatieve industrie voor zover geen toezicht van het CvdM

Voor instellingen in de sector media en creatieve industrie worden de volgende personen, werkzaam binnen het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, belast met het toezicht op de naleving van de wet, het besluit en de regeling:

Artikel 7j. Sector emancipatie

Voor instellingen in de sector emancipatie worden de volgende personen, werkzaam binnen het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, belast met het toezicht op de naleving van de wet, het besluit en de regeling:

Artikel 7k. Sector internationaal beleid

Voor de instellingen in de sector internationaal beleid worden de volgende personen, werkzaam binnen het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, belast met het toezicht op de naleving van de wet, het besluit en de regeling:

Artikel 7l. Beperking toezichtsbevoegdheden

De toezichthouders die in deze paragraaf zijn aangewezen beschikken niet over de bevoegdheden, bedoeld in de artikelen 5:18 en 5:19 van de Algemene wet bestuursrecht.

Paragraaf 4. Slotbepalingen

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Artikel 7k.1. Cultuurfondsen
1.

Voor instellingen die worden gesubsidieerd door een fonds als bedoeld in artikel 5b worden, voor zover de wet op die instelling van toepassing is, zijn de leden van het bestuur van het betreffende fonds belast met het toezicht op de naleving van de wet, het besluit en de regeling.

2.

Indien meer dan één van de in het eerste lid bedoelde fondsen subsidie verstrekken aan een instelling als bedoeld in het eerste lid, is het fonds dat de hoogste subsidie verstrekt aan de instelling belast met het toezicht op de naleving van de wet, het besluit en de regeling.

Paragraaf 4. Slotbepalingen

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Artikel 3a. Verzoek indeling in andere klasse
1.

Een verzoek als bedoeld in artikel 2.7, derde lid, van de wet om in een andere klasse te worden ingedeeld, wordt door een rechtspersoon of instelling ingediend uiterlijk 6 weken voorafgaand aan de periode waarin de afwijkende klassenindeling moet ingaan.

2.

Het verzoek is deugdelijk gemotiveerd en bevat in ieder geval:

Artikel 3b. Verzoek individuele uitzondering op klassenindeling
1.

Een verzoek om op grond van artikel 2.7, vierde lid, van de wet ten aanzien van een topfunctionaris een hogere bezoldiging te mogen overeenkomen dan toegestaan op grond van deze regeling, wordt door een rechtspersoon of instelling ingediend uiterlijk 6 weken voorafgaand aan de periode waarin de hogere bezoldiging moet ingaan.

2.

Artikel 3a, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 3c. Vermelding van toepassing zijnde bezoldigingsklasse of bezoldigingsmaximum in het financieel verslaggevingsdocument

De verantwoordelijke vermeldt in het financieel verslaggevingsdocument de op grond van artikel 3 of 3a van toepassing zijnde klasse of het op grond van artikel 3b van toepassing zijnde bezoldigingsmaximum voor het betreffende kalenderjaar, alsmede het aantal complexiteitspunten per criterium dat geldt voor de instelling in het betreffende jaar.

Paragraaf 4. Slotbepalingen

Bijlage. , behorende bij artikel 3, tweede lid, van de Regeling bezoldiging topfunctionarissen OCW-sectoren

Deel 1 van de bijlage is van toepassing op rechtspersonen of instellingen die beschikken over de jaarrekeningen over het vierde, derde en tweede jaar voorafgaand aan het jaar waarin de indeling in een bezoldigingsklasse wordt toegepast. Voor rechtspersonen of instellingen die in de laatste vijf jaar zijn opgericht, gefuseerd of gesplitst, kunnen de berekeningen behorend bij de criteria uit dit eerste deel van de bijlage niet onverkort worden toegepast; voor die rechtspersonen of instellingen geldt deel 2 van deze bijlage.

Aan de rechtspersoon of instelling komt aan de hand van het gemiddelde van het totaal van de baten, inclusief de rentebaten, volgens de jaarrekening in het vierde, derde en tweede jaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarin het bezoldigingsmaximum wordt toegepast (t-4, t-3 en t-2) het volgende aantal punten toe.

Gemiddelde totale baten (in €) Aantal complexiteits-punten
0 tot 5 miljoen 2
5 tot 25 miljoen 4
25 tot 75 miljoen 6
75 tot 125 miljoen 8
125 tot 200 miljoen 9
200 miljoen en meer 10

Aan de rechtspersoon of instelling komt aan de hand van het gemiddelde van het aantal leerlingen, deelnemers of studenten die op 1 oktober van het vierde, derde en tweede jaar voorafgaand aan het jaar waarin het bezoldigingsmaximum wordt toegepast (t-4, t-3 en t-2) onderwijs volgden aan die instelling het volgende aantal punten toe.

Gemiddeld aantal leerlingen, deelnemers of studenten Aantal complexiteitspunten
1 tot 1.500 1
1.500 tot 2.500 2
2.500 tot 10.000 3
10.000 tot 20.000 4
20.000 en meer 5

Aan de rechtspersoon of instelling komt aan de hand van het gewogen aantal onderwijssoorten of sectoren dat werd aangeboden op 1 oktober in het tweede jaar voorafgaand aan het jaar waarin het bezoldigingsmaximum wordt toegepast (t-2) het volgende aantal punten toe. De manier waarop het aantal onderwijssoorten of sectoren wordt gewogen, is verschillend voor de verschillende onderwijssectoren.

Gewogen aantal onderwijssoorten of sectoren* Aantal complexiteitspunten
1 1
2 2
3 3
4 4
5 en meer 5

I. Het aantal onderwijssoorten uit de volgende opsomming wordt vermenigvuldigd met factor 1:

1.

basisonderwijs (inclusief internationaal georiënteerd basisonderwijs);

2.

speciaal basisonderwijs;

3.

speciaal onderwijs;

4.

voortgezet speciaal onderwijs;

5.

praktijkonderwijs;

6.

voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs (inclusief VM2);

7.

hoger algemeen voortgezet onderwijs (inclusief Engelse School);

8.

voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (inclusief international baccalaureate).

II. Het aantal onderwijssectoren uit de volgende opsomming wordt vermenigvuldigd met factor 2:

1.

middelbaar beroepsonderwijs combinatie van sectoren;

2.

middelbaar beroepsonderwijs sector groen;

3.

middelbaar beroepsonderwijs sector techniek;

4.

middelbaar beroepsonderwijs sector zorg en welzijn;

5.

middelbaar beroepsonderwijs sector economie;

6.

hoger beroepsonderwijs sectoroverstijgend;

7.

hoger beroepsonderwijs sector onderwijs;

8.

hoger beroepsonderwijs sector landbouw en natuurlijke omgeving;

9.

hoger beroepsonderwijs sector techniek;

10.

hoger beroepsonderwijs sector gezondheidszorg;

11.

hoger beroepsonderwijs sector economie;

12.

hoger beroepsonderwijs sector gedrag en maatschappij;

13.

hoger beroepsonderwijs sector taal en cultuur.

III. Het aantal onderwijssectoren uit de volgende opsomming wordt vermenigvuldigd met factor 3:

1.

wetenschappelijk onderwijs sectoroverstijgend;

2.

wetenschappelijk onderwijs sector onderwijs;

3.

wetenschappelijk onderwijs sector landbouw en natuurlijke omgeving;

4.

wetenschappelijk onderwijs sector natuur;

5.

wetenschappelijk onderwijs sector techniek;

6.

wetenschappelijk onderwijs sector gezondheidszorg;

7.

wetenschappelijk onderwijs sector economie;

8.

wetenschappelijk onderwijs sector recht;

9.

wetenschappelijk onderwijs sector gedrag en maatschappij;

10.

wetenschappelijk onderwijs sector taal en cultuur.

De criteria genoemd in deel 1, onder 1A, 1B en 1C, van deze bijlage zijn van overeenkomstige toepassing op rechtspersonen of instellingen die in het lopende jaar of de vier voorafgaande jaren zijn opgericht, gefuseerd of gesplitst, met dien verstande dat voor de toepassing van de criteria de volgende berekening wordt gehanteerd.

Indien een rechtspersoon of instelling in het lopende jaar is opgericht, gefuseerd of gesplitst, wordt voor de toepassing van:

Indien een rechtspersoon of instelling in het jaar voorafgaand aan het lopende jaar is opgericht, gefuseerd of gesplitst, wordt voor de toepassing van:

Indien een rechtspersoon of instelling in het tweede jaar voorafgaand aan het lopende jaar is opgericht, gefuseerd of gesplitst, wordt voor de toepassing van:

Indien een rechtspersoon of instelling in het derde jaar voorafgaand aan het lopende jaar is opgericht, gefuseerd of gesplitst, wordt voor de toepassing van:

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Artikel 1a. Toepassingsbereik

Deze regeling is van toepassing op rechtspersonen of instellingen waarop de wet van toepassing is, voor zover de minister de minister is wie het aangaat.

Paragraaf 2. Topfunctionarissen in het onderwijs

Paragraaf 2a. Topfunctionarissen van de cultuurfondsen

Paragraaf 2b. Verstrekken gegevens

Artikel 5c. Elektronisch verzenden bezoldigingsgegevens
1.

De verantwoordelijke, bedoeld in artikel 1.1 van de wet, verstrekt langs elektronische weg op uiterlijk 1 juli van het jaar volgend op het boekjaar, in aanvulling op de openbaarmakingsplicht, bedoeld in artikel 4.1, eerste en tweede lid, van de wet, de gegevens bedoeld in artikel 4.1, eerste en tweede lid, van de wet, aan de minister.

2.

De verstrekking, bedoeld in het eerste lid, vindt plaats door aanlevering van de gegevens door middel van het daartoe voorgeschreven WNT-formulier in XBRL bij de minister.

Paragraaf 2c. Topfunctionarissen van media-instellingen

Paragraaf 4. Slotbepalingen

Bijlage. behorende bij artikel 3, tweede lid, van de Regeling bezoldiging topfunctionarissen OCW-sectoren

Deel 1 van de bijlage is van toepassing op rechtspersonen of instellingen die beschikken over de jaarrekeningen over het vierde, derde en tweede jaar voorafgaand aan het jaar waarin de indeling in een bezoldigingsklasse wordt toegepast. Voor rechtspersonen of instellingen die in het lopende jaar of de drie voorafgaande jaren zijn opgericht, gefuseerd of gesplitst, kunnen de berekeningen behorend bij de criteria uit dit eerste deel van de bijlage niet onverkort worden toegepast; voor die rechtspersonen of instellingen geldt deel 2 van deze bijlage.

Aan de rechtspersoon of instelling komt aan de hand van het gemiddelde van het totaal van de baten, inclusief de rentebaten, volgens de jaarrekening in het vierde, derde en tweede jaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarin het bezoldigingsmaximum wordt toegepast (t-4, t-3 en t-2) het volgende aantal punten toe.

Gemiddelde totale baten (in €) Aantal complexiteits-punten
0 tot 5 miljoen 2
5 tot 25 miljoen 4
25 tot 75 miljoen 6
75 tot 125 miljoen 8
125 tot 200 miljoen 9
200 miljoen en meer 10

Aan de rechtspersoon of instelling komt aan de hand van het gemiddelde van het aantal bekostigde leerlingen, deelnemers of studenten die op 1 oktober van het vierde, derde en tweede jaar voorafgaand aan het jaar waarin het bezoldigingsmaximum wordt toegepast (t-4, t-3 en t-2) onderwijs volgden aan die instelling het volgende aantal bekostigde punten toe. Onder aantal bekostigde leerlingen, deelnemers of studenten wordt verstaan: leerlingen, deelnemers of studenten waarvoor de rechtspersoon of instelling bekostiging ontvangt op grond van de onderwijswetten.

Gemiddeld aantal bekostigde leerlingen, deelnemers of studenten Aantal bekostigde complexiteitspunten
1 tot 1.500 1
1.500 tot 2.500 2
2.500 tot 10.000 3
10.000 tot 20.000 4
20.000 en meer 5

Aan de rechtspersoon of instelling komt aan de hand van het gewogen aantal onderwijssoorten of sectoren dat werd aangeboden op 1 oktober in het tweede jaar voorafgaand aan het jaar waarin het bezoldigingsmaximum wordt toegepast (t-2) het uit de tabel volgende aantal punten toe. De manier waarop het aantal onderwijssoorten of sectoren wordt gewogen is verschillend voor de verschillende onderwijssoorten of sectoren. Voor het bepalen van het aantal onderwijssoorten of sectoren geldt het volgende.

Gewogen aantal onderwijssoorten of sectoren* Aantal complexiteitspunten
1 1
2 2
3 3
4 4
5 en meer 5

I. Het aantal onderwijssoorten uit de volgende opsomming wordt vermenigvuldigd met factor 1:

1.

primair onderwijs – onderwijssoort basisonderwijs (inclusief internationaal georiënteerd basisonderwijs);

2.

primair onderwijs – onderwijssoort speciaal basisonderwijs;

3.

wec-onderwijs – onderwijssoort speciaal onderwijs;

4.

wec-onderwijs – onderwijssoort voortgezet speciaal onderwijs;

5.

voortgezet onderwijs – onderwijssoort praktijkonderwijs;

6.

voortgezet onderwijs – onderwijssoort voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs (inclusief VM2);

7.

voortgezet onderwijs – onderwijssoort hoger algemeen voortgezet onderwijs (inclusief International Baccalaureate middle years programme);

8.

voortgezet onderwijs – onderwijssoort voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (inclusief International Baccalaureate diploma programme en European Secondary School);

9.

voortgezet algemeen volwassenenonderwijs.

II. Het aantal onderwijssectoren uit de volgende opsomming wordt vermenigvuldigd met factor 2:

1.

middelbaar beroepsonderwijs – combinatie van sectoren;

2.

middelbaar beroepsonderwijs – sector groen;

3.

middelbaar beroepsonderwijs – sector techniek;

4.

middelbaar beroepsonderwijs – sector zorg en welzijn;

5.

middelbaar beroepsonderwijs – sector economie;

6.

hoger beroepsonderwijs – sectoroverstijgend;

7.

hoger beroepsonderwijs – sector onderwijs;

8.

hoger beroepsonderwijs – sector landbouw en natuurlijke omgeving;

9.

hoger beroepsonderwijs – sector techniek;

10.

hoger beroepsonderwijs – sector gezondheidszorg;

11.

hoger beroepsonderwijs – sector economie;

12.

hoger beroepsonderwijs – sector gedrag en maatschappij;

13.

hoger beroepsonderwijs – sector taal en cultuur.

III. Het aantal onderwijssectoren uit de volgende opsomming wordt vermenigvuldigd met factor 3:

1.

wetenschappelijk onderwijs – sectoroverstijgend;

2.

wetenschappelijk onderwijs – sector onderwijs;

3.

wetenschappelijk onderwijs – sector landbouw en natuurlijke omgeving;

4.

wetenschappelijk onderwijs – sector natuur;

5.

wetenschappelijk onderwijs – sector techniek;

6.

wetenschappelijk onderwijs – sector gezondheidszorg;

7.

wetenschappelijk onderwijs – sector economie;

8.

wetenschappelijk onderwijs – sector recht;

9.

wetenschappelijk onderwijs – sector gedrag en maatschappij;

10.

wetenschappelijk onderwijs – sector taal en cultuur.

De criteria genoemd in deel 1, onder 1A, 1B en 1C, van deze bijlage zijn van overeenkomstige toepassing op rechtspersonen of instellingen die in het lopende jaar of de drie voorafgaande jaren zijn opgericht, gefuseerd of gesplitst, met dien verstande dat voor de toepassing van de criteria de volgende berekening wordt gehanteerd. Bij de toepassing van de berekeningswijze onder 2A tot en met 2D worden de totale baten in het jaar van oprichting, fusie of splitsing telkens geëxtrapoleerd naar een geheel jaar.

Indien een rechtspersoon of instelling in het lopende jaar is opgericht, gefuseerd of gesplitst, wordt voor de toepassing van:

Indien een rechtspersoon of instelling in het jaar voorafgaand aan het lopende jaar is opgericht, gefuseerd of gesplitst, wordt voor de toepassing van:

Indien een rechtspersoon of instelling in het tweede jaar voorafgaand aan het lopende jaar is opgericht, gefuseerd of gesplitst, wordt voor de toepassing van:

Indien een rechtspersoon of instelling in het derde jaar voorafgaand aan het lopende jaar is opgericht, gefuseerd of gesplitst, wordt voor de toepassing van:

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Paragraaf 2c. Topfunctionarissen van media-instellingen

Paragraaf 4. Slotbepalingen

Bijlage. behorende bij artikel 3, tweede lid, van de Regeling bezoldiging topfunctionarissen OCW-sectoren

Deel 1 van de bijlage is van toepassing op rechtspersonen of instellingen die beschikken over de jaarrekeningen over het vierde, derde en tweede jaar voorafgaand aan het jaar waarin de indeling in een bezoldigingsklasse wordt toegepast. Voor rechtspersonen of instellingen die in het lopende jaar of de drie voorafgaande jaren zijn opgericht, gefuseerd of gesplitst, kunnen de berekeningen behorend bij de criteria uit dit eerste deel van de bijlage niet onverkort worden toegepast; voor die rechtspersonen of instellingen geldt deel 2 van deze bijlage.

Aan de rechtspersoon of instelling komt aan de hand van het gemiddelde van het totaal van de baten, inclusief de rentebaten, volgens de jaarrekening in het vierde, derde en tweede jaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarin het bezoldigingsmaximum wordt toegepast (t-4, t-3 en t-2) het volgende aantal punten toe.

Gemiddelde totale baten (in €) Aantal complexiteits-punten
0 tot 5 miljoen 2
5 tot 25 miljoen 4
25 tot 75 miljoen 6
75 tot 125 miljoen 8
125 tot 200 miljoen 9
200 miljoen en meer 10

Aan de rechtspersoon of instelling komt aan de hand van het gemiddelde van het aantal bekostigde leerlingen, deelnemers, vavo-studenten, mbo-studenten of ho-studenten die op 1 oktober van het vierde, derde en tweede jaar voorafgaand aan het jaar waarin het bezoldigingsmaximum wordt toegepast (t-4, t-3 en t-2) onderwijs volgden aan die instelling het volgende aantal bekostigde punten toe. Onder aantal bekostigde leerlingen, deelnemers, vavo-studenten, mbo-studenten of ho-studenten wordt verstaan: leerlingen, deelnemers, vavo-studenten, mbo-studenten of ho-studenten waarvoor de rechtspersoon of instelling bekostiging ontvangt op grond van de onderwijswetten.

Gemiddeld aantal bekostigde leerlingen, deelnemers, vavo-studenten, mbo-studenten of ho-studenten Aantal bekostigde complexiteitspunten
1 tot 1.500 1
1.500 tot 2.500 2
2.500 tot 10.000 3
10.000 tot 20.000 4
20.000 en meer 5

Aan de rechtspersoon of instelling komt aan de hand van het gewogen aantal onderwijssoorten of sectoren dat werd aangeboden op 1 oktober in het tweede jaar voorafgaand aan het jaar waarin het bezoldigingsmaximum wordt toegepast (t-2) het uit de tabel volgende aantal punten toe. De manier waarop het aantal onderwijssoorten of sectoren wordt gewogen is verschillend voor de verschillende onderwijssoorten of sectoren. Voor het bepalen van het aantal onderwijssoorten of sectoren geldt het volgende.

Gewogen aantal onderwijssoorten of sectoren* Aantal complexiteitspunten
1 1
2 2
3 3
4 4
5 en meer 5

I. Het aantal onderwijssoorten uit de volgende opsomming wordt vermenigvuldigd met factor 1:

1.

primair onderwijs – onderwijssoort basisonderwijs (inclusief internationaal georiënteerd basisonderwijs);

2.

primair onderwijs – onderwijssoort speciaal basisonderwijs;

3.

wec-onderwijs – onderwijssoort speciaal onderwijs;

4.

wec-onderwijs – onderwijssoort voortgezet speciaal onderwijs;

5.

voortgezet onderwijs – onderwijssoort praktijkonderwijs;

6.

voortgezet onderwijs – onderwijssoort voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs (inclusief VM2);

7.

voortgezet onderwijs – onderwijssoort hoger algemeen voortgezet onderwijs (inclusief International Baccalaureate middle years programme);

8.

voortgezet onderwijs – onderwijssoort voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (inclusief International Baccalaureate diploma programme en European Secondary School);

9.

voortgezet algemeen volwassenenonderwijs.

II. Het aantal onderwijssectoren uit de volgende opsomming wordt vermenigvuldigd met factor 2:

1.

middelbaar beroepsonderwijs – combinatie van sectoren;

2.

middelbaar beroepsonderwijs – sector groen;

3.

middelbaar beroepsonderwijs – sector techniek;

4.

middelbaar beroepsonderwijs – sector zorg en welzijn;

5.

middelbaar beroepsonderwijs – sector economie;

6.

hoger beroepsonderwijs – sectoroverstijgend;

7.

hoger beroepsonderwijs – sector onderwijs;

8.

hoger beroepsonderwijs – sector landbouw en natuurlijke omgeving;

9.

hoger beroepsonderwijs – sector techniek;

10.

hoger beroepsonderwijs – sector gezondheidszorg;

11.

hoger beroepsonderwijs – sector economie;

12.

hoger beroepsonderwijs – sector gedrag en maatschappij;

13.

hoger beroepsonderwijs – sector taal en cultuur.

III. Het aantal onderwijssectoren uit de volgende opsomming wordt vermenigvuldigd met factor 3:

1.

wetenschappelijk onderwijs – sectoroverstijgend;

2.

wetenschappelijk onderwijs – sector onderwijs;

3.

wetenschappelijk onderwijs – sector landbouw en natuurlijke omgeving;

4.

wetenschappelijk onderwijs – sector natuur;

5.

wetenschappelijk onderwijs – sector techniek;

6.

wetenschappelijk onderwijs – sector gezondheidszorg;

7.

wetenschappelijk onderwijs – sector economie;

8.

wetenschappelijk onderwijs – sector recht;

9.

wetenschappelijk onderwijs – sector gedrag en maatschappij;

10.

wetenschappelijk onderwijs – sector taal en cultuur.

De criteria genoemd in deel 1, onder 1A, 1B en 1C, van deze bijlage zijn van overeenkomstige toepassing op rechtspersonen of instellingen die in het lopende jaar of de drie voorafgaande jaren zijn opgericht, gefuseerd of gesplitst, met dien verstande dat voor de toepassing van de criteria de volgende berekening wordt gehanteerd. Bij de toepassing van de berekeningswijze onder 2A tot en met 2D worden de totale baten in het jaar van oprichting, fusie of splitsing telkens geëxtrapoleerd naar een geheel jaar.

Indien een rechtspersoon of instelling in het lopende jaar is opgericht, gefuseerd of gesplitst, wordt voor de toepassing van:

Indien een rechtspersoon of instelling in het jaar voorafgaand aan het lopende jaar is opgericht, gefuseerd of gesplitst, wordt voor de toepassing van:

Indien een rechtspersoon of instelling in het tweede jaar voorafgaand aan het lopende jaar is opgericht, gefuseerd of gesplitst, wordt voor de toepassing van:

Indien een rechtspersoon of instelling in het derde jaar voorafgaand aan het lopende jaar is opgericht, gefuseerd of gesplitst, wordt voor de toepassing van:

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Artikel 5d. Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op de topfunctionarissen van media-instellingen.

Artikel 5e. Bezoldigingsmaxima topfunctionarissen van media-instellingen

In afwijking van artikel 2.3, eerste lid, van de wet komen partijen voor de topfunctionarissen van de volgende media-instellingen geen bezoldiging overeen die per kalenderjaar meer bedraagt dan:

Paragraaf 3. Toezicht en handhaving

Paragraaf 4. Slotbepalingen

Bijlage. behorende bij artikel 3, tweede lid, van de Regeling bezoldiging topfunctionarissen OCW-sectoren

Deel 1 van de bijlage is van toepassing op rechtspersonen of instellingen die beschikken over de jaarrekeningen over het vierde, derde en tweede jaar voorafgaand aan het jaar waarin de indeling in een bezoldigingsklasse wordt toegepast. Voor rechtspersonen of instellingen die in het lopende jaar of de drie voorafgaande jaren zijn opgericht, gefuseerd of gesplitst, kunnen de berekeningen behorend bij de criteria uit dit eerste deel van de bijlage niet onverkort worden toegepast; voor die rechtspersonen of instellingen geldt deel 2 van deze bijlage.

Aan de rechtspersoon of instelling komt aan de hand van het gemiddelde van het totaal van de baten, inclusief de rentebaten, volgens de jaarrekening in het vierde, derde en tweede jaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarin het bezoldigingsmaximum wordt toegepast (t-4, t-3 en t-2) het volgende aantal punten toe.

Gemiddelde totale baten (in €) Aantal complexiteits-punten
0 tot 5 miljoen 2
5 tot 25 miljoen 4
25 tot 75 miljoen 6
75 tot 125 miljoen 8
125 tot 200 miljoen 9
200 miljoen en meer 10

Aan de rechtspersoon of instelling komt aan de hand van het gemiddelde van het aantal bekostigde leerlingen, deelnemers, vavo-studenten, mbo-studenten of ho-studenten die op 1 oktober van het vierde, derde en tweede jaar voorafgaand aan het jaar waarin het bezoldigingsmaximum wordt toegepast (t-4, t-3 en t-2) onderwijs volgden aan die instelling het volgende aantal bekostigde punten toe. Onder aantal bekostigde leerlingen, deelnemers, vavo-studenten, mbo-studenten of ho-studenten wordt verstaan: leerlingen, deelnemers, vavo-studenten, mbo-studenten of ho-studenten waarvoor de rechtspersoon of instelling bekostiging ontvangt op grond van de onderwijswetten.

Gemiddeld aantal bekostigde leerlingen, deelnemers, vavo-studenten, mbo-studenten of ho-studenten Aantal bekostigde complexiteitspunten
1 tot 1.500 1
1.500 tot 2.500 2
2.500 tot 10.000 3
10.000 tot 20.000 4
20.000 en meer 5

Aan de rechtspersoon of instelling komt aan de hand van het gewogen aantal onderwijssoorten of sectoren dat werd aangeboden op 1 oktober in het tweede jaar voorafgaand aan het jaar waarin het bezoldigingsmaximum wordt toegepast (t-2) het uit de tabel volgende aantal punten toe. De manier waarop het aantal onderwijssoorten of sectoren wordt gewogen is verschillend voor de verschillende onderwijssoorten of sectoren. Voor het bepalen van het aantal onderwijssoorten of sectoren geldt het volgende.

Gewogen aantal onderwijssoorten of sectoren* Aantal complexiteitspunten
1 1
2 2
3 3
4 4
5 en meer 5

I. Het aantal onderwijssoorten uit de volgende opsomming wordt vermenigvuldigd met factor 1:

1.

primair onderwijs – onderwijssoort basisonderwijs (inclusief internationaal georiënteerd basisonderwijs);

2.

primair onderwijs – onderwijssoort speciaal basisonderwijs;

3.

wec-onderwijs – onderwijssoort speciaal onderwijs;

4.

wec-onderwijs – onderwijssoort voortgezet speciaal onderwijs;

5.

voortgezet onderwijs – onderwijssoort praktijkonderwijs;

6.

voortgezet onderwijs – onderwijssoort voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs (inclusief VM2);

7.

voortgezet onderwijs – onderwijssoort hoger algemeen voortgezet onderwijs (inclusief International Baccalaureate middle years programme);

8.

voortgezet onderwijs – onderwijssoort voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (inclusief International Baccalaureate diploma programme en European Secondary School);

9.

voortgezet algemeen volwassenenonderwijs.

II. Het aantal onderwijssectoren uit de volgende opsomming wordt vermenigvuldigd met factor 2:

1.

middelbaar beroepsonderwijs – combinatie van sectoren;

2.

middelbaar beroepsonderwijs – sector groen;

3.

middelbaar beroepsonderwijs – sector techniek;

4.

middelbaar beroepsonderwijs – sector zorg en welzijn;

5.

middelbaar beroepsonderwijs – sector economie;

6.

hoger beroepsonderwijs – sectoroverstijgend;

7.

hoger beroepsonderwijs – sector onderwijs;

8.

hoger beroepsonderwijs – sector landbouw en natuurlijke omgeving;

9.

hoger beroepsonderwijs – sector techniek;

10.

hoger beroepsonderwijs – sector gezondheidszorg;

11.

hoger beroepsonderwijs – sector economie;

12.

hoger beroepsonderwijs – sector gedrag en maatschappij;

13.

hoger beroepsonderwijs – sector taal en cultuur.

III. Het aantal onderwijssectoren uit de volgende opsomming wordt vermenigvuldigd met factor 3:

1.

wetenschappelijk onderwijs – sectoroverstijgend;

2.

wetenschappelijk onderwijs – sector onderwijs;

3.

wetenschappelijk onderwijs – sector landbouw en natuurlijke omgeving;

4.

wetenschappelijk onderwijs – sector natuur;

5.

wetenschappelijk onderwijs – sector techniek;

6.

wetenschappelijk onderwijs – sector gezondheidszorg;

7.

wetenschappelijk onderwijs – sector economie;

8.

wetenschappelijk onderwijs – sector recht;

9.

wetenschappelijk onderwijs – sector gedrag en maatschappij;

10.

wetenschappelijk onderwijs – sector taal en cultuur.

De criteria genoemd in deel 1, onder 1A, 1B en 1C, van deze bijlage zijn van overeenkomstige toepassing op rechtspersonen of instellingen die in het lopende jaar of de drie voorafgaande jaren zijn opgericht, gefuseerd of gesplitst, met dien verstande dat voor de toepassing van de criteria de volgende berekening wordt gehanteerd. Bij de toepassing van de berekeningswijze onder 2A tot en met 2D worden de totale baten in het jaar van oprichting, fusie of splitsing telkens geëxtrapoleerd naar een geheel jaar.

Indien een rechtspersoon of instelling in het lopende jaar is opgericht, gefuseerd of gesplitst, wordt voor de toepassing van:

Indien een rechtspersoon of instelling in het jaar voorafgaand aan het lopende jaar is opgericht, gefuseerd of gesplitst, wordt voor de toepassing van:

Indien een rechtspersoon of instelling in het tweede jaar voorafgaand aan het lopende jaar is opgericht, gefuseerd of gesplitst, wordt voor de toepassing van:

Indien een rechtspersoon of instelling in het derde jaar voorafgaand aan het lopende jaar is opgericht, gefuseerd of gesplitst, wordt voor de toepassing van:

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Artikel 1b. Grondslagen van de regeling

Deze regeling berust mede op artikel 2.7, eerste tot en met vierde lid, van de wet.

Paragraaf 2. Topfunctionarissen in het onderwijs

Paragraaf 2a. Topfunctionarissen van de cultuurfondsen

Paragraaf 2b. Verstrekken gegevens

Paragraaf 3. Toezicht en handhaving

Paragraaf 4. Slotbepalingen

Bijlage. behorende bij artikel 3, tweede lid, van de Regeling normering topinkomens OCW-sectoren

Deel 1 van de bijlage is van toepassing op rechtspersonen of instellingen die beschikken over de jaarrekening over het tweede jaar voorafgaand aan het jaar waarin de indeling in een bezoldigingsklasse wordt toegepast (t-2). Voor rechtspersonen of instellingen die in het lopende jaar of de twee voorafgaande jaren zijn opgericht, gefuseerd of gesplitst, kunnen de berekeningen behorend bij de criteria uit dit eerste deel van de bijlage niet onverkort worden toegepast; voor die rechtspersonen of instellingen geldt deel 2 van deze bijlage.

Aan de rechtspersoon of instelling komt aan de hand van het totaal van de baten, inclusief de rentebaten, volgens de jaarrekening in het tweede jaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarin het bezoldigingsmaximum wordt toegepast (t-2) het volgende aantal punten toe.

Totale baten (in €) Aantal complexiteitspunten
0 tot 5,5 miljoen 2
5,5 tot 27,6 miljoen 4
27,6 tot 82,8 miljoen 6
82,8 tot 138 miljoen 8
138 tot 220,8 miljoen 9
220,8 miljoen en meer 10

Aan de rechtspersoon of instelling komt aan de hand van het aantal bekostigde leerlingen, vavo-studenten, mbo-studenten of ho-studenten die op de teldatum in het tweede jaar voorafgaand aan het jaar waarin het bezoldigingsmaximum wordt toegepast (t-2) ingeschreven stonden aan die instelling, het volgende aantal punten toe. Onder aantal bekostigde leerlingen, vavo-studenten, mbo-studenten of ho-studenten wordt verstaan: leerlingen, vavo-studenten, mbo-studenten of ho-studenten waarvoor de rechtspersoon of instelling bekostiging ontvangt op grond van de onderwijswetten. In het primair onderwijs, speciaal onderwijs en voortgezet speciaal onderwijs wordt als teldatum 1 februari gehanteerd, in de overige onderwijssectoren wordt als teldatum 1 oktober gehanteerd.

Aantal bekostigde leerlingen, vavo-studenten, mbo-studenten of ho-studenten Aantal complexiteitspunten
1 tot 1.500 1
1.500 tot 2.500 2
2.500 tot 10.000 3
10.000 tot 20.000 4
20.000 en meer 5

Aan de rechtspersoon of instelling komt aan de hand van het gewogen aantal onderwijssoorten of sectoren dat werd aangeboden op de teldatum in het tweede jaar voorafgaand aan het jaar waarin het bezoldigingsmaximum wordt toegepast (t-2) het uit de tabel volgende aantal punten toe. In het primair onderwijs, speciaal onderwijs en voortgezet speciaal onderwijs wordt als teldatum 1 februari gehanteerd, in de overige onderwijssectoren wordt als teldatum 1 oktober gehanteerd. De manier waarop het aantal onderwijssoorten of sectoren wordt gewogen is verschillend voor de verschillende onderwijssoorten of sectoren. Voor het bepalen van het aantal onderwijssoorten of sectoren geldt het volgende.

Gewogen aantal onderwijssoorten of sectoren* Aantal complexiteitspunten
1 1
2 2
3 3
4 4
5 en meer 5

I. Het aantal onderwijssoorten uit de volgende opsomming wordt vermenigvuldigd met factor 1:

1.

primair onderwijs – onderwijssoort basisonderwijs (inclusief internationaal georiënteerd basisonderwijs);

2.

primair onderwijs – onderwijssoort speciaal basisonderwijs;

3.

wec-onderwijs – onderwijssoort speciaal onderwijs;

4.

wec-onderwijs – onderwijssoort voortgezet speciaal onderwijs;

5.

voortgezet onderwijs – onderwijssoort praktijkonderwijs;

6.

voortgezet onderwijs – onderwijssoort voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs (inclusief VM2);

7.

voortgezet onderwijs – onderwijssoort hoger algemeen voortgezet onderwijs (inclusief International Baccalaureate middle years programme);

8.

voortgezet onderwijs – onderwijssoort voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (inclusief International Baccalaureate diploma programme en European Secondary School);

9.

voortgezet algemeen volwassenenonderwijs.

II. Het aantal onderwijssectoren uit de volgende opsomming wordt vermenigvuldigd met factor 2:

1.

middelbaar beroepsonderwijs – combinatie van sectoren;

2.

middelbaar beroepsonderwijs – sector groen;

3.

middelbaar beroepsonderwijs – sector techniek;

4.

middelbaar beroepsonderwijs – sector zorg en welzijn;

5.

middelbaar beroepsonderwijs – sector economie;

6.

hoger beroepsonderwijs – sectoroverstijgend;

7.

hoger beroepsonderwijs – sector onderwijs;

8.

hoger beroepsonderwijs – sector landbouw en natuurlijke omgeving;

9.

hoger beroepsonderwijs – sector techniek;

10.

hoger beroepsonderwijs – sector gezondheidszorg;

11.

hoger beroepsonderwijs – sector economie;

12.

hoger beroepsonderwijs – sector gedrag en maatschappij;

13.

hoger beroepsonderwijs – sector taal en cultuur.

III. Het aantal onderwijssectoren uit de volgende opsomming wordt vermenigvuldigd met factor 3:

1.

wetenschappelijk onderwijs – sectoroverstijgend;

2.

wetenschappelijk onderwijs – sector onderwijs;

3.

wetenschappelijk onderwijs – sector landbouw en natuurlijke omgeving;

4.

wetenschappelijk onderwijs – sector natuur;

5.

wetenschappelijk onderwijs – sector techniek;

6.

wetenschappelijk onderwijs – sector gezondheidszorg;

7.

wetenschappelijk onderwijs – sector economie;

8.

wetenschappelijk onderwijs – sector recht;

9.

wetenschappelijk onderwijs – sector gedrag en maatschappij;

10.

wetenschappelijk onderwijs – sector taal en cultuur.

De criteria genoemd in deel 1, onder 1A, 1B en 1C, van deze bijlage zijn van overeenkomstige toepassing op rechtspersonen of instellingen die in het lopende jaar of de twee voorafgaande jaren zijn opgericht, gefuseerd of gesplitst, met dien verstande dat voor de toepassing van de criteria de volgende berekening wordt gehanteerd.

Indien een rechtspersoon of instelling in het lopende jaar is opgericht, gefuseerd of gesplitst, wordt voor de toepassing van:

Indien een rechtspersoon of instelling in het jaar voorafgaand aan het lopende jaar is opgericht, gefuseerd of gesplitst, wordt voor de toepassing van:

Indien een rechtspersoon of instelling in het tweede jaar voorafgaand aan het lopende jaar is opgericht, gefuseerd of gesplitst, wordt voor de toepassing van:

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.