← Geldende tekst · Geschiedenis

Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 27 juni 2023, nr. 1409103, houdende regels voor de subsidieverstrekking ten behoeve van het Leven Lang Ontwikkelen-Katalysator programma voor Bouwsteen 2 (Subsidieregeling LLO-oplossingen energie- en grondstoffentransitie 2023–2026)

Geldende tekst a fecha 2024-06-28

Gelet op de artikelen 4 en 5 van de Wet overige OCW-subsidies en de artikelen 1.3 en 2.1 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS;

Besluit:

Paragraaf 1. Inleidende bepalingen

Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

Artikel 2. Toepasselijke regelgeving

Deze regeling geldt in aanvulling op de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS.

Artikel 3. Subsidieverstrekking kleine en grote projecten
1.

De minister kan op grond van deze regeling subsidie verstrekken aan de penvoerder van een samenwerkingsverband voor een klein of groot project gericht op het ontwikkelen van een LLO-oplossing in het kader van de energie- en grondstoffentransitie.

2.

Voor een klein project bedraagt de subsidie ten minste € 50.000, maar minder dan € 125.000.

3.

Voor een groot project bedraagt de subsidie ten minste € 125.000 en ten hoogste € 2.000.000.

4.

Subsidieaanvragen die betrekking hebben op een bedrag van minder dan € 50.000,– of meer dan € 2.000.000,– worden afgewezen.

5.

Een subsidieaanvraag kan uitsluitend worden ingediend door een publieke opleider die deelneemt aan een samenwerkingsverband, en die namens dat samenwerkingsverband als penvoerder optreedt.

6.

De subsidie wordt aangevraagd door, verstrekt aan en verantwoord door de penvoerder, ongeacht welke partij in het samenwerkingsverband feitelijk is belast met de uitvoering van de daarop betrekking hebbende werkzaamheden.

Artikel 4. Samenwerkingsverbanden
1.

Een samenwerkingsverband bestaat uit ten minste één arbeidsorganisatie en ten minste twee publieke opleiders die een combinatie zijn van:

2.

Naast publieke opleiders en arbeidsorganisaties kunnen ook andere partijen zoals private opleiders aan het samenwerkingsverband deelnemen.

Artikel 5. Subsidieplafond
1.

Voor subsidieverstrekking op aanvragen die in de eerste aanvraagronde, bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel a, zijn ingediend, is een bedrag van € 17.500.000 beschikbaar, waarvan:

1a. Voor subsidieverstrekking op aanvragen die in de tweede aanvraagronde, bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel b, zijn ingediend, is een bedrag van € 20.500.000 beschikbaar, waarvan:

2.

De subsidieplafonds voor de aanvraagronde, bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel c, zullen door wijziging van deze regeling aan deze regeling worden toegevoegd. Daarbij wordt eveneens een onderverdeling gemaakt tussen het bedrag dat beschikbaar is voor kleine projecten, en het bedrag dat beschikbaar is voor grote projecten.

Artikel 6. Algemene bepalingen subsidieaanvraag
1.

Op grond van deze regeling kan subsidie worden aangevraagd:

2.

Aanvragen die buiten een in het eerste lid bedoelde aanvraagperiode worden ingediend, worden afgewezen.

3.

Een samenwerkingsverband kan per aanvraagronde ten hoogste één subsidieaanvraag indienen.

4.

Een publieke opleider kan per aanvraagronde als deelnemer aan meerdere samenwerkingsverbanden deelnemen, doch kan per aanvraagronde ten hoogste eenmaal als penvoerder optreden.

5.

De subsidie wordt aangevraagd met gebruikmaking van het aanvraagformulier dat daartoe is bekendgemaakt op de website van DUS-I.

Paragraaf 2. Kleine projecten

Artikel 7. Te subsidiëren activiteiten
1.

De minister kan subsidie verstrekken aan de penvoerder van een samenwerkingsverband voor een klein project als bedoeld in artikel 3, eerste en tweede lid.

2.

Een klein project is gericht op een onderdeel van het ontwikkelproces van een LLO-oplossing in het kader van de energie- en grondstoffentransitie. Subsidiabele activiteiten voor een klein project zijn:

Artikel 8. Subsidieaanvraag klein project

In aanvulling op het aanvraagformulier, bedoeld in artikel 6, vijfde lid, dient de penvoerder die subsidie aanvraagt voor een klein project de volgende documenten in:

Artikel 9. Visiedocument
1.

In het visiedocument wordt de visie van het samenwerkingsverband beschreven op het oplossen van één of meerdere competentieknelpunten in het kader van de energie- en grondstoffentransitie binnen een bepaalde regio of sector.

2.

Het visiedocument bevat in ieder geval:

Artikel 10. Activiteitenplan

In voorkomend geval in aanvulling op artikel 3.4 van de Kaderregeling, bevat het activiteitenplan in ieder geval:

Artikel 11. Begroting
1.

De begroting bevat een overzicht van de kosten van de activiteiten, voorzien van een toelichting. Op de begroting is artikel 3.5 van de Kaderregeling van toepassing.

2.

Voor de begroting kan worden gekozen uit vier functies met een vast integraal uurtarief inclusief opslag voor overhead en administratie:

3.

De begroting wordt aangeleverd in het hiervoor door DUS-I beschikbaar gestelde format.

Artikel 12. Samenwerkingsovereenkomst
1.

De samenwerking binnen het samenwerkingsverband voor een klein project wordt vastgelegd in een samenwerkingsovereenkomst.

2.

De samenwerkingsovereenkomst wordt ondertekend door de partijen in het samenwerkingsverband.

3.

In de samenwerkingsovereenkomst is in elk geval vastgelegd:

Artikel 13. Aanvullende verplichtingen

Aan de penvoerder die subsidie ontvangt voor een klein project, worden de volgende verplichtingen opgelegd:

Artikel 14. Vaststelling en verantwoording
1.

Indien de aanvraag voor een klein project ingevolge artikel 27 voor subsidie in aanmerking komt, stelt de minister de subsidie direct vast binnen 22 weken na de sluiting van de desbetreffende aanvraagronde.

2.

De verantwoording over de verstrekte subsidie geschiedt in de jaarverslaggeving overeenkomstig de Regeling jaarverslaggeving onderwijs met model G, onderdeel 1, zoals bedoeld in richtlijn 660 van de Raad voor de Jaarverslaggeving.

3.

De penvoerder toont op verzoek van de minister aan dat de activiteiten waarvoor subsidie is verstrekt, zijn verricht en dat is voldaan aan de verplichtingen die aan de subsidie verbonden zijn.

4.

Als de activiteiten zijn uitgevoerd en aan de verplichtingen is voldaan, kan het niet aangewende deel van de subsidie worden besteed aan andere activiteiten waarvoor bekostiging wordt verstrekt.

Artikel 15. Betaling

Het subsidiebedrag voor een klein project wordt ineens betaald.

Paragraaf 3. Grote projecten

Artikel 16. Te subsidiëren activiteiten
1.

De minister kan subsidie verstrekken aan de penvoerder van een samenwerkingsverband voor een groot project als bedoeld in artikel 3, eerste en derde lid.

2.

Een groot project is gericht op de ontwikkeling en de realisatie van een LLO-oplossing. Subsidiabele activiteiten voor een groot project zijn:

3.

Het testen van een conceptversie van een eindproduct is proportioneel en staat in verhouding tot het doel van de test om de kwaliteit, uitvoerbaarheid en effectiviteit van de LLO-oplossing aan te tonen.

4.

Het testen van een conceptversie van een eindproduct is ten hoogste driemaal subsidiabel.

Artikel 17. Cofinanciering
1.

Het door de minister te verlenen subsidiebedrag bedraagt ten hoogste 75% van de begrote kosten voor de subsidiabele activiteiten.

2.

De subsidieontvanger bekostigt ten minste 25% van de subsidiabele activiteiten door middel van cofinanciering. De cofinanciering kan worden ingebracht door iedere partij die deelneemt aan het samenwerkingsverband, met uitzondering van de deelnemende publieke opleiders.

3.

De cofinanciering bestaat uit een bijdrage in geld, of uit een op economische waarde bepaalbare bijdrage die noodzakelijk is voor de ontwikkeling van de LLO-oplossing waarvoor de subsidie is aangevraagd.

Artikel 18. Subsidieaanvraag groot project

In aanvulling op het aanvraagformulier, bedoeld in artikel 6, vijfde lid, dient de penvoerder die subsidie aanvraagt voor een groot project de volgende documenten in:

Artikel 19. Visiedocument
1.

In het visiedocument beschrijft het samenwerkingsverband de visie op het oplossen van een of meerdere competentieknelpunten in het kader van de energie- en grondstoffentransitie binnen een regio of sector.

2.

Het visiedocument bevat in ieder geval:

Artikel 20. Activiteitenplan

In voorkomend geval in aanvulling op artikel 3.4 van de Kaderregeling, bevat het activiteitenplan in ieder geval:

Artikel 21. Begroting
1.

De begroting bevat een overzicht van de kosten van de activiteiten, voorzien van een toelichting. Op de begroting is artikel 3.5 van de Kaderregeling van toepassing.

2.

De begroting maakt inzichtelijk welk percentage cofinanciering wordt gerealiseerd voor de gehele projectperiode, waaruit cofinanciering bestaat, en hoe de inbreng van de cofinanciering is verdeeld over de partijen binnen het samenwerkingsverband.

3.

Voor de begroting kan worden gekozen uit vier functies met een vast integraal uurtarief inclusief opslag voor overhead en administratie:

4.

De begroting wordt aangeleverd in het hiervoor door DUS-I beschikbaar gestelde format.

Artikel 22. Samenwerkingsovereenkomst
1.

De samenwerking binnen het samenwerkingsverband voor een groot project wordt vastgelegd in een samenwerkingsovereenkomst.

2.

De samenwerkingsovereenkomst wordt ondertekend door de partijen in het samenwerkingsverband.

3.

In de samenwerkingsovereenkomst is in elk geval vastgelegd:

Artikel 23. Aanvullende verplichtingen

Aan de penvoerder die subsidie ontvangt voor een groot project, worden de volgende verplichtingen opgelegd:

Artikel 24. Verlening en verantwoording
1.

Indien een aanvraag ingevolge artikel 27 voor subsidie in aanmerking komt, verleent de minister de subsidie. De Minister besluit binnen 22 weken op de aanvragen voor grote projecten.

2.

In afwijking van het eerste lid besluit de Minister voor subsidieaanvragen die zijn toegekend met een aanvullende verplichting als bedoeld in artikel 27, zesde lid, binnen 13 weken na ontvangst van de rapportage, bedoeld in artikel 23, onderdeel d, of het project alsnog als voldoende wordt beoordeeld. Indien de Minister op basis van de rapportage en het advies van de beoordelingscommissie op basis van het toelichtingsgesprek, het project als onvoldoende beoordeelt, kan de subsidieontvanger de activiteiten waarvoor subsidie is verstrekt, niet voortzetten. De subsidieontvanger verantwoordt de niet-afgeronde activiteiten onder toepassing van het derde lid.

3.

De verantwoording over de verleende subsidie geschiedt in de jaarverslaggeving overeenkomstig de Regeling jaarverslaggeving onderwijs met model G, onderdeel 2.

4.

De penvoerder toont via een activiteitenverslag aan dat de activiteiten waarvoor subsidie is verstrekt, zijn verricht en dat is voldaan aan de verplichtingen die aan de subsidie verbonden zijn.

5.

De subsidie wordt uitsluitend besteed aan de activiteiten waarvoor deze wordt verleend. Niet-bestede middelen worden teruggevorderd.

6.

De Minister stelt de subsidie vast binnen een jaar na ontvangst van de jaarverslaggeving over het laatste jaar van de projectperiode.

Artikel 25. Bevoorschotting en betaling
1.

De subsidie voor een groot project wordt ieder kwartaal bij voorschot verleend, waarbij het eerste voorschot 35% van de totale toegekende subsidie bedraagt en de overige voorschotten als gelijke delen van het resterende subsidiebedrag worden uitgekeerd.

2.

In afwijking van het eerste lid, wordt voor een toegekende subsidie op een aanvraag met beoordeling bijna voldoende als bedoeld in artikel 27, zesde lid, een voorschot toegekend van 20% van de totale toegekende subsidie. Na een positief besluit van de Minister op de rapportage, bedoeld in artikel 24, tweede lid, wordt de resterende 80% van het toegekende subsidiebedrag bevoorschot in gelijke delen per kwartaal van de resterende subsidieperiode.

Paragraaf 4. Beoordeling subsidieaanvragen en verdeling subsidie

Artikel 26. Beoordeling subsidieaanvragen
1.

De minister stelt een onafhankelijke beoordelingscommissie in die is belast met het adviseren van de minister over de beoordeling en de rangschikking van de aanvragen.

2.

Na de sluitingsdatum van de desbetreffende aanvraagperiode worden de ingediende volledige aanvragen, voor grote en voor kleine projecten afzonderlijk, beoordeeld door de beoordelingscommissie en voorzien van een advies aan de minister.

3.

De beoordelingscommissie beoordeelt de aanvragen aan de hand van het beoordelingskader dat is opgenomen als bijlage 1 bij deze regeling.

4.

Aanvragen voor kleine projecten worden alleen schriftelijk beoordeeld als voldoende of onvoldoende.

5.

Aanvragen voor grote projecten worden beoordeeld als voldoende, bijna voldoende of onvoldoende.

6.

Aanvragen voor grote projecten die als voldoende zijn beoordeeld worden gerangschikt op basis van hun score zodanig dat een hoger toegekende puntenscore ook leidt tot een hogere rangschikking.

7.

Voor aanvragen van kleine en grote projecten geldt dat de minimale score voldoende moet zijn op elk van de in bijlage 1 bedoelde criteria Impact, Kwaliteit en Verankering, om direct van een positief advies voorzien te worden.

8.

De beoordelingscommissie kan adviseren om aanvragen voor grote projecten die niet op elk van de in bijlage 1 bedoelde criteria Impact, Kwaliteit en Verankering een voldoende scoren en waarbij het aannemelijk is dat het project met een extra kwaliteitsslag alsnog als voldoende kan worden beoordeeld, te beoordelen als bijna voldoende, waarbij de commissie adviseert over de verbeteringen die de subsidieaanvrager binnen uiterlijk vier maanden na ontvangst van de beschikking dient door te voeren om alsnog als voldoende te worden beoordeeld.

9.

Aanvragen die zijn beoordeeld als bijna voldoende komen uitsluitend in aanmerking voor een positief advies en worden uitsluitend onderling gerangschikt, indien er na rangschikking van de als voldoende beoordeelde grote projectaanvragen nog budget resteert.

10.

De beoordelingscommissie kent een hoger aantal punten toe naarmate de score op Impact, Kwaliteit en Verankering hoger is, blijkend uit:

11.

Een toelichtingsgesprek met de beoordelingscommissie is een vast onderdeel bij de beoordelingsprocedure van een grote projectaanvraag.

Artikel 27. Besluitvorming minister en verdeling subsidie
1.

De minister beoordeelt de aanvragen met kennisneming van het advies van de beoordelingscommissie.

2.

Indien in een aanvraagronde bij toewijzing van alle door de minister als voldoende beoordeelde aanvragen voor een klein project, het desbetreffende subsidieplafond, bedoeld in artikel 5, zou worden overschreden, bepaalt de minister de rangschikking van de aanvragen op basis van loting.

3.

De minister bepaalt de rangschikking van de als voldoende beoordeelde aanvragen voor grote projecten aan de hand van de kwaliteit van de aanvragen op basis van bijlage 1, en verdeelt het beschikbare bedrag op basis van deze rangschikking totdat het budget voor die aanvraagronde is uitgeput.

4.

Indien de minister aan meerdere aanvragen een gelijk puntenaantal heeft toegekend, en het desbetreffende in artikel 5 bedoelde subsidieplafond ontoereikend is om alle gelijke gewaardeerde aanvragen te kunnen toewijzen, bepaalt de minister de rangschikking van deze aanvragen op basis van loting.

5.

Indien in een aanvraagronde voor grote projecten budget resteert, maar een gerangschikt voorstel niet volledig te honoreren is, wordt aan de subsidieaanvrager voorgesteld met het nog resterende bedrag van het subsidiebudget zijn project in volledige of aangepaste vorm uit te voeren. Indien de betreffende aanvrager hiermee niet akkoord gaat wordt de aanvraag niet toegekend.

6.

Indien in een aanvraagronde voor grote projecten na toepassing van het derde, vierde en vijfde lid van dit artikel budget resteert, kan de Minister de als bijna voldoende beoordeelde aanvragen toekennen met de aanvullende verplichting, bedoeld in artikel 23, onderdeel d. Ten aanzien van de rangschikking en toekenning van deze aanvragen zijn het derde, vierde en vijfde lid van overeenkomstige toepassing.

Paragraaf 5. Slotbepalingen

Artikel 28. Inwerkingtreding en vervaldatum
1.

Deze regeling treedt in werking met ingang van 7 juli 2023.

2.

Deze regeling vervalt met ingang van 31 december 2026, met dien verstande dat zij van toepassing blijft ten aanzien van subsidies die op grond van deze regeling zijn verstrekt.

Artikel 29. Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als Subsidieregeling LLO-Katalysator (LLO-oplossingen energie- en grondstoffentransitie 2023–2026).

Bijlage 1. Beoordelingskader

Deze bijlage behoort bij artikel 26, derde lid, van de Subsidieregeling LLO-oplossingen energie- en grondstoffentransitie 2023–2026

Criterium Minimumvereisten
Impact (10-punts schaal) Er is duidelijk onderbouwd: • op welke regio of sector het samenwerkingsverband zich richt; • wat hierbinnen de competentieknelpunten op de arbeidsmarkt zijn in het kader van de energie- en grondstoffentransitie; • wat de ambities zijn van het samenwerkingsverband met het project qua bereik voor werkenden, werkzoekenden en werkgevers en andere stakeholders; • wat de beoogde bijdrage is aan de energie- en grondstoffentransitie. Weging 30% Uit het visiedocument blijkt voor de vraagarticulatie en het ontwerp van een LLO-oplossing: • op welke regio/sector en competentieknelpunten het project is gericht; • wat de relevante partijen binnen de regio of sector zijn waar de aanvrager zich op richt; • wat de regionale of sectorale human capital agenda is in zoverre deze beschikbaar is; • welk doel de gezamenlijke vraagarticulatie heeft; • waarom de gezamenlijke vraagarticulatie, vertaald in een ontwerp LLO-oplossing, nodig is en wat het oplevert. Uit het visiedocument blijkt voor het testen en ontwikkelen van een LLO-oplossing: • op welke regio/sector en competentieknelpunten het project zich richt; • wat de relevante partijen binnen de regio of sector zijn waar de aanvrager zich op richt; • wat de regionale of sectorale human capital agenda is in zoverre deze beschikbaar is; • welk doel het ontwikkelen en testen heeft; • waarom het ontwikkelen en testen van de LLO-oplossing nodig is; • wat de beoogde LLO-oplossing is en wat het bereik is voor werkenden, werkzoekenden en werkgevers.
Kwaliteit (10-puntsschaal) Samenwerking a) Er is sprake van co-makerschap en een gedragen samenwerking met relevante actoren, bij voorkeur ook met private opleiders. Inhoud b) Er wordt beschreven hoe de gezamenlijke vraagarticulatie, het ontwerpen of het testen van een LLO-oplossing tot stand komt, uitgewerkt in een activiteitenplan. Projectorganisatie c) Er is inzichtelijk gemaakt hoe het project georganiseerd gaat worden, waardoor een succesvolle uitvoering mogelijk is. Begroting d) De begroting bevat een overzicht van de kosten van de activiteiten, voorzien van een toelichting. Weging 60% Uit het visiedocument en de samenwerkingsovereenkomst blijkt: • de kwaliteit van het samenwerkingsverband blijkend uit de betrokken organisaties (publieke opleiders mbo, hbo en wo, private opleiders, werkgevers en andere regionale of sectorale partijen) wordt samengewerkt en waarom; • wat elke partij in het samenwerkingsverband in het kader van co-makerschap inhoudelijk, organisatorisch of financieel bijdraagt aan het project; Uit het activiteitenplan blijkt: • wat het project inhoudt en wat de doelstellingen zijn in relatie tot het visiedocument; • welke resultaten het project concreet oplevert; • welke activiteiten in samenhang worden ondernomen om het gewenste resultaat te behalen, vormgegeven in een activiteitenplanning (wie doet wat wanneer) waardoor het aannemelijk is dat de projectdoelen behaald gaan worden; • wat de projectorganisatie- en overlegstructuur is en hoe die wordt ingevuld, passend bij de omvang van het project. Uit de begroting blijkt: • welke kosten door wie worden gemaakt tegen welke bijdrage. Waarbij kostenefficiëntie en effectiviteit van de ingezette middelen belangrijk is; • dat de juiste functies en uurtarieven opgenomen zijn.
Verankering (10-puntsschaal) Er is duidelijk onderbouwd: • hoe het samenwerkingsverband wil bijdragen aan het oplossen van de competentieknelpunten in het kader van de energie- en grondstoffentransitie; • hoe het LLO-ecosysteem versterkt wordt door dit project; • hoe de activiteiten en resultaten verduurzaamd worden na afloop van het project. Weging 10% Uit het visiedocument, activiteitenplan en samenwerkingsovereenkomst blijkt: • welke afspraken zijn gemaakt over de verduurzaming en verankering van de activiteiten en resultaten van het project na afloop en de voortzetting van de samenwerking; • wat het potentiële bereik is van het project of de LLO-oplossing qua werkenden, werknemers en werkgevers; • een toelichting op de bijdrage van het project aan het oplossen van competentieknelpunten in het kader van de energie- en grondstoffentransitie; • een toelichting op de wijze waarmee dit project bijdraagt aan het versterken van het LLO-ecosysteem.
Criterium Minimumvereisten
--- ---
Impact (10-puntsschaal) Er is duidelijk onderbouwd: • op welke regio of sector het samenwerkingsverband zich richt met een overzicht van de relevante partijen die daarbinnen actief zijn; • wat hierbinnen de competentieknelpunten op de arbeidsmarkt zijn in het kader van de energie- en grondstoffentransitie; • dat de beoogde LLO-oplossing nog niet voorhanden is blijkend uit de analyse van het relevante LLO aanbod; • wat de ambities zijn van het samenwerkingsverband met het project qua bereik voor werkenden, werkzoekenden en werkgevers en andere stakeholders; • wat de beoogde bijdrage is aan de energie- en grondstoffentransitie. Weging 30% Uit het visiedocument blijkt: • op welke regio of sector en op welke competentieknelpunten het project zich richt en waarom juist hiervoor is gekozen; • wat de relevante partijen binnen de regio of sector zijn waar de aanvrager zich op richt; • wat de regionale of sectorale human capital agenda is in zoverre deze beschikbaar is; • wat de beoogde LLO-oplossing is van het samenwerkingsverband en hoe dit aansluit op de regionale/sectorale agenda’s van de regio of sector en aansluit bij de vraag van arbeidsorganisaties; • een analyse waaruit blijkt in welke mate het huidige LLO aanbod de vraag dekt die voortkomt uit de beschreven competentieknelpunten waardoor de beoogde LLO-oplossing een toevoeging is; • wat de ambities zijn qua bereik van de LLO-oplossing voor werkenden, werkzoekenden en werkgevers.
Kwaliteit (10-puntsschaal) Samenwerking a) Er is sprake van co-makerschap en een gedragen samenwerking met relevante actoren, bij voorkeur ook met private opleiders. Inhoud b) Er is inzichtelijk gemaakt hoe de concrete uitwerking van het project eruit gaat zien, welke stappen in het ontwikkelproces doorlopen worden en hoe de beoogde LLO-oplossing aansluit bij het oplossen van competentieknelpunten in het kader van de energie- en grondstoffentransitie. Projectorganisatie c) Er is inzichtelijk gemaakt hoe het project georganiseerd gaat worden, waardoor een succesvolle uitvoering mogelijk is. Begroting f) De begroting bevat een overzicht van de kosten van de activiteiten, de gerealiseerde cofinanciering en is voorzien van een toelichting. Weging 60% Uit het visiedocument en de samenwerkingsovereenkomst blijkt: • de kwaliteit van het samenwerkingsverband blijkend uit de betrokken organisaties (publieke opleiders mbo, hbo en wo, private opleiders, werkgevers en andere regionale of sectorale partijen) wordt samengewerkt en waarom; • wat elke partij in het samenwerkingsverband in het kader van co-makerschap inhoudelijk, organisatorisch of financieel bijdraagt aan het project; • dat het samenwerkingsverband een open netwerk is waar geïnteresseerde partijen in de regio of sector zich onder transparante en redelijke voorwaarden bij kunnen aansluiten; • wat de financiële of bestuurlijke afspraken zijn die gemaakt zijn over verduurzaming van de activiteiten en de samenwerking na afloop van het project; • wat het draagvlak is voor het project onder deelnemers in het samenwerkingsverband. Uit het activiteitenplan blijkt: • wat het project inhoudt en wat de doelstellingen zijn in relatie tot het visiedocument; • welke activiteiten in samenhang worden ondernomen om het gewenste resultaat te behalen, vormgegeven in een activiteitenplanning (wie doet wat wanneer) waardoor het aannemelijk is dat de projectdoelen behaald gaan worden; • wat de organisatie- en overlegstructuur is en hoe die wordt ingevuld; • op welke doelgroepen de beoogde LLO-oplossing zich richt en hoe met de aanpak wordt aangesloten bij de behoeften van deze doelgroepen; • de wijze waarop het testen van een conceptversie van het eindproduct wordt vormgegeven en hoe dit proportioneel en in verhouding is tot het beoogde resultaat; • de wijze waarop individuele resultaten van deelnemers inzichtelijk worden gemaakt (bijv. via mbo-certificaten of microcredentials); • hoe het project invulling geeft aan een lerende aanpak; • wat de risico’s en bijbehorende beheersmaatregelen zijn tijdens de uitvoering van het project; • er is beschreven hoe het model van de beoogde LLO-oplossing tot stand gaat komen. Uit de begroting blijkt: • welke kosten door wie worden gemaakt tegen welke bijdrage. Waarbij kostenefficiëntie en effectiviteit van de ingezette middelen belangrijk is; • welke cofinanciering is gerealiseerd, over welke fase of activiteiten en door welke partijen. Er is aangegeven waaruit die cofinanciering bestaat, geld of bijdrage in natura. Waarbij geldt dat een gelijkmatigere verdeling van de cofinanciering in alle stappen van het ontwikkelproces een hogere score oplevert; • de juiste functies en uurtarieven zijn gevolgd.
Verankering (10-puntsschaal) Er is duidelijk onderbouwd: • hoe het samenwerkingsverband wil bijdragen aan het oplossen van de competentieknelpunten in het kader van de energie- en grondstoffentransitie; • hoe het LLO-ecosysteem versterkt wordt door dit project; • hoe de activiteiten en resultaten verduurzaamd worden na afloop van het project; • hoe de ambities qua bereik van werkenden, werkzoekenden en werkgevers behaald gaan worden. Weging 10% Uit het visiedocument, activiteitenplan en samenwerkingsovereenkomst blijkt: • welke afspraken zijn gemaakt over de verduurzaming en verankering van de activiteiten en resultaten van het project na afloop en de voortzetting van de samenwerking; • wat het bereik is van de LLO-oplossing qua werkenden, werknemers en werkgevers en hoe deze ambities gerealiseerd gaan worden; • een toelichting op de bijdrage van het project aan het oplossen van competentieknelpunten in het kader van de energie- en grondstoffentransitie; • een toelichting op de wijze waarmee dit project bijdraagt aan het versterken van het LLO-ecosysteem; • hoe het samenwerkingsverband kennisdeling faciliteert waardoor ontwikkelde methodieken gebruikt kunnen worden door andere organisaties dan het oorspronkelijke samenwerkingsverband gedurende en na afloop van het project.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.