Regeling van de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, van 23 april 2026, nr. WJZ/105608552, houdende regels voor de verstrekking van subsidie voor het nemen van extensiveringsmaatregelen op melkveehouderijbedrijven (Subsidieregeling extensivering melkveehouderij)
Gelet op artikel 3 van de Kaderwet EZ-, LVVN- en KGG-subsidies;
Besluit:
Artikel 1. Begripsomschrijving
- fosfaatrecht: hoeveelheid dierlijke meststoffen, uitgedrukt in kilogrammen fosfaat, die in een kalenderjaar ten hoogste met melkvee mag worden geproduceerd;
- graasdieren: runderen, uitgezonderd andere vleeskalveren dan rosékalveren, schapen, geiten, paardachtigen, hertachtigen en waterbuffels;
- grasland: het voor het op of in de bodem brengen van dierlijke meststoffen beschikbare deel van de tot de melkveehouderij behorende oppervlakte landbouwgrond dat gedurende de periode van 15 mei tot en met 15 september van een kalenderjaar onafgebroken beteeld is met gras bestemd om te worden gebruikt als ruwvoer;
- GVE: grootvee-eenheid, zoals opgenomen in de tabel in bijlage 1;
- melk- en kalfkoeien: koeien (bos taurus) die ten minste éénmaal hebben gekalfd en die worden gehouden voor de productie van melk voor menselijke consumptie of verwerking of voor de fokkerij van runderen voor de melkveehouderij, ook als ze drooggezet zijn om een kalf te krijgen, of worden vetgemest en in de mesttijd worden gemolken;
- melkveehouder: natuurlijke persoon of rechtspersoon die of samenwerkingsverband van natuurlijke personen of rechtspersonen dat een melkveehouderij drijft;
- melkveehouderij: onderneming voor het houden van melk- en kalfkoeien voor de productie van melk;
- minister: Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur;
- verordening 2021/2115: Verordening (EU) 2021/2115 van het Europees Parlement en de Raad van 2 december 2021 tot vaststelling van voorschriften inzake steun voor de strategische plannen die de lidstaten in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid opstellen (strategische GLB-plannen) en die uit het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) en het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) worden gefinancierd, en tot intrekking van Verordeningen (EU) nr. 1305/2013 en (EU) nr. 1307/2013 (PbEU 2021, L 435).
Artikel 2. Kaderbesluit nationale EZK- en LNV-subsidies
De artikelen 6, 22, 26, 27, 36, 36a, 41 en 43 van het besluit zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 3. Subsidieverstrekking
De minister kan op aanvraag aan een melkveehouder subsidie verstrekken voor het nemen van een extensiveringsmaatregel op diens melkveehouderij.
Artikel 4. Vereisten
Er is sprake van een extensiveringsmaatregel als bedoeld in artikel 3, indien een vermindering plaatsvindt van het aantal melk- en kalfkoeien dat gemiddeld per jaar wordt gehouden op de melkveehouderij en de melkveehouder overeenkomstig artikel 31, eerste lid, van de Meststoffenwet een kennisgeving heeft gedaan van het vervallen van het deel van diens fosfaatrecht dat overeenkomt met het fosfaatrecht dat is vereist voor het aantal melk- en kalfkoeien dat gemiddeld per jaar minder wordt gehouden.
De in het eerste lid genoemde vermindering bedraagt ten minste 10 procent en ten hoogste 20 procent ten opzichte van het referentieaantal, bedoeld in het derde en vierde lid.
Het referentieaantal is het gemiddeld aantal gehouden melk- en kalfkoeien in kalenderjaar 2025.
In afwijking van het derde lid is het referentieaantal het aantal gehouden melk- en kalfkoeien op 1 april 2026, als dat aantal lager is dan het gemiddeld aantal gehouden melk- en kalfkoeien in kalenderjaar 2025.
Artikel 5. Subsidiecomponenten
De subsidie omvat:
- a. een bijdrage voor de netto inkomensderving als gevolg van het verminderen van het gemiddeld aantal gehouden melk- en kalfkoeien per jaar ten opzichte van het referentieaantal;
- b. een bijdrage voor de derving van inkomsten uit verkoop als gevolg van het vervallen van het deel van het fosfaatrecht.
De subsidie, genoemd in het eerste lid, bedraagt maximaal € 400.000.
Artikel 6. Bijdrage vermindering melk- en kalfkoeien
De in artikel 5, eerste lid, onderdeel a, genoemde bijdrage wordt bepaald aan de hand van de vermindering van het aantal melk- en kalfkoeien, bedoeld in artikel 4, eerste lid, en een bijdrage voor netto inkomensderving per koe per jaar van € 1.606.
Artikel 7. Bijdrage vervallen fosfaatrecht
De in artikel 5, eerste lid, onderdeel b, genoemde bijdrage wordt bepaald aan de hand van het deel van het fosfaatrecht dat vervalt en de verkoopwaarde van een fosfaatrecht, benodigd voor een kilogram fosfaat, van € 110.
Artikel 8. Afwijzingsgronden
De minister beslist afwijzend op een aanvraag voor subsidieverlening indien:
- a. de melkveehouder met extensiveringsmaatregelen deelneemt aan een samenwerkingsverband dat op grond van titel 5.8 van de Regeling Europese EZ-, LVVN- en KGG-subsidies 2021 voor samenwerking in veenweiden en overgangsgebieden N2000, subsidie ontvangt of een aanvraag voor subsidie heeft ingediend.
- b. de melkveehouderij geen kleine, middelgrote of micro-onderneming is als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van bijlage I bij Verordening (EU) nr. 2022/2472.
Artikel 9. Openstellingsperiode en subsidieplafond
Aanvragen voor subsidie op grond van artikel 3 kunnen worden ingediend in de periode van maandag 1 juni 2026 9:00 uur tot en met woensdag 29 juli 2026 17:00 uur.
Het subsidieplafond voor de verstrekking van subsidies op aanvragen die zijn ingediend in de in het eerste lid bedoelde periode, bedraagt € 615.700.000.
Artikel 10. Aanvraag subsidieverlening
Een subsidieaanvraag wordt ingediend bij de minister met gebruikmaking van een daartoe door de minister ter beschikking gesteld middel.
Een aanvraag voor subsidie bevat ten minste de volgende gegevens:
- a. gegevens over de aanvrager, waaronder contactgegevens en het nummer waaronder de melkveehouderij in het Handelsregister staat ingeschreven;
- b. het gemiddelde aantal melk- en kalfkoeien, dat door de melkveehouderij is gehouden in het jaar 2025;
- c. het aantal melk- en kalfkoeien, dat door de melkveehouderij is gehouden op 1 april 2026;
- d. het aantal melk- en kalfkoeien dat gemiddeld per jaar zal worden gehouden na de vermindering bedoeld in artikel 4, eerste lid;
- e. het aantal melk- en kalfkoeien dat na de subsidieverlening wordt afgevoerd van de melkveehouderij, zodat kan worden voldaan aan de in artikel 12, tweede lid, bedoelde verplichting;
- f. gegevens over het fosfaatrecht vereist voor de gemiddelde productie van dierlijke meststoffen op de melkveehouderij per melk- en kalfkoe in 2025;
- g. gegevens over de tot de melkveehouderij behorende oppervlakte grasland in 2025;
- h. het gemiddelde aantal graasdieren, anders dan melk- en kalfkoeien, dat is gehouden in het jaar 2025 uitgedrukt in GVE.
Artikel 11. Verdeling subsidieplafond
De minister verdeelt het subsidieplafond, bedoeld in artikel 9, tweede lid, op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.
Artikel 12. Verplichtingen van de subsidieontvanger
De subsidieontvanger doet de kennisgeving, bedoeld in artikel 4, eerste lid, binnen vier weken na de subsidieverlening.
De subsidieontvanger zorgt ervoor dat binnen vier weken na de subsidieverlening een zodanig aantal melk- en kalfkoeien wordt afgevoerd, als nodig is om uit te komen op het aantal melk- en kalfkoeien, bedoeld in artikel 10, tweede lid, onderdeel d.
De subsidieontvanger handhaaft de in artikel 4, eerste lid, genoemde vermindering van het gemiddeld aantal gehouden melk- en kalfkoeien per jaar gedurende drie jaar, waarbij de periode van drie jaar aanvangt op het moment van de kennisgeving, bedoeld in artikel 4, eerste lid.
De subsidieontvanger zorgt ervoor dat het gemiddeld aantal in de melkveehouderij gehouden graasdieren, anders dan melk- en kalfkoeien, omgerekend naar GVE, vanaf het moment van het doen van de kennisgeving, bedoeld in artikel 4, eerste lid, gedurende drie jaar niet toeneemt ten opzichte van het gemiddeld aantal in het jaar 2025 door de melkveehouderij gehouden graasdieren, anders dan melk- en kalfkoeien, omgerekend naar GVE.
De subsidieontvanger zorgt ervoor dat de oppervlakte grasland van de melkveehouderij vanaf het moment van de kennisgeving, bedoeld in artikel 4, eerste lid, gedurende drie jaar niet minder is dan de oppervlakte grasland in het jaar 2025.
De subsidieontvanger verstrekt op verzoek van de minister nadere informatie om aan te tonen dat is voldaan aan het vierde lid.
Artikel 13. Voorschot subsidie
De minister verstrekt de subsidieontvanger uiterlijk acht weken na het doen van de kennisgeving, bedoeld in artikel 4, eerste lid, een voorschot van 30% van het subsidiebedrag.
In de jaren 2027 en 2028 verstrekt de minister uiterlijk 1 november voorschotten van 30% van het subsidiebedrag.
Artikel 14. Subsidievaststelling
De subsidie wordt ambtshalve vastgesteld uiterlijk 16 weken na afloop van de in artikel 12, derde lid, bepaalde termijn van drie jaar.
Artikel 15. Gegevensgebruik
De minister maakt voor een beoordeling van de juistheid van de informatie die is verstrekt bij de indiening van aanvragen en voor het controleren of aan de subsidieverplichtingen op grond van deze regeling is voldaan, gebruik van de daarvoor noodzakelijke gegevens die zijn opgenomen in voor de minister beschikbare registraties op grond van de Meststoffenwet, de Wet dieren, de Landbouwwet, de Verordening (EU) 2016/429 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 (PB EU 2016, L 84) en de Gedelegeerde verordening (EU) 2019/2035 van de Commissie (Pb EU 2019, L 314).
De minister kan gegevens die de subsidieontvanger heeft verschaft in het kader van de subsidieverstrekking gebruiken voor de toepassing van de artikelen 20.1, eerste lid, van de Omgevingswet, de artikelen 11.68, 11.69a, 11.69c van het Besluit kwaliteit leefomgeving en artikel 10.36dc van het Omgevingsbesluit.
Artikel 16. Staatssteun
De subsidie, bedoeld in artikel 3, bevat staatssteun.
De minister maakt, gelet op de Richtsnoeren voor staatssteun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden (2022/C 485/01), na de datum van de subsidievaststelling de volgende gegevens over de subsidieverstrekking bekend:
- a. de naam van de subsidieontvanger;
- b. de hoogte van het verstrekte subsidiebedrag;
- c. de datum van de subsidievaststelling;
- d. het feit dat de subsidieverstrekking betrekking heeft op een onderneming die voldoet aan de in artikel 2, eerste lid van bijlage I bij Verordening (EU) nr. 2022/2472 vastgestelde criteria;
- e. de provincie op het grondgebied waarvan de melkveehouderij van de subsidieontvanger is gevestigd;
- f. de voornaamste economische sector waarin de subsidieontvanger ten tijde van de subsidieaanvraag actief was.
De gegevens, bedoeld in het tweede lid, blijven ten minste tien jaar openbaar beschikbaar.
Artikel 17. Herzieningsclausule
De minister kan een verleningsbeschikking wijzigen als er wijzigingen optreden in:
- a. De uit de regelgeving voortvloeiende beheerseisen en de GLMC-normen krachtens titel III, hoofdstuk I, afdeling 2, van Verordening 2021/2115;
- b. De betrokken minimumvoorschriften voor het gebruik van meststoffen en gewasbeschermingsmiddelen, en andere verplichte vereisten ter zake in het nationale recht en het recht van de Unie;
- c. De voorwaarden voor de handhaving van landbouwareaal overeenkomstig artikel 4, tweede lid, onderdeel b, van Verordening 2021/2115.
- d. Het rechtskader van de volgende programmeringsperiode voor plattelandsontwikkeling.
De minister kan een verleningsbeschikking intrekken vanaf het moment dat de wijzigingen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a tot en met d, zich voordoen en de subsidieontvanger een wijziging ingevolge het eerste lid niet aanvaardt.
Artikel 18. Inwerkingtreding en vervaltermijn
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.