← Geldende tekst · Geschiedenis

Europees Verdrag inzake de adoptie van kinderen (herzien)

Geldende tekst a fecha 2008-11-27

Preambule

De lidstaten van de Raad van Europa en de andere Staten die dit Verdrag hebben ondertekend,

Overwegend dat het doel van de Raad van Europa het tot stand brengen van een grotere eenheid tussen zijn leden is, teneinde de idealen en beginselen die hun gemeenschappelijk erfgoed zijn te beschermen en te verwezenlijken;

Overwegend dat er, hoewel het instituut van adoptie van kinderen bestaat in het recht van alle lidstaten van de Raad van Europa, in deze landen uiteenlopende opvattingen blijven bestaan over de beginselen die op adoptie van toepassing moeten zijn evenals verschillen tussen adoptieprocedures en tussen de rechtsgevolgen van adoptie;

Gelet op het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van het kind van 20 november 1989 en in het bijzonder op artikel 21 daarvan;

Gelet op het Verdrag van Den Haag van 29 mei 1993 inzake de bescherming van kinderen en de samenwerking op het gebied van de interlandelijke adoptie;

Gelet op Aanbeveling 1443 (2000) van de Parlementaire Assemblee van de Raad van Europa inzake „internationale adoptie: kinderrechten eerbiedigen” en het Witboek van de Raad van Europa inzake de beginselen voor het vaststellen van en de rechtsgevolgen van ouderschap;

Erkennend dat sommige bepalingen van het Europees verdrag inzake de adoptie van kinderen uit 1967 (ETS nr. 58) achterhaald zijn en in strijd met de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens;

Erkennend dat de betrokkenheid van kinderen bij familierechtelijke procedures die op hen betrekking hebben, verbeterd is door het Europees Verdrag van 25 januari 1996 inzake de uitoefening van de rechten van kinderen (ETS nr. 160) en door de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens;

Overwegend dat aanvaarding van gezamenlijke herziene beginselen en praktijken op het gebied van adoptie van kinderen, rekening houdend met de relevante ontwikkelingen van de afgelopen decennia op dit terrein, kan bijdragen aan vermindering van de problemen die het gevolg zijn van verschillen in nationale wetgeving en tegelijkertijd de belangen van kinderen die zijn geadopteerd ten goede kan komen;

Overtuigd van de noodzaak van een herzien internationaal instrument van de Raad van Europa inzake de adoptie van kinderen dat een effectieve aanvulling vormt op met name het Verdrag van Den Haag van 1993;

Erkennend dat de belangen van het kind de voornaamste overweging vormen.

Zijn het volgende overeengekomen:

DEEL I. REIKWIJDTE VAN HET VERDRAG EN TOEPASSELIJKHEID VAN DE BEGINSELEN ERVAN

Artikel 1. Reikwijdte van het Verdrag
1.

Dit Verdrag is van toepassing op de adoptie van kinderen die op het tijdstip waarop de adoptanten een verzoek indienen om hen te adopteren nog geen 18 jaar zijn, niet gehuwd zijn of zijn geweest, geen geregistreerd partnerschap zijn aangegaan en nog niet meerderjarig zijn.

2.

Dit Verdrag heeft slechts betrekking op adopties die volgens de wet een blijvende ouder/kindrelatie tot stand brengen.

Artikel 2. Toepassing van beginselen

Elke Staat die Partij is, brengt wetgeving tot stand of treft andere maatregelen die nodig zijn om te waarborgen dat zijn wetgeving voldoet aan de bepalingen van dit Verdrag en stelt de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa hiervan in kennis.

DEEL II. ALGEMENE BEGINSELEN

Artikel 3. Geldigheid van adoptie

Een adoptie is uitsluitend geldig indien daarvoor toestemming is verkregen van een rechter of van een administratieve autoriteit (hierna te noemen de „bevoegde autoriteit”).

Artikel 4. Toestemming voor adoptie
1.

De bevoegde autoriteit geeft uitsluitend toestemming voor adoptie, indien zij zich ervan vergewist heeft dat de belangen van het kind het best gediend zijn met adoptie.

2.

In elke zaak hecht de bevoegde autoriteit er in het bijzonder belang aan dat het kind een stabiel en harmonieus thuis krijgt.

Artikel 5. Toestemming voor adoptie
1.

Onverminderd hetgeen in het tweede tot en met het vijfde lid van dit artikel is bepaald, wordt een adoptie uitsluitend uitgesproken indien ten minste de toestemming van de volgende personen is verkregen en niet is herroepen:

2.

De personen wier toestemming voor de adoptie vereist is, moeten de nodige begeleiding hebben gekregen en naar behoren zijn ingelicht over de gevolgen van hun toestemming, in het bijzonder over de kwestie of de adoptie zal leiden tot beëindiging van de familierechtelijke betrekkingen tussen het kind en zijn familie van herkomst. De toestemming moet vrijelijk zijn gegeven, in de wettelijk voorgeschreven vorm en op schrift zijn gegeven of vastgelegd.

3.

De bevoegde autoriteit mag niet afzien van de toestemming van een persoon of orgaan genoemd in het eerste lid of een weigering van toestemming terzijde schuiven, behalve op wettelijk vastgestelde, bijzondere gronden. Van de toestemming van een kind met een beperking, die het belet een geldige toestemming te geven, kan evenwel worden afgezien.

4.

Indien de vader of moeder niet het ouderlijke gezag over het kind heeft of niet bevoegd is om toestemming voor de adoptie te geven, kan de wet bepalen dat het niet noodzakelijk is zijn of haar toestemming te verkrijgen.

5.

De toestemming van de moeder voor de adoptie van haar kind is geldig indien zij is gegeven na ommekomst van een door de wet bepaalde periode van ten minste zes weken na de geboorte van het kind, of indien een dergelijke termijn niet is voorgeschreven, op het tijdstip waarop zij naar het oordeel van de bevoegde autoriteit voldoende heeft kunnen herstellen van de gevolgen van de bevalling.

6.

Voor de toepassing van dit Verdrag worden onder „vader” en „moeder” verstaan de personen die volgens de wet de ouders van het kind zijn.

Artikel 6. Overleg met het kind

Indien de instemming van het kind ingevolge artikel 5, eerste en derde lid, niet vereist is, wordt voor zover mogelijk overlegd met het kind en wordt rekening gehouden met zijn opvattingen en wensen, waarbij zijn ontwikkelingspeil in aanmerking wordt genomen. Van dergelijk overleg kan worden afgezien indien dit kennelijk in strijd zou zijn met de belangen van het kind.

Artikel 7. Voorwaarden voor adoptie
1.

De wet dient te bepalen dat een kind kan worden geadopteerd:

2.

Het staat Staten vrij de reikwijdte van dit Verdrag uit te breiden tot paren van hetzelfde geslacht die met elkaar gehuwd zijn of een geregistreerd partnerschap met elkaar zijn aangegaan. Het staat hun tevens vrij de reikwijdte van dit Verdrag uit te breiden tot paren van verschillend en hetzelfde geslacht die samenleven in een duurzame relatie.

Artikel 8. Mogelijkheid van opeenvolgende adoptie

De wet mag niet toestaan dat een geadopteerd kind nogmaals geadopteerd wordt, behalve in een of meer van de volgende omstandigheden:

Artikel 9. Minimumleeftijd van de adoptant
1.

Een kind kan uitsluitend worden geadopteerd indien de adoptant de daartoe wettelijk voorgeschreven minimumleeftijd heeft bereikt die niet lager dan 18 of hoger dan 30 jaar mag zijn. Er dient een passend leeftijdsverschil tussen de adoptant en het kind te zijn van bij voorkeur ten minste 16 jaar, waarbij de belangen van het kind voorop dienen te staan.

2.

De wet kan evenwel toestaan dat in het belang van het kind wordt afgezien van de vereiste minimumleeftijd of het vereiste leeftijdsverschil:

Artikel 10. Voorbereidend onderzoek
1.

De bevoegde autoriteit geeft geen toestemming voor adoptie voordat adequaat onderzoek naar de adoptant, het kind en zijn familie heeft plaatsgevonden. Tijdens deze onderzoeken en daarna mogen gegevens alleen worden verzameld, verwerkt en doorgegeven volgens de regels inzake beroepsgeheim en de bescherming van persoonsgegevens.

2.

De onderzoeken betreffen, voor zover van belang in de desbetreffende zaak en voor zover mogelijk onder meer het volgende:

3.

Bedoelde onderzoeken worden opgedragen aan een persoon die of orgaan dat daartoe wettelijk is erkend of erkend is door een bevoegde autoriteit. De onderzoeken worden voor zover mogelijk uitgevoerd door maatschappelijk werkers die op dit terrein deskundig zijn, hetzij door scholing, hetzij op grond van ervaring.

4.

De bepalingen van dit artikel laten de bevoegdheid of plicht van de bevoegde autoriteit door haar nuttig geachte informatie of bewijzen te verkrijgen, ongeacht of die binnen het kader van deze onderzoeken vallen, onverlet.

5.

Onderzoeken naar de geschiktheid en bevoegdheid van de adoptant, de omstandigheden en de motieven van de betrokkenen en de wenselijkheid van de plaatsing van het kind geschieden voordat het kind ten behoeve van adoptie wordt toevertrouwd aan de zorg van de aspirant-adoptant.

Artikel 11. Gevolgen van adoptie
1.

Door adoptie wordt een kind een volwaardig lid van de familie van de adoptant(en) en heeft het jegens de adoptant(en) en zijn, haar of hun familie dezelfde rechten en plichten als een kind van de adoptant(en) van wie het ouderschap wettelijk vaststaat. De adoptant(en) oefent(oefenen) het ouderlijk gezag uit over het kind. De adoptie verbreekt de familierechtelijke betrekkingen tussen het kind en zijn vader, moeder en de familie van herkomst.

2.

Tenzij de wet anders bepaalt, behoudt de echtgenoot of partner, ongeacht of deze geregistreerd partner is of niet, van de adoptant desalniettemin zijn of haar rechten en verplichtingen jegens het geadopteerde kind indien dit zijn of haar kind is.

3.

Ten aanzien van de beëindiging van de familierechtelijke betrekkingen tussen het kind en zijn familie van herkomst, kunnen de Staten die Partij zijn uitzonderingen toestaan ter zake van aangelegenheden als de achternaam van het kind en beletselen voor het huwelijk of het aangaan van een geregistreerd partnerschap.

4.

De Staten die Partij zijn kunnen voorzien in andere adoptievormen met beperktere gevolgen dan die welke zijn vermeld in de voorgaande leden van dit artikel.

Artikel 12. Nationaliteit van het geadopteerde kind
1.

De Staten die Partij zijn vergemakkelijken het verkrijgen van hun nationaliteit door kinderen die door een van hun onderdanen zijn geadopteerd.

2.

Verlies van nationaliteit dat het gevolg kan zijn van adoptie is afhankelijk van het bezit of de verkrijging van een andere nationaliteit.

Artikel 13. Verbod op beperkingen
1.

Het aantal kinderen dat door een adoptant mag worden geadopteerd mag niet bij wet worden beperkt.

2.

Personen die kinderen hebben of kunnen krijgen, mogen op grond daarvan niet bij wet van de mogelijkheid tot adoptie van kinderen worden uitgesloten.

Artikel 14. Herroeping en vernietiging van een adoptie
1.

Uitsluitend de bevoegde autoriteit kan besluiten tot herroeping of vernietiging van een adoptie. De belangen van het kind vormen te allen tijde de voornaamste overweging.

2.

Een adoptie kan uitsluitend op zwaarwegende, door de wet bepaalde gronden worden herroepen voordat het kind meerderjarig wordt.

3.

Een verzoek om vernietiging dient te worden ingediend binnen een wettelijk voorgeschreven termijn.

Artikel 15. Verzoek om informatie van een andere Staat die Partij is

Indien de onderzoeken uit hoofde van de artikelen 4 en 10 van dit Verdrag betrekking hebben op een persoon die woont of gewoond heeft op het grondgebied van een andere Staat die Partij is, tracht die Staat die Partij is indien een verzoek om informatie is ingediend, onverwijld te bewerkstelligen dat de verzochte informatie wordt verschaft. Elke Staat wijst een nationale autoriteit aan waaraan verzoeken om informatie dienen te worden gericht.

Artikel 16. Procedures tot vaststelling van afstamming

Hangende procedures tot vaststelling van het vaderschap, of, indien een dergelijke procedure bestaat, tot vaststelling van het moederschap, aangespannen door de vermoedelijke biologische vader of moeder, worden adoptieprocedures indien van toepassing, opgeschort in afwachting van de uitkomst van de desbetreffende procedures. De bevoegde autoriteiten betrachten voortvarendheid bij zulke procedures inzake afstamming.

Artikel 17. Verbod op ongerechtvaardigd verkregen voordeel

Niemand mag ongerechtvaardigd financieel of ander voordeel verwerven met activiteiten die verband houden met de adoptie van kinderen.

Artikel 18. Gunstiger bepalingen

Staten die Partij zijn behouden de mogelijkheid bepalingen aan te nemen die gunstiger zijn voor geadopteerde kinderen.

Artikel 19. Proefperiode

Het staat Staten die Partij zijn vrij voor te schrijven dat een kind moet worden verzorgd door de adoptant gedurende een periode die lang genoeg is voor de bevoegde autoriteit om zich een redelijk beeld te kunnen vormen van hun relatie in de toekomst alvorens toestemming te gegeven voor de adoptie. De belangen van het kind vormen in dit verband te allen tijde de voornaamste overweging.

Artikel 20. Voorlichting over en advisering na adoptie

De overheidsinstanties zien erop toe dat voorlichting over adoptie en advisering na adoptie wordt bevorderd en naar behoren functioneert, zodat aspirant-adoptanten, adoptanten en geadopteerde kinderen hulp en advies krijgen.

Artikel 21. Scholing

De Staten die Partij zijn zien erop toe dat maatschappelijk werkers die bij adoptie betrokken zijn naar behoren geschoold worden ter zake van de sociale en juridische aspecten van adoptie.

Artikel 22. Toegang tot en bekendmaking van informatie
1.

Er kunnen regelingen worden getroffen om een adoptieprocedure te voltooien zonder dat de identiteit van de adoptant wordt bekend gemaakt aan de familie van herkomst van het kind.

2.

Er dienen regelingen te worden getroffen op grond waarvan vereist of toegestaan wordt dat adoptieprocedures in beslotenheid plaatsvinden.

3.

Het geadopteerde kind dient toegang te hebben tot informatie aangaande zijn afkomst die de bevoegde autoriteiten in hun bezit hebben. Indien de ouders van herkomst een wettelijk recht hebben op geheimhouding van hun identiteit is het, voor zover wettelijk toegestaan, aan de bevoegde autoriteit te bepalen of dat recht terzijde mag worden geschoven en informatie omtrent hun identiteit mag worden bekendgemaakt, daarbij de omstandigheden en de onderscheiden rechten van het kind en die van zijn ouders van herkomst in aanmerking nemend. Een geadopteerd kind dat nog niet meerderjarig is, mag daarbij op passende wijze geadviseerd worden.

4.

De adoptant en het geadopteerde kind dienen een document te kunnen verkrijgen dat uittreksels uit de openbare registers bevat met verklaringen omtrent de geboortedatum en -plaats van het geadopteerde kind, waarbij het feit van de adoptie of de identiteit van zijn ouders van herkomst niet uitdrukkelijk worden vermeld. De Staten die Partij zijn kunnen besluiten deze bepaling niet toe te passen op de andere vormen van adoptie bedoeld in artikel 11, vierde lid, van dit Verdrag.

5.

Met het oog op het recht van personen hun identiteit en afkomst te kennen, dient relevante informatie ter zake van een adoptie te worden verzameld en bewaard gedurende ten minste 50 jaar vanaf de datum waarop de adoptie definitief is geworden.

6.

Openbare registers dienen zodanig te worden bewaard en hun inhoud dient in elk geval zodanig te worden vermenigvuldigd dat personen die geen gerechtvaardigd belang hebben belet wordt kennis te nemen van het feit of een persoon al dan niet geadopteerd is of, indien deze informatie bekend is, de identiteit van diens ouders van herkomst te achterhalen.

DEEL III. SLOTBEPALINGEN

Artikel 23. Gevolgen van het Verdrag
1.

Dit Verdrag treedt ten aanzien van de Staten die er Partij bij zijn in de plaats van het Europees Verdrag inzake de adoptie van kinderen, dat op 24 april 1967 werd opengesteld voor ondertekening.

2.

In de betrekkingen tussen een Partij bij dit Verdrag en een Partij bij het Verdrag van 1967 die dit Verdrag niet heeft bekrachtigd, blijft artikel 14 van het Verdrag van 1967 van toepassing.

Artikel 24. Ondertekening, bekrachtiging en inwerkingtreding
1.

Dit Verdrag staat open voor ondertekening door de lidstaten van de Raad van Europa en de niet-lidstaten die hebben deelgenomen aan de opstelling ervan.

2.

Het Verdrag dient te worden bekrachtigd, aanvaard of goedgekeurd. De akten van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring worden nedergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa.

3.

Dit Verdrag treedt in werking op de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van een tijdvak van drie maanden na de datum waarop drie ondertekenende Staten in overeenstemming met de bepalingen van het tweede lid van dit artikel hun instemming door het Verdrag te worden gebonden tot uitdrukking hebben gebracht.

4.

Ten aanzien van iedere in het eerste lid genoemde Staat die daarna het feit dat hij ermee instemt door dit Verdrag te worden gebonden, tot uitdrukking brengt, treedt het Verdrag in werking op de eerste dag van de maand na het verstrijken van een tijdvak van drie maanden na de datum van de nederlegging van de akte van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring.

Artikel 25. Toetreding
1.

Na de inwerkingtreding van dit Verdrag kan het Comité van Ministers van de Raad van Europa, na raadpleging van de Partijen, elke Staat die geen lid is van de Raad van Europa en die niet heeft deelgenomen aan de opstelling van het Verdrag, uitnodigen tot dit Verdrag toe te treden, door een door de meerderheid als voorzien in artikel 20, onderdeel d, van het Statuut van de Raad van Europa genomen besluit en door de unanieme stemming door de vertegenwoordigers van de Verdragsluitende Staten die recht hebben op een zetel in het Comité van Ministers.

2.

Ten aanzien van elke toetredende Staat treedt het Verdrag in werking op de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van een tijdvak van drie maanden na de datum van nederlegging van de akte van toetreding bij de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa.

Artikel 26. Territoriale toepassing
1.

Elke Staat kan, op het tijdstip van ondertekening of bij de nederlegging van zijn akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding, het gebied of de gebieden waarop dit Verdrag van toepassing is nader aanduiden.

2.

Elke Staat die Partij is kan op een later tijdstip door middel van een verklaring gericht aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa de toepassing van dit Verdrag uitbreiden tot ieder ander grondgebied dat in de verklaring wordt genoemd en voor de internationale betrekkingen van welk grondgebied zij verantwoordelijk is of namens welk grondgebied zij bevoegd is verbintenissen aan te gaan. Ten aanzien van een dergelijk grondgebied treedt het Verdrag in werking op de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van een tijdvak van drie maanden na de datum van ontvangst van die verklaring door de Secretaris-Generaal.

3.

Iedere krachtens de twee voorgaande leden gedane verklaring kan, met betrekking tot elk in die verklaring nader aangeduid grondgebied, worden ingetrokken door middel van een aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa gerichte kennisgeving. De intrekking wordt van kracht op de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van een tijdvak van drie maanden na de datum van ontvangst van de kennisgeving door de Secretaris-Generaal.

Artikel 27. Voorbehouden
1.

Voorbehouden op dit Verdrag zijn niet toegestaan, behalve ter zake van de bepalingen van artikel 5, eerste lid, onderdeel b, artikel 7, eerste lid, onderdeel a, onder ii, en eerste lid, onderdeel b, en artikel 22, derde lid.

2.

Voorbehouden gemaakt door een Staat op grond van het eerste lid worden geformuleerd op het tijdstip van ondertekening of bij de nederlegging van zijn akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding.

3.

Elke Staat kan een krachtens het eerste lid gemaakt voorbehoud geheel of gedeeltelijk intrekken door middel van een aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa gerichte verklaring, welke van kracht wordt op de datum van ontvangst ervan.

Artikel 28. Kennisgeving omtrent de bevoegde autoriteiten

Elke Staat die Partij is stelt de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa in kennis van de naam en het adres van de autoriteit waaraan verzoeken uit hoofde van artikel 15 gericht kunnen worden.

Artikel 29. Opzegging
1.

Iedere Staat die Partij is kan dit Verdrag te allen tijde opzeggen door middel van een kennisgeving gericht aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa.

2.

Deze opzegging wordt van kracht op de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van een tijdvak van drie maanden na de datum van ontvangst van de kennisgeving door de Secretaris-Generaal.

Artikel 30. Kennisgevingen

De Secretaris-Generaal van de Raad van Europa stelt de lidstaten van de Raad van Europa, de niet-lidstaten die hebben deelgenomen aan de opstelling van dit Verdrag alsmede elke Staat die Partij is en elke Staat die is uitgenodigd tot dit Verdrag toe te treden, in kennis van:

IN WITNESS WHEREOF, the undersigned, being duly authorised thereto, have signed this Convention.

DONE at Strasbourg, this 27th day of November 2008, in English and in French, both texts being equally authentic, in a single copy which shall be deposited in the archives of the Council of Europe. The Secretary General of the Council of Europe shall transmit certified copies to each member State of the Council of Europe, to the non-member States which have participated in the elaboration of the Convention and to any State invited to accede to this Convention.