← Geldende tekst · Geschiedenis

Verdrag tot instelling van de Benelux Economische Unie

Geldende tekst a fecha 2012-01-01

Zijne Majesteit de Koning der Belgen,

Hare Koninklijke Hoogheid de Groothertogin van Luxemburg,

Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden,

Vast besloten de economische banden tussen Hunne landen nauwer aan te halen door een vrij verkeer van personen, goederen, kapitaal en diensten tot stand te brengen;

Verlangend een gecoördineerd beleid te voeren op economisch, financieel en sociaal gebied, teneinde naar gelang van de economische omstandigheden het meest bevredigende peil van de werkgelegenheid en de hoogste levensstandaard te bereiken welke verenigbaar zijn met het behoud van de monetaire stabiliteit;

Verlangend een gemeenschappelijke handelspolitiek te volgen, erop gericht, de uitwisseling van goederen en diensten met derde landen tot een zo gunstig mogelijke ontwikkeling te brengen door middel van een zo vrij mogelijk handelsverkeer;

Zich ervan bewust, dat de economische vooruitgang, welke het hoofddoel van Hun Unie vormt, moet leiden tot het bevorderen van het persoonlijk en maatschappelijk welzijn van Hunne volkeren;

Erkennende, dat ingevolge artikel 233 van het op 25 maart 1957 te Rome ondertekende Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap en artikel 202 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie de bepalingen van deze Verdragen geen beletsel vormen voor het bestaan en de voltooiing ener Economische Unie tussen Hunne landen, voor zover de doelstellingen van deze Unie niet bereikt zijn door toepassing van bedoelde Verdragen;

Besloten hebbende tussen Hunne landen de Economische Unie in te stellen die werd voorzien in de op 5 september 1944 te Londen ondertekende Douaneovereenkomst, verduidelijkt en uitgelegd overeenkomstig het op 14 maart 1947 te 's-Gravenhage ondertekende Protocol;

Hebben hiertoe als Hunne Gevolmachtigden aangewezen:

Zijne Majesteit de Koning der Belgen:

Zijne Excellentie de Heer A. van Acker, Eerste Minister, en

Zijne Excellentie de Heer V. P. H. Larock, Minister van Buitenlandse Zaken;

Hare Koninklijke Hoogheid de Groothertogin van Luxemburg:

Zijne Excellentie de Heer J. Bech, Minister-President, Minister van Buitenlandse Zaken;

Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden:

Zijne Excellentie de Heer W. Drees, Minister-President, en

Zijne Excellentie de Heer J. M. A. H. Luns, Minister van Buitenlandse Zaken;

die, na hun in goede en behoorlijke vorm bevonden volmachten te hebben overgelegd, de volgende bepalingen zijn overeengekomen:

Deel 1. BEGINSELEN

Artikel 1

Vervallen

Artikel 2

Vervallen

Artikel 3

Vervallen

Artikel 4

Vervallen

Artikel 5

Vervallen

Artikel 6

Vervallen

Artikel 7

Vervallen

Artikel 8

Vervallen

Artikel 9

Vervallen

Artikel 10

Vervallen

Artikel 11

Vervallen

Artikel 12

Vervallen

Artikel 13

Vervallen

Artikel 14

Vervallen

Deel 2. INSTELLINGEN

Artikel 15

Vervallen

HOOFDSTUK 1. Van het Comité van Ministers

Artikel 16

Vervallen

Artikel 17

Vervallen

Artikel 18

Vervallen

Artikel 19

Vervallen

Artikel 20

Vervallen

Artikel 21

Vervallen

Artikel 22

Vervallen

HOOFDSTUK 2. Van de Raadgevende Interparlementaire Raad

Artikel 23

Vervallen

Artikel 24

Vervallen

HOOFDSTUK 3. Van de Raad van de Economische Unie

Artikel 25

Vervallen

Artikel 26

Vervallen

Artikel 27

Vervallen

HOOFDSTUK 4. Van de Commissies en de Bijzondere Commissies

Artikel 28

Vervallen

Artikel 29

Vervallen

Artikel 30

Vervallen

Artikel 31

Vervallen

Artikel 32

Vervallen

HOOFDSTUK 5. Van het Secretariaat-Generaal

Artikel 33

Vervallen

Artikel 34

Vervallen

Artikel 35

Vervallen

Artikel 36

Vervallen

Artikel 37

Vervallen

Artikel 38

Vervallen

Artikel 39

Vervallen

HOOFDSTUK 6. Van de Gemeenschappelijke Diensten

Artikel 40

Vervallen

HOOFDSTUK 7. Van het College van Scheidsrechters

Artikel 41

Vervallen

Artikel 42

Vervallen

Artikel 43

Vervallen

Artikel 44

Vervallen

Artikel 45

Vervallen

Artikel 46

Vervallen

Artikel 47

Vervallen

Artikel 48

Vervallen

Artikel 49

Vervallen

Artikel 50

Vervallen

Artikel 51

Vervallen

Artikel 52

Vervallen

Artikel 53

Vervallen

HOOFDSTUK 8. Van de Economische en Sociale Raad van Advies

Artikel 54

Vervallen

Deel 3. BIJZONDERE BEPALINGEN BETREFFENDE BEPAALDE ASPECTEN VAN DE ECONOMISCHE UNIE

HOOFDSTUK 1. Van de nationale behandeling, de bewegingsvrijheid en de uitoefening van economische en beroepswerkzaamheden

Artikel 55

Vervallen

Artikel 56

Vervallen

Artikel 57

Vervallen

Artikel 58

Vervallen

Artikel 59

Vervallen

Artikel 60

Vervallen

Artikel 61

Vervallen

Artikel 62

Vervallen

Artikel 63

Vervallen

HOOFDSTUK 2. Van de coördinatie van het beleid

Artikel 64

Vervallen

Artikel 65

Vervallen

Artikel 66

Vervallen

Artikel 67

Vervallen

Artikel 68

Vervallen

Artikel 69

Vervallen

Artikel 70

Vervallen

Artikel 71

Vervallen

HOOFDSTUK 3. Van de economische en financiële betrekkingen met het buitenland

Artikel 72

Vervallen

Artikel 73

Vervallen

Artikel 74

Vervallen

Artikel 75

Vervallen

Artikel 76

Vervallen

Artikel 77

Vervallen

HOOFDSTUK 4. Van de douane- en belastingaangelegenheden

Artikel 78

Vervallen

Artikel 79

Vervallen

Artikel 80

Vervallen

Artikel 81

Vervallen

Artikel 82

Vervallen

Artikel 83

Vervallen

Artikel 84

Vervallen

HOOFDSTUK 5. Van het vrije verkeer van vervoerdiensten

Artikel 85

Vervallen

Artikel 86

Vervallen

Artikel 87

Vervallen

Artikel 88

Vervallen

Artikel 89

Vervallen

HOOFDSTUK 6. Van de statistiek

Artikel 90

Vervallen

Artikel 91

Vervallen

Artikel 92

Vervallen

Deel 4. SLOTBEPALINGEN

Artikel 93

Vervallen

Artikel 94

Vervallen

Artikel 95

Vervallen

Artikel 96

Vervallen

Artikel 97

Vervallen

Artikel 98

Vervallen

Artikel 99

Vervallen

Artikel 100

Vervallen

De Hoge Verdragsluitende Partijen bij het heden ondertekende Verdrag tot instelling van de Benelux Economische Unie, hierna genoemd „Unieverdrag”;

Erkennende, dat de omstandigheden voor wat betreft sommige bepalingen van het Unieverdrag afwijkingen van aflopende aard vereisen;

Verlangend deze afwijkingen door gezamenlijke bemoeiingen geleidelijk af te schaffen;

Hebben besloten een Overgangsovereenkomst te sluiten en zijn de volgende bepalingen overeengekomen:

HOOFDSTUK 1. Van de nationale behandeling, de bewegingsvrijheid en de uitoefening van economische en beroepswerkzaamheden

Artikel 1

Vóór 1 januari 1959 stellen de Hoge Verdragsluitende Partijen een overeenkomst op, welke de wijze van uitvoering van de artikelen 55 en 56 van het Unieverdrag bepaalt.

Artikel 2
1.

Zolang de wetgevingen inzake de uitoefening van zelfstandige economische en beroepswerkzaamheden niet zijn geharmoniseerd en hieruit voor één of meer Hoge Verdragsluitende Partijen belangrijke moeilijkheden kunnen ontstaan, kan het Comité van Ministers gedurende een tijdvak van ten hoogste vijf jaar en in afwijking van de bepalingen van artikel 2, lid 2, onder b), van het Unieverdrag aan ieder der Hoge Verdragsluitende Partijen toestaan aan de onderdanen van de andere Verdragsluitende Partijen eisen te stellen voor de uitoefening van beroepswerkzaamheden op het gebied van ambacht, kleinhandel, groothandel, industrie en dienstenverlening, welke niet voor de eigen onderdanen worden gesteld.

2.

Indien een Hoge Verdragsluitende Partij op grond van lid 1 van dit artikel voor de onderdanen der andere Verdragsluitende Partijen zwaardere eisen stelt dan die welke zij aan haar eigen onderdanen oplegt, mogen deze eisen in geen geval zwaarder zijn dan die welke de andere Verdragsluitende Partijen aan hun onderdanen opleggen noch mogen zij zwaarder zijn dan die welke de eerstgenoemde Verdragsluitende Partij aan onderdanen van derde landen oplegt.

Artikel 3

De bepalingen van artikel 2, lid 2, onder b), van het Unieverdrag zijn gedurende een tijdvak van ten hoogste vijf jaar niet van toepassing op de visserij in de territoriale wateren.

Artikel 4
1.

Gedurende een tijdvak van ten hoogste drie jaar kunnen, overeenkomstig regelingen welke voortvloeien uit overeenkomsten tussen de Hoge Verdragsluitende Partijen, maatregelen worden genomen, ingeval een belangrijke ongelijkheid mocht bestaan tussen de aanbestedingen gegund door de overheidsinstellingen van een Hoge Verdragsluitende Partij aan de onderdanen van een andere Verdragsluitende Partij en aanbestedingen gegund door de overheidsinstellingen van die Verdragsluitende Partij aan de onderdanen van de eerstgenoemde Verdragsluitende Partij; deze maatregelen kunnen eventueel afwijken van de bepalingen van artikel 62 van het Unieverdrag.

2.

In het in lid 1 van dit artikel bedoelde geval doet het College van Scheidsrechters bedoeld in artikel 15 van het Unieverdrag uitsluitend ex aequo et bono uitspraak.

Artikel 5

Gedurende een tijdvak van ten hoogste drie jaar zal artikel 62 van het Unieverdrag op de aanbestedingen van de overheidsinstellingen, bedoeld in artikel 63, onder B. b), van dat Verdrag, alleen van toepassing zijn voor zover de Staat hierop daadwerkelijk invloed uitoefent.

Artikel 6
1.

Binnen een tijdvak van ten hoogste vijf jaar stellen de Hoge Verdragsluitende Partijen de overeenkomst op bedoeld in artikel 58, lid 3, van het Unieverdrag.

2.

Tot aan de inwerkingtreding van de in lid 1 van dit artikel bedoelde overeenkomst is artikel 58, lid 2, van het Unieverdrag niet van toepassing op het gebied van verzekeringen, spaarkassen en bouwkassen.

Artikel 7
1.

Indien de stand van de arbeidsmarkt de tewerkstelling van werknemers in bepaalde tijdvakken, streken of beroepen niet zou toestaan, plegen de Hoge Verdragsluitende Partijen onmiddellijk overleg, teneinde in onderlinge overeenstemming de nodige tijdelijke maatregelen te treffen.

2.

De Hoge Verdragsluitende Partijen verbinden zich, bij de toepassing van deze maatregelen zoveel mogelijk het nadeel te beperken, dat voor de belanghebbende werknemers daaruit zou kunnen ontstaan.

3.

Het door dit artikel ingestelde regime vervalt uiterlijk na verloop van een tijdvak van vijf jaar na de inwerkingtreding van het Unieverdrag; vóór de afloop van dit tijdvak kan het Comité van Ministers te allen tijde dit regime beëindigen.

Artikel 8

Tenzij het Comité van Ministers anders beslist, zijn gedurende een tijdvak van ten hoogste vijf jaar de bepalingen van artikel 2, lid 2, onder b), van het Unieverdrag niet van toepassing op werknemers die door een arbeidsovereenkomst voor schepelingen zijn gebonden.

HOOFDSTUK 2. Van het handelsverkeer tussen de grondgebieden van de Hoge Verdragsluitende Partijen

Artikel 9

De Hoge Verdragsluitende Partijen verbinden zich, binnen een tijdvak van ten hoogste vijf jaar de coördinatie tot stand te brengen van de wettelijke of uitvoerende voorschriften en de andere publiekrechtelijke voorschriften bedoeld in de artikelen 6 en 7 van het Unieverdrag, die een ongerechtvaardigde belemmering voor het vrije verkeer vormen, teneinde die belemmering weg te nemen.

Artikel 10
1.

Onverminderd de bepalingen van de artikelen 11 tot en met 24 van deze Overeenkomst is ieder der Hoge Verdragsluitende Partijen bevoegd in afwijking van artikel 3 van het Unieverdrag die beperkingen op het vrije handelsverkeer te handhaven welke op het ogenblik van de inwerkingtreding van het Unieverdrag van kracht zijn.

2.

Het Comité van Ministers stelt de lijst van deze beperkingen vast en schaft deze geleidelijk af binnen een tijdvak van ten hoogste vijf jaar.

3.

In elk geval kennen de Hoge Verdragsluitende Partijen elkaar het meest gunstige regime toe dat ten aanzien van derde landen van kracht is.

HOOFDSTUK 3. Van de landbouw

Artikel 11

In afwachting van de verwezenlijking van de voorwaarden voor een volledige vrijmaking van het handelsverkeer in landbouwprodukten tussen de grondgebieden van de Hoge Verdragsluitende Partijen kan ieder hunner binnen haar grondgebied maatregelen tot valorisatie treffen; deze maatregelen kunnen een beperking of een verbod van de uitvoer van de gevaloriseerde produkten inhouden. Iedere Hoge Verdragsluitende Partij kan tevens maatregelen treffen ter bescherming van haar binnenlandse markt tegenover de andere Verdragsluitende Partijen binnen de grenzen en onder de voorwaarden van de artikelen 12 tot en met 24 van deze Overeenkomst.

Artikel 12

In afwijking van de artikelen 3, 7, 10 en 11 van het Unieverdrag is ieder der Hoge Verdragsluitende Partijen bevoegd heffingen of licentierechten op te leggen bij de in- en uitvoer van landbouwprodukten en voedingsmiddelen. Deze heffingen kunnen echter alleen ten aanzien van de andere Verdragsluitende Partijen worden toegepast, indien zij tevens worden toegepast ten aanzien van derde landen. De opbrengsten van zodanige heffingen of licentierechten vormen geen gemeenschappelijke inkomsten.

Artikel 13

In afwijking van de artikelen 3, 7, 10 en 11 van het Unieverdrag zijn de produkten, voorkomende op de bij deze Overeenkomst gevoegde lijst A, onderworpen aan het stelsel van minimumprijzen.

Artikel 14
1.

De minimumprijzen worden in onderlinge overeenstemming door de Commissie voor landbouw, voedselvoorziening en visserij vastgesteld op basis van de kostprijzen, verhoogd met een passende winstmarge. Bij verschil van mening in deze Commissie omtrent een minimumprijs of zijn toepassing wordt het geschil onmiddellijk voorgelegd aan een overeenkomstig artikel 21 van het Unieverdrag ingestelde Werkgroep. De beslissing van de Werkgroep is onmiddellijk van toepassing.

Indien binnen acht dagen na de vergadering van de Werkgroep nog geen beslissing is genomen, kan de Regering van het belanghebbende invoerende land onmiddellijk die maatregelen in werking stellen welke zij onontbeerlijk acht voor de bescherming van haar belangen. In dat geval zal zij rekening houden met de noodzaak de belangen van het uitvoerende land zo min mogelijk te schaden.

2.

De Commissie voor landbouw, voedselvoorziening en visserij stelt eventueel de kwaliteiten, typen en variëteiten vast van de produkten die aan het stelsel van minimumprijzen zijn onderworpen.

Artikel 15
1.

Teneinde de toepassing te verzekeren van de overeenkomstig de bepalingen van artikel 14 van deze Overeenkomst vastgestelde minimumprijzen, wordt aan een permanente delegatie uit de Commissie voor landbouw, voedselvoorziening en visserij, samengesteld uit afgevaardigden van de Hoge Verdragsluitende Partijen, opgedragen de ontwikkeling der prijzen voortdurend te volgen. Wanneer deze delegatie constateert dat de geldende prijzen beneden het vastgestelde peil blijven, dan is het invoerende land zonder meer bevoegd om bij wijze van conservatoire maatregel de invoer van de betrokken produkten op te schorten, totdat de Commissie voor landbouw, voedselvoorziening en visserij - daartoe binnen drie dagen bijeenkomende - of de vergadering van de in artikel 14 van deze Overeenkomst vermelde Werkgroep een beslissing heeft genomen. Evenzo zal een eventueel door genoemde delegatie geconstateerd herstel der prijzen op het vastgestelde peil zonder meer de afschaffing van de door het invoerende land genomen maatregel met zich meebrengen.

2.

Bij de uitoefening van haar taak zal de permanente delegatie de procedure volgen welke door de Commissie voor landbouw, voedselvoorziening en visserij wordt vastgesteld.

Artikel 16
1.

Teneinde de krachtens artikel 14 van deze Overeenkomst vastgestelde minimumprijzen te waarborgen worden heffingen vastgesteld, welke gelijk zijn aan het verschil tussen de overeengekomen minimumprijs en de prijs franco grens. De prijs franco grens wordt vastgesteld op grond van de prijs op de binnenlandse markt vermeerderd met de werkelijke kosten.

2.

Tenzij het Comité van Ministers anders beslist, worden deze heffingen door het uitvoerende land geheven.

3.

Het totale bedrag van deze heffingen, welke worden gelegd op het onderling handelsverkeer tussen Nederland en de Belgisch-Luxemburgse Economische Unie, wordt na afloop van ieder kwartaal gelijkelijk tussen beide verdeeld.

Artikel 17

De Hoge Verdragsluitende Partijen verlenen elkaar preferentie bij de invoer van landbouwprodukten waarvoor een minimumprijs van kracht is. De produkten, voorkomend op lijst A, kunnen slechts in onderlinge overeenstemming worden vrijgemaakt ten aanzien van derde landen.

Artikel 18

De bepalingen van artikel 12 van deze Overeenkomst zijn niet van toepassing op produkten waarvoor een minimumprijs van kracht is.

Artikel 19
1.

In afwijking van de artikelen 3, 7, 10 en 11 van het Unieverdrag kan ieder der Hoge Verdragsluitende Partijen ten aanzien van de produkten, voorkomende op de bij deze Overeenkomst gevoegde lijst B, een bijzonder regime toepassen dat door het Comité van Ministers wordt vastgesteld.

2.

In elk geval kennen de Hoge Verdragsluitende Partijen elkaar het meest gunstige regime toe dat ten aanzien van derde landen van kracht is.

Artikel 20
1.

Ten aanzien van de produkten, voorkomende op de bij deze Overeenkomst gevoegde lijst C, is het Groothertogdom Luxemburg bevoegd een autonoom invoerregime tegenover de andere Verdragsluitende Partijen toe te passen.

2.

In elk geval kent het Groothertogdom Luxemburg de andere Hoge Verdragsluitende Partijen het meest gunstige regime toe dat ten aanzien van derde landen van kracht is.

Artikel 21

De lijsten A, B en C kunnen door het Comité van Ministers worden gewijzigd, de Commissie voor landbouw, voedselvoorziening en visserij gehoord.

Artikel 22
1.

De harmonisatie van het landbouwbeleid wordt verwezenlijkt binnen een tijdvak van ten hoogste vijf jaar.

2.

De artikelen 12 tot en met 21 van deze Overeenkomst worden door het Comité van Ministers afgeschaft naarmate de harmonisatie van het landbouwbeleid wordt verwezenlijkt, onverminderd het aan de landbouw van het Groothertogdom Luxemburg verleende bijzondere regime.

3.

Een Werkgroep, ingesteld op grond van artikel 21 van het Unieverdrag, onderzoekt jaarlijks in de herfst de voortgang in deze harmonisatie en stelt het programma voor het volgende jaar vast.

Artikel 23

Voor zover geen gemeenschappelijke regelingen bestaan, kan ieder der Hoge Verdragsluitende Partijen in afwijking van de artikelen 3, 10 en 11 van het Unieverdrag gedurende een tijdvak van ten hoogste vijf jaar maatregelen nemen waardoor de uitvoer van bepaalde landbouwprodukten of voedingsmiddelen wordt verboden of beperkt met het oogmerk om een regelmatige voorziening van haar binnenlandse markt te verzekeren.

Artikel 24

Totdat een gecoördineerd regime tot stand is gekomen, heeft ieder der Hoge Verdragsluitende Partijen de bevoegdheid in afwijking van de artikelen 3, 10 en 11 van het Unieverdrag maatregelen te nemen op het gebied van de samenstelling of hoedanigheid van landbouwprodukten of voedingsmiddelen alsmede op het gebied van rassen.

Artikel 25

Zolang het Comité van Ministers niet anders beslist, blijven de Studiecommissie voor de kostprijzen en de Commissie tot harmonisatie van de landbouwpolitiek, welke werden ingesteld bij de op 3 mei 1955 genomen Beslissing van het Comité van Ministers, voorzien in het Protocol van 24 juli 1953 betreffende de coördinatie van de economische en sociale politiek, de hun toevertrouwde taken vervullen niettegenstaande de intrekking van de genoemde Beslissing.

HOOFDSTUK 4. Van de economische en financiële betrekkingen met het buitenland

Artikel 26
1.

De Hoge Verdragsluitende Partijen verbinden zich vóór 1 januari 1959 een gemeenschappelijk beleid inzake de buitenlandse handel en de daarop betrekking hebbende betalingen te verwezenlijken in overeenstemming met de bepalingen van artikel 10 van het Unieverdrag.

2.

Tot deze datum en voor zover dit gemeenschappelijk beleid voor bepaalde produkten herkomstig van of bestemd voor bepaalde derde landen niet tot stand is gebracht, kunnen de Hoge Verdragsluitende Partijen het vrije onderlinge handelsverkeer in deze produkten beperken.

3.

Zolang een van de Hoge Verdragsluitende Partijen krachtens dit artikel afzonderlijk onderhandelt over akkoorden betreffende het goederenverkeer, kunnen waarnemers van de andere Verdragsluitende Partijen deze besprekingen bijwonen.

Artikel 27
1.

De in- en uitvoercontingenten zijn niet gemeenschappelijk voor de produkten waarin het handelsverkeer niet vrij is op grond van de artikelen 10 tot en met 24 van deze Overeenkomst.

2.

Het Comité van Ministers kan uitzonderingen op de bepaling van lid 1 van dit artikel vaststellen.

Artikel 28

Het Comité van Ministers kan gescheiden uitvoercontingenten tegenover een derde land vaststellen voor produkten ten aanzien waarvan een Hoge Verdragsluitende Partij maatregelen heeft genomen of waarborgen heeft toegekend met betrekking tot prijs, kwaliteit of beheer van het contingent, voor zover de andere Verdragsluitende Partijen niet dezelfde maatregelen en dezelfde waarborgen kunnen toepassen.

Artikel 29

De Hoge Verdragsluitende Partijen stellen vóór 1 januari 1959 de in artikel 76, lid 2, van het Unieverdrag voorziene overeenkomsten op.

HOOFDSTUK 6. Van de douane- en belastingaangelegenheden

Artikel 30
1.

De Hoge Verdragsluitende Partijen verbinden zich de maatregelen, welke zij, in afwijking van de bepalingen van het Unieverdrag, op het gebied van de betalingen tussen hun ingezetenen toepassen op het ogenblik van de inwerkingtreding van dat Verdrag, op te heffen, zodra en naarmate de verhoudingen in het internationale betalingsverkeer hiertoe de mogelijkheid bieden. De Commissie voor monetaire en financiële vraagstukken brengt over deze punten ten minste eens per jaar verslag uit aan het Comité van Ministers.

2.

In afwijking van de artikelen 2 en 4 van het Unieverdrag blijven de kapitaaltransacties onderworpen aan de beperkingen welke de Hoge Verdragsluitende Partijen toepassen op het ogenblik van de inwerkingtreding van dat Verdrag.

3.

In afwijking van de artikelen 3 en 5 van het Unieverdrag blijft het goederen- en dienstenverkeer onderworpen aan de beperkingen die de Hoge Verdragsluitende Partijen op het gebied van de betalingen toepassen op het ogenblik van de inwerkingtreding van dat Verdrag.

HOOFDSTUK 6. Van de douane- en belastingaangelegenheden

Artikel 31
1.

In afwachting van de opheffing van de moeilijkheden welke de volledige toepassing van het Verdrag tot unificatie van accijnzen en van het waarborgrecht, ondertekend te 's-Gravenhage op 18 februari 1950, met zich brengt, kan iedere Hoge Verdragsluitende Partij in afwijking van de artikelen 3, 11, 78 en 80 van het Unieverdrag bij invoer herkomstig uit derde landen of uit de grondgebieden der andere Hoge Verdragsluitende Partijen deze rechten en retributies autonoom heffen.

2.

De Hoge Verdragsluitende Partijen streven naar de geleidelijke toepassing van het in lid 1 van dit artikel bedoelde Verdrag.

Artikel 32
1.

In afwachting van de opheffing van de moeilijkheden welke de instelling van het in artikel 79 van het Unieverdrag voorziene regime met zich brengt, kan ieder der Hoge Verdragsluitende Partijen in afwijking van de artikelen 3, 5, 11, 78 en 79 van het Unieverdrag autonoom de overdrachttaxe, de omzetbelasting en andere soortgelijke belastingen heffen bij invoer uit derde landen of uit de grondgebieden der andere Verdragsluitende Partijen.

2.

De Hoge Verdragsluitende Partijen streven naar de geleidelijke instelling van het in lid 1 van dit artikel bedoelde regime.

Artikel 33

Wat de niet in de artikelen 78 tot en met 80 van het Unieverdrag bedoelde belastingen aangaat, verminderen de Hoge Verdragsluitende Partijen geleidelijk de verschillen waardoor de mededingingsvoorwaarden kunnen worden verstoord.

HOOFDSTUK 7. Van het vervoerswezen

Artikel 34

Binnen een tijdvak van ten hoogste drie jaar schaffen de Hoge Verdragsluitende Partijen geleidelijk de kwantitatieve beperkingen af inzake:

Artikel 35

Het vervoer te water van uit Nederland in België ingevoerd rivierzand en riviergrint kan wat betreft het gebruik van binnenschepen gedurende een periode van vijf jaar geschieden overeenkomstig de regelingen welke op het ogenblik van de inwerkingtreding van het Unieverdrag van toepassing zijn op de invoer van zand en grint.

HOOFDSTUK 8. Slotbepalingen

Artikel 36

Onverminderd de bepalingen van artikel 22 van deze Overeenkomst onderzoekt het Comité van Ministers jaarlijks de afwijkingen, voorzien in deze Overeenkomst, teneinde een beslissing te nemen over de mogelijkheid van hun afschaffing.

Artikel 37

Het Comité van Ministers kan ingeval van gebleken noodzaak de in deze Overeenkomst voorziene tijdvakken met twee jaar verlengen.

De Hoge Verdragsluitende Partijen bij het heden ondertekende Verdrag tot instelling van de Benelux Economische Unie, hierna genoemd „Unieverdrag”;

Erkennende, dat het nodig is de wijze van uitvoering te regelen voor enkele bepalingen van het Unieverdrag en de bij dit Verdrag gevoegde Overgangsovereenkomst;

Hebben besloten een Uitvoeringsprotocol te sluiten en zijn de volgende bepalingen overeengekomen:

Artikel 1

Tot aan de inwerkingtreding van de overeenkomst, voorzien in artikel 1 van de Overgangsovereenkomst, bepalen het Vestigings- en Arbeidsverdrag tussen België en Nederland, ondertekend te Genève op 20 februari 1933, en het Vestigings- en Arbeidsverdrag tussen het Groothertogdom Luxemburg en Nederland, ondertekend te 's-Gravenhage op 1 april 1933, binnen de grenzen van hun toepassingsgebied de wijze van uitvoering van de artikelen 55 en 56 van het Unieverdrag.

Artikel 2
1.

Het op 6 juli 1956 te Brussel ondertekende Protocol betreffende de nationale behandeling bij de aanbesteding van werken en de aankoop van goederen bepaalt de wijze van uitvoering van de artikelen 62 en 63 van het Unieverdrag, alsmede van artikel 4 van de Overgangsovereenkomst.

2.

De bevoegdheden welke het in lid 1 van dit artikel genoemde Protocol toekent aan het Comité van Ministers, aan de Vergadering van de Voorzitters der Raden, aan het College van Scheidsrechters, alsmede aan de Commissie voor de Aanbestedingen, worden uitgeoefend respectievelijk door het Comité van Ministers, door de Raad van de Economische Unie, door het College van Scheidsrechters en door de Bijzondere Commissie voor de Aanbestedingen, voorzien in Deel 2 van het Unieverdrag.

3.

Het Comité van Ministers kan de bepalingen wijzigen van de artikelen 3, 4, leden A tot en met D, 5, 6, 7 en 8, vierde tot en met negende lid, van het in lid 1 van dit artikel genoemde Protocol.

Artikel 3
1.

Het op 7 juni 1956 te 's-Gravenhage ondertekende Arbeidsverdrag bepaalt de wijze van uitvoering van artikel 60 van het Unieverdrag wat betreft de behandeling van de onderdanen van de Hoge Verdragsluitende Partijen met betrekking tot het vervullen van een betrekking in loondienst bij een particuliere werkgever.

2.

Ieder geschil tussen de Hoge Verdragsluitende Partijen betreffende de uitlegging, de toepassing of de tenuitvoerlegging van het Arbeidsverdrag, dat niet langs administratieve weg kon worden opgelost, wordt beslecht overeenkomstig de bepalingen van Deel 2, Hoofdstuk 7, van het Unieverdrag.

3.

De Voorzitters van de nationale delegaties bij de Commissie voor Sociale Vraagstukken, voorzien in artikel 28 van het Unieverdrag, hebben zitting of doen zich vertegenwoordigen in de Gemengde Commissie van Advies, voorzien in artikel 13 van het Arbeidsverdrag.

4.

De toepassing van het Arbeidsverdrag vormt geen belemmering voor de toepassing van de nationale economische voorschriften betreffende het beroep van handelsreiziger.

Artikel 4
1.

Wat betreft de aanspraken inzake sociale zekerheid genieten de onderdanen van ieder der Hoge Verdragsluitende Partijen de behandeling voorzien in de tussen de Hoge Verdragsluitende Partijen bestaande bilaterale overeenkomsten en in de multilaterale overeenkomsten waarbij Zij partij zijn.

2.

De Hoge Verdragsluitende Partijen verbinden zich, ter gelegenheid van de invoering van iedere nieuwe wetgeving, in het bijzonder van een wetgeving die een nieuwe tak van sociale zekerheid instelt of een wetgeving welke de bestaande stelsels tot een nieuwe groep van personen uitbreidt, overleg te plegen en de nodige maatregelen te nemen teneinde de in lid 1 van dit artikel bedoelde overeenkomsten op deze maatregelen toe te passen. Deze maatregelen dienen er in het bijzonder toe te leiden, dat de toepassing van de in lid 1 van dit artikel bedoelde overeenkomsten niet ten gunste van eenzelfde persoon het recht schept of handhaaft om in meer dan één land uitkeringen te ontvangen voor eenzelfde feit of van dezelfde aard welke op eenzelfde tijdvak van verzekering of lidmaatschap betrekking hebben.

3.

In de bilaterale overeenkomsten, bedoeld in lid 1 van dit artikel, kunnen de bepalingen betreffende de mogelijkheid tot opzegging geen gevolg hebben dan ingeval deze overeenkomsten worden vervangen door nieuwe overeenkomsten die de wijze van uitvoering regelen van artikel 60 van het Unieverdrag voor wat betreft de aanspraken inzake sociale zekerheid.

4.

De bepalingen van de in lid 1 van dit artikel bedoelde bilaterale overeenkomsten betreffende de geschillen met betrekking tot de toepassing van die overeenkomsten worden gedurende de looptijd van het Unieverdrag vervangen door de bepalingen van Deel 2, Hoofdstuk 7, van dat Verdrag.

Artikel 5
1.

Het in de artikelen 11 en 78 van het Unieverdrag bedoelde gemeenschappelijke tarief van invoerrechten is het tarief, met inbegrip van de Inleidende Bepalingen daarvan, dat de Hoge Verdragsluitende Partijen toepassen op het tijdstip van de inwerkingtreding van het Unieverdrag.

2.

De bevoegdheden welke de Inleidende Bepalingen van het in lid 1 van dit artikel bedoelde tarief toekennen aan de Administratieve Raad voor de Douaneregelingen worden uitgeoefend door de Commissie voor Douane en Belastingen, voorzien in artikel 28 van het Unieverdrag.

Artikel 6
1.

Het op 18 februari 1950 te 's-Gravenhage ondertekende Verdrag tot unificatie van accijnzen en van het waarborgrecht en de aanvullende Protocollen bij dat Verdrag bepalen de wijze van uitvoering van de artikelen 11, 78 en 80 van het Unieverdrag.

2.

De bevoegdheden welke het in lid 1 van dit artikel bedoelde Verdrag toekent aan de Administratieve Raad voor de Douaneregelingen worden uitgeoefend door de Commissie voor Douane en Belastingen, voorzien in artikel 28 van het Unieverdrag.

Artikel 7

Het Verdrag nopens wederkerige bijstand inzake de invordering van belastingschulden en het Verdrag nopens de samenwerking op het stuk van douanen en van accijnzen, ondertekend te Brussel op 5 september 1952, bepalen binnen de grenzen van hun gebied van toepassing de wijze van uitvoering van artikel 83 van het Unieverdrag.

Artikel 8
1.

Het op 8 juli 1954 te Brussel ondertekende Accoord inzake de liberalisering van het kapitaalverkeer tussen de Belgisch-Luxemburgse Economische Unie en Nederland bepaalt de wijze van toepassing van artikel 4 van het Unieverdrag en van artikel 30 van de Overgangsovereenkomst.

2.

In artikel 10 van het in lid 1 van dit artikel bedoelde Accoord worden de woorden „Comité van Ministers, ingesteld bij artikel 12 van het Protocol betreffende de coördinatie van de economische en sociale politiek, ondertekend te 's-Gravenhage op 24 juli 1953”, vervangen door de woorden „Comité van Ministers, voorzien in artikel 15 van het Verdrag tot instelling van de Benelux Economische Unie”.

Artikel 9
1.

Met het oog op de uitvoering van de artikelen 2, 5, 6, 7, 85 en 87 van het Unieverdrag streven de Hoge Verdragsluitende Partijen naar harmonisatie van de wettelijke en uitvoerende bepalingen, alsmede van alle andere publiekrechtelijke voorschriften, betreffende het binnenlands vervoer per spoor, over de weg en per binnenschip.

2.

Ter uitvoering van artikel 7 van het Unieverdrag schaffen de Hoge Verdragsluitende Partijen elke ondersteunings- of beschermingsmaatregel af die door middel van het binnenlands vervoerwezen ten voordele van een of meer ondernemingen of bedrijfstakken strekt. Deze bepaling heeft geen betrekking op de concurrentietarieven.

3.

Wanneer de Commissie voor het Verkeer binnen het kader van zijn bevoegdheid afzonderlijke gevallen onderzoekt welke vallen onder de toepassing van de bepalingen van lid 2 van dit artikel, ontvangt zij op verzoek van de afgevaardigden van een der Hoge Verdragsluitende Partijen vertrouwelijk alle vereiste inlichtingen betreffende de toegepaste vervoerprijzen en -voorwaarden.

4.

Voor de toepassing van artikel 68, onder a), van het Unieverdrag verstaat men onder „lasten” de lasten welke door de vervoerondernemingen worden gedragen en die in werkelijkheid als last van de gemeenschap zijn te beschouwen, alsmede de belastingen die van dien aard zijn dat zij de mededingingsvoorwaarden tussen de verschillende vervoertakken verstoren. Onder „voordelen” verstaat men de door de gemeenschap gedragen lasten die in werkelijkheid als last van de vervoerondernemingen zijn te beschouwen.

5.

Geen bepaling van het Unieverdrag doet afbreuk:

6.

Op het gebied van de luchtvaart passen de Hoge Verdragsluitende Partijen de bepalingen van artikel 9 van het Unieverdrag in het bijzonder toe op de technische vraagstukken welke in het kader van internationale burgerluchtvaartorganisaties het onderwerp van onderzoek of besprekingen uitmaken. Op verzoek van een hunner onderzoeken zij de mogelijkheid en de wenselijkheid deze coördinatie van het beleid uit te strekken tot andere vraagstukken en meer in het bijzonder tot hun betrekkingen met derde landen.

Artikel 10
1.

Met het oog op de uitvoering van de artikelen 6 en 7 van het Unieverdrag verbindt iedere Hoge Verdragsluitende Partij zich de andere Hoge Verdragsluitende Partijen te raadplegen, alvorens een beslissing te nemen over de maatregelen welke de publiekrechtelijke bedrijfsorganisaties aan haar goedkeuring dienen voor te leggen en welke bovendien voor een andere Verdragsluitende Partij van wezenlijk belang zijn.

2.

Wanneer één van de Hoge Verdragsluitende Partijen aan haar publiekrechtelijke bedrijfsorganisaties bevoegdheden verleent tot het uitvaardigen van voorschriften, zal zij voor zover mogelijk bepalen, dat de maatregelen welke deze organisaties zullen mogen nemen en die bovendien voor een andere Verdragsluitende Partij van wezenlijk belang zijn van tevoren moeten worden goedgekeurd door de Hoge Verdragsluitende Partij, waaronder deze organisaties ressorteren.

3.

Iedere Hoge Verdragsluitende Partij verbindt zich de andere Verdragsluitende Partijen in kennis te stellen van genomen of ontworpen maatregelen welke niet aan haar goedkeuring zijn onderworpen en welke bovendien van wezenlijk belang zijn voor een andere Verdragsluitende Partij. Indien de Hoge Verdragsluitende Partijen in onderlinge overeenstemming van oordeel zijn, dat een dergelijke maatregel in strijd is met een der bepalingen van de artikelen 2 tot en met 7 van het Unieverdrag, zal de betrokken Hoge Verdragsluitende Partij die maatregel schorsen of vernietigen.

4.

De procedure van voorafgaand overleg, voorzien in lid 1 van dit artikel, is niet van toepassing indien dwingende overwegingen van tijd of markttechniek zich daartegen verzetten. In dat geval is de procedure van lid 3 van dit artikel van toepassing. De betrokken Hoge Verdragsluitende Partij stelt in dit geval de andere Verdragsluitende Partijen in kennis van de dwingende overwegingen waarop zij beroep doet.

Artikel 11
1.

Met het oog op de uitvoering van artikel 8 van het Unieverdrag neemt een Hoge Verdragsluitende Partij, indien haar door een andere Verdragsluitende Partij wordt verzocht maatregelen te nemen tegen een misbruik van economische macht, voortvloeiend uit een privaatrechtelijke overeenkomst of afspraak inzake economische samenwerking of uit een marktbeheersende positie van één of meer ondernemingen, slechts na voorafgaande raadpleging van de andere Verdragsluitende Partijen een beslissing; hetzelfde is het geval indien één van de Hoge Verdragsluitende Partijen overweegt tegen dergelijke misbruiken maatregelen te treffen welke voor een andere Verdragsluitende Partij van wezenlijk belang zijn.

2.

Elke Hoge Verdragsluitende Partij verbindt zich de andere Verdragsluitende Partijen te raadplegen alvorens gevolg te geven aan een verzoek tot verbindendverklaring van een privaatrechtelijke overeenkomst inzake economische samenwerking, welke van wezenlijk belang is voor een andere Verdragsluitende Partij.

3.

De Hoge Verdragsluitende Partijen verlenen elkaar wederzijdse bijstand bij de opsporing van misbruik van economische macht alsmede bij het toezicht op de toepassing van verbindendverklaarde privaatrechtelijke overeenkomsten voor zover deze bijstand noodzakelijk is voor de coördinatie van hun beleid.

4.

De beslissing die een Hoge Verdragsluitende Partij neemt op grond van zijn nationale wetgeving heeft van rechtswege privaatrechtelijke rechtsgevolgen op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partijen, mits daarop de instemming is verkregen van het Comité van Ministers, voorzien in Deel 2 van het Unieverdrag.

5.

De bepalingen van de leden 1 tot en met 4 van dit artikel worden toegepast naarmate in de drie landen wetgevingen in werking treden welke het de Hoge Verdragsluitende Partijen mogelijk maken gecoördineerde maatregelen te nemen. Deze bepaling doet geen afbreuk aan de verplichtingen welke de Hoge Verdragsluitende Partijen in artikel 8 van het Unieverdrag op zich hebben genomen en zij verzet zich niet tegen het optreden van het Comité van Ministers binnen zijn bevoegdheid teneinde de uitvoering van die verplichtingen te verzekeren.

Artikel 12

Met ingang van de inwerkingtreding van het Unieverdrag zijn afgeschaft:

Artikel 13

Na afloop van het tijdvak, voorzien in artikel 4 van de Overgangsovereenkomst, worden afgeschaft de artikelen 9 en 10 van het Protocol betreffende de nationale behandeling bij de aanbesteding van werken en de aankoop van goederen, ondertekend te Brussel op 6 juli 1956.

Artikel 14

Gedurende de looptijd van het Unieverdrag worden geschorst:

TEN BLIJKE WAARVAN de Gevolmachtigden dit Verdrag hebben ondertekend en voorzien van hun zegel.

GEDAAN te 's-Gravenhage, 3 februari 1958, in drievoud in de Nederlandse en in de Franse taal, zijnde beide teksten gelijkelijk authentiek.

Deel 1. BEGINSELEN

Deel 2. INSTELLINGEN

HOOFDSTUK 1. Van het Comité van Ministers

HOOFDSTUK 2. Van de Raadgevende Interparlementaire Raad

HOOFDSTUK 3. Van de Raad van de Economische Unie

HOOFDSTUK 4. Van de Commissies en de Bijzondere Commissies

HOOFDSTUK 5. Van het Secretariaat-Generaal

HOOFDSTUK 6. Van de Gemeenschappelijke Diensten

HOOFDSTUK 7. Van het College van Scheidsrechters

HOOFDSTUK 8. Van de Economische en Sociale Raad van Advies

Deel 3. BIJZONDERE BEPALINGEN BETREFFENDE BEPAALDE ASPECTEN VAN DE ECONOMISCHE UNIE

HOOFDSTUK 1. Van de nationale behandeling, de bewegingsvrijheid en de uitoefening van economische en beroepswerkzaamheden

HOOFDSTUK 2. Van de coördinatie van het beleid

HOOFDSTUK 3. Van de economische en financiële betrekkingen met het buitenland

HOOFDSTUK 4. Van de douane- en belastingaangelegenheden

HOOFDSTUK 5. Van het vrije verkeer van vervoerdiensten

HOOFDSTUK 6. Van de statistiek

Deel 4. SLOTBEPALINGEN

HOOFDSTUK 1. Van de nationale behandeling, de bewegingsvrijheid en de uitoefening van economische en beroepswerkzaamheden

Artikel 1

Vervallen

Artikel 2

Vervallen

Artikel 3

Vervallen

Artikel 4

Vervallen

Artikel 5

Vervallen

Artikel 6

Vervallen

Artikel 7

Vervallen

Artikel 8

Vervallen

HOOFDSTUK 2. Van het handelsverkeer tussen de grondgebieden van de Hoge Verdragsluitende Partijen

Artikel 9

Vervallen

Artikel 10

Vervallen

HOOFDSTUK 3. Van de landbouw

Artikel 11

Vervallen

Artikel 12

Vervallen

Artikel 13

Vervallen

Artikel 14

Vervallen

Artikel 15

Vervallen

Artikel 16

Vervallen

Artikel 17

Vervallen

Artikel 18

Vervallen

Artikel 19

Vervallen

Artikel 20

Vervallen

Artikel 21

Vervallen

Artikel 22

Vervallen

Artikel 23

Vervallen

Artikel 24

Vervallen

Artikel 25

Vervallen

HOOFDSTUK 4. Van de economische en financiële betrekkingen met het buitenland

Artikel 26

Vervallen

Artikel 27

Vervallen

Artikel 28

Vervallen

Artikel 29

Vervallen

HOOFDSTUK 5. Van het betalingsverkeer

Artikel 30

Vervallen

Artikel 31

Vervallen

Artikel 32

Vervallen

Artikel 33

Vervallen

HOOFDSTUK 7. Van het vervoerswezen

Artikel 34

Vervallen

Artikel 35

Vervallen

HOOFDSTUK 8. Slotbepalingen

Artikel 36

Vervallen

Artikel 37

Vervallen

Artikel 1

Vervallen

Artikel 2

Vervallen

Artikel 3

Vervallen

Artikel 4

Vervallen

Artikel 5

Vervallen

Artikel 6

Vervallen

Artikel 7

Vervallen

Artikel 8

Vervallen

Artikel 9

Vervallen

Artikel 10

Vervallen

Artikel 11

Vervallen

Artikel 12

Vervallen

Artikel 13

Vervallen

Artikel 14

Vervallen