← Geldende tekst · Geschiedenis

Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Vlaamse Gewest betreffende de aanleg van de nieuwe sluis Terneuzen

Geldende tekst a fecha 2023-12-19

Het Koninkrijk der Nederlanden, enerzijds,

en

het Vlaamse Gewest, anderzijds,

hierna te noemen „de Verdragsluitende Partijen”,

Verwijzend naar:

het op 20 juni 1960 te Brussel tot stand gekomen Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België betreffende de verbetering van het kanaal van Terneuzen naar Gent en de regeling van enige daarmee verband houdende aangelegenheden;

het op 21 december 2005 te Middelburg tot stand gekomen Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden, enerzijds, en de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaams Gewest, anderzijds, inzake de samenwerking op het gebied van het beleid en het beheer in het Schelde-estuarium;

het op 21 december 2005 te Middelburg tot stand gekomen Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Vlaams Gewest inzake het gemeenschappelijk nautisch beheer in het Scheldegebied.

Overwegende dat:

Nederland en Vlaanderen op 11 maart 2005 in een memorandum van overeenstemming zijn overeengekomen om gezamenlijk de maritieme toegankelijkheid van de Kanaalzone Gent-Terneuzen te verkennen;

bij deze verkenning is geconcludeerd dat er zich wat de toegankelijkheid in de Kanaalzone Gent-Terneuzen betreft nu en straks problemen kunnen voordoen op het terrein van afmetingen, beschikbaarheid en betrouwbaarheid van het bestaande sluizencomplex;

Nederland en Vlaanderen met het oog hierop verschillende oplossingsrichtingen hebben onderzocht en het resultaat van dat onderzoek in een Maatschappelijke Kosten Baten Analyse (MKBA) hebben neergelegd;

het Stakeholders Advies Forum (SAF) de oplossingsrichtingen in de MKBA heeft getoetst op oplossend vermogen en in januari 2009 de Verdragsluitende Partijen heeft geadviseerd zich te richten op de aanleg van een nieuwe sluis;

de Minister van Infrastructuur en Milieu van Nederland en de Minister van Mobiliteit en Openbare Werken van Vlaanderen als Politiek College van de Vlaams-Nederlandse Schelde Commissie op grond van artikel 4, eerste lid, onder a, van het op 21 december 2005 tot stand gekomen Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden, enerzijds, en de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaams Gewest, anderzijds, inzake de samenwerking op het gebied van het beleid en het beheer in het Schelde-estuarium op 19 maart 2012 en 24 december 2014 respectievelijk een besluit inzake de planuitwerkingsfase grote zeesluis Kanaal Gent-Terneuzen, en een besluit inzake de overbruggingsfase voor de Nieuwe Sluis Terneuzen hebben genomen;

Nederland en Vlaanderen hebben besloten tot de aanleg van de Nieuwe Sluis Terneuzen en daartoe de volgende regelingen te treffen:

Komen het volgende overeen:

HOOFDSTUK 1. ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1. Begripsbepalingen

In dit Verdrag wordt verstaan onder:

Artikel 2. Doel

Dit Verdrag heeft tot doel de tenuitvoerlegging en de bekostiging te verzekeren van:

HOOFDSTUK 2. AANLEG EN INFRASTRUCTUREEL BEHEER EN ONDERHOUD VAN DE NIEUWE SLUIS TERNEUZEN

Artikel 3. Uitgangspunten
1.

Uitgangspunt voor de ontwerpeisen van de nieuwe sluis zijn de afmetingen 427m x 55m x 16,44m (lbd).

2.

De aanbesteding van de aanleg van de nieuwe sluis vindt plaats overeenkomstig de Design and Build-methode, waarbij voor het ontwerp overeenkomstig de Life Cycle Cost-benadering wordt uitgegaan van een levensduur van honderd jaar vanaf de datum van ingebruikname van de nieuwe sluis, vermeld in het achtste lid.

3.

Dit Verdrag voorziet in de verrekening van de kosten van het infrastructureel beheer en onderhoud van de nieuwe sluis voor een periode van dertig jaar vanaf de datum van ingebruikname van de nieuwe sluis, vermeld in het achtste lid.

4.

Nederland gunt de contracten voor de aanleg van de nieuwe sluis, vermeld in het tweede lid, binnen een periode van twee maanden na de inwerkingtreding van dit Verdrag en nadat de besluiten die daartoe ingevolge het Nederlandse recht nodig zijn, zijn genomen en de daartoe voorziene procedure, met inbegrip van de vereisten die gelden voor een dergelijk besluit in het kader van het „Meerjarenprogramma Infrastructuur ruimte en transport” (MIRT), is afgewikkeld.

5.

Nederland gunt de contracten voor de aanleg van de nieuwe sluis nadat de VNSC hierover een positief advies heeft uitgebracht.

6.

De VNSC maakt de gunningsverslagen op en ondertekent ze.

7.

Uiterlijk tot het moment van de voorlopige gunning van het contract voor de aanleg van de nieuwe sluis hebben de Verdragsluitende Partijen ieder het recht hun medewerking aan de aanleg van de nieuwe sluis te beëindigen, als onzeker is dat de gunning binnen de budgettaire randvoorwaarde blijft of als er onaanvaardbaar grote budgettaire risico’s blijken te zijn.

8.

De VNSC bepaalt het moment van de ingebruikname en oplevering van de nieuwe sluis.

Artikel 4. Financiering en bekostiging
1.

De budgettaire randvoorwaarde geldt als maximale kostprijs voor de uitvoering van het project nieuwe sluis.

2.

Als een Verdragsluitende Partij een wijziging in de reikwijdte van het project nieuwe sluis voorstelt, komt deze voor rekening van de Verdragsluitende Partij die de wijziging voorstelt.

3.

Alle specifiek genoemde bedragen in dit Verdrag zijn, tenzij anders vermeld, exclusief Belasting Toegevoegde Waarde en op basis van het prijspeil van 2014. Deze bedragen worden op het moment van verrekenen gecorrigeerd voor prijsstijgingen conform de IBOI-methodiek.

4.

De Verdragsluitende Partijen maken twee jaar voor de afloop van de periode van dertig jaar, vermeld in artikel 3, derde lid, een afspraak over het infrastructureel beheer en onderhoud van de nieuwe sluis voor de volgende zeventig jaar.

5.

Vlaanderen neemt het initiatief tot een verzoek aan de instellingen van de Europese Unie om een bijdrage in de financiering of bekostiging van de nieuwe sluis. Nederland ondersteunt dit verzoek.

Artikel 5. Kostenverdeling en kostenverhouding
1.

Vlaanderen draagt de werkelijke kosten van de aanleg. Vlaanderen draagt ook de kosten van het infrastructureel beheer en onderhoud van de nieuwe sluis, geraamd volgens een gezamenlijk overeengekomen methodiek, gedurende de periode van dertig jaar, vermeld in artikel 3, derde lid. Ongeacht de effectieve hoogte van alle vermelde kosten levert Nederland een bijdrage van 155,381 miljoen euro.

2.

De Verdragsluitende Partijen dragen elk de financieringskosten en de Belasting Toegevoegde Waarde voor hun aandeel in de kosten van het project nieuwe sluis.

3.

Bij de toepassing van artikel 3, zevende lid, worden de daar omschreven uit beëindiging voortvloeiende kosten gelijk verdeeld tussen de Verdragsluitende Partijen. Kosten gemaakt voor de inwerkingtreding van dit Verdrag blijven buiten beschouwing.

4.

Betalingen geschieden overeenkomstig de betalingsregeling.

5.

Als de Europese Unie een bijdrage verleent aan de bekostiging of financiering van de nieuwe sluis, gelden de volgende beginselen:

Artikel 6. lnfrastructureel beheer en onderhoud
1.

Het infrastructureel beheer en onderhoud betreft het functiebehoud van de nieuwe sluis, waaronder wordt verstaan het blijvend laten voldoen aan de functionele eisen waarmee de nieuwe sluis is ontworpen en gebouwd.

2.

De kosten en meerkosten van het infrastructureel beheer en onderhoud worden geraamd op basis van de SSK-methodiek en de door Verdragsluitende Partijen gedeelde uitgangspunten infrastructureel beheer en onderhoud nieuwe sluis, opgenomen in bijlage F.

3.

Als het infrastructureel beheer en onderhoud van de voorhaven binnen de blauwe stippellijn op de kaart geheel of gedeeltelijk door of namens Vlaanderen wordt uitgevoerd, geschiedt dit conform de normen die gelden als Nederland het uit zou laten voeren en op voorwaarde dat er, voorafgaand aan de uitvoering, overeenstemming bestaat over de ramingen waartegen het werk wordt gewaardeerd. Vlaanderen voert deze baggerwerken uit voor eigen rekening. Deze kosten worden verrekend in het globale pakket van het onderhoud, vermeld in het tweede lid.

4.

Vlaanderen heeft de mogelijkheid de kosten van infrastructureel beheer en onderhoud met het oog op het functiebehoud van de nieuwe sluis, vermeld in het eerste lid, af te kopen. De basis hiervoor vormt de raming, vermeld in het tweede lid.

5.

De Verdragsluitende Partijen kunnen in een nadere regeling ter uitvoering van dit Verdrag afspraken maken over de verdeling van de kosten bij functieverbetering of bij functieherstel. Onder functieverbetering wordt verstaan het uitvoeren van maatregelen waarbij afgeweken wordt van de functionele eisen waarmee de nieuwe sluis is ontworpen en gebouwd. Onder functieherstel wordt verstaan het ervoor zorgen dat de nieuwe sluis na oplevering opnieuw voldoet aan de functionele eisen die bij het ontwerp werden vastgelegd, na schade veroorzaakt door een onvoorziene gebeurtenis die niet het gevolg is van gebrek aan infrastructureel beheer en onderhoud gericht op functiebehoud.

HOOFDSTUK 3. KANAALAANPASSINGEN

Artikel 7. Besluitvorming en uitvoering kanaalaanpassingen
1.

Elke Verdragsluitende Partij kan een voorstel tot een kanaalaanpassing doen ter beraadslaging en besluitvorming binnen de VNSC. De VNSC bepaalt een redelijke periode van beraadslaging en besluitvorming.

2.

De uitvoering van een kanaalaanpassing op Nederlands grondgebied vindt plaats in gezamenlijk overleg tussen de Verdragsluitende Partijen.

3.

De VNSC bepaalt de datum van ingebruikname van een kanaalaanpassing.

4.

De Verdragsluitende Partijen treffen geen eenzijdige maatregelen in de infrastructuur waarvan in alle redelijkheid kan worden verwacht dat zij een toekomstige kanaalaanpassing onmogelijk of significant duurder maken.

Artikel 8. Berekening meerkosten kanaalaanpassingen

De meerkosten van kanaalaanpassingen worden berekend door op de werkelijke kosten van de aanleg en het infrastructureel beheer en onderhoud van de betrokken kanaalaanpassing in de situatie met de nieuwe sluis de verhouding toe te passen van de tussen Nederland en Vlaanderen overeengekomen raming van de aanleg en het infrastructureel beheer en onderhoud van de betrokken kanaalaanpassing in een situatie waarin de nieuwe sluis is aangelegd en in een situatie waarin de nieuwe sluis niet is aangelegd toe te passen.

Artikel 9. Kosten, kostenverdeling en betalingsregeling
1.

Bij de beraadslaging en besluitvorming, vermeld in artikel 7, eerste lid, raamt de VNSC rekening houdend met de Nederlandse systematiek de kosten van de aanleg, alsmede van het infrastructureel beheer en onderhoud voor een periode van dertig jaar van een kanaalaanpassing op Nederlands grondgebied. Zij berekent daarbij tevens de meerkosten op grond van artikel 8.

2.

Vlaanderen betaalt de kosten van de aanleg en het infrastructureel beheer en onderhoud van een kanaalaanpassing op Vlaams grondgebied, alsmede de meerkosten van de aanleg en het infrastructureel beheer en onderhoud voor een periode van dertig jaar van een kanaalaanpassing op Nederlands grondgebied.

3.

Nederland levert een bijdrage aan Vlaanderen van minimaal 15% van de kosten voor aanleg en het geraamd infrastructureel beheer en onderhoud voor de eerste dertig jaar van de nieuwe sluis tot een maximum van 164,250 miljoen euro. Bij totale kosten voor aanleg en infrastructureel beheer en onderhoud van meer dan 540 miljoen euro (niet te indexeren) wordt het percentage verhoogd met 0,1 procentpunt per 10 miljoen euro (niet te indexeren) tot 640 miljoen euro (niet te indexeren). Bij totale kosten boven 640 miljoen euro (niet te indexeren) wordt het percentage daarbovenop nogmaals verhoogd met 0,05 procentpunt per 10 miljoen euro (niet te indexeren). De betaling vindt uiterlijk plaats bij ingebruikname van de nieuwe sluis.

4.

De Verdragsluitende Partijen maken twee jaar voor de afloop van de periode van dertig jaar na ingebruikname van een kanaalaanpassing een afspraak over de kostenverdeling van de meerkosten van het infrastructureel beheer en onderhoud voor een periode van zeventig jaar na het verstrijken van de vermelde periode.

5.

Vlaanderen betaalt de meerkosten van de aanleg van een kanaalaanpassing op Nederlands grondgebied, als vermeld in artikel 8, voorafgaand aan de datum van de start van de aanleg, vermeld in artikel 7, tweede lid.

6.

Bij de bepaling van de datum van ingebruikname van een kanaalaanpassing, vermeld in artikel 7, derde lid:

Artikel 10. Nadere regeling

De Verdragsluitende Partijen kunnen besluiten de afspraken over een kanaalaanpassing, waaronder de verdeling van de meerkosten van aanleg en onderhoud, vast te leggen in een nadere regeling ter uitvoering van dit Verdrag.

HOOFDSTUK 4. TOEPASSELIJK RECHT EN OPDRACHTGEVERSCHAP

Artikel 11. Toepasselijk recht

Op de uitvoering van dit Verdrag op Nederlands grondgebied is het Nederlandse recht van toepassing, zulks met uitsluiting van de conflictregels inzake internationaal privaatrecht.

Artikel 12. Opdrachtgeverschap en bestendige bestuurlijke monitoring
1.

Tenzij anders wordt overeengekomen is Nederland juridisch opdrachtgever die bevoegd is de overeenkomst ter uitvoering van het project nieuwe sluis op Nederlands grondgebied te sluiten.

2.

De Verdragsluitende Partijen stellen een bestendige bestuurlijke monitoring in op basis waarvan zij, indien nodig, maatregelen treffen, zodat de in dit Verdrag bepaalde afspraken en termijnen worden geëerbiedigd.

3.

Het Ambtelijk College van de VNSC bewaakt hiertoe, in overleg met de bevoegde instanties de voorbereiding en de uitvoering van de in dit Verdrag omschreven projecten en werken binnen de bepaalde termijnen.

4.

De Voorzitter van de Nederlandse of de Vlaamse delegatie in het Ambtelijk College van de VNSC roept het Ambtelijk College binnen een redelijke termijn bijeen, als de uitvoering van de projecten en werken vertraging ondervindt of dreigt te ondervinden en stelt het Politiek College van de VNSC in kennis van deze vertraging of dreigende vertraging.

5.

Als het Ambtelijk College van de VNSC op grond van het vierde lid wordt bijeengeroepen, treft het, waar mogelijk en onverminderd het gestelde in het tweede lid, maatregelen of doet het voorstellen aan het Politiek College van de VNSC om de termijnen te eerbiedigen.

HOOFDSTUK 5. OVERLEG EN GESCHILLENBESLECHTING

Artikel 13. Overleg bij onvoorziene omstandigheden
1.

De bewindslieden treden met elkaar in overleg als zich onvoorziene omstandigheden voordoen, waaronder begrepen wijzigingen in relevante internationale en Europese regelgeving en daarop betrekking hebbende jurisprudentie welke van dien aard zijn dat naar de maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van dit Verdrag niet mag worden verwacht.

2.

Een nadere regeling met betrekking tot de afwijkingen van de overeenkomsten is opgenomen in bijlage E.

Artikel 14. Geschillenbeslechting
1.

Als er tussen de Verdragsluitende Partijen een geschil, meningsverschil of vordering ontstaat met betrekking tot dit Verdrag of met betrekking tot het bestaan, de uitlegging, de uitvoering, de schending, de beëindiging of de geldigheid van dit Verdrag, regelen de Verdragsluitende Partijen deze geschillen in de eerste plaats door middel van onderhandelingen.

2.

Als de Verdragsluitende Partijen er niet in slagen de kwestie te regelen door middel van onderhandelingen binnen een termijn van zes maanden te rekenen vanaf de formele aanvraag tot onderhandelingen, dan wel binnen een onderling overeengekomen termijn, kan zij op verzoek van één van de Verdragsluitende Partijen worden voorgelegd aan een scheidsgerecht.

3.

De bepalingen over de samenstelling van het scheidsgerecht en de procedure van het scheidsgerecht zijn opgenomen in bijlage G.

HOOFDSTUK 6. SLOTBEPALINGEN

Artikel 15. Wijziging van het Verdrag
1.

Door de Verdragsluitende Partijen schriftelijk overeengekomen wijzigingen van dit Verdrag, de bijlage G daarbij inbegrepen, treden in werking op de dag waarop de Verdragsluitende Partijen elkaar schriftelijk hebben medegedeeld dat aan de constitutionele vereisten is voldaan.

2.

Wijzigingen van de bijlagen A tot en met F worden schriftelijk overeengekomen tussen de bewindslieden en treden in werking op een door hen te bepalen datum.

Artikel 16. Bijlagen

De bijlagen bij dit Verdrag vormen daarvan een onlosmakelijk onderdeel.

Artikel 17. Territoriaal toepassingsgebied

Wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft, geldt dit Verdrag alleen voor het grondgebied gelegen in Europa.

Artikel 18. Inwerkingtreding

Dit Verdrag treedt in werking met ingang van de eerste dag van de tweede maand, volgend op de datum waarop de Verdragsluitende Partijen elkaar schriftelijk hebben medegedeeld dat aan de constitutionele vereisten is voldaan.

I. ALGEMEEN DEEL

II. ARTIKELSGEWIJZE BESPREKING

HOOFDSTUK 1. ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1. Begripsbepalingen

De begripsbepalingen uit dit artikel behoeven geen verdere toelichting.

Artikel 2. Doel

Dit Verdrag heeft tot doel de tenuitvoerlegging en de bekostiging te verzekeren van het project zoals omschreven in het Verdrag. De noodzakelijke werken in de voorhaven maken integraal onderdeel uit van dit project. De Partijen kunnen besluiten tot het gefaseerd uitvoeren van de werken in de voorhaven. In het hele Verdrag wordt gesproken van infrastructureel beheer en onderhoud, om de nadruk te leggen op de infrastructurele kant zonder de bemensing en zonder de kosten van exploitatie.

HOOFDSTUK 2. AANLEG EN INFRASTRUCTUREEL BEHEER EN ONDERHOUD VAN DE NIEUWE SLUIS

Artikel 3. Uitgangspunten

Dit artikel bevat een aantal uitgangspunten voor de aanleg en het infrastructureel beheer en onderhoud van de nieuwe sluis. Daarbij geven de volgende punten aanleiding tot nadere toelichting:

Hoewel Nederland juridisch opdrachtgever is (artikel 12, eerste lid), is er uitdrukkelijk voor gekozen om de VNSC een rol te geven bij de besluitvorming, o.m. door het uitbrengen van een positief advies over de gunning, het opmaken en ondertekenen van de gunningsverslagen en het bepalen van het moment van ingebruikname en oplevering. Hiermee wordt het gezamenlijke karakter van dit project benadrukt. Dit sluit tevens aan bij de doelstellingen van het Verdrag van 21 december 2005 inzake de samenwerking op het gebied van het beleid en het beheer in het Schelde-estuarium.

Artikel 4. Financiering en bekostiging

Het tweede lid betreft „wijzigingen in de reikwijdte van het project”. Met de reikwijdte van het project worden de bepalingen bedoeld zoals gezamenlijk vastgesteld in het programma van eisen. Bij een verzoek van één der partijen om hiervan af te wijken waardoor meerkosten van aanleg ontstaan, dient de verzoekende partij deze meerkosten te betalen. Dit betreft zowel de situatie bij aanleg als bij (groot) onderhoud. Eventueel resulterende meerkosten voor infrastructureel beheer en onderhoud vallen hier tevens onder.

Het vierde lid bepaalt dat de Partijen uiterlijk achtentwintig jaar na ingebruikname van de sluis een afspraak moeten hebben gemaakt over het infrastructureel beheer en onderhoud van de nieuwe sluis.

Partijen zijn voornemens om gezamenlijk een beroep te doen op de Europese subsidiemogelijkheden, zoals de Trans-Europese Netwerken voor Transport (TENT).

Artikel 5. Kostenverdeling

Op 24 december 2014 werd een voorlopige regeling getroffen in het besluit van het Politiek College van de Vlaams-Nederlandse Scheldecommissie op grond van artikel 4, eerste lid, onder a van het op 21 december 2005 tot stand gekomen Verdrag inzake de samenwerking op het gebied van het beleid en het beheer in het Schelde-estuarium tussen de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaams Gewest, enerzijds, en het Koninkrijk der Nederlanden, anderzijds, onder meer voor de kosten gemoeid met de voorbereiding van de realisatie en gemaakt tijdens de overbruggingsfase. Die overbruggingsfase loopt vanaf de ondertekening van dat besluit en het afronden van het Ontwerptracébesluit tot de inwerkingtreding van het Verdrag. In deze fase kunnen kosten worden gemaakt voor het functievrij maken van de gebieden, (het voorbereiden van) het noodzakelijk verleggen van kabels en leidingen, het opstellen van offertes door opdrachtnemers en onteigeningen die nodig zijn voor de aanleg. Aangezien het gaat om kosten van het project, vallen zij na inwerkingtreding van dit Verdrag onder de afspraken van de kostenverdeling uit dit artikel. Personeelskosten van de Verdragsluitende Partijen zijn hierbij uitgesloten.

Het begrip „kostenverhouding” wordt in dit artikel geïntroduceerd om begripsverwarring te voorkomen met het begrip „kostenverdeling”. Aangezien de Nederlandse bijdrage vaststaat en de Vlaamse bijdrage afhangt van de werkelijke kosten, inclusief meevallers en tegenvallers bij de aanbesteding tot en met de oplevering, kan deze verhouding pas bij de eindafrekening van het project worden bepaald. Deze kostenverhouding werkt vervolgens door in de verdeling van de eventuele bijdrage van de Europese Unie.

Artikel 6. lnfrastructureel beheer en onderhoud

Functiebehoud als vermeld onder het eerste lid kan onder meer bevatten: het vervangen en repareren van onderdelen vanwege slijtage of veroudering, conserverend onderhoud om te voorkomen dat ingeteerd wordt op de levensduur van het project, het vervangen van (onderdelen van) installaties vanwege nietbeschikbaarheid van onderdelen, en het dagelijkse onderhoud dat zorg draagt voor het dagelijks operationeel zijn van het object. De nieuwe sluis kent de functies schutten, waterkeren, spuien en kruisen.

HOOFDSTUK 3. KANAALAANPASSINGEN

Artikel 7. Besluitvorming en uitvoering kanaalaanpassingen

Dit artikel ziet voornamelijk op de kanaalaanpassingen op Nederlands grondgebied, aangezien er in dat geval een Vlaamse financiële bijdrage aan de orde kan zijn. Er wordt vanuit gegaan dat elke afzonderlijke kanaalaanpassing wordt besproken.

Over elke afzonderlijke kanaalaanpassing neemt de VNSC binnen een redelijke termijn een besluit. De VNSC bepaalt zelf het niveau van besluitvorming (Politiek College dan wel Ambtelijk College).

Artikel 8. Berekening meerkosten kanaalaanpassingen

Dit artikel betreft de berekeningswijze voor de meerkosten van kanaalaanpassingen.

Overeenkomstig artikel 9, tweede lid, komen deze meerkosten bij een kanaalaanpassing op Nederlands grondgebied voor rekening van Vlaanderen.

De meerkosten van kanaalaanpassingen betreffen bijvoorbeeld een situatie waarin er een kanaalaanpassing plaatsvindt en deze op verzoek van Vlaanderen eerder dan volgens de normale afschrijvingstermijn zou plaatsvinden, of situaties waarin de werken groter, breder, hoger of dieper worden of waarin ze op een andere manier extra kosten met zich meebrengen ten opzichte van de normale vervangingsplannen van Nederland.

Deze meerkosten worden berekend door de verhouding van de overeengekomen raming van beide situaties (vervanging, aanpassingen en infrastructureel beheer en onderhoud in een situatie met en in een situatie zonder een nieuwe sluis) toe te passen op de werkelijke kosten van de kanaalaanpassingen en infrastructureel beheer en onderhoud in de situatie met de nieuwe sluis.

Artikel 9. Kosten, kostenverdeling en betalingsregeling

In het eerste lid wordt verwezen naar een kostenberekening overeenkomstig de Nederlandse systematiek. Dit betreft de Standaardsystematiek voor Kostenramingen (SSK), die goed aansluit bij projectmatig werken, zowel bij nieuwbouw, als bij infrastructureel beheer en onderhoud of sloop. In essentie biedt de SSK de samengepakte „best practices” van een groot aantal partijen in de Nederlandse en Belgische grond-, weg- en waterbouw-markt. Bij dit model is een eenduidig begrippenkader ontwikkeld en er zijn checklists voor de verschillende kostencategorieën en kostengroepen gegeven. De methodiek biedt houvast voor het omgaan met risico’s en onzekerheden in de raming en het vertalen daarvan in geld.

Het vierde lid bepaalt dat de Partijen uiterlijk achtentwintig jaar na ingebruikname van een kanaalaanpassing een afspraak moeten hebben gemaakt over de meerkosten van infrastructureel beheer en onderhoud over de volgende zeventig jaar. Er dient binnen de VNSC overeenstemming te zijn over de meerkosten.

Artikel 10. Nadere regeling

De Partijen hebben de vrijheid om te bepalen welke juridische vorm de toekomstige afspraken over kanaalaanpassingen zullen aannemen.

HOOFDSTUK 4. TOEPASSELIJK RECHT EN OPDRACHTGEVERSCHAP

Artikel 11. Toepasselijk recht

Aangezien de werken op Nederlands grondgebied plaatsvinden, is het Nederlandse recht van toepassing. De uitsluiting van de conflictregels inzake het internationaal privaatrecht is opgenomen om uit te sluiten dat, via Boek 10 van het Nederlands Burgerlijk Wetboek, het internationaal privaatrecht van toepassing zou kunnen worden verklaard op de uitvoering van dit Verdrag.

Artikel 12. Opdrachtgeverschap en bestendige bestuurlijke monitoring

Uit het feit dat de werken op Nederlands grondgebied plaatsvinden, vloeit tevens voort dat Nederland, tenzij anders bepaald, juridisch opdrachtgever is.

Tegelijkertijd wordt er ook een rol gegeven aan de VNSC, zoals reeds vermeld onder artikel 3. Om de in het Verdrag opgenomen termijnen te kunnen eerbiedigen, geven de Partijen aan de VNSC de opdracht om een bestendige bestuurlijke monitoring uit te voeren. Deze monitoring bestaat uit het permanent waken over de voortgang van de verschillende stappen die moeten leiden tot de tijdige realisatie van de in het Verdrag omschreven werken volgens de daartoe bepaalde termijnen.

Zij zorgt voor een adequate uitvoeringsstructuur die aan de hand van plannen van aanpak de respectieve fases doorloopt.

HOOFDSTUK 5. OVERLEG EN GESCHILLENBESLECHTING

Artikel 13. Overleg bij onvoorziene omstandigheden

Bij onvoorziene omstandigheden zullen de Partijen overleg plegen. Onvoorziene omstandigheden omvatten geen wijzigingen van de nationale regelgeving van de Verdragsluitende Partijen. Indien er door nieuwe internationale en EU-regelgeving of daarop betrekking hebbende jurisprudentie extra eisen worden gesteld, valt dit wel onder onvoorziene omstandigheden die besproken dienen te worden door de bewindspersonen.

Artikel 14. Geschillenbeslechting

Dit artikel regelt de beslechting van alle mogelijke geschillen over het Verdrag. Deze bepaling alsmede de regels omtrent de samenstelling en de procedure van het scheidsgerecht opgenomen in bijlage G bij het Verdrag, betreffen een standaardregeling die veel wordt gebruikt in bilaterale verdragen. Het Permanente Hof van Arbitrage te Den Haag heeft arbitrageregels opgesteld, die gehanteerd worden om een vlotte en efficiënte doorloop te kunnen garanderen.

Bij een eventuele geschillenbeslechting wordt het Engels of Nederlands gehanteerd om het onderling communiceren tussen de scheidslieden eenvoudig te laten verlopen.

HOOFDSTUK 6. SLOTBEPALINGEN

Artikel 15. Wijziging van het Verdrag

Het Verdrag voorziet in twee wijzigingsprocedures. Voor het Verdrag zelf en bijlage G geldt de normale procedure voor wijziging van verdragen, overeenkomstig de constitutionele vereisten van beide Partijen. Voor de andere bijlagen geldt een vereenvoudigde procedure. Het wijzigen van deze bijlagen kan geschieden via de schriftelijke overeenstemming tussen de Bewindslieden. Dit biedt de mogelijkheid om flexibel te handelen. Een formele verdragswijziging kent immers normalerwijs een lange doorlooptijd.

Artikel 16. Bijlagen

Dit artikel bepaalt dat de bijlagen een onlosmakelijk deel van het Verdrag vormen, wat betekent dat ze op dezelfde manier verbindend zijn. Het betreft de volgende bijlagen, waarvan bijlage F een nadere uitleg behoeft, die na de artikelsgewijze toelichting is opgenomen:

Artikel 17. Territoriaal toepassingsgebied

Dit artikel vloeit voort uit de aard van het Verdrag.

Artikel 18. Inwerkingtreding

Dit artikel behoeft geen verdere toelichting.

1. Algemeen

In het traject om tot de realisatie te komen van een Nieuwe Sluis in Terneuzen werd in 2012 een politiek akkoord gesloten tussen Nederland en Vlaanderen.

Hierin werd een alinea opgenomen betreffende de kosten (punt 2c):

„De kosten voor onderhoud gedurende 30 jaar na ingebruikneming zijn in het aanvullend onderzoek na de verkenning geraamd in vaste en variabele kosten en bedragen tezamen 75 miljoen euro (exclusief BTW, prijspeil 2008).” 1) De 75 miljoen € kan opgesplitst worden in 27 miljoen € voor het vast onderhoud en 48 miljoen € voor het variabele onderhoud. In de totaalsom was er 8 miljoen € baggerwerk voorzien.

Eind 2013 werd vanuit de stuurgroep de vraag geformuleerd om op basis van „gelijkaardige” sluizen in Nederland en Vlaanderen de oefening te doen naar het realiteitsgehalte van de bovenvermelde 75 miljoen euro. In januari 2014 werd een gezamenlijke nota opgesteld met opgave van deze onderhoudskosten. Deze werden vanuit Nederlandse zijde gebaseerd op de Westsluis Terneuzen en aan Vlaamse zijde op basis van de gemiddelde kost van Zandvliet- en Berendrechtsluis.

Begin september 2014 werden de cijferwaarden door beide partijen verduidelijkt.

2. Kostenopgave nota januari 2014 (exclusief BTW)

Voor Nederland:

Vast onderhoud: 17,6 miljoen €
Variabel onderhoud: 50,4 miljoen €
Herstelmaatregelen: 7,6 miljoen €
Verbetermaatregelen: 2,5 miljoen €
Totaal 78,1 miljoen € (niveau 2012)
Baggeren voorhaven 30 miljoen €
Voor Vlaanderen:
Decreetskosten1): 34,8 miljoen €
Groot onderhoud: 28,8 miljoen €
Totaal 63,6 miljoen € (niveau 2006)

1) Decreetskosten zijn de jaarlijkse operationele kosten voor het onderhoud en de exploitatie van een sluis.

3. Evaluatie vanuit Vlaanderen

Hierbij wordt verwezen naar Risico Inventarisatie Natte Kunstwerken (RINK 2011) die een kosteninschatting doet over 20 jaar, inbegrepen BTW (19% in 2011). De methodiek van het ramen van kosten is voor RINK dezelfde als voor de Nieuwe Sluis (SSK201O), waarbij voor de Nieuwe Sluis LCC als uitgangspunt wordt gehanteerd.

Voor de begroting van het Vast Onderhoud wordt de managementsamenvatting gebruikt waarin een vast onderhoud per jaar op basis van Quick Scan wordt opgegeven van 584 k€/jaar. Voor 30 jaar geeft dit dan 584 k€ x30 = 17,52 miljoen €.

Om coherent te zijn met de andere kostenopgaves dient dit nog verminderd te worden met de BTW. Dit geeft 17,52 :1,19 = 14,72 miljoen €.

In deze opgaven is geen vast onderhoud opgenomen voor de bruggen. In de verduidelijking van het variabel onderhoud werd opgegeven dat de vaste kost voor de bruggen 0,1 miljoen € per jaar (inclusief BTW) zou zijn. Over 30 jaar geeft dit 3 miljoen € of 2,52 miljoen € (exclusief BTW).

Samengeteld geeft dit 17,24 miljoen €. Na afstemming met Nederland is het verschil alleen nog het gevolg van afrondingen.

De kosten van 2012-2031, zoals opgenomen in de managementsamenvatting zijn opgeteld (29,49 k€) en gedeeld door 19 (jaren). Afgerond levert dit €1,6 miljoen /jaar op (of 1,36 miljoen €/jaar exclusief BTW). Daarbij is opgeteld de gemiddelde jaarlijkse onderhoudskosten van de bruggen ca. € 0,4 miljoen/jaar (niet traceerbaar; de onderhoudskosten van de vernieuwde bruggen Westsluis zijn nog niet gevalideerd door NL). De € 2,0 miljoen per jaar over 30 jaar is vervolgens gecorrigeerd met het BTW-percentage van 19% (hiermee is door RINK in 2011 gerekend). Dit geeft dan 50,4 miljoen €.

De jaarlijkse variabele kost voor bruggen, gemiddeld per jaar, wordt in Vlaanderen begroot op 0,23 miljoen €/jaar. Na overleg met Nederland wordt dit bedrag bepaald op 0,3 miljoen €/jaar (exclusief BTW).

In totaal geeft dit dan (1,36 + 0,3) x 30 = 49,8 miljoen € (exclusief BTW)

Dit cijfer kan niet achterhaald worden. In de managementsamenvatting is voor de herstelmaatregelen (herstel van onderdelen die niet meer leverbaar zijn of niet meer voldoen aan regelgeving) een bedrag opgenomen van 777 k€ over 4 jaar. Als dit zou worden geëxtrapoleerd naar 30 jaar geeft dit 5,82 miljoen €, of 4,9 miljoen € (exclusief BTW). Er wordt daarom voor herstelmaatregelen verder uitgegaan van 4,9 miljoen € (exclusief BTW).

In de kostenopgave van Vlaanderen is dit inbegrepen in het Groot onderhoud.

Deze maatregelen hebben tot gevolg dat de prestatie of beschikbaarheid wordt verhoogd. Dit bedrag is niet traceerbaar.

In de voorafgaande besprekingen is echter gesteld dat verbetermaatregelen niet tot de scope van deze oefening behoren, en hier dan ook niet dienen te worden meegenomen.

Na controle door Nederland wordt dit bedrag herleid naar 21,6 miljoen € (exclusief BTW).

4. Samenvatting

Op basis van het bovenstaande nazicht krijgt men de volgende bedragen exclusief BTW:

Voor Nederland:

Vast onderhoud: 17,6 miljoen €
Variabel onderhoud: 49,8 miljoen €
Herstelmaatregelen: 4,9 miljoen €
Verbetermaatregelen: 0 miljoen €
Totaal 72,3 miljoen € (niveau 2012)
Baggerkost: 21,6 miljoen €
Voor Vlaanderen:
Decreetskosten: 34,8 miljoen €
Groot onderhoud: 28,8 miljoen €
Totaal 63,6 miljoen € (niveau 2006)

Het verschil in de verhouding vast/variabel tegenover decreetskosten/groot onderhoud zit gedeeltelijk in het feit dat werken met hoge herhaalfrequentie en relatief lage kost in de decreetskosten zijn opgenomen in Vlaanderen en in Nederland deze bij het variabel onderhoud horen.

Daarnaast is een aantal factoren van invloed op het verschil in kosten:

Deze evaluatie geeft een indicatie van onderhoudskosten van een zeesluis. De verwachte omvang van de onderhoudskosten van de nieuwe zeesluis komen voort uit de raming door het project van de Nieuwe Sluis.

5. Risico-inschatting van de kostprijzen

De opgave van de decreetskosten zijn gebaseerd op het effectieve cijfermateriaal van 2004 en 2005. Hierop is derhalve geen risico overschot bij te tellen. Voor het groot onderhoud worden er kostprijzen vooropgesteld die zijn gebaseerd op uitvoeringen van gelijkaardige werken. De risicocomponent is hier ook te verwaarlozen.

De prijsopgave is gestoeld op RINK 2011-Inspectierapport. Dit is een overzicht van de maatregelen, met prijs per eenheid, interval (frequentie) en dergelijke. Dit is de basis geweest voor de kostenopstelling zoals opgenomen in de Managementsamenvatting. In de laatste kolom is de Westsluis opgenomen. RINK staat voor Risico Inventarisatie Natte Kunstwerken.

De basisgegevens worden verhoogd met opslagen ten behoeve van uitvoeringskosten, algemene kosten, winst en risico en BTW (19%). De kostenopstelling in de Managementsamenvatting is gebruikt voor de gezamenlijke nota, gecorrigeerd voor BTW, gecorrigeerd voor 30 jaar (RINK bestrijkt 20 jaar), toegevoegd onderhoudskosten voor de twee bruggen.

TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekenden, daartoe naar behoren gemachtigd, dit Verdrag hebben ondertekend.

GEDAAN in tweevoud te Terneuzen op 5 februari 2015 in de Nederlandse taal.

Voor het Koninkrijk der Nederlanden,

M.H. SCHULTZ VAN HAEGEN – MAAS GEESTERANUS

Voor het Vlaamse Gewest,

BEN WEYTS