Wijzigingsgeschiedenis
Wet van 5 juli 1921, tot vaststelling van voorschriften betreffende overzetveren en veerrechten
5 versions
· 2023-05-01
2023-05-01
Verenwet — arts. 4, 13, 22 y 3 más
2021-07-01
Verenwet — arts. 4, 13, 22 y 3 más
2017-09-01
Verenwet — arts. 4, 13, 22 y 3 más
2006-03-08
Verenwet — arts. 4, 13, 22 y 7 más
Wijzigingen op 2006-03-08
@@ -24,7 +24,7 @@
##### Artikel 4
Met betrekking tot overzetveren, gelegen in andere dan de ingevolge [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001905&hoofdstuk=I&artikel=2&z=1996-04-01&g=1996-04-01) aangeduide wateren, komt de bevoegdheid tot regeling, omschreven in dat artikel, toe aan den raad der gemeente, binnen welke het veer wordt uitgeoefend.
Met betrekking tot overzetveren, gelegen in andere dan de ingevolge [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001905&hoofdstuk=I&artikel=2&z=2006-03-08&g=2006-03-08) aangeduide wateren, komt de bevoegdheid tot regeling, omschreven in dat artikel, toe aan den raad der gemeente, binnen welke het veer wordt uitgeoefend.
##### Artikel 5
@@ -50,13 +50,13 @@
1. Het is den gerechtigde tot het veerrecht verboden hooger veergeld te heffen dan geoorloofd is krachtens het voor zijn veer geldende tarief.
2. Bij gebreke, onvolledigheid of onduidelijkheid van een zoodanig tarief, wordt dat naar billijkheid vastgesteld, aangevuld of verduidelijkt door de Staten van de provincie of de provinciën, waarin het veer is gelegen.
3. De Staten van de provincie of de provinciën, waarin het veer is gelegen, kunnen den gerechtigde tot het veerrecht onder daarbij te stellen voorwaarden machtigen om voortdurend of voor een bepaalden tijd naar een daarbij vast te stellen hooger tarief te heffen.
4. Voor zover het veerrecht betrekking heeft op een verbinding waar de op de veerverbinding aansluitende openbare wegen in de zin van de [Wegenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001948) (**Stb.** 1930, 342) in beheer bij een of meer gemeenten of waterschappen zijn, treedt voor de toepassing van het tweede en het derde lid de raad van de gemeente of de raden van de gemeenten, waarin het veer is gelegen, in de plaats van provinciale staten.
5. Zolang de raad van een gemeente geen uitvoering heeft gegeven aan het bepaalde in het vierde lid, blijft een voor de inwerkingtreding van de [Wet herverdeling wegenbeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005697) (**Stb.** 1992, 563.) krachtens het tweede of derde lid genomen beslissing van provinciale staten die betrekking heeft op een veerrecht als bedoeld in het vierde lid, van kracht.
2. Bij gebreke, onvolledigheid of onduidelijkheid van een zoodanig tarief, wordt dat naar billijkheid vastgesteld, aangevuld of verduidelijkt door de Gedeputeerde Staten van de provincie of de provinciën, waarin het veer is gelegen.
3. De Gedeputeerde Staten van de provincie of de provinciën, waarin het veer is gelegen, kunnen den gerechtigde tot het veerrecht onder daarbij te stellen voorwaarden machtigen om voortdurend of voor een bepaalden tijd naar een daarbij vast te stellen hooger tarief te heffen.
4. Voor zover het veerrecht betrekking heeft op een verbinding waar de op de veerverbinding aansluitende openbare wegen in de zin van de [Wegenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001948) in beheer bij een of meer gemeenten of waterschappen zijn, treedt voor de toepassing van het tweede en het derde lid het college van burgemeester en wethouders van de gemeente of de gemeenten, waarin het veer is gelegen, in de plaats van gedeputeerde staten.
5. Zolang het college van burgemeester en wethouders geen uitvoering heeft gegeven aan het bepaalde in het vierde lid, blijft een voor de inwerkingtreding van de [Wet herverdeling wegenbeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005697) (**Stb.** 1992, 563.) krachtens het tweede of derde lid genomen beslissing van provinciale staten die betrekking heeft op een veerrecht als bedoeld in het vierde lid, van kracht.
##### Artikel 10
@@ -76,7 +76,7 @@
Gedeputeerde Staten van de provincie of de provinciën, waarin het veer is gelegen, kunnen het veerrecht vervallen verklaren:
- 1°. indien binnen een jaar, nadat Gedeputeerde Staten, naar aanleiding van bij hen ingekomen klachten, hebben aangedrongen op getrouwe naleving van de [artt. 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001905&hoofdstuk=II¶graaf=1&artikel=9&z=1996-04-01&g=1996-04-01) en [10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001905&hoofdstuk=II¶graaf=1&artikel=10&z=1996-04-01&g=1996-04-01), meer dan eens in strijd is gehandeld met die artikelen;
- 1°. indien binnen een jaar, nadat Gedeputeerde Staten, naar aanleiding van bij hen ingekomen klachten, hebben aangedrongen op getrouwe naleving van de [artt. 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001905&hoofdstuk=II¶graaf=1&artikel=9&z=2006-03-08&g=2006-03-08) en [10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001905&hoofdstuk=II¶graaf=1&artikel=10&z=2006-03-08&g=2006-03-08), meer dan eens in strijd is gehandeld met die artikelen;
- 2°. indien het veer niet dagelijks of niet voldoende wordt bediend;
@@ -86,11 +86,11 @@
##### Artikel 14
1. Vervallenverklaring op de in [art. 13 onder 1 en 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001905&hoofdstuk=II¶graaf=1&artikel=13&z=1996-04-01&g=1996-04-01) omschreven gronden kan niet worden uitgesproken, indien de gerechtigde tot het veerrecht aantoont, dat hij aan de verboden handelingen of aan het niet dagelijks of niet voldoende bedienen van het veer naar redelijkheid geen schuld heeft.
2. Vervallenverklaring op de in a[rt. 13 onder 2, 3 en 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001905&hoofdstuk=II¶graaf=1&artikel=13&z=1996-04-01&g=1996-04-01) omschreven gronden kan slechts worden uitgesproken, indien de gerechtigde tot het veerrecht aan een bevel tot betere bediening van het veer, verbetering der toegangen of beter onderhoud van de brug geen gevolg heeft gegeven binnen een daarbij gestelden bekwamen termijn.
3. Op dezelfde wijze moet op getrouwe naleving van de [artt. 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001905&hoofdstuk=II¶graaf=1&artikel=9&z=1996-04-01&g=1996-04-01) en [10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001905&hoofdstuk=II¶graaf=1&artikel=10&z=1996-04-01&g=1996-04-01) zijn aangedrongen, om tot toepassing van [art. 13 onder 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001905&hoofdstuk=II¶graaf=1&artikel=13&z=1996-04-01&g=1996-04-01), te kunnen overgaan.
1. Vervallenverklaring op de in [art. 13 onder 1 en 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001905&hoofdstuk=II¶graaf=1&artikel=13&z=2006-03-08&g=2006-03-08) omschreven gronden kan niet worden uitgesproken, indien de gerechtigde tot het veerrecht aantoont, dat hij aan de verboden handelingen of aan het niet dagelijks of niet voldoende bedienen van het veer naar redelijkheid geen schuld heeft.
2. Vervallenverklaring op de in a[rt. 13 onder 2, 3 en 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001905&hoofdstuk=II¶graaf=1&artikel=13&z=2006-03-08&g=2006-03-08) omschreven gronden kan slechts worden uitgesproken, indien de gerechtigde tot het veerrecht aan een bevel tot betere bediening van het veer, verbetering der toegangen of beter onderhoud van de brug geen gevolg heeft gegeven binnen een daarbij gestelden bekwamen termijn.
3. Op dezelfde wijze moet op getrouwe naleving van de [artt. 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001905&hoofdstuk=II¶graaf=1&artikel=9&z=2006-03-08&g=2006-03-08) en [10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001905&hoofdstuk=II¶graaf=1&artikel=10&z=2006-03-08&g=2006-03-08) zijn aangedrongen, om tot toepassing van [art. 13 onder 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001905&hoofdstuk=II¶graaf=1&artikel=13&z=2006-03-08&g=2006-03-08), te kunnen overgaan.
##### Artikel 15
@@ -104,7 +104,7 @@
##### Artikel 16
De uitspraak in een tegen een besluit als bedoeld in [artikel 13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001905&hoofdstuk=II¶graaf=1&artikel=13&z=1996-04-01&g=1996-04-01) ingesteld beroep wordt bekendgemaakt overeenkomstig [artikel 15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001905&hoofdstuk=II¶graaf=1&artikel=15&z=1996-04-01&g=1996-04-01).
De uitspraak in een tegen een besluit als bedoeld in [artikel 13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001905&hoofdstuk=II¶graaf=1&artikel=13&z=2006-03-08&g=2006-03-08) ingesteld beroep wordt bekendgemaakt overeenkomstig [artikel 15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001905&hoofdstuk=II¶graaf=1&artikel=15&z=2006-03-08&g=2006-03-08).
##### Artikel 17
@@ -118,11 +118,11 @@
door Onzen met de zaken van waterstaat belasten Minister ter uitvoering van een door Ons genomen besluit;
door Gedeputeerde Staten van de provincie, waarin het veer is gelegen, ter uitvoering van een besluit der Staten.
door Gedeputeerde Staten van de provincie waarin het veer gelegen is.
##### Artikel 19
1. Door Onzen Minister voornoemd met de uitvoering van Ons besluit of door Gedeputeerde Staten met de uitvoering van het besluit der Staten belast, wordt kennis gegeven:
1. Door Onzen Minister voornoemd met de uitvoering van Ons besluit of door Gedeputeerde Staten wordt kennis gegeven:
- a. dat tot opheffing van het door aanwijzing der eindpunten van het veer te omschrijven veerrecht tegen schadeloosstelling zal worden overgegaan;
@@ -132,7 +132,7 @@
3. Tusschen de kennisgeving en den dag vóór welken de aangifte moet geschieden, moet een tijdruimte van ten minste drie maanden worden gelaten.
4. Is het veer in meer dan een provincie gelegen, dan wordt Onze Commissaris in één dier provinciën bij Ons besluit of bij het besluit der Staten aangewezen om de aangifte in ontvangst te nemen, en wordt die aanwijzing in de kennisgeving vermeld.
4. Is het veer in meer dan een provincie gelegen, dan wordt Onze Commissaris in één dier provinciën bij Ons besluit of bij het besluit van de Gedeputeerde Staten van betrokken provincies aangewezen om de aangifte in ontvangst te nemen, en wordt die aanwijzing in de kennisgeving vermeld.
5. Onze Commissaris teekent den dag van ontvangst op de aangifte aan en geeft een gedagteekend bewijs van ontvangst af.
@@ -150,11 +150,11 @@
1. Bij gebreke van een overeenkomst als in het voorgaande artikel bedoeld, kan het veerrecht worden opgeheven, indien voor de voldoening der schadeloosstellingen zekerheid is gesteld of zij, die aangifte hebben gedaan, van het recht om zekerheidstelling te vorderen afstand hebben gedaan.
2. Het bedrag en de aard der te stellen zekerheid worden bij overeenkomst met hen, die aangifte hebben gedaan, geregeld of op de wijze van [art. 27](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001905&hoofdstuk=II¶graaf=2&artikel=27&z=1996-04-01&g=1996-04-01) bepaald.
2. Het bedrag en de aard der te stellen zekerheid worden bij overeenkomst met hen, die aangifte hebben gedaan, geregeld of op de wijze van [art. 27](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001905&hoofdstuk=II¶graaf=2&artikel=27&z=2006-03-08&g=2006-03-08) bepaald.
##### Artikel 23
Buiten de gevallen in de [artt. 20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001905&hoofdstuk=II¶graaf=2&artikel=20&z=1996-04-01&g=1996-04-01) en [21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001905&hoofdstuk=II¶graaf=2&artikel=21&z=1996-04-01&g=1996-04-01) voorzien, wordt, naar gelang de opheffing ingevolge een door Ons of een door de Staten genomen besluit geschiedt, door het Rijk of door de provincie of provinciën tegen hen, die aangifte hebben gedaan, eene rechtsvordering ingesteld strekkende tot bepaling van het bedrag, dat als schadeloosstelling voor het veerrecht moet worden betaald, en tot beslissing aan wie der gedaagden of eventueel tusschengekomen partijen dat bedrag of een aan te wijzen deel daarvan moet worden uitgekeerd.
Buiten de gevallen in de [artt. 20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001905&hoofdstuk=II¶graaf=2&artikel=20&z=2006-03-08&g=2006-03-08) en [21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001905&hoofdstuk=II¶graaf=2&artikel=21&z=2006-03-08&g=2006-03-08) voorzien, wordt, naar gelang de opheffing ingevolge een door Ons of een door Gedeputeerde Staten genomen besluit geschiedt, door het Rijk of Gedeputeerde Staten van de provincie of provinciën tegen hen, die aangifte hebben gedaan, eene rechtsvordering ingesteld strekkende tot bepaling van het bedrag, dat als schadeloosstelling voor het veerrecht moet worden betaald, en tot beslissing aan wie der gedaagden of eventueel tusschengekomen partijen dat bedrag of een aan te wijzen deel daarvan moet worden uitgekeerd.
##### Artikel 24
@@ -174,11 +174,11 @@
1. De dagvaarding moet op straffe van nietigheid de som vermelden, welke als schadeloosstelling voor de opheffing van het veerrecht wordt aangeboden.
2. Maakt de eischer gebruik van de bevoegdheid hem bij [art. 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001905&hoofdstuk=II¶graaf=2&artikel=28&z=1996-04-01&g=1996-04-01) verleend, dan geldt dit aanbod slechts voor het geval, dat het bestaan van het veerrecht door den rechter wordt erkend.
2. Maakt de eischer gebruik van de bevoegdheid hem bij [art. 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001905&hoofdstuk=II¶graaf=2&artikel=28&z=2006-03-08&g=2006-03-08) verleend, dan geldt dit aanbod slechts voor het geval, dat het bestaan van het veerrecht door den rechter wordt erkend.
##### Artikel 27
1. De eischer kan bij voorraad vorderen, dat de rechtbank voor alles de bedragen vaststelle, welke tot waarborg voor de voldoening der schadeloosstellingen zullen behooren te worden geconsigneerd, om tot opheffing van het veerrecht krachtens [art. 22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001905&hoofdstuk=II¶graaf=2&artikel=22&z=1996-04-01&g=1996-04-01) te kunnen overgaan. Bij de vaststelling van die bedragen zal de rechtbank zich houden aan het aangeboden bedrag, bijaldien dit niet met hooger vraag bestreden wordt, en anders aan het hoogste bedrag dat voor schadeloosstelling wordt gevorderd, behoudens hare bevoegdheid tot vermindering, indien het gevorderde haar bovenmatig voorkomt.
1. De eischer kan bij voorraad vorderen, dat de rechtbank voor alles de bedragen vaststelle, welke tot waarborg voor de voldoening der schadeloosstellingen zullen behooren te worden geconsigneerd, om tot opheffing van het veerrecht krachtens [art. 22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001905&hoofdstuk=II¶graaf=2&artikel=22&z=2006-03-08&g=2006-03-08) te kunnen overgaan. Bij de vaststelling van die bedragen zal de rechtbank zich houden aan het aangeboden bedrag, bijaldien dit niet met hooger vraag bestreden wordt, en anders aan het hoogste bedrag dat voor schadeloosstelling wordt gevorderd, behoudens hare bevoegdheid tot vermindering, indien het gevorderde haar bovenmatig voorkomt.
2. Tegen de beslissing der rechtbank staat geenerlei voorziening open.
@@ -192,11 +192,11 @@
##### Artikel 30
De eisch van [art. 23](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001905&hoofdstuk=II¶graaf=2&artikel=23&z=1996-04-01&g=1996-04-01) en de vordering van [art. 27](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001905&hoofdstuk=II¶graaf=2&artikel=27&z=1996-04-01&g=1996-04-01) worden afgewezen, wanneer niet ten minste drie dagen voor den dienenden dag ter griffie van de rechtbank zijn nedergelegd:
- 1°. het besluit tot opheffing bedoeld in [art. 18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001905&hoofdstuk=II¶graaf=2&artikel=18&z=1996-04-01&g=1996-04-01);
- 2°. een exemplaar der **Staatscourant** en van het nieuwsblad, waarin de bekendmaking overeenkomstig [art. 19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001905&hoofdstuk=II¶graaf=2&artikel=19&z=1996-04-01&g=1996-04-01) heeft plaats gehad.
De eisch van [art. 23](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001905&hoofdstuk=II¶graaf=2&artikel=23&z=2006-03-08&g=2006-03-08) en de vordering van [art. 27](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001905&hoofdstuk=II¶graaf=2&artikel=27&z=2006-03-08&g=2006-03-08) worden afgewezen, wanneer niet ten minste drie dagen voor den dienenden dag ter griffie van de rechtbank zijn nedergelegd:
- 1°. het besluit tot opheffing bedoeld in [art. 18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001905&hoofdstuk=II¶graaf=2&artikel=18&z=2006-03-08&g=2006-03-08);
- 2°. een exemplaar der **Staatscourant** en van het nieuwsblad, waarin de bekendmaking overeenkomstig [art. 19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001905&hoofdstuk=II¶graaf=2&artikel=19&z=2006-03-08&g=2006-03-08) heeft plaats gehad.
##### Artikel 31
@@ -250,7 +250,7 @@
##### Artikel 36
Wordt een hernieuwd onderzoek van deskundigen bevolen, dan kan de rechtbank daarop de [artt. 34](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001905&hoofdstuk=II¶graaf=2&artikel=34&z=1996-04-01&g=1996-04-01) en [35](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001905&hoofdstuk=II¶graaf=2&artikel=35&z=1996-04-01&g=1996-04-01) van toepassing verklaren.
Wordt een hernieuwd onderzoek van deskundigen bevolen, dan kan de rechtbank daarop de [artt. 34](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001905&hoofdstuk=II¶graaf=2&artikel=34&z=2006-03-08&g=2006-03-08) en [35](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001905&hoofdstuk=II¶graaf=2&artikel=35&z=2006-03-08&g=2006-03-08) van toepassing verklaren.
##### Artikel 37
@@ -270,25 +270,25 @@
##### Artikel 40
Is, nadat het vonnis in gewijsde is gegaan, de toegewezen schadeloosstelling, vermeerderd met de bij het vonnis begroote kosten, waarin de eischer, en verminderd met die, waarin de gedaagde is veroordeeld, betaald of geconsigneerd, dan wordt het veerrecht opgeheven, indien dat niet reeds heeft plaats gehad, vervalt de krachtens [art. 22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001905&hoofdstuk=II¶graaf=2&artikel=22&z=1996-04-01&g=1996-04-01) gestelde zekerheid, en verkrijgt de eischer weder de beschikking over het krachtens dat artikel geconsigneerde.
Is, nadat het vonnis in gewijsde is gegaan, de toegewezen schadeloosstelling, vermeerderd met de bij het vonnis begroote kosten, waarin de eischer, en verminderd met die, waarin de gedaagde is veroordeeld, betaald of geconsigneerd, dan wordt het veerrecht opgeheven, indien dat niet reeds heeft plaats gehad, vervalt de krachtens [art. 22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001905&hoofdstuk=II¶graaf=2&artikel=22&z=2006-03-08&g=2006-03-08) gestelde zekerheid, en verkrijgt de eischer weder de beschikking over het krachtens dat artikel geconsigneerde.
##### Artikel 41
1. De pachter van het veer heeft recht op schadeloosstelling, indien op het tijdstip, waarop het veerrecht wordt opgeheven, de pacht nog loopende is krachtens eene overeenkomst te goeder trouw gesloten voordat de in [art. 19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001905&hoofdstuk=II¶graaf=2&artikel=19&z=1996-04-01&g=1996-04-01) omschreven bekendmaking plaats had, of wel ten gevolge van gebruikmaking van eene hem vóór die bekendmaking schriftelijk te goeder trouw verleende bevoegdheid, om de pacht na het einde van den loopenden huurtijd te doen voortduren.
1. De pachter van het veer heeft recht op schadeloosstelling, indien op het tijdstip, waarop het veerrecht wordt opgeheven, de pacht nog loopende is krachtens eene overeenkomst te goeder trouw gesloten voordat de in [art. 19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001905&hoofdstuk=II¶graaf=2&artikel=19&z=2006-03-08&g=2006-03-08) omschreven bekendmaking plaats had, of wel ten gevolge van gebruikmaking van eene hem vóór die bekendmaking schriftelijk te goeder trouw verleende bevoegdheid, om de pacht na het einde van den loopenden huurtijd te doen voortduren.
2. Bij de vaststelling dezer schadeloosstelling wordt ook gelet op de schade, die de pachter lijdt in de zaken, waarmede hij het veer bedient, op den tijd, dien de pacht te goeder trouw mocht verwacht worden na het tijdstip van opheffing van het veerrecht nog te zullen loopen, en mede op de, vóór genoemde bekendmaking aan den pachter schriftelijk te goeder trouw verleende bevoegdheid, om de pacht na het einde van den loopenden huurtijd te doen voortduren.
##### Artikel 42
1. Binnen ééne maand, nadat het besluit tot opheffing van het veerrecht is genomen, wordt door Onzen Minister of door Gedeputeerde Staten in [art. 19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001905&hoofdstuk=II¶graaf=2&artikel=19&z=1996-04-01&g=1996-04-01) bedoeld, aan den pachter mededeeling gedaan in hoeverre hem schadeloosstelling wordt aangeboden.
2. Is die mededeeling achterwege gebleven of neemt de pachter daarmede geen genoegen, dan kan hij hetzij vóór den dag bedoeld in den aanhef van [art. 34](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001905&hoofdstuk=II¶graaf=2&artikel=34&z=1996-04-01&g=1996-04-01) tusschenkomen in het geding bedoeld in [art. 23](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001905&hoofdstuk=II¶graaf=2&artikel=23&z=1996-04-01&g=1996-04-01), zoo dit gevoerd wordt, ten einde ook zijne schadeloosstelling te doen vaststellen, hetzij zijn eisch zelfstandig aanbrengen bij de rechtbank, waarvoor gemeld geding gevoerd is of wordt, of gevoerd had kunnen worden.
1. Binnen ééne maand, nadat het besluit tot opheffing van het veerrecht is genomen, wordt door Onzen Minister of door Gedeputeerde Staten in [art. 19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001905&hoofdstuk=II¶graaf=2&artikel=19&z=2006-03-08&g=2006-03-08) bedoeld, aan den pachter mededeeling gedaan in hoeverre hem schadeloosstelling wordt aangeboden.
2. Is die mededeeling achterwege gebleven of neemt de pachter daarmede geen genoegen, dan kan hij hetzij vóór den dag bedoeld in den aanhef van [art. 34](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001905&hoofdstuk=II¶graaf=2&artikel=34&z=2006-03-08&g=2006-03-08) tusschenkomen in het geding bedoeld in [art. 23](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001905&hoofdstuk=II¶graaf=2&artikel=23&z=2006-03-08&g=2006-03-08), zoo dit gevoerd wordt, ten einde ook zijne schadeloosstelling te doen vaststellen, hetzij zijn eisch zelfstandig aanbrengen bij de rechtbank, waarvoor gemeld geding gevoerd is of wordt, of gevoerd had kunnen worden.
3. In dit laatste geval moet de dagvaarding op straffe van nietigheid de som vermelden, die als schadeloosstelling wordt gevraagd, terwijl de conclusie van den verweerder de aangeboden som moet noemen.
4. De rechtbank zal alsdan kunnen bevelen, dat geprocedeerd worde overeenkomstig de [artt. 34](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001905&hoofdstuk=II¶graaf=2&artikel=34&z=1996-04-01&g=1996-04-01) en [35 dezer wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001905&hoofdstuk=II¶graaf=2&artikel=35&z=1996-04-01&g=1996-04-01).
5. Het [eerste lid van art. 39](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001905&hoofdstuk=II¶graaf=2&artikel=39&z=1996-04-01&g=1996-04-01) is op de schadeloosstelling van den pachter van toepassing.
4. De rechtbank zal alsdan kunnen bevelen, dat geprocedeerd worde overeenkomstig de [artt. 34](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001905&hoofdstuk=II¶graaf=2&artikel=34&z=2006-03-08&g=2006-03-08) en [35 dezer wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001905&hoofdstuk=II¶graaf=2&artikel=35&z=2006-03-08&g=2006-03-08).
5. Het [eerste lid van art. 39](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001905&hoofdstuk=II¶graaf=2&artikel=39&z=2006-03-08&g=2006-03-08) is op de schadeloosstelling van den pachter van toepassing.
6. De kosten, veroorzaakt door het geschil over deze schadeloosstelling, komen ten laste van den verweerder, tenzij de rechtbank in de omstandigheden van het geding termen vinde om de kosten geheel of voor een deel te compenseeren, behoudens dat de kosten geheel door den eischer worden gedragen, indien hem niet meer wordt toegewezen dan bij conclusie werd aangeboden.
@@ -298,9 +298,9 @@
##### Artikel 44
1. Heeft de opheffing van het veerrecht ingevolge [art. 20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001905&hoofdstuk=II¶graaf=2&artikel=20&z=1996-04-01&g=1996-04-01) of [21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001905&hoofdstuk=II¶graaf=2&artikel=21&z=1996-04-01&g=1996-04-01) plaats gehad, dan blijven het Rijk, de provincie of de provinciën, naar gelang de opheffing plaats had krachtens een besluit van Ons of van de Staten van een of meer provinciën, verplicht tot schadeloosstelling van hen, die tot het veerrecht of het vruchtgebruik daarvan ten tijde der opheffing gerechtigd waren, en zulks bij opheffing ingevolge [art. 21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001905&hoofdstuk=II¶graaf=2&artikel=21&z=1996-04-01&g=1996-04-01), behoudens verhaal op degenen, die ten onrechte eene schadeloosstelling wegens de opheffing van het veerrecht hebben ontvangen, ten hoogste tot het bedrag, zonder bijberekening van renten, dat als schadeloosstelling aan deze is uitbetaald.
2. Is geen der partijen in het krachtens [art. 23](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001905&hoofdstuk=II¶graaf=2&artikel=23&z=1996-04-01&g=1996-04-01) gevoerde geding tot het veerrecht of het vruchtgebruik daarvan gerechtigd verklaard, dan blijft gelijke verplichting bestaan met betrekking tot die gerechtigden, welke geen partij waren in het gevoerde geding.
1. Heeft de opheffing van het veerrecht ingevolge [art. 20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001905&hoofdstuk=II¶graaf=2&artikel=20&z=2006-03-08&g=2006-03-08) of [21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001905&hoofdstuk=II¶graaf=2&artikel=21&z=2006-03-08&g=2006-03-08) plaats gehad, dan blijven het Rijk, de provincie of de provinciën, naar gelang de opheffing plaats had krachten een besluit van Ons of van gedeputeerde staten van één of meer provinciën, verplicht tot schadeloosstelling van hen, die tot het veerrecht of het vruchtgebruik daarvan ten tijde der opheffing gerechtigd waren, en zulks bij opheffing ingevolge [art. 21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001905&hoofdstuk=II¶graaf=2&artikel=21&z=2006-03-08&g=2006-03-08), behoudens verhaal op degenen, die ten onrechte eene schadeloosstelling wegens de opheffing van het veerrecht hebben ontvangen, ten hoogste tot het bedrag, zonder bijberekening van renten, dat als schadeloosstelling aan deze is uitbetaald.
2. Is geen der partijen in het krachtens [art. 23](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001905&hoofdstuk=II¶graaf=2&artikel=23&z=2006-03-08&g=2006-03-08) gevoerde geding tot het veerrecht of het vruchtgebruik daarvan gerechtigd verklaard, dan blijft gelijke verplichting bestaan met betrekking tot die gerechtigden, welke geen partij waren in het gevoerde geding.
3. In alle overige gevallen hebben zij, die ten tijde der opheffing gerechtigd waren tot het veerrecht of het vruchtgebruik daarvan, en geen schadeloosstelling hebben genoten, verhaal op degenen, die ten onrechte eene schadeloosstelling wegens de opheffing van het veerrecht hebben ontvangen, ten hoogste tot het bedrag, zonder bijberekening van renten, dat verhaal op degenen, die ten onrechte eene schadeloosstelling stelling, welke hun toekomt, meer bedraagt, kunnen zij vorderen van het Rijk, de provincie of de provinciën, naar gelang de opheffing plaats had krachtens een besluit van Ons of van de Staten van een of meer provinciën.
@@ -336,7 +336,7 @@
##### Artikel 49
1. Overtreding van [art. 9, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001905&hoofdstuk=II¶graaf=1&artikel=9&z=1996-04-01&g=1996-04-01), en [art. 48, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001905&hoofdstuk=III&artikel=48&z=1996-04-01&g=1996-04-01), wordt gestraft met geldboete van de eerste categorie.
1. Overtreding van [art. 9, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001905&hoofdstuk=II¶graaf=1&artikel=9&z=2006-03-08&g=2006-03-08), en [art. 48, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001905&hoofdstuk=III&artikel=48&z=2006-03-08&g=2006-03-08), wordt gestraft met geldboete van de eerste categorie.
2. De aldus strafbaar gestelde feiten worden beschouwd als overtredingen.
1996-04-01
Verenwet
original version
Tekst op deze datum