Besluit van 5 augustus 1965, tot uitvoering van de artikelen 3, 4bis, 5, 9, 17, 66 en 73 van de Schepenwet
De totale oppervlakte van de waterloospoorten in de verschansing op een bovenbouwdek moet aan elke zijde ten minste gelijk zijn aan de helft van de oppervlakte verkregen uit bovenstaande formule.
De uit de formule verkregen oppervlakte geldt voor een hoogte van de verschansing van 900 mm. Indien de gemiddelde hoogte van de verschansing kleiner is dan 900 mm, mag de vereiste oppervlakte van de waterloospoorten worden verkleind met 0,004 m² per meter lengte van de verschansing (l) voor elke 100 mm verschil in hoogte.
Indien de gemiddelde hoogte van de verschansing groter is dan 900 mm moet de oppervlakte der waterloospoorten op analoge wijze worden vergroot.
Op een vaartuig zonder zeeg moet het oppervlak van de waterloospoorten, bepaald volgens het eerste lid van dit artikel, met 50 percent worden vergroot.
Indien de zeeg kleiner is dan de standaardzeeg moet het vereiste oppervlak der waterloospoorten door lineaire interpolatie worden vastgesteld.
Op een vaartuig met een bovenbouw die aan één van de einden of aan beide einden open is, moeten de nodige voorzieningen worden getroffen voor lozing van water in deze bovenbouw.
De onderkant van de waterloospoorten moet zo dicht mogelijk boven het dek liggen.
De waterloospoorten moeten zodanig over de scheepslengte zijn verdeeld, dat een doelmatige lozing van water verzekerd is.
Waterloospoorten en dergelijke openingen in de verschansing moeten door rasterwerk of door staven met een onderlinge afstand van ongeveer 230 mm worden beschermd.
Indien kleppen zijn aangebracht, moet voor ruime speling worden gezorgd ten einde klemmen te vermijden. De scharnieren moeten van pennen van roestvrij materiaal zijn voorzien.
Indien inrichtingen voor het vastzetten van deze kleppen zijn aangebracht moeten deze zijn goedgekeurd door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie.
Artikel 80. Bescherming van bemanning en passagiers op kleine vaartuigen
Dekhuizen voor het onderbrengen van de bemanning en passagiers moeten voldoende sterk zijn ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie.
Op werkdekken moet een verschansing of relingwerk, bestaande uit scepters en roeden, met een hoogte van ten minste 900 mm zijn aangebracht.
Indien de bedrijfsomstandigheden dit noodzakelijk maken kan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie een geringere hoogte toestaan of kan hij toestaan dat met geheel of gedeeltelijk wegneembaar relingwerk, bestaande uit scepters, staaldraad en spanschroeven of dergelijke, wordt volstaan.
Op andere plaatsen, die voor de normale bedrijfsuitoefening niet of nauwelijks betreden worden, kan volstaan worden met handgrepen langs een opbouw en een voetrail.
De hoogte van de opening onder de onderste roede van relingwerk mag niet groter zijn dan 230 mm.
De onderlinge afstand der overige roeden mag niet groter zijn dan 380 mm. Op schepen waar de overgang van de huidbeplating naar de dekbeplating als een rondgezette plaats is uitgevoerd, moeten de scepters van het relingwerk op het vlakke gedeelte van het dek zijn geplaatst.
Ter bescherming van de bemanning bij het gaan naar of het komen van hun verblijven, voortstuwingsruimten en alle andere gedeelten die nodig zijn voor de behandeling van het schip, moeten relingen, handleiders of andere afdoende middelen zijn aangebracht.
Op elk schip moet deklading ter plaatse van openingen die toegang geven tot de verblijven, voortstuwingsruimten en andere ruimten die in verband met de werkzaamheden aan boord moeten worden gebruikt, zodanig zijn gestuwd, dat deze openingen behoorlijk kunnen worden bereikt, geopend en afgesloten tegen het binnendringen van water.
Indien op of onder dek geen veilig verkeer mogelijk is, dienen op de deklading relingwerk of staaldraden te zijn aangebracht voor een doelmatige bescherming van de bemanning.
Alle voor passagiers opengestelde dekken moeten, waar nodig, zijn voorzien van een verschansing of relingwerk van ten minste 900 mm hoogte. Bij relingwerk moet de inrichting zodanig zijn, dat geen gevaar bestaat dat volwassen personen of kinderen door de openingen te water geraken. In een verschansing moeten ten aanzien van waterloospoorten soortgelijke voorzieningen worden getroffen.
Artikel 81. Typen kleine vaartuigen
Kleine vaartuigen worden onderscheiden in twee typen, namelijk schepen van het type A en schepen van het type B.
Schepen van het type A
Een schip van het type A is een schip dat:
Schepen van het type B
Elk schip dat niet voldoet aan het bepaalde in het tweede lid van dit artikel wordt beschouwd als een schip van het type B.
Het minimum vrijboord van een schip van het type A of B mag niet kleiner zijn dan voorgeschreven in artikel 82 van deze bijlage.
Schepen zonder eigen voortstuwing
Voor lichters, sleepschepen en andere schepen zonder eigen voortstuwingsmiddelen wordt het vrijboord vastgesteld ingevolge de bepalingen van deze bijlage, waarbij het volgende geldt:
Artikel 82. Grondslag voor het aan kleine vaartuigen toe te kennen zomervrijboord
De grondslag voor het toe te kennen zomervrijboord is een basisvrijboord van 200 mm.
Artikel 83. Toeslag op het basisvrijboord voor kleine vaartuigen
Voor een schip van het type B, waarvan de in rekening te brengen lengte van de bovenbouw kleiner is dan 35 percent van de scheepslengte, moet het basisvrijboord volgens artikel 82 van deze bijlage worden vermeerderd met:
570 ( 0,35 - E/L ) mm, waarin
L: de scheepslengte in meters en
E: de in rekening te brengen lengte van de bovenbouw in meters volgens het bepaalde in artikel 35 van deze bijlage.
Artikel 84. Correctie voor de volheidscoëfficiënt van kleine vaartuigen
Indien de volheidscoëfficiënt Cb groter is dan 0,68, moet het basisvrijboord volgens artikel 82 van deze bijlage, na de benodigde wijzigingen ingevolge het bepaalde in artikel 83 van deze bijlage worden vermenigvuldigd met de factor: (Cb + 0,68): 1,36.
Artikel 85. Kleinst toelaatbare boeghoogte op een klein vaartuig ter plaatse van de voorloodlijn
De boeghoogte, waaronder wordt verstaan de vertikale afstand tussen de ontwerplastlijn bij zomeruitwatering en de bovenzijde van het blootgestelde dek in de zijde, gemeten op de voorloodlijn, mag niet minder zijn dan:
10 ∗ Bf ∗ L mm, waarin
Bf = de voor het schip geldende windkrachtbeperking volgens de schaal van Beaufort met een maximum van 10, en L = de lengte in meters, doch met een minimum van 10 m en een maximum van 20 m.
Indien de boeghoogte overeenkomstig het bepaalde in het eerste lid van dit artikel wordt verkregen door toepassing van zeeg, moet deze zeeg zich vanaf de voorloodlijn over ten minste 15 percent van de scheepslengte uitstrekken.
Indien de boeghoogte wordt verkregen door het aanbrengen van een bovenbouw, moet de lengte van de bovenbouw vanaf de voorloodlijn ten minste 0,07L bedragen.
Voor schepen, waarvoor het bepaalde in het eerste en tweede lid van dit artikel in verband met bijzondere voorwaarden voor de vervulling van hun taak onredelijk of onuitvoerbaar is, kan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie afwijkingen toestaan.
Artikel 86. Minimum vrijboord van een klein vaartuig
Zomervrijboord
Het minimum vrijboord in het zomervaargebied is het vrijboord volgens artikel 82 van deze bijlage, echter na wijziging ingevolge:
Het vrijboord, berekend overeenkomstig het bepaalde in het eerste lid van dit artikel, echter zonder de correctie voor de plaats van de deklijn zoals bepaald in artikel 32 van deze bijlage, mag in zout water niet minder zijn dan 50 mm.
Voor een schip waarvan de luikhoofden in positie 1 zijn voorzien van luiken die niet voldoen aan het bepaalde in de artikelen 16 of 26 van deze bijlage, mag dit vrijboord in zout water niet minder zijn dan 150 mm.
3.Tropenvrijboord
Het minimum vrijboord in het tropisch vaargebied is het vrijboord dat wordt verkregen door van het toegekende zomervrijboord 1/48 van de zomerdiepgang, gemeten van de bovenkant van de kiel tot het middelpunt van de ring van het uitwateringsmerk, af te trekken.
Het tropenvrijboord berekend overeenkomstig het bepaalde in het derde lid van dit artikel, echter zonder correctie voor de plaats van de deklijn zoals bepaald in artikel 32 van deze bijlage, mag in zout water niet minder zijn dan 50 mm.
Voor een schip waarvan de luikhoofden in positie 1 zijn voorzien van luiken die niet voldoen aan het bepaalde in de artikelen 16 of 26 van deze bijlage mag dit vrijboord in zout water niet minder zijn dan 150 mm.
Wintervrijboord
Het minimum vrijboord in het wintervaargebied is het vrijboord dat wordt verkregen door bij het toegekende zomervrijboord 1/48 van de zomerdiepgang, gemeten van de bovenkant van de kiel tot het middelpunt van de ring van het uitwateringsmerk, op te tellen.
Wintervrijboord in de Noord-Atlantische Oceaan
Het minimum vrijboord voor een klein vaartuig, dat gedurende het periodieke winterseizoen op enigerlei plaats in het vaargebied in de Noord-Atlantische Oceaan, zoals bedoeld in artikel 70 van deze bijlage, komt, is gelijk aan het toegekende wintervrijboord vermeerderd met 50 mm.
Vrijboord in zoet water
Het minimum vrijboord in zoet water van een soortelijk gewicht van één is het vrijboord, verkregen door het toegekende vrijboord in zout water te verminderen met 0/40t centimeter, waarin:
0 = het deplacement in zout water in tonnen bij de uitwatering in de zomer en
t = het aantal tonnen, waarmede het deplacement per centimeter in zout water bij de uitwatering in de zomer toeneemt.
Indien het deplacement bij de uitwatering in de zomer niet met zekerheid kan worden vastgesteld, moet de aftrek 1/48 van de zomerdiepgang zijn, gemeten van de bovenkant van de kiel tot het middelpunt van de ring van het uitwateringsmerk.
Bijlage II. Constructie - waterdichte indeling en stabiliteit, inrichting van de machinekamer en elektrische installaties
Hoofdstuk A. Algemeen
Artikel 1. Toepasselijkheid
1.1. Tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald, is deze bijlage van toepassing op schepen gebouwd op of na 1 juli 1986.
1.2. Voor de toepassing van deze bijlage wordt:
Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan voor een vrachtschip geen tankschip zijnde, met een lengte als omschreven in artikel 2 van bijlage I van dit besluitvan minder dan 24 m, en varend in een beperkt vaargebied, verlichtingen toestaan van het bepaalde in deze bijlage, indien naar zijn oordeel de algemene inrichting van zulk een schip het verantwoord maakt zulke verlichtingen zonder bezwaar voor de veiligheid van schip en opvarenden toe te staan.
Artikel 2. Omschrijvingen
Voor de toepassing van deze bijlage wordt, tenzij uitdrukkelijk anders bepaald, verstaan onder:
Artikel 2a. Inzenden van de berekening
De volledige berekening betreffende de waterdichte indeling met bijbehorende plan- en lijnentekeningen, diagrammen en schottenkrommen, volgens een door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie goed te keuren methode en in een door deze bepaalde vorm, moeten aan hem ter goedkeuring worden ingezonden.
Het bepaalde in het voorgaande lid geldt niet met betrekking tot kleine vaartuigen.
Artikel 3. Omschrijvingen betrekking hebbend op de Hoofdstukken C, D en E
Voor de toepassing van de hoofdstukken C, D en E wordt, tenzij uitdrukkelijk anders bepaald, verstaan onder:
Hoofdstuk B. Waterdichte indeling en stabiliteit
Artikel 4. Vulbare lengte van passagiersschepen
De vulbare lengte moet voor elk punt van de scheepslengte worden bepaald door een wijze van berekening, waarbij de vorm, de diepgang en andere bijzondere kenmerken van het schip in aanmerking worden genomen.
De vulbare lengte op zeker punt van de scheepslengte is voor een schip met een doorlopend schottendek dat deel der scheepslengte, dat als midden het bedoelde punt heeft en waarover het schip onder de in artikel 5 aangenomen en omschreven omstandigheden moet vollopen om tot de indompelingsgrenslijn in te zinken.
3.1. Voor een schip dat geen doorlopend schottendek heeft, moet de vulbare lengte op zeker punt worden bepaald tot een aangenomen doorlopende indompelingsgrenslijn. Deze wordt op het scheepsboord getrokken gedacht op een bepaalde afstand onder de aansnijding in de zijde van het boord met de bovenzijde van het dek, tot hetwelk de in aanmerking komende schotten en de scheepshuid waterdicht zijn opgetrokken. Deze afstand mag op geen enkel punt kleiner zijn dan 76 mm.
3.2. Indien een aangenomen indompelingsgrenslijn over een zekere lengte op een aanmerkelijke afstand is gelegen onder de aansnijding in de zijde van het boord met de bovenzijde van het dek tot hetwelk de in aanmerking komende schotten zijn opgetrokken, kan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie een beperkte afwijking toestaan voorzover betreft de waterdichtheid van deze schotten boven de indompelingsgrenslijn onmiddellijk onder genoemd dek.
De bepaling van de vulbare lengte op elk punt van de scheepslengte geschiedt door de constructie van een schottenkromme. Hierbij moet gebruik worden gemaakt van de permeabiliteit van de verschillende ruimten, zoals deze volgens artikel 5 wordt bepaald.
De vaststelling van de waterdichte indeling geschiedt op de in artikel 6 bepaalde wijze met behulp van de in lid 2 bedoelde vulbare lengten.
Het bepaalde in de voorgaande leden geldt niet met betrekking tot kleine vaartuigen.
Artikel 5. Permeabiliteit van passagiersschepen
1.1. De in lid 4 van artikel 4 genoemde permeabiliteit heeft uitsluitend betrekking op onder het vlak van de indompelingsgrenslijn gelegen ruimten of gedeelten van ruimten.
1.2. Bij de bepaling van de vulbare lengten moet men een gemiddelde permeabiliteit aannemen voor de gehele lengte van elk van de volgende gedeelten van het schip onder de indompelingsgrenslijn:
2.1. Voor het gehele voortstuwingsgedeelte moet eenzelfde gemiddelde permeabiliteit worden bepaald met behulp van de formule:
, waarin
a = de inhoud van de passagiersruimten als omschreven in artikel 2, die onder de indompelingsgrenslijn binnen de begrenzing van het voortstuwingsgedeelte zijn gelegen;
c = de inhoud van de tussendeksruimten die onder de indompelingsgrenslijn binnen de begrenzing van het voortstuwingsgedeelte zijn gelegen en zijn bestemd voor de berging van lading, steenkolen of voorraden;
v = de totale inhoud van het voortstuwingsgedeelte onder de indompelingsgrenslijn.
2.2. Indien ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie wordt aangetoond, dat de door rechtstreekse berekening bepaalde gemiddelde permeabiliteit kleiner is dan die, welke door de formule wordt verkregen, mag de rechtstreeks berekende waarde worden gebruikt. Bij zulk een berekening moet de permeabiliteit van onder de indompelingsgrenslijn gelegen passagiersruimten als omschreven in artikel 2, op 95 worden gesteld, die van alle ruimten bestemd voor lading, kolen en voorraden op 60 en die van dubbele bodem-, brandstofolie- en andere tanks op zodanige waarde als voor elk geval door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie zal worden goedgekeurd.
Behalve in het in lid 4 omschreven geval moet de gemiddelde permeabiliteit vóór dan wel achter het voortstuwingsgedeelte worden bepaald met behulp van de formule:
, waarin
a = de inhoud van de passagiersruimten als omschreven in artikel 2, die onder de indompelingsgrenslijn vóór, dan wel achter het voortstuwingsgedeelte zijn gelegen;
v = de gehele inhoud van het gedeelte van het schip, dat onder de indompelingsgrenslijn vóór, dan wel achter het voortstuwingsgedeelte is gelegen.
4.1. Voor een schip dat moet voldoen aan de bijzondere standaard betreffende de waterdichte indeling volgens het bepaalde in artikel 6, lid 5, dient de gemiddelde permeabiliteit over de gehele lengte van het gedeelte voor, dan wel achter het voortstuwingsgedeelte
te bedragen, waarin:
b = de inhoud van de ruimten voor, dan wel achter het voortstuwingsgedeelte tussen de indompelingsgrenslijn en de bovenkant van de vrangen, de top van de dubbele bodem of van de piektanks, afhankelijk van de constructie, en die zijn bestemd en worden gebruikt voor lading, steenkolen of brandstofolie, voorraden, bagage en post, ankerkettingen of zoetwater;
v = de gehele inhoud van het gedeelte van het schip dat onder de indompelingslijn voor, dan wel achter het voortstuwingsgedeelte is gelegen.
4.2. Indien het schip wordt gebruikt in een dienst waarin de laadruimten in het algemeen niet door lading van enige omvang worden ingenomen, mag geen van deze ruimten voor de bepaling van de inhoud volgens b in aanmerking worden genomen.
Indien de inrichting van de gedeelten vóór of achter het voortstuwingsgedeelte afwijkt van de normale, kan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie toestaan of eisen, dat de gemiddelde permeabiliteit van deze gedeelten door gedetailleerde berekening wordt bepaald. Bij deze berekening moet de permeabiliteit van passagiersruimten als omschreven in artikel 2, worden gesteld op 95, die van ruimten voor machines op 85, die van ruimten bestemd voor lading, steenkolen en voorraden op 60 en die van dubbele bodem-, brandstof- en andere tanks op zodanige waarde, als voor elk geval door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie wordt goedgekeurd.
Indien een tussendeksafdeling tussen twee waterdichte schotten een passagiers- of bemanningsruimte bevat, moet deze gehele tussendeksafdeling als passagiersruimte worden beschouwd, met uitzondering van die gedeelten die volkomen door vaste stalen schotten zijn ingesloten en voor andere doeleinden zijn bestemd. Indien echter de bedoelde passagiers- of bemanningsruimte volkomen binnen vaste stalen schotten is ingesloten, moet slechts de aldus ingesloten ruimte als passagiersruimte worden beschouwd.
Het bepaalde in de voorgaande leden geldt niet met betrekking tot kleine vaartuigen.
Artikel 6. Toelaatbare lengte van afdelingen van passagiersschepen
Een schip moet zo doeltreffend mogelijk in waterdichte afdelingen zijn onderverdeeld, waarbij rekening moet worden gehouden met de aard van de dienst waarvoor het is bestemd. De graad van onderverdeling moet, afhankelijk van de lengte van het schip en de aard van de dienst, het hoogst zijn voor schepen met de grootste lengte, die hoofdzakelijk passagiers vervoeren.
Indelingsfactor
2.1. De toelaatbare lengte van een afdeling die haar midden in enig punt van de lengte van het schip heeft, moet uit de vulbare lengte worden verkregen door deze te vermenigvuldigen met een bepaalde factor die de indelingsfactor wordt genoemd.
2.2. Deze factor is op hierna aangegeven wijze afhankelijk van de lengte van het schip, zodanig, dat hij bij toenemende lengte geleidelijk kleiner wordt. De indelingsfactor is tevens op de hierna aangegeven wijze afhankelijk van het criterium van dienst. Indien de lengte 131 m of meer is, worden de grenzen waartussen de indelingsfactor voor een schip van gegeven lengte ligt, gevormd door een factor A die van toepassing is op een schip dat slechts weinig passagiers en hoofdzakelijk vracht vervoert, en een factor B die van toepassing is op een schip dat hoofdzakelijk passagiers vervoert. Indien de lengte minder is dan 131 m, doch niet minder is dan 79 m, geschiedt de bepaling van de indelingsfactor voor een schip van gegeven lengte op de in lid 4 aangegeven wijze, in welk geval van de beide factoren A en B slechts de factor B behoeft te worden berekend.
2.3. De grootte van de factoren A en B wordt uitgedrukt door de volgende formules (1) en (2), waarin L de lengte van het schip in meters voorstelt, als aangegeven in artikel 2.
Indien de lengte minder is dan 79 m, geschiedt de bepaling van de indelingsfactor zoals in lid 4.4 is voorgeschreven.
3.Criterium van dienst
3.1. Nadat voor een schip van gegeven lengte de factoren A en B zijn vastgesteld, wordt de juiste waarde van de indelingsfactor bepaald met behulp van een getal dat het criterium van dienst aangeeft. Dit getal, het criteriumgetal, wordt bepaald door de formule:
, indien p1 groter is dan p, (3)
en in andere gevallen door de formule:
, waarin
Cs = het criteriumgetal;
L = de lengte in meters van het schip als omschreven in artikel 2;
M = de inhoud in kubieke meters van het voortstuwingsgedeelte, als omschreven in artikel 2, vermeerderd met de inhoud van alle vaste brandstofolieruimten die zich boven de dubbele bodem en vóór of achter het voortstuwingsgedeelte bevinden;
P = de gezamenlijke inhoud in kubieke meters van de passagiersruimten, als omschreven in artikel 2, gelegen onder de indompelingsgrenslijn;
V = de gehele inhoud in kubieke meters van het schip onder de indompelingsgrenslijn;
P1 = KN, waarin:
N = het aantal passagiers dat het schip zal mogen vervoeren;
K = 0,056 L.
3.2. Wanneer de waarde van KN groter is dan de som van P en de gehele inhoud van de werkelijke passagiersruimten boven de indompelingsgrenslijn, moet voor P1 die som of de waarde van ⅔KN worden genomen, welke van de twee de grootste is.
3.3. Voor een schip dat geen doorlopend schottendek heeft, moeten voor de bepaling van de vulbare lengten, de inhouden tot de aangenomen indompelingsgrenslijn worden genomen.
Bepalingen betreffende de waterdichte indeling van schepen met uitzondering van die, bedoeld in lid 5
4.1. De waterdichte indeling achter de voorpiek van schepen met een lengte van 131 m of meer, die een criteriumgetal van 23 of kleiner hebben, moet door middel van de factor A volgens formule (1) worden geregeld; die van schepen van die lengte, met een criteriumgetal van 123 of groter, moet met behulp van de factor B volgens formule (2) worden geregeld en die van zulke schepen met een criteriumgetal tussen 23 en 123 door een factor F, die door lineaire interpolatie tussen de factoren A en B wordt verkregen volgens de formule:
Indien echter het criteriumgetal 45 of groter is en de berekende indelingsfactor volgens formule (5) daarbij 0,65 of kleiner, doch groter dan 0,50 is, moet de waterdichte indeling achter de voorpiek door middel van de factor 0,50 worden geregeld.
4.2. Indien de factor F kleiner is dan 0,40 en ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie wordt aangetoond, dat het ten aanzien van een voortstuwingsgedeelte praktisch onuitvoerbaar is de factor F toe te passen, mag de schottenindeling van zulk een gedeelte door een grotere factor worden geregeld, mits deze niet groter dan 0,40 wordt genomen.
4.3. De waterdichte indeling achter de voorpiek van schepen met een lengte minder dan 131 m, doch niet minder dan 79 m, waarvan het criteriumgetal een grootte heeft gelijk aan S, waarbij
wordt geregeld door middel van de factor één.
Indien het criteriumgetal voor schepen van die lengte 123 of groter is, wordt de waterdichte indeling door de factor B volgens formule (2) geregeld.
Indien het criteriumgetal voor schepen van die lengte een grootte heeft tussen S en 123, wordt de waterdichte indeling geregeld door de factor F, die door lineaire interpolatie tussen één en de factor B wordt bepaald door middel van de formule:
4.4. De waterdichte indeling achter de voorpiek van schepen met een lengte minder dan 131 m, doch niet minder dan 79 m, met een criteriumgetal dat kleiner is dan S en voorts van alle schepen waarvan de lengte minder is dan 79 m, wordt geregeld door middel van de factor één, tenzij ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie wordt aangetoond, dat dit voor het gehele schip of voor één of meer gedeelten daarvan praktisch onuitvoerbaar is, in welk geval genoemd Hoofd, nadat met alle omstandigheden rekening is gehouden, zodanige afwijking kan toestaan als hij gerechtvaardigd acht.
4.5. De bepalingen in lid 4.4 zijn ook van toepassing op schepen van onverschillig welke lengte, die een aantal passagiers mogen vervoeren dat groter is dan 12, doch niet groter dan de waarde van L2/650 (L in meters), waarbij het aantal 50 echter niet mag worden overschreden.
Bijzondere standaard betreffende de waterdichte indeling van schepen die voldoen aan het bepaalde in artikel 20, lid 1.2 van bijlage XIA van dit besluit
5.1.1. De waterdichte indeling achter de voorpiek van schepen die in de eerste plaats zijn bestemd voor het vervoer van passagiers, wordt geregeld door middel van de factor 0,50 of door middel van de factor die overeenkomstig het bepaalde in lid 3 en 4 is vastgesteld, indien deze laatste kleiner is dan 0,50.
5.1.2. Indien voor zulke schepen de lengte minder is dan 91,5 m en ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie wordt aangetoond dat de toepassing van zulk een factor voor een afdeling in verband met de eisen van de praktijk onuitvoerbaar is, kan genoemd Hoofd toestaan dat de lengte van deze afdeling wordt geregeld door middel van een grotere factor, mits deze de kleinst mogelijke is die, rekening houdende met de omstandigheden, redelijkerwijze kan worden vastgesteld.
5.2. Indien schepen, ongeacht van welke lengte, bovendien zijn ingericht om grote hoeveelheden lading te vervoeren, in verband waarmede toepassing van de factor gelijk aan of kleiner dan 0,50 voor de bepaling van de waterdichte indeling achter de voorpiek niet mogelijk is door de eisen die het praktisch gebruik stelt, moet de standaard voor de waterdichte indeling in overeenstemming zijn met hetgeen hiernavolgend in lid 5.2.1 tot en met 5.2.5 wordt bepaald. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan een afwijkende plaatsing van de waterdichte schotten toestaan, die geen afbreuk doet aan de algemene doeltreffendheid van de waterdichte indeling, indien ten genoegen van genoemd Hoofd wordt aangetoond dat strikte toepassing van het in lid 5.2.1 tot en met 5.2.5 bepaalde niet in overeenstemming is te brengen met de eisen die de praktijk stelt.
5.2.1. Het criteriumgetal moet worden vastgesteld op de wijze zoals in lid 3 is bepaald.
Echter heeft K in de berekening van de waarde van P1, voor passagiers waarvoor vaste slaapplaatsen aanwezig zijn, de waarde zoals is voorgeschreven in lid 3, of van 3,5 m3, welke van de twee de grootste is, terwijl voor passagiers voor wie geen vaste slaapplaatsen aanwezig zijn, K de waarde heeft van 3,5 m3.
5.2.2. De factor B in lid 2 moet worden vervangen door de factor BB, die wordt bepaald door middel van de volgende formule:
5.2.3. De waterdichte indeling achter de voorpiek van schepen met een lengte van 131 m of meer, die een criteriumgetal van 23 of kleiner hebben, wordt geregeld door middel van de factor a volgens formule (1) in lid 2.3; die van schepen van die lengte met een criteriumgetal van 123 of groter, wordt geregeld met behulp van de factor bb volgens de formule in lid 5.2.2 en die van zulke schepen met een criteriumgetal tussen 23 en 123, met behulp van de factor f, die door lineaire interpolatie tussen de factoren a en bb wordt verkregen volgens de formule:
Indien de aldus bepaalde factor F kleiner is dan 0,50 zal de toe te passen factor, hetzij 0,50, hetzij gelijk moeten zijn aan de berekende factor, overeenkomstig de bepalingen in lid 4.1 welke van de twee de kleinste is.
5.2.4. De waterdichte indeling achter de voorpiek van schepen met een lengte minder dan 131 m, doch niet minder dan 55 m, waarvan het criteriumgetal een grootte heeft gelijk aan S1, waarbij
moet worden geregeld door middel van de factor één.
Indien het criteriumgetal voor schepen van die lengte gelijk is aan 123 of groter, wordt de waterdichte indeling geregeld door de factor BB volgens de formule in lid 5.2.2.
Indien het criteriumgetal voor schepen van die lengte een grootte heeft tussen S1 en 123, wordt de waterdichte indeling geregeld door de factor F, die door lineaire interpolatie tussen één en de factor BB wordt bepaald door middel van de formule:
Indien de aldus bepaalde factor F in elk van de twee laatste gevallen kleiner is dan 0,50, mag de waterdichte indeling worden geregeld door middel van een factor die niet groter is dan 0,50.
5.2.5. De waterdichte indeling achter de voorpiek van schepen met een lengte minder dan 131 m, doch niet minder dan 55 m, met een criteriumgetal dat kleiner is dan S1, en voorts van schepen waarvan de lengte minder is dan 55 m, moet worden geregeld door middel van de factor één, tenzij ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie wordt aangetoond, dat dit voor bepaalde afdelingen praktisch onuitvoerbaar is, in welk geval genoemd Hoofd, nadat met alle omstandigheden rekening is gehouden, voor zulke afdelingen zodanige afwijking kan toestaan als hij gerechtvaardigd acht. De lengte van de achterste afdeling en, voorzover mogelijk, die van de voorste afdelingen, tussen de voorpiek en de achterkant van de voortstuwingsruimte, mag de vulbare lengte echter niet overschrijden.
5.3. De bijzondere voorzieningen betreffende de permeabiliteit, bedoeld in artikel 5, lid 4, dienen te worden gebruikt voor de berekening van de krommen van vulbare lengte.
5.4. Indien ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie, de aard en omstandigheden van de voorgenomen reizen in aanmerking nemend, in voldoende mate wordt voldaan aan de overige voorschriften van deze bijlage en aan die van de bijlagen III en IV van dit besluit, behoeft niet te worden voldaan aan het bepaalde in de overige onderdelen van dit lid.
Het bepaalde in de voorgaande leden geldt niet met betrekking tot kleine vaartuigen.
Artikel 7. Bijzondere bepalingen betreffende de waterdichte indeling van passagiersschepen
Wanneer in een gedeelte of in gedeelten van een schip de waterdichte schotten tot een hoger gelegen dek zijn opgetrokken dan in het overblijvende gedeelte of in de overblijvende gedeelten, mogen voor de berekening van de vulbare lengten voor elk gedeelte waar zulks het geval is, afzonderlijke indompelingsgrenslijnen worden gebruikt, mits:
2.1. Een afdeling mag langer zijn dan de toelaatbare lengte, zoals deze volgens de bepalingen van artikel 6 is berekend, mits de gezamenlijke lengte van elk paar aangrenzende afdelingen, waarvan de bedoelde afdeling deel uitmaakt, noch groter is dan de vulbare lengte, noch groter dan het tweevoud van de toelaatbare lengte, indien dit laatste kleiner is. Hierbij moet, voorzover nodig, met het volgende rekening worden gehouden.
2.2. Indien één van de twee aangrenzende afdelingen binnen het voortstuwingsgedeelte is gelegen en de gemiddelde permeabiliteit van het gedeelte van het schip waarin de andere afdeling is gelegen, niet gelijk is aan die van het voortstuwingsgedeelte, mag de gezamenlijke lengte van de beide afdelingen ten hoogste gelijk zijn aan de lengte, bepaald met toepassing van de gemiddelde permeabiliteit van beide afdelingen gezamenlijk onder gebruikmaking van de volumina der afdelingen en de permeabiliteit van elk van de beide gedeelten van het schip, waarin de afdelingen zijn gelegen.
2.3. Indien de beide aangrenzende afdelingen verschillende indelingsfactoren hebben, moet de gezamenlijke lengte naar evenredigheid worden bepaald.
In schepen met een lengte van 100 m of meer moet één van de hoofddwarsschotten achter de voorpiek worden aangebracht op een afstand van de vóórloodlijn, die niet groter is dan de toelaatbare lengte.
In een hoofddwarsschot mag een nis voorkomen, mits alle delen van de nis binnenwaarts zijn gelegen van vlakken die aan beide zijden van het schip loodrecht op het vlak van de hoogst gelegen indelingslastlijn worden gedacht en die op een afstand van de huidbeplating liggen, gelijk aan één vijfde van de scheepsbreedte als omschreven in artikel 2, waarbij die afstand loodrecht op het vlak van kiel en stevens ter hoogte van de hoogst gelegen indelingslastlijn wordt gemeten. Elk deel van een nis dat buiten deze begrenzing ligt, moet worden behandeld als een deel van een schot dat trapsgewijze verspringt, waarop het volgende lid van toepassing is.
Een hoofddwarsschot mag trapsgewijze verspringen, mits:
Indien een hoofddwarsschot van een nis is voorzien, dan wel trapsgewijze verspringt, moet het, ter bepaling van de waterdichte indeling, door een denkbeeldig gelijkwaardig vlak schot worden vervangen.
Indien de afstand tussen twee opvolgende hoofddwarsschotten of tussen de daarmede gelijkwaardige vlakke schotten als bedoeld in lid 6, dan wel de afstand tussen de dwarsvlakken, gaande door de dichtst bij elkaar gelegen vlakken van trapsgewijs verspringende schotten, minder is dan 3,0 m, vermeerderd met 3 percent van de lengte van het schip, of 11,0 m, indien dit kleiner is, mag slechts één dezer schotten volgens de bepalingen van artikel 6 worden beschouwd deel uit te maken van de waterdichte indeling van het schip.
Indien een dwarsscheepse waterdichte hoofdafdeling plaatselijk is onderverdeeld en ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan worden aangetoond, dat de gehele hoofdafdeling niet volloopt bij beschadiging in de zijde, die zich uitstrekt over een lengte van 3,0 m, vermeerderd met 3 percent van de lengte van het schip, of 11,0 m, indien dit kleiner is, zal naar verhouding een vergroting van de voorgeschreven toelaatbare lengte worden toegekend.
In een dergelijk geval mag het drijfvermogen dat wordt verondersteld aan de onbeschadigde zijde aanwezig te zijn, niet groter zijn dan dat aan de beschadigde zijde.
Indien de voorgeschreven indelingsfactor 0,50 of kleiner is, mag de gezamenlijke lengte van twee aangrenzende afdelingen niet groter zijn dan de vulbare lengte.
Het bepaalde in de voorgaande leden geldt niet met betrekking tot kleine vaartuigen.
Artikel 8. Stabiliteit van passagiersschepen in beschadigde toestand
1.1. De stabiliteit in onbeschadigde toestand moet in alle voorkomende bedrijfstoestanden toereikend zijn, opdat het schip de eindtoestand kan doorstaan na het lek worden van enige hoofdafdeling waarvan wordt vereist dat de lengte binnen die van de vulbare lengte blijft.
1.2. Wanneer twee aan elkaar grenzende hoofdafdelingen zijn gescheiden door een schot dat trapsgewijze verspringt volgens de bepalingen van lid 5.1 van artikel 7, moet de stabiliteit in onbeschadigde toestand voldoende groot zijn om het hoofd te kunnen bieden aan het vollopen van deze twee aan elkaar grenzende hoofdafdelingen.
1.3. Wanneer de voorgeschreven indelingsfactor gelijk aan of kleiner dan 0,50 is, maar groter dan 0,33, moet de stabiliteit in onbeschadigde toestand voldoende groot zijn, opdat het schip het vollopen van elke twee aan elkaar grenzende hoofdafdelingen kan doorstaan.
1.4. Wanneer de voorgeschreven indelingsfactor gelijk aan of kleiner dan 0,33 is, moet de stabiliteit in onbeschadigde toestand voldoende groot zijn, opdat het schip het vollopen van elke drie opeenvolgende hoofdafdelingen kan doorstaan.
2.1. Om aan te tonen dat voldaan wordt aan het bepaalde in lid 1 moeten volledige berekeningen, in overeenstemming met het bepaalde in lid 3, 4 en 6 aan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie ter goedkeuring worden ingezonden.
In deze berekeningen moeten de bijzondere kenmerken van het schip, zomede de inrichting en de vorm van de beschadigde afdelingen, in aanmerking worden genomen. Voorts moet worden aangenomen dat het schip in de voor de stabiliteit meest ongunstige bedrijfstoestand verkeert die kan voorkomen.
2.2. Wanneer wordt voorgesteld dekken, een dubbele huid of langsschotten aan te brengen, die het overvloeien van water in ernstige mate zouden belemmeren, moet de invloed hiervan op de berekeningen nauwkeurig worden nagegaan.
2.3. Ten aanzien van de vereiste stabiliteit van het schip in de eindtoestand na beschadiging, en nadat mogelijke vereffening door overvloeien heeft plaatsgevonden, geldt het volgende:
2.4. Tijdens tussentoestanden bij volstromen moet de maximale waarde van de arm van statische stabiliteit ten minste 0,05 m bedragen terwijl de omvang van het bereik van armen van statische stabiliteit met een positieve waarde ten minste 7 graden moet bedragen. In alle gevallen hoeft slechts één lek in de huid en slechts één vrij vloeistofoppervlak van het ingestroomde water te worden aangenomen.
Voor het maken van berekeningen voor lekstabiliteit moeten in het algemeen de volgende inhouds- en oppervlaktepermeabiliteiten worden toegepast:
In ruimten:
Inhouden en oppervlakten worden berekend tot buitenkant spanten en verstijvingen.
Voor ruimten waarin zich ongeveer ter plaatse van de waterlijn na beschadiging geen verblijven of machines van enige omvang bevinden, en voor ruimten die in het algemeen niet door hoeveelheden lading of voorraden van enig belang zijn ingenomen, moeten hogere oppervlaktepermeabiliteiten, die ten genoegen zijn van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie, worden aangenomen.
Als omvang van de beschadiging moet worden aangenomen:
4.1. Langsscheeps:
een lengte van 3,0 m, vermeerderd met 3 percent van de lengte van het schip, of een lengte van 11,0 m, welke van de twee de kleinste is. Indien de voorgeschreven indelingsfactor gelijk is aan of kleiner is dan 0,33 moet de aangenomen lengte van de beschadiging zoveel groter worden aangenomen, als nodig is opdat elke twee opeenvolgende waterdichte dwarsschotten van waterdichte hoofdafdelingen daarbij zijn betrokken;
4.2. Dwarsscheeps:
(binnen boord gemeten vanaf de scheepshuid loodrecht op het vlak van kiel en stevens ter hoogte van de hoogst gelegen indelingslastlijn): een afstand van één vijfde van de breedte van het schip, zoals omschreven in artikel 2;
4.3. Verticaal:
van de lijn van onderkant spanten naar boven zonder begrenzing;
4.4. Indien op een bepaalde plaats een beschadiging van kleinere omvang dan in de leden 4.1, 4.2 en 4.3 wordt verondersteld, een gevaarlijker toestand zou veroorzaken met betrekking tot slagzij of verlies aan metacenterhoogte, moet deze beschadiging aan de berekeningen ten grondslag worden gelegd.
Onsymmetrisch vollopen moet zoveel mogelijk worden beperkt als in overeenstemming is te brengen met een doelmatige indeling. Wanneer het noodzakelijk is om grote hellingshoeken te corrigeren, moeten de middelen daartoe, indien zulks uitvoerbaar is, automatisch werken, doch wanneer bedieningsmiddelen voor overvloei-inrichtingen aanwezig zijn, moeten deze in ieder geval van boven het schottendek kunnen worden behandeld. Deze overvloei-inrichtingen met hun bedieningsmiddelen, moeten ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie zijn. De maximum slagzij die ontstaat voordat overvloeien optreedt, mag niet meer dan 15 graden bedragen. Indien overvloei-inrichtingen nodig zijn, mag de tijd die het overvloeien in beslag neemt niet meer zijn dan 15 minuten. Aan de kapitein van het schip moet een doelmatige gebruiksaanwijzing van overvloei-inrichtingen ter beschikking worden gesteld.
Ten aanzien van de toestand waarin het schip zich bevindt na beschadiging en bij onsymmetrisch vollopen nadat overvloei-maatregelen zijn getroffen, geldt het volgende:
Indien met de mogelijkheid rekening moet worden gehouden dat de indompelingsgrenslijn gedurende het vollopen tijdelijk onder water komt, kan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie een onderzoek naar deze mogelijkheid gelasten en zulke maatregelen voorschrijven, als hij voor de veiligheid van het schip noodzakelijk acht.
7.1. Aan de kapitein van het schip moeten de gegevens ter beschikking worden gesteld die nodig zijn, om in alle voorkomende bedrijfsomstandigheden voor een voldoende stabiliteit in onbeschadigde toestand te kunnen zorgdragen, opdat het schip de meest gevaarlijke beschadiging zal kunnen doorstaan.
De kapitein van een schip waarvoor in geval van beschadiging dwarsscheeps overvloeien noodzakelijk is, moet worden ingelicht omtrent de stabiliteitstoestanden waarop de slagzijberekeningen zijn gebaseerd en worden gewaarschuwd dat, ingeval van ongunstiger toestand, bij beschadiging een overmatige slagzij zal kunnen optreden.
7.2. De gegevens genoemd in 7.1 moeten informatie bevatten ten aanzien van de maximaal toegestane ligging in hoogte van het gewichtszwaartepunt boven de basislijn (KG) of in plaats hiervan van de minimaal toelaatbare metacenterhoogte (GM) voor een diepgangsbereik dat voldoende moet zijn om alle tijdens de bedrijfsuitvoering voorkomende beladingstoestanden te omvatten. De informatie moet de invloed van verscheidene waarden van de trim laten zien rekening houdende met bedrijfsmatige beperkingen ten aanzien van de trim.
7.3. Elk schip moet zijn voorzien van duidelijk te onderscheiden diepgangsmerken op voor- en achterschip. Indien de diepgangsmerken zijn aangebracht op een plaats waar deze niet gemakkelijk afleesbaar zijn of waar bedrijfsmatige beperkingen voor een bijzondere dienst het aflezen van de diepgangsmerken bemoeilijken, moet het schip ook zijn uitgerust met een door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie aanvaard systeem voor diepgangsmeting waaruit de diepgang voor en achter kan worden bepaald.
7.4. Na voltooiing van de belading van het schip en vóór vertrek van het schip moet de kapitein de trim en stabiliteit van het schip bepalen en eveneens vaststellen en daarvan aantekening maken dat het schip voldoet aan de stabiliteitscriteria zoals aangegeven in de van toepassing zijnde voorschriften van dit Besluit. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan het gebruik van een electronische rekenmachine of gelijkwaardige middelen voor de berekening van de belading en de stabiliteit voor dit doel aanvaarden.
8.1. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie is bevoegd afwijking van de eisen voor lekstabiliteit in overweging te nemen, indien kan worden aangetoond dat de metacenterhoogte van het onbeschadigde schip in enige toestand van beladen, die noodzakelijk is om te kunnen voldoen aan die eisen, te groot zou zijn voor de voorgenomen dienst.
8.2. Deze afwijking zal echter slechts in uitzonderingsgevallen mogen worden toegestaan onder voorwaarde dat aan genoemd Hoofd kan worden aangetoond, dat de afmetingen, inrichting en de andere bijzondere kenmerken van het schip de meest gunstige voor de stabiliteit na een beschadiging zijn, die op praktische en aannemelijke gronden kunnen worden aanvaard.
Passagiersschepen met ro/ro laadruimten of ruimten van bijzondere aard, zoals omschreven in artikel 3 van bijlage IV, die zijn gebouwd voor 29 april 1990, voldoen uiterlijk op de hieronder vermelde datum aan dit artikel, afhankelijk van de waarde van de volgens de toepasselijke richtlijn berekende verhouding A/Amax:
waarde van de verhouding A/Amax: van toepassing zijnde datum:
In afwijking van het negende lid voldoen passagiersschepen als bedoeld in dat lid, die passagiers vervoeren van of naar havens gelegen in het zeegebied begrensd door de parallel 48° noorderbreedte, de meridiaan 12° westerlengte, de parallel 61° noorderbreedte, de meridiaan 2° oosterlengte, de parallel 57° noorderbreedte en de kust, uiterlijk op de hieronder vermelde van toepassing zijnde datum aan dit artikel, afhankelijk van de van toepassing zijnde indelingsfactor en de volgens de toepasselijke richtlijn berekende verhouding A/Amax:
Voor de toepassing van dit lid is het gestelde betreffende de restarm GZ in onderdeel 2.3.5 niet van toepassing en wordt de restarm GZ berekend volgens de formule aangegeven in onderdeel 2.3.3.
Passagiersschepen die reparaties, wijzigingen en aanpassingen ondergaan teneinde aan het negende of tiende lid te voldoen, worden niet geacht een belangrijke verbouwing te hebben ondergaan.
Onderdeel 2.3, met uitzondering van 2.3.5, en de onderdelen 2.4, 5 en 6.2 zijn van toepassing op passagiersschepen gebouwd op of na 29 april 1990. De onderdelen 7.2, 7.3 en 7.4 zijn van toepassing op alle passagiersschepen.
Met betrekking tot kleine vaartuigen geldt in plaats van de voorgaande leden artikel 56.
Artikel 9. Ballasten van passagiersschepen
Waterballast moet in het algemeen niet worden vervoerd in brandstofolietanks. Indien om redenen van praktische aard niet kan worden voorkomen dat brandstofolietanks voor ballastwater moeten worden gebruikt, moet een olie-seperator-installatie aan boord aanwezig zijn, of moeten andere vervangende middelen, zoals bij voorbeeld voor afgifte van walinstallaties, aanwezig zijn die door de Hoofd van de Scheepvaartinspectie voor het verwerken van met olie vermengd water kunnen worden aanvaard.
De bepalingen van dit artikel zijn van toepassing onverminderd de van kracht zijnde voorschriften ter voorkoming van verontreiniging door schepen.
Artikel 10. Piekschotten, schotten die het voortstuwingsgedeelte begrenzen, astunnels, enzovoort aan boord van passagiersschepen
Er moet een voorpiek- of aanvaringsschot worden aangebracht dat tot het schottendek waterdicht is opgetrokken. Dit schot moet worden aangebracht op een afstand van de voorloodlijn van niet minder dan 5 percent van de lengte van het schip en van niet meer dan 3,0 m, vermeerderd met 5 percent van de lengte van het schip.
In het geval dat een deel van het schip onder de waterlijn zich uitstrekt vóór de voorloodlijn, bijvoorbeeld een bulbsteven, moeten de afstanden bepaald in lid 1, worden gemeten vanaf een punt:
waarvan de kleinste waarde maatgevend is.
Wanneer een lange bovenbouw op het voorschip is aangebracht, moet het voorpiek- of aanvaringsschot doorlopen tot het dek boven het schottendek en aldaar dicht zijn tegen weer en wind. Deze voortzetting van het schot behoeft niet onmiddellijk boven het eronder geplaatste schot te worden aangebracht, mits het is geplaatst binnen de grenzen aangegeven in lid 1 of 2 met daarbij de verlichting welke is toegestaan volgens lid 4, en mits het gedeelte van het dek dat de trapsgewijze verspringing vormt dicht is tegen weer en wind.
Wanneer boegdeuren zijn aangebracht en een schuin staande laadklep een deel vormt van de voortzetting van het aanvaringsschot boven het schottendek, mag het deel van de klep dat zich meer dan 2,3 m boven het schottendek bevindt, zich uitstrekken voor de begrenzingen zoals aangegeven in lid 1 en 2. De klep moet over zijn volledige lengte dicht tegen weer en wind zijn uitgevoerd.
Tevens moeten een achterpiekschot en schotten die het voortstuwingsgedeelte als aangegeven in artikel 2 voor en achter afscheiden van de vracht- en passagiersruimten zijn aangebracht. Deze schotten dienen tot het schottendek waterdicht te zijn. Het achterpiekschot mag echter beneden het schottendek eindigen, mits daardoor de veiligheid van het schip, wat de waterdichte indeling betreft, niet wordt verminderd.
De schroefaskokers moeten in niet te grote waterdichte ruimten zijn ingesloten. De pakkingbus moet zijn geplaatst binnen een waterdichte astunnel of andere waterdichte ruimte, afgescheiden van de afdeling waarin de schroefaskoker is ingesloten en van zodanige inhoud, dat de indompelingsgrenslijn niet onder water komt, wanneer deze ruimte door lekkage van de pakkingbus zou vollopen.
Met betrekking tot kleine vaartuigen geldt in plaats van de voorgaande leden artikel 57.
Artikel 11. Piekschotten, schotten die het voortstuwingsgedeelte begrenzen, en schroefaskokers aan boord van vrachtschepen
Voor de toepassing van dit artikel hebben de begrippen "vrijboorddek", "lengte van het schip" en "voorloodlijn" dezelfde betekenis als omschreven in bijlage I van dit besluit.
Er moet een aanvaringsschot zijn aangebracht dat tot het vrijboorddek waterdicht is opgetrokken. Dit schot moet worden aangebracht op een afstand van de voorloodlijn van niet minder dan 5 percent van de lengte van het schip of 10 m, waarvan de kleinste waarde maatgevend is, en van niet meer dan 8 percent van de lengte van het schip, tenzij het Hoofd van de Scheepvaartinspectie onder door hem te stellen voorwaarden voor de laatste afstand een grotere waarde toestaat.
In het geval dat een deel van het schip onder de waterlijn zich uitstrekt voor de voorloodlijn, bijvoorbeeld een bulbsteven, moeten de afstanden bepaald in lid 2 worden gemeten vanaf een punt:
waarvan de kleinste waarde maatgevend is.
In het schot mogen trapsgewijze verspringingen of nissen worden aangebracht mits deze binnen de in lid 2 of 3 aangegeven grenzen liggen. Pijpen welke door het aanvaringsschot worden gevoerd, moeten zijn voorzien van doelmatige afsluiters, welke boven het vrijboorddek moeten kunnen worden bediend en welke op het schot in de voorpiek moeten worden aangebracht. De afsluiters mogen aan de achterkant van het aanvaringsschot worden aangebracht mits deze onder alle omstandigheden gemakkelijk bereikbaar zijn en de ruimte waarin zij worden aangebracht niet bestemd is voor lading. Alle afsluiters moeten worden vervaardigd van staal, brons of ander goedgekeurd smeedbaar materiaal.
Afsluiters van gewoon gietijzer of gelijksoortig materiaal zijn niet toegestaan. In het schot mogen geen deuren, mangaten, ventilatiekanalen of andere openingen zijn aangebracht.
Wanneer een lange bovenbouw op het voorschip is aangebracht, moet het aanvaringsschot doorlopen tot het dek boven het vrijboorddek en aldaar dicht zijn tegen weer en wind. Deze voortzetting van het schot behoeft niet onmiddellijk boven het eronder geplaatste schot te worden aangebracht, mits het is geplaatst binnen de grenzen aangegeven in lid 2 of 3, met daarbij de uitzondering welke is toegestaan volgens lid 6, en mits het gedeelte van het dek dat de trapsgewijze verspringing vormt dicht is tegen weer en wind.
Wanneer boegdeuren zijn aangebracht en een schuin staande laadklep een deel vormt van de voortzetting van het aanvaringsschot boven het vrijboorddek, mag het deel van de klep dat zich meer dan 2,3 m boven het vrijboorddek bevindt, zich uitstrekken voor de begrenzingen zoals aangegeven in lid 2 of 3. De klep moet over de volledige lengte dicht tegen weer en wind zijn uitgevoerd.
Het aantal openingen in de voortzetting van het aanvaringsschot boven het vrijboorddek moet tot het minimum worden beperkt, rekening houdend met het ontwerp en het gebruik van het schip. Al dergelijke openingen moeten dicht tegen weer en wind kunnen worden afgesloten.
Op schepen gebouwd op of na 1 februari 1992 moeten schotten zijn aangebracht die de voortstuwingsruimte aan de voorkant en de achterkant afscheiden van de accommodatieruimten en de laadruimten. Deze schotten moeten tot het vrijboorddek waterdicht zijn.
Op schepen gebouwd op of na 1 februari 1992 moeten de schroefaskokers in niet te grote waterdichte ruimten zijn ondergebracht.
Teneinde het gevaar van binnendringen van water in het schip in geval van schade aan de schroefaskokers te verminderen, kan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie aanvullende maatregelen voorschrijven.
Met betrekking tot kleine vaartuigen geldt in plaats van de voorgaande leden artikel 58.
Artikel 12. Dubbele bodems aan boord van passagiersschepen
Er moet een dubbele bodem zijn die zich uitstrekt van het voorpiekschot tot het achterpiekschot, voorzover dit uitvoerbaar is in verband met de inrichting van het schip en verenigbaar met een goede uitvoering van de dienst aan boord.
1.1. In schepen met een lengte van 50 m of meer, doch minder dan 61 m, moet in ieder geval een dubbele bodem zijn aangebracht van het voortstuwingsgedeelte tot het voorpiekschot of althans tot een zo dicht mogelijk daarbij gelegen punt.
1.2. In schepen met een lengte van 61 m of meer, doch minder dan 76 m, moet in ieder geval een dubbele bodem buiten het voortstuwingsgedeelte zijn aangebracht, die loopt tot het vóór- en tot het achterpiekschot of althans tot zo dicht mogelijk daarbij gelegen punten.
1.3. In schepen met een lengte van 76 m of meer, moet een dubbele bodem zijn aangebracht, die zich uitstrekt van het vóór- tot het achterpiekschot, of althans tot zo dicht mogelijk daarbij gelegen punten.
De hoogte van de in lid 1 bedoelde dubbele bodems moet ten genoegen zijn van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie en de tanktop moet in de zijden op zodanige hoogte op de huid aansluiten, dat het vlak van het schip tot de ronding van de kimmen is beschermd. Deze bescherming zal worden geacht aanwezig te zijn, indien de lijn van aansnijding van de kantplaat met de huid nergens lager ligt dan een horizontaal vlak, dat gaat door het punt van aansnijding van de spantlijn op het grootspant en een dwarsscheepse diagonaal, die onder een hoek van 25 graden met de basislijn is getrokken uit het snijpunt van deze basislijn met de verticale raaklijn aan genoemde spantlijn.
In de dubbele bodem aangebrachte lensputten mogen niet dieper zijn dan nodig is. De diepte van de lensput mag in geen geval groter zijn dan de hoogte van de dubbele bodem op hart schip, verminderd met 460 mm, noch mag de lensput beneden het horizontale vlak, bedoeld in lid 2 reiken. In het achtergedeelte van een astunnel mag een lensput echter tot de huid doorlopen. Andere putten, zoals voor het opvangen van smeerolie onder de hoofdvoortstuwingswerktuigen, kunnen door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie worden toegestaan, indien wordt aangetoond dat de beveiliging niet achter staat bij die, welke een dubbel bodem aangebracht in overeenstemming met dit artikel, biedt.
Ter plaatse van een waterdichte afdeling van niet te grote inhoud, die uitsluitend wordt gebruikt voor het vervoer van vloeistoffen, behoeft geen dubbele bodem te worden aangebracht indien de veiligheid van het schip bij een bodem- of zijbeschadiging naar het oordeel van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie daardoor niet vermindert.
Voor een passagiersschip dat ingevolge het bepaalde in artikel 20, lid 1.2, van bijlage XIA van dit besluit een groter aantal personen vervoert dan er plaatsen in de reddingboten beschikbaar zijn, en dat een geregelde lijndienst onderhoudt binnen de begrenzing van een korte internationale reis als omschreven in artikel 1 van dit besluit, kan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie ontheffing verlenen van de eis dat een dubbele bodem aanwezig moet zijn, voorzover dit enig deel van het schip betreft waarvoor de waterdichte indeling is geregeld door middel van een factor die niet groter is dan 0,50, indien tot zijn genoegen is aangetoond dat het aanbrengen van een dubbele bodem in dat deel niet verenigbaar zou zijn met de eisen die de algemene inrichting van het schip en een goede uitoefening van de dienst aan boord stellen.
Het bepaalde in de voorgaande leden geldt niet met betrekking tot kleine vaartuigen.
Artikel 12a. Dubbele bodem aan boord van vrachtschepen, geen tankschepen zijnde, gebouwd op of na 1 februari 1992
Er moet een dubbele bodem zijn die zich uitstrekt van het voorpiekschot tot het achterpiekschot, voor zover dit uitvoerbaar is in verband met de inrichting van het schip en verenigbaar is met een goede uitvoering van de dienst aan boord.
De hoogte van de in het eerste lid bedoelde dubbele bodem moet ten genoegen zijn van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie en de tanktop moet in de zijden op zodanige hoogte op de huid aansluiten, dat het vlak van het schip tot de ronding van de kimmen is beschermd.
In de dubbele bodem aangebrachte kleine lensputten van ruimen mogen niet dieper zijn dan nodig is. In het achtergedeelte van een astunnel mag een lensput echter tot de huid doorlopen. Elders geplaatste putten kunnen door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie worden toegestaan, indien wordt aangetoond dat de aangebrachte voorzieningen een bescherming bieden die gelijkwaardig is aan die van een dubbele bodem die voldoet aan de eisen van dit artikel.
Ter plaatse van waterdichte afdelingen, die uitsluitend worden gebruikt voor het vervoer van vloeistoffen, behoeft geen dubbele bodem te worden aangebracht indien de veiligheid van het schip bij een bodembeschadiging naar het oordeel van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie daardoor niet vermindert.
Het bepaalde in de voorgaande leden geldt niet met betrekking tot kleine vaartuigen.
Artikel 12b. Toegang tot ruimten gelegen in het ladinggedeelte van olietankschepen
Dit artikel is van toepassing op olietankschepen gebouwd op of na 1 oktober 1994.
Kofferdammen, ballasttanks, ladingtanks en andere in het ladinggedeelte gelegen ruimten zijn rechtstreeks vanaf het open dek toegankelijk en wel zodanig dat zij volledig kunnen worden geïnspecteerd. Ruimten in de dubbele bodem mogen, afhankelijk van de mogelijkheden tot ventilatie, via een ladingpompkamer, een pompkamer, een van het open dek tot de dubbele bodem doorlopende kofferdam, een pijpentunnel of een soortgelijke ruimte toegankelijk zijn
De toegang door horizontale openingen, luiken of mangaten is van een zodanige afmeting, dat een persoon die een persluchttoestel en beschermende kleding draagt, onbelemmerd elke ladder op of af kan gaan en er tevens een vrije opening aanwezig is die het ophijsen van een gewonde vanaf de bodem van de ruimte mogelijk maakt. De afmetingen van de doorgang zijn ten minste 0,6 x 0,6 meter. Afrondingen in de hoeken van de opgegeven maten zijn met toestemming van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie toegestaan.
De toegang door verticale openingen of mangaten die doorgang in de lengte- of breedterichting van het ruim verschaffen, heeft een vrije opening van niet minder dan 0,6 x 0,8 meter en bevindt zich niet hoger dan 0,6 meter boven het vlak, tenzij roosters of andere voetsteunen zijn aangebracht. Afrondingen in de hoeken van de opgegeven maten zijn met toestemming van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie toegestaan.
In bijzondere gevallen kunnen op olietankschepen met een draagvermogen van minder dan 5000 tonmassa, kleinere afmetingen worden aanvaard dan de afmetingen, bedoeld in het derde of vierde lid, mits de mogelijkheid van doorgang door deze openingen, ook voor het vervoer van een gewonde daardoor, ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie is aangetoond.
Artikel 13. Het vaststellen en het aantekenen van indelingslastlijnen alsmede het plaatsen van de merken hiervan voor passagiersschepen
Een lastlijn, overeenkomende met de diepgang die is goedgekeurd als behorende bij de vereiste waterdichte indeling, moet worden vastgesteld en het merk daarvoor moet op de zijden van het schip worden geplaatst. Indien een schip ruimten heeft die zijn ingericht om nu eens voor de huisvesting van passagiers, dan weer voor het bergen van lading te worden gebruikt, is het, indien de eigenaar zulks wenst, geoorloofd één of meer extra lastlijnen vast te stellen en merken daarvoor te plaatsen. Deze lastlijnen moeten overeenkomen met die diepgangen, die, als behorend bij de waterdichte indeling, door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie voor de verschillende gebruikstoestanden zijn goedgekeurd.
Het vrijboord behorende bij de verschillende indelingslastlijnen, volgens de in lid 1 gegeven bepalingen vastgesteld en op de zijden van het schip door merken aangegeven, moet duidelijk op het veiligheidscertificaat voor passagiersschepen zijn vermeld en moet worden onderscheiden door de aanwijzing C1 voor de toestand waarbij het grootste aantal passagiers wordt vervoerd en C2, C3, enzovoort voor de toestanden waarbij telkens een kleiner aantal passagiers wordt vervoerd.
Het vrijboord dat met elk van deze lastlijnen overeenkomt moet op dezelfde plaats en van dezelfde deklijn worden gemeten als het vrijboord dat volgens bijlage I van dit besluitwordt bepaald.
Het vrijboord dat met elk van de goedgekeurde indelingslastlijnen en de goedgekeurde gebruikstoestanden overeenkomt, moet duidelijk op het veiligheidscertificaat voor passagiersschepen zijn vermeld.
In geen geval mag het vrijboord dat in verband met de schottenindeling wordt vastgesteld, kleiner zijn dan het kleinste zoutwater vrijboord, vastgesteld volgens de bepalingen van bijlage I van dit besluit.
Ongeacht de plaats van de indelingsuitwateringsmerken, mag een schip in geen geval zodanig zijn beladen dat het dieper inzinkt dan het uitwateringsmerk behorende bij het vaargebied en seizoen, als bepaald volgens bijlage I van dit besluit.
Een schip zal in geen geval zodanig mogen zijn geladen, dat het in zout water dieper inzinkt dan tot de bovenkant van het schottenuitwateringsmerk dat behoort bij de betreffende reis en gebruikstoestand.
Artikel 14. Constructie en eerste beproeving van waterdichte schotten, enzovoort aan boord van passagiersschepen en vrachtschepen
Elk schot van de waterdichte indeling hetzij dwars- hetzij langsscheeps, moet zo sterk zijn dat het met voldoende zekerheid een waterdruk kan doorstaan tot de grootste hoogte die ingeval van beschadiging van het schip kan worden bereikt, doch ten minste tot de hoogte van de indompelingsgrenslijn. De constructie van deze schotten moet door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie zijn goedgekeurd.
2.1. De sprongen en nissen in schotten moeten waterdicht en ten minste zo sterk zijn als een schot ter plaatse van de sprong of nis zou moeten zijn.
2.2. Indien spanten of balken door een waterdicht dek of schot zijn gevoerd, moet de doorvoering zonder toepassing van hout of cement waterdicht zijn uitgevoerd.
De waterdichte schotten moeten zorgvuldig worden nagezien en de waterdichtheid moet door bespuiten worden aangetoond indien een beproeving door het vullen met water van een waterdichte hoofdafdeling niet plaatsvindt. Het bespuiten moet worden uitgevoerd in de meest gevorderde staat van de bouw van het schip die mogelijk is.
De voorpiek, de dubbele bodem, met inbegrip van kokervormige kielconstructies (kokerkiel) en een dubbele huid moeten met een waterdruk worden beproefd tot een hoogte die overeenkomt met het bepaalde in lid 1.
De tanks die zijn bestemd om vloeistoffen te bevatten en deel uitmaken van de waterdichte indeling van het schip, moeten worden beproefd met een waterdruk, hetzij tot de hoogte van de bovenste indelingslastlijn, hetzij tot een hoogte gelijk aan tweederde van de verticale afstand van bovenkant kielplaat tot de indompelingsgrenslijn, gemeten van bovenkant kielplaat ter plaatse van deze tanks, hetzij tot een hoogte van 0,9 m boven het hoogste punt van de tank, waarbij de grootste van deze drukken moet worden toegepast.
De beproevingen als bedoeld in lid 4 en 5 hebben slechts tot doel een voldoende waterdichtheid te verzekeren van constructies, behorende tot de waterdichte indeling. Zij moeten niet worden beschouwd als beproevingen ter vaststelling of enige afdeling geschikt is voor het innemen van brandstofolie of voor andere bijzondere doeleinden; hiertoe kan een zwaardere beproeving worden geëist, afhankelijk van de hoogte tot waar de vloeistof in de tank of haar aansluitingen kan stijgen.
Artikel 15. Waterdichte deuren en openingen in waterdichte schotten aan boord van passagiersschepen, gebouwd op of na 1 februari 1992
Het aantal openingen in waterdichte schotten moet worden beperkt tot het minimum dat verenigbaar is met de algemene inrichting en de goede uitoefening van de dienst aan boord; deze openingen moeten van deugdelijke middelen tot afsluiting zijn voorzien.
2.1. Indien pijpen, spuipijpen, elektrische leidingen, enzovoort, door waterdichte schotten worden gevoerd, moeten de doorvoeringen waterdicht zijn.
2.2. Afsluiters die geen deel uitmaken van een pijpleidingsysteem, mogen niet zijn aangesloten op openingen in waterdichte schotten.
2.3. Lood of andere materialen van geringe bestendigheid tegen hitte, mogen niet worden toegepast in leidingsystemen die door waterdichte schotten gaan, indien beschadiging daarvan in geval van brand aan de waterdichtheid van de schotten afbreuk zou kunnen doen.
3.1. Deuren, mangaten en andere toegangsopeningen mogen niet voorkomen in:
3.2. Met uitzondering van het bepaalde in lid 3.3 mag het aanvaringsschot onder de indompelingsgrenslijn door slechts één pijp, die dient voor het transport van vloeistof van en naar de voorpiek, zijn doorboord. De pijp moet zijn voorzien van een afsluiter met neerschroefbare klep, die boven het schottendek kan worden bediend en in de voorpiek tegen het aanvaringsschot moet zijn bevestigd. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan echter toestaan dat deze afsluiter aan de achterzijde van het aanvaringsschot wordt bevestigd mits de afsluiter gemakkelijk toegankelijk is onder alle dienstomstandigheden en de ruimte, waarin de afsluiter voorkomt, geen laadruimte is.
3.3. Wanneer de voorpiek is ingericht voor de berging van twee verschillende soorten vloeistoffen, kan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie toestaan dat het aanvaringsschot onder de indompelingsgrenslijn door twee pijpen wordt doorboord, elk voorzien van een afsluiter op de wijze zoals in lid 3.2 is voorgeschreven, indien een andere oplossing waarbij met één pijp kan worden volstaan, op praktische gronden onmogelijk is en in verband met de onderverdeling dezelfde mate van veiligheid wordt gehandhaafd.
4.1. Waterdichte deuren in schotten tussen permanente kolenruimen en reserve kolenruimen moeten steeds toegankelijk zijn, behalve de deuren in schotten tussen bunkers in tussendekken waarop het bepaalde in lid 9.4 van toepassing is.
4.2. Afdoende voorzieningen door middel van schermen of anderszins moeten worden getroffen, teneinde te verhinderen dat de kolen het sluiten van waterdichte kolenschuiven beletten.
Behoudens het bepaalde in het elfde lid mag, afgezien van de deuren naar kolenruimen en schroefastunnels, in ruimten waarin de hoofd- en hulpmachines voor de voortstuwing met inbegrip van de ketels ten dienste van de voortstuwing en alle permanente kolenruimen zijn ondergebracht, niet meer dan één deur in elk hoofddwarsschot voorkomen. Indien twee of meer schroefassen aanwezig zijn moeten de tunnels door middel van een dwarsverbinding onderling toegankelijk zijn. Er mag in het voortstuwingsgedeelte slechts één deur zijn naar de tunnels wanneer twee schroefassen aanwezig zijn, en slechts twee deuren wanneer méér dan twee schroefassen aanwezig zijn. Al deze deuren moeten schuifdeuren zijn en zodanig zijn aangebracht dat de bovenkant van de drempels zo hoog is gelegen als praktisch mogelijk is. De bewegingsinrichtingen voor handbediening, die zich boven het schottendek bevinden, moeten zijn aangebracht buiten de ruimten waarin de machines zijn opgesteld.
6.1. Waterdichte deuren moeten, behalve in het geval aangegeven in lid 10.1 of in artikel 16, werktuiglijk bewogen schuifdeuren zijn die voldoen aan de eisen gesteld in het zevende lid en die gelijktijdig bij rechtopliggend schip in niet meer dan zestig seconden kunnen worden gesloten vanaf het centrale bedieningspaneel op de brug.
6.2. De werktuiglijke of met handkracht bediende middelen voor het bewegen van alle werktuiglijk beweegbare waterdichte schuifdeuren moeten zodanig zijn, dat de deur nog kan worden gesloten wanneer het schip een helling heeft van 15 graden over welke zijde ook. Tevens dient rekening te worden gehouden met de krachten die op elk van beide zijden van de deuren kunnen werken wanneer water door de opening stroomt, waarbij op de hartlijn van de deur een statische druk wordt uitgeoefend die gelijk is aan een waterhoogte van ten minste 1 meter boven de drempel.
6.3. Bedieningsmiddelen van waterdichte deuren, met inbegrip van hydraulische pijpleidingsystemen en elektrische kabels, moeten zo dicht worden geplaatst bij het schot waarin de deuren zijn aangebracht als praktisch uitvoerbaar is, teneinde de waarschijnlijkheid dat de deuren betrokken raken bij een schade die het schip ondervindt, tot een minimum te beperken. De plaatsing van waterdichte deuren en hun bediening moet zodanig zijn dat indien het schip schade ondervindt binnen één vijfde van de breedte van het schip als omschreven in artikel 2, waarbij de afstand loodrecht op het vlak van kiel en stevens ter hoogte van de hoogst gelegen indelingslastlijn wordt gemeten, de werking van de waterdichte deuren buiten het beschadigde gedeelte van het schip niet nadelig wordt beïnvloed.
6.4. Alle werktuiglijk bewogen waterdichte schuifdeuren moeten zijn voorzien van standaanwijzers, die op alle plaatsen voor afstandsbediening aangeven of de deuren geopend dan wel gesloten zijn. Plaatsen voor afstandsbediening mogen alleen op de brug zijn ondergebracht zoals vereist in lid 7.1.5, en op de locatie waar handbediening boven het schottendek is vereist in lid 7.1.4.
7.1. Elke werktuiglijk bewogen waterdichte schuifdeur:
7.2. De elektrische bekrachtiging vereist voor werktuiglijke bewogen waterdichte schuifdeuren moet of rechtstreeks worden gevoed vanaf het noodschakelbord of via een uitsluitend voor dit doel ingericht verdeelbord boven het schottendek. De daarbij behorende stroomkringen voor de bediening, signalering en alarmering moeten hetzij rechtstreeks worden gevoed vanaf het noodschakelbord hetzij via een uitsluitend voor dit doel ingericht verdeelbord boven het schottendek en in staat zijn om automatisch te worden gevoed door de tijdelijke elektrische noodkrachtbron, zoals vereist in artikel 42 lid 3.1.3, of een andere op een voor noodgebruik geschikte plaats opgestelde noodkrachtbron, in het geval van een storing van zowel de elektrische hoofdkrachtbron als de elektrische noodkrachtbron.
7.3. Werktuiglijk bewogen waterdichte schuifdeuren moeten één van de volgende voorzieningen hebben:
7.4. Er moeten bedieningshandels aan beide zijden van het schot op een hoogte van niet minder dan 1,6 meter boven het vloeroppervlak worden aangebracht op een zodanige wijze dat personen die door de deuropening gaan de beide handels in de open positie kunnen houden zonder dat het werktuiglijk bewogen sluitmechanisme toevallig in werking kan worden gesteld. De bewegingsrichting van de handels voor het openen en sluiten van de deur moet overeenkomen met de bewegingsrichting van de deur en moet duidelijk zijn aangegeven.
7.5. De elektrische uitrusting en de componenten voor waterdichte deuren moeten, voorzover dit praktisch uitvoerbaar is, boven het schottendek en buiten gevaarlijke ruimten zijn gelegen.
7.6. De omkastingen van elektrische componenten die noodzakelijkerwijs beneden het schottendek zijn gelegen moeten een passende bescherming bieden tegen het binnendringen van water. Verwezen wordt naar de volgende IEC-publicatie 529:1976:
Andere uitvoeringen voor de omkastingen van elektrische componenten mogen worden toegepast indien ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie wordt aangetoond dat een gelijkwaardige bescherming wordt bereikt. De beproeving op waterdruk van de omkastingen beschermt volgens IP ∗ 8 moet worden gebaseerd op de druk die ter plaatse van de component kan optreden tijdens vervuld raken gedurende een periode van 36 uur.
7.7. De stroomkringen voor de elektrische bekrachtiging, bediening, signalering en alarmering moeten zodanig tegen gebreken worden beschermd dat een storing in een stroomkring van een deur geen storing veroorzaakt in een stroomkring van een andere deur. Kortsluiting of andere defecten in de stroomkringen voor de signalering of alarmering moeten niet een verlies van de werktuiglijke werking van die deur tot gevolg hebben. De voorzieningen moeten zodanig zijn dat lekkage van water in de elektrische uitrusting gelegen onder het schottendek niet het openen van de deur veroorzaakt.
7.8. Een enkelvoudige elektrische fout in de systemen van de werktuiglijke bekrachtiging of de bediening van een werktuiglijk bewogen waterdichte schuifdeur moet niet het openen van een gesloten deur tot gevolg hebben. De beschikbaarheid van de elektrische energie voor elk van de motoren, vereist in lid 7.3, moet continu worden bewaakt op een punt van de elektrische stroomkring van de motoren zo dicht als praktisch mogelijk gelegen bij de motoren. Het uitvallen van de energievoorziening van elk van boven bedoelde motoren dient een hoorbaar en zichtbaar alarm op het centrale bedieningspaneel op de brug te activeren.
8.1. Het centrale bedieningspaneel op de brug moet een keuzeschakelaar hebben met twee standen voor de wijze van bediening: een stand "bediening ter plaatse" waarbij het mogelijk moet zijn elke deur ter plaatse te openen en na gebruik ter plaatse te sluiten zonder dat de deur automatisch kan worden gesloten en een stand "deuren sluiten" waarbij elke geopende deur automatisch wordt gesloten. In de stand "deuren sluiten" moeten de deuren ter plaatse kunnen worden geopend en moeten de deuren automatisch weer worden gesloten na het loslaten van het plaatselijke bedieningsmechanisme. De keuzeschakelaar moet normaal in de stand "bediening ter plaatse" staan. De "stand deuren sluiten" moet slechts worden gebruikt in een noodtoestand of voor beproevingsdoeleinden. Er moet bijzondere aandacht worden geschonken aan de betrouwbaarheid van de keuzeschakelaar. Bovendien moet deze keuze-schakelaar beschermd zijn tegen ongewild gebruik.
8.2. Het centrale bedieningspaneel op de brug moet worden voorzien van een schema waarop de plaats van elke deur is weergegeven, met signaallampjes die voor elke deur laten zien of deze is geopend of gesloten. Een rood licht moet aangeven dat een deur volledig is geopend en een groen licht moet aangeven dat een deur volledig is gesloten. Wanneer de deur door middel van afstandsbediening wordt gesloten moet het rode licht de tussenstand aangeven door een knippersignaal. Voor elke deur moet de stroomkring voor de signalering onafhankelijk zijn van de stroomkring voor de bediening.
8.3. Het moet niet mogelijk zijn enige deur door middel van afstandsbediening te openen vanaf het centrale bedieningspaneel.
9.1. Waterdichte deuren moeten tijdens de vaart gesloten zijn tenzij zij mogen worden geopend tijdens de vaart zoals bepaald in de leden 9.2, 9.3 en 9.4. Waterdichte deuren met een wijdte van de opening van meer dan 1,20 meter, zoals toegestaan in lid 7.1.2 en het elfde lid, mogen slechts worden geopend in de omstandigheden als omschreven in deze leden.
9.2. Een waterdichte deur mag tijdens de vaart worden geopend om doorgang te verlenen aan passagiers of bemanning, of als werk in de onmiddellijke nabijheid van de deur het noodzakelijk maakt dat deze wordt geopend. De deur moet onmiddellijk worden gesloten na passage of als de taak voltooid is, die het geopend zijn van de deur noodzakelijk maakte.
9.3. Bepaalde waterdichte deuren mogen tijdens de vaart open blijven, echter slechts indien dit als absoluut noodzakelijk wordt beschouwd; dit houdt in dat het geopend zijn als van wezenlijk belang wordt beschouwd voor de veilige en doelmatige bedrijfsvoering van de werktuiglijke uitrusting van het schip of om de passagiers onbeperkte toegang te verlenen tot alle voor passagiers gewoonlijk toegankelijke ruimten. De vaststelling van een dergelijke noodzaak moet geschieden door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie en wel slechts na zorgvuldige beschouwing van de invloed op de bedrijfsvoering en de veiligheid van het schip. Een waterdichte deur waarvan wordt toegestaan aldus open te blijven moet duidelijk zijn aangegeven in de stabiliteitsgegevens van het schip en moet altijd gereed zijn om onmiddellijk te worden gesloten.
9.4. Waterdichte schuifdeuren aangebracht tussen tussendekskolenruimen onder het schottendek mogen op zee somtijds open zijn voor het verwerken van kolen. Het openen en het sluiten van deze deuren moet in het scheepsdagboek worden aangetekend.
10.1. Indien het aanbrengen van waterdichte deuren in waterdichte schotten die tussendekslaadruimten van elkaar scheiden, noodzakelijk is, mogen deze draaideuren, roldeuren of schuifdeuren zijn, doch zij mogen niet op afstand bedienbaar zijn. Zij moeten zijn aangebracht op het hoogste niveau dat mogelijk is en zo ver van de huidbeplating zijn verwijderd als praktisch mogelijk is, maar in geen geval mag één der vertikale zijden van een dergelijke deur zijn gelegen op een afstand van de huidbeplating, die minder is dan één vijfde van de breedte van het schip als omschreven in artikel 2, waarbij de afstand loodrecht op het vlak van kiel en stevens ter hoogte van de hoogst gelegen indelingslastlijn wordt gemeten.
10.2. De deuren, genoemd in lid 10.1, moeten worden gesloten vóórdat de reis begint en tijdens de vaart gesloten blijven; de tijdstippen waarop deze deuren in de haven worden geopend, en, voordat het schip de haven verlaat, worden gesloten, moeten in het scheepsdagboek worden vermeld. Indien één of meer van deze deuren gedurende de reis toegankelijk zijn, moeten zij zijn voorzien van een middel waardoor openen door onbevoegden wordt voorkomen. Wanneer men dergelijke deuren wenst aan te brengen, moet de noodzaak daarvan aan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie worden aangetoond.
11.1. Wegneembare platen in waterdichte schotten mogen slechts in voortstuwingsgedeelten worden toegepast. Dergelijke platen moeten, vóór het schip de haven of rede verlaat, aangebracht en waterdicht zijn en mogen tijdens de vaart niet worden verwijderd, behalve wanneer dit ter beoordeling van de kapitein dringend noodzakelijk is. De tijdstippen van het verwijderen en weer aanbrengen van elke dergelijke wegneembare plaat moet worden aangetekend in het scheepsdagboek, en de nodige voorzorgsmaatregelen moeten worden genomen bij het weer aanbrengen om de waterdichtheid te waarborgen. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan toestaan dat in elk hoofddwarsschot in plaats van deze wegneembare platen ten hoogste één werktuiglijk beweegbare waterdichte schuifdeur wordt aangebracht, die met betrekking tot de breedte moet voldoen aan het gestelde in lid 7.1.2, en mits deze deuren worden gesloten vóór het schip de haven of rede verlaat en tijdens de vaart gesloten blijven, behalve wanneer opening ter beoordeling van de kapitein dringend noodzakelijk is. Deze deuren hoeven niet te voldoen aan de eisen omschreven in lid 7.1.4 met betrekking tot het volledig sluiten in 90 seconden door middel van handbediening. Het tijdstip van het openen en sluiten van deze deuren moet, of het schip op zee of in de haven is, worden aangetekend in het scheepsdagboek.
12.1. Indien verkeersgangen of tunnels voor de verbinding tussen de verblijven voor de bemanning en de stookplaats, voor doorvoer van pijpleidingen of voor enig ander doel door waterdichte hoofddwarsschotten leiden, moeten zij waterdicht zijn en voldoen aan het bepaalde in artikel 19. Indien dergelijke verkeersgangen of tunnels gedurende de reis als doorgang worden benut, moet ten minste één uiteinde waterdicht aansluiten op een schacht die tot boven de indompelingsgrenslijn waterdicht is opgetrokken en waarvan de uitgang boven deze grenslijn is gelegen. De opening aan het andere einde van deze verkeersgangen of tunnels mag worden gesloten door middel van een waterdichte deur van de soort als op grond van de plaats in het schip wordt vereist. Dergelijke verkeersgangen of tunnels mogen niet door het eerste, achter het aanvaringsschot gelegen, dwarsschot dat deel uitmaakt van de waterdichte indeling, worden gevoerd.
12.2. Tunnels, die door waterdichte hoofddwarsschotten leiden, mogen worden toegepast, mits ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie wordt aangetoond dat afdoende maatregelen zijn genomen om de waterdichtheid van de betreffende schotten te verzekeren.
12.3. Waar verkeersgangen in verband met gekoelde lading en ventilatie of kanalen ten behoeve van geforceerde trek door meer dan één waterdicht schot worden gevoerd, moeten de afsluitmiddelen van zulke openingen werktuiglijk kunnen worden bewogen en vanaf een boven het schottendek gelegen centrale positie kunnen worden gesloten.
Artikel 16. Passagiersschepen welke vrachtwagens en begeleidend personeel vervoeren
Dit artikel is van toepassing op alle passagiersschepen ontworpen of aangepast voor het vervoer van vrachtwagens en begeleidend personeel.
Indien aan boord van een dergelijk schip het totaal aantal passagiers, inclusief de personen welke de vrachtwagens begeleiden, niet meer bedraagt dan
, waarin A = de totale oppervlakte in m² van het dek dat beschikbaar is voor het vervoer van vrachtwagens en waar de vrije hoogte van de laadruimte en ter plaatse van de ingang tot een dergelijke ruimte niet minder dan 4 m bedraagt, zijn voor de waterdichte deuren de bepalingen van artikel 15, tiende lid van toepassing, met dien verstande dat de deuren op ieder niveau mogen worden aangebracht in waterdichte schotten welke laadruimten van elkaar scheiden. Bovendien zijn op de brug standaanwijzers verplicht welke automatisch aangeven wanneer iedere deur is gesloten en alle knevels zijn vastgezet.
Bij de toepassing van de bepalingen van deze bijlage op een dergelijk schip, moet voor N het maximum aantal passagiers worden genomen waarvoor aan het schip, in overeenstemming met dit artikel, een certificaat kan worden afgegeven.
Bij de toepassing van artikel 8 voor de ongunstigste beladingstoestanden, moet de permeabiliteit van laadruimten bestemd voor het vervoer van vrachtwagens en containers, worden vastgesteld aan de hand van een berekening, waarbij de vrachtwagens en containers als niet waterdicht moeten worden beschouwd en hun permeabiliteit op 65 moet worden genomen. Voor schepen welke worden gebruikt voor speciale diensten, mag de werkelijke waarde voor de permeabiliteit van vrachtwagens of containers worden toegepast. In geen geval mag de permeabiliteit van de laadruimten waarin vrachtwagens en containers worden vervoerd kleiner worden genomen dan 60.
Artikel 17. Openingen onder de indompelingsgrenslijn in het scheepsboord van passagiersschepen
Het aantal openingen in de scheepshuid moet worden beperkt tot het minimum dat verenigbaar is met de algemene inrichting van het schip en de goede uitoefening van de dienst aan boord.
De inrichting van de middelen tot sluiting van alle openingen in het scheepsboord moet voldoen aan de door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie te stellen eisen.
3.1. Onverminderd het bepaalde in artikel 23 van bijlage I van dit besluit mag het laagste punt van de dagopening van patrijspoorten en lichtranden niet lager zijn gelegen dan een lijn die evenwijdig aan het schottendek op het scheepsboord is getrokken en die haar laagste punt heeft op een hoogte boven de hoogst gelegen indelingslastlijn, overeenkomend met 2,5 percent van de breedte van het schip dan wel 500 mm indien deze hoogte groter is.
3.2. Alle patrijspoorten welke overeenkomstig het bepaalde in lid 3.1 zijn toegestaan, en waarvan het laagste punt lager dan de indompelingsgrenslijn is gelegen, moeten zodanig zijn uitgevoerd, dat zij niet door onbevoegden kunnen worden geopend.
3.3.1. Indien in een tussendek het laagste punt van de opening van een patrijspoort als bedoeld in lid 3.2, lager is gelegen dan een lijn die evenwijdig aan het schottendek op het scheepsboord is getrokken en die haar laagste punt heeft op een hoogte gelijk aan 1,40 m, vermeerderd met 2,5 percent van de breedte van het schip, boven de lastlijn waarop het schip bij vertrek uit de haven ligt, moeten alle patrijspoorten in dat tussendek vóór het schip de haven verlaat, met behulp van een speciale sleutel waterdicht zijn afgesloten. Zij mogen gedurende de reis niet worden geopend. Bij de toepassing van dit lid mag zo nodig met de grotere diepgang in zoet water rekening worden gehouden.
3.3.2. Het tijdstip waarop deze patrijspoorten in de haven worden geopend, alsmede het tijdstip waarop zij met een speciale sleutel worden gesloten, moeten in het scheepsdagboek worden vermeld.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)