Wet van 13 juni 1979, houdende regelen met betrekking tot een aantal algemene onderwerpen op het gebied van de milieuhygiëne

Type Wet
Publication 2026-08-01
Laatst bijgewerkt 2026-08-13
State In force
Source BWB
artikelen 1977
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is, naast de wettelijke regelingen, geldende voor de onderscheidene onderdelen van het gebied van de milieuhygiëne, regelen te stellen met betrekking tot een aantal algemene onderwerpen op dat gebied;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Hoofdstuk 1. Algemeen

§ 1.1. Algemeen

Artikel 1.1
1.

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

adviseurs: bestuursorganen die krachtens wettelijk voorschrift in de gelegenheid moeten worden gesteld advies uit te brengen met betrekking tot het geven van een beschikking of het nemen van een ander besluit;

afvalstoffen: alle stoffen, mengsels of voorwerpen, waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen;

afvalstoffenhandelaar: natuurlijke of rechtspersoon die als verantwoordelijke optreedt bij het bedrijfsmatig aankopen en vervolgens verkopen van afvalstoffen, met inbegrip van natuurlijke of rechtspersonen die de afvalstoffen niet fysiek in hun bezit hebben;

afvalstoffenhouder: afvalstoffenproducent dan wel de natuurlijke of rechtspersoon die de afvalstoffen in zijn bezit heeft;

afvalstoffenmakelaar: natuurlijke of rechtspersoon die ten behoeve van anderen bedrijfsmatig de verwijdering of de nuttige toepassing van afvalstoffen organiseert, met inbegrip van de natuurlijke of rechtspersonen die de afvalstoffen niet fysiek in hun bezit hebben;

afvalstoffenproducent: natuurlijke of rechtspersoon wiens activiteiten afvalstoffen voortbrengen of die voorbehandelingen, vermengingen of andere bewerkingen verricht die leiden tot een wijziging in de aard of de samenstelling van die afvalstoffen;

afvalstoffenverordening: de verordening, bedoeld in artikel 10.23;

afvalwater: alle water waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen;

bedrijfsafvalstoffen: afvalstoffen, niet zijnde huishoudelijke afvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen;

beheer van afvalstoffen: inzameling, vervoer, nuttige toepassing, met inbegrip van sortering, en verwijdering van afvalstoffen, met inbegrip van het toezicht op die handelingen en de nazorg voor stortplaatsen na sluiting en met inbegrip van de activiteiten van afvalstoffenhandelaars en afvalstoffenmakelaars;

betrokken bestuursorganen: adviseurs en andere bestuursorganen die krachtens wettelijk voorschrift worden betrokken bij de totstandkoming van de in artikel 13.1, eerste lid, bedoelde beschikkingen;

bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het geven van een beschikking of het nemen van een ander besluit;

bioafval: biologisch afbreekbaar tuin- en plantsoenafval, levensmiddelenafval en keukenafval afkomstig van huishoudens, kantoren, restaurants, groothandels, kantines, cateringfaciliteiten en winkels en vergelijkbare afvalstoffen van de levensmiddelenindustrie;

biochemisch zuurstofverbruik: massaconcentratie aan opgeloste zuurstof die gedurende vijf dagen wordt verbruikt door biochemische oxydatie van organische bestanddelen onder uitsluiting van ammoniumoxydatie onder omstandigheden die zijn gespecificeerd in een door Onze Minister aangewezen norm van het Nederlands Normalisatie Instituut;

broeikasgas: gas, genoemd in bijlage II bij de EG-richtlijn handel in broeikasgasemissierechten;

broeikasgasemissierecht: overeenkomstig het bepaalde bij en krachtens hoofdstuk 16 overdraagbaar recht, uitsluitend teneinde aan het bepaalde bij en krachtens dat hoofdstuk te voldoen, om gedurende een bepaalde periode een emissie van één ton kooldioxide-equivalent te veroorzaken;

circulair materialenplan: circulair materialenplan als bedoeld in artikel 10.3;

Commissie genetische modificatie: de Commissie genetische modificatie, bedoeld in artikel 2.26;

doelmatig beheer van afvalstoffen: zodanig beheer van afvalstoffen dat daarbij rekening wordt gehouden met het geldende circulair materialenplan, dan wel de voor de vaststelling van het plan geldende bepalingen, dan wel de voorkeursvolgorde aangegeven in artikel 10.4, en de criteria, genoemd in artikel 10.5;

één ton kooldioxide-equivalent: een metrische ton kooldioxide of een hoeveelheid van een ander broeikasgas met een gelijkwaardig aardopwarmingsvermogen;

de EG-richtlijn handel in broeikasgasemissierechten: richtlijn nr. 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 13 oktober 2003 tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap en tot wijziging van Richtlijn 96/61/EG van de Raad (PbEU L 275);

EG-verordening EU-milieukeur: verordening (EG) nr. 66/2010 van het Europees parlement en de Raad van 25 november 2009 betreffende de EU-milieukeur (PbEU L 2010, 27);

EG-verordening indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels: verordening (EG) nr. 1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 16 december 2008 betreffende de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels tot wijziging en intrekking van de Richtlijnen 67/548/EEG en 1999/45/EG en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1907/2006 (PbEU L 353);

EG-verordening overbrenging van afvalstoffen: verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen (PbEU L 190);

EG-verordening registratie, evaluatie en autorisatie van chemische stoffen: verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH), tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen, houdende wijziging van Richtlijn 1999/45/EG en houdende intrekking van Verordening (EEG) nr. 793/93 van de Raad en Verordening (EG) nr. 1488/94 van de Commissie alsmede Richtlijn 76/769/EEG van de Raad en de Richtlijnen 91/155/EEG, 93/67/EEG, 93/105/EG en 2000/21/EG van de Commissie (PbEU 2007, L 136);

emissie: stoffen, trillingen, warmte, die of geluid dat direct of indirect vanuit een bron in de lucht, het water of de bodem worden, onderscheidenlijk wordt gebracht;

de emissieautoriteit: de Nederlandse emissieautoriteit, genoemd in artikel 2.1;

emissiereductie-eenheid: eenheid, uitgegeven overeenkomstig artikel 6 van het Protocol van Kyoto en de overeenkomstig het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering of het Protocol van Kyoto genomen besluiten (ERU);

EU-richtlijn pyrotechnische artikelen: Richtlijn 2013/29/EU van het Europees Parlement en de Raad van 12 juni 2013 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake het op de markt aanbieden van pyrotechnische artikelen (herschikking) (PbEU L 178);

EU-verordening markttoezicht: verordening (EU) nr. 2019/1020 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 betreffende markttoezicht en conformiteit van producten en tot wijziging van Richtlijn 2004/42/EG en Verordeningen (EG) nr. 765/2008 en (EU) nr. 305/2011 (PbEU 2019, L 169);

gecertificeerde emissiereductie: eenheid, uitgegeven overeenkomstig artikel 12 van het Protocol van Kyoto en de overeenkomstig het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering of het Protocol van Kyoto genomen besluiten (CER);

geluid: met het menselijk oor waarneembare luchttrillingen;

geluidhinder: gevaar, schade of hinder, als gevolg van geluid;

gescheiden inzameling: inzameling waarbij een afvalstoffenstroom gescheiden gehouden wordt naar soort en aard van de afvalstoffen om een specifieke behandeling te vergemakkelijken;

gevaarlijke afvalstof: afvalstof die een of meer van de in bijlage III bij de kaderrichtlijn afvalstoffen genoemde gevaarlijke eigenschappen bezit;

hergebruik: elke handeling waarbij producten of componenten die geen afvalstoffen zijn, opnieuw worden gebruikt voor hetzelfde doel als dat waarvoor zij waren bedoeld;

huishoudelijk afvalwater: afvalwater dat overwegend afkomstig is van menselijke stofwisseling en huishoudelijke werkzaamheden;

huishoudelijke afvalstoffen: afvalstoffen afkomstig uit particuliere huishoudens, behoudens voor zover het ingezamelde bestanddelen van die afvalstoffen betreft, die zijn aangewezen als gevaarlijke afvalstoffen;

inspecteur: als zodanig bij besluit van Onze Minister aangewezen ambtenaar;

inzameling: verzameling van afvalstoffen, met inbegrip van de voorlopige sortering en de voorlopige opslag van afvalstoffen, om deze daarna te vervoeren naar een afvalverwerkingsinstallatie;

kaderrichtlijn afvalstoffen: richtlijn nr. 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 19 november 2008 betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen (PbEU L 312);

de kaderrichtlijn water: richtlijn nr. 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (PbEG L 327), zoals deze is gewijzigd bij beschikking nr. 2455/2001/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 november 2001 tot vaststelling van de lijst van prioritaire stoffen op het gebied van het waterbeleid en tot wijziging van richtlijn 2000/60/EG (PbEG L 331) en met inbegrip van wijzigingen uit hoofde van artikel 20, eerste lid, van de richtlijn, doch voor het overige naar de tekst zoals deze bij de richtlijn is vastgesteld;

luchtvaartbrandstofleverancier: brandstofleverancier als bedoeld in artikel 3, onderdeel 19, van Verordening (EU) 2023/2405;

luchtvaartuigexploitant: luchtvaartuigexploitant als bedoeld in artikel 3, onderdeel 3, van Verordening (EU) 2023/2405;

luchtverontreiniging: aanwezigheid in de buitenlucht van vaste, vloeibare of gasvormige stoffen, niet zijnde splijtstoffen, ertsen of radioactieve stoffen als bedoeld in de Kernenergiewet, die op zichzelf dan wel tezamen of in verbinding met andere stoffen nadelige gevolgen voor het milieu kunnen veroorzaken;

mengsel: een mengsel of een oplossing bestaande uit twee of meer stoffen;

milieubelastende activiteit: milieubelastende activiteit als bedoeld in de Omgevingswet;

nuttige toepassing: elke handeling met als voornaamste resultaat dat afvalstoffen een nuttig doel dienen door hetzij in de betrokken installatie, hetzij in de ruimere economie, andere materialen te vervangen die anders voor een specifieke functie zouden zijn gebruikt, of waardoor de afvalstof voor die functie wordt klaargemaakt, tot welke handelingen in ieder geval behoren de handelingen die zijn genoemd in bijlage II bij de kaderrichtlijn afvalstoffen;

omgevingsvergunning: omgevingsvergunning als bedoeld in de Omgevingswet;

Onze Minister: Onze Minister van Infrastructuur en Milieu;

persoon met gespecialiseerde kennis: persoon met gespecialiseerde kennis als bedoeld in artikel 3, onder 6, van de EU-richtlijn pyrotechnische artikelen;

preventie: maatregelen die worden genomen voordat een stof, materiaal of product afvalstof is geworden, ter vermindering van:

Protocol van Kyoto: op 11 december 1997 te Kyoto totstandgekomen Protocol van Kyoto bij het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (Trb. 1998, 170, en 1999, 110);

Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering: op 9 mei 1992 te New York totstandgekomen Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (Trb. 1992, 189);

recycling: nuttige toepassing waardoor afvalstoffen opnieuw worden bewerkt tot producten, materialen of stoffen, voor het oorspronkelijke doel of voor een ander doel, met inbegrip van het opnieuw bewerken van organische afvalstoffen, en met uitsluiting van energieterugwinning en het opnieuw bewerken tot materialen die bestemd zijn om te worden gebruikt als brandstof of als opvulmateriaal;

regeling voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid: regels die ervoor zorgen of een besluit dat er voor zorgt dat degene die stoffen, mengsels of producten in de handel brengt geheel of gedeeltelijk de financiële of organisatorische verantwoordelijkheid draagt voor het beheer van de van die stoffen, mengsels of producten overgebleven afvalstoffen;

richtlijn beheer winningsafval: richtlijn nr. 2006/21/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 15 maart 2006 betreffende het beheer van afval van de winningsindustrieën en houdende wijziging van Richtlijn nr. 2004/35/EG (PbEU L 102);

stoffen: chemische elementen en de verbindingen ervan, zoals deze voorkomen in natuurlijke toestand of bij de vervaardiging ontstaan, met inbegrip van alle additieven die nodig zijn voor het behoud van de stabiliteit ervan en alle onzuiverheden ten gevolge van het toegepaste procédé, doch met uitzondering van elk oplosmiddel dat kan worden afgescheiden zonder dat de stabiliteit van de stof wordt aangetast of de samenstelling ervan wordt gewijzigd;

storten: op of in de bodem brengen van afvalstoffen om deze daar te laten;

Verordening aanpassingen kosteloze toewijzing door verandering activiteitsniveau: Uitvoeringsverordening (EU) 2019/1842 van de Commissie van 31 oktober 2019 tot vaststelling van bepalingen ter uitvoering van Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad wat de verdere regelingen voor de aanpassingen van de kosteloze toewijzing van emissierechten als gevolg van veranderingen in het activiteitsniveau betreft (PbEU 2019, L 282);

Verordening (EU) 2023/1805: Verordening (EU) 2023/1805 van het Europees Parlement en de Raad van 13 september 2023 betreffende het gebruik van hernieuwbare en koolstofarme brandstoffen in het zeevervoer, en tot wijziging van Richtlijn 2009/16/EG (PbEU 2023, L 234);

Verordening (EU) 2023/2405: Verordening (EU) 2023/2405 van het Europees Parlement en de Raad van 18 oktober 2023 inzake het waarborgen van een gelijk speelveld voor duurzaam luchtvervoer (ReFuelEU Luchtvaart) (PbEU 2023, L 2023/2405);

Verordening EU-register handel in emissierechten: Gedelegeerde verordening (EU) 2019/1122 van de Commissie van 12 maart 2019 tot aanvulling van Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de werking van het EU-register (PbEU 2019, L 177);

Verordening inzake tijdstippen, beheer en andere aspecten van veiling van broeikasgasemissierechten: Verordening (EU) nr. 1031/2010 van de Commissie van 12 november 2010 inzake de tijdstippen, het beheer en andere aspecten van de veiling van broeikasgasemissierechten overeenkomstig Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap (PbEU 2010, L302);

Verordening koolstofcorrectie aan de grens: Verordening (EU) 2023/956 van het Europees Parlement en de Raad van 10 mei 2023 tot instelling van een mechanisme voor koolstofgrenscorrectie (PbEU 2023, L130);

Verordening kosteloze toewijzing van emissierechten: Gedelegeerde verordening (EU) nr. 2019/331 van de Commissie van 19 december 2018 tot vaststelling van een voor de hele Unie geldende overgangsregeling voor de geharmoniseerde kosteloze toewijzing van emissierechten overeenkomstig artikel 10bis van Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad (PbEU 2019, L59);

Verordening monitoring, rapportage en verificatie van broeikasgasemissies door maritiem vervoer: Verordening (EU) nr. 2015/757 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2015 betreffende de monitoring, de rapportage en de verificatie van broeikasgasemissies door maritiem vervoer en tot wijziging van Richtlijn 2009/16/EG (PbEU 2015, L123);

Verordening monitoring, rapportage en verificatie van wereldwijde luchtvaartemissies: Gedelegeerde verordening (EU) 2019/1603 van de Commissie van 18 juli 2019 tot aanvulling van Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de door de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie aangenomen maatregelen voor de monitoring, rapportage en verificatie van luchtvaartemissies ter uitvoering van een wereldwijde marktgebaseerde maatregel (PbEU 2019, L 250);

Verordening monitoring en rapportage emissiehandel: Uitvoeringsverordening (EU) nr. 2018/2066 van de Commissie van 19 december 2018 inzake de monitoring en rapportage van de emissies van broeikasgassen overeenkomstig Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 601/2012 van de Commissie (PbEU 2018, L334);

Verordening verificatie en accreditatie emissiehandel: Uitvoeringsverordening (EU) nr. 2018/2067 van de Commissie van 19 december 2018 inzake de verificatie van gegevens en de accreditatie van verificateurs krachtens Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad (PbEU 2018, L334);

verwerking: nuttige toepassing of verwijdering, met inbegrip van aan toepassing of verwijdering voorafgaande voorbereidende handelingen;

verwijdering: elke handeling met afvalstoffen die geen nuttige toepassing is zelfs indien de handeling er in tweede instantie toe leidt dat stoffen of energie worden teruggewonnen, tot welke handelingen in ieder geval behoren de handelingen die zijn genoemd in bijlage I bij de kaderrichtlijn afvalstoffen;

vliegtuigexploitant: vliegtuigexploitant als bedoeld in artikel 3, onder o, van de EG-richtlijn handel in broeikasgasemissierechten;

voorbereiding voor hergebruik: nuttige toepassing bestaande uit controleren, schoonmaken of repareren, waarbij producten of componenten van producten, die afvalstoffen zijn geworden, worden klaargemaakt zodat ze zullen worden hergebruikt zonder dat verdere voorbehandeling nodig is;

vuurwerk van de categorieën F2 en F3: vuurwerk van de categorieën F2 en F3 als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder a, van de EU-richtlijn pyrotechnische artikelen;

winningsafvalstoffen: afvalstoffen die rechtstreeks afkomstig zijn uit de prospectie, winning, behandeling en opslag van mineralen en de exploitatie van groeven, met uitzondering van afvalstoffen afkomstig van offshore-prospectie, -winning en -behandeling;

winningsafvalvoorziening: afvalvoorziening als bedoeld in artikel 3, onder 15, van de richtlijn beheer winningsafval;

winningsafvalvoorziening categorie A: winningsafvalvoorziening die door het bevoegd gezag is ingedeeld in categorie A, in overeenstemming met de criteria gesteld in bijlage III bij de richtlijn beheer winningsafval en de criteria, bedoeld in de artikelen 1 tot en met 9 van beschikking nr. 2009/337/EG van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 20 april 2009 tot vaststelling van de criteria voor de indeling van afvalvoorzieningen in overeenstemming met bijlage III bij Richtlijn 2006/21/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende het beheer van afval van winningsindustrieën (PbEU 2009, L 102).

2.

In deze wet en de daarop berustende bepalingen:

3.

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt:

4.

Stoffen, mengsels of voorwerpen die het resultaat zijn van een productieproces dat niet in de eerste plaats is bedoeld voor de productie van die stoffen, mengsels of voorwerpen worden niet als afvalstoffen maar als bijproducten beschouwd indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

5.

Bij ministeriële regeling kan Onze Minister bepalen dat een specifieke soort stoffen, mengsels of voorwerpen niet als afvalstoffen maar als bijproducten worden beschouwd, indien wordt voldaan aan criteria voor de toepassing van de voorwaarden, bedoeld in het vierde lid, op die soort stoffen, mengsels of voorwerpen, voor zover voor die soort stoffen, mengsels of voorwerpen geen criteria zijn vastgesteld krachtens artikel 5, tweede lid, van de kaderrichtlijn afvalstoffen.

6.

Afvalstoffen die een behandeling van recycling of andere nuttige toepassing hebben ondergaan, worden niet langer als afvalstoffen beschouwd, indien zij voldoen aan de volgende voorwaarden:

7.

Bij ministeriële regeling kan Onze Minister, in overeenstemming met de in artikel 6, tweede lid, van de kaderrichtlijn afvalstoffen opgenomen vereisten, bepalen dat een specifieke soort afvalstoffen die een behandeling van recycling of andere nuttige toepassing heeft ondergaan niet langer als afvalstoffen worden beschouwd, indien wordt voldaan aan criteria voor de toepassing van de voorwaarden, bedoeld in het zesde lid, op die soort afvalstoffen, voor zover voor die soort afvalstoffen geen criteria zijn vastgesteld krachtens artikel 6, tweede lid, van de kaderrichtlijn afvalstoffen. Bij het vaststellen van de criteria wordt rekening gehouden met eventuele nadelige effecten voor het milieu en de menselijke gezondheid van de stoffen, mengsels of voorwerpen die het resultaat zijn van de handeling van recycling of andere nuttige toepassing.

8.

Bij ministeriële regeling wordt aangegeven welke stoffen, mengsels of voorwerpen in ieder geval, onverminderd het bepaalde in het zesde en zevende lid, worden aangemerkt als afvalstoffen, indien de houder zich daarvan ontdoet, voornemens is zich daarvan te ontdoen of zich daarvan moet ontdoen.

9.

Een afvalstof wordt in ieder geval aangemerkt als huishoudelijke afvalstof onderscheidenlijk bedrijfsafvalstof, indien die afvalstof bij algemene maatregel van bestuur als zodanig is aangewezen.

10.

Onze Minister kan, indien naar zijn oordeel in het belang van een doelmatig beheer van afvalstoffen een onverwijlde voorziening noodzakelijk is, een regeling vaststellen van de in het negende lid bedoelde strekking. Een zodanige regeling vervalt een jaar nadat zij in werking is getreden of, indien binnen die termijn een algemene maatregel van bestuur ter vervanging van die regeling in werking is getreden, op het tijdstip waarop die maatregel in werking treedt. Onze Minister kan de termijn bij ministeriële regeling eenmaal met ten hoogste een jaar verlengen.

11.

Onze Minister kan nadere regels stellen omtrent de aanwijzing van gevaarlijke afvalstoffen, bedoeld in het eerste lid. Tevens kan Onze Minister of een door hem aan te wijzen instantie vaststellen dat een afvalstof, zoals die door de houder ter beoordeling wordt aangeboden:

12.

Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald wat in deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder «genetisch gemodificeerde organismen».

13.

Een wijziging van de bijlagen gaat voor de toepassing van de in het eerste lid gegeven omschrijvingen van «nuttige toepassing» en «verwijdering» en voor de toepassing van het elfde lid gelden met ingang van de dag waarop aan de desbetreffende wijziging uitvoering moet zijn gegeven, tenzij bij ministerieel besluit, dat in de Staatscourant wordt bekendgemaakt, een ander tijdstip wordt vastgesteld.

14.

Door vernummering vervallen.

15.

Door vernummering vervallen.

16.

Een wijziging uit hoofde van artikel 20, eerste lid, van de kaderrichtlijn water gaat voor de toepassing van deze wet gelden met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijn uitvoering moet zijn gegeven, tenzij bij ministerieel besluit, dat in de Staatscourant of op andere geschikte wijze wordt bekendgemaakt, een ander tijdstip wordt vastgesteld.

17.

Onze Minister kan entiteiten aanwijzen als bedoeld in artikel 2, onderdeel 38, van richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen (PbEU 2018, L 328).

Artikel 1.1a

Vervallen

§ 1.2. De provinciale milieuverordening

Artikel 1.2

Vervallen

Artikel 1.2a

Vervallen

Artikel 1.3

Vervallen

Artikel 1.4

Vervallen

Hoofdstuk 2. Adviesorganen

§ 2.1. De Nederlandse emissieautoriteit

Artikel 2.1

Er is een Nederlandse emissieautoriteit, gevestigd te 's-Gravenhage.

Artikel 2.2
1.

De emissieautoriteit heeft de in de Verordening monitoring en rapportage emissiehandel, de Verordening verificatie en accreditatie emissiehandel, de Verordening monitoring, rapportage en verificatie van broeikasgasemissies door maritiem vervoer, met uitzondering van artikel 20, derde, vierde en vijfde lid, van die verordening, en de in de hoofdstukken 16, 16a, 16b, 16c en 18 en de titels 9.7 en 9.8 opgedragen taken. De emissieautoriteit is voorts de bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 3, onderdeel 13, van de Verordening koolstofcorrectie aan de grens. De emissieautoriteit is daarnaast de bevoegde autoriteit als bedoeld in de artikelen 14, vierde lid, 17, eerste tot en met vijfde en zevende lid, 20, vierde lid, 22, tweede en vijfde lid, 23, tweede, derde, vijfde en zevende lid, en 26, eerste en tweede lid, van Verordening (EU) 2023/1805 en als bedoeld in de artikelen 8, eerste lid en 11, eerste lid, van Verordening (EU) 2023/2405 ten aanzien van luchtvaartuigexploitanten en luchtvaartbrandstofleveranciers.

2.

De emissieautoriteit heeft voorts tot taak:

3.

Bij algemene maatregel van bestuur kan de emissieautoriteit, voorzover die taken niet de uitoefening van openbaar gezag inhouden, worden belast met andere taken dan in het eerste of tweede lid bedoeld, in het bijzonder taken betreffende de uitvoering door Nederland van een voor Nederland verbindend verdrag of een voor Nederland verbindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie, dat de beperking van de emissies van broeikasgassen tot doel heeft.

4.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen ten aanzien van de inhoud van de taken van de emissieautoriteit nadere regels worden gesteld.

5.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen, voor zover dat noodzakelijk is voor een effectieve en efficiënte uitvoering van de Verordening koolstofcorrectie aan de grens en in afwijking in zoverre van het bepaalde in het eerste lid, de taken en bevoegdheden van de bevoegde autoriteit die voortvloeien uit artikel 17 van die verordening worden toegewezen aan een andere uitvoeringsorganisatie van het Rijk.

Artikel 2.3
1.

Het bestuur van de emissieautoriteit bestaat uit ten hoogste vijf leden.

2.

Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat benoemt uit de leden een voorzitter en een plaatsvervangend voorzitter.

3.

De leden worden benoemd voor een periode van vier jaren. Zij zijn aansluitend twee malen herbenoembaar.

Artikel 2.4

Vervallen

Artikel 2.5

Leden van het bestuur van de emissieautoriteit en medewerkers van de emissieautoriteit zijn direct noch indirect betrokken bij het overdragen van broeikasgasemissierechten, emissiereductie-eenheden, gecertificeerde emissiereducties, toegewezen eenheden en verwijderingseenheden, behoudens voor zover die betrokkenheid noodzakelijk is ter uitvoering van het bepaalde bij of krachtens deze wet.

Artikel 2.6

Vervallen

Artikel 2.7
1.

Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat stelt aan het bestuur van de emissieautoriteit ambtenaren ter beschikking.

2.

Het bestuur van de emissieautoriteit draagt er zorg voor dat de werkzaamheden die voortvloeien uit artikel 18.2f, gescheiden worden uitgevoerd van de overige werkzaamheden.

Artikel 2.8

De emissieautoriteit stelt een bestuursreglement vast waarin haar werkwijze wordt vastgelegd.

Artikel 2.9

In afwijking van artikel 18, eerste lid, eerste volzin, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen stelt het bestuur van de emissieautoriteit jaarlijks voor 1 juli een jaarverslag op.

Artikel 2.10

Vervallen

Artikel 2.11

Vervallen

Artikel 2.12

Vervallen

Artikel 2.13

Vervallen

Artikel 2.14

Vervallen

Artikel 2.15

Vervallen

Artikel 2.16
1.

Onverminderd artikel 16.8 verstrekken het bestuur van de emissieautoriteit en het bestuursorgaan dat bevoegd is een omgevingsvergunning te verlenen voor een milieubelastende activiteit met betrekking tot een broeikasgasinstallatie als bedoeld in artikel 16.1, tweede lid, elkaar op verzoek of uit eigen beweging tijdig alle redelijkerwijs benodigde gegevens voor de uitoefening van de taken, waarmee zij zijn belast bij of krachtens de hoofdstukken 16 en 18 van deze wet, onderscheidenlijk de afdelingen 4.1, 5.1, 16.1, 16.2, 16.3, 16.5 en 16.8 en hoofdstuk 18 van de Omgevingswet.

2.

Bij het verstrekken van de in het eerste lid bedoelde gegevens wordt waar nodig aangegeven welke gegevens een vertrouwelijk karakter dragen. Dit vertrouwelijk karakter kan voortvloeien uit de aard van de gegevens, dan wel uit het feit dat personen deze aan de bestuursorganen, bedoeld in het eerste lid, hebben verstrekt onder het beding dat zij als vertrouwelijk zullen gelden.

Artikel 2.16a

Vervallen

§ 2.2. De Commissie voor de milieu-effectrapportage

Artikel 2.17

Vervallen

Artikel 2.18

Vervallen

Artikel 2.19

Vervallen

Artikel 2.20

Vervallen

Artikel 2.21

Vervallen

Artikel 2.22

Vervallen

Artikel 2.23

Vervallen

Artikel 2.24

Vervallen

§ 2.3. De Commissie genetische modificatie

Artikel 2.25

Vervallen

Artikel 2.26

Er is een Commissie genetische modificatie.

Artikel 2.27
1.

De commissie heeft tot taak:

2.

Op verzoek van Onze Minister of Onze Minister wie het aangaat, of uit eigen beweging informeert de commissie Onze betrokken Minister indien aan het vervaardigen van of aan handelingen met genetisch gemodificeerde organismen ethische of maatschappelijke aspecten zijn verbonden die naar het oordeel van de commissie van belang zijn.

Artikel 2.28

Onze Minister en Onze Ministers wie het mede aangaat, dragen er zorg voor dat de commissie op de hoogte wordt gehouden ten aanzien van het beleid op het terrein van het vervaardigen van of van handelingen met genetisch gemodificeerde organismen.

Artikel 2.29

Telkens binnen een termijn van vier jaren brengt de commissie een rapport uit aan Onze Minister, waarin ten minste de taak, de samenstelling, de inrichting en werkwijze van de commissie aan een onderzoek worden onderworpen en voorstellen kunnen worden gedaan voor gewenste veranderingen. Onze Minister zendt dit rapport, voorzien van zijn standpunt, aan de beide kamers der Staten-Generaal.

Artikel 2.30
1.

De commissie bestaat uit een voorzitter en ten minste vijftien en ten hoogste twintig andere leden.

2.

De voorzitter en de andere leden van de commissie worden benoemd op grond van hun deskundigheid op het gebied van het vervaardigen van of van handelingen met genetisch gemodificeerde organismen en de mogelijke gevolgen daarvan voor mens en milieu, daarbij inbegrepen de ecologische gevolgen en de daarbij te nemen veiligheidsmaatregelen.

Artikel 2.31
1.

De voorzitter van de commissie wordt door Onze Minister benoemd. Onze Minister hoort de commissie alvorens hij de voorzitter benoemt.

2.

Onze Minister benoemt de leden van de commissie.

3.

De voorzitter en de leden worden voor de tijd van vier jaren benoemd. Zij zijn terstond weer benoembaar.

4.

De voorzitter en de leden kunnen te allen tijde hun functie neerleggen door een schriftelijke kennisgeving aan Onze Minister.

5.

Onze Minister kan in bijzondere gevallen de voorzitter en de andere leden in hun functie schorsen en uit hun functie ontslaan.

Artikel 2.32
1.

De commissie wijst uit haar midden een plaatsvervangend voorzitter aan.

2.

De plaatsvervangend voorzitter kan te allen tijde zijn functie neerleggen door een schriftelijke kennisgeving aan de voorzitter.

3.

In bijzondere gevallen kan de commissie de plaatsvervangend voorzitter in zijn functie schorsen en uit zijn functie ontslaan.

Artikel 2.33
1.

De commissie wordt bijgestaan door een secretaris. Aan de secretaris kan een adjunct-secretaris worden toegevoegd.

2.

De secretaris en de adjunct-secretaris worden door Onze Minister benoemd, in hun functie geschorst en uit hun functie ontslagen, de commissie gehoord.

3.

De secretaris is geen lid van de commissie.

4.

De secretaris is voor de uitoefening van zijn taak uitsluitend verantwoording schuldig aan de commissie.

5.

Onze Minister kan voorzien in een bureau voor de commissie, dat onder leiding staat van de secretaris.

Artikel 2.34
1.

De commissie kan voor bepaalde onderwerpen subcommissies instellen.

2.

De voorzitter van een subcommissie wordt door de commissie uit haar midden benoemd.

Artikel 2.35
1.

De commissie en haar subcommissies kunnen zich bij hun werkzaamheden doen bijstaan door personen die geen lid zijn van de commissie.

2.

Onze Minister en Onze Ministers van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit kunnen, ieder voor hun ministerie, ambtenaren aanwijzen, die bevoegd zijn tot het bijwonen van de door de commissie en haar subcommissies te houden vergaderingen, met dien verstande dat in de vergaderingen van de commissie voor ieder van die ministeries ten hoogste één ambtenaar aanwezig is.

Artikel 2.36
1.

De vergaderingen van de commissie zijn openbaar. De commissie stelt bij haar in artikel 2.40 bedoelde besluit regels betreffende de openbaarheid van de vergaderingen van de subcommissies.

2.

Een vergadering of een gedeelte daarvan is niet openbaar in gevallen als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, van de Wet open overheid en in gevallen waarin het belang van openbaarheid niet opweegt tegen de in artikel 5.1, tweede lid, van die wet genoemde belangen.

Artikel 2.37
1.

De adviezen van de commissie worden uitgebracht overeenkomstig het gevoelen van de meerderheid van de vergadering.

2.

Ter vergadering ingebrachte minderheidsstandpunten worden in of bij de adviezen vermeld.

Artikel 2.38

De commissie houdt de op de door haar uitgebrachte adviezen betrekking hebbende voorbereidende stukken ter beschikking van Onze Minister en van de bestuursorganen, bedoeld in artikel 2.27, eerste lid, onder b.

Artikel 2.39
1.

De voorzitter van de commissie pleegt ten minste eenmaal per jaar overleg met Onze Minister over de door de commissie voorgenomen werkzaamheden voor de komende twaalf maanden. De commissie stelt vervolgens het programma van haar werkzaamheden vast en zendt dit aan Onze Minister.

2.

Ten behoeve van de voorbereiding van het in het eerste lid bedoelde overleg stelt de commissie een overzicht van de door haar voorgenomen werkzaamheden op en legt dit tijdig aan Onze Minister voor. De commissie voegt bij het overzicht een raming van de met de uitvoering van de werkzaamheden gepaard gaande kosten.

3.

De commissie oefent haar werkzaamheden uit binnen het raam van de middelen welke haar jaarlijks ingevolge de begrotingswet ter beschikking worden gesteld.

Artikel 2.40

De commissie stelt nadere regels betreffende haar werkwijze en de werkwijze van haar subcommissies en zendt deze aan Onze Minister.

§ 2.4. De provinciale milieucommissie

Artikel 2.41

Vervallen

Hoofdstuk 3. Internationale zaken

Artikel 3.1

Vervallen

Hoofdstuk 3. Internationale zaken

§ 2.4. De provinciale milieucommissie

Artikel 4.1

Vervallen

Artikel 4.2

Vervallen

Artikel 4.2a

Vervallen

Artikel 4.2b

Vervallen

§ 4.1. Algemeen

Artikel 4.3

Vervallen

Artikel 4.4

Vervallen

Artikel 4.5

Vervallen

Artikel 4.6

Vervallen

§ 4.3. Het nationale milieuprogramma

Artikel 4.7

Vervallen

Artikel 4.8

Vervallen

§ 4.2. Het nationale milieubeleidsplan

Artikel 4.9

Vervallen

Artikel 4.10

Vervallen

Artikel 4.11

Vervallen

Artikel 4.12

Vervallen

Artikel 4.13

Vervallen

§ 4.3. Het nationale milieuprogramma

Artikel 4.14

Vervallen

Artikel 4.15

Vervallen

§ 4.4. Het provinciale milieubeleidsplan

Artikel 4.15a

Vervallen

§ 4.5a. Het regionale milieubeleidsplan

Artikel 4.15b

Vervallen

§ 4.4. Het provinciale milieubeleidsplan

Artikel 4.16

Vervallen

Artikel 4.17

Vervallen

Artikel 4.18

Vervallen

Artikel 4.19

Vervallen

§ 4.5a. Het regionale milieubeleidsplan

Artikel 4.20

Vervallen

Artikel 4.21

Vervallen

§ 4.6. Het gemeentelijke milieubeleidsplan

Artikel 4.22

Vervallen

Artikel 4.23

Vervallen

Artikel 4.24

Vervallen

Hoofdstuk 5. Milieukwaliteitseisen

Artikel 5.1

Vervallen

Artikel 5.2

Vervallen

Artikel 5.2a

Vervallen

Artikel 5.3

Vervallen

Artikel 5.4

Vervallen

Artikel 5.5

Vervallen

Hoofdstuk 5. Milieukwaliteitseisen

Artikel 6.1

Vervallen

Hoofdstuk 5. Milieukwaliteitseisen

§ 7.1. Algemeen

Artikel 7.1

Vervallen

§ 7.1. Algemeen

Artikel 7.2

Vervallen

Artikel 7.3

Vervallen

Artikel 7.4

Vervallen

Artikel 7.5

Vervallen

Artikel 7.6

Vervallen

Artikel 7.7

Vervallen

Artikel 7.8

Vervallen

§ 7.3. Procedurevoorschriften bij het ondernemen van activiteiten, aangewezen krachtens artikel 7.4

Artikel 7.8a
1.

Indien degene die een activiteit wil ondernemen, aangewezen krachtens artikel 7.2, eerste lid, onder b, voornemens is een verzoek in te dienen tot het nemen van een besluit als bedoeld in het vierde lid van dat artikel, deelt hij dat voornemen schriftelijk mee aan het bevoegd gezag.

2.

Bij de mededeling, bedoeld in het eerste lid, wordt in elk geval aandacht besteed aan de in artikel 7.8b, eerste lid, bedoelde bijzondere omstandigheden waaronder de activiteit wordt ondernomen.

3.

Bij een mededeling als bedoeld in het eerste lid kan degene die de activiteit wil ondernemen, verklaren dat hij bij de voorbereiding van het besluit een milieu-effectrapport maakt.

Artikel 7.8b
1.

Behoudens in het geval dat toepassing is gegeven aan artikel 7.8a, derde lid, neemt het bevoegd gezag uiterlijk zes weken na de datum van ontvangst een beslissing omtrent de vraag of bij de voorbereiding van het betrokken besluit voor de activiteit, vanwege de belangrijke nadelige gevolgen die zij voor het milieu kan hebben, een milieu-effectrapport moet worden gemaakt.

2.

Indien wenselijk, vindt, alvorens het bevoegd gezag een beslissing neemt, overleg plaats met degene die de mededeling heeft gedaan.

3.

Indien met betrekking tot de activiteit meer dan één besluit is aangewezen, nemen de bevoegde bestuursorganen de in het eerste lid bedoelde beslissing gezamenlijk.

4.

Het bevoegd gezag houdt bij zijn beslissing rekening met de in bijlage III bij de EEG-richtlijn milieu-effectbeoordeling aangegeven omstandigheden.

5.

Het bevoegd gezag doet mededeling van zijn beslissing door:

6.

In kennisgevingen als bedoeld in het vijfde lid vermeldt het bevoegd gezag ten minste:

Artikel 7.8c

Degene die een activiteit, aangewezen krachtens artikel 7.2, eerste lid, onder b, wil ondernemen, is verplicht een milieu-effectrapport te maken indien:

Artikel 7.8d
1.

Indien het bevoegd gezag degene is die een activiteit, aangewezen krachtens artikel 7.2, eerste lid, onder b, wil ondernemen, neemt het in een zo vroeg mogelijk stadium voor de voorbereiding van het besluit dat krachtens het vierde lid van dat artikel is aangewezen een beslissing omtrent de vraag of vanwege de bijzondere omstandigheden waaronder de activiteit wordt ondernomen, een milieu-effectrapport moet worden gemaakt. Artikel 7.8b, derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

2.

Onder een zo vroeg mogelijk stadium wordt het volgende verstaan:

3.

Het bevoegd gezag neemt de beslissing na overleg met de instanties die bij of krachtens een wet moeten worden betrokken bij de voorbereiding van het betrokken besluit.

4.

Het bevoegd gezag doet van de beslissing mededeling door:

5.

Bij de bekendmaking en mededeling van de beslissing vermeldt het bevoegd gezag ten minste:

Artikel 7.8e

De artikelen 7.8a tot en met 7.8d vinden geen toepassing ten aanzien van een activiteit, aangewezen in een algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 7.2, eerste lid, onder b, voor zover die activiteit bij een provinciale verordening krachtens artikel 7.6, eerste lid, overeenkomstig de omschrijving in die algemene maatregel van bestuur is aangewezen en het een besluit betreft dat ter zake van die activiteit bij die verordening overeenkomstig die maatregel is aangewezen.

§ 5.2.3. Nationaal programma en overige programma's

Artikel 7.9

Vervallen

Artikel 7.10

Vervallen

Artikel 7.11

Vervallen

§ 7.5. De voorbereiding van het milieu-effectrapport

Artikel 7.12

Vervallen

Artikel 7.13

Vervallen

Artikel 7.14

Vervallen

Artikel 7.15

Vervallen

Artikel 7.16

Vervallen

§ 7.6. De beoordeling van het milieu-effectrapport

Artikel 7.17

Vervallen

Artikel 7.18

Vervallen

Artikel 7.19

Vervallen

Artikel 7.20

Vervallen

Artikel 7.21

Vervallen

Artikel 7.22

Vervallen

Artikel 7.23

Vervallen

Artikel 7.24

Vervallen

Artikel 7.25

Vervallen

Artikel 7.26

Vervallen

§ 7.2. Plannen en besluiten ten aanzien waarvan het maken van een milieu-effectrapport verplicht is

Artikel 7.27

Vervallen

Artikel 7.28

Vervallen

Artikel 7.29

Vervallen

Artikel 7.30

Vervallen

Artikel 7.31

Vervallen

Artikel 7.32

Vervallen

Artikel 7.33

Vervallen

Artikel 7.34

Vervallen

Artikel 7.35

Vervallen

Artikel 7.36

Vervallen

Artikel 7.37

Vervallen

Artikel 7.38

Vervallen

§ 7.3. Het milieueffectrapport dat betrekking heeft op een plan

Artikel 7.38a

Vervallen

Artikel 7.38b

Vervallen

Artikel 7.38c

Vervallen

Artikel 7.38d

Vervallen

Artikel 7.38e

Vervallen

Artikel 7.38f

Vervallen

Artikel 7.38g

Vervallen

§ 7.5. De voorbereiding van een milieu-effectrapport dat betrekking heeft op een besluit

Artikel 7.39

Vervallen

Artikel 7.40

Vervallen

Artikel 7.41

Vervallen

Artikel 7.42

Vervallen

Artikel 7.43

Vervallen

Hoofdstuk 8. Inrichtingen

Titel 8.1. Vergunningen

Afdeling 8.1.1. Algemeen

Artikel 8.1

Vervallen

Artikel 8.2

Vervallen

Artikel 8.2a

Vervallen

Artikel 8.2b

Vervallen

Artikel 8.3

Vervallen

Artikel 8.4

Vervallen

Artikel 8.5

Vervallen

Artikel 8.6

Vervallen

Artikel 8.7

Vervallen

Artikel 8.8

Vervallen

Artikel 8.9

Vervallen

Artikel 8.10

Vervallen

Artikel 8.11

Vervallen

Artikel 8.12

Vervallen

Artikel 8.13

Vervallen

Artikel 8.13a

Vervallen

Artikel 8.14

Vervallen

Artikel 8.15

Vervallen

Artikel 8.16

Vervallen

Artikel 8.17

Vervallen

Artikel 8.18

Vervallen

Artikel 8.19

Vervallen

Artikel 8.20

Vervallen

Artikel 8.21

Vervallen

Afdeling 8.1.2. Wijziging of intrekking van vergunningen

Artikel 8.22

Vervallen

Artikel 8.23

Vervallen

Artikel 8.24

Vervallen

Artikel 8.25

Vervallen

Artikel 8.26

Vervallen

Afdeling 8.1.3. Bijzondere gevallen

§ 7.11. Activiteiten met mogelijke grensoverschrijdende milieugevolgen

Artikel 8.27

Vervallen

§ 7.8. Activiteiten met mogelijke grensoverschrijdende milieugevolgen

Artikel 8.28

Vervallen

Artikel 8.29

Vervallen

Artikel 8.30

Vervallen

Artikel 8.31

Vervallen

Artikel 8.31a

Vervallen

Artikel 8.32

Vervallen

Artikel 8.33

Vervallen

Artikel 8.34

Vervallen

Paragraaf 8.1

Artikel 8.35

Vervallen

Artikel 8.36

Vervallen

Artikel 8.37

Vervallen

Artikel 8.38

Vervallen

Artikel 8.39

Vervallen

Titel 8.1. Vergunningen

§ 8.2.1. Regels voor niet-vergunningplichtige inrichtingen

Artikel 8.40
1.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over milieubelastende activiteiten.

2.

De artikelen 4.4, 4.5 en 4.7 van de Omgevingswet zijn van overeenkomstige toepassing.

3.

Artikel 4.9 van de Omgevingswet is van overeenkomstige toepassing, tenzij bij de maatregel anders is bepaald.

Artikel 8.41

Vervallen

Artikel 8.42

Vervallen

Artikel 8.43

Vervallen

§ 8.2.2. Regels voor vergunningplichtige inrichtingen

Artikel 8.44

Vervallen

Artikel 8.45

Vervallen

Artikel 8.46

Door vernummering vervallen.

Titel 8.2. Algemene regels

Artikel 8.47
1.

In deze paragraaf en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

2.

Onder stortplaats wordt mede verstaan een gesloten stortplaats. Tot de stortplaats wordt mede gerekend het gedeelte van de stortplaats waar het storten van afvalstoffen is beëindigd.

3.

Het bevoegd gezag verklaart een stortplaats voor gesloten, indien:

Artikel 8.48
1.

Deze paragraaf is van toepassing op stortplaatsen waarvoor met betrekking tot het verrichten van een milieubelastende activiteit een omgevingsvergunning is vereist, waar op of na 1 september 1996 afvalstoffen worden gestort, en

2.

Deze paragraaf is, met uitzondering van het eerste lid van dit artikel, van overeenkomstige toepassing op winningsafvalvoorzieningen.

3.

Het tweede lid is niet van toepassing op bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorieën van winningsafvalvoorzieningen.

Artikel 8.49
1.

Met betrekking tot een gesloten stortplaats worden zodanige maatregelen getroffen dat wordt gewaarborgd dat die stortplaats geen nadelige gevolgen voor het milieu veroorzaakt, dan wel, voor zover dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de grootst mogelijke bescherming wordt geboden tegen die nadelige gevolgen.

2.

Tot de maatregelen, bedoeld in het eerste lid, worden in ieder geval gerekend:

3.

Degene die een stortplaats drijft, stelt een nazorgplan op ter uitvoering van de maatregelen, bedoeld in het eerste en tweede lid. Het nazorgplan behoeft de instemming van het bevoegd gezag. Het bevoegd gezag beslist hierover binnen dertien weken na de indiening van het nazorgplan. Indien het bevoegd gezag niet binnen de gestelde termijn heeft beslist, is de instemming van rechtswege gegeven. Het bevoegd gezag maakt de instemming van rechtswege onverwijld nadat de beslistermijn is verstreken, bekend.

4.

Het bevoegd gezag kan degene die een stortplaats drijft, bevelen het nazorgplan waarmee het heeft ingestemd, aan te passen gezien de ontwikkelingen op het gebied van de technische mogelijkheden tot bescherming van het milieu en de ontwikkelingen met betrekking tot de kwaliteit van het milieu, dan wel in verband met een verandering van de stortplaats sedert de datum van instemming met het nazorgplan.

5.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen met betrekking tot de in het eerste en tweede lid bedoelde maatregelen alsmede met betrekking tot het in het derde lid bedoelde nazorgplan nadere regels worden gesteld.

Artikel 8.50
1.

Het bevoegd gezag is belast met de maatregelen, bedoeld in artikel 8.49.

2.

Het bevoegd gezag kan de zorg voor de uitvoering van de werkzaamheden die verband houden met de in artikel 8.49 bedoelde maatregelen, opdragen aan een daartoe door hem aangewezen rechtspersoon of instantie.

3.

In afwijking van het eerste lid berust de zorg voor de uitvoering van de werkzaamheden die verband houden met de in artikel 8.49 bedoelde maatregelen met betrekking tot:

4.

Op verzoek van degene die een bedrijfsgebonden stortplaats het laatst heeft gedreven, wordt bij het al dan niet toepassen van het tweede lid rekening gehouden met de mogelijkheid die zorg aan die persoon op te dragen.

Artikel 8.51

Vervallen

Hoofdstuk 9. Stoffen en produkten

Hoofdstuk 10. Afvalstoffen

Titel 8.3. Regels met betrekking tot gesloten stortplaatsen

Artikel 10.1
1.

Een ieder die handelingen met betrekking tot afvalstoffen verricht of nalaat en die weet of redelijkerwijs had kunnen weten dat daardoor nadelige gevolgen voor het milieu ontstaan of kunnen ontstaan, is verplicht alle maatregelen te nemen of na te laten die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd, teneinde die gevolgen zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken.

2.

Het is een ieder bij wie afvalstoffen ontstaan, verboden handelingen met betrekking tot die afvalstoffen te verrichten of na te laten, waarvan hij weet of redelijkerwijs had kunnen weten dat daardoor nadelige gevolgen voor het milieu ontstaan of kunnen ontstaan.

3.

Het is een ieder verboden bedrijfsmatig of in een omvang of op een wijze alsof deze bedrijfsmatig was, handelingen met betrekking tot afvalstoffen te verrichten, indien daardoor, naar hij weet of redelijkerwijs had kunnen weten, nadelige gevolgen voor het milieu ontstaan of kunnen ontstaan.

4.

Onder handelingen als bedoeld in het derde lid wordt in ieder geval verstaan: inzamelen of anderszins in ontvangst nemen, bewaren, nuttig toepassen, verwijderen, vervoeren of verhandelen van afvalstoffen of bemiddelen bij het beheer van afvalstoffen.

5.

De verboden, bedoeld in het tweede en derde lid, gelden niet voor zover deze handelingen betreffen, die degene die deze verricht, uitdrukkelijk zijn toegestaan bij of krachtens deze wet, een in artikel 13.1, tweede lid, genoemde wet, de Omgevingswet of de EG-verordening overbrenging van afvalstoffen.

Artikel 10.1a

Vervallen

Artikel 10.1b

Vervallen

Artikel 10.2
1.

Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen te storten, anderszins op of in de bodem te brengen of te verbranden.

2.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan, indien het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet, voor daarbij aangegeven categorieën van gevallen vrijstelling worden verleend van het verbod, bedoeld in het eerste lid.

3.

Indien toepassing is gegeven aan het tweede lid, kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur in het belang van de bescherming van het milieu regels worden gesteld met betrekking tot handelingen als bedoeld in het eerste lid.

4.

Dit artikel is niet van toepassing op afgegeven of ingezamelde huishoudelijke afvalstoffen.

Artikel 10.3

Onze Minister stelt ten minste eenmaal in de zes jaar een circulair materialenplan vast.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)