Wet van 14 februari 1992, houdende nieuwe bepalingen met betrekking tot gemeenten

Type Wet
Publication 2026-03-21
Laatst bijgewerkt 2026-04-18
State In force
Source BWB
artikelen 569
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Bij de invordering van gemeentelijke belastingen blijven van de Invorderingswet 1990 buiten toepassing de artikelen 5, 7c, 20, 2159, 62 en 69. Bij de invordering van gemeentelijke belastingen die op andere wijze worden geheven, blijft bovendien artikel 8, eerste lid, van die wet buiten toepassing.

Artikel 250
1.

De belastingverordening kan van artikel 9 van de Invorderingswet 1990 afwijkende voorschriften inhouden.

2.

De belastingverordening kan bepalen dat het verschuldigde bedrag moet worden betaald gelijktijdig met en op dezelfde wijze als de voldoening van een andere vordering aan de schuldeiser van die andere vordering.

Artikel 250a

Vervallen

Artikel 251

Met betrekking tot het doen van een vordering als bedoeld in artikel 19, eerste en vierde lid, van de Invorderingswet 1990 zijn de krachtens het elfde lid van dat artikel door Onze Minister van Financiën gestelde regels van overeenkomstige toepassing.

Artikel 251a

Vervallen

Artikel 252

De verrekening van aan de belastingschuldige uit te betalen en van hem te innen bedragen ter zake van gemeentelijke belastingen op de voet van artikel 24 van de Invorderingswet 1990 is ook mogelijk ingeval de in artikel 9 van de Invorderingswet 1990 gestelde termijn, dan wel de krachtens artikel 250, eerste lid, gestelde termijn nog niet is verstreken.

Artikel 253
1.

Indien ter zake van hetzelfde voorwerp van de belasting of hetzelfde belastbare feit twee of meer personen belastingplichtig zijn, kan de belastingaanslag ten name van een van hen worden gesteld.

2.

Indien de belastingplicht, bedoeld in het eerste lid, voortvloeit uit het genot van een onroerende zaak krachtens eigendom, bezit of beperkt recht en de aanslag ten name van één van de belastingplichtigen is gesteld, kan de met de invordering van gemeentelijke belastingen belaste gemeenteambtenaar de belastingaanslag op de gehele onroerende zaak verhalen ten name van degene te wiens name de aanslag is gesteld, zonder rekening te houden met de rechten van de overige belastingplichtigen.

3.

De belastingschuldige die de belastingaanslag heeft voldaan kan hetgeen hij meer heeft voldaan dan overeenkomt met zijn belastingplicht verhalen op de overige belastingplichtigen naar evenredigheid van ieders belastingplicht.

4.

Tegen een met toepassing van het eerste lid vastgestelde belastingaanslag kan mede beroep bij de rechtbank worden ingesteld door de belastingplichtige wiens naam niet op het aanslagbiljet staat vermeld. Artikel 26a, derde lid, van de Algemene wet is van overeenkomstige toepassing.

5.

Van het derde lid kan bij overeenkomst worden afgeweken.

Artikel 254

Voor de toepassing van artikel 66 van de Invorderingswet 1990 met betrekking tot gemeentelijke belastingen blijven de artikelen 76, 80, tweede, derde en vierde lid, 82, 84, 86 en 87 van de Algemene wet buiten toepassing.

Artikel 255
1.

De in de artikelen 26 en 26a van de Invorderingswet 1990 bedoelde kwijtschelding wordt met betrekking tot gemeentelijke belastingen verleend door de in artikel 231, tweede lid, onderdeel c, bedoelde gemeenteambtenaar.

2.

Met betrekking tot het verlenen van gehele of gedeeltelijke kwijtschelding zijn de krachtens artikel 26 van de Invorderingswet 1990 door Onze Minister van Financiën bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing.

3.

De raad kan bepalen dat, in afwijking van de in het tweede lid bedoelde regels, in het geheel geen dan wel gedeeltelijk kwijtschelding wordt verleend.

4.

Met inachtneming van door Onze Minister, in overeenstemming met Onze Minister van Financiën, te stellen regels kan de raad met betrekking tot de wijze waarop de kosten van bestaan en de wijze waarop het vermogen in aanmerking worden genomen afwijkende regels stellen die er toe leiden dat in ruimere mate kwijtschelding wordt verleend.

5.

Het college kan de belasting geheel of gedeeltelijk oninbaar verklaren. Het daartoe strekkende besluit ontheft de gemeenteambtenaar belast met de invordering van gemeentelijke belastingen van de verplichting verdere pogingen tot invordering te doen.

Artikel 255a

Vervallen

Artikel 256

Indien ter zake van een gemeentelijke belasting exploot moet worden gedaan, een akte van vervolging betekend of een dwangbevel ten uitvoer gelegd in een van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, dan wel in een andere gemeente dan die waaraan belasting verschuldigd is, is daartoe naast de belastingdeurwaarder van laatstbedoelde gemeente mede de belastingdeurwaarder van eerstbedoelde gemeente respectievelijk van het desbetreffende openbaar lichaam bevoegd en desgevraagd verplicht.

Artikel 257

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen inzake de belastingen, bedoeld in artikel 220, nadere regels worden gegeven inzake de heffing en de invordering, alsmede inzake alle gemeentelijke belastingen andere in het kader van deze paragraaf passende nadere regels ter aanvulling van de in deze paragraaf geregelde onderwerpen.

Artikel 258

Vervallen

Titel V. Aanvullende bepalingen inzake het toezicht op het gemeentebestuur

Hoofdstuk XIV. De administratie en de controle

Artikel 259
1.

Beslissingen van gemeentebesturen kunnen slechts aan goedkeuring worden onderworpen in bij de wet of krachtens de wet bij provinciale verordening bepaalde gevallen.

2.

Ten aanzien van de goedkeuring van andere beslissingen dan besluiten zijn artikel 266 alsmede afdeling 10.2.1 van de Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige toepassing.

Artikel 260

Vervallen

Artikel 261

Vervallen

Artikel 262

Vervallen

Artikel 263

Vervallen

Artikel 264

Vervallen

Artikel 265

Vervallen

Artikel 266
1.

Een beslissing die aan goedkeuring bij koninklijk besluit is onderworpen, wordt toegezonden aan Onze Minister wie het aangaat.

2.

Een voordracht tot onthouding van goedkeuring wordt gedaan door of mede door Onze Minister.

3.

Onthouding van goedkeuring geschiedt niet, dan nadat de Raad van State is gehoord. De toepassing van artikel 10:30, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht vindt in dat geval plaats voordat het ontwerp-besluit bij de Raad van State ter overweging wordt gebracht. Artikel 27d van de Wet op de Raad van State is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 267

Vervallen

Hoofdstuk XIV. De administratie en de controle

Artikel 268
1.

Een besluit dan wel een niet-schriftelijke beslissing gericht op enig rechtsgevolg van het gemeentebestuur kan bij koninklijk besluit worden vernietigd.

2.

Ten aanzien van de vernietiging van een niet-schriftelijke beslissing gericht op enig rechtsgevolg zijn de artikelen 273 tot en met 281a alsmede de afdelingen 10.2.2 en 10.2.3 van de Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige toepassing.

Artikel 269

Vervallen

Artikel 270

Vervallen

Artikel 271

Vervallen

Artikel 272

Vervallen

Artikel 273
1.

Indien een besluit naar het oordeel van de burgemeester voor vernietiging in aanmerking komt, doet hij daarvan binnen twee dagen nadat het te zijner kennis is gekomen, door tussenkomst van gedeputeerde staten, mededeling aan Onze Minister wie het aangaat. Hij geeft hiervan tegelijkertijd kennis aan het orgaan dat het besluit nam, en zo nodig aan het orgaan dat met de uitvoering van het besluit is belast.

2.

Gedeputeerde staten zenden de stukken, vergezeld van hun advies, binnen een week na de dagtekening van de mededeling van de burgemeester toe aan Onze Minister wie het aangaat.

3.

Het besluit ten aanzien waarvan het eerste lid toepassing heeft gevonden, wordt niet of niet verder uitgevoerd, voordat van Onze Minister wie het aangaat de mededeling is ontvangen, dat voor schorsing of vernietiging geen redenen bestaan. Indien het besluit niet binnen vier weken na de dagtekening van de mededeling van de burgemeester is geschorst of vernietigd, wordt het uitgevoerd.

Artikel 274
1.

Een voordracht tot schorsing wordt gedaan door Onze Minister wie het aangaat.

2.

Over de voordracht pleegt Onze Minister wie het aangaat overleg met Onze Minister, tenzij schorsing onverwijld plaats dient te vinden. In de voordracht wordt het achterwege blijven van overleg gemotiveerd.

Artikel 275

In het koninklijk besluit kan voor de duur van de schorsing een voorziening worden getroffen.

Artikel 276

Vervallen

Artikel 277

Indien een bekendgemaakt besluit niet is vernietigd binnen de tijd waarvoor het is geschorst, wordt hiervan door het gemeentebestuur kennisgegeven in het gemeenteblad.

Artikel 278
1.

De voordracht tot vernietiging wordt gedaan door of mede door Onze Minister.

Artikel 279

Het koninklijk besluit tot schorsing, opheffing of verlenging van de schorsing of tot vernietiging wordt in de Staatscourant geplaatst.

Artikel 280

Vervallen

Artikel 281
1.

Het gemeentebestuur neemt opnieuw een besluit omtrent het onderwerp van het vernietigde besluit, waarbij met het koninklijk besluit wordt rekening gehouden, tenzij in het koninklijk besluit toepassing is gegeven aan artikel 278a, tweede of derde lid.

2.

In het koninklijk besluit kan een termijn worden gesteld waarbinnen toepassing wordt gegeven aan het eerste lid. De artikelen 124 tot en met 124h zijn van overeenkomstige toepassing ingeval niet binnen de termijn toepassing is gegeven aan het eerste lid.

Artikel 281a

In afwijking van artikel 8:4, eerste lid, onderdeel d, van de Algemene wet bestuursrecht kan een belanghebbende tegen een koninklijk besluit als bedoeld in artikel 268, eerste lid, dan wel tegen een vernietigingsbesluit als bedoeld in artikel 85, tweede lid, beroep instellen.

Titel VI

Artikel 282

Vervallen

Artikel 283

Vervallen

Artikel 284

Vervallen

Artikel 285

Vervallen

Artikel 286

Vervallen

Artikel 287

Vervallen

Artikel 288

Vervallen

Artikel 288a

Vervallen

Titel VII. Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 289

Vervallen

Artikel 290
1.

De intrekking van de gemeentewet heeft geen gevolgen voor de geldigheid van de op de dag voor de inwerkingtreding van deze wet geldende besluiten.

2.

Besluiten als bedoeld in het eerste lid die algemeen verbindende voorschriften bevatten waarvan de inhoud in strijd is met deze wet, worden binnen twee jaar na de datum van inwerkingtreding van deze wet daarmee in overeenstemming gebracht of ingetrokken. De besluiten, of onderdelen daarvan, die bij het verstrijken van de in de vorige volzin genoemde termijn niet met deze wet in overeenstemming zijn gebracht of zijn ingetrokken, zijn van rechtswege vervallen.

3.

Besluiten van gedeputeerde staten, bedoeld in artikel 100, eerste lid van de gemeentewet vervallen van rechtswege op de dag waarop deze wet in werking treedt.

4.

Niettemin blijven gedeputeerde staten na de inwerkingtreding van deze wet bevoegd de jaarwedde van wethouders over de periode voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet vast te stellen overeenkomstig artikel 100, eerste lid, van de gemeentewet.

5.

Het derde en het vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing op jaarwedden van gemeentesecretarissen, bedoeld in artikel 111, eerste lid, van de gemeentewet.

Artikel 291

Artikel 44, vijfde tot en met achtste lid, onderscheidenlijk artikel 66, vijfde tot en met zevende lid, is niet van toepassing op de bij inwerkingtreding van die bepalingen zittende wethouder onderscheidenlijk burgemeester, zolang deze zonder onderbreking zijn ambt vervult in dezelfde gemeente.

Artikel 292

Artikel 86 zoals dat artikel luidde voor inwerkingtreding van Artikel I van de Wet bevorderen integriteit en functioneren decentraal bestuur blijft van toepassing op stukken waarop voor die datum geheimhouding is opgelegd op grond van dat artikel.

Artikel 293

Vervallen

Artikel 294

Vervallen

Artikel 295

Vervallen

Artikel 296

Vervallen

Artikel 297

Vervallen

Artikel 298

Vervallen

Artikel 299

Vervallen

Artikel 299a

Vervallen

Artikel 299b

Vervallen

Artikel 300

Vervallen

Artikel 300a

Vervallen

Artikel 300b

Vervallen

Artikel 301

Vervallen

Artikel 302

Vervallen

Artikel 303

Vervallen

Artikel 304

Vervallen

Artikel 305

Vervallen

Artikel 305a

Vervallen

Artikel 306

Vervallen

Artikel 307

Vervallen

Artikel 308

Vervallen

Artikel 309

Vervallen

Artikel 310

Deze wet kan worden aangehaald als: Gemeentewet.

Bijlage. bedoeld in artikel 299, tweede lid, van de Gemeentewet

Ministerie van Verkeer en Waterstaat

Wet Waterhuishouding (TK, 1986-1987, 17 367, nr. 8)

Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer

Alle verplichtingen, zoals bedoeld in artikel 111, tweede lid, die voorkomen in de volgende wetten:

Ministerie van Binnenlandse Zaken

Wet rampen en zware ongevallen, artikelen 3 en 7

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 151b
1.

De raad kan bij verordening de burgemeester de bevoegdheid verlenen om bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, een gebied, met inbegrip van de daarin gelegen voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven, aan te wijzen als veiligheidsrisicogebied. In een veiligheidsrisicogebied kan de officier van justitie de bevoegdheden, bedoeld in de artikelen 50, derde lid, 51, derde lid, en 52, derde lid, van de Wet wapens en munitie toepassen.

2.

De burgemeester gaat niet over tot aanwijzing als veiligheidsrisicogebied dan na overleg met de officier van justitie in het overleg, bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de Politiewet 2012.

3.

De aanwijzing als veiligheidsrisicogebied wordt gegeven voor een bepaalde duur die niet langer is en voor een gebied dat niet groter is dan strikt noodzakelijk voor de handhaving van de openbare orde.

4.

De beslissing tot gebiedsaanwijzing wordt op schrift gesteld en bevat een omschrijving van het gebied waarop deze van toepassing is alsmede de geldigheidsduur.

5.

De burgemeester brengt de gebiedsaanwijzing zo spoedig mogelijk ter kennis van de raad en van de officier van justitie, bedoeld in het tweede lid.

6.

Zodra de verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel de ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, bedoeld in het eerste lid, is geweken, trekt de burgemeester de gebiedsaanwijzing in. Het vijfde lid is van overeenkomstige toepassing.

Hoofdstuk X. De bevoegdheid van het college van burgemeester en wethouders

Hoofdstuk XI. De bevoegdheid van de burgemeester

Titel IV. De financiën van de gemeente

Hoofdstuk X. De bevoegdheid van het college van burgemeester en wethouders

Hoofdstuk XIII. De begroting en de jaarrekening

§ 1. De begroting

Paragraaf 2. De jaarrekening

§ 3. Goedkeuring van de begroting

Hoofdstuk XIV. De administratie en de controle

Hoofdstuk XV. De gemeentelijke belastingen

§ 1. Algemene bepalingen

§ 2. Bijzondere bepalingen omtrent de onroerende-zaakbelastingen

§ 3. Bijzondere bepalingen omtrent de andere belastingen dan de onroerende-zaakbelastingen

§ 3. Goedkeuring van de begroting

Titel V. Aanvullende bepalingen inzake het toezicht op het gemeentebestuur

Hoofdstuk XVI. Goedkeuring

Hoofdstuk XVII. Schorsing en vernietiging

Titel VI

Titel VII. Overgangs- en slotbepalingen

Bijlage. bedoeld in artikel 299, tweede lid, van de Gemeentewet

Ministerie van Verkeer en Waterstaat

Wet Waterhuishouding (TK, 1986-1987, 17 367, nr. 8)

Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen

Alle verplichtingen, zoals bedoeld in artikel 111, tweede lid, die voorkomen in de volgende wetten:

Ministerie van Binnenlandse Zaken

Wet rampen en zware ongevallen, artikelen 3 en 7

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 81a

De raad stelt een rekenkamer in.

Artikel 81b

De raad stelt het aantal leden van de rekenkamer vast.

Artikel 81c
1.

De raad benoemt de leden van de rekenkamer voor de duur van zes jaar.

2.

Indien de rekenkamer uit twee of meer leden bestaat, benoemt de raad uit de leden de voorzitter.

3.

De raad kan plaatsvervangende leden benoemen. Indien de rekenkamer uit één lid bestaat, benoemt de raad in ieder geval een plaatsvervangend lid. Deze paragraaf is op plaatsvervangende leden van overeenkomstige toepassing.

4.

De raad kan een lid herbenoemen.

5.

Voorafgaand aan de benoemingen, bedoeld in het eerste tot en met het vierde lid, pleegt de raad overleg met de rekenkamer.

6.

Een lid van de rekenkamer wordt door de raad ontslagen:

  • a. op eigen verzoek;
  • b. bij de aanvaarding van een functie die onverenigbaar is met het lidmaatschap;
  • c. indien hij bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak wegens misdrijf is veroordeeld, dan wel hem bij zulk een uitspraak een maatregel is opgelegd die vrijheidsbeneming tot gevolg heeft;
  • d. indien hij bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak onder curatele is gesteld, in staat van faillissement is verklaard, surséance van betaling heeft verkregen of wegens schulden is gegijzeld;
  • e. indien hij naar het oordeel van de raad ernstig nadeel toebrengt aan het in hem gestelde vertrouwen.
7.

Een lid van de rekenkamer kan door de raad worden ontslagen:

  • a. indien hij door ziekte of gebreken blijvend ongeschikt is zijn functie te vervullen;
Artikel 81d
1.

De raad stelt een lid van de rekenkamer op non-activiteit indien:

  • a. hij zich in voorlopige hechtenis bevindt;
  • b. hij bij een nog niet onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak wegens misdrijf is veroordeeld, dan wel hem bij zulk een uitspraak een maatregel is opgelegd die vrijheidsbeneming tot gevolg heeft;
  • c. hij onder curatele is gesteld, in staat van faillissement is verklaard, surséance van betaling heeft verkregen of wegens schulden is gegijzeld ingevolge een nog niet onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak.
2.

De raad kan een lid van de rekenkamer op non-activiteit stellen, indien tegen hem een gerechtelijk onderzoek ter zake van een misdrijf wordt ingesteld of indien er een ander ernstig vermoeden is van het bestaan van feiten en omstandigheden die tot ontslag, anders dan op gronden vermeld in artikel 81c, zesde lid, onder a, en zevende lid, onder a, zouden kunnen leiden.

3.

De raad beëindigt de non-activiteit zodra de grond voor de maatregel is vervallen, met dien verstande dat in een geval als bedoeld in het tweede lid de non-activiteit in ieder geval eindigt na zes maanden. In dat geval kan de raad de maatregel telkens voor ten hoogste drie maanden verlengen.

Artikel 81e

Artikel 12 is van overeenkomstige toepassing op de leden van de rekenkamer.

Artikel 81f
1.

Een lid van de rekenkamer is niet tevens:

  • a. minister;
  • b. staatssecretaris;
  • c. lid van de Raad van State;
  • d. lid van de Algemene Rekenkamer;
  • e. Nationale ombudsman;
  • g. commissaris van de Koning van de provincie;
  • h. gedeputeerde van de provincie;
  • i. secretaris van de provincie;
  • j. griffier van de provincie;
  • k. lid van de raad;
  • l. burgemeester van de gemeente;
  • m. wethouder van de gemeente;
  • o. lid van een commissie van de gemeente;
  • p. ambtenaar of ambtenaar van politie, in dienst van die gemeente of uit anderen hoofde daaraan ondergeschikt;
  • q. ambtenaar, in dienst van de Staat of de provincie, tot wiens taak behoort het verrichten van werkzaamheden in het kader van het toezicht op de gemeente;
  • r. functionaris die krachtens de wet of een algemene maatregel van bestuur het gemeentebestuur van advies dient.
2.

In afwijking van het eerste lid, aanhef en onder p, kan een lid van de rekenkamer tevens zijn:

  • a. ambtenaar van de burgerlijke stand;
  • b. vrijwilliger of ander persoon die uit hoofde van een wettelijke verplichting niet bij wijze van beroep hulpdiensten verricht.
Artikel 81g
1.

Alvorens hun functie te kunnen uitoefenen, leggen de leden van de rekenkamer in de vergadering van de raad, in handen van de voorzitter, de volgende eed (verklaring en belofte) af:

«Ik zweer (verklaar) dat ik, om tot lid van de rekenkamer benoemd te worden, rechtstreeks noch middellijk, onder welke naam of welk voorwendsel ook, enige gift of gunst heb gegeven of beloofd.

Ik zweer (verklaar en beloof) dat ik, om iets in dit ambt te doen of te laten, rechtstreeks noch middellijk enig geschenk of enige belofte heb aangenomen of zal aannemen.

Ik zweer (beloof) dat ik getrouw zal zijn aan de Grondwet, dat ik de wetten zal nakomen en dat ik mijn plichten als lid van de rekenkamer naar eer en geweten zal vervullen.

Zo waarlijk helpe mij God Almachtig!»

(«Dat verklaar en beloof ik!»)

2.

Wanneer de eed (verklaring en belofte), bedoeld in het eerste lid, in de Friese taal wordt afgelegd, luidt de tekst van de eed (verklaring en belofte) als volgt:

«Ik swar (ferklearje) dat ik, om ta lid fan 'e rekkenkeamer beneamd te wurden, streekrjocht noch midlik, ûnder wat namme of wat ferlechje ek, hokker jefte of geunst dan ek jûn of ûnthjitten haw.

Ik swar (ferklearje en ûnthjit) dat ik, om eat yn dit amt te dwaan of te litten, streekrjocht noch midlik hokker geskink of hokker ûnthjit dan ek oannommen haw of oannimme sil.

Ik swar (ûnthjit) dat ik trou wêze sil oan 'e Grûnwet, dat ik de wetten neikomme sil en dat ik myn plichten as lid fan 'e rekkenkeamer yn alle oprjochtens ferfolje sil.

Sa wier helpe my God Almachtich!»

(«Dat ferklearje en ûnthjit ik!»).

Artikel 81h

Artikel 15, eerste en tweede lid, is van overeenkomstige toepassing op de leden van de rekenkamer.

Artikel 81i
1.

De rekenkamer stelt een reglement van orde voor haar werkzaamheden vast en, indien zij uit twee of meer personen bestaat, tevens voor haar vergaderingen.

2.

De rekenkamer zendt het reglement ter kennisneming aan de raad.

Artikel 81j
1.

De raad stelt, na overleg met de rekenkamer, de rekenkamer de nodige middelen ter beschikking voor een goede uitoefening van haar werkzaamheden.

2.

Op voordracht van de voorzitter of het enige lid van de rekenkamer besluit het college tot het aangaan van arbeidsovereenkomsten met zoveel ambtenaren van de rekenkamer als nodig zijn voor een goede uitoefening van haar werkzaamheden. Indien de voordracht een op de griffie werkzame ambtenaar betreft, besluit de raad tot het aangaan van de arbeidsovereenkomst.

3.

De ambtenaren die werkzaamheden verrichten voor de rekenkamer, verrichten niet tevens werkzaamheden voor een ander orgaan van de gemeente, met uitzondering van de op de griffie werkzame ambtenaren.

4.

De ambtenaren die werkzaamheden verrichten voor de rekenkamer, zijn ter zake van die werkzaamheden uitsluitend verantwoording schuldig aan de rekenkamer.

Artikel 81k

De leden van de rekenkamer ontvangen een bij verordening van de raad vastgestelde vergoeding voor hun werkzaamheden en een tegemoetkoming in de kosten.

Paragraaf 2. De gemeenschappelijke rekenkamer

Artikel 81l

In afwijking van artikel 81a kan de raad met de raad of de raden van een of meer andere gemeenten met toepassing van de artikelen 1, en 8, tweede lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen of met provinciale staten van één of meer provincies of met het algemeen bestuur of de algemene besturen van een of meer waterschappen, al dan niet met de raad of de raden van een of meer andere gemeenten tezamen, met toepassing van artikel 51 en 52, eerste lid, juncto artikel 8, tweede lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen, een gemeenschappelijke rekenkamer instellen. De artikelen 10, tweede, derde en vijfde tot en met achtste lid, 10a, 11, 11a, 15, 16, 17, 20, derde lid, 21, 22, 23, 30 en 54 van die wet zijn niet van toepassing.

Artikel 81m
1.

De artikelen 81b tot en met 81f, 81h, 81i en 81j, eerste, derde en vierde lid, zijn van overeenkomstige toepassing op de gemeenschappelijke rekenkamer, met dien verstande dat in de artikelen 81b tot en met 81d, 81i, tweede lid, en 81j, eerste lid, voor «de raad» telkens wordt gelezen «de raden van de deelnemende gemeenten gezamenlijk» of, indien de rekenkamer mede is ingesteld door provincies of waterschappen, «provinciale staten, de raden en de algemene besturen van de deelnemende provincies, gemeenten en waterschappen gezamenlijk».

2.

Artikel 81g is op de gemeenschappelijke rekenkamer van toepassing, met dien verstande dat voor «de raad» wordt gelezen «de raad van de gemeente die daartoe in de regeling waarbij de gemeenschappelijke rekenkamer is ingesteld, is aangewezen» of, indien de rekenkamer mede is ingesteld door provincies of waterschappen, «provinciale staten van de provincie, de raad van de gemeente of het algemeen bestuur van het waterschap dat daartoe in de regeling waarbij de gemeenschappelijke regeling is ingesteld zijn of is aangewezen».

Artikel 81n

Indien de raad of de raden van een of meer gemeenten met provinciale staten van een of meer provincies of het algemeen bestuur van een of meer waterschappen een gemeenschappelijke rekenkamer instellen, is, onverminderd artikel 81m, eerste lid, juncto artikel 81f, een lid van de rekenkamer niet tevens:

  • a. lid van provinciale staten van een deelnemende provincie of het algemeen bestuur van een deelnemend waterschap;
  • b. ambtenaar, in dienst van een deelnemende provincie of een deelnemend waterschap of uit anderen hoofde aan het bestuur van een deelnemende provincie of een deelnemend waterschap ondergeschikt;
  • c. ambtenaar, in dienst van de Staat, tot wiens taak het behoort het verrichten van werkzaamheden in het kader van het toezicht op de provincie of op het waterschap;
  • d. functionaris, krachtens de wet of algemene maatregel van bestuur geroepen om het provinciebestuur of het bestuur van het waterschap van advies te dienen.
Artikel 81o

In de regeling waarbij de gemeenschappelijke rekenkamer wordt ingesteld, worden ten minste regels gesteld over:

  • a. het op verzoek van de voorzitter of het enige lid van de rekenkamer in dienst nemen van de ambtenaren die nodig zijn voor een goede uitoefening van de werkzaamheden van de rekenkamer;
  • b. de vergoeding die de leden van de rekenkamer voor hun werkzaamheden ontvangen en de tegemoetkoming in de kosten.

Hoofdstuk V. De commissies

Paragraaf 1. Commissies

Paragraaf 1. Algemene bepaling

Hoofdstuk VI. Geldelijke voorzieningen ten behoeve van de leden van de raad en de commissies

Hoofdstuk VII. De secretaris en de griffier

Paragraaf 1. Algemene bepalingen

Paragraaf 2. De secretaris

Paragraaf 3. De griffier

Artikel 107a
1.

De griffier staat de raad en de door de raad ingestelde commissies bij de uitoefening van hun taak terzijde.

2.

De raad stelt in een instructie nadere regels over de taak en de bevoegdheden van de griffier.

Artikel 107b

De griffier is in de vergadering van de raad aanwezig.

Artikel 107c

Vervallen

Artikel 107d
1.

De raad regelt de vervanging van de griffier.

2.

De artikelen 100, tweede lid, 101 en 107 tot en met 107b zijn van overeenkomstige toepassing op degene die de griffier vervangt.

Artikel 107e
1.

De raad kan regels stellen over de organisatie van de griffie.

2.

De raad besluit tot het aangaan, wijzigen en beëindigen van arbeidsovereenkomsten met de op de griffie werkzame ambtenaren.

Titel III. De bevoegdheid van het gemeentebestuur

Hoofdstuk VIII. Algemene bepalingen

§ 1. Inleidende bepalingen

Paragraaf 2. De secretaris

§ 3. Bijzondere voorzieningen

§ 1. Inleidende bepalingen

§ 2. Verhouding tot de provincie en het Rijk

§ 4. Bestuursdwang

Hoofdstuk IX. De bevoegdheid van de raad

Hoofdstuk XI. De bevoegdheid van de burgemeester

Hoofdstuk XIa. De bevoegdheid van de rekenkamer

Titel IV. De financiën van de gemeente

Hoofdstuk XI. De bevoegdheid van de burgemeester

Hoofdstuk X. De bevoegdheid van het college van burgemeester en wethouders

§ 1. De begroting

Paragraaf 2. De jaarrekening

§ 3. Goedkeuring van de begroting

Hoofdstuk XIV. De administratie en de controle

Hoofdstuk XII. Algemene bepalingen

§ 1. Algemene bepalingen

§ 2. Bijzondere bepalingen omtrent de onroerende-zaakbelastingen

§ 3. Goedkeuring van de begroting

§ 4. Heffing en invordering

Titel V. Aanvullende bepalingen inzake het toezicht op het gemeentebestuur

Hoofdstuk XVI. Goedkeuring

Hoofdstuk XVII. Schorsing en vernietiging

Titel VI

Titel V. Aanvullende bepalingen inzake het toezicht op het gemeentebestuur

Bijlage. bedoeld in artikel 299, tweede lid, van de Gemeentewet

Ministerie van Verkeer en Waterstaat

Wet Waterhuishouding (TK, 1986-1987, 17 367, nr. 8)

Ministerie van Verkeer en Waterstaat

Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

Alle verplichtingen, zoals bedoeld in artikel 111, tweede lid, die voorkomen in de volgende wetten:

Ministerie van Verkeer en Waterstaat

Wet Waterhuishouding (TK, 1986-1987, 17 367, nr. 8)

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Hoofdstuk IVb. De rekenkamerfunctie

Artikel 81o
1.

Als geen rekenkamer is ingesteld als bedoeld in hoofdstuk IVa, stelt de raad bij verordening regels vast voor de uitoefening van de rekenkamerfunctie.

2.

De artikelen 182 en 185 zijn voor de uitoefening van de rekenkamerfunctie van overeenkomstige toepassing.

3.

Op personen die de rekenkamerfunctie uitoefenen, is artikel 81f, behoudens het eerste lid, onder j en o, van overeenkomstige toepassing.

Hoofdstuk IVb. De rekenkamerfunctie

Paragraaf 1. Commissies

Paragraaf 2. De gemeentelijke ombudsman

Hoofdstuk VI. Geldelijke voorzieningen ten behoeve van de leden van de raad en de commissies

Hoofdstuk VII. De secretaris en de griffier

Paragraaf 1. Algemene bepalingen

Paragraaf 2. Deelgemeenten

Paragraaf 3. De griffier

Titel III. De bevoegdheid van het gemeentebestuur

Hoofdstuk VIII. Algemene bepalingen

§ 1. Inleidende bepalingen

Paragraaf 2. De secretaris

§ 3. Bijzondere voorzieningen

Paragraaf 3. De griffier

§ 2. Verhouding tot de provincie en het Rijk

§ 6. Termijnen

Hoofdstuk IX. De bevoegdheid van de raad

Hoofdstuk X. De bevoegdheid van het college van burgemeester en wethouders

Hoofdstuk XI. De bevoegdheid van de burgemeester

Hoofdstuk XIa. De bevoegdheid van de rekenkamer

Titel IV. De financiën van de gemeente

Hoofdstuk XII. Algemene bepalingen

Hoofdstuk XIII. De begroting en de jaarrekening

§ 1. De begroting

Paragraaf 2. De jaarrekening

§ 3. Goedkeuring van de begroting

Hoofdstuk XIa. De bevoegdheid van de rekenkamer

Hoofdstuk XV. De gemeentelijke belastingen

§ 1. Algemene bepalingen

§ 2. Bijzondere bepalingen omtrent de onroerende-zaakbelastingen

§ 3. Bijzondere bepalingen omtrent de andere belastingen dan de onroerende-zaakbelastingen

§ 4. Heffing en invordering

Titel V. Aanvullende bepalingen inzake het toezicht op het gemeentebestuur

Hoofdstuk XVI. Goedkeuring

Hoofdstuk XVII. Schorsing en vernietiging

Titel VI

Titel VII. Overgangs- en slotbepalingen

Bijlage. bedoeld in artikel 299, tweede lid, van de Gemeentewet

Ministerie van Verkeer en Waterstaat

Wet Waterhuishouding (TK, 1986-1987, 17 367, nr. 8)

Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer

Alle verplichtingen, zoals bedoeld in artikel 111, tweede lid, die voorkomen in de volgende wetten:

Ministerie van Binnenlandse Zaken

Wet rampen en zware ongevallen, artikelen 3 en 4 en Brandweerwet 1985, artikel 4, eerste lid, onderdeel 2, onder a.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Hoofdstuk V. De commissies

Paragraaf 1. Commissies

Paragraaf 2. De gemeenschappelijke rekenkamer

Hoofdstuk V. De commissies

Hoofdstuk VII. De secretaris en de griffier

Paragraaf 3. De gemeentelijke ombudscommissie

Paragraaf 4. De gezamenlijke ombudsman en de gezamenlijke ombudscommissie

Titel III. De bevoegdheid van het gemeentebestuur

Hoofdstuk VII. De secretaris en de griffier

Paragraaf 1. Algemene bepalingen

Paragraaf 2. De secretaris

§ 3. Bijzondere voorzieningen

Paragraaf 3. De griffier

§ 3. Bijzondere voorzieningen

§ 6. Termijnen

Hoofdstuk IX. De bevoegdheid van de raad

Hoofdstuk X. De bevoegdheid van het college van burgemeester en wethouders

Hoofdstuk IX. De bevoegdheid van de raad

Hoofdstuk XIa. De bevoegdheid van de rekenkamer

Titel IV. De financiën van de gemeente

Hoofdstuk XII. Algemene bepalingen

§ 1. De begroting

§ 3. Goedkeuring van de begroting

Hoofdstuk XIV. De administratie en de controle

Hoofdstuk XIa. De bevoegdheid van de rekenkamer

§ 1. De begroting

§ 2. Bijzondere bepalingen omtrent de onroerende-zaakbelastingen

§ 3. Goedkeuring van de begroting

Paragraaf 2. De jaarrekening

Titel V. Aanvullende bepalingen inzake het toezicht op het gemeentebestuur

Hoofdstuk XVI. Goedkeuring

Hoofdstuk XVII. Schorsing en vernietiging

Titel VI

Titel V. Aanvullende bepalingen inzake het toezicht op het gemeentebestuur

Bijlage. bedoeld in artikel 299, tweede lid, van de Gemeentewet

Wet Waterhuishouding (TK, 1986-1987, 17 367, nr. 8)

Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

Wet rampen en zware ongevallen, artikelen 3 en 4 en Brandweerwet 1985, artikel 4, eerste lid, onderdeel 2, onder a.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 32a
1.

De stukken die van de raad uitgaan, worden door de burgemeester ondertekend en door de griffier medeondertekend. Bij verhindering of ontstentenis van de burgemeester worden de stukken die van de raad uitgaan ondertekend door degene die krachtens artikel 77 de burgemeester als voorzitter van de raad vervangt.

2.

De raad kan de burgemeester toestaan de ondertekening op te dragen aan de griffier of aan een of meer andere bij de griffie werkzame ambtenaren. In dat geval blijft medeondertekening achterwege.

Hoofdstuk III. Het college van burgemeester en wethouders

Artikel 59a
1.

De stukken die van het college uitgaan, worden door de burgemeester ondertekend en door de secretaris medeondertekend.

2.

Het college van burgemeester en wethouders kan hem toestaan de ondertekening op te dragen aan een ander lid van het college, aan de secretaris of aan een of meer andere gemeenteambtenaren.

3.

De medeondertekening door de secretaris is niet van toepassing indien de ondertekening van stukken die van het college uitgaan ingevolge het tweede lid is opgedragen aan de secretaris of een of meer andere gemeenteambtenaren.

Hoofdstuk IV. De burgemeester

Hoofdstuk IVa. De rekenkamer

Paragraaf 1. De gemeentelijke rekenkamer

Paragraaf 2. De gemeenschappelijke rekenkamer

Artikel 81oa

Vervallen

Hoofdstuk IVb. De rekenkamerfunctie

Paragraaf 1. Commissies

Paragraaf 2. Deelgemeenten

Artikel 89a

Vervallen

Hoofdstuk V. De commissies

Hoofdstuk VII. De secretaris en de griffier

Paragraaf 3. De griffier

Titel III. De bevoegdheid van het gemeentebestuur

Hoofdstuk VIII. Algemene bepalingen

§ 2. Verhouding tot de provincie en het Rijk

§ 2. Verhouding tot de provincie en het Rijk

§ 4. Bestuursdwang

§ 3. Bijzondere voorzieningen

Hoofdstuk IX. De bevoegdheid van de raad

Artikel 151c
1.

De raad kan bij verordening de burgemeester de bevoegdheid verlenen om, indien dat in het belang van de handhaving van de openbare orde noodzakelijk is, te besluiten om voor een bepaalde duur camera’s in te zetten ten behoeve van het toezicht op een openbare plaats als bedoeld in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties en andere bij verordening aan te wijzen plaatsen die voor een ieder toegankelijk zijn.

2.

De burgemeester besluit met inachtneming van het in de verordening van de raad bepaalde:

  • a. binnen welk gebied, bestaande uit openbare plaatsen of andere voor een ieder toegankelijke plaatsen als bedoeld in het eerste lid, camera’s worden ingezet;
  • b. voor welke duur de gebiedsaanwijzing plaatsvindt.
3.

De burgemeester stelt, na overleg met de officier van justitie in het overleg, bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de Politiewet 2012, de periode vast waarin in het belang van de handhaving van de openbare orde daadwerkelijk gebruik van de camera’s plaatsvindt en de met de camera’s gemaakte beelden in elk geval rechtstreeks worden bekeken.

4.

De burgemeester bedient zich bij de uitvoering van het in het eerste lid bedoelde besluit van de onder zijn gezag staande politie.

5.

De burgemeester trekt het besluit, bedoeld in het eerste lid, in zodra de inzet van camera’s niet langer noodzakelijk is in het belang van de handhaving van de openbare orde.

6.

De aanwezigheid van camera’s als bedoeld in het eerste lid is op duidelijke wijze kenbaar voor een ieder die het gebied, bedoeld in het tweede lid, onder a, betreedt.

7.

Met de camera’s worden uitsluitend beelden gemaakt van een openbare plaats als bedoeld in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties en andere bij verordening aan te wijzen plaatsen die voor een ieder toegankelijk zijn.

8.

Ten behoeve van de handhaving van de openbare orde worden in het kader van het toezicht, bedoeld in het eerste lid, gegevens verwerkt.

9.

De verwerking van de gegevens, bedoeld in het achtste lid, is een verwerking als bedoeld in de Wet politiegegevens, met dien verstande dat, in afwijking van het bepaalde in artikel 8 van die wet, de vastgelegde beelden na ten hoogste vier weken worden vernietigd en de gegevens, bedoeld in het achtste lid, indien er concrete aanleiding bestaat te vermoeden dat die gegevens noodzakelijk zijn voor de opsporing van een strafbaar feit, ten behoeve van de opsporing van dat strafbare feit kunnen worden verwerkt.

10.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen met het oog op de goede uitvoering van het toezicht, bedoeld in het eerste lid, regels worden gesteld omtrent:

  • a. de camera’s en andere technische hulpmiddelen benodigd voor het toezicht, bedoeld in het eerste lid, en de wijze waarop deze hulpmiddelen worden aangebracht;
  • b. de personen belast met of anderszins direct betrokken bij de uitvoering van het toezicht; en
  • c. de ruimten waarin de waarneming of verwerking van door het toezicht vastgelegde beelden plaatsvindt.

Hoofdstuk X. De bevoegdheid van het college van burgemeester en wethouders

Hoofdstuk XI. De bevoegdheid van de burgemeester

Titel IV. De financiën van de gemeente

Hoofdstuk XIII. De begroting en de jaarrekening

§ 1. De begroting

Paragraaf 2. De jaarrekening

Hoofdstuk XIII. De begroting en de jaarrekening

§ 1. De begroting

§ 1. De begroting

Paragraaf 2. De jaarrekening

§ 1. Algemene bepalingen

Titel V. Aanvullende bepalingen inzake het toezicht op het gemeentebestuur

Hoofdstuk XVI. Goedkeuring

Hoofdstuk XVII. Schorsing en vernietiging

Titel VI

Titel VII. Overgangs- en slotbepalingen

Bijlage. bedoeld in artikel 299, tweede lid, van de Gemeentewet

Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer

Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen

Alle verplichtingen, zoals bedoeld in artikel 111, tweede lid, die voorkomen in de volgende wetten:

Ministerie van Binnenlandse Zaken

Wet rampen en zware ongevallen, artikelen 3 en 4 en Brandweerwet 1985, artikel 4, eerste lid, onderdeel 2, onder a.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Paragraaf 1. Algemene bepaling

Artikel 81p
1.

Met inachtneming van het bepaalde in dit hoofdstuk kan de raad de behandeling van verzoekschriften als bedoeld in artikel 9:18, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, opdragen aan een gemeentelijke ombudsman of ombudscommissie, dan wel een gezamenlijke ombudsman of ombudscommissie.

2.

Een ombudsman of ombudscommissie als bedoeld in het eerste lid kan slechts per 1 januari van enig jaar worden ingesteld. Indien de raad hiertoe besluit, zendt hij het besluit tot instelling aan de Nationale ombudsman voor 1 juli van het jaar voorafgaand aan het jaar waarin de instelling ingaat.

3.

De instelling van een ombudsman of ombudscommissie als bedoeld in het eerste lid kan slechts per 1 januari van enig jaar worden beëindigd. Indien de raad hiertoe besluit, zendt hij het besluit tot beëindiging van de instelling aan de Nationale ombudsman voor 1 juli van het jaar voorafgaand aan het jaar waarin de instelling eindigt.

Paragraaf 1. Algemene bepaling

Artikel 81q
1.

Indien de raad de behandeling van verzoekschriften opdraagt aan een gemeentelijke ombudsman, benoemt hij deze voor de duur van zes jaar.

2.

De raad benoemt een plaatsvervangend ombudsman. Deze paragraaf is op de plaatsvervangend ombudsman van overeenkomstige toepassing.

3.

De ombudsman wordt door de raad ontslagen:

  • a. op eigen verzoek;
  • b. wanneer hij door ziekte of gebreken blijvend ongeschikt is zijn functie te vervullen;
  • d. wanneer hij bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak wegens misdrijf is veroordeeld, dan wel hem bij zulk een uitspraak een maatregel is opgelegd die vrijheidsbeneming tot gevolg heeft;
  • e. indien hij bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak onder curatele is gesteld, in staat van faillissement is verklaard, ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard, hij surseance van betaling heeft verkregen of wegens schulden is gegijzeld;
  • f. indien hij naar het oordeel van de raad ernstig nadeel toebrengt aan het in hem gestelde vertrouwen.
4.

De raad stelt de ombudsman op non-activiteit indien hij:

  • a. zich in voorlopige hechtenis bevindt;
  • b. bij een nog niet onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak wegens misdrijf is veroordeeld, dan wel hem bij zulk een uitspraak een maatregel is opgelegd die vrijheidsbeneming tot gevolg heeft;
  • c. onder curatele is gesteld, in staat van faillissement is verklaard, ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard, hij surseance van betaling heeft verkregen of wegens schulden is gegijzeld ingevolge een nog niet onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak.
Artikel 81r
1.

De ombudsman vervult geen betrekkingen waarvan de uitoefening ongewenst is met het oog op een goede vervulling van zijn ambt of op de handhaving van zijn onpartijdigheid en onafhankelijkheid of van het vertrouwen daarin.

2.

Artikel 12 is van overeenkomstige toepassing op de ombudsman.

Artikel 81s
1.

Alvorens zijn functie te kunnen uitoefenen, legt de ombudsman in de vergadering van de raad, in handen van de voorzitter, de volgende eed (verklaring en belofte) af: «Ik zweer (verklaar) dat ik, om tot ombudsman benoemd te worden, rechtstreeks noch middellijk, onder welke naam of welk voorwendsel ook, enige gift of gunst heb gegeven of beloofd.

Ik zweer (verklaar en beloof) dat ik, om iets in dit ambt te doen of te laten, rechtstreeks noch middellijk enig geschenk of enige belofte heb aangenomen of zal aannemen.

Ik zweer (verklaar en beloof) dat ik getrouw zal zijn aan de Grondwet, dat ik de wetten zal nakomen en dat ik mijn plichten als ombudsman naar eer en geweten zal vervullen.

Zo waarlijk helpe mij God almachtig!»

(«Dat verklaar en beloof ik!»)

2.

Wanneer de eed (verklaring en belofte), bedoeld in het eerste lid, in de Friese taal wordt afgelegd, luidt de tekst van de eed (verklaring en belofte) als volgt: «Ik swar (ferklearje) dat ik, om ta ombudsman beneamd te wurden, streekrjocht noch midlik, ûnder wat namme of wat ferlechje ek, hokker jefte of geunst dan ek jûn of ûnthjitten haw. Ik swar (ferklearje en ûnthjit) dat ik, om eat yn dit amt te dwaan of te litten, streekrjocht noch midlik hokker geskink of hokker ûnthjit dan ek oannommen haw of oannimme sil. Ik swar (ûnthjit) dat ik trou wêze sil oan 'e Grûnwet, dat ik de wetten neikomme sil en dat ik myn plichten as ombudsman yn alle oprjochtens ferfolje sil. Sa wier helpe my God Almachtich!» («Dat ferklearje en ûnthjit ik!»).

Artikel 81t
1.

Op voordracht van de ombudsman besluit het college tot het aangaan van arbeidsovereenkomsten met het personeel van de ombudsman dat nodig is voor een goede uitoefening van zijn werkzaamheden.

2.

De ombudsman ontvangt ter zake van de uitoefening van zijn werkzaamheden geen instructies, noch in het algemeen, noch voor een enkel geval.

3.

Het personeel van de ombudsman verricht geen werkzaamheden voor een bestuursorgaan naar wiens gedraging de ombudsman een onderzoek kan instellen.

4.

Het personeel van de ombudsman is ter zake van de werkzaamheden die het voor de ombudsman verricht, uitsluitend aan hem verantwoording schuldig.

Artikel 81u

De ombudsman zendt jaarlijks een verslag van zijn werkzaamheden aan de raad.

Artikel 81v

De ombudsman ontvangt een bij verordening van de raad vastgestelde vergoeding voor zijn werkzaamheden en een tegemoetkoming in de kosten.

Paragraaf 3. De gemeentelijke ombudscommissie

Artikel 81w
1.

Indien de raad de behandeling van verzoekschriften opdraagt aan een gemeentelijke ombudscommissie, stelt de raad het aantal leden van de ombudscommissie vast.

2.

De raad benoemt de leden van de ombudscommissie voor de duur van zes jaar.

3.

De raad benoemt uit de leden de voorzitter en de plaatsvervangend voorzitter van de ombudscommissie.

Artikel 81x
1.

De ombudscommissie zendt jaarlijks een verslag van zijn werkzaamheden aan de raad.

2.

Op de ombudscommissie en op ieder lid afzonderlijk zijn de artikelen 81q, derde en vierde lid, 81r, 81s, 81t en 81v van overeenkomstige toepassing.

Paragraaf 3. De gemeentelijke ombudscommissie

Artikel 81y
1.

De raad kan voor de behandeling van verzoekschriften een gezamenlijke ombudsman of een gezamenlijke ombudscommissie instellen met de raad of raden van een of meer andere gemeenten, dan wel met provinciale staten van een of meer provincies, dan wel met het algemeen bestuur van een of meer waterschappen, dan wel met het algemeen bestuur van een of meer openbare lichamen of gemeenschappelijke organen ingesteld bij gemeenschappelijke regeling.

2.

De ombudsman of de ombudscommissie zendt jaarlijks een verslag van zijn werkzaamheden aan de vertegenwoordigende organen van de deelnemende rechtspersonen.

3.

Op de ombudsman en op ieder afzonderlijk lid van de ombudscommissie zijn de artikelen 81q tot en met 81t, 81v en 81w van overeenkomstige toepassing.

Artikel 81z

Indien de raad een ombudsman of een ombudscommissie instelt met toepassing van de Wet gemeenschappelijke regelingen, zijn de in die wet ten aanzien van gemeenschappelijke organen opgenomen bepalingen slechts van toepassing voor zover de aard van de aan de ombudsman of de ombudscommissie opgedragen taken zich daartegen niet verzet.

Hoofdstuk VI. Geldelijke voorzieningen ten behoeve van de leden van de raad en de commissies

Paragraaf 3. De griffier

Titel III. De bevoegdheid van het gemeentebestuur

Hoofdstuk VIII. Algemene bepalingen

§ 5. Bekendmaking en inwerkingtreding van besluiten die algemeen verbindende voorschriften inhouden

§ 6. Termijnen

Hoofdstuk IX. De bevoegdheid van de raad

Hoofdstuk X. De bevoegdheid van het college van burgemeester en wethouders

Hoofdstuk XI. De bevoegdheid van de burgemeester

Titel IV. De financiën van de gemeente

Hoofdstuk XII. Algemene bepalingen

Hoofdstuk X. De bevoegdheid van het college van burgemeester en wethouders

§ 1. De begroting

Paragraaf 2. De jaarrekening

Hoofdstuk XIa. De bevoegdheid van de rekenkamer

Hoofdstuk XV. De gemeentelijke belastingen

§ 1. Algemene bepalingen

§ 1. De begroting

§ 2. Bijzondere bepalingen omtrent de onroerende-zaakbelastingen

Titel V. Aanvullende bepalingen inzake het toezicht op het gemeentebestuur

Hoofdstuk XVI. Goedkeuring

Hoofdstuk XVII. Schorsing en vernietiging

Titel V. Aanvullende bepalingen inzake het toezicht op het gemeentebestuur

Titel VII. Overgangs- en slotbepalingen

Bijlage. bedoeld in artikel 299, tweede lid, van de Gemeentewet

Ministerie van Verkeer en Waterstaat

Wet Waterhuishouding (TK, 1986-1987, 17 367, nr. 8)

Ministerie van Verkeer en Waterstaat

Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

Alle verplichtingen, zoals bedoeld in artikel 111, tweede lid, die voorkomen in de volgende wetten:

Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen

Alle verplichtingen, zoals bedoeld in artikel 111, tweede lid, die voorkomen in de volgende wetten:

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 184a

De rekenkamer is belast met het toezicht op de naleving van artikel 213, achtste lid.

Titel IV. De financiën van de gemeente

Hoofdstuk XI. De bevoegdheid van de burgemeester

Hoofdstuk XIII. De begroting en de jaarrekening

Paragraaf 2. De jaarrekening

Hoofdstuk XIa. De bevoegdheid van de rekenkamer

Hoofdstuk XII. Algemene bepalingen

Paragraaf 2. De jaarrekening

§ 1. De begroting

§ 3. Bijzondere bepalingen omtrent de andere belastingen dan de onroerende-zaakbelastingen

§ 2. Bijzondere bepalingen omtrent de onroerende-zaakbelastingen

Titel V. Aanvullende bepalingen inzake het toezicht op het gemeentebestuur

Hoofdstuk XVI. Goedkeuring

Hoofdstuk XVII. Schorsing en vernietiging

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)