Besluit van 15 september 1994, houdende het van kracht zijn voor de Rijn in Nederland van het Reglement van politie voor de Rijnvaart

Type Koninklijk besluit
Publication 2025-09-16
State In force
Source BWB
artikelen 187
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
3.

Onverminderd de door de bevoegde autoriteit opgelegde bijzondere voorwaarden, moeten drijvende inrichtingen een zodanige ligplaats innemen, dat de vaargeul vrij blijft voor de scheepvaart.

4.

Een schip, een samenstel en een drijvend voorwerp die stilliggen, zomede een drijvende inrichting, moeten zodanig zijn verankerd of gemeerd, dat zij door verandering van hun positie geen gevaar of hinder voor andere schepen kunnen vormen, waarbij met name rekening moet worden gehouden met wind en verandering van de waterstand, alsmede met zuiging en golfslag.

5.

Het van of aan boord gaan mag uitsluitend via veilige wegen gebeuren. Indien geschikte voorzieningen aan de wal aanwezig zijn mogen geen andere voorzieningen worden gebruikt. Indien er een afstand tussen het schip en de wal is, moeten loopplanken als bedoeld in artikel 13.02, derde lid, onderdeel d, van ES-TRIN zijn uitgelegd en op veilige wijze zijn bevestigd; de relingen van de loopplanken moeten zijn geplaatst.

Indien de bijboot voor het van of aan boord gaan wordt gebruikt, met een hoogteverschil tussen de bijboot en het dek, moet een geschikte, veilige voorziening aanwezig zijn voor het aan of van boord gaan.

Artikel 7.02. Ligplaats nemen
1.

Een schip, een drijvend voorwerp en een drijvende inrichting mogen geen ligplaats nemen:

  • a. op een gedeelte van de vaarweg waar bij algemene regeling het ligplaats nemen is verboden;
  • b. in een vak aangewezen door de bevoegde autoriteit;
  • c. in een vak aangeduid door het teken A.5 ( bijlage 7), waarbij het verbod van toepassing is aan de zijde van de vaarweg waar het teken is aangebracht;
  • d. onder een brug of onder een hoogspanningslijn;
  • e. in een engte zoals bedoeld in artikel 6.07 en in de nabijheid daarvan, en in een vak waar als gevolg van het stilliggen een engte zou ontstaan en in de nabijheid daarvan;
  • f. waar in de vaarweg een andere vaarweg, daaronder begrepen een haven, uitmondt;
  • g. in het traject van een veerpont;
  • h. in de route van schepen die aan een aanlegplaats willen aanleggen of van daar vertrekken;
  • i. op plaatsen om te keren, aangeduid door het teken E.8 ( bijlage 7);
  • k. evenwijdig aan een schip dat het bord bedoeld in artikel 3.33 voert, binnen de afstand die op de witte driehoek van dit bord in meters is aangegeven;
  • l. in een door het teken A.5.1 (bijlage 7) aangeduid vak, waarvan de breedte op het teken in meters is aangegeven. De breedte is vanaf het teken te rekenen.
2.

Op een gedeelte van de vaarweg waar het ligplaats nemen is verboden ingevolge het eerste lid, onder a tot en met d, mogen schepen, drijvende voorwerpen en drijvende inrichtingen evenwel ligplaats nemen op de bijzondere ligplaatsen, aangeduid door één der tekens E.5 tot en met E.7 ( bijlage 7), met inachtneming van de artikelen 7.03 tot en met 7.06.

Artikel 7.03. Ankeren en het gebruik van spudpalen
1.

Een schip, een drijvend voorwerp en een drijvende inrichting mogen niet ankeren en geen gebruik maken van spudpalen:

  • a. op een gedeelte van de vaarweg waar bij algemene regeling ankeren is verboden;
  • b. in een vak aangeduid door het teken A.6 (bijlage 7), aan de zijde van de vaarweg waar het teken is aangebracht.
2.

Op een gedeelte van de vaarweg waar ankeren en het gebruik van spudpalen ingevolge het eerste lid, onder a, verboden zijn, mogen een schip, een drijvend voorwerp en een drijvende inrichting evenwel ankeren in een vak aangeduid door het teken E.6 (bijlage 7), aan de zijde van de vaarweg waar het teken is aangebracht.

3.

Op een gedeelte van de vaarweg waar ankeren en het gebruik van spudpalen ingevolge het eerste lid, onder a, verboden zijn, mogen een schip, een drijvend voorwerp en een drijvende inrichting evenwel spudpalen gebruiken, in een vak aangeduid door het teken E.6.1 (bijlage 7), aan de zijde van de vaarweg waar het teken is aangebracht.

Artikel 7.04. Meren
1.

Een schip, een drijvend voorwerp en een drijvende inrichting mogen niet aan de oever meren:

  • a. op een gedeelte van de vaarweg waar bij algemene regeling meren is verboden;
  • b. in een vak aangeduid door het teken A.7 (bijlage 7), aan de zijde van de vaarweg waar het teken is aangebracht.
2.

Op een gedeelte van de vaarweg waar het meren aan de oever ingevolge het eerste lid, onder a, is verboden, mogen een schip, een drijvend voorwerp en een drijvende inrichting evenwel meren in een vak aangeduid door één der tekens E.7 of E.7.1 (bijlage 7), aan de zijde van de vaarweg waar het teken is aangebracht.

3.

Het is verboden bij meren of verhalen gebruik te maken van bomen, relingen, palen, perceelsafscheidingen, zuilen, metalen ladders, leuningen enz.

Artikel 7.05. Ligplaatsen
1.

Op een ligplaats aangeduid door het teken E.5 ( bijlage 7) mogen een schip en een drijvend voorwerp slechts ligplaats nemen aan de zijde van de vaarweg waar het teken is aangebracht.

2.

Op een ligplaats aangeduid door het teken E.5.1 ( bijlage 7) mogen een schip en een drijvend voorwerp slechts ligplaats nemen binnen de afstand te rekenen vanaf het teken die daarop in meters is aangegeven.

3.

Op een ligplaats aangeduid door het teken E.5.2 ( bijlage 7) mogen een schip en een drijvend voorwerp slechts ligplaats nemen tussen de beide afstanden, te rekenen vanaf het teken, die daarop in meters zijn aangegeven.

4.

Op een ligplaats aangeduid door het teken E.5.3 ( bijlage 7) mogen aan de zijde van de vaarweg waar het teken is aangebracht niet meer schepen en drijvende voorwerpen naast elkaar ligplaats nemen dan op het teken in Romeinse cijfers is aangegeven.

Artikel 7.06. Gereserveerde ligplaatsen
1.

Op een ligplaats aangeduid door één der tekens E.5.4 tot en met E.5.15 ( bijlage 7) mag slechts een schip ligplaats nemen dat behoort tot de categorie, waarop het teken van toepassing is.

2.

Op de ligplaatsen moeten de schepen, indien geen andere voorschriften zijn vastgesteld, langszijde van elkaar en zo dicht mogelijk bij de oever aan de zijde van de vaarweg, waar het teken is aangebracht, ligplaats nemen.

3.

Op ligplaatsen waar het teken B.12 (bijlage 7) is geplaatst, zijn alle schepen verplicht zich aan een bedrijfsklare walstroomaansluiting aan te sluiten en moet de volledige behoefte aan elektrische energie tijdens het stilliggen daaruit worden gedekt. Uitzonderingen van de in de eerste volzin bedoelde verplichting kunnen op een toegevoegd rechthoekig wit bord, dat onder het teken B.12 is aangebracht, worden aangegeven.

4.

Het derde lid is niet van toepassing op schepen die tijdens het stilliggen uitsluitend van een energievoorziening gebruikmaken, die geen geluid alsmede geen schadelijke gassen en luchtverontreinigende deeltjes veroorzaakt.

Artikel 7.07. Minimum afstanden bij vervoer van gevaarlijke stoffen tijdens het stilliggen
1.

Bij het ligplaats nemen moeten een schip, een duwstel en een gekoppeld samenstel ten opzichte van een ander schip, duwstel of gekoppeld samenstel de volgende minimum afstanden in acht nemen:

2.

De verplichting bedoeld in het eerste lid, onder a, geldt niet:

  • a. voor een schip, duwstel of gekoppeld samenstel dat eveneens dit teken voert;
  • b. voor een schip dat dit teken niet voert, maar dat voorzien is van een certificaat van goedkeuring bedoeld in het ADN, nr. 1.16.1.1.1, en dat voldoet aan de veiligheidsvoorschriften die gelden voor een schip bedoeld in artikel 3.14, eerste lid.
3.

De bevoegde autoriteit kan voor het ligplaats nemen in bijzondere gevallen uitzonderingen toestaan.

Artikel 7.08. Bewaking en toezicht
1.

Een ter zake kundige bewaker moet zich voortdurend bevinden aan boord:

  • a. van een stilliggend schip dat het kenteken, bedoeld in artikel 2.06 voert,
  • b. van een stilliggend schip dat een teken als bedoeld in artikel 3.14 voert en
  • c. van een stilliggend passagiersschip wanneer er passagiers aan boord zijn.
2.

De ter zake kundige bewaking wordt verzekerd door een bemanningslid dat

3.

Aan boord van een stilliggend schip dat het kenteken, bedoeld in artikel 2.06 voert is de aanwezigheid van een ter zake kundige bewaker niet vereist indien

  • a. vloeibaar aardgas (LNG) aan boord van het schip niet als brandstof wordt verbruikt,
  • b. de operationele gegevens van de LNG-installatie van het schip op afstand worden uitgelezen en
  • c. het schip onder toezicht is gesteld van een persoon die, zo nodig, snel kan ingrijpen.
4.

Aan boord van een stilliggend schip als bedoeld in artikel 3.14 is de aanwezigheid van een ter zake kundige bewaker niet vereist indien

  • a. het schip in een havenbekken stilligt, en indien
  • b. de bevoegde autoriteit het schip van de verplichting als bedoeld in het eerste lid heeft vrijgesteld.
5.

Een ander stilliggend schip alsmede een drijvend voorwerp en een drijvende inrichting die stilliggen, moeten zijn gesteld onder het toezicht van een persoon die zo nodig snel kan ingrijpen, tenzij het toezicht door de plaatselijke omstandigheden niet vereist wordt of de bevoegde autoriteit een uitzondering toestaat.

6.

Is er geen schipper dan is de eigenaar, de reder of andere exploitant voor de inzet van de bewaker dan wel voor het onder toezicht stellen van het schip verantwoordelijk.

Hoofdstuk 8. Aanvullende bepalingen

Artikel 8.01. Slepen van en door een duwstel
1.

Het is verboden een duwstel te slepen. Duwstellen mogen evenwel gesleept worden bij buitengewone plaatselijke omstandigheden, wanneer de scheepvaart daarvan geen hinder ondervindt.

2.

Een duwstel mag geen sleepdienst verrichten.

Een duwstel mag echter wel sleepdienst verrichten:

  • -. in opvaart, ingeval zijn grootste lengte en grootste breedte minder zijn dan 110 m respectievelijk 12 m,
  • -. in afvaart, ingeval zijn grootste lengte en grootste breedte minder zijn dan 86 m respectievelijk 12 m, en wanneer dit bovendien is vermeld in het certificaat van onderzoek van de duwboot.

Het samenstel, gevormd door een duwstel dat sleepdienst verricht, is een sleep zoals bedoeld in artikel 1.01, onder d; het duwstel is in dat geval gelijkgesteld met een motorschip aan de kop van een sleep.

Artikel 8.02. Duwstellen met andere schepen dan duwbakken

Een duwstel mag geen andere schepen dan duwbakken bevatten, tenzij in het certificaat van onderzoek van de duwboot en het schip dat wordt geduwd uitdrukkelijk anders is vermeld.

Artikel 8.03. Duwstellen met zeeschipbakken
1.

Een zeeschipbak mag slechts aan de kop van een duwstel worden geplaatst, indien:

  • a. het een zeeschipbak betreft die is voorzien van een kopbak, of
  • b. de zeeschipbak een ingericht voorschip heeft, of
  • c. de zeeschipbak naast een normale duwbak is gekoppeld en er een verschil is van tenminste 1 m tussen de wateroppervlakte en het laagste punt waarboven de zeeschipbak niet meer als waterdicht kan worden beschouwd.
2.

De kop van een duwstel als bedoeld in het eerste lid moet zijn voorzien van ankers die in overeenstemming zijn met artikel 13.01 van ES-TRIN.

3.

De bevoegde autoriteit kan voor korte afstanden, op de gekanaliseerde Rijn, alsmede op het Grand Canal d’Alsace, voor duwstellen met een grootste lengte van 86 m met ten hoogste twee zeeschipbakken uitzonderingen toestaan.

Artikel 8.04. Verplaatsen van duwbakken buiten het verband van een duwstel

Het verplaatsen van een duwbak buiten het verband van een duwstel mag slechts geschieden:

  • a. langszijde vastgemaakt en gesleept voorzover dit is vermeld in het certificaat van onderzoek van de duwbak en van het schip dat voor de voortbeweging zorgt;
  • b. over korte afstanden bij het samenstellen of het ontbinden van een duwstel, overeenkomstig de door de bevoegde autoriteit gegeven voorschriften dan wel met haar toestemming.
Artikel 8.05. Koppelingen van duwstellen
1.

De koppelingen van een duwstel moeten de hechtheid daarvan verzekeren.

2.

Het koppelen en het ontkoppelen moeten op eenvoudige en gemakkelijke wijze kunnen geschieden.

3.

De spanning op de koppelingen moet gelijk worden gehouden door geschikte inrichtingen, bij voorkeur door speciale lieren.

4.

De koppelingen van een duwstel, waarvan de grootste breedte niet meer bedraagt dan 12 m en dat is samengesteld uit een duwend en een geduwd schip, voldoen aan het eerste lid indien deze bestaan uit een door een Commissie van Deskundigen goedgekeurd systeem dat een beheerst knikken van het duwstel mogelijk maakt.

Artikel 8.06. Telefoonverbinding aan boord van samenstellen
1.

Indien de lengte van een duwstel meer dan 110 m bedraagt, moet er een in twee richtingen werkende telefoonverbinding bestaan tussen de duwboot en de kop van het duwstel.

2.

Indien een duwstel door twee duwboten naast elkaar wordt voortbewogen, moet er een in twee richtingen werkende telefoonverbinding bestaan tussen de stuurhutten van de beide duwboten.

3.

Bij een gekoppeld samenstel bestaande uit twee motorschepen moet er een in twee richtingen werkende telefoonverbinding bestaan tussen de stuurhutten van de beide schepen.

4.

Bij een sleep moet er een telefoonverbinding bestaan tussen de stuurstellingen van alle schepen.

5.

Als telefoonverbinding mag het marifoonkanaal voor het schip - - schipverkeer niet worden gebruikt.

Artikel 8.07. Verplaatsing van personen aan boord van duwstellen

Personen aan boord van een duwstel moeten zich gemakkelijk en zonder gevaar kunnen verplaatsen. Bovendien moeten openingen die zouden kunnen ontstaan tussen de schepen van een duwstel zijn voorzien van geschikte beschermingsinrichtingen.

Artikel 8.08. Samenstellen van slepen
1.

De tussenruimte tussen het motorschip aan de kop van een sleep en de eerste gesleepte lengte mag niet meer dan 120 m bedragen. In een opvarende sleep die slechts één gesleepte lengte bevat, waarvan het laadvermogen meer dan 600 ton bedraagt, mag deze tussenruimte evenwel worden vergroot tot 200 m.

2.

De tussenruimte tussen twee gesleepte lengten mag niet meer bedragen dan 100 m.

3.

De tussenruimte tussen twee motorschepen aan de kop van een sleep mag niet meer bedragen dan 120 m.

Artikel 8.09. "Blijf weg"-sein
1.

Bij een gebeurtenis of een ongeval waardoor een vervoerde gevaarlijke stof zou kunnen vrijkomen moet, indien de bemanning niet in staat is de daaruit voor personen of voor de scheepvaart voortvloeiende gevaren op te heffen, het "blijf weg"-sein worden gegeven voor:

Dit voorschrift geldt niet voor duwbakken en andere schepen niet zijnde motorschepen.

Wanneer deze evenwel deel uitmaken van een samenstel, moet het "blijf weg"-sein worden gegeven door het schip aan boord waarvan zich de schipper van het samenstel bevindt.

2.

Het "blijf weg"-sein bestaat uit een geluids- en een lichtsein.

Het geluidssein bestaat uit een gedurende ten minste 15 achtereenvolgende minuten voortdurend herhalen van "één korte stoot", gevolgd door "één lange stoot". Gelijktijdig met het geluidssein moet het lichtsein bedoeld in artikel 4.01, tweede lid, worden getoond.

Het "blijf weg"-sein moet na ingeschakeld te zijn automatisch blijven functioneren. Het bedieningsmechanisme moet zodanig zijn uitgevoerd, dat het sein niet ongewild in werking kan treden.

3.

De schepen die het "blijf weg"-sein waarnemen moeten alle maatregelen nemen, die nuttig zijn om het dreigende gevaar te vermijden. In het bijzonder moeten zij:

  • a. indien zij in de richting van het gevaarsgebied varen, zich zo ver mogelijk hiervan verwijderd houden en zo nodig keren;
  • b. indien zij het gevaarsgebied reeds zijn gepasseerd, hun weg met een zo groot mogelijke snelheid vervolgen.
4.

Aan boord van de schepen, bedoeld in het derde lid, dient men onmiddellijk alle vensters alsmede alle openingen naar buiten te sluiten, alle niet afgeschermde lichten en vuren te doven, niet meer te roken, de hulpmotoren, waarvan het inwerking-zijn niet noodzakelijk is, af te zetten, en in het algemeen elke vorming van vonken te vermijden. Ingeval het schip ligplaats gaat nemen, moeten alle motoren en hulpmotoren, die dan nog in werking zijn, worden afgezet.

5.

Het vierde lid is eveneens van toepassing op schepen, die in de nabijheid van het gevaarsgebied stilliggen, wanneer zij het "blijf weg"-sein waarnemen. Zonodig moet men het schip verlaten.

6.

Bij het nemen van de in het derde tot en met het vijfde lid bedoelde maatregelen moet rekening worden gehouden met de stroom en de windrichting.

7.

De schepen moeten de maatregelen, bedoeld in het derde tot en met het zesde lid, eveneens nemen, wanneer het "blijf weg"-sein vanaf de oever wordt gegeven.

8.

De schippers van schepen die het "blijf weg"-sein waarnemen moeten daarvan voor zover mogelijk onverwijld kennis geven aan de dichtsbijzijnde bevoegde autoriteit.

Artikel 8.10. Veiligheid aan boord van schepen die meer dan 12 passagiers mogen vervoeren

Voor schepen die meer dan 12 passagiers mogen vervoeren en laten overnachten geldt:

  • a. Aan boord moet zich een veiligheidsrol bevinden, waarin de instructies voor de bemanning en het personeel staan ingeval van nood. Bovendien moeten gedragsregels voor de passagiers ingeval van lek raken, brand en het verlaten van het schip aanwezig zijn. De veiligheidsrol en de gedragsregels moeten op verscheidene zich daartoe lenende plaatsen worden opgehangen;
  • b. de bemanning en het personeel moeten op de hoogte zijn van de inhoud van de onder a genoemde veiligheidsrol en regelmatig over hun taken geïnstrueerd worden;
  • c. gedurende de aanwezigheid van passagiers aan boord moeten alle nooduitgangen volledig vrij van hindernissen zijn. De deuren en nooduitgangen van de vluchtwegen moeten van beide zijden gemakkelijk te openen zijn;
  • d. bij het begin van iedere vaartocht die langer duurt dan één dag moeten de passagiers veiligheidsinstructies krijgen;
  • e. zolang er zich passagiers aan boord bevinden moet des nachts ieder uur een ronde worden gelopen. Het lopen van deze ronde moet op een geschikte manier aantoonbaar zijn.

II. Bijzondere bepalingen van toepassing op bepaalde riviergedeelten

Hoofdstuk 9. Bijzondere vaarregels en bijzondere regels voor het ligplaats nemen

Artikel 9.01. Beperkingen van de scheepvaart in Basel
1.

Een schip mag een ander schip niet voorbijlopen tussen de Mittlere Rheinbrücke (km 166,53) en de Dreirosenbrücke (km 167,80) te Basel. Dit verbod geldt niet voor een klein schip of voor een schip dat daartoe van de bevoegde autoriteit toestemming heeft gekregen.

2.

Een motorschip, een sleep en een duwstel in de opvaart moeten tussen de Mittlere Rheinbrücke (km 166,53) en de Dreirosenbrücke (km 167,80) te Basel met een snelheid van tenminste 4 km/u ten opzichte van de oever kunnen varen.

3.

Alvorens Hafenbecken 1 (km 169,95) in te varen, moet een afvarend schip op stroom opdraaien en het mag eerst invaren wanneer het recht op stroom ligt en de havenmond kan overzien.

Artikel 9.02. Het Grand Canal d’Alsace en de gekanaliseerde Rijn
1.

Dit artikel geldt voor het gehele traject tussen km 173,55 (begin van het omleidingskanaal van het stuwcomplex Kembs) en km 335,70 (einde van het omleidingskanaal van het stuwcomplex Iffezheim), met inbegrip van het zijkanaal tussen km 173,55 en km 226,54 (einde van het omleidingskanaal van het stuwcomplex Vogelgrün) en de omleidingen van de gekanaliseerde Rijn te Marckolsheim, Rheinau, Gerstheim en Straatsburg.

2.

De artikelen 6.04 en 6.05 zijn niet van toepassing op de hierboven genoemde trajekten.

3.

Een schip moet bij ontmoeten zo nodig zijn stuurboordswal houden om het voorbijvaren zonder gevaar bakboord op bakboord te kunnen doen geschieden.

4.

In afwijking van het tweede en derde lid mag een schip, dat zich in de onmiddellijke omgeving van de sluizen bevindt, verzoeken, dat het voorbijvaren overeenkomstig de artikelen 6.04 en 6.05 stuurboord op stuurboord zal plaatsvinden mits het zich er van heeft vergewist, dat daaraan zonder gevaar kan worden voldaan.

Hetzelfde geldt bovendien voor kanaalspitsen (lengte: 38,50 m), al dan niet gesleept, in opvaart op de volgende riviergedeelten:

  • a. stuwpand Rheinau tussen km 244,00 en de sluizen te Marckolsheim;
  • b. stuwpand Marckolsheim tussen km 228,00 en de sluizen te Vogelgrün.
5.

Een schip mag op de Rijn boven- en benedenstrooms van een stuw de grenslijn niet overschrijden die op iedere oever is aangeduid door een algemeen verbodsteken A.1 ( bijlage 7).

6.

Een schip mag niet de toe- en afvoerkanalen van de elektrische centrales binnenvaren. Het begin en het einde van deze kanalen zijn aangeduid door een algemeen verbodsteken A.1 ( bijlage 7).

7.

Een schip mag slechts keren op de keerplaatsen, welke zijn gelegen stroomopwaarts van de bovenstroomse voorhavens van de sluizen, evenals in de benedenstroomse voorhavens daarvan en in het benedenstroomse toeleidingskanaal van de meest benede nstrooms gelegen sluizen.

Deze beperking geldt niet voor kleine schepen.

8.

Een schip mag slechts ligplaats nemen en aanleggen op de wachtplaatsen van de sluizen en in het afvoerkanaal benedenstrooms van de laatste sluizen.

9.

Het verbod om te keren, ligplaats te nemen en aan te leggen, bedoeld in het zevende en achtste lid, geldt niet voor een schip dat:

  • a. moet laden of lossen op een daartoe door de bevoegde autoriteit aangewezen plaats;
  • b. om dwingende redenen van veiligheid verplicht is te gaan stilliggen.
10.

Een schip met een breedte van meer dan 11,45 m mag geen gebruik maken van de kleine sluizen van de sluiscomplexen te Ottmarsheim, Fessenheim, Vogelgrün, Rhinau, Gerstheim en Straatsburg.

11.

Op het Grand Canal d’Alsace en de gekanaliseerde Rijn tot km 294,00 mag de ten minste voorgeschreven hoogte van de lichten en dagtekens, bedoeld in de artikelen 3.08, 3.09, 3.10, 3.13, 3.14, 3.15 en 3.29 zoveel worden verminderd als nodig is om onder kunstwerken te kunnen doorvaren, waarbij alle maatregelen moeten worden genomen om te verzekeren, dat de verschillende lichten en dagtekens zichtbaar blijven.

Artikel 9.03. Voorbijvaren van de veerpont Seltz-Plittersdorf

Voor het voorbijvaren van de veerpont Seltz-Plittersdorf (km 340,35) is artikel 6.26 van toepassing.

Artikel 9.04. Ontmoeten: Afwijking van de hoofdregels
1.

Dit artikel geldt voor het ontmoeten:

  • a. op het riviergedeelte tussen de uitmonding van de Neckar (km 428,20) en Lorch (km 540,20);
  • b. op het riviergedeelte tussen Duisburg (km 769,00) en de Duits-Nederlandse grens (km 857,68).
2.

In afwijking van artikel 6.04 moeten een opvarend schip en een afvarend schip bij het ontmoeten zo ver stuurboord houden als nodig is om het voorbijvaren zonder gevaar bakboord op bakboord te kunnen doen geschieden.

3.

Een opvarend schip mag verlangen, dat het voorbijvaren overeenkomstig artikel 6.04 stuurboord op stuurboord plaatsvindt, wanneer het zich naar een nevenvaarweg, een haven, een laad- of losplaats, een steiger of een ligplaats aan de rechteroever wil begeven, of wanneer het van een aan de rechteroever gelegen laad- of losplaats, steiger of ligplaats wil vertrekken, of wanneer het een nevenvaarweg, of een haven gelegen aan de rechterzijde van de vaarweg wil uitvaren. Het mag dit verlangen evenwel slechts kenbaar maken nadat het zich heeft vergewist, dat daaraan zonder gevaar kan worden voldaan.

4.

In afvaart mag:

  • a. een passagiersschip dat een geregelde dienst onderhoudt en waarvan het toegelaten maximum aantal passagiers niet minder dan 300 personen bedraagt, wanneer het wil aanleggen aan een aanlegplaats die aan de linkeroever is gelegen,
  • b. een sleep die om te kunnen opdraaien de linkeroever wil houden,
  • c. een duwstel, indien het zich naar een laad- of los- of aanlegplaats of een ligplaats aan de linkeroever wil begeven, van een opvarend schip verlangen, dat het voorbijvaren stuurboord op stuurboord plaatsvindt. Zij mogen dit verlangen evenwel slechts kenbaar maken, indien zij zich er van hebben vergewist, dat daaraan zonder gevaar kan worden voldaan.
5.

Een afvarend schip, als bedoeld in het vierde lid, dat het voorbijvaren stuurboord op stuurboord wil doen geschieden, moet tijdig "twee korte stoten" geven en bovendien de in artikel 6.04, derde lid, bedoelde tekens tonen.

Een opvarend schip moet aan het verlangen van het afvarende schip voldoen en dit bevestigen door het geven van "twee korte stoten" en het tonen van de in artikel 6.04, derde lid, bedoelde tekens.

Zodra te vrezen is, dat de bedoeling van het afvarende schip door het opvarende schip niet is begrepen, moet het afvarende schip de in de eerste alinea van dit lid bedoelde geluidsseinen herhalen.

6.

Artikel 6.05 is niet van toepassing.

Artikel 9.05. Varen op gelijke hoogte door schepen en samenstellen
1.

Een samenstel, met uitzondering van een duwstel waarvan de grootste lengte en de grootste breedte niet meer bedragen dan 110 m, respectievelijk 12 m, mogen niet op gelijke hoogte varen met een ander samenstel:

  • a. tussen de sluizen bij Iffezheim (km 334,00) en Mannheim (km 412,35);
  • b. tussen Lorch (km 540,20) en St. Goar (km 556,00);
2.

Een schip met een lengte van meer dan 110 m en een samenstel, met uitzondering van een duwstel waarvan de grootste lengte en de grootste breedte niet meer bedragen dan 110 m, respectievelijk 12 m, mogen niet op gelijke hoogte varen met een ander schip met een lengte van meer dan 110 m of met een ander samenstel tussen de uitmonding van het kanaal Wesel–Datteln (km 813,20) en de voormalige spoorbrug bij Wesel (km 815,28).

Artikel 9.06. Varen op de oude Rijnarmen tussen Mannheim en Mainz
1.

Een schip mag varen:

  • a. op de Lampertheimer Altrhein vanaf de monding tot Altrhein – km 4,75;
  • b. op de hoofdtak van de Stockstadt-Ehrfelder Altrhein vanaf de monding tot Altrhein – km 9,80.
2.

Een schip mag, ten opzichte van de oever gemeten, op de Lampertheimer Altrhein niet sneller varen dan 5 km per uur en op de Stockstadt-Ehrfelder Altrhein niet sneller dan 12 km per uur. Dit geldt niet voor kleine schepen zonder motor.

3.

Behalve voor kleine schepen geldt op de Lampertheimer Altrhein bovendien:

  • a. De lengte en de breedte van een schip of van een samenstel mogen ten hoogste 115 m respectievelijk 11,45 m bedragen. De bevoegde autoriteit kan andere afmetingen toestaan.
  • b. Op het gedeelte tussen Altrhein – km 0,70 en km 2,70 moet een schip zich op kanaal 10 melden, terwijl in de gedeelten waar ontmoeten niet voldoende ruimte biedt extra aandacht moet worden geschonken aan op tegengestelde koers varende kleine schepen.
Artikel 9.07. Beperkingen van de scheepvaart
1.

Iffezheim - Karlsruhe

Tussen Iffezheim (km 334,00) en Karlsruhe (km 360,00), onafhankelijk van de waterstand, moeten een opvarend duwstel en een opvarend gekoppeld samenstel met een snelheid van ten minste 5 km/u ten opzichte van de oever kunnen varen.

2.

Geisenheim – Rhens

Tussen Geisenheim (km 524,00) en Rhens (km 582,00) is het windsurfen verboden.

3.

Lorch – St. Goar

  • a. Tussen Lorch (km 540,20) en St. Goar (km 556,00) moet een opvarend schip de linkeroever en een afvarend schip de rechteroever houden.
4.

Monding van de Moezel

Tussen km 592,05 en km 593,55 moet een opvarend schip dat niet de Moezel wil invaren ten minste 80 m uit de linkeroever blijven.

5.

Duisburg-Ruhrort

  • a. Alvorens de havens van Hochfeld, de buitenhaven van Duisburg, de Parallelhaven van Duisburg, het havenkanaal van Ruhrort en de voorhaven van Ruhrort in te varen, moet een afvarend schip op stroom opdraaien. Het mag eerst invaren, wanneer het recht op stroom ligt en de havenmond kan overzien.
  • b. Tussen km 775,50 en km 785,50 is zeilen zonder vergunning overeenkomstig artikel 1.23 verboden.
6.

Wesel

Alvorens het kanaal Wesel-Datteln in te varen moet een afvarend schip op stroom opdraaien. Het mag eerst invaren, wanneer het recht op stroom ligt en de kanaalmond kan overzien.

7.

Met uitzondering van het derde lid, onder b, en het vijfde lid, onder b, is dit artikel niet van toepassing op of ten aanzien van kleine schepen.

Artikel 9.08. Nachtvaart op het riviergedeelte Bingen – St. Goar

Tussen Bingen (km 530,00) en St. Goar (km 556,00) mag ’s nachts een schip slechts varen indien het gebruik maakt van marifoon op kanaal 10 (schip-schip) of kanaal 04, en moet een afvarend schip gebruik maken van radar.

Artikel 9.09. Beperking van de scheepvaart tussen Bad Salzig (km 564,30) en Gorinchem (km 952,50)
1.

Tussen Bad Salzig (km 564,30) en Gorinchem (km 952,50) moeten duwstellen en gekoppelde samenstellen met een lengte van meer dan 186,50 m of een breedte van meer dan 22,90 m, zodra zij een riviervak naderen waarin zich schepen zouden kunnen bevinden die nog niet te zien zijn, op het door de bevoegde autoriteit aangewezen marifoonkanaal hun samenstelling en positie opgeven en deze gegevens zo dikwijls als nodig is herhalen.

2.

Afvarende duwstellen en gekoppelde samenstellen met een lengte van meer dan 186,50 m of een breedte van meer dan 22,90 m mogen opvarende duwstellen, gekoppelde samenstellen of schepen met een lengte van meer dan 110 m niet ontmoeten in de riviervakken tussen:

km 575,50 en km 578,50 (Oberspay),

km 606,50 en km 608,50 (Weissenthurm),

km 635,00 en km 637,50 (Unkel),

km 720,50 en km 723,00 (Benrath),

km 740,00 en km 744,00 (Düsseldorf) en

km 784,50 en km 786,50 (Baerl)

In verband daarmede zijn op deze duwstellen en gekoppelde samenstellen de volgende bepalingen van toepassing:

  • a. bij het naderen van het betreffende riviervak moeten deze duwstellen en gekoppelde samenstellen zich regelmatig melden op marifoonkanaal 10;
  • b. een opvarend duwstel, gekoppeld samenstel of een schip met een lengte van meer dan 110 m moet, indien is te voorzien dat het een afvarend duwstel of gekoppeld samenstel zal ontmoeten, benedenstrooms van het betreffende riviervak stilhouden totdat de afvaart het vak is doorgevaren;
  • c. wanneer een opvarend duwstel, een opvarend gekoppeld samenstel of een opvarend schip met een lengte van meer dan 110 m het betreffende riviervak reeds is binnengevaren, moet een afvarend duwstel en een afvarend gekoppeld samenstel bovenstrooms van het vak stilhouden totdat de opvaart het vak is doorgevaren.
3.

Tussen het Spijksche Veer (km 857,40) en Gorinchem (km 952,50) mogen de in het eerste lid bedoelde duwstellen en gekoppelde samenstellen slechts met toestemming van de bevoegde autoriteit worden samengesteld of ontkoppeld.

Artikel 9.10. Optische tekens en vaarregels voor multifunctionele schepen van het Franse en Duitse leger
1.

Een varend multifunctioneel schip:

  • a. van het Franse leger tussen Basel (km 168,39) en Lauterburg (km 352,00), en
  • b. van het Duitse leger tussen de sluizen te Iffezheim (km 334,00) en het Spijksche Veer (km 857,40);

moet des nachts de lichten, bedoeld in artikel 3.08, eerste lid, voeren en ongeveer 1 m boven het toplicht als bijkomend teken, dat ook overdag moet worden gevoerd: een geel gewoon of helder rondom schijnend flikkerlicht.

2.

Een schip als bedoeld in het eerste lid wordt als klein schip aangemerkt. De artikelen 6.02 en 6.02a, eerste en derde lid, zijn van toepassing.

Artikel 9.11. Varen bij slecht zicht benedenstrooms van het Spijksche Veer

Een schip dat bij slecht zicht benedenstrooms van het Spijksche Veer (km. 857,40) vaart, moet zoveel mogelijk zijn stuurboordswal houden. De artikelen 6.04 en 6.05 zijn niet van toepassing.

Hoofdstuk 10. Beperking van de scheepvaart bij hoogwater en laagwater

Artikel 10.01. Beperking van de scheepvaart bij hoogwater bovenstrooms van het Spijksche Veer
1.

Tussen de Mittlere Rheinbrücke te Basel (km 166,53) en de sluis te Kembs (km 179,10), alsmede tussen de sluizen bij Iffezheim (km 334,00) en het Spijksche Veer (km 857,40), gelden bij hoogwater, indien de waterstand zich tussen hoogwaterpeil I en II bevindt, voor de scheepvaart de volgende beperkingen:

  • a. een schip, met uitzondering van een klein schip niet zijnde een motorschip, moet in afvaart zoveel mogelijk het midden van de rivier en in opvaart zoveel mogelijk het middelste derde gedeelte van de breedte van de rivier houden; als breedte van de rivier geldt de afstand tussen de oeverlijnen. Tijdens het varen, met inbegrip van het voorbijlopen, mogen zich ten hoogste twee eenheden naast elkaar bevinden;
  • b. daar waar de plaatselijke omstandigheden het noodzakelijk maken dichter bij de oever te varen dan onder a is aangegeven moeten de in dat onderdeel bedoelde schepen desalniettemin zo ver mogelijk uit de oevers blijven en hun snelheid verminderen;
  • c. artikel 9.04 blijft van toepassing. Tussen Lorch (km 540,20) en St. Goar (km 556,00) moet een opvarend schip in het middelste derde gedeelte van de rivier zó dicht de linkeroever aanhouden, dat het ontmoeten met een afvarend schip zonder gevaar bakboord op bakboord kan geschieden;
  • d. onverminderd artikel 6.20 mag een schip ten opzichte van de oever niet sneller varen dan 20 km per uur, met uitzondering van de afvaart in het gebergtegedeelte tussen Bingen (km 528,50) en St. Goar (km 556,00), waar de maximale snelheid van het schip ten opzichte van de oever niet meer mag bedragen dan 24 km per uur;
  • e. na het overschrijden van het hoogwaterpeil I mag een schip slechts op de betreffende riviervakken varen, indien het is uitgerust met een marifooninstallatie. De marifooninstallatie moet voor ontvangst zijn ingeschakeld op de voor de nautische informatie aangewezen kanalen. Dit geldt niet voor kleine schepen die door middel van spierkracht worden voortbewogen.
  • f. na het overschrijden van het hoogwaterpeil I is het verboden te varen met een snel schip.
2.

Een schip mag in het bij het derde lid genoemde vak niet varen, indien de waterstand het hoogwaterpeil II voor dat vak bereikt heeft of overschrijdt. Dit is niet van toepassing op het oversteken van de vaarweg.

3.

De in het eerste en tweede lid bedoelde hoogwaterpeilen die gelden voor de op- en afvaart en de bij dat peil genoemde vakken zijn:

Traject Op- en afvaart Hoogwaterpeil Op- en afvaart Hoogwaterpeil
I II
Basel (km 166,53) Basel (km 166,53) Basel (km 166,53)
Basel-Rheinhalle
Basel – Sluizen Kembs 7,00 8,20
Kembs (km 179,10) ___________ Kembs (km 179,10) ___________ Kembs (km 179,10) ___________
Sluizen te Iffezheim (km 334,00) ______ Sluizen te Iffezheim (km 334,00) ______ Sluizen te Iffezheim (km 334,00) ______
Maxau Maxau
Sluizen te Iffezheim-Germersheim 6,20 7,50
Germersheim (km 384,00) ___________ Germersheim (km 384,00) ___________ Germersheim (km 384,00) ___________
Speyer Speyer
Germersheim-Mannheim-Rheinau 6,20 7,30
Mannheim-Rheinau (km 410,50) Mannheim-Rheinau (km 410,50) Mannheim-Rheinau (km 410,50)
Mannheim Mannheim
Mannheim/Rheinau-Mannheim/Sandhofen 6,50 7,60
Mannheim-Sandhofen (km 431,50) _________ Mannheim-Sandhofen (km 431,50) _________ Mannheim-Sandhofen (km 431,50) _________
Worms Worms
Mannheim/Sandhofen-Gernsheim 4,40 6,50
Gernsheim (km 462,00) _______ Gernsheim (km 462,00) _______ Gernsheim (km 462,00) _______
Mainz Mainz
Gernsheim-Eltville 4,75 6,30
Eltville (km 511,00) ___________ Eltville (km 511,00) ___________ Eltville (km 511,00) ___________
Bingen Bingen
Eltville-Lorch 3,50 4,90
Lorch (km 540,00) ____________ Lorch (km 540,00) ____________ Lorch (km 540,00) ____________
Kaub Kaub
Lorch-Salzig 4,60 6,40
Salzig (km 566,00) ____________ Salzig (km 566,00) ____________ Salzig (km 566,00) ____________
Koblenz Koblenz
Salzig-Engers 4,70 6,50
Engers (km 601,00) __________ Engers (km 601,00) __________ Engers (km 601,00) __________
Andernach Andernach
Engers-Bad Breisig 5,50 7,60
Bad Breisig (km 624,00) _______ Bad Breisig (km 624,00) _______ Bad Breisig (km 624,00) _______
Oberwinter
Bad Breisig-Mondorf 4,90 6,80
Mondorf (km 660,00) __________ Mondorf (km 660,00) __________ Mondorf (km 660,00) __________
Köln
Mondorf-Dormagen 6,20 8,30
Dormagen (km 716,00) ________ Dormagen (km 716,00) ________ Dormagen (km 716,00) ________
Düsseldorf
Dormagen-Krefeld 7,10 8,80
Krefeld (km 763,00) __________ Krefeld (km 763,00) __________ Krefeld (km 763,00) __________
Duisburg-Ruhrort Duisburg-Ruhrort
Krefeld-Orsoy 9,30 11,30
Orsoy (km 794,00) ____________ Orsoy (km 794,00) ____________ Orsoy (km 794,00) ____________
Wesel
Orsoy-Rees 8,70 10,60
Rees (km 837,00) _____________ Rees (km 837,00) _____________ Rees (km 837,00) _____________
Emmerich
Rees-Spijksche Veer 7,00 8,70
Spijksche Veer (km 857,40) __________ Spijksche Veer (km 857,40) __________ Spijksche Veer (km 857,40) __________
4.

De bevoegde autoriteiten kunnen tussen Basel en de sluizen te Kembs aan individuele schepen, indien deze bepaalde voorwaarden vervullen, de vaart op dit riviergedeelte tot aan een waterstand van 8,50 m aan de peilschaal te Basel-Rheinhalle toestaan, wanneer de waterstand reeds gedurende meer dan drie dagen boven het peil van 8,20 m heeft gelegen en de voorspellingen aangeven, dat de waterstand ook de volgende twee dagen nog boven dit peil zal liggen.

5.

Tussen de sluizen te Kembs van het Grand Canal d’Alsace en de sluizen te Iffezheim (km 334,00) wordt de scheepvaart bij hoogwater als volgt geregeld:

  • a. tussen de meest bovenstrooms gelegen voorhaven van de sluizen te Kembs en de meest bovenstrooms gelegen voorhaven van de sluizen te Vogelgrün gelden voor de scheepvaart geen beperkingen bij hoogwater. De bevoegde autoriteit kan echter, om concentraties van schepen in de voorhavens van de sluizen te Kembs en Vogelgrün te vermijden, de schepen over de voorhavens van de verschillende sluizen verdelen;
  • b. tussen de sluizen te Vogelgrün en de sluizen te Iffezheim: Echter kan de bevoegde autoriteit aan individuele schepen en samenstellen voor het gedeelte vanaf benedenstrooms van de sluis te Vogelgrün tot benedenstrooms van de sluis te Straatsburg tot een maximale waterstand van 0,40 m boven het hoogwaterpeil II de vaart en het schutten toestaan, wanneer de waterstand reeds gedurende meer dan drie opeenvolgende dagen voornamelijk boven het hoogwaterpeil II heeft gelegen en de voorspellingen aangeven, dat de waterstand ook de volgende twee dagen nog boven dit hoogwaterpeil zal liggen;
  • –. worden de sluizen op een sluispand gestremd, wanneer op het benedenhoofd van de telkens bovenstrooms gelegen sluis het zichtbaar aangebrachte hoogwaterpeil II wordt bereikt of overschreden;
  • –. is de vaart voor kleine schepen op een sluispand verboden, wanneer op het benedenhoofd van de telkens bovenstrooms gelegen sluis het zichtbaar aangebrachte hoogwaterpeil II wordt bereikt of overschreden.
  • c. op het riviervak tussen de zuidelijke voorhaven (km 291,30) en de noordelijke voorhaven (km 295,50) van de haven van Straatsburg wordt de scheepvaart, indien de hoogst bevaarbare waterstand wordt bereikt, als volgt gestremd:
  • -. voor de afvaart door middel van een bij km 291,30 aangebracht rood licht (teken A.1, bijlage 7);
  • -. voor de opvaart door middel van een bij km 294,50 aangebracht rood licht (teken A.1,bijlage 7).
Artikel 10.02. Beperking van de scheepvaart bij laagwater tussen Bingen en St. Goar

Tussen St. Goar en Bingen is het stroomopwaarts slepen van een half uur na zonsondergang tot een half uur voor zonsopgang verboden, zodra de waterstand aan de peilschaal te Kaub minder dan 1,00 m bedraagt. Dit verbod geldt echter niet voor een sleep die uit niet meer dan twee schepen bestaat of voor een gesleept duwstel.

Een sleep die uit niet meer dan twee schepen bestaat mag tussen Bingen (km 529,10) en Trechtinghausen (km 535,40) door nog een ander motorschip worden gesleept.

Hoofdstuk 10. Beperking van de scheepvaart bij hoogwater en laagwater

Artikel 11.01. Ten hoogste toegelaten afmetingen van schepen
1.

De grootste lengte van een schip mag niet meer bedragen dan 135 m en de grootste breedte mag niet meer bedragen dan 22,80 m. De breedte van een schip mag niet meer bedragen dan:

  • a. 17,70 m op het riviergedeelte tussen Bingen (kmr 528,50) en St. Goar (kmr 556,00) en
  • b. 15 m op het riviergedeelte tussen Pannerden (kmr 867,46) en het Lekkanaal (kmr 949,40).
2.

De voor het betreffende riviergedeelte bevoegde autoriteiten mogen met betrekking tot de breedte een vergunning afgeven voor het bevaren van dat gedeelte.

3.

Een schip met een lengte van meer dan 110 m mag slechts varen, wanneer zich aan boord een persoon bevindt, die houder is van de overeenkomstig het Reglement betreffende het Scheepvaartpersoneel op de Rijn geldige specifieke vergunning voor het varen met behulp van radar.

4.

Een schip, met uitzondering van een passagiersschip, met een lengte van meer dan 110 m, mag alleen dan bovenstrooms van Mannheim varen indien het aan de vereisten van artikel 28.04, tweede lid, van ES-TRIN voldoet. Een passagiersschip met een lengte van meer dan 110 m kan alleen dan bovenstrooms van Mannheim varen indien het aan de vereisten van artikel 28.04, derde lid, van ES-TRIN voldoet.

De door de bevoegde autoriteiten voor het te bevaren riviergedeelte tussen Bazel en Mannheim reeds verleende vergunningen voor schepen met een lengte tussen 110 m en 135 m, die op 30 september 2001 geldig waren, blijven onder de voorwaarden die in verband met de veiligheid gesteld zijn, op het betreffende riviergedeelte van kracht.

5.

Een passagiersschip kan alleen dan benedenstrooms van Emmerich (km 855) varen indien het aan de vereisten van artikel 13.01, tweede lid, onderdeel b, van ES-TRIN voldoet.

Artikel 11.02. Ten hoogste toegelaten afmetingen van duwstellen en gekoppelde samenstellen
1.

Een duwstel en een gekoppeld samenstel mogen de in het tweede en derde lid genoemde afmetingen niet overschrijden. Zij mogen slechts met de toegelaten afmetingen varen indien deze zijn vermeld in het certificaat van onderzoek met opgave van de toegelaten formatie en de toegelaten belading voor de van toepassing zijnde vaarrichting.

2.

De bevoegde autoriteit kan duwstellen en gekoppelde samenstellen met grotere afmetingen, dan die welke volgens het derde lid zijn toegelaten, met ander wijzen van aandrijving en vermogen en bij andere waterstanden bij wijze van proef voor het te bevaren gedeelte toelaten.

3.

Voor de betreffende riviergedeelten zijn in op- en afvaart de volgende afmetingen van toepassing:

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)