Wet van 31 oktober 1995, houdende bepalingen met betrekking tot de educatie en het beroepsonderwijs

Type Wet
Publication 2026-01-01
State In force
Source BWB
artikelen 721
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
1.

Het bevoegd gezag stelt regels van procedurele aard vast met betrekking tot de toepassing van de artikelen 8.1.5 of 8.1.5b, waartoe in ieder geval behoren regels over de aanvraag, de aanvang en de duur van de ondersteuning en indien het financiële ondersteuning betreft tevens de hoogte van het bedrag.

2.

Het bevoegd gezag kan aan de toekenning van ondersteuning de verplichting verbinden dat de student feitelijk studerend is.

Artikel 8.1.5f. Informatieplicht en administratieve vastlegging
1.

Het bevoegd gezag stelt de student schriftelijk of elektronisch op de hoogte van de ondersteuning, bedoeld in de artikelen 8.1.5 of 8.1.5b en vermeldt daarbij afzonderlijk het bedrag van de aanvullende voorziening indien de ondersteuning in de vorm van een financiële tegemoetkoming wordt verstrekt.

2.

Voorts legt het bevoegd gezag de aan de student verstrekte ondersteuning vast in de administratie van de instelling, onder vermelding van het persoonsgebonden nummer van de student en indien het financiële ondersteuning betreft de hoogte van het toegekende bedrag.

Artikel 8.1.5g. Vergoeding in verband met ongebruikte onderwijsbenodigdheden

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over vergoeding door het bevoegd gezag van kosten die studenten hebben gemaakt voor de aanschaf van onderwijsbenodigdheden die door het bevoegd gezag zijn voorgeschreven, maar waarvan gezien het onderwijsprogramma door de studenten geen gebruik is gemaakt. De voordracht voor deze algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide Kamers der Staten-Generaal is overgelegd.

Artikel 8.5a.1. Begripsbepaling

In deze titel wordt verstaan onder school: school voor mavo als bedoeld in artikel 2.6 van de Wet voortgezet onderwijs 2020 of school voor vbo als bedoeld in artikel 2.7 van die wet.

Artikel 8.5a.2. Doorlopende leerroutes vmbo-mbo
1.

Het bevoegd gezag van een instelling kan een beroepsopleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdeel b, c en d, aanbieden in een doorlopende leerroute vmbo-mbo.

2.

Een doorlopende leerroute vmbo-mbo is een onderwijsprogramma vanaf het derde leerjaar aan een school, dat opleidt tot zowel een diploma vmbo als bedoeld in artikel 2.58, tweede lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020 als het diploma van een basisberoepsopleiding, vakopleiding of middenkaderopleiding.

3.

In een doorlopende leerroute vmbo-mbo worden tot één onderwijsprogramma geïntegreerd:

  • a. de basisberoepsgerichte leerweg en een basisberoepsopleiding in een aanverwant opleidingsdomein of een aanverwante kwalificatie;
  • b. de kaderberoepsgerichte leerweg en een vakopleiding in een aanverwant opleidingsdomein of een aanverwante kwalificatie;
  • c. de kaderberoepsgerichte, gemengde of theoretische leerweg en een middenkaderopleiding in een aanverwant opleidingsdomein of een aanverwante kwalificatie.
Artikel 8.5a.3. Samenwerkingsovereenkomst instelling en school doorlopende leerroute vmbo-mbo
1.

Een doorlopende leerroute vmbo-mbo wordt verzorgd door het bevoegd gezag van een instelling en het bevoegd gezag van een school gezamenlijk op grond van een samenwerkingsovereenkomst.

2.

Een samenwerkingsovereenkomst als bedoeld in het eerste lid voldoet aan artikel 2.107b, tweede lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020.

3.

Indien de doorlopende leerroute vmbo-mbo volledig wordt verzorgd binnen een verticale scholengemeenschap regelt het bevoegd gezag op overeenkomstige wijze de onderwerpen, genoemd in artikel 2.107b, tweede lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020, met uitzondering van de onderdelen h en i van dat lid.

Artikel 8.5a.4. Melden doorlopende leerroute vmbo-mbo

Het bevoegd gezag van een instelling en het bevoegd gezag van een school melden gezamenlijk aan Onze Minister dat zij een doorlopende leerroute vmbo-mbo aanbieden.

Artikel 8.5a.5. Inrichting doorlopende leerroute
1.

Aan een leerling van een school kunnen delen van het onderwijsprogramma van de doorlopende leerroute vmbo-mbo en examens worden aangeboden die behoren tot de beroepsopleiding die deel uitmaakt van die doorlopende leerroute, zonder inschrijving als bedoeld in artikel 8.1.1, eerste lid.

2.

Een student in de doorlopende leerroute vmbo-mbo kan in de gelegenheid worden gesteld om delen van het onderwijsprogramma te volgen en examens af te leggen die behoren tot het voortgezet onderwijs dat deel uitmaakt van die doorlopende leerroute.

Artikel 8.5a.6. Overeenkomst instelling en leerling

Vervallen

Artikel 8.5a.7. Inschrijving bij de instelling

1.

De leerling van een school die een doorlopende leerroute vmbo-mbo volgt wordt met ingang van het derde studiejaar van die doorlopende leerroute vmbo-mbo ingeschreven als student aan de instelling die het beroepsonderwijs binnen de doorlopende leerroute vmbo-mbo verzorgt. In afwijking van artikel 8.1.1a, eerste lid, eerste volzin, overlegt de school de gegevens, bedoeld in die volzin.

2.

Voor de inschrijving, bedoeld in het eerste lid, is het studentenstatuut, bedoeld in artikel 7.4.8, vierde lid, reeds van toepassing op een leerling van een school die een doorlopende leerroute vmbo-mbo volgt.

Artikel 8.5a.8. Verantwoordelijkheid van de instelling
1.

Het bevoegd gezag van de instelling draagt de gehele studieduur van de doorlopende leerroute vmbo-mbo zorg voor:

  • a. de uitvoering van delen van het onderwijsprogramma die behoren tot de beroepsopleiding die deel uitmaakt van de doorlopende leerroute vmbo-mbo, met inbegrip van de beroepspraktijkvorming;
  • b. de examinering en diplomering betreffende de beroepsopleiding die deel uitmaakt van de doorlopende leerroute vmbo-mbo.
2.

Ten aanzien van de onderdelen van een doorlopende leerroute vmbo-mbo, bedoeld in het eerste lid, die in het eerste of tweede studiejaar van die route plaatsvinden, is van overeenkomstige toepassing hetgeen is bepaald bij of krachtens de artikelen 2.5.5 en 2.5.5a, eerste, vierde, negende, tiende en twaalfde tot en met vijftiende lid, alsmede het bepaalde bij of krachtens de artikelen 10, 12, 14, 15 en 25 van de Wet register onderwijsdeelnemers.

3.

Artikel 7.4.8a is van overeenkomstige toepassing op klachten over met de doorlopende leerroute vmbo-mbo verband houdende gedragingen van het bevoegd gezag van de school waarmee een samenwerkingsovereenkomst als bedoeld in artikel is 8.5a.3 is gesloten, of van de ten behoeve van die school met taken belaste personen. Onverminderd artikel 7.4.8a, derde lid, maken de leden van de klachtencommissie geen deel uit van het bevoegd gezag van de school en is de voorzitter van de klachtencommissie niet werkzaam voor of bij dat bevoegd gezag.

Artikel 8.5a.9. Onderwijs- en examenregeling
1.

In het kader van de onderwijs- en examenregeling, bedoeld in artikel 7.4.8, tweede lid, en lid 2a die wordt opgesteld ten aanzien van een doorlopende leerroute, beschrijft het bevoegd gezag van de instelling samen met het bevoegd gezag van de school voor de gehele doorlopende leerroute vmbo-mbo het onderwijsprogramma en de examinering per studiejaar. Daarbij wordt vermeld welke onderdelen van het onderwijsprogramma en van het examen:

  • a. voortgezet onderwijs betreffen, en welk deel daarbinnen vakoverstijgend is;
  • b. beroepsonderwijs betreffen;
  • c. een combinatie van voortgezet onderwijs en beroepsonderwijs betreffen, en welk deel daarbinnen voortgezet onderwijs onderscheidenlijk beroepsonderwijs betreft.
2.

Bij de beschrijving van het onderwijsprogramma wordt tevens vermeld bij welk deel gebruik wordt gemaakt van de teambevoegdheid, bedoeld in artikel 8.5a.13.

Artikel 8.5a.10. Studieduur doorlopende leerroute vmbo-mbo
1.

In afwijking van de artikelen 2.6, derde lid, en 2.7, derde lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020 en artikel 7.2.4a, derde lid, onderdelen b tot en met d, en vierde lid, bedraagt de studieduur van een doorlopende leerroute vmbo-mbo vanaf het derde leerjaar aan een school:

  • a. voor een doorlopende leerroute vmbo-mbo die opleidt tot het diploma van een eenjarige basisberoepsopleiding ten minste twee en ten hoogste drie volledige studiejaren;
  • b. voor een doorlopende leerroute vmbo-mbo die opleidt tot het diploma van een tweejarige basisberoepsopleiding of tweejarige vakopleiding ten minste drie en ten hoogste vier volledige studiejaren;
  • c. voor een doorlopende leerroute vmbo-mbo die opleidt tot het diploma van een driejarige vakopleiding of de middenkaderopleiding ten minste vier en ten hoogste vijf volledige studiejaren;
  • d. voor een doorlopende leerroute vmbo-mbo die opleidt tot het diploma van een middenkaderopleiding als bedoeld in artikel 7.2.4a, vierde lid, ten minste vijf en ten hoogste zes volledige studiejaren.
2.

Ten aanzien van de opleiding voorbereidend beroepsonderwijs of middelbaar algemeen voortgezet onderwijs die deel uitmaakt van een doorlopende leerroute vmbo-mbo wordt onder «studieduur» mede verstaan «cursusduur als bedoeld in de Wet voortgezet onderwijs 2020» en wordt onder «volledig studiejaar» mede verstaan «jaar».

Artikel 8.5a.11. Onderwijstijd doorlopende leerroute vmbo-mbo (BOL)
1.

In afwijking van artikel 2.38, derde en vierde lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020 en artikel 7.2.7, derde lid, onderdelen b, c en d, en achtste lid omvat het gehele onderwijsprogramma van een doorlopende leerroute vmbo-mbo waarvan een beroepsopleiding in de beroepsopleidende leerweg deel uitmaakt:

  • a. bij een studieduur van twee volledige studiejaren ten minste 2.000 klokuren, waarvan ten minste 1.400 begeleide onderwijsuren en ten minste 250 klokuren aan beroepspraktijkvorming;
  • b. bij een studieduur van drie volledige studiejaren ten minste 3.000 klokuren, waarvan ten minste 2.400 begeleide onderwijsuren en ten minste 250 klokuren aan beroepspraktijkvorming;
  • c. bij een studieduur van vier volledige studiejaren ten minste 4.000 klokuren, waarvan ten minste 2.950 begeleide onderwijsuren en ten minste 450 klokuren aan beroepspraktijkvorming;
  • d. bij een studieduur van vijf volledige studiejaren ten minste 5.000 klokuren, waarvan ten minste 3.500 begeleide onderwijsuren en ten minste 900 klokuren aan beroepspraktijkvorming;
  • e. bij een studieduur van zes volledige studiejaren ten minste 6.000 klokuren, waarvan ten minste 4.050 begeleide onderwijsuren en ten minste 1.350 klokuren aan beroepspraktijkvorming.
2.

Het bevoegd gezag van de instelling en het bevoegd gezag van de school kunnen gezamenlijk een onderwijsprogramma verzorgen dat minder uren omvat dan de in het eerste lid, onderdelen a tot en met e, genoemde aantallen mits de opleiding aantoonbaar van voldoende kwaliteit is. In het geval het onderwijsprogramma minder uren omvat, legt het bevoegd gezag hierover verantwoording af in het bestuursverslag, bedoeld in artikel 2.5.4 dan wel, bij toepassing van artikel 1.4.1, eerste lid, in het verslag, bedoeld in artikel 1.4.1, zevende lid.

3.

Ten aanzien van het derde studiejaar van een doorlopende leerroute vmbo-mbo wordt onder begeleide onderwijsuren mede verstaan: onderwijstijd als bedoeld in artikel 2.38 van de Wet voortgezet onderwijs 2020.

Artikel 8.5a.12. Onderwijstijd doorlopende leerroute vmbo-mbo (BBL)
1.

In afwijking van artikel 2.38, derde en vierde lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020 en artikel 7.2.7, vierde lid, eerste volzin, en onverminderd artikel 8.1.1, derde lid, omvat het gehele onderwijsprogramma van een doorlopende leerroute vmbo-mbo waarvan een beroepsopleiding in de beroepsbegeleidende leerweg deel uitmaakt:

  • a. bij een studieduur van twee volledige studiejaren ten minste 1.850 klokuren, waarvan ten minste 900 begeleide onderwijsuren en ten minste 610 klokuren aan beroepspraktijkvorming;
  • b. bij een studieduur van drie volledige studiejaren ten minste 2.850 klokuren, waarvan ten minste 2.200 begeleide onderwijsuren en ten minste 610 klokuren aan beroepspraktijkvorming;
  • c. bij een studieduur van vier volledige studiejaren 3.700 klokuren, waarvan ten minste 2.400 begeleide onderwijsuren en ten minste 1.220 klokuren aan beroepspraktijkvorming;
  • d. bij een studieduur van vijf volledige studiejaren ten minste 4.550 klokuren, waarvan ten minste 2.600 begeleide onderwijsuren en ten minste 1.830 klokuren aan beroepspraktijkvorming;
  • e. bij een studieduur van zes volledige studiejaren ten minste 5.400 klokuren, waarvan ten minste 2.800 begeleide onderwijsuren en ten minste 2.300 klokuren aan beroepspraktijkvorming.
2.

Het bevoegd gezag van de instelling en het bevoegd gezag van de school kunnen gezamenlijk een onderwijsprogramma verzorgen dat minder uren omvat dan de in het eerste lid, onderdelen a tot en met e, genoemde aantallen mits de opleiding aantoonbaar van voldoende kwaliteit is. In het geval het onderwijsprogramma minder uren omvat, legt het bevoegd gezag hierover verantwoording af in het bestuursverslag, bedoeld in artikel 2.5.4 dan wel, bij toepassing van artikel 1.4.1, eerste lid, in het verslag, bedoeld in artikel 1.4.1, zevende lid.

3.

Ten aanzien van het derde studiejaar van een doorlopende leerroute vmbo-mbo wordt onder begeleide onderwijsuren mede verstaan: onderwijstijd als bedoeld in artikel 2.38 van de Wet voortgezet onderwijs 2020.

Artikel 8.5a.13. Teambevoegdheid

Voor de vakoverstijgende delen van het onderwijsprogramma, bedoeld in artikel 8.5a.9, eerste lid, onderdeel a, en voor de delen van het onderwijsprogramma die een combinatie van voortgezet onderwijs en beroepsonderwijs betreffen, bedoeld 8.5a.9, eerste lid, onderdeel c, kan, voor zover wordt voldaan aan artikel 7.13a van de Wet voortgezet onderwijs 2020, worden gewerkt met teams die verantwoordelijk zijn voor de kwaliteit van dat deel van het onderwijsprogramma.

Artikel 8.5a.14. Verwijdering

Op een student aan een doorlopende leerroute op wie de Leerplichtwet 1969 niet van toepassing is, is artikel 8.1.7d, tweede lid, van overeenkomstige toepassing, indien hij nog geen vmbo-diploma heeft behaald.

Artikel 8.5a.15. Overstapoptie
1.

Indien deelname van de student aan een doorlopende leerroute vmbo-mbo wordt beëindigd voordat hij deze met succes heeft afgerond wordt hij door het bevoegd gezag van de instelling en het bevoegd gezag van de school in staat gesteld een vmbo-diploma of het diploma van een beroepsopleiding te behalen, passend bij het naar het gezamenlijk oordeel van beide betrokken bevoegde gezagsorganen bereikte onderwijsniveau en de leeftijd van de student.

2.

Indien de student ingevolge het eerste lid een diploma van een beroepsopleiding wil behalen bij dezelfde instelling, zijn de artikelen 8.1.1c, 8.2.1, 8.2.2 en 8.2.2a niet van toepassing.

3.

Het eerste lid is niet van toepassing indien de student definitief van de instelling wordt verwijderd.

Artikel 8.5a.16. Overdracht bekostiging in het kader van een doorlopende leerroute vmbo-mbo

Het bevoegd gezag van de instelling kan met het bevoegd gezag van de school waarmee een samenwerkingsovereenkomst is gesloten als bedoeld in artikel 8.5a.3, overeenkomen om vanwege een doorlopende leerroute vmbo-mbo een deel van de rijksbijdrage over te dragen aan dat andere bevoegd gezag.

Artikel 8.5a.17. Artikelen die buiten toepassing blijven voor de doorlopende leerroute vmbo-mbo

De artikelen 8.0.1, 8.0.3, 8.0.4, 8.1.1c, 8.1.7a, 8.2.1, 8.2.2 en 8.2.2a zijn niet van toepassing op een doorlopende leerroute vmbo-mbo.

Hoofdstuk 9. Het bestuur

§ 1. Bevoegd gezag; bestuursoverdracht

§ 2. Bestuur en inrichting van de instellingen

Hoofdstuk 10. Beroep bij de bestuursrechter

Hoofdstuk 11. Sancties

Paragraaf 1. Inhouden en opschorten bekostiging; strafbepaling

§ 2. Bestuur en inrichting van de instellingen

Hoofdstuk 12. Overgangs-, invoerings- en slotbepalingen

Hoofdstuk 11a. Experimenten

Titel 1. Overgangsbepalingen experiment leergang vm2

Titel 4a. Beroepsopleidingen oude stijl

Titel 4. Bepalingen met betrekking tot passend onderwijs

Titel 5. Evaluatie, inwerkingtreding en citeertitel

Titel 4b. Invoering van de Wet aanscherping eisen examencommissies in het middelbaar beroepsonderwijs

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 1.5.3. Erkenning leerbedrijven voor de beroepspraktijkvorming
1.

De Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven is belast met het bij regeling vaststellen van de erkenningsvoorwaarden voor bedrijven en andere organisaties die de beroepspraktijkvorming verzorgen.

2.

De Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven erkent op aanvraag een bedrijf of organisatie, die aan de erkenningsvoorwaarden voldoet, als leerbedrijf voor de beroepspraktijkvorming.

3.

Erkende leerbedrijven worden ten minste eenmaal in de vier jaren herbeoordeeld.

4.

De erkenning wordt geweigerd of ingetrokken als niet of niet meer aan de voorwaarden wordt voldaan. De erkenning vervalt van rechtswege als het leerbedrijf gedurende een periode van vier jaren geen beroepspraktijkvorming heeft verzorgd.

5.

De Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven draagt zorg voor openbaarmaking van een actueel overzicht van alle erkende leerbedrijven, waarbij wordt vermeld voor welke kwalificaties het een leerbedrijf is.

6.

De regeling, bedoeld in het eerste lid, treedt eerst in werking na goedkeuring door Onze Minister. Goedkeuring wordt onthouden wegens strijd met het recht of het algemeen belang.

Hoofdstuk 2. Planning en bekostiging

Titel 1. Planning

§ 1. Algemene bepalingen

§ 2. Fusietoetsprocedure

Artikel 2.6.1. Verticale scholengemeenschap
1.

Een verticale scholengemeenschap kan worden gevormd met een instelling en een school voor praktijkonderwijs, vbo of mavo.

2.

Onder school als bedoeld in het eerste lid wordt ook verstaan een scholengemeenschap die uitsluitend uit voorgaande schoolsoorten bestaat, alsmede een school voor mavo met een afdeling havo als bedoeld in artikel 2.5, eerste lid, onderdeel b, van de Wet voortgezet onderwijs 2020.

3.

Een verticale scholengemeenschap kan een andere schoolsoort voor voortgezet onderwijs omvatten dan bedoeld in het eerste lid, voor zover die verticale scholengemeenschap reeds bestond op 1 januari 2020.

Artikel 2.6.2. Totstandkoming verticale scholengemeenschap
1.

Op aanvraag van het bevoegd gezag dat zowel een instelling als een school of scholengemeenschap als bedoeld in artikel 2.6.1, eerste en tweede lid, in stand houdt, besluit Onze Minister tot de vorming, wijziging of beëindiging van een verticale scholengemeenschap volgens bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen regels.

2.

De regels, bedoeld in het eerste lid, kunnen onder meer betrekking hebben op:

  • a. het percentage studenten en leerlingen van een instelling respectievelijk school of scholengemeenschap, afkomstig uit hetzelfde postcodegebied;
  • b. de mate van verwantschap tussen het opleidingenaanbod van de instelling en een profiel dat de school voor vbo aanbiedt;
  • c. de aanvraagprocedure omtrent de vorming van een verticale scholengemeenschap; en
  • d. het geheel of gedeeltelijk van overeenkomstige toepassing verklaren van bepalingen van deze wet op de school of scholengemeenschap die deel uitmaakt van een verticale scholengemeenschap.
3.

Aan een besluit omtrent de vorming van een verticale scholengemeenschap kunnen voorwaarden en beperkingen worden verbonden.

4.

De voordracht voor een krachtens het tweede lid, onderdeel b, vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.

Artikel 2.6.3. Afwijkingen en regels voor school in een vsg
1.

Ingeval van een verticale scholengemeenschap wordt de rijksbijdrage in de huisvestingskosten mede berekend voor de school die deel uitmaakt van de verticale scholengemeenschap volgens bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regels.

2.

In afwijking van de Wet medezeggenschap op scholen, uitgezonderd de artikelen 4a, 11a en 14a van die wet, zijn de bepalingen inzake medezeggenschap bij of krachtens deze wet en de Wet op de ondernemingsraden van toepassing op de school of scholengemeenschap die deel uitmaakt van de verticale scholengemeenschap.

3.

De artikelen 2.2.8 tot en met 2.2.10 zijn van overeenkomstige toepassing op een school of scholengemeenschap die deel uitmaakt van de verticale scholengemeenschap.

Artikel 3.1.3. Bestuursreglement
1.

Het bevoegd gezag regelt de interne bevoegdheidsverdeling en kan daartoe naast de statuten een bestuursreglement vaststellen. In de statuten of het bestuursreglement worden ten minste vastgelegd:

  • a. de verantwoordelijkheidsverdeling tussen het bestuur van de rechtspersoon en de raad van toezicht en de wijze waarop conflicten tussen beide kunnen worden opgelost;
  • b. de wijze waarop het bevoegd gezag zijn taken en bevoegdheden uitoefent, en
  • c. indien de instelling een of meer organisatorische eenheden omvat:
  • 1°. de organisatorische eenheden die de instelling omvat;
  • 2°. de taken en bevoegdheden die zijn op- of overgedragen aan het hoofd van de desbetreffende eenheid;
  • 3°. de verhouding van het hoofd van de desbetreffende eenheid tot degene die is belast met de dagelijkse leiding van de instelling; en
  • 4°. de samenstelling, en de werkwijze van het hoofd van de desbetreffende eenheid.
2.

Het bestuursreglement wordt openbaar gemaakt.

Artikel 3.1.4. Rol medezeggenschap bij bestuur en toezicht
1.

Een bestuurder en een lid van de raad van toezicht worden benoemd op basis van vooraf openbaar gemaakte profielschetsen.

2.

De ondernemingsraad en de studentenraad worden in de gelegenheid gesteld advies uit te brengen over de vaststelling of wijziging van een profielschets.

3.

De raad van toezicht stelt de medezeggenschapsraden binnen de instelling in de gelegenheid twee leden voor te dragen voor een sollicitatiecommissie voor het benoemen van een bestuurder:

  • a. een lid van of namens de ondernemingsraad; en
  • b. een lid van of namens de studentenraad of ouderraad.
4.

De raad van toezicht hoort de ondernemingsraad en de studentenraad vertrouwelijk over een voorgenomen beslissing tot benoeming of ontslag van een bestuurder of over de bestuurder in de zin van de Wet op de ondernemingsraden. Het horen geschiedt op een zodanig tijdstip dat het van wezenlijke invloed kan zijn op de besluitvorming.

5.

De studentenraad heeft de bevoegdheid advies uit brengen over een voorgenomen beslissing tot benoeming of ontslag van een bestuurder of over de bestuurder in de zin van de Wet op de ondernemingsraden.

6.

De ondernemingsraad wordt in de gelegenheid gesteld een bindende voordracht te doen voor een lid van de raad van toezicht.

7.

De raad van toezicht stelt de studentenraad en de ondernemingsraad van de instelling ten minste tweemaal per jaar in de gelegenheid overleg met hem te voeren.

Artikel 3.1.5. Aanwijzing
1.

Onze Minister kan het bevoegd gezag een aanwijzing tot het nemen van een of meer maatregelen geven, indien sprake is van wanbeheer.

2.

Onder wanbeheer wordt verstaan:

  • a. financieel wanbeleid;
  • b. het in ernstige mate of langdurig nalaten om, in ieder geval in strijd met de artikelen 1.3.6 en 1.3.6a, maatregelen te treffen die noodzakelijk zijn voor het waarborgen van de kwaliteit en de goede voortgang van het onderwijs, waaronder de deugdelijke afsluiting daarvan;
  • c. het door een bestuurder of toezichthouder ongerechtvaardigd verrijken van het bevoegd gezag, zichzelf of een derde;
  • d. het in de hoedanigheid van bestuurder of toezichthouder handelen in strijd met wettelijke bepalingen waardoor financieel voordeel wordt behaald ten gunste van het bevoegd gezag, zichzelf of een derde;
  • e. het in ernstige mate verwaarlozen van de zorg voor wat door redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd in de omgang met betrokkenen binnen de instelling, waaronder in ieder geval wordt verstaan intimidatie of bedreiging van personeel of studenten door een bestuurder of toezichthouder.
3.

Onze Minister motiveert in de aanwijzing waarom het doel van de aanwijzing niet met een minder zwaar middel kan worden bereikt

4.

De aanwijzing vermeldt de termijn waarbinnen zij moet worden uitgevoerd.

5.

Voordat Onze Minister een aanwijzing geeft heeft de inspectie een onderzoek als bedoeld in artikel 11 of artikel 15 van de Wet op het onderwijstoezicht verricht en daarover een inspectierapport uitgebracht als bedoeld in artikel 20, eerste lid, van de Wet op het onderwijstoezicht, waaruit volgt dat sprake is van wanbeheer als bedoeld in het tweede lid.

Paragraaf 1. Het lerarenregister

Paragraaf 2. Het registervoorportaal

Hoofdstuk 5. Toezicht

Titel 2. Ontneming recht op examinering educatie

Hoofdstuk 7. Het onderwijs

Paragraaf 1b. De uitvoering van de externe kwaliteitsbewaking

§ 2. Opleidingen voortgezet algemeen volwassenenonderwijs en opleidingen Nederlands als tweede taal I en II

Hoofdstuk 8a. Medezeggenschap en de landelijke geschillencommissie medezeggenschap

Hoofdstuk 9. Het bestuur

§ 1. Bevoegd gezag; bestuursoverdracht

§ 1. Bevoegd gezag; bestuursoverdracht

Hoofdstuk 10. Beroep bij de bestuursrechter

Hoofdstuk 9. Het bestuur

Paragraaf 1. Inhouden en opschorten bekostiging; strafbepaling

§ 2. Bestuur en inrichting van de instellingen

Hoofdstuk 11a. Experimenten

Titel 4. Bepalingen met betrekking tot passend onderwijs

Titel 4b. Invoering van de Wet aanscherping eisen examencommissies in het middelbaar beroepsonderwijs

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 7.1.5. Rapportage vorderingen van studenten

Het bevoegd gezag rapporteert over de vorderingen van de studenten aan hun ouders, dan wel aan de studenten zelf indien zij meerderjarig en handelingsbekwaam zijn.

Paragraaf 1a. Kwaliteitscentrum examinering beroepsopleidingen

Paragraaf 1b. De uitvoering van de externe kwaliteitsbewaking

Hoofdstuk 9. Het bestuur

§ 1. Bevoegd gezag; bestuursoverdracht

§ 2. Bestuur en inrichting van de instellingen

Hoofdstuk 9. Het bestuur

Hoofdstuk 10. Beroep bij de bestuursrechter

§ 1. Bevoegd gezag; bestuursoverdracht

Paragraaf 1. Ondersteuning van jongeren zonder startkwalificatie en regionaal programma

Hoofdstuk 11a. Experimenten

Hoofdstuk 12. Overgangs-, invoerings- en slotbepalingen

Titel 4. Bepalingen met betrekking tot passend onderwijs

Titel 4a. Beroepsopleidingen oude stijl

Titel 4a. Beroepsopleidingen oude stijl

Titel 5. Evaluatie, inwerkingtreding en citeertitel

Artikel 12.5.1b*. Evaluatie in verband met wet inzake verbetering rechtsbescherming mbo-studenten

Onze Minister zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van de Wet van ......25 februari 2022 tot wijziging van onder meer de Wet educatie en beroepsonderwijs met het oog op de verbetering van de rechtsbescherming van mbo-studenten (Stb. ....2022, 134) aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van die wet in de praktijk.

Titel 5. Begroting, verslaglegging en gegevensverstrekking

§ 1a. Verantwoording middelen voortgezet algemeen volwassenenonderwijs

Hoofdstuk 4. Personeel

§ 1. Formatie; rechtspositie

§ 2. Commissie van beroep

Paragraaf 1. Het lerarenregister

Paragraaf 2. Het registervoorportaal

Hoofdstuk 5. Toezicht

Artikel 8a.2.4. Advies- en instemmingsbevoegdheden ouderraad vsg
1.

Een ouderraad van een verticale scholengemeenschap heeft instemmingsbevoegdheid met betrekking tot voorgenomen beslissingen van het bevoegd gezag ten aanzien van:

  • a. de vaststelling van de schoolgids voor een school;
  • b. de vaststelling of wijziging van de hoogte en de vaststelling of wijziging van de bestemming van de middelen die van de ouders wordt gevraagd zonder dat daartoe een wettelijke verplichting bestaat dan wel zijn ontvangen op grond van een overeenkomst die door de ouders is aangegaan;
  • c. de vaststelling of wijziging van het beleid met betrekking tot het beheersbaar houden van de middelen die van de ouders worden gevraagd voor schoolkosten, met uitzondering van lesmateriaal als bedoeld in artikel 2.110 van de Wet voortgezet onderwijs 2020, die door het bevoegd gezag noodzakelijk worden bevonden;
  • d. vaststelling of wijziging van een regeling over het verwerken van en de bescherming van persoonsgegevens van ouders;
  • e. vaststelling of wijziging van het beleid ten aanzien van de uitwisseling van informatie tussen het bevoegd gezag en ouders.
2.

De ouderraad van een verticale scholengemeenschap heeft adviesbevoegdheid met betrekking tot voorgenomen beslissingen van het bevoegd gezag ten aanzien van:

  • a. regeling van de gevolgen voor ouders met betrekking tot een aangelegenheid omtrent beëindiging, belangrijke inkrimping, uitbreiding van werkzaamheden van een school of een belangrijk onderdeel daarvan, dan wel vaststelling of wijziging van het beleid ter zake;
  • b. regeling van de gevolgen voor ouders van het aangaan, verbreken of belangrijk wijzigen van een duurzame samenwerking met een andere school of instelling, dan wel vaststelling of wijziging van het beleid ter zake;
  • c. verandering of omzetting van de grondslag van de school, of een onderdeel daarvan, dan wel vaststelling of wijziging van het beleid ter zake.
3.

Artikel 8a.2.2, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 8.1.3a. Afspraken met betrekking tot extra ondersteuning
1.

Het bevoegd gezag beoordeelt voorafgaande aan de inschrijving van de student of vavo-student of deze student of vavo-student extra ondersteuning behoeft in verband met handicap of chronische ziekte en onderzoekt daartoe zijn mogelijkheden, behoeften en omstandigheden. Het bevoegd gezag kan de student of vavo-student verzoeken gegevens te overleggen betreffende handicap of chronische ziekte of beperkingen in de onderwijsparticipatie.

2.

Indien de inschrijving een student of vavo-student betreft die extra ondersteuning behoeft in verband met handicap of chronische ziekte, vindt de inschrijving slechts plaats nadat het bevoegd gezag met de student of vavo-student schriftelijke afspraken heeft gemaakt over deze ondersteuning.

3.

De afspraken worden ten minste één keer per studiejaar met de student of vavo-student geëvalueerd op hun doeltreffendheid.

4.

Indien de noodzaak van extra ondersteuning in verband met handicap of chronische ziekte na de inschrijving ontstaat, zijn het tweede en derde lid van overeenkomstige toepassing.

Artikel 8.1.7c. Schorsing
1.

Het bevoegd gezag kan een student of vavo-student voor ten hoogste twee weken schorsen.

2.

Het bevoegd gezag maakt de beslissing tot schorsing schriftelijk en voorzien van een deugdelijke motivering aan de student of vavo-student bekend. Indien de student of vavo-student jonger dan 18 jaar is, maakt het bevoegd gezag de beslissing ook aan de ouders schriftelijk bekend.

3.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over het schorsen van studenten en vavo-studenten.

Artikel 8.1.7d. Verwijdering
1.

Het bevoegd gezag kan een student of vavo-student van de instelling verwijderen.

2.

Het bevoegd gezag verwijdert een student of vavo-student op wie de Leerplichtwet 1969 van toepassing is pas definitief van de instelling nadat het bevoegd gezag ervoor heeft gezorgd dat het bevoegd gezag van een andere instelling, een school voor voortgezet speciaal onderwijs, een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs of een instelling als bedoeld in artikel 1, onder c, van de Leerplichtwet 1969 bereid is de student of vavo-student toe te laten. Indien aantoonbaar gedurende acht weken zonder succes is gezocht naar een zodanige instelling of school waarnaar kan worden verwezen, kan in afwijking van de eerste volzin tot definitieve verwijdering worden overgegaan.

3.

Het bevoegd gezag maakt de beslissing tot verwijdering van een student of vavo-student schriftelijk en voorzien van een deugdelijke motivering aan hem bekend. Indien de student of vavo-student jonger dan 18 jaar is, maakt het bevoegd gezag de beslissing ook aan de ouders schriftelijk bekend. Voorafgaand aan de beslissing tot verwijdering kan de student of vavo-student worden geschorst. Deze schorsing kan de duur, bedoeld in artikel 8.1.7c, eerste lid, overschrijden. Het bevoegd gezag gaat in geval van schorsing na op welke andere manier de betrokken student of vavo-student onderwijs kan blijven volgen.

4.

Op een bezwaarschrift tegen een beslissing over verwijdering van een student of vavo-student beslist het bevoegd gezag, voor zover het een openbare instelling betreft in afwijking van artikel 7:10 van de Algemene wet bestuursrecht, binnen vier weken na ontvangst van het bezwaarschrift. Voorafgaand daaraan wordt de student of vavo-student in de gelegenheid gesteld te worden gehoord en kennis te nemen van de adviezen en rapporten over die beslissing. Indien de student of vavo-student jonger dan 18 jaar is, komen deze rechten ook toe aan diens ouders.

5.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over het verwijderen van studenten en vavo-studenten.

Hoofdstuk 8a. Medezeggenschap en de landelijke geschillencommissie medezeggenschap

Hoofdstuk 9. Het bestuur

Titel 3. Reglement studentenraad

§ 2. Bestuur en inrichting van de instellingen

Hoofdstuk 11. Sancties

Paragraaf 2. Opschorten en terugvorderen rijksbijdrage educatie

Hoofdstuk 10. Beroep bij de bestuursrechter

Titel 5. Evaluatie, inwerkingtreding en citeertitel

Artikel 12.5.1b*. Evaluatie in verband met wet inzake verbetering rechtsbescherming mbo-studenten

Onze Minister zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van de Wet van ......25 februari 2022 tot wijziging van onder meer de Wet educatie en beroepsonderwijs met het oog op de verbetering van de rechtsbescherming van mbo-studenten (Stb. ....2022, 134) aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van die wet in de praktijk.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 1.3.10. Verzending berichten aan bevoegd gezag

Artikel 2:13, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing in het verkeer tussen ouders, studenten, vavo-studenten of deelnemers en het bevoegd gezag.

Titel 6. De exameninstellingen

Hoofdstuk 2. Planning en bekostiging

Titel 1. Planning

§ 1. Algemene bepalingen

Artikel 3.1.6. Spoedaanwijzing
1.

Onze Minister kan het bevoegd gezag een spoedaanwijzing tot het nemen van een of meer voorlopige maatregelen geven, indien:

  • a. het bevoegd gezag tekortschiet in de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet;
  • b. uit dat tekortschieten of mede uit dat tekortschieten een wezenlijk vermoeden van wanbeheer als bedoeld in artikel 3.1.5, tweede lid, volgt; en
  • c. dat is vereist in verband met onverwijlde spoed.
2.

Onze Minister motiveert in de spoedaanwijzing waarom het doel van de spoedaanwijzing niet met een minder zwaar middel kan worden bereikt.

3.

De spoedaanwijzing vermeldt de termijn waarbinnen zij moet worden uitgevoerd.

4.

De spoedaanwijzing bepaalt de duur waarvoor zij geldt. Deze geldigheidsduur bedraagt ten hoogste zes maanden. Onze Minister kan de geldigheidsduur eenmalig verlengen met ten hoogste zes maanden. Op een verlengingsbesluit is het eerste lid van overeenkomstige toepassing.

5.

Voordat Onze Minister een spoedaanwijzing geeft heeft de inspectie een onderzoek als bedoeld in artikel 11 of artikel 15 van de Wet op het onderwijstoezicht verricht en daarover een inspectierapport uitgebracht als bedoeld in artikel 20, eerste lid, van de Wet op het onderwijstoezicht, waaruit volgt dat is voldaan aan de vereisten, bedoeld in het eerste lid.

6.

Onze Minister informeert de beide Kamers der Staten-Generaal onverwijld nadat toepassing is gegeven aan het eerste lid.

Artikel 6.2.3c. Schorsing examinering of diplomering bij wezenlijk vermoeden dat de waarde van diploma’s en certificaten in het geding is
1.

Onverminderd de artikelen 6.2.2 tot en met 6.2.3b kan Onze Minister besluiten dat ten aanzien van een beroepsopleiding aan een niet uit ’s Rijks kas bekostigde instelling als bedoeld in artikel 1.4.1 gedurende ten hoogste zes maanden rechten kunnen worden geschorst indien:

  • a. het bevoegd gezag wat betreft het onderwijs of de examinering tekortschiet in de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet;
  • b. er daardoor of mede daardoor een wezenlijk vermoeden bestaat dat niet aan alle voorwaarden wordt voldaan om tot diplomering over te gaan of de kwaliteit van de examens in grote mate niet voldoet aan de standaarden, bedoeld in artikel 7.4.4; en
  • c. de inzet van andere bevoegdheden van Onze Minister op grond van deze wet niet kan worden afgewacht.
2.

Onze Minister schorst uitsluitend:

  • a. het recht op examinering voor de betreffende beroepsopleiding, of een deel daarvan;
  • b. het recht om voor die opleiding een diploma als bedoeld in artikel 7.4.6 te verstrekken;
  • c. het recht om voor onderdelen van die opleiding een certificaat als bedoeld in artikel 7.2.3 te verstrekken; of
  • d. het recht om voor onderdelen van die opleiding een mbo-verklaring als bedoeld in artikel 7.4.6a te verstrekken.

Paragraaf 1. Toegankelijke faciliteit; klachten

Artikel 7.5.6. Inlichtingen

De leden van de examencommissie en de examinatoren verstrekken aan de commissie van beroep voor de examens de inlichtingen die zij voor de uitvoering van haar taak nodig oordeelt.

Artikel 7.5.7. Bevoegdheid en samenstelling geschillenadviescommissie
1.

Het bevoegd gezag stelt, al dan niet in samenwerking met een of meer bevoegde gezagsorganen van andere instellingen, een geschillenadviescommissie in of sluit zich bij een dergelijke commissie aan. Op een geschillenadviescommissie is artikel 7:13, eerste tot en met zesde lid, van de Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige toepassing. De leden van de geschillenadviescommissie zijn functioneel onafhankelijk.

2.

De geschillenadviescommissie brengt aan het bevoegd gezag advies uit over bezwaren met betrekking tot schriftelijke beslissingen van organen van een instelling inhoudende een rechtshandeling op grond van deze wet en daarop gebaseerde regelingen dan wel met betrekking tot het ontbreken van een dergelijke beslissing. De vorige volzin is niet van toepassing op beslissingen als bedoeld in artikel 7.5.4.

3.

De geschillenadviescommissie neemt tevens kennis van geschillen tussen studenten of vavo-studenten en het bevoegd gezag van een instelling met betrekking tot het maken, wijzigen en uitvoeren van de afspraken, bedoeld in artikel 8.1.3a, tweede lid.

4.

De geschillenadviescommissie gaat na of een minnelijke schikking tussen partijen mogelijk is.

5.

Indien sprake is van onverwijlde spoed kan de voorzitter van de geschillenadviescommissie desgevraagd bepalen dat de geschillenadviescommissie zo spoedig mogelijk advies uitbrengt aan het bevoegd gezag. De voorzitter bepaalt binnen een week na ontvangst van het bezwaar of sprake is van onverwijlde spoed en brengt de betrokkene en het bevoegd gezag hiervan zo spoedig mogelijk op de hoogte. Het bevoegd gezag neemt dan, wat de openbare instellingen betreft in afwijking van artikel 7:10 van de Algemene wet bestuursrecht, binnen vier weken na ontvangst van het bezwaar door de faciliteit een beslissing.

6.

Het bevoegd gezag kan een commissie belasten met de behandeling van en advisering over zowel bezwaren als bedoeld in het tweede lid als klachten als bedoeld in artikel 7.5.2, onverminderd het bepaalde bij of krachtens dit artikel en de artikelen 7.5.2 en 7.5.8.

Artikel 7.5.8. Beslissing op bezwaren

Het bevoegd gezag beslist na ontvangst van het bezwaar binnen tien weken, onverminderd de beslissingen op grond van de procedure, bedoeld in artikel 7.5.7, vijfde lid. Wat de openbare instellingen betreft beslist het bevoegd gezag in afwijking van artikel 7:10, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 7.5.9. Beroep op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
1.

Een schriftelijke beslissing van een orgaan van een instelling inhoudende een rechtshandeling die jegens een betrokkene is genomen op grond van deze wet en daarop gebaseerde regelingen, wordt voor de toepassing van de bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht met betrekking tot besluiten aangemerkt als een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van die wet. Het beroep kan worden ingesteld door de betrokkene.

2.

Tegen een beslissing van een college van beroep bijzonder onderwijs als bedoeld in artikel 7.5.10 kan geen beroep worden ingesteld.

3.

De organen van de instelling verstrekken aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State de gegevens die zij voor de uitvoering van haar taak nodig oordeelt.

Artikel 7.5.10. College van beroep bijzonder onderwijs
1.

In afwijking van artikel 7.5.9, eerste lid, kan het bevoegd gezag van een bijzondere instelling, al dan niet in samenwerking met bevoegde gezagsorganen van een of meer andere bijzondere instellingen met een levensbeschouwelijke aard, in een regeling bepalen dat de instelling in verband met de levensbeschouwelijke aard van de instelling een college van beroep bijzonder onderwijs instelt voor de behandeling van beroepen ingesteld door een betrokkene tegen een beslissing van een orgaan van een instelling die jegens hem op grond van deze wet en daarop gebaseerde regelingen is genomen.

2.

De regeling bevat in elk geval regels over:

  • a. de omvang en samenstelling van het college;
  • b. indien nodig, de splitsing in kamers, alsmede de verdeling van de werkzaamheden over de verschillende kamers;
  • c. de zittingstermijn van de leden en eventuele plaatsvervangende leden van het college;
  • d. de wijze waarop het lidmaatschap of plaatsvervangend lidmaatschap van het college eindigt;
  • e. de procedure voor het minnelijk schikken van geschillen en de gevallen waarin deze procedure achterwege kan worden gelaten;
  • f. de wijze waarop in het secretariaat van het college wordt voorzien; en
  • g. de wijze waarop de voorzitter wordt vervangen.
3.

De voorzitter en de plaatsvervangende voorzitter of voorzitters moeten voldoen aan de vereisten voor benoembaarheid tot rechterlijk ambtenaar, bedoeld in artikel 5 van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren.

4.

De regeling bevat tevens een uitwerking van de rechtsgang bij het college, waarbij de artikelen 7.5.3, derde en vierde lid, 7.5.4, zesde lid, 7.5.5, eerste lid, en 7.5.6 van overeenkomstige toepassing zijn.

5.

Het college beslist binnen tien weken gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het beroepschrift is verstreken.

6.

De regeling alsmede wijzigingen daarvan worden vastgesteld met inachtneming van de artikelen 7.5.1 tot en met 7.5.9 en worden na de vaststelling zo spoedig mogelijk gezonden aan Onze Minister. Onze Minister kan binnen drie maanden verklaren van oordeel te zijn, dat het bevoegd gezag bij de vaststelling van de rechtsgang de artikelen 7.5.1 tot en met 7.5.9 niet in acht heeft genomen en daartoe in redelijkheid geen beroep heeft kunnen doen op de eigen levensbeschouwelijke aard van de bijzondere instelling die zich tegen inachtneming daarvan zou verzetten, of dat onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt. Binnen drie maanden wordt het bezwaar ondervangen.

7.

De werking van het besluit van Onze Minister, bedoeld in het zesde lid, wordt opgeschort totdat de beroepstermijn is verstreken, of, indien beroep is ingesteld, op het beroep is beslist.

Artikel 8a.2.1a. Onder de aandacht brengen instemmings- of adviesbevoegdheid

Indien het bevoegd gezag een voorstel voor advies of instemming voorlegt aan de studentenraad, wijst het bevoegd gezag de studentenraad uitdrukkelijk op haar instemmings- of adviesbevoegdheid.

§ 2. Doorlopende en geïntegreerde routes vso-mbo

Hoofdstuk 11. Sancties

Paragraaf 2. Ondersteuning door de instelling

Paragraaf 2. Opschorten en terugvorderen rijksbijdrage educatie

Hoofdstuk 11. Sancties

Hoofdstuk 11a. Experimenten

Titel 4. Bepalingen met betrekking tot passend onderwijs

Titel 4a. Beroepsopleidingen oude stijl

Titel 4b. Invoering van de Wet aanscherping eisen examencommissies in het middelbaar beroepsonderwijs

Titel 5. Evaluatie, inwerkingtreding en citeertitel

Artikel 12.5.1b*. Evaluatie in verband met wet inzake verbetering rechtsbescherming mbo-studenten

Onze Minister zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van de Wet van ......25 februari 2022 tot wijziging van onder meer de Wet educatie en beroepsonderwijs met het oog op de verbetering van de rechtsbescherming van mbo-studenten (Stb. ....2022, 134) aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van die wet in de praktijk.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 7.4.6b. Vervangend getuigschrift bij naamswijziging
1.

Aan de bezitter van een diploma, certificaat of mbo-verklaring als bedoeld in de artikelen 7.4.6, eerste lid, 7.2.3, eerste lid, respectievelijk 7.4.6a reikt de examencommissie van de betreffende instelling desgevraagd een vervangend getuigschrift uit in verband met een naamswijziging van de betrokkene ten gevolge van de toepassing van de artikelen 4, vierde lid, 7, eerste lid, 28b, tweede lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek of artikel 12 van de Rijkswet op het Nederlanderschap.

2.

Het vervangende getuigschrift bevat geen andere wijzigingen van de oorspronkelijke relevante gegevens.

3.

Het vervangende getuigschrift wordt verstrekt onder de voorwaarde dat het oorspronkelijke getuigschrift bij de betrokken examencommissie wordt ingeleverd.

4.

Het vervangende getuigschrift heeft dezelfde bewijskracht als het oorspronkelijke getuigschrift.

5.

Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden gesteld over de door de aanvrager over te leggen gegevens en de wijze waarop de vervanging door de examencommissie wordt uitgevoerd.

6.

In afwijking van artikel 7.4.1 is deze bepaling ook van toepassing op getuigschriften van opleidingen voortgezet algemeen volwassenenonderwijs.

Paragraaf 3. Beroep op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Hoofdstuk 8a. Medezeggenschap en de landelijke geschillencommissie medezeggenschap

Artikel 8a.1.1a. Overleg met studentenorganisaties

Onze Minister pleegt geregeld overleg met de daarvoor in aanmerking komende belangenorganisaties van studenten over aangelegenheden van algemeen belang voor studenten.

Titel 4. Geschillenregeling en procesbevoegdheid

Hoofdstuk 10. Beroep bij de bestuursrechter

Hoofdstuk 11. Sancties

Paragraaf 1. Inhouden en opschorten bekostiging; strafbepaling

Paragraaf 2. Opschorten en terugvorderen rijksbijdrage educatie

Hoofdstuk 12. Overgangs-, invoerings- en slotbepalingen

Artikel 12.1b.1. Overgangsbepaling bij te late indiening bekostigingsgegevens voor de rijksbijdrage 2025
1.

Indien een instelling de verklaring omtrent de getrouwheid, bedoeld in artikel 2.2.4, vijfde lid, ten behoeve van de rijksbijdrage beroepsonderwijs voor het bekostigingsjaar 2025 indient na een tijdstip dat op grond van artikel 2.2.4, vijfde lid, is bepaald, wordt de rijksbijdrage voor de instelling voorlopig vastgesteld met gebruik van de voorlopige gegevens van het kalenderjaar 2025.

2.

Nadat de instelling de verklaring omtrent de getrouwheid alsnog heeft ingediend voor een later tijdstip dat op grond vanartikel 2.2.4, vierde lid, is bepaald, wordt de rijksbijdrage voor de instelling definitief vastgesteld met gebruik van de gegevens die vergezeld gaan van de verklaring omtrent de getrouwheid en met inachtneming van de voorschriften op grond van artikel 2.2.4, vierde lid.

Titel 4. Bepalingen met betrekking tot passend onderwijs

Titel 4a. Beroepsopleidingen oude stijl

Titel 4. Bepalingen met betrekking tot passend onderwijs

Titel 4a. Beroepsopleidingen oude stijl

Artikel 12.5.1b*. Evaluatie in verband met wet inzake verbetering rechtsbescherming mbo-studenten

Onze Minister zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van de Wet van ......25 februari 2022 tot wijziging van onder meer de Wet educatie en beroepsonderwijs met het oog op de verbetering van de rechtsbescherming van mbo-studenten (Stb. ....2022, 134) aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van die wet in de praktijk.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 12.5.1c. Evaluatie in verband met wet inzake verbetering rechtsbescherming mbo-studenten

Onze Minister zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van de Wet van 23 februari 2022 tot wijziging van onder meer de Wet educatie en beroepsonderwijs met het oog op de verbetering van de rechtsbescherming van mbo-studenten (Stb. 2022, 134) aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van die wet in de praktijk.

Artikel 9.1.9. Studieduur doorlopende leerroute vmbo-mbo
1.

In afwijking van de artikelen 2.6, derde lid, en 2.7, derde lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020 en artikel 7.2.4a, derde lid, onderdelen b tot en met d, en vierde lid, bedraagt de studieduur van een doorlopende leerroute vmbo-mbo vanaf het derde leerjaar aan een school:

  • a. voor een doorlopende leerroute vmbo-mbo die opleidt tot het diploma van een eenjarige basisberoepsopleiding ten minste twee en ten hoogste drie volledige studiejaren;
  • b. voor een doorlopende leerroute vmbo-mbo die opleidt tot het diploma van een tweejarige basisberoepsopleiding of tweejarige vakopleiding ten minste drie en ten hoogste vier volledige studiejaren;
  • c. voor een doorlopende leerroute vmbo-mbo die opleidt tot het diploma van een driejarige vakopleiding of de middenkaderopleiding ten minste vier en ten hoogste vijf volledige studiejaren;
  • d. voor een doorlopende leerroute vmbo-mbo die opleidt tot het diploma van een middenkaderopleiding als bedoeld in artikel 7.2.4a, vierde lid, ten minste vijf en ten hoogste zes volledige studiejaren.
2.

Ten aanzien van de opleiding voorbereidend beroepsonderwijs of middelbaar algemeen voortgezet onderwijs die deel uitmaakt van een doorlopende leerroute vmbo-mbo wordt onder «studieduur» mede verstaan «cursusduur als bedoeld in de Wet voortgezet onderwijs 2020» en wordt onder «volledig studiejaar» mede verstaan «jaar».

Artikel 9.1.10. Onderwijstijd doorlopende leerroute vmbo-mbo (BOL)
1.

In afwijking van artikel 2.38, derde en vierde lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020 en artikel 7.2.7, derde lid, onderdelen b, c en d, en achtste lid omvat het gehele onderwijsprogramma van een doorlopende leerroute vmbo-mbo waarvan een beroepsopleiding in de beroepsopleidende leerweg deel uitmaakt:

  • a. bij een studieduur van twee volledige studiejaren ten minste 2.000 klokuren, waarvan ten minste 1.400 begeleide onderwijsuren en ten minste 250 klokuren aan beroepspraktijkvorming;
  • b. bij een studieduur van drie volledige studiejaren ten minste 3.000 klokuren, waarvan ten minste 2.400 begeleide onderwijsuren en ten minste 250 klokuren aan beroepspraktijkvorming;
  • c. bij een studieduur van vier volledige studiejaren ten minste 4.000 klokuren, waarvan ten minste 2.950 begeleide onderwijsuren en ten minste 450 klokuren aan beroepspraktijkvorming;
  • d. bij een studieduur van vijf volledige studiejaren ten minste 5.000 klokuren, waarvan ten minste 3.500 begeleide onderwijsuren en ten minste 900 klokuren aan beroepspraktijkvorming;
  • e. bij een studieduur van zes volledige studiejaren ten minste 6.000 klokuren, waarvan ten minste 4.050 begeleide onderwijsuren en ten minste 1.350 klokuren aan beroepspraktijkvorming.
2.

Het bevoegd gezag van de instelling en het bevoegd gezag van de school kunnen gezamenlijk een onderwijsprogramma verzorgen dat minder uren omvat dan de in het eerste lid, onderdelen a tot en met e, genoemde aantallen mits de opleiding aantoonbaar van voldoende kwaliteit is. In het geval het onderwijsprogramma minder uren omvat, legt het bevoegd gezag hierover verantwoording af in het bestuursverslag, bedoeld in artikel 2.5.4 dan wel, bij toepassing van artikel 1.4.1, eerste lid, in het verslag, bedoeld in artikel 1.4.1, zevende lid.

3.

Ten aanzien van het derde studiejaar van een doorlopende leerroute vmbo-mbo wordt onder begeleide onderwijsuren mede verstaan: onderwijstijd als bedoeld in artikel 2.38 van de Wet voortgezet onderwijs 2020.

Artikel 9.1.11. Onderwijstijd doorlopende leerroute vmbo-mbo (BBL)
1.

In afwijking van artikel 2.38, derde en vierde lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020 en artikel 7.2.7, vierde lid, eerste volzin, en onverminderd artikel 8.1.1, derde lid, omvat het gehele onderwijsprogramma van een doorlopende leerroute vmbo-mbo waarvan een beroepsopleiding in de beroepsbegeleidende leerweg deel uitmaakt:

  • a. bij een studieduur van twee volledige studiejaren ten minste 1.850 klokuren, waarvan ten minste 900 begeleide onderwijsuren en ten minste 610 klokuren aan beroepspraktijkvorming;
  • b. bij een studieduur van drie volledige studiejaren ten minste 2.850 klokuren, waarvan ten minste 2.200 begeleide onderwijsuren en ten minste 610 klokuren aan beroepspraktijkvorming;
  • c. bij een studieduur van vier volledige studiejaren 3.700 klokuren, waarvan ten minste 2.400 begeleide onderwijsuren en ten minste 1.220 klokuren aan beroepspraktijkvorming;
  • d. bij een studieduur van vijf volledige studiejaren ten minste 4.550 klokuren, waarvan ten minste 2.600 begeleide onderwijsuren en ten minste 1.830 klokuren aan beroepspraktijkvorming;

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)