Wet van 24 december 1997, houdende het onder de werkingssfeer van de wettelijke werknemersverzekeringen brengen van het overheidspersoneel (Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen)
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben dat wenselijk is het overheidspersoneel onder de werkingssfeer van de wettelijke werknemersverzekeringen te brengen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk 1. Overgang naar de werknemersverzekeringen
Paragraaf 1. Begripsomschrijvingen
Artikel 1
In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
- a. Amar: het Algemeen militair ambtenarenreglement, zoals dat luidde op de dag voorafgaande aan de datum waarop deze wet van toepassing wordt;
- b. militaire pensioenbepalingen: bij of krachtens de Kaderwet militaire pensioenen vastgestelde bepalingen;
- c. ARAR: het Algemeen Rijksambtenarenreglement, zoals dat luidde op de dag voorafgaande aan de datum waarop deze wet van toepassing wordt;
- d. beroepsmilitair: de beroepsmilitair in de zin van de Amp-wet;
- e. bezoldiging of uitkering in geval van ziekte: bezoldiging in geval van ziekte tijdens het dienstverband als bedoeld in artikel 39 van het ARAR of een overeenkomstige bepaling van een soortgelijke regeling, alsmede bezoldiging of uitkering wegens ziekte na beëindiging van het dienstverband als bedoeld in artikel 42 van het ARAR of een overeenkomstige bepaling van een soortgelijke regeling, anders dan een WAO-conforme uitkering;
- f. deeltijdfactor: de breuk waarvan de noemer wordt gevormd door het bedrag van het salaris dat in het toepasselijke systeem zou gelden bij volledige werktijd, zo nodig vastgesteld op grond van functiewaardering, en de teller door het bedrag van het feitelijk genoten salaris;
- g. dienstverband: het dienstverband van de overheidswerknemer die door een overheidswerkgever is aangesteld of in dienst is genomen op arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht;
- h. FAOP: het Fonds arbeidsongeschiktheidsverzekering overheidspersoneel, bedoeld in artikel 21 van de Wet FVP/ABP;
- i. Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen: het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
- j. vervallen;
- k. overheidswerkgever:
- 1°. het orgaan van een publiekrechtelijk lichaam dan wel het privaatrechtelijk lichaam dat de overheidswerknemer rechtstreeks ten laste van dat lichaam bezoldigt of beloont; en
- 2°. Onze Minister van Defensie in relatie tot de in artikel 2, tweede lid, onderdeel f, van de WPA uitgezonderde personen;
- l. overheidswerknemer:
- 1°. de overheidswerknemer in de zin van artikel 2 van de WPA, jonger dan 65 jaar; en
- 2°. de beroepsmilitair; en
- 3°. degene die door de Koning in dienst is genomen om bij de Koninklijke Hofhouding werkzaam te zijn en die uit dien hoofde onder de Pensioenregeling van de Stichting tot verzorging van de pensioenen van het personeel van de Koninklijke Hofhouding van het Huis van Oranje-Nassau valt, jonger dan 65 jaar;
- m. pensioen ter zake van arbeidsongeschiktheid: een pensioen ter zake van arbeidsongeschiktheid ingevolge de militaire pensioenbepalingen, in voorkomende gevallen verhoogd met een ingevolge die bepalingen toegekende invaliditeitsverhoging;
- n. pensioengrondslag: de op de dag voorafgaande aan het tijdstip van aanvang van fase 1 van deze wet geldende pensioengrondslag waarnaar het pensioen ter zake van arbeidsongeschiktheid dan wel de invaliditeitsverhoging is berekend;
- p. uitkering overeenkomstig de normen van de WAO: een uitkering overeenkomstig de normen van de WAO als bedoeld in artikel 121 van het Amar;
- q. uitkering ter zake van arbeidsongeschiktheid: een WAO-conforme uitkering, een pensioen ter zake van arbeidsongeschiktheid, een uitkering overeenkomstig de normen van de WAO of een uitkering op grond van de WAO;
- r. wachtgeld: een wachtgeld in de zin van het Rijkswachtgeldbesluit 1959, zoals dat luidde op de dag voorafgaande aan de datum waarop de WW ingevolge deze wet op de betreffende overheidswerknemer of gewezen overheidswerknemer van toepassing wordt, of een soortgelijke uitkering van een overheidswerknemer op grond van ontslag of werkloosheid alsmede een wachtgeld of daarmee gelijkgestelde uitkering in de zin van de bij of krachtens de Kaderwet militaire pensioenen vastgestelde bepalingen, met uitzondering van een uitkering in verband met functioneel leeftijdsontslag of vrijwillig vervroegd uittreden;
- s. WAO: de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering;
- t. WAO-conforme uitkering: de met overeenkomstige toepassing van de WAO toegekende arbeidsongeschiktheidsuitkering, bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de WPA;
- u. Wet FVP/ABP: de Wet financiële voorzieningen privatisering ABP;
- v. WPA: de Wet privatisering ABP, zoals die wet luidde op de dag voorafgaande aan het tijdstip van aanvang van fase 1 van deze wet;
- w. WW: de Werkloosheidswet;
- x. ZW: de Ziektewet.
Paragraaf 2. Ziekte
Artikel 2
De ZW wordt met ingang van het tijdstip van aanvang van fase 2, bedoeld in artikel 48, van toepassing op de gewezen overheidswerknemer die op de dag voorafgaande aan dat tijdstip geen wachtgeld geniet en evenmin bezoldiging of uitkering ingeval van ziekte ontvangt, maar die op dat tijdstip uit hoofde van zijn voormalige dienstverband als overheidswerknemer recht zou krijgen op een uitkering op grond van de WW, en die niet op de dag voorafgaande aan dat tijdstip maar wel op dat tijdstip ongeschikt tot werken is wegens ziekte.
De ZW wordt met ingang van het tijdstip van aanvang van fase 3, bedoeld in artikel 49, van toepassing op de gewezen overheidswerknemer die op de dag voorafgaande aan het tijdstip van aanvang van fase 2, bedoeld in artikel 48, recht heeft op:
- a. een wachtgeld waarvan de uitkeringsduur niet op het tijdstip van aanvang van fase 3, bedoeld in artikel 49, verstrijkt en die op dat tijdstip ongeschikt is tot werken wegens ziekte;
- b. bezoldiging of uitkering ingeval van ziekte, waarvan de uitkeringsduur niet op het tijdstip van aanvang van fase 3, bedoeld in artikel 49, verstrijkt en die op dat tijdstip ongeschikt is tot werken wegens ziekte.
De ZW wordt met ingang van de datum van eindiging van het dienstverband van toepassing op de gewezen overheidswerknemer:
- a. die op het tijdstip van aanvang van fase 2, bedoeld in artikel 48, bezoldiging of uitkering ingeval van ziekte ontvangt,
- b. wiens dienstverband eindigt op of na dat tijdstip doch voor het tijdstip van aanvang van fase 3, bedoeld in artikel 49, en
- c. die op het moment van die eindiging ongeschikt is tot werken wegens ziekte.
De ZW wordt met ingang van de datum van het intreden van de ongeschiktheid tot werken, doch niet eerder dan met ingang van het tijdstip van aanvang van fase 2, bedoeld in artikel 48, van toepassing op:
- a. de gewezen overheidswerknemer wiens dienstverband is geëindigd in de maand voorafgaande aan genoemd tijdstip en die op de dag voorafgaande aan genoemde datum geen recht heeft op wachtgeld of op bezoldiging of uitkering ingeval van ziekte uit hoofde van dat dienstverband;
- b. de gewezen overheidswerknemer wiens recht op wachtgeld wegens het verstrijken van de terzake geldende uitkeringsduur is geëindigd in de maand voorafgaande aan genoemd tijdstip;
- c. de gewezen overheidswerknemer wiens recht op wachtgeld wegens het verstrijken van de terzake geldende uitkeringsduur is geëindigd op of na het tijdstip van aanvang van fase 2, bedoeld in artikel 48, doch voor het tijdstip van aanvang van fase 3, bedoeld in artikel 49; indien de ongeschiktheid is ontstaan binnen een maand na de bedoelde eindiging.
Artikel 3
Voor de vaststelling van het recht op ziekengeld op grond van de ZW, alsmede voor de toelating tot de vrijwillige verzekering op grond van de ZW, worden de volgende personen, vanaf de dag van aanvang van hun dienstverband tot de datum waarop de ZW op grond van deze wet of de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 8b van de ZW, op hen van toepassing wordt, aangemerkt als verplicht verzekerd op grond van de ZW:
- a. de overheidswerknemers, voor zover niet bedoeld in onderdeel b of c;
- b. de overheidswerknemers en gewezen overheidswerknemers die op de dag voorafgaande aan de vorenbedoelde datum uit hoofde van hun dienstverband als overheidswerknemer onderscheidenlijk voormalige dienstverband als gewezen overheidswerknemer recht hebben op:
- 1°. bezoldiging of uitkering ingeval van ziekte, waarvan de uitkeringsduur niet verstrijkt op die datum;
- 2°. een uitkering ter zake van arbeidsongeschiktheid, die zou hebben doorgelopen op of opnieuw zou zijn ingegaan met ingang van die datum indien deze wet niet in werking zou zijn getreden; of
- 3°. een wachtgeld, waarvan de uitkeringsduur niet verstrijkt op die datum;
- c. de overheidswerknemers wier dienstverband eindigt met ingang van de vorenbedoelde datum en die op grond daarvan met ingang van die datum een recht verkrijgen op een wachtgeld dan wel een uitkering op grond van de WW.
Voor de vaststelling van het recht op ziekengeld op grond van de ZW, alsmede voor de toelating tot de vrijwillige verzekering, wordt de gewezen overheidswerknemer, bedoeld in artikel 2, vierde lid, onderdeel a, vanaf de dag van aanvang van zijn dienstverband tot de datum waarop het dienstverband is geëindigd, aangemerkt als verplicht verzekerd op grond van de ZW.
Voor de vaststelling van het recht op ziekengeld op grond van de ZW, alsmede voor de toelating tot de vrijwillige verzekering, wordt de gewezen overheidswerknemer, bedoeld in artikel 2, vierde lid, onderdelen b en c, vanaf de dag van aanvang van zijn dienstverband tot de datum waarop het recht op wachtgeld is geëindigd, aangemerkt als verplicht verzekerd op grond van de ZW.
Aan het eerste tot en met derde lid kunnen geen rechten worden ontleend over tijdvakken, die gelegen zijn voor de datum waarop de ZW ingevolge deze wet van toepassing wordt.
Artikel 4
Indien hij op die datum nog niet 52 weken ongeschikt is tot werken wegens ziekte, heeft recht op ziekengeld op grond van de ZW:
- a. met ingang van de datum waarop de ZW op hem van toepassing wordt, de gewezen overheidswerknemer, bedoeld in artikel 2, eerste tot en met derde lid;
- b. met ingang van het tijdstip van aanvang van fase 3, bedoeld in artikel 49, de overheidswerknemer, die op de dag voorafgaande aan dat tijdstip recht heeft op bezoldiging of uitkering ingeval van ziekte:
- 1°. in verband met of in aansluiting op zwangerschaps- of bevallingsverlof;
- 2°. op grond van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid in verband met orgaandonatie;
- 3°. die in een situatie verkeert overeenkomstig artikel 29b, eerste lid, van de ZW.
Een op grond van het eerste lid toegekend recht op ziekengeld op grond van de ZW wordt toegekend voor de duur van 52 weken van ongeschiktheid tot werken, verminderd met de periode beginnende met de eerste dag van de ongeschiktheid tot werken wegens ziekte tot en met de dag voorafgaande aan de datum waarop de ZW ingevolge deze wet van toepassing wordt op de betrokken overheidswerknemer of gewezen overheidswerknemer. Voor zover er sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 29a, vijfde lid, van de ZW, geldt in afwijking van de eerste volzin de termijn van 16 weken, bedoeld in dat vijfde lid.
Voor het bepalen van de in het eerste en het tweede lid bedoelde periode van 52 onderscheidenlijk 16 weken, worden perioden van arbeidsongeschiktheid samengeteld, indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen.
Voor het bepalen van de in het eerste en het tweede lid bedoelde periode van 52 onderscheidenlijk 16 weken, worden steeds perioden in aanmerking genomen, gedurende welke aanspraak bestaat op bezoldiging of uitkering in geval van ziekte.
Artikel 5
Voor de vaststelling van de hoogte van het ziekengeld op grond van de ZW, bedoeld in artikel 4, eerste lid, geldt als dagloon in de zin van die wet de door het getal 261 gedeelde, naar een jaarbedrag herleide bezoldiging overeenkomstig het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984, al dan niet onder toepassing van artikel 47, eerste lid, van het ARAR, of daarmee vergelijkbare regelingen, zoals dit besluit luidde respectievelijk deze regelingen luidden op de dag voorafgaande aan de datum waarop de ZW ingevolge deze wet van toepassing wordt op de betrokken overheidswerknemer of gewezen overheidswerknemer, waarnaar de bezoldiging of uitkering ingeval van ziekte van de in artikel 4, eerste lid, bedoelde overheidswerknemer of gewezen overheidswerknemer wordt berekend op die dag, vermeerderd met de vakantie-uitkering of eindejaarsuitkering voorzover betrokkene geen recht heeft op onverminderde opbouw of doorbetaling van die uitkering.
Voor de vaststelling van de hoogte van het ziekengeld op grond van de ZW voor de overheidswerknemer of gewezen overheidswerknemer die op grond van artikel 31, eerste of tweede lid, recht heeft verkregen op een uitkering op grond van de WW, geldt als dagloon in de zin van de ZW het met toepassing van artikel 33 vastgestelde dagloon.
Indien het recht op bezoldiging of uitkering ingeval van ziekte is toegekend uit een deeltijdbetrekking, geldt in afwijking van het eerste en tweede lid als dagloon het bedrag dat overeenkomstig deze leden wordt verkregen en vervolgens is vermenigvuldigd met de deeltijdfactor.
Het dagloon bedraagt ten hoogste het bedrag, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen, met betrekking tot een loontijdvak van een dag.
Artikel 6
Vervallen
Artikel 7
Vervallen
Artikel 8
Vervallen
Artikel 9
Vervallen
Artikel 10
Artikel 44, eerste lid, onderdeel a, van de ZW is niet van toepassing op de overheidswerknemer en de gewezen overheidswerknemer, bedoeld in de artikelen 2 en 3, eerste lid, die op de dag voorafgaande aan de datum waarop de ZW op grond van deze wet of de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 8b van de ZW, op hem van toepassing wordt, ongeschikt is tot werken wegens ziekte.
Het eerste lid is niet van toepassing indien een bepaling, overeenkomend met artikel 44, eerste lid, onderdeel a, van de ZW, reeds van toepassing was op de overheidswerknemer of de gewezen overheidswerknemer op de dag voorafgaande aan de datum waarop de ZW op grond van deze wet of de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 8b van de ZW, op hem van toepassing wordt.
Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kan, tezamen met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Onze Minister van Defensie, nadere regels stellen met betrekking tot het eerste en tweede lid.
Paragraaf 3. Arbeidsongeschiktheid
Afdeling 1. Overheidswerknemers uitgezonderd beroepsmilitairen
Artikel 11
Deze afdeling is van toepassing op overheidswerknemers en de in deze afdeling bedoelde gewezen overheidswerknemers, uitgezonderd beroepsmilitairen en gewezen beroepsmilitairen.
Artikel 12
Voor de vaststelling van het recht op uitkering op grond van de WAO, alsmede voor de toelating tot de vrijwillige verzekering op grond van de WAO, worden, vanaf de dag van aanvang van hun dienstverband tot het tijdstip van aanvang van fase 1 van deze wet, aangemerkt als verplicht verzekerd op grond van de WAO:
- a. overheidswerknemers, voor zover niet bedoeld in onderdeel b, c of e;
- b. overheidswerknemers en gewezen overheidswerknemers die op de dag voorafgaande aan het vorenbedoelde tijdstip recht hebben op een WAO-conforme uitkering die zou hebben doorgelopen op of opnieuw zou zijn ingegaan met ingang van dat tijdstip indien deze wet niet in werking zou zijn getreden;
- c. overheidswerknemers en gewezen overheidswerknemers aan wie op de dag voorafgaande aan het vorenbedoelde tijdstip bij wijze van voorschot een WAO-conforme uitkering wordt betaald en die op of na dat tijdstip met terugwerkende kracht tot en met de dag voorafgaande aan dat tijdstip, recht verkrijgen op een WAO-conforme uitkering die zou hebben doorgelopen op of opnieuw zou zijn ingegaan met ingang van dat tijdstip indien deze wet niet in werking zou zijn getreden;
- d. overheidswerknemers en gewezen overheidswerknemers die uit hoofde van hun dienstverband als overheidswerknemer onderscheidenlijk voormalige dienstverband als gewezen overheidswerknemer recht hebben op een wachtgeld;
- e. overheidswerknemers en gewezen overheidswerknemers die in verband met omstandigheden als bedoeld in artikel 20, eerste lid, onderdeel a, b, c of d, van de WW, op de dag voorafgaande aan het tijdstip van aanvang van fase 1 van deze wet uit hoofde van hun dienstverband als overheidswerknemer onderscheidenlijk voormalige dienstverband als gewezen overheidswerknemer geen wachtgeld genieten;
- f. gewezen overheidswerknemers die niet op het tijdstip van aanvang van fase 1 van deze wet, maar wel op de dag voorafgaande aan dat tijdstip, een dienstverband hebben; en
- g. de gewezen overheidswerknemers, voor zover niet bedoeld in onderdeel b, c, d, e of f, die recht zouden hebben op ziekengeld op grond van de ZW door de inwerkingtreding van artikel 4 van deze wet, indien dat artikel reeds van toepassing zou zijn vanaf het tijdstip van aanvang van fase 1 van deze wet.
Aan het eerste lid kunnen geen rechten worden ontleend over tijdvakken, die gelegen zijn voor het tijdstip van aanvang van fase 1 van deze wet.
Artikel 13
De overheidswerknemers en gewezen overheidswerknemers, bedoeld in artikel 12, eerste lid, onderdeel b, hebben vanaf het tijdstip van aanvang van fase 1 van deze wet recht op een uitkering op grond van de WAO.
De overheidswerknemers en gewezen overheidswerknemers, bedoeld in artikel 12, eerste lid, onderdeel c, hebben vanaf het tijdstip van aanvang van fase 1 van deze wet recht op een uitkering op grond van de WAO indien aan hen op of na dat tijdstip met terugwerkende kracht tot en met de dag voorafgaande aan dat tijdstip een recht op een WAO-conforme uitkering wordt toegekend. Totdat de laatstbedoelde toekenning heeft plaatsgevonden, wordt aan hen een voorlopige uitkering op grond van de WAO betaald. Indien bij de vaststelling van het recht op een WAO-uitkering blijkt dat deze voorlopige uitkering ten onrechte is uitbetaald, of op een te hoog bedrag was vastgesteld, wordt het teveel betaalde niet teruggevorderd.
Voor de toepassing van de artikelen 21a, 21b, 34 juncto 36 en 61 van de WAO en de artikelen 29 en 29b van de ZW, wordt de datum waarop de in artikel 12, eerste lid, onderdeel b, bedoelde WAO-conforme uitkering ingevolge artikel 37, negende lid, 39, zevende lid, 40, 41, 42, zesde lid, of 43, zesde lid, van de WPAis ingegaan, aangemerkt als de datum waarop het in het eerste of het tweede lid bedoelde recht op een uitkering op grond van de WAO is ingegaan.
Artikel 14
Voor de vaststelling van de hoogte van de uitkering op grond van de WAO, bedoeld in artikel 13, eerste of tweede lid, geldt als dagloon in de zin van die wet het dagloon waarnaar de WAO-conforme uitkering van de in artikel 12, eerste lid, onderdeel b of c, bedoelde overheidswerknemer of gewezen overheidswerknemer op grond van artikel 32 van de WPA is berekend op de dag voorafgaande aan het tijdstip van aanvang van fase 1 van deze wet.
Voor de vaststelling van de hoogte van de uitkering op grond van de WAO, bedoeld in artikel 13, eerste of tweede lid, geldt als vervolgdagloon in de zin van die wet het vervolgdagloon waarnaar de WAO-conforme uitkering van de in artikel 12, eerste lid, onderdeel b of c, bedoelde overheidswerknemer of gewezen overheidswerknemer, op grond van artikel 32 van de WPAis berekend op de dag voorafgaande aan het tijdstip van aanvang van fase 1 van deze wet.
Het dagloon bedraagt ten hoogste het bedrag, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen, met betrekking tot een loontijdvak van een dag.
Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kan, tezamen met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Onze Minister van Defensie, nadere regels stellen met betrekking tot het eerste tot en met het derde lid.
Artikel 15
Voor de vaststelling van de hoogte van de uitkering op grond van de WAO voor de in artikel 4, eerste lid, bedoelde overheidswerknemers en gewezen overheidswerknemers, geldt als dagloon in de zin van die wet het met toepassing van artikel 5, eerste en tweede lid, vastgestelde dagloon.
Voor de vaststelling van de hoogte van de uitkering op grond van de WAO voor de overheidswerknemer of gewezen overheidswerknemer die op grond van artikel 31, eerste of tweede lid, recht heeft verkregen op een uitkering op grond van de WW, geldt als dagloon in de zin van de WAO het met toepassing van artikel 33 vastgestelde dagloon.
Artikel 16
Voor de eerste vaststelling van het recht op uitkering op grond van de WAO, bedoeld in artikel 13, eerste of tweede lid, van de in artikel 12, eerste lid, onderdeel b of c, bedoelde overheidswerknemer of gewezen overheidswerknemer is de door het FAOP met overeenkomstige toepassing van de WAO ten aanzien van betrokkene vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid in het kader van de WAO-conforme uitkering, zoals die geldt op de dag voorafgaande aan het tijdstip van aanvang van fase 1 van deze wet, bepalend.
Artikel 17
Voor de vaststelling van de hoogte van de voorlopige uitkering op grond van de WAO, bedoeld in artikel 13, tweede lid, tweede volzin, ten aanzien van de in artikel 12, eerste lid, onderdeel c, bedoelde overheidswerknemer of gewezen overheidswerknemer, geldt:
- a. als dagloon het dagloon waarnaar die WAO-conforme uitkering op grond van artikel 32 van de WPA is berekend op de dag voorafgaande aan het tijdstip van aanvang van fase 1 van deze wet;
- b. als vervolgdagloon het vervolgdagloon waarnaar die WAO-conforme uitkering op grond van artikel 32 van de WPA is berekend op de dag voorafgaande aan het tijdstip van aanvang van fase 1 van deze wet.
Voor de vaststelling van de voorlopige uitkering op grond van de WAO, bedoeld in artikel 13, tweede lid, tweede volzin, ten aanzien van de in artikel 12, eerste lid, onderdeel c, bedoelde overheidswerknemer of gewezen overheidswerknemer is de door het FAOP met overeenkomstige toepassing van de WAO ten aanzien van betrokkene vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid in het kader van de bij wijze van voorschot betaalde WAO-conforme uitkering, zoals die geldt op de dag voorafgaande aan het tijdstip van aanvang van fase 1 van deze wet, bepalend.
Voor de toepassing van hoofdstuk IV van de WAO worden de voorlopige uitkeringen op grond van de WAO, bedoeld in artikel 13, tweede lid, tweede volzin, aangemerkt als uitkeringen op grond van de WAO als bedoeld in artikel 76d, eerste lid, onderdeel a, van die wet.
Het op grond van artikel 13, tweede lid, tweede volzin, betaalde bedrag aan voorlopige uitkeringen wordt verrekend met het bedrag van de uitkering op grond van de WAO, bedoeld in artikel 13, tweede lid, eerste volzin.
Artikel 18
Indien de WAO-conforme uitkering met overeenkomstige toepassing van artikel 46a van de WAO op grond van artikel 32 van de WPA is verhoogd, wordt de uitkering op grond van de WAO, bedoeld in artikel 13, eerste of tweede lid, eerste volzin, danwel de voorlopige uitkering op grond van de WAO, bedoeld in artikel 13, tweede lid, tweede volzin, vastgesteld met inachtneming van die verhoging.
Het eerste lid is van toepassing op de betrokkene zolang hij recht zou hebben gehad op de in dat lid bedoelde verhoging als artikel 46a van de WAO op grond van artikel 32, eerste lid, van de WPA op hem nog van overeenkomstige toepassing zou zijn geweest op het tijdstip van aanvang van fase 1 van deze wet.
Artikel 19
De TBA wordt toegepast op een ingevolge artikel 13, eerste of tweede lid, toegekende uitkering op grond van de WAO, met inachtneming van het volgende:
- a. de datum van ingang van de in artikel 12, eerste lid, onderdeel b of c, bedoelde WAO-conforme uitkering geldt als de datum van ingang van de uitkering op grond van de WAO;
- b. artikel XVI van de TBA is van toepassing op de overheidswerknemer of gewezen overheidswerknemer op wie op de dag voorafgaande aan het tijdstip van aanvang van fase 1 van deze wet artikel XX dan wel XXIV van de TBA van toepassing was, met dien verstande dat artikel 18, zesde lid, van de WAO niet van toepassing is;
- c. de artikelen XVII tot en met XIX van de TBA zijn van toepassing op de overheidswerknemer of gewezen overheidswerknemer op wie op de dag voorafgaande aan het tijdstip van aanvang van fase 1 van deze wet de artikelen XXI tot en met XXIII dan wel XXV tot en met XXVII van de TBA van toepassing waren.
Artikel 20
Voorzieningen, vergoedingen of toelagen die zijn toegekend op grond van artikel 32 van de WPA, met overeenkomstige toepassing van de artikelen 57, 57a en 58 van de AAW, worden met ingang van het tijdstip van aanvang van fase 1 van deze wet voortgezet als voorzieningen, vergoedingen en toelagen op grond van artikel 65, 65a of 65b van de WAO.
Een loonsuppletie, een loonkostensubsidie, een reïntegratie-uitkering of een opleiding of scholing, die is toegekend op grond van artikel 32 van de WPA met overeenkomstige toepassing van artikel 60, 62, 63 of 64 van de WAO, wordt met ingang van het tijdstip van aanvang van fase 1 van deze wet voortgezet als een loonsuppletie, een loonkostensubsidie, een reïntegratie-uitkering of een opleiding of scholing op grond van artikel 60, 62, 63 of 64 van de WAO.
Afdeling 2. Beroepsmilitairen
Artikel 21
Deze afdeling is van toepassing op beroepsmilitairen en de in deze afdeling bedoelde gewezen beroepsmilitairen.
Artikel 22
Voor de vaststelling van het recht op uitkering op grond van de WAO, alsmede voor de toelating tot de vrijwillige verzekering op grond van de WAO, worden, vanaf de dag van aanvang van hun dienstverband tot aan het tijdstip van aanvang van fase 1 van deze wet, aangemerkt als verplicht verzekerd op grond van de WAO:
- a. beroepsmilitairen, voor zover niet bedoeld in onderdeel b of e;
- b. beroepsmilitairen die op de dag voorafgaande aan het vorenbedoelde tijdstip uit hoofde van hun dienstverband als beroepsmilitair recht hebben op bezoldiging of uitkering in geval van ziekte, welk recht niet zou zijn geëindigd op dat tijdstip indien fase 1 van deze wet niet in werking zou zijn getreden;
- c. gewezen beroepsmilitairen die op de dag voorafgaande aan het vorenbedoelde tijdstip uit hoofde van hun voormalige dienstverband als gewezen beroepsmilitair recht hebben op een pensioen ter zake van arbeidsongeschiktheid, welk recht niet zou zijn geëindigd op dat tijdstip indien fase 1 van deze wet niet in werking zou zijn getreden;
- d. gewezen beroepsmilitairen die op de dag voorafgaande aan het vorenbedoelde tijdstip uit hoofde van hun voormalige dienstverband als gewezen beroepsmilitair recht hebben op een uitkering overeenkomstig de normen van de WAO, welk recht niet zou zijn geëindigd op dat tijdstip indien fase 1 van deze wet niet in werking zou zijn getreden; en
- e. beroepsmilitairen en gewezen beroepsmilitairen die op de dag voorafgaande aan het vorenbedoelde tijdstip uit hoofde van hun dienstverband als beroepsmilitair onderscheidenlijk voormalige dienstverband als gewezen beroepsmilitair recht hebben op een wachtgeld, welk recht niet zou zijn geëindigd op dat tijdstip indien fase 1 van deze wet niet in werking zou zijn getreden.
Aan het eerste lid kunnen geen rechten worden ontleend over tijdvakken, die gelegen zijn voor het tijdstip van aanvang van fase 1 van deze wet.
Artikel 23
De beroepsmilitair, bedoeld in artikel 22, eerste lid, onderdeel b, die op het tijdstip van aanvang van fase 1 van deze wet 52 weken of langer arbeidsongeschikt is in de zin van de WAO, de gewezen beroepsmilitair, bedoeld in artikel 22, eerste lid, onderdeel c, en de gewezen beroepsmilitair, bedoeld in artikel 22, eerste lid, onderdeel d, hebben vanaf dat tijdstip recht op een uitkering op grond van de WAO.
Voor de toepassing van de artikelen 21a, 21b, 34 juncto 36 en 61 van de WAO en de artikelen 29 en 29b van de ZW wordt:
- a. ten aanzien van de beroepsmilitair, bedoeld in artikel 22, eerste lid, onderdeel b, de datum waarop de periode van 52 weken arbeidsongeschiktheid is of geacht wordt te zijn verstreken; of
- b. ten aanzien van de gewezen beroepsmilitair, bedoeld in artikel 22, eerste lid, onderdeel c, de datum van ingang van het recht op een pensioen ter zake van arbeidsongeschiktheid; of
- c. ten aanzien van de gewezen beroepsmilitair, bedoeld in artikel 22, eerste lid, onderdeel d, de datum van ingang van het recht op een uitkering overeenkomstig de normen van de WAO;
aangemerkt als de datum van ingang van het in het eerste lid bedoelde recht op een uitkering op grond van de WAO.
Artikel 24
Voor de vaststelling van de hoogte van de uitkering op grond van de WAO, bedoeld in artikel 23, eerste lid, voor de in artikel 22, eerste lid, onderdeel b, bedoelde beroepsmilitair die op het tijdstip van aanvang van fase 1 van deze wet 52 weken of langer arbeidsongeschikt is in de zin van de WAO, geldt als dagloon respectievelijk vervolgdagloon in de zin van die wet de door het getal 261 gedeelde, naar een jaarbedrag herleide pensioengrondslag, bedoeld in artikel F6 van de Amp-wet, respectievelijk vervolguitkeringsgrondslag, bedoeld in artikel F6a van de Amp-wet, die voor betrokkene zou zijn vastgesteld indien betrokkene op de dag voorafgaande aan de vorenbedoelde datum zou zijn ontslagen met recht op een pensioen ter zake van arbeidsongeschiktheid.
Voor de vaststelling van de hoogte van de uitkering ingevolge de WAO, bedoeld in artikel 23, eerste lid, voor de in artikel 22, eerste lid, onderdeel c, bedoelde gewezen beroepsmilitair, geldt als dagloon respectievelijk vervolgdagloon in de zin van die wet de voor betrokkene geldende, door het getal 261 gedeelde, naar een jaarbedrag herleide pensioengrondslag, in voorkomend geval verhoogd met het percentage van de toeslag, bedoeld in artikel F7a van de Amp-wet, respectievelijk de voor betrokkene geldende, door het getal 261 gedeelde, naar een jaarbedrag herleide vervolguitkeringsgrondslag, bedoeld in artikel F6a van de Amp-wet, en in voorkomend geval aangepast met het percentage waarmee het salaris, dat overeenkomt met de aangepaste pensioengrondslag, op grond van artikel 34 van de Wet FVP/ABP is aangepast.
Voor de vaststelling van de hoogte van de uitkering ingevolge de WAO, bedoeld in artikel 23, eerste lid, voor de in artikel 22, eerste lid, onderdeel d, bedoelde gewezen beroepsmilitair, geldt als dagloon respectievelijk vervolgdagloon in de zin van die wet de naar een jaarbedrag herleide en door 261 gedeelde berekeningsgrondslag van de uitkering overeenkomstig de normen van de WAO zoals die geldt op de dag voorafgaande aan het tijdstip van aanvang van fase 1 van deze wet, aangepast op de voet van het Amar, zoals dat luidde op die dag, respectievelijk de voor betrokkene geldende, door het getal 261 gedeelde, naar een jaarbedrag herleide vervolguitkeringsgrondslag, bedoeld in artikel F6a van de Amp-wet.
Het dagloon bedraagt ten hoogste het bedrag, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen, met betrekking tot een loontijdvak van een dag.
Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kan, tezamen met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Onze Minister van Defensie, nadere regels stellen met betrekking tot het eerste tot en met het vierde lid.
Artikel 25
Voor de vaststelling van de hoogte van de uitkering op grond van de WAO voor de beroepsmilitair of gewezen beroepsmilitair die op grond van artikel 4, eerste lid, recht heeft gekregen op een uitkering op grond van de ZW, geldt als dagloon in de zin van de WAO het met toepassing van artikel 5, eerste lid, vastgestelde dagloon.
Voor de vaststelling van de hoogte van de uitkering op grond van de WAO voor de beroepsmilitair of gewezen beroepsmilitair die op grond van artikel 31, eerste of tweede lid, recht heeft verkregen op een uitkering op grond van de WW, geldt als dagloon in de zin van de WAO het met toepassing van artikel 33 vastgestelde dagloon.
Artikel 26
Voor de eerste vaststelling van het recht op uitkering ingevolge de WAO, bedoeld in artikel 23, eerste lid, voor de in artikel 22, eerste lid, onderdeel b, bedoelde beroepsmilitair die op het tijdstip van aanvang van fase 1 van deze wet 52 weken of langer arbeidsongeschikt is in de zin van de WAO, is de door Onze Minister van Defensie vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid, bedoeld in artikel E6 van de Amp-wet, bepalend.
Ten aanzien van de in artikel 22, eerste lid, onderdeel b, bedoelde beroepsmilitair die op het tijdstip van aanvang van fase 1 van deze wet 52 weken of langer arbeidsongeschikt is in de zin van de WAO, ten aanzien van wie op de dag voorafgaande aan dat tijdstip de mate van arbeidsongeschiktheid, bedoeld in artikel E6 van de Amp-wet , nog niet is vastgesteld, wordt de mate van arbeidsongeschiktheid in de zin van de WAO voor de eerste vaststelling van het recht op uitkering ingevolge de WAO, bedoeld in artikel 23, eerste lid, vastgesteld binnen een termijn van drie maanden na het vorenbedoelde tijdstip.
Voor de eerste vaststelling van het recht op uitkering ingevolge de WAO, bedoeld in artikel 23, eerste lid, voor de in artikel 22, eerste lid, onderdeel c, bedoelde gewezen beroepsmilitair, is de door Onze Minister van Defensie vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid, bedoeld in artikel E6 van de Amp-wet , bepalend.
Voor de eerste vaststelling van het recht op uitkering ingevolge de WAO, bedoeld in artikel 23, eerste lid, voor de in artikel 22, eerste lid, onderdeel d, bedoelde gewezen beroepsmilitair, is de mate van arbeidsongeschiktheid, waarnaar zijn uitkering overeenkomstig de normen van de WAO is berekend, bepalend.
Artikel 27
De TBA wordt toegepast op een ingevolge artikel 23, eerste lid, toegekende uitkering op grond van de WAO, met inachtneming van het volgende:
- a. de datum van ingang van het in artikel 22, eerste lid, onderdeel c, bedoelde pensioen ter zake van arbeidsongeschiktheid, dan wel van de in artikel 22, eerste lid, onderdeel d, bedoelde uitkering overeenkomstig de normen van de WAO, geldt als de datum van ingang van het recht op die uitkering op grond van de WAO;
- b. artikel XVI van de TBA is van overeenkomstige toepassing op de beroepsmilitair of gewezen beroepsmilitair op wie op de dag voorafgaande aan het tijdstip van aanvang van fase 1 van deze wet artikel XXIV van de TBA van toepassing was, met dien verstande dat artikel 18, zesde lid, van de WAO niet van toepassing is;
- c. de artikelen XVII tot en met XIX van de TBA zijn van overeenkomstige toepassing op de beroepsmilitair of gewezen beroepsmilitair op wie op de dag voorafgaande aan het tijdstip van aanvang van fase 1 van deze wet de artikelen XXV tot en met XXVII van de TBA van toepassing waren.
Artikel 28
Voorzieningen, vergoedingen of toelagen die zijn toegekend op grond van artikel X5 van de Amp-wet, met overeenkomstige toepassing van de artikelen 57, 57a en 58 van de AAW, worden met ingang van het tijdstip van aanvang van fase 1 van deze wet voortgezet als voorzieningen, vergoedingen en toelagen op grond van artikel 65, 65a of 65b van de WAO.
Een loonsuppletie, een loonkostensubsidie, een reïntegratie-uitkering of een opleiding of scholing, die is toegekend op grond van artikel X 6 van de Amp-wet met overeenkomstige toepassing van artikel 60, 62, 63 of 64 van de WAO, wordt met ingang van het tijdstip van aanvang van fase 1 van deze wet voortgezet als een loonsuppletie, een loonkostensubsidie, een reïntegratie-uitkering of een opleiding of scholing op grond van artikel 60, 62, 63 of 64 van de WAO.
Afdeling 3. Risicowering arbeidsongeschiktheid
Artikel 29
De artikelen 18, tweede tot en met vierde lid, en 30, eerste lid, onderdeel a, van de WAO zijn niet van toepassing op de overheidswerknemers en de gewezen overheidswerknemers, bedoeld in artikel 13, en de beroepsmilitairen en de gewezen beroepsmilitairen, bedoeld in artikel 23, alsmede op de overheidswerknemers en gewezen overheidswerknemers, bedoeld in artikel 12, eerste lid, en de beroepsmilitairen en gewezen beroepsmilitairen, bedoeld in artikel 22, eerste lid, die op de dag voorafgaande aan het tijdstip van aanvang van fase 1 van deze wet ongeschikt zijn tot werken wegens ziekte, behoudens ingeval een of meer van de genoemde bepalingen reeds van toepassing of van overeenkomstige toepassing was op de betrokkene op de dag voorafgaande aan de datum waarop de WAO ingevolge deze wet van toepassing wordt op de betrokkene.
Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kan, tezamen met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Onze Minister van Defensie, nadere regels stellen met betrekking tot het eerste lid.
Paragraaf 4. Werkloosheid
Artikel 30
Met ingang van de datum waarop de WW op grond van deze wet of de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 7 van de WW, van toepassing wordt op de overheidswerknemer wordt, vanaf de dag van aanvang van het betreffende dienstverband, voor de vaststelling van het recht op uitkering op grond van de WW, alsmede voor de toelating tot de vrijwillige verzekering op grond van de WW, aangemerkt als een dienstbetrekking als bedoeld in artikel 3 van de WW:
- a. het dienstverband van de overheidswerknemer;
- b. het voormalige dienstverband van de gewezen overheidswerknemer die op de dag voorafgaande aan bedoelde datum uit hoofde van zijn voormalige dienstverband als gewezen overheidswerknemer in het genot is van:
- 1°. bezoldiging of uitkering in geval van ziekte;
- 2°. een uitkering ter zake van arbeidsongeschiktheid; of
- 3°. een wachtgeld;
- c. het voormalige dienstverband van de gewezen overheidswerknemer die in verband met omstandigheden als bedoeld in artikel 20, eerste lid, onderdeel a, b, c of d, van de WW, op de dag voorafgaande aan bedoelde datum geen wachtgeld uit hoofde van zijn voormalige dienstverband als gewezen overheidswerknemer geniet; en
- d. het voormalige dienstverband van de gewezen overheidswerknemer die niet op bedoelde datum, maar wel op de dag voorafgaande aan die datum, een dienstverband heeft.
Aan het eerste lid kunnen geen rechten worden ontleend over tijdvakken, die gelegen zijn voor de datum waarop de WW ingevolge deze wet van toepassing wordt.
Artikel 31
De gewezen overheidswerknemer, bedoeld in artikel 30, eerste lid, onderdeel b, onder 3°, heeft vanaf het tijdstip van aanvang van fase 3 van deze wet recht op een uitkering op grond van de WW, indien zijn dienstverband op het moment van ingang van zijn recht op wachtgeld aangemerkt zou zijn als dienstbetrekking in de zin van de WW, indien de WW van toepassing zou zijn geweest op de dag waarop het recht op wachtgeld ontstond, en dat recht op een uitkering op grond van de WW zou voortduren na vorenbedoeld tijdstip.
De gewezen overheidswerknemer, bedoeld in artikel 30, eerste lid, onderdeel c, heeft recht op een uitkering op grond van de WW vanaf de eerste dag waarop dit recht na het tijdstip van aanvang van fase 3 van deze wet zou zijn ontstaan of zou herleven, indien zijn dienstverband aangemerkt zou zijn als dienstbetrekking in de zin van de WW, indien de WW van toepassing zou zijn geweest op de dag waarop het recht op wachtgeld ontstond. De eerste zin is eveneens van toepassing op de gewezen overheidswerknemer, bedoeld in het eerste lid, voor wie op het tijdstip van aanvang van fase 3 van deze wet geen recht op uitkering op grond van de WW ontstaat in verband met omstandigheden als bedoeld in artikel 20, eerste lid, onderdeel a, b, c of d, van die wet.
De gewezen overheidswerknemer, bedoeld in artikel 30, eerste lid, onderdeel d, heeft recht op een uitkering op grond van de WW vanaf de dag, waarop dit recht zou zijn ontstaan indien zijn dienstverband aangemerkt zou zijn als dienstbetrekking in de zin van de WW.
De in het eerste onderscheidenlijk het tweede lid bedoelde gewezen overheidswerknemer heeft vanaf het tijdstip van aanvang van fase 3 van deze wet onderscheidenlijk vanaf de in het tweede lid bedoelde dag, recht op een kortdurende uitkering op grond van de WW, indien zijn dienstverband op het moment van ingang van zijn recht op kortdurende uitkering ingevolge het Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel, het Werkloosheidsbesluit beroepsmilitairen bepaalde tijd, het Werkloosheidsbesluit defensiepersoneel of een met die besluiten vergelijkbare regeling, aangemerkt zou zijn als dienstbetrekking in de zin van de WW, en dat recht op een kortdurende uitkering op grond van de WW zou voortduren na het tijdstip van aanvang van fase 3 van deze wet onderscheidenlijk vanaf de in het tweede lid bedoelde dag.
Artikel 32
Voor de vaststelling van de duur van de uitkering op grond van de WW, bedoeld in artikel 31, eerste, tweede of vierde lid, wordt het recht op uitkering op grond van de WW geacht te zijn aangevangen op het moment, waarop het in artikel 30, eerste lid, onderdeel b, onder 3°, bedoelde wachtgeld, is aangevangen.
Voor de vaststelling van de duur van de uitkering op grond van de WW, bedoeld in artikel 31, eerste of tweede lid, wordt, voor de toepassing van de artikelen 42, 43, 48, 49 en 50 van de WW, de overheidswerknemer geacht te hebben voldaan aan artikel 17 van de WW, met dien verstande dat er ten aanzien van de toepassing van artikel 17, onderdeel b, onder 1°, van de WW, van uitgegaan wordt dat hij in de bedoelde periode in vijf kalenderjaren loon heeft ontvangen over 52 of meer dagen per jaar.
Voor de vaststelling van de duur van de kortdurende uitkering op grond van de WW, bedoeld in artikel 31, vierde lid, geldt de duur van het recht op kortdurende uitkering, zoals die is vastgesteld ingevolge het Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel, het Werkloosheidsbesluit beroepsmilitairen bepaalde tijd, het Werkloosheidsbesluit defensiepersoneel of een met die besluiten vergelijkbare regeling.
De resterende duur van de uitkering op grond van de WW, bedoeld in artikel 31, op het tijdstip van aanvang van fase 3 van deze wet, wordt bepaald door op de krachtens het eerste tot en met derde lid vast te stellen duur van de uitkering in mindering te brengen de tot dat tijdstip verstreken duur van het wachtgeld.
De resterende duur van de uitkering op grond van de WW, bedoeld in het vierde lid, bedraagt niet meer dan de duur van het wachtgeld waarop de betrokkene recht had op de dag voorafgaande aan het tijdstip van aanvang van fase 3 van deze wet en zoals dat zou hebben doorgelopen na dat tijdstip of zou hebben herleefd vanaf de in artikel 31, tweede lid, bedoelde dag, indien deze wet niet zou hebben gegolden.
Artikel 32a
Onder de in artikel 16, eerste lid, van de WW bedoelde arbeidsuren per kalenderweek wordt voor de gewezen overheidswerknemer, bedoeld in artikel 31, eerste, tweede of derde lid, verstaan het aantal uren waarin die overheidswerknemer laatstelijk was aangesteld respectievelijk waarvoor hij laatstelijk in dienst was genomen in het dienstverband waarop het recht op uitkering op grond van de WW, bedoeld in artikel 31, eerste, tweede of derde lid, betrekking heeft.
In afwijking van het eerste lid, wordt onder de in artikel 16, eerste lid, van de WW bedoelde arbeidsuren per kalenderweek voor de gewezen overheidswerknemer, bedoeld in artikel 31, eerste of vierde lid, die op de dag voorafgaande aan het tijdstip van aanvang van fase 3 van deze wet recht heeft op een uitkering op grond van het Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel, het Werkloosheidsbesluit beroepsmilitairen bepaalde tijd, het Werkloosheidsbesluit defensiepersoneel of een met die besluiten vergelijkbare regeling, verstaan het in het kader van dat recht vastgestelde aantal arbeidsuren per kalenderweek.
In afwijking van het eerste lid, wordt onder de in artikel 16, eerste lid, van de WW bedoelde arbeidsuren per kalenderweek voor de gewezen overheidswerknemer, bedoeld in artikel 31, tweede of vierde lid, wiens recht op uitkering op grond van het Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel, het Werkloosheidsbesluit beroepsmilitairen bepaalde tijd, het Werkloosheidsbesluit defensiepersoneel of een met die besluiten vergelijkbare regeling, in verband met een omstandigheid als bedoeld in artikel 20, eerste lid, onderdeel a, b, c of d, van de WWvoorafgaande aan het tijdstip van aanvang van fase 3 van deze wet geëindigd is, verstaan het in het kader van dat recht vastgestelde aantal arbeidsuren per kalenderweek.
Artikel 33
Voor de berekening van de uitkering op grond van artikel 31, eerste, tweede of vierde lid, geldt als dagloon de naar een jaarbedrag herleide berekeningsgrondslag waarnaar het wachtgeld is berekend op de dag voorafgaande aan het tijdstip van aanvang van fase 3 van deze wet, gedeeld door het getal 261.
Indien het recht op wachtgeld is toegekend uit een deeltijdbetrekking, geldt in afwijking van het eerste lid als dagloon het bedrag dat overeenkomstig dat lid wordt verkregen en vervolgens is vermenigvuldigd met de deeltijdfactor.
In afwijking van het eerste en tweede lid, geldt voor de gewezen overheidswerknemer, bedoeld in artikel 31, eerste of vierde lid, die op de dag voorafgaande aan het tijdstip van aanvang van fase 3 van deze wet recht heeft op een uitkering op grond van het Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel, het Werkloosheidsbesluit beroepsmilitairen bepaalde tijd, het Werkloosheidsbesluit defensiepersoneel of een met die besluiten vergelijkbare regeling, als dagloon het in het kader van dat recht vastgestelde dagloon.
In afwijking van het eerste en tweede lid, geldt voor de gewezen overheidswerknemer, bedoeld in artikel 31, tweede of vierde lid, wiens recht op uitkering op grond van het Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel, het Werkloosheidsbesluit beroepsmilitairen bepaalde tijd, het Werkloosheidsbesluit defensiepersoneel of een met die besluiten vergelijkbare regeling, in verband met een omstandigheid als bedoeld in artikel 20, eerste lid, onderdeel a, b, c of d, van de WW voorafgaande aan het tijdstip van aanvang van fase 3 van deze wet geëindigd is, als dagloon het in het kader van dat recht vastgestelde dagloon.
Het dagloon van de overheidswerknemer of gewezen overheidswerknemer, die op het in artikel 32, eerste lid, bedoelde moment, dan wel daarna, een uitkering op grond van de WAO naar een arbeidsongeschiktheid van minder dan 80% ontvangt, dan wel, indien het bepaalde in artikel 25, 28, 30 of 33 van de WAO op hem niet van toepassing was, zou ontvangen, of een naar aard en strekking daarmee overeenkomende uitkering ontvangt of zou ontvangen, is gelijk aan het dagloon, berekend volgens artikel 14 of artikel 24, dan wel, indien artikel 14 of artikel 24 op hem niet van toepassing is, berekend volgens de bij of krachtens de WAO gestelde regels. Het met toepassing van de eerste volzin berekende dagloon wordt evenredig verlaagd door dat dagloon te vermenigvuldigen met een breuk, waarvan de teller wordt gevormd door het verschil tussen 100 en het midden van de arbeidsongeschiktheidsklasse waarin betrokkene is ingedeeld, en de noemer door het getal 100.
Indien de in het vijfde lid bedoelde overheidswerknemer of gewezen overheidswerknemer op een tijdstip na de dagloonberekening overeenkomstig dat lid, op grond van de WAO wordt ingedeeld in een andere arbeidsongeschiktheidsklasse dan die, welke bij de evenredige verlaging is gehanteerd, wordt het krachtens de eerste volzin van dat lid berekende dagloon, in afwijking van de tweede volzin van het desbetreffende lid, evenredig verlaagd door dat dagloon te vermenigvuldigen met een breuk, waarvan de teller wordt gevormd door het verschil tussen 100 en het midden van de nieuwe arbeidsongeschiktheidsklasse, en de noemer door het getal 100.
Indien de arbeidsongeschiktheidsuitkering van de werknemer, bedoeld in het vijfde lid, niet meer volledig wordt uitbetaald op grond van artikel 44, eerste lid, onderdeel b, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, wordt het krachtens de eerste zin van het vijfde lid berekende dagloon evenredig verlaagd door dat dagloon te vermenigvuldigen met een breuk, waarvan de teller wordt gevormd door het verschil tussen 100 en het midden van de arbeidsongeschiktheidsklasse, die bij de toepassing van laatstgenoemd artikel in acht wordt genomen, en de noemer door het getal 100.
Voor de werknemer, bedoeld in het vijfde lid, wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt ingetrokken dan wel niet meer wordt uitbetaald op grond van artikel 43, eerste lid, of artikel 44, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, is het dagloon het krachtens de eerste zin van het vijfde lid berekende dagloon.
Het vijfde tot en met achtste lid zijn niet van toepassing indien en zolang bij de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid rekening wordt gehouden met de arbeid die de werknemer, na het intreden van zijn arbeidsongeschiktheid, heeft verricht in de dienstbetrekking waaruit hij werkloos is geworden.
De hoogte van de uitkering op grond van de WW, bedoeld in artikel 31, eerste, tweede en vierde lid, bedraagt niet meer dan de hoogte van het wachtgeld, waarop de betrokkene recht had op de dag voorafgaande aan het tijdstip van aanvang van fase 3 van deze wet en zoals dat zou hebben doorgelopen of zou hebben herleefd vanaf de in artikel 31, tweede lid, bedoelde dag, indien deze wet niet zou hebben gegolden.
Het dagloon bedraagt ten hoogste het bedrag, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen, met betrekking tot een loontijdvak van een dag.
Artikel 34
De in deze paragraaf bedoelde overheidswerknemer of gewezen overheidswerknemer, die het einde van de voor hem geldende duur van de uitkering op grond van de WW heeft bereikt, wordt voor de toepassing van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers geacht te hebben voldaan aan het bepaalde in artikel 2, eerste lid, onderdeel a, onder 3°, onderdeel b, onder 3°, en onderdeel c, onder 3°, van die wet.
Paragraaf 5. De uitvoering
Artikel 35
Bij het Landelijk instituut sociale verzekeringen wordt, onder bijvoeging van alle relevante stukken die vereist zijn voor de uitvoering van deze wet, aangemeld:
- 1°. door of namens een overheidswerkgever, een overheidswerknemer of gewezen overheidswerknemer als bedoeld in artikel 3, eerste lid, artikel 12, eerste lid, onderdeel a, d of f, danwel artikel 30, eerste lid;
- 2°. door of namens het bestuur van het FAOP, een overheidswerknemer of gewezen overheidswerknemer als bedoeld in artikel 12, eerste lid, onderdeel b of c, of artikel 20;
- 3°. door of namens Onze Minister van Defensie, een beroepsmilitair of gewezen beroepsmilitair als bedoeld in artikel 22, eerste lid, of artikel 28 danwel, met het oog op de toepassing van artikel 26, tweede lid, een gewezen beroepsmilitair als bedoeld in artikel 22, eerste lid, onderdeel b.
Het Landelijk instituut sociale verzekeringen kan voorschriften stellen met betrekking tot:
- a. de door de overheidswerkgevers en het FAOP te leveren gegevens ten behoeve van de toepassing van dit hoofdstuk;
- b. het tijdstip waarop de in onderdeel a bedoelde gegevens uiterlijk moeten zijn aangeleverd bij het Landelijk instituut sociale verzekeringen.
Bij de toepassing van dit hoofdstuk mag het Landelijk instituut sociale verzekeringen uitgaan van de door de overheidswerkgevers en het FAOP geleverde gegevens.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)