Besluit van 23 februari 1998, houdende vaststelling van de Penitentiaire maatregel en daarmee verband houdende wijziging van enige andere regelingen (Penitentiaire maatregel)

Type AMvB
Publication 2025-11-01
State In force
Source BWB
artikelen 95
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Op de voordracht van de Onze Minister van Justitie, van 8 juli 1997, nr. 640008/97/6;

Gelet op artikel 89 van de Grondwet, artikel 13 van het Wetboek van Strafrecht en voorts de artikelen 3, vijfde lid, 4, tweede lid, 7, vierde lid, 32, tweede lid, 41, vierde lid, 42, vijfde lid, 45, derde lid, 59, 61, vierde lid, 65, tweede lid, 67, vierde lid, van de Penitentiaire beginselenwet en artikel 40, vierde lid, van de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden;

Gezien de adviezen van de Centrale Raad voor Strafrechtstoepassing van 11 november 1996, nr. RA/98/96, 25 maart 1997, nr. RA 20/97 en 6 juni 1997, nr. 631365/97, en het advies van de Registratiekamer van 23 oktober 1996, nr. 96.A.495/1;

De Raad van State gehoord (advies van 26 november 1997, No.W03.97 0476);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van 16 februari 1998, nr. 680358/98/6;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen

Artikel 1

In dit besluit en de daarop rustende bepalingen wordt verstaan onder:

Hoofdstuk 2. Opperbeheer inrichtingen en regime

Artikel 2

1.

De directeur brengt jaarlijks vóór 1 oktober aan Onze Minister een jaarplan voor het volgende jaar uit. Het jaarplan omvat in ieder geval een begroting van de kosten en opbrengsten voor dat jaar.

2.

De directeur brengt jaarlijks vóór 1 maart aan Onze Minister een jaarverslag over het voorgaande jaar uit. Bij dit verslag wordt een jaarrekening gevoegd.

3.

Onze Minister kan regels stellen aan de vorm en de inhoud van de in het eerste en tweede lid genoemde stukken.

Artikel 3

1.

Het dagprogramma voor een inrichting of afdeling wordt bepaald in de huisregels en beslaat de periode tussen uitsluiting van de gedetineerden in de ochtend en de insluiting van de gedetineerden voor de nacht.

2.

De directeur draagt in het gemeenschapsregime, bedoeld in artikel 20 van de wet, zorg voor:

3.

De aangeboden activiteiten in het basis- en in het plusprogramma kunnen per individuele gedetineerde verschillen.

4.

Onze Minister kan nadere regels stellen over de vaststelling van het basis- en plusprogramma. Hierbij kan in uitzonderlijke omstandigheden tijdelijk worden afgeweken van het bepaalde in het tweede lid.

Artikel 4

Vervallen

Hoofdstuk 3. Penitentiair programma

Artikel 5

1.

Een penitentiair programma omvat minimaal 26 uur per week aan activiteiten waaraan door de deelnemer aan dat penitentiair programma wordt deelgenomen.

2.

De activiteiten in een penitentiair programma zijn gericht op het aanleren van bepaalde sociale vaardigheden, het vergroten van de kans op arbeid na invrijheidstelling, het bieden van onderwijs, het bieden van bijzondere zorg aan de deelnemer zoals ambulante verslavingszorg of ambulante geestelijke gezondheidszorg, of geven op andere wijze invulling aan de voorbereiding van de terugkeer in de maatschappij.

3.

Van een penitentiair programma wordt een schriftelijke omschrijving gemaakt. Deze omvat in ieder geval een beschrijving van de activiteiten, de verhouding tot de in het detentie-en re-integratieplan neergelegde doelen, een regeling van de verantwoordelijkheid voor de uitvoering van het programma, de begeleiding van en het toezicht op de deelnemer aan het penitentiair programma, de melding van bijzondere voorvallen en de wijze en de frequentie van rapporteren over de deelnemer aan het penitentiair programma.

4.

Onze Minister kan nadere regels stellen over de procedure tot erkenning van een penitentiair programma en over de kwaliteitseisen waaraan een penitentiair programma moet voldoen.

5.

De noodzakelijke kosten van bestaan tijdens deelname aan een penitentiair programma komen niet ten laste van Onze Minister.

Artikel 6

Voor deelname aan een penitentiair programma komen niet in aanmerking:

Artikel 7

1.

Indien de directeur het verantwoord acht dat een gedetineerde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma doet hij een daartoe strekkende voordracht aan de selectiefunctionaris.

2.

De directeur voegt bij zijn voordracht het advies van de reclassering, en het advies van het openbaar ministerie indien dit op grond van artikel 6:1:10 van het Wetboek van Strafvordering is uitgebracht.

3.

De selectiefunctionaris betrekt in zijn beslissing de gedetineerde aan een penitentiair programma te laten deelnemen in ieder geval:

4.

De selectiefunctionaris neemt zijn beslissing tot deelname aan een penitentiair programma slechts indien de gedetineerde zich bereid heeft verklaard tot deelname aan het programma en de in verband daarmee gestelde algemene en bijzondere voorwaarden.

Artikel 8

1.

De algemene verantwoordelijkheid voor de tenuitvoerlegging van een penitentiair programma ligt bij de directeur van de inrichting of afdeling waarin de deelnemer aan het penitentiair programma is ingeschreven.

2.

Degene die verantwoordelijk is voor de uitvoering van het programma houdt toezicht op het dagelijkse verloop van het penitentiair programma. Hij beoordeelt in eerste instantie of de activiteiten naar behoren worden verricht en de voorwaarden naar behoren worden nageleefd en kan in dat kader aanwijzingen geven aan de deelnemer. Hij kan ten aanzien van de wijze of het tijdstip waarop de activiteiten binnen het penitentiair programma worden uitgevoerd, wijzigingen aanbrengen. Van deze wijzigingen stelt hij de directeur schriftelijk op de hoogte.

Artikel 9

1.

Deelname aan een penitentiair programma geschiedt onder de algemene voorwaarden dat de gedetineerde:

2.

Aan de deelname aan het penitentiair programma kunnen daarnaast door de directeur bijzondere voorwaarden betreffende het gedrag van de gedetineerde worden verbonden.

3.

De bijzondere voorwaarden kunnen inhouden:

4.

Van het stellen van bijzondere voorwaarden doet de directeur mededeling aan de selectiefunctionaris.

Artikel 10

1.

De deelnemer aan een penitentiair programma kan bij de beklagcommissie bij de inrichting of afdeling waarin hij is ingeschreven een klacht indienen over de beslissingen, bedoeld in artikel 9a, eerste lid, onder a, b en d.

Hoofdstuk 4. Commissie van toezicht en beklagcommissie

Artikel 11

1.

Bij elke inrichting of afdeling is een commissie van toezicht, waarvan de leden worden benoemd voor de tijd van vijf jaren. Zij kunnen tweemaal voor herbenoeming in aanmerking komen.

2.

De commissie bestaat uit ten minste zes en ten hoogste een door Onze Minister vast te stellen aantal leden.

3.

De commissie van toezicht is zo breed mogelijk samengesteld. Van elke commissie maken in elk geval deel uit:

4.

Indien de commissie toezicht houdt op een inrichting of afdeling waar geneeskundige behandeling als bedoeld in de artikelen 46a tot en met 46e van de wet wordt verricht, maakt ook een psychiater van de commissie deel uit.

Artikel 12

1.

De leden van de commissie van toezicht worden door Onze Minister benoemd. Onze Minister wijst uit de leden een voorzitter aan.

2.

Aan de commissie is een secretaris verbonden. Deze is geen lid van de commissie. De secretaris wordt door Onze Minister benoemd en ontslagen. De secretaris van de commissie van toezicht is tevens secretaris van de beklagcommissie.

3.

De commissie kan uit haar midden een of meer plaatsvervangende secretarissen aanwijzen om, in overleg met de secretaris, bepaalde secretariaatswerkzaamheden te verrichten en de secretaris bij diens afwezigheid te vervangen. Onze Minister kan aan een commissie van toezicht een of meer plaatsvervangende secretarissen toevoegen die geen lid zijn van de commissie.

4.

Onze Minister beslist binnen drie maanden op een verzoek tot benoeming als bedoeld in het eerste, tweede of derde lid.

Artikel 13

Voor benoeming als lid, secretaris of plaatsvervangend secretaris komen niet in aanmerking:

Artikel 14

1.

Een lid van de commissie van toezicht wordt door Onze Minister tussentijds ontslagen:

2.

Aan een lid kan door Onze Minister tussentijds ontslag worden verleend bij het verlies van de hoedanigheid of beëindiging van de ambtsvervulling in verband waarmede de benoeming heeft plaatsgevonden.

3.

Hangende de procedure voor ontslag kan Onze Minister het lid in de uitoefening van zijn functie schorsen.

Artikel 15

1.

De leden van de commissie van toezicht hebben te allen tijde toegang tot alle plaatsen in de inrichting en tot alle plaatsen waar de gedetineerden of deelnemers aan een penitentiair programma verblijven.

2.

De leden van de commissie van toezicht ontvangen van de directeur en de ambtenaren of medewerkers bij de inrichting of afdeling of het penitentiair programma alle door hen gewenste inlichtingen ten aanzien van de gedetineerden onderscheidenlijk deelnemers aan een penitentiair programma en kunnen alle op de wijze van tenuitvoerlegging van vrijheidsbenemende straffen en maatregelen betrekking hebbende stukken inzien. Zij zijn tot geheimhouding verplicht behoudens voor zover enig wettelijk voorschrift hen tot bekendmaking verplicht of in verband met de tenuitvoerlegging van hun taak de noodzaak tot bekendmaking voortvloeit. Dossiers die gedetineerden dan wel deelnemers aan een penitentiair programma betreffen kunnen worden ingezien, tenzij de betrokkene bezwaar maakt.

3.

De directeur brengt alle voor de uitoefening van de taak der commissie belangrijke feiten en omstandigheden ter kennis van de commissie.

Artikel 16

1.

De commissie van toezicht vergadert, zo mogelijk, eenmaal in de maand.

2.

De directeur woont de vergaderingen van de commissie van toezicht bij. Hij brengt op iedere vergadering een algemeen verslag uit over hetgeen sedert de vorige vergadering in de inrichting of afdeling is geschied.

3.

De commissie kan besluiten buiten tegenwoordigheid van de directeur te vergaderen.

4.

Onze Minister is bevoegd vergaderingen van de commissie van toezicht door een door hem aan te wijzen ambtenaar van zijn ministerie te doen bijwonen.

5.

In iedere vergadering van de commissie van toezicht wordt mededeling gedaan van de grieven terzake waarvan werd bemiddeld, de door de beklagcommissie behandelde klaagschriften, en de bijzondere opmerkingen waartoe zij aanleiding geven.

Artikel 17

1.

De maandcommissaris, bedoeld in artikel 7, derde lid, tweede volzin, van de wet houdt tenminste eenmaal per maand in de inrichting of afdeling spreekuur. Dit spreekuur wordt tijdig bekend gemaakt en kan worden bezocht door elke gedetineerde of deelnemer aan een penitentiair programma die de wens daartoe te kennen geeft.

2.

De maandcommissaris doet van zijn werkzaamheden verslag aan de commissie van toezicht en informeert tevens de directeur hiervan.

Artikel 18

1.

De beklagcommissie, of, indien artikel 62, tweede lid, van de wet wordt toegepast, de voorzitter dan wel de door hem aangewezen persoon, houdt zitting zo dikwijls als een onverwijlde behandeling en afdoening van de klaagschriften dit noodzakelijk maken. Deze wordt bijgestaan door een secretaris.

2.

Indien de beklagcommissie zitting houdt treedt bij voorkeur als voorzitter op een met rechtspraak belast lid van de rechterlijke macht.

Artikel 19

1.

De commissie van toezicht brengt jaarlijks vóór 1 maart aan Onze Minister en aan de sectie gevangeniswezen verslag uit over haar werkzaamheden in het voorgaande jaar.

2.

Zij schenkt in haar verslag in het bijzonder aandacht aan de werkzaamheden van de beklagcommissie, onder meer door een overzicht van de klaagschriften en de daarop genomen beslissingen. Onze Minister kan een model vaststellen omtrent de inrichting van het verslag.

Artikel 20

1.

De kosten van de commissie van toezicht worden door de Staat gedragen.

2.

De leden van de commissie van toezicht genieten vergoeding van reis- en verblijfskosten en een vacatiegeld met betrekking tot hun werkzaamheden overeenkomstig hetgeen daarover is overeengekomen in de laatstelijk gesloten collectieve arbeidsovereenkomst voor ambtenaren die krachtens een arbeidsovereenkomst met de Staat werkzaam zijn.

3.

Voor zover de secretaris of de plaatsvervangend secretaris geen ambtenaar is geniet deze tevens de in het tweede lid bedoelde vergoeding.

Hoofdstuk 5. Gedwongen geneeskundige handelingen

Artikel 21

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

Artikel 22

1.

Ingeval van een a- of b-dwangbehandeling wordt in het geneeskundig behandelingsplan eveneens opgenomen:

2.

Het deel van het geneeskundig behandelingsplan waarover geen overeenstemming kan worden bereikt met de gedetineerde dan wel diens curator of mentor, wordt slechts vastgesteld door een psychiater nadat een multidisciplinair overleg heeft plaatsgehad waaraan in ieder geval een psychiater, een arts, een psycholoog en een verpleegkundige hebben deelgenomen.

3.

Ingeval van a-dwangbehandeling worden de verklaringen van de psychiaters, bedoeld in artikel 46e, tweede lid, van de wet, bij het in het tweede lid bedoelde overleg betrokken.

Artikel 23

1.

Indien de toepassing van de behandeling, bedoeld in artikel 22a, tweede lid, de duur van twee weken te boven gaat wordt door de directeur een commissie samengesteld bestaande uit ten minste een afdelingshoofd, een psychiater, een arts en een psycholoog.

2.

De in het eerste lid bedoelde commissie brengt binnen twee dagen na de in het eerste lid bedoelde termijn en, indien de onvrijwillige geneeskundige behandeling langer wordt voortgezet, om de twee weken, advies uit aan de directeur over de voortzetting van die behandeling.

Hoofdstuk 5. (Onvrijwillige) geneeskundige behandeling

Artikel 24

1.

Bij het Ministerie van Justitie en Veiligheid zijn een hoofd boeddhistische geestelijke verzorging, een hoofd hindoeïstische geestelijke verzorging, een hoofd islamitische geestelijke verzorging, een hoofdrabbijn, een hoofdpredikant, een hoofdaalmoezenier en een hoofd humanistische geestelijke verzorging aangesteld. Zij treden op als vertegenwoordiging van de zendende instanties en dienen Onze Minister gevraagd en ongevraagd van advies omtrent de geestelijke verzorging in de inrichtingen.

2.

De hoofden zijn in ieder geval belast met het doen van voordrachten voor aanstelling van geestelijk verzorgers behorende tot hun gezindte of levensovertuiging.

Artikel 25

Aan een inrichting zijn geestelijk verzorgers van verschillende godsdiensten of levensovertuigingen verbonden, doch in elk geval geestelijk verzorgers van boeddhistische, hindoeïstische, islamitische, joodse, protestantse en rooms-katholieke gezindte en geestelijk verzorgers van het humanistisch verbond.

Artikel 26

De aanstelling van een geestelijk verzorger van boeddhistische, hindoeïstische, islamitische, joodse, protestantse of rooms-katholieke gezindte of een geestelijk verzorger behorend tot het humanistisch verbond geschiedt door of vanwege Onze Minister op voordracht van de betrokken hoofdgeestelijke, genoemd in artikel 24, eerste lid.

Artikel 27

Een andere geestelijk verzorger dan de in artikel 25 genoemde kan door de directeur toegang worden verleend tot de inrichting. De directeur neemt deze beslissing niet dan na overleg met Onze Minister.

Hoofdstuk 7. Beroep tegen medisch handelen

Artikel 28

Geestelijke verzorging van een gedetineerde die verblijft in een afdeling voor intensief toezicht als bedoeld in artikel 1, onderdeel g, van de wet of in een extra beveiligde inrichting, bedoeld in artikel 13, eerste lid, onderdeel d, van de wet, wordt verleend door twee geestelijke verzorgers van in beginsel dezelfde godsdienst of levensovertuiging, waarvan ten minste één geestelijk verzorger is verbonden aan een inrichting.

Artikel 29

De directeur houdt aantekening van de rechtsbijstandverleners die op grond van artikel 40a, eerste, vijfde of zesde lid, van de wet toegang hebben tot de gedetineerde die verblijft in een afdeling voor intensief toezicht als bedoeld in artikel 1, onderdeel g, van de wet of in een extra beveiligde inrichting, als bedoeld in artikel 13, eerste lid, onderdeel d, van de wet.

Artikel 30

De directeur draagt er zorg voor dat brieven of andere poststukken die op grond van artikel 40a, tweede lid, van de wet niet worden uitgereikt aan de gedetineerde, ongeopend worden geretourneerd aan de afzender. De directeur vermeldt aan de afzender de reden waarom niet tot uitreiking is overgegaan.

Artikel 31

Op een verzoek tot het toestaan van een of meer andere rechtsbijstandverleners als bedoeld in artikel 40a, zesde lid, van de wet, wordt zo spoedig mogelijk maar in elk geval binnen een maand beslist.

Artikel 32

1.

Bezoek door de in artikel 37, eerste lid, van de wet, genoemde personen en instanties, aan een gedetineerde die verblijft in een afdeling voor intensief toezicht als bedoeld in artikel 1, onderdeel g, van de wet of in een extra beveiligde inrichting als bedoeld in artikel 13, eerste lid, onderdeel d, van de wet wordt afgelegd door ten minste twee personen.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing op de rechtsbijstandverlener van de gedetineerde.

Artikel 33

Vervallen

Artikel 34

Vervallen

Hoofdstuk 5a. Toezicht op telefoongesprekken

Artikel 35

Met uitzondering van personen in vreemdelingenbewaring wordt van iedere gedetineerde en deelnemer aan een penitentiair programma een penitentiair dossier aangelegd.

Artikel 36

1.

Het penitentiair dossier wordt op zorgvuldige wijze volgens een vaste standaardindeling opgebouwd. In de navolgende volgorde worden in het penitentiair dossier opgenomen:

2.

Het dossier wordt in een afsluitbare ruimte in de inrichting bewaard.

Artikel 37

1.

In het penitentiair dossier worden tevens opgenomen:

2.

De overige op de gedetineerde betrekking hebbende stukken worden verzameld in een inrichtingsdossier. Zij worden gerangschikt naar onderwerp in chronologische volgorde.

Artikel 38

1.

Indien de directeur een voorstel tot selectie van een gedetineerde doet, zendt hij daarbij het penitentiair dossier mee aan de selectiefunctionaris.

2.

De directeur zendt het penitentiair dossier gelijktijdig met de formele overplaatsing van de gedetineerde aan de directeur van de inrichting of afdeling waar de gedetineerde verder zal verblijven.

3.

Indien een gedetineerde wordt overgebracht naar een instelling voor de verlening van forensische zorg, als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, onder f, van de Wet forensische zorg, zendt de directeur de voor een goede en veilige verlening van de forensische zorg noodzakelijk geachte bescheiden daaruit aan het hoofd of de geneesheer-directeur van die instelling.

4.

Indien een gedetineerde in de gelegenheid wordt gesteld deel te nemen aan een penitentiair programma zendt de directeur het penitentiair dossier aan de directeur bedoeld in artikel 8, eerste lid.

5.

Bij invrijheidstelling, ontvluchting of overlijden van een gedetineerde zendt de directeur het penitentiair dossier naar Onze Minister.

Artikel 39

1.

Onze Minister bewaart het penitentiair dossier gedurende een termijn van tien jaren, te rekenen vanaf het tijdstip van ontvangst van het dossier.

2.

Na de in het eerste lid genoemde termijn worden de bescheiden, opgenomen in het penitentiair dossier, vernietigd, ofwel zodanig bewerkt dat deze niet meer tot de gedetineerde kunnen worden herleid, tenzij dit in strijd is met een aanmerkelijk belang van een ander dan de gedetineerde.

3.

Indien de gedetineerde vóór de afloop van de in het eerste lid bedoelde termijn opnieuw wordt gedetineerd vervalt de bewaartermijn.

4.

Het inrichtingsdossier, bedoeld in artikel 37, tweede lid, wordt zes maanden na beëindiging van het verblijf van de gedetineerde in de inrichting vernietigd. Indien de gedetineerde vóór de afloop van deze termijn opnieuw in die inrichting wordt gedetineerd vervalt de bewaartermijn.

Artikel 40

1.

De directeur kan, in geval van weigering van inzage door de gedetineerde van diens dossier op een van de gronden van artikel 21, tweede lid, van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens, een door de gedetineerde gemachtigd lid van de commissie van toezicht doen kennis nemen van de gegevens waarvan de kennisneming aan de gedetineerde onthouden wordt. De artikelen 57 en 58 van de wet zijn van overeenkomstige toepassing.

2.

Aan Onze Minister en de door deze aan te wijzen ambtenaren of medewerkers kunnen gegevens uit het dossier worden verstrekt voor zover dat noodzakelijk is voor:

Hetzelfde geldt voor de selectiefunctionaris, de directeur en de door hen aangewezen ambtenaren of medewerkers.

Hoofdstuk 6. Geestelijke verzorging

Artikel 41

Vervallen

Artikel 42

Vervallen

Artikel 43

Vervallen

Artikel 44

Vervallen

Artikel 44a

Vervallen

Hoofdstuk 7. Maatregelen tegen georganiseerde criminaliteit tijdens detentie

Artikel 44b

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

Artikel 44c

Hoofdstuk 3 is niet van toepassing op de tenuitvoerlegging van de maatregel.

Artikel 44d

1.

De tenuitvoerlegging van de maatregel vindt plaats in een inrichting.

2.

De directeur kan betrokkene overeenkomstig bij regeling van Onze Minister te stellen nadere regels toestemming verlenen om de inrichting tijdelijk te verlaten.

3.

De tenuitvoerlegging van de laatste fase van de maatregel kan plaatsvinden buiten de inrichting.

Artikel 44e

1.

De algemene verantwoordelijkheid voor de tenuitvoerlegging van de laatste fase van de maatregel buiten de inrichting ligt bij de directeur.

2.

De verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de laatste fase van de maatregel buiten de inrichting ligt bij het college van burgemeester en wethouders.

Artikel 44f

1.

Onze Minister en het college van burgemeester en wethouders maken nadere afspraken over de tenuitvoerlegging van de laatste fase van de maatregel buiten de inrichting. Daarin worden in ieder geval afspraken gemaakt over:

2.

De kosten van de tenuitvoerlegging van de laatste fase van de maatregel, voor zover die betrekking hebben op het verblijf buiten de inrichting, komen ten laste van de gemeente, onverminderd het recht van betrokkene op een socialezekerheidsuitkering.

Artikel 44g

1.

Het verblijfsplan bestrijkt de wijze van tenuitvoerlegging van de maatregel. Het plan wordt in zijn geheel of in gedeelten vastgesteld door de directeur. Het verblijfsplan voor de laatste fase van de maatregel buiten de inrichting wordt vastgesteld door de directeur en het college van burgemeester en wethouders.

2.

Indien een programma als bedoeld in artikel 44j wordt aangeboden, wordt bij de opstelling van het verblijfsplan het oordeel ingewonnen van degenen die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van de onderdelen van dat programma.

Artikel 44h

1.

Het verblijfsplan kan worden gewijzigd. Bij een wijziging wordt het evaluatieverslag, bedoeld in artikel 18c, derde lid, van de wet, betrokken.

2.

Een wijziging in het verblijfsplan wordt zo veel mogelijk in overleg met betrokkene vastgesteld. De wijziging wordt hem voor het ingaan daarvan meegedeeld.

3.

Artikel 44g is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 44i

1.

In het verblijfsplan worden in ieder geval opgenomen:

2.

Indien een programma wordt aangeboden, wordt in het verblijfsplan ook opgenomen:

3.

De in het tweede lid, onderdeel b, bedoelde afspraken houden in ieder geval in dat betrokkene zich schriftelijk bereid verklaart deel te nemen aan het programma en te voldoen aan de daaraan verbonden voorwaarden.

4.

Het verblijfsplan wordt opgenomen in het penitentiair dossier.

Artikel 44j

1.

Gedurende het verblijf wordt een programma aangeboden, indien aannemelijk is dat betrokkene in staat en bereid is aan een programma deel te nemen.

2.

Indien ten aanzien van de betrokkene een specifieke problematiek bestaat waarmee het plegen van strafbare feiten samenhangt, wordt in het programma met die problematiek rekening gehouden.

3.

Het programma is in ieder geval gericht op de ontwikkeling van vaardigheden van betrokkene ten aanzien van:

Artikel 44k

Indien een programma wordt aangeboden, wijst de directeur voor de betrokkene een trajectcoördinator aan.

De trajectcoördinator heeft tot taak:

Artikel 44l

1.

De selectiefunctionaris beslist over plaatsing buiten de inrichting in de laatste fase op de grondslag van een advies van de directeur en het college van burgemeester en wethouders. Alvorens te adviseren winnen de directeur en het college van burgemeester en wethouders het oordeel van de trajectcoördinator in.

2.

Bij de beslissing over plaatsing buiten de inrichting in de laatste fase worden in ieder geval de volgende aspecten betrokken:

3.

Aan de plaatsing buiten de inrichting in de laatste fase worden, behoudens nader door de directeur of het college van burgemeester en wethouders te stellen bijzondere voorwaarden, de volgende algemene voorwaarden gesteld:

4.

Van het stellen van bijzondere voorwaarden doet de directeur mededeling aan de selectiefunctionaris.

5.

Betrokkene heeft het recht bij de selectiefunctionaris een met redenen omkleed verzoekschrift in te dienen strekkende tot plaatsing buiten de inrichting in de laatste fase. Artikel 18, tweede en derde lid, van de wet is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 44m

1.

Indien betrokkene niet of niet meer in staat of bereid is deel te nemen aan het programma in de laatste fase buiten de inrichting dan wel te voldoen aan de daaraan verbonden voorwaarden, kan de selectiefunctionaris hem op de grondslag van een advies van de directeur terugplaatsen in de inrichting.

2.

Alvorens te adviseren aan de selectiefunctionaris wint de directeur het oordeel van het college van burgemeester en wethouders- en de trajectcoördinator in.

3.

Betrokkene heeft het recht een met redenen omkleed bezwaarschrift in te dienen tegen de beslissing, bedoeld in het eerste lid. Artikel 17, tweede tot en met vijfde lid, van de wet is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 44n

1.

Bij overtreding van de in artikel 44l, derde lid, bedoelde voorwaarden kan de directeur beslissen tot:

2.

De directeur neemt een beslissing als bedoeld in het eerste lid niet dan nadat hij het oordeel van de trajectcoördinator heeft ingewonnen en heeft overlegd met het college van burgemeester en wethouders.

De directeur geeft betrokkene van een beslissing als bedoeld in het eerste lid onverwijld schriftelijk en zo veel mogelijk in een voor hem begrijpelijke taal een met redenen omklede, gedagtekende en ondertekende mededeling.

Van de overtreding van de voorwaarden en een beslissing als bedoeld in het eerste lid doet de directeur mededeling aan de selectiefunctionaris.

Artikel 44o

De artikelen 15, eerste en tweede lid, en 17, eerste lid, zijn van overeenkomstige toepassing op de tenuitvoerlegging van de laatste fase van de maatregel buiten de inrichting.

Artikel 44p

1.

Betrokkene kan bij de beklagcommissie beklag doen over een beslissing als bedoeld in artikel 44n, eerste lid.

Artikel 44q

1.

De directeur voert de evaluatie uit van het verloop van het verblijf in de inrichting. De directeur en het college van burgemeester en wethouders voeren de evaluatie uit van het verloop van het verblijf buiten de inrichting in de laatste fase.

2.

In het evaluatieverslag wordt een visie op de persoon van betrokkene gegeven.

Daarbij wordt in ieder geval aandacht besteed aan de volgende aspecten ten aanzien van hem:

3.

Het verslag komt tot stand in samenwerking met de trajectcoördinator, indien deze is aangewezen, en degenen die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van het programma.

Hoofdstuk 10. Vergoedingen beklag- en beroepsprocedures

Artikel 45

1.

De beloning van de tolk of de vertaler en de vergoeding van de door hen gemaakte kosten, bedoeld in artikel 61, vierde lid, 65, tweede lid, en 67, vierde lid, van de wet geschieden volgens het bepaalde bij of krachtens de Wet tarieven in strafzaken.

2.

De secretaris van de beklag- of beroepscommissie stelt op basis van de in het eerste lid bedoelde bepalingen de hoogte van de beloning en vergoeding vast. Met de uitbetaling is de directeur belast.

Hoofdstuk 9A. Bijzondere bepalingen met betrekking tot veroordeelden tot de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders

Artikel 46

De gedetineerde ontvangt bij invrijheidstelling reisgeld voor een reis of reisgelegenheid naar zijn woon- of verblijfplaats binnen Nederland.

Artikel 47

Onverminderd het bepaalde bij of krachtens de Wet langdurige zorg komen ten laste van de Staat de kosten van geneeskundige verzorging van de gedetineerde die in een inrichting gevangenisstraf of hechtenis ondergaat.

Artikel 48

Bij overlijden van een gedetineerde komen de kosten van begrafenis of crematie, voor zover die redelijkerwijs noodzakelijk kunnen worden geacht, ten laste van de Staat.

Artikel 49

Buiten geval van opzet of bewuste roekeloosheid is de aansprakelijkheid van de directeur voor voorwerpen die een gedetineerde ingevolge artikel 45, tweede lid, van de wet onder zich heeft, beperkt tot € 500 per voorwerp, inclusief eventuele gevolgschade.

Hoofdstuk 12. Wijziging andere regelgeving

Artikel 50

Wijzigt het Besluit politieregisters.

Artikel 51

Wijzigt het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 1994.

Artikel 52

Wijzigt het Besluit buitengewoon strafrecht.

Artikel 53

Wijzigt het Besluit van 9 juni 1982, omtrent het regiem voor militairen die in het huis van bewaring en de gevangenis van het Militair Penitentiair Centrum «Nieuwersluis» voorlopig arrest, respectievelijk gevangenisstraf, hechtenis of militaire detentie ondergaan.

Artikel 54

Wijzigt het Besluit van 22 februari 1896 tot invoering van signalementkaarten.

Artikel 55

Wijzigt het Dienstplichtbesluit.

Artikel 56

Wijzigt het Reglement verpleging ter beschikking gestelden.

Artikel 57

Wijzigt het Arbeidsomstandighedenbesluit.

Hoofdstuk 13. Slotbepalingen

Artikel 58

Een ieder die betrokken is bij de uitvoering van de wet en dit besluit en daarbij de beschikking krijgt over gegevens waarvan hij het vertrouwelijke karakter kent of redelijkerwijs moet vermoeden, en voor wie niet reeds uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift terzake van die gegevens een geheimhoudingsplicht geldt, is verplicht tot geheimhouding daarvan, behoudens voor zover enig wettelijk voorschrift hem tot bekendmaking verplicht of uit zijn taak bij de uitvoering van dit besluit de noodzaak tot bekendmaking voortvloeit.

Artikel 59

Dit besluit berust mede op de artikelen 4, zesde lid, en 18a, zesde lid, van de Penitentiaire beginselenwet.

Artikel 60

Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

Artikel 61

Dit besluit wordt aangehaald als: Penitentiaire maatregel.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Artikel 7a

1.

De deelnemer aan een penitentiair programma wordt onder elektronisch toezicht gesteld, indien:

2.

Elektronisch toezicht kan vervallen indien het gedrag, de risico’s of de belangen bedoeld in het eerste lid niet langer tot het toezicht aanleiding geven. De deelnemer kan wederom onder elektronisch toezicht worden gesteld indien het gedrag, de risico’s of de belangen bedoeld in het eerste lid daartoe aanleiding geven.

3.

De selectiefunctionaris is belast met de beslissingen, bedoeld in het eerste en tweede lid. Hij kan bepalen dat geen elektronisch toezicht wordt toegepast indien:

Hoofdstuk 4. Commissie van toezicht en beklagcommissie

Hoofdstuk 4a. Commissie van toezicht en beklagcommissie voor het vervoer

Hoofdstuk 4b. Detentie- en re-integratieplan

Hoofdstuk 7. Beroep tegen medisch handelen

Hoofdstuk 8. Dossiers

Hoofdstuk 9. Overplaatsing naar een justitiële inrichting voor verpleging van ter beschikking gestelden

Hoofdstuk 9A. Bijzondere bepalingen met betrekking tot veroordeelden tot de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders

Hoofdstuk 10. Vergoedingen beklag- en beroepsprocedures

Hoofdstuk 9A. Bijzondere bepalingen met betrekking tot veroordeelden tot de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders

Hoofdstuk 12. Wijziging andere regelgeving

Hoofdstuk 11. Kosten en aansprakelijkheid directeur

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Artikel 23a

1.

Telefoongesprekken die in verband met het toezicht, bedoeld in artikel 39, tweede lid, van de wet worden opgenomen, worden bewaard voor een periode van ten hoogste vier maanden.

2.

Na het verstrijken van de periode, genoemd in het eerste lid, wordt een opgenomen telefoongesprek gewist.

3.

Indien bij de uitoefening van het toezicht blijkt dat een telefoongesprek met een persoon als bedoeld in artikel 37, eerste lid, van de wet is opgenomen, wordt dit opgenomen gesprek terstond gewist.

4.

De gedetineerde wordt van het opnemen van het telefoonverkeer op de hoogte gesteld.

5.

Opgenomen telefoongesprekken worden slechts verstrekt aan derden die ingevolge de uitvoering van hen bij of krachtens de wet opgedragen taken, tot kennisneming daarvan bevoegd zijn.

6.

De verstrekking, bedoeld in het vijfde lid, kan slechts geschieden in verband met:

Hoofdstuk 6. Geestelijke verzorging

Hoofdstuk 7. Beroep tegen medisch handelen

Hoofdstuk 8. Dossiers

Hoofdstuk 9. Overplaatsing naar een justitiële inrichting voor verpleging van ter beschikking gestelden

Hoofdstuk 9A. Bijzondere bepalingen met betrekking tot veroordeelden tot de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders

Hoofdstuk 11. Kosten en aansprakelijkheid directeur

Hoofdstuk 12. Wijziging andere regelgeving

Hoofdstuk 10. Vergoedingen beklag- en beroepsprocedures

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Artikel 21a

1.

Een geneeskundige behandeling wordt verricht in een daartoe geschikte ruimte, onder verantwoordelijkheid van de behandelend arts.

2.

In een inrichting of op een afdeling als bedoeld in artikel 14, vierde lid, van de wet is vierentwintig uur per dag, zeven dagen per week, voldoende psychiatrisch geschoold verpleegkundig personeel aanwezig. Bovendien is vierentwintig uur per dag, zeven dagen per week, een psychiater beschikbaar.

3.

Een geneeskundige behandeling wordt slechts uitgevoerd door een arts of verpleegkundige die over voldoende deskundigheid beschikt deze behandeling uit te voeren en indien daartoe voldoende voorzieningen beschikbaar zijn.

4.

Eens per twee weken, of vaker indien het belang van de gedetineerde dit eist, vindt een multidisciplinair overleg plaats, waaraan in ieder geval een psychiater, een arts, een psycholoog en een verpleegkundige deelnemen. De resultaten van het overleg alsmede de afspraken die daarbij zijn gemaakt worden geregistreerd in het medische dossier.

5.

Een geneeskundige behandeling van een gedetineerde die verblijft in een afdeling voor intensief toezicht als bedoeld in artikel 1, onderdeel g, van de wet of in een extra beveiligde inrichting als bedoeld in artikel 13, eerste lid, onderdeel d, van de wet, wordt verricht door twee artsen, waarvan ten minste één arts is verbonden aan de inrichting, of door een aan de inrichting verbonden arts en een verpleegkundige.

Artikel 21b

1.

In het geneeskundig behandelingsplan worden ten minste opgenomen:

2.

Gedurende de behandeling, kan het geneeskundig behandelingsplan worden gewijzigd. Bij een wijziging worden de uitkomsten van het multidisciplinair overleg, bedoeld in artikel 21a, vierde lid, betrokken.

3.

Een wijziging van het geneeskundig behandelingsplan wordt, in overleg met de gedetineerde, vastgesteld. De wijziging wordt hem voor het ingaan daarvan medegedeeld.

Artikel 22a

1.

Voordat de directeur beslist dat een door de arts noodzakelijk geachte b-dwangbehandeling of gedwongen geneeskundige handeling zal worden toegepast, pleegt de directeur overleg met die arts en met het hoofd van de afdeling waar de gedetineerde verblijft. Indien de behandeling door een andere arts wordt verricht, wordt tevens met hem overlegd.

2.

Ingeval van b-dwangbehandeling of indien het verrichten van een gedwongen geneeskundige handeling noodzakelijk is ter afwending van gevaar dat voortvloeit uit de stoornis van de geestvermogens van de gedetineerde, pleegt de directeur bovendien overleg met de voor de behandeling verantwoordelijke psychiater.

3.

In het in het eerste en tweede lid bedoelde overleg wordt nagegaan of het gevaar niet op een andere wijze kan worden afgewend.

Artikel 22b

1.

Zo spoedig mogelijk na de aanvang van de gedwongen geneeskundige handeling wordt door of onder verantwoordelijkheid van een arts een plan opgesteld gericht op een zodanige verbetering van de toestand van de gedetineerde dat de toepassing van de gedwongen geneeskundige handeling kan worden beëindigd. Dit plan wordt opgenomen in het geneeskundig behandelingsplan.

2.

Bij de keuze voor een bepaalde geneeskundige handeling wordt steeds gekozen voor de voor de gedetineerde minst ingrijpende handeling.

Artikel 22c

1.

Voordat de directeur de beslissing tot verlenging van a-dwangbehandeling neemt, pleegt hij in ieder geval overleg met de voor de behandeling verantwoordelijke psychiater en met het hoofd van de afdeling waar de gedetineerde verblijft.

2.

In het in het eerste lid bedoelde overleg wordt nagegaan of van de voortzetting van de behandeling alsnog het beoogde effect kan worden verwacht.

3.

De uitkomsten van het multidisciplinaire overleg, bedoeld in artikel 21a, vierde lid, worden bij de beslissing meegenomen.

Artikel 22d

De gedetineerde wordt gedurende de periode dat de a- of b-dwangbehandeling of de gedwongen geneeskundige handeling wordt verricht, zo vaak als nodig is bezocht door een arts of in diens opdracht een verpleegkundige. Het verslag van diens bevindingen wordt opgenomen in het medische dossier.

Artikel 22e

1.

De directeur stelt de voorzitter van de commissie van toezicht, de raadsman van de gedetineerde, de curator en de mentor in kennis van een voorgenomen beslissing tot a-dwangbehandeling uiterlijk drie dagen voor het nemen van die beslissing. Zij worden in de gelegenheid gesteld bezwaren tegen de beslissing kenbaar te maken.

2.

De voorzitter van de commissie van toezicht doet onverwijld een melding aan de maandcommissaris. De maandcommissaris bezoekt na de melding onverwijld de gedetineerde.

3.

Van de toepassing van een a-dwangbehandeling, b-dwangbehandeling, gedwongen geneeskundige handeling of voortzetting van een a-dwangbehandeling wordt uiterlijk bij de aanvang van de behandeling melding gedaan aan Onze Minister en de commissie van toezicht. Ingeval van a- en b- dwangbehandeling en indien een gedwongen geneeskundige handeling wordt toegepast in verband met een gevaar dat voortvloeit uit een stoornis van de geestvermogens van de verpleegde, wordt bovendien melding gedaan aan de inspecteur.

4.

Bij de aanvang van een a-dwangbehandeling geeft de directeur daarvan eveneens kennis aan de in het eerste lid genoemde personen.

5.

De directeur zendt met de melding, bedoeld in het derde lid, een afschrift van de beslissing tot de behandeling mee waarin hij in ieder geval vermeldt:

6.

Ingeval van een beslissing tot a-dwangbehandeling, b-dwangbehandeling en een beslissing tot voortzetting van a-dwangbehandeling, vermeldt de directeur tevens welke pogingen zijn gedaan om tot overeenstemming als bedoeld in artikel 46c, onder b, van de wet te komen. Ingeval van een beslissing tot a-dwangbehandeling vermeldt hij bovendien welke bezwaren tegen de behandeling zijn aangevoerd door de personen, bedoeld in het eerste lid.

7.

Van een beëindiging van een a-dwangbehandeling, b-dwangbehandeling of gedwongen geneeskundige handeling geeft de directeur kennis aan de personen, genoemd in het derde en – indien van toepassing – vierde lid.

Artikel 22f

De verantwoordelijke arts draagt zorg dat de melding van de toepassing van a-dwangbehandeling, b-dwangbehandeling, gedwongen geneeskundige handeling of voortzetting van a-dwangbehandeling en de resultaten van het overleg, bedoeld in artikel 21a, vierde lid, artikel 22a en 22c, alsmede de adviezen die daarbij zijn gegeven en de afspraken die zijn gemaakt worden geregistreerd in het medische dossier.

Artikel 22g

1.

De inspecteur stelt na beëindiging van elke a- of b-dwangbehandeling doch in ieder geval na afloop van de termijn, bedoeld in artikel 46e, vierde lid, van de wet, een onderzoek in of de beslissing tot de behandeling zorgvuldig is genomen en of de uitvoering van de behandeling zorgvuldig is geschied.

2.

De inspecteur stelt eveneens een onderzoek in na beëindiging van elke gedwongen geneeskundige handeling indien die handeling is verricht ter afwending van een gevaar dat voortvloeit uit de stoornis van de geestvermogens van de gedetineerde.

Hoofdstuk 5a. Toezicht op telefoongesprekken

Hoofdstuk 6. Geestelijke verzorging

Hoofdstuk 5a. Toezicht op gesprekken

Hoofdstuk 8. Dossiers

Hoofdstuk 8. Dossiers

Hoofdstuk 9A. Bijzondere bepalingen met betrekking tot veroordeelden tot de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders

Hoofdstuk 10. Vergoedingen beklag- en beroepsprocedures

Hoofdstuk 11. Kosten en aansprakelijkheid directeur

Hoofdstuk 13. Slotbepalingen

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Artikel 20a

1.

De leden van de commissie van toezicht voor het vervoer, genoemd in artikel 18e, eerste lid, van de wet, worden benoemd voor een periode van vijf jaren. Zij kunnen tweemaal voor herbenoeming in aanmerking komen.

2.

De artikelen 11, derde lid, 12, 14, 16, 18, 19 en 20 zijn van overeenkomstige toepassing.

3.

Artikel 13 is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor benoeming als lid eveneens niet in aanmerking komen ambtenaren of andere personen, werkzaam onder de verantwoordelijkheid van Onze Minister op het terrein van de tenuitvoerlegging van vrijheidsbenemende straffen en maatregelen, niet zijnde ambtenaren bij het openbaar ministerie.

Artikel 20b

1.

De leden van de commissie van toezicht voor het vervoer hebben te allen tijde toegang tot de plaatsen waar en de vervoersmiddelen waarmee handelingen betreffende het vervoer worden uitgeoefend.

2.

De leden van de commissie van toezicht ontvangen van Onze Minister en de directeur van de inrichting alle door hen gewenste inlichtingen ten aanzien van het vervoer van gedetineerden en kunnen alle op het vervoer betreffende stukken inzien. Zij zijn tot geheimhouding verplicht, behoudens voor zover enig wettelijk voorschrift hen tot bekendmaking verplicht of uit de tenuitvoerlegging van hun taak de noodzaak tot bekendmaking voortvloeit.

3.

Onze Minister en de directeur van de inrichting brengen alle voor de uitoefening van de taak van de commissie van toezicht belangrijke feiten en omstandigheden ter kennis van de commissie van toezicht.

Hoofdstuk 6. Geestelijke verzorging

Hoofdstuk 8. Dossiers

Hoofdstuk 9. Overplaatsing naar een justitiële inrichting voor verpleging van ter beschikking gestelden

Hoofdstuk 9A. Bijzondere bepalingen met betrekking tot veroordeelden tot de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders

Hoofdstuk 10. Vergoedingen beklag- en beroepsprocedures

Hoofdstuk 11. Kosten en aansprakelijkheid directeur

Hoofdstuk 13. Slotbepalingen

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Artikel 9a

1.

Bij overtreding van de algemene of bijzondere voorwaarden of verzuim van deelname aan het programma kan de directeur, afhankelijk van de ernst van de gedraging, beslissen tot:

2.

De directeur wint advies in bij degene die is belast is met het toezicht op de tenuitvoerlegging van het penitentiair programma, tenzij spoed dit verhindert. Diegene kan ook ongevraagd aan de directeur adviseren.

3.

De directeur geeft de deelnemer aan een penitentiair programma van een beslissing als bedoeld in het eerste lid onverwijld schriftelijk en zoveel mogelijk in een voor hem begrijpelijke taal een met redenen omklede, gedagtekende en ondertekende mededeling.

4.

Van het wijzigen of aanvullen van bijzondere voorwaarden, de overtreding van de voorwaarden of verzuim van deelname aan het programma en een beslissing als bedoeld in het eerste lid doet de directeur mededeling aan de selectiefunctionaris.

Hoofdstuk 4. Commissie van toezicht en beklagcommissie

Hoofdstuk 4a. Commissie van toezicht en beklagcommissie voor het vervoer

Artikel 20c

Onze Minister kan nadere regels stellen over de inrichting van het detentie- en re-integratieplan, bedoeld in artikel 18a van de wet.

Artikel 20d

1.

Voor zover dit noodzakelijk is ten behoeve van het vaststellen, aanpassen en uitvoeren van het detentie- en re-integratieplan van de gedetineerde kunnen gegevens, waaronder persoonsgegevens betreffende de gezondheid, over de essentiële voorwaarden voor deelname aan het maatschappelijk leven aan elkaar worden verstrekt door de directeur, de reclassering en het college.

2.

De in het eerste lid bedoelde gegevens betreffen:

3.

De directeur, de reclassering en het college verstrekken elkaar, indien zorg of maatschappelijke ondersteuning tijdens of na detentie nodig is, de door hen verwerkte persoonsgegevens betreffende de gezondheid als bedoeld in het eerste lid, die noodzakelijk zijn voor het organiseren van deze zorg of maatschappelijke ondersteuning. Die gegevens kunnen betrekking hebben op:

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)