Wet van 18 juni 1998 tot vaststelling van een Penitentiaire beginselenwet en daarmee verband houdende intrekking van de Beginselenwet gevangeniswezen met uitzondering van de artikelen 2 tot en met 5 en wijzigingen van het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Strafvordering alsmede enige andere wetten (Penitentiaire beginselenwet)

Type Wet
Publication 2025-11-01
State In force
Source BWB
artikelen 132
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
1.

Een gedetineerde kan bij de beklagcommissie van de commissie van toezicht voor het vervoer, bedoeld in artikel 18e, beklag doen over de beslissingen, bedoeld in artikel 29, tweede lid en artikel 35, tweede lid, voor zover de beslissing is genomen ten behoeve van het vervoer van de gedetineerde.

2.

De directeur van de inrichting waar de gedetineerde verblijft, draagt zorg dat een gedetineerde die beklag wenst te doen daartoe zo spoedig mogelijk in de gelegenheid wordt gesteld.

3.

De artikelen 61, 62, 63, eerste tot en met derde lid, 64, 65 en 67 zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat onder de directeur in de artikelen 63, 64 en 67 steeds wordt verstaan Onze Minister.

Artikel 68b

1.

Artikel 68, eerste en tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.

2.

Indien het beklag geheel of gedeeltelijk gegrond wordt geacht, bepaalt de beklagcommissie of enige tegemoetkoming aan de gedetineerde geboden is. Zij stelt de tegemoetkoming, die geldelijk van aard kan zijn, vast.

Artikel 71a

Tegen de uitspraak van de beklagcommissie, bedoeld in hoofdstuk XIA, kunnen Onze Minister en de gedetineerde beroep instellen. Hoofdstuk XII is van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van artikel 70, tweede lid.

Artikel 71b

Een gedetineerde kan een beroepschrift indienen tegen het medisch handelen van de aan de inrichting verbonden arts of diens vervanger, bedoeld in artikel 42. Met de inrichtingsarts wordt in dit hoofdstuk gelijkgesteld de verpleegkundige dan wel andere hulpverleners die door de inrichtingsarts bij de zorg aan gedetineerden zijn betrokken.

Artikel 71c

1.

Alvorens een beroepschrift in te dienen doet de gedetineerde een schriftelijk verzoek aan de Medisch Adviseur bij het Ministerie van Veiligheid en Justitie om te bemiddelen terzake van de klacht. Dit verzoek dient uiterlijk op de veertiende dag na die waarop het medisch handelen waartegen de klacht zich richt heeft plaatsgevonden te worden ingediend.

2.

De indiening van het schriftelijk verzoek kan door tussenkomst van een door de directeur daartoe aangewezen ambtenaar of medewerker geschieden, die bevoegd is van het verzoekschrift kennis te nemen. Deze ambtenaar of medewerker draagt in dat geval zorg dat het verzoekschrift van een dagtekening wordt voorzien, welke dag geldt als dag van indiening.

3.

De ambtenaar of medewerker, bedoeld in het tweede lid, voert een of meerdere gesprekken met de betrokkenen en zendt een verslag daarvan naar de Medisch Adviseur.

4.

De Medisch Adviseur stelt de gedetineerde in de gelegenheid de klacht schriftelijk of mondeling toe te lichten, tenzij hij het aanstonds duidelijk acht dat de klacht zich niet voor bemiddeling leent. Hij kan ook bij andere personen mondeling of schriftelijk inlichtingen inwinnen.

5.

De Medisch Adviseur is ten behoeve van de bemiddeling bevoegd het medisch dossier van de gedetineerde in te zien.

6.

De Medisch Adviseur streeft ernaar binnen vier weken nadat hij het verslag, bedoeld in het derde lid, heeft ontvangen een voor beide partijen aanvaardbare oplossing te bereiken.

7.

De Medisch Adviseur sluit de bemiddeling af met een mededeling van zijn bevindingen aan de gedetineerde en de arts. De gedetineerde wordt gewezen op de mogelijkheden van het indienen van een beroepschrift alsmede de termijn waarbinnen en de wijze waarop dit gedaan moet worden.

8.

De Medisch Adviseur zendt een afschrift van de mededeling aan de ambtenaar of medewerker, bedoeld in het tweede lid, en de directeur van de inrichting waaraan de arts tegen wiens medisch handelen de klacht zich richt, is verbonden.

9.

De ambtenaar of medewerker, bedoeld in het tweede lid, en de Medisch Adviseur zijn bevoegd een klacht die geen medisch handelen betreft, door te verwijzen naar de beklagcommissie. Hij zendt van de doorverwijzing een bericht aan de gedetineerde en, indien het de Medisch Adviseur is die doorverwijst, naar de ambtenaar of medewerker, bedoeld in het tweede lid. Indien reeds een verslag als bedoeld in het derde lid is opgesteld, wordt dit naar de commissie van toezicht gezonden.

Artikel 71d

1.

Een met redenen omkleed beroepschrift wordt ingediend bij en behandeld door een door de Raad benoemde beroepscommissie van drie leden of buitengewone leden, bestaande uit één jurist en twee artsen, die wordt bijgestaan door een secretaris.

2.

Het beroepschrift wordt ingediend uiterlijk op de zevende dag na die van de ontvangst van het afschrift van de mededeling van de Medisch Adviseur. De directeur draagt zorg dat een gedetineerde die beroep wenst in te stellen daartoe zo spoedig mogelijk in de gelegenheid wordt gesteld.

3.

Artikel 61, tweede en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

4.

Het beroepschrift vermeldt zo nauwkeurig mogelijk het medisch handelen waarover wordt geklaagd en de redenen van het beroep.

Artikel 71e

1.

De beroepscommissie en de secretaris zijn ten behoeve van de behandeling van het beroepschrift bevoegd het medisch dossier van de gedetineerde in te zien.

2.

De behandeling van het beroepschrift vindt niet in het openbaar plaats, behoudens ingeval de beroepscommissie van oordeel is dat de niet openbare behandeling niet verenigbaar is met enige een ieder verbindende bepaling van een in Nederland geldend verdrag.

3.

De secretaris van de beroepscommissie zendt de inrichtingsarts een afschrift van het beroepschrift toe en vraagt het verslag van de bemiddeling op bij de Medisch Adviseur.

4.

De beroepscommissie stelt de gedetineerde en de inrichtingsarts in de gelegenheid omtrent het beroepschrift mondeling of schriftelijk opmerkingen te maken, tenzij zij het beroep aanstonds kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond acht. De beroepscommissie kan bepalen dat de mondelinge opmerkingen ten overstaan van een lid van de commissie, bedoeld in artikel 71d, eerste lid, kunnen worden gemaakt.

5.

Artikel 64, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

6.

Artikel 64, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing. De beroepscommissie kan bepalen dat ingeval bij een andere persoon mondeling inlichtingen worden ingewonnen, de betrokkenen uitsluitend in de gelegenheid worden gesteld schriftelijk de vragen op te geven die zij aan die persoon gesteld wensen te zien.

7.

Artikel 65, eerste tot en met derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 71f

1.

De beroepscommissie doet zo spoedig mogelijk uitspraak.

2.

De artikelen 67, tweede, vierde en zevende lid, en 68, eerste lid, zijn van overeenkomstige toepassing.

3.

De uitspraak strekt tot gegrondverklaring van het beroep indien sprake is van:

  • a. enig handelen in het kader van of nalaten in strijd met de zorg die de in artikel 71b bedoelde personen in die hoedanigheid behoren te betrachten ten opzichte van de gedetineerde, met betrekking tot wiens gezondheidstoestand zij bijstand verlenen of hun bijstand is ingeroepen;
  • b. enig ander onder a bedoeld handelen of nalaten in die hoedanigheid in strijd met het belang van een goede uitoefening van de individuele gezondheidszorg.
4.

Indien de klacht door de beroepscommissie geheel of gedeeltelijk gegrond wordt geacht bepaalt de beroepscommissie of enige tegemoetkoming aan de gedetineerde geboden is. Zij stelt de tegemoetkoming, die geldelijk van aard kan zijn, vast.

Hoofdstuk XIIb. Beroep tegen medisch handelen

Hoofdstuk XIV. Overleg en vertegenwoordiging

Hoofdstuk XVI. Bijzondere bepalingen betreffende inrichtingen tot klinische observatie bestemd

Hoofdstuk XVIa. Experimenten

Artikel 77a

1.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen bij wijze van experiment regels worden gesteld waarmee tijdelijk wordt afgeweken van de in artikel 77b te noemen bepalingen, zulks met inachtneming van de aldaar genoemde doelen met het oog waarop afwijking van de betreffende bepaling gedurende de werkingsduur van de maatregel plaats kan hebben.

2.

De voordracht voor een krachtens het eerste lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.

3.

Onze Minister kan nadere regels stellen ter uitvoering van het experiment.

4.

Onze Minister zendt ten minste drie maanden voor het einde van de werkingsduur van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het eerste lid aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van het experiment in de praktijk.

5.

De algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid, geldt voor een periode van ten hoogste twee jaar na inwerkingtreding daarvan.

6.

Het vijfde lid is niet van toepassing, indien binnen de twee jaar, bedoeld in het vijfde lid, voordracht plaatsvindt van een voorstel van wet, waarmee in het onderwerp van de maatregel wordt voorzien.

Artikel 77b

Op de wijze als voorzien in artikel 77a kan worden afgeweken van:

  • a. de artikelen 8 tot en met 10, met als doel om verschillende doelgroepen gezamenlijk op een afdeling te laten verblijven dan wel aan gezamenlijke activiteiten te laten deelnemen;
  • b. artikel 13, met als doel de vaststelling van andersoortige mate van beveiliging voor zover dit noodzakelijk is voor de bereiking van het doel, genoemd in onderdeel a, dan wel voor zover bijzondere technologische ontwikkelingen daartoe aanleiding geven;
  • c. artikel 44, tweede lid, met als doel het voorkomen van ordeverstorend gedrag dan wel het structureel bevorderen van de orde of veiligheid binnen de inrichting;
  • d. artikel 47, met als doel de tenuitvoerlegging zo veel mogelijk dienstbaar te maken aan de voorbereiding van de terugkeer van de betrokkene in de maatschappij;
  • e. de artikelen 59a en 71c, met als doel het bevorderen van het gebruik van de bemiddelingsprocedure als wijze van geschillenbeslechting.

Hoofdstuk XVIa. Experimenten

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 18d

Onze Minister kan nadere regels stellen omtrent de wijze waarop het vervoer van de gedetineerde plaatsvindt.

Artikel 18e

1.

Er is een commissie van toezicht voor het vervoer, die door Onze Minister is ingesteld.

2.

De commissie van toezicht voor het vervoer heeft tot taak:

  • a. toezicht te houden op de uitvoering van het vervoer van gedetineerden uitgevoerd door Onze Minister;
  • b. kennis te nemen van door de gedetineerde naar voren gebrachte grieven betreffende het vervoer, bedoeld onder a;
  • c. zorg te dragen voor de behandeling van klaagschriften ingevolge het bepaalde in hoofdstuk XIA;
  • d. aan Onze Minister en de Raad advies en inlichtingen te geven omtrent het onder a gestelde.
3.

Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de bevoegdheden, de samenstelling en de werkwijze van de commissie en de benoeming en het ontslag van haar leden.

Hoofdstuk V. Bewegingsvrijheid

Paragraaf 3. Verlaten van de inrichting

Hoofdstuk VI. Controle en geweldgebruik

Hoofdstuk VIII. Verzorging, arbeid en andere activiteiten

Paragraaf 1a. Verblijf in een bijzondere afdeling in verband met de geestelijke gezondheidstoestand

Hoofdstuk XI. Beklag

Hoofdstuk XII. Beroep tegen de uitspraak van de beklagcommissie

Hoofdstuk XIII. Beroep inzake plaatsing, overplaatsing en tegen beslissingen op verzoekschriften

Hoofdstuk XVI. Bijzondere bepalingen betreffende inrichtingen tot klinische observatie bestemd

Hoofdstuk XVII. Overgangs- en slotbepalingen

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 18f

Onze Minister kan nadere regels stellen omtrent de wijze waarop het vervoer van de gedetineerde plaatsvindt.

Artikel 18g

1.

Er is een commissie van toezicht voor het vervoer, die door Onze Minister is ingesteld.

2.

De commissie van toezicht voor het vervoer heeft tot taak:

  • a. toezicht te houden op de uitvoering van het vervoer van gedetineerden uitgevoerd door Onze Minister;
  • b. kennis te nemen van door de gedetineerde naar voren gebrachte grieven betreffende het vervoer, bedoeld onder a;
  • c. zorg te dragen voor de behandeling van klaagschriften ingevolge het bepaalde in hoofdstuk XIA;
  • d. aan Onze Minister en de Raad advies en inlichtingen te geven omtrent het onder a gestelde.
3.

Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de bevoegdheden, de samenstelling en de werkwijze van de commissie en de benoeming en het ontslag van haar leden.

Artikel 40a

1.

De gedetineerde die verblijft in een afdeling voor intensief toezicht of in een extra beveiligde inrichting als bedoeld in artikel 13, eerste lid, onderdeel d, doet opgave aan de directeur van ten hoogste twee rechtsbijstandverleners die toegang hebben tot de gedetineerde.

2.

In afwijking van artikel 37, eerste lid, draagt de directeur zorg dat brieven of andere poststukken, gericht aan of afkomstig van andere rechtsbijstandverleners dan de aangewezen rechtsbijstandverleners bedoeld in het eerste lid, niet worden uitgereikt aan de gedetineerde.

3.

Vrije toegang van de rechtsbijstandverlener als bedoeld in artikel 38, zevende lid, tot een gedetineerde die verblijft in een afdeling voor intensief toezicht of in een extra beveiligde inrichting als bedoeld in artikel 13, eerste lid, onderdeel d, is beperkt tot de aangewezen rechtsbijstandverleners bedoeld in het eerste lid.

4.

Het recht op het voeren van telefoongesprekken met een rechtsbijstandverlener op de wijze als voorzien in artikel 39, vierde en vijfde lid, is voor de gedetineerde die verblijft in een afdeling voor intensief toezicht of in een extra beveiligde inrichting als bedoeld in artikel 13, eerste lid, onderdeel d, beperkt tot de aangewezen rechtsbijstandverleners, bedoeld in het eerste lid.

5.

De aangewezen rechtsbijstandverlener, bedoeld in het eerste lid, kan – met toestemming van de gedetineerde – Onze Minister verzoeken zich vanwege bijzondere omstandigheden te laten vervangen door een rechtsbijstandverlener van hetzelfde kantoor. Indien de aangewezen rechtsbijstandverlener niet werkzaam is binnen een kantoor, kan hij zich laten vervangen door diens vaste vervanger. Het tweede tot en met vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing op de vervangende rechtsbijstandverlener. Onze Minister beslist tijdig.

6.

De gedetineerde heeft het recht om bij Onze Minister een met redenen omkleed verzoekschrift in te dienen, strekkende tot het toestaan dat de gedetineerde een of meer andere rechtsbijstandverleners aanwijst die toegang hebben tot de gedetineerde indien bijzondere omstandigheden hiertoe aanleiding geven. Onze Minister beslist tijdig.

7.

Het eerste tot en met vijfde lid zijn van overeenkomstige toepassing op een op grond van het zesde lid aangewezen rechtsbijstandverlener.

8.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de uitvoering van dit artikel. De voordracht voor een krachtens de eerste zin vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.

Artikel 40b

1.

De gedetineerde die verblijft in een extra beveiligde inrichting als bedoeld in artikel 13, eerste lid, onderdeel d, wordt in de gelegenheid gesteld om:

  • a. één uur per week bezoek te ontvangen;
  • b. éénmaal per week tien minuten één telefoongesprek te voeren.
2.

De gedetineerde ontvangt per bezoekmoment slechts één meerderjarige bezoeker dan wel één minderjarige bezoeker vergezeld door één meerderjarige bezoeker.

3.

Op het bezoek en het telefoongesprek wordt toezicht uitgeoefend als bedoeld in artikel 38, vierde lid, respectievelijk artikel 39, tweede lid.

4.

Onze Minister kan een tijdelijke verruiming van het bepaalde in het eerste en tweede lid toestaan indien sprake is van bijzondere omstandigheden die een tijdelijke verruiming rechtvaardigen.

5.

Artikel 18, eerste en derde lid, is van overeenkomstige toepassing. Onze Minister kan het verzoek rauwelijks afwijzen indien de gedetineerde bij herhaling kennelijk ongegronde verzoeken doet.

6.

Onze Minister kan te allen tijde de toepassing van het vierde lid beëindigen, indien nieuwe feiten of omstandigheden daartoe aanleiding geven.

7.

Bij regeling van Onze Minister worden nadere regels gesteld over de toepassing van het vierde en zesde lid.

Artikel 40c

1.

De gedetineerde die verblijft in een afdeling voor intensief toezicht wordt in de gelegenheid gesteld om:

  • a. één uur per week bezoek te ontvangen;
  • b. driemaal per week tien minuten één telefoongesprek te voeren.
2.

De gedetineerde ontvangt per bezoekmoment slechts twee meerderjarige bezoekers, maar niet gelijktijdig, dan wel één minderjarige bezoeker vergezeld door één meerderjarige bezoeker.

3.

Op het bezoek en het telefoongesprek wordt toezicht uitgeoefend als bedoeld in artikel 38, vierde lid, respectievelijk artikel 39, tweede lid.

4.

Artikel 40b, vierde tot en met zevende lid, is van overeenkomstige toepassing.

Hoofdstuk VIIA. Bevelen van Onze Minister

Artikel 40d

1.

Onze Minister kan bevelen dat de gedetineerde die verblijft in een afdeling voor intensief toezicht of in een extra beveiligde inrichting als bedoeld in artikel 13, eerste lid, onderdeel d, aan beperkingen wordt onderworpen die in het belang van de openbare orde of veiligheid buiten de inrichting noodzakelijk zijn:

  • a. bij aanwijzingen dat de gedetineerde zijn contacten gebruikt voor ernstig intimiderende of levensbedreigende activiteiten in de buitenwereld, of
  • b. indien gelet op de aard van de verdenking, de aard van het misdrijf of de misdrijven waarvoor de gedetineerde is veroordeeld, de omstandigheden waaronder dat misdrijf of die misdrijven zouden zijn begaan of zijn begaan, of gelet op de persoonlijkheid van de gedetineerde, een gevaar voor de openbare orde of veiligheid moet worden aangenomen.
2.

Een gevaar bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, kan in ieder geval worden aangenomen indien de gedetineerde wordt verdacht van of is veroordeeld wegens deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven waarop een gevangenisstraf van twaalf jaren of meer is gesteld, terwijl de gedetineerde volgens de verdenking of veroordeling van die organisatie als oprichter, leider of bestuurder, bedoeld in artikel 140, derde en vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, kan worden aangemerkt.

3.

Het bevel kan inhouden:

  • a. een beperking of uitsluiting van de mate waarin de gedetineerde in staat wordt gesteld individueel dan wel met andere gedetineerden aan activiteiten deel te nemen, in afwijking van artikel 21;
  • b. een beperking of uitsluiting van deelname aan gemeenschappelijke activiteiten, in afwijking van artikel 23;
  • c. een beperking of uitsluiting van het ontvangen en verzenden van brieven en het intensiveren van toezicht daarop, in afwijking van artikel 36;
  • d. een beperking of uitsluiting van het ontvangen van bezoek en het intensiveren van toezicht daarop, in afwijking van de artikelen 38, 40b en 40c;
  • e. een beperking of uitsluiting van telefoonverkeer en het intensiveren van toezicht daarop, in afwijking van de artikelen 39, 40b en 40c;
  • f. een beperking of uitsluiting van het onderhouden van contacten met de media en het toezicht daarop, in afwijking van artikel 40;
  • h. een uitsluiting van deelname aan overleg, bedoeld in artikel 74.
4.

Het bevel kan de rechten van derden buiten de inrichting beperken.

5.

Het bevel is schriftelijk. De maatregelen zijn gemotiveerd. Voor zover het bevel alle contacten van de gedetineerde met de buitenwereld beperkt, is het bevel ten hoogste drie maanden van kracht. In de overige gevallen is het bevel ten hoogste twaalf maanden van kracht. Het bevel duurt niet langer dan strikt noodzakelijk. Onze Minister kan het bevel telkens verlengen met een periode van ten hoogste dezelfde periode. Het bevel vermeldt telkens de duur van de daarin opgenomen maatregelen.

6.

Onze Minister kan het openbaar ministerie, de politie of het gerecht dat de zaak in laatste instantie feitelijk heeft behandeld om advies vragen over de inhoud van het bevel. Onze Minister kan de directeur inlichtingen vragen over de omstandigheden van de gedetineerde.

7.

Indien het bevel uitsluitend berust op de persoonlijkheid van de gedetineerde, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, dient de Minister in zijn bevel een advies van een gedragsdeskundige te betrekken.

8.

Het bevel beperkt de vrijheid van verkeer tussen de rechtsbijstandverlener en de gedetineerde niet.

9.

De directeur draagt zorg voor de uitvoering van het bevel.

10.

Het bevel laat de bevoegdheden van de directeur op grond van het bepaalde bij en krachtens deze wet onverlet.

Artikel 40e

1.

Indien Onze Minister dat aanvaardbaar acht, kan hij op verzoek van de gedetineerde beperkingen die volgen uit het bevel opheffen. Onze Minister kan aan de opheffing voorwaarden verbinden.

2.

Artikel 18 is van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat in plaats van de in artikel 18, vierde lid, genoemde termijn van zes maanden, een termijn van vier weken geldt bij een bevel dat alle contacten van de gedetineerde met de buitenwereld beperkt, en een termijn van drie maanden voor overige bevelen.

3.

Onze Minister wijzigt een opgelegde beperking ten gunste van de gedetineerde of trekt hem in, indien nieuwe feiten of omstandigheden daartoe aanleiding geven. Onze Minister kan op grond van nieuwe feiten of omstandigheden een bevel wijzigen ten nadele van de gedetineerde.

Hoofdstuk VIII. Verzorging, arbeid en andere activiteiten

Paragraaf 1. Verzorging

Paragraaf 2. Arbeid en andere activiteiten

Hoofdstuk XIIa. Beroep inzake vervoer

Hoofdstuk XIV. Overleg en vertegenwoordiging

Hoofdstuk XV. Bijzondere bepalingen met betrekking tot veroordeelden ten aanzien van wie artikel 13 of 19 van het wetboek van strafrecht is toegepast

Hoofdstuk XVI. Bijzondere bepalingen betreffende inrichtingen tot klinische observatie bestemd

Hoofdstuk XVIa. Experimenten

Hoofdstuk XVII. Overgangs- en slotbepalingen

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)