Wet van 6 juli 2000, houdende nieuwe regels omtrent het openbaar vervoer, besloten busvervoer en taxivervoer (Wet personenvervoer 2000)

Type Wet
Publication 2024-01-01
State In force
Source BWB
artikelen 352
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
4.

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over het eerste lid.

5.

De in het vierde lid bedoelde regels kunnen in elk geval betrekking hebben op:

  • a. de voorwaarden en beperkingen van de toepassing van de in het eerste lid bedoelde bevoegdheden;
  • b. de aansluiting op bij of krachtens artikel 79 gestelde regels.

Artikel 82b

1.

Onverminderd artikel 82a kan bij of krachtens gemeentelijke verordening worden bepaald dat het gebruik van de bij die verordening te bepalen gemeentelijke openbare weg of delen daarvan, voor wat betreft het aldaar aanbieden van taxivervoer, uitsluitend is voorbehouden aan vervoerders en bestuurders van auto’s die taxivervoer verrichten die overeenkomstig de bij en krachtens dit artikel gestelde regels deel uitmaken van een organisatorisch verband.

2.

Het in het eerste lid bedoelde organisatorische verband heeft een verbetering van de kwaliteit van taxivervoer ten doel.

3.

Bij of krachtens een in het eerste lid bedoelde gemeentelijke verordening worden regels gesteld over de eisen aan en verplichtingen van het organisatorisch verband en de eisen aan en de verplichtingen van de vervoerders en de bestuurders van de in het eerste lid bedoelde auto’s die daar deel van uitmaken alsmede de regels die nodig zijn voor een goede uitvoering van de in het eerste lid bedoelde bevoegdheid.

4.

De in het eerste lid bedoelde gemeentelijke verordening stelt regels over het minimum aantal binnen de gemeente betrokken organisatorische verbanden.

5.

De in het derde lid bedoelde regels kunnen mede betrekking hebben op verlening van vergunningen aan de in dit artikel bedoelde organisatorische verbanden en degenen die daarvan deel uitmaken, alsmede op de intrekking, wijziging en schorsing van die vergunningen. De artikelen 76a, derde lid, en 99, eerste lid, onderdeel c, en tweede lid, zijn van overeenkomstige toepassing.

6.

De in het derde lid bedoelde eisen en verplichtingen hebben in elk geval betrekking op de volgende onderwerpen:

  • a. het bestuur en de organisatie van het verband;
  • b. de juridische verhouding tussen het bestuur van het verband en de vervoerders en bestuurders van auto’s die daar deel van uitmaken;
  • c. het gedrag van bestuurders van auto’s die taxivervoer verrichten;
  • d. de herkenbaarheid van de auto’s waarmee taxivervoer wordt verricht;
  • e. de wijze waarop de in het tweede lid bedoelde doelstelling met inachtneming van in het derde lid bedoelde eisen en verplichtingen, door het verband wordt uitgewerkt in een reglement;
  • f. de instelling van privaatrechtelijke controles betreffende de nakoming van de in het reglement vastgelegde verplichtingen, door een of meer onafhankelijke en deskundige instanties en het optreden van het verband naar aanleiding van tijdens die controles geconstateerde onregelmatigheden;
  • g. de registratie en behandeling van klachten van consumenten;
  • h. de rapportage over de uitkomsten van de in onderdeel f bedoelde controles en het in dat onderdeel bedoelde optreden van het verband alsmede van de afhandeling van de in onderdeel g bedoelde klachten;
  • i. opvolging van in het zevende lid bedoelde aanwijzingen;
  • j. de wijze van vastlegging van en verantwoording over de in de onderdelen a tot en met i bedoelde eisen en verplichtingen door het organisatorisch verband.
7.

Het college van burgemeester en wethouders van de desbetreffende gemeente kan op de in het eerste lid bedoelde delen van de gemeentelijke openbare weg aanwijzingen geven aan de in het eerste lid bedoelde bestuurders van auto’s, voor zover dat ter plaatse noodzakelijk is voor een goede uitvoering van de in het derde lid bedoelde eisen en verplichtingen.

8.

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over het eerste en derde lid.

9.

De in het achtste lid bedoelde regels kunnen in elk geval betrekking hebben op:

  • a. de voorwaarden en beperkingen van de toepassing van de in het eerste, derde en zevende lid, bedoelde bevoegdheden;
  • b. de aansluiting op bij of krachtens artikel 79 gestelde regels.
10.

Dit artikel is uitsluitend van toepassing op bij ministeriële regeling aangewezen gemeenten.

Artikel 82c

In afwijking van artikel 93 is het college van burgemeester en wethouders van de desbetreffende gemeente bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang ter handhaving van de krachtens deze paragraaf gestelde verplichtingen.

Hoofdstuk VI. Internationaal vervoer

Hoofdstuk V. Taxivervoer

§ 4a. Vervoerbewijzen

Hoofdstuk VII. Handhaving

§ 2. Overgangsbepalingen

§ 3. Wijziging van andere wetten

§ 4. Slotbepalingen

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

§ 4b. Bepalingen inzake reciprociteit, gescheiden boekhouding en prestatievergelijking

§ 4b. Bepalingen inzake reciprociteit, gescheiden boekhouding en prestatievergelijking

§ 2. Geschillen en klachten

Hoofdstuk VI. Internationaal vervoer

§ 1. Toezicht en opsporing

§ 2. Overgangsbepalingen

§ 4. Slotbepalingen

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 35a

1.

De concessiehouder van een concessie voor openbaar vervoer per trein als bedoeld in artikel 20, eerste lid, stelt een vervoerplan op conform de in de hem verleende concessie vastgelegde voorschriften.

2.

Aan de concessie, bedoeld in het eerste lid, wordt een voorschrift verbonden ten aanzien van de duur van het vervoerplan.

§ 4. Overgang, beëindiging en overdracht van een concessie

Hoofdstuk III. Bepalingen inzake de aanbesteding en verlening van concessies

§ 1. Algemene bepalingen inzake aanbesteding van concessies

§ 2. De verklaring van geen bezwaar

§ 3. De procedure tot afgifte van de verklaring van geen bezwaar

§ 4. De aanbestedingsplicht

§ 2. De verklaring van geen bezwaar

Hoofdstuk IV. Bepalingen voor de reiziger

Hoofdstuk V. Taxivervoer

§ 4a. Uitzonderingen op de aanbesteding van concessies

Hoofdstuk VII. Handhaving

§ 3. Verplichtingen betreffende bestuurders en voertuigen taxivervoer

Hoofdstuk VIII. Overige bepalingen

§ 2. Dwang- en strafbepalingen

§ 2. Overgangsbepalingen

§ 3. Wijziging van andere wetten

§ 4. Slotbepalingen

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 4a

1.

Een vervoerder heeft geen toegang tot het beroep van wegvervoerondernemer indien op basis van het tweede lid, artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur jegens de vervoerder toepassing vindt.

2.

Onze Minister weigert de verlening of verlenging van een communautaire vergunning of gaat over tot intrekking of schorsing van die vergunning in het geval en onder de voorwaarden van artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur.

3.

Voordat toepassing wordt gegeven aan het tweede lid, kan het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, bedoeld in artikel 8 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, om een advies als bedoeld in artikel 9 van die wet worden gevraagd.

Artikel 4b

1.

Onze Minister weigert de verlening of verlenging van de communautaire vergunning indien de vervoerder niet of niet meer voldoet aan de vereisten voor de uitoefening van het beroep van wegvervoerondernemer, bedoeld in artikel 3 van verordening 1071/2009/EG.

2.

Onze Minister verklaart een vervoersmanager ongeschikt om leiding te hebben over de vervoersactiviteiten van een vervoerder indien hij niet langer voldoet aan de eis van betrouwbaarheid van verordening 1071/2009/EG. Onze Minister stelt een termijn voor ongeschiktverklaring vast van twee jaar na de datum van ongeschiktverklaring.

3.

Onze Minister gaat over tot intrekking of schorsing van de communautaire vergunning volgens de daarvoor geldende procedure van verordening 1071/2009/EG indien de vervoerder definitief niet meer voldoet aan de vereisten voor de uitoefening van het beroep van wegvervoerondernemer van die verordening.

4.

Onze Minister stelt bij een besluit tot intrekking van de communautaire vergunning een termijn voor rehabilitatie vast.

Artikel 5b

1.

Een vervoerder waarvan de communautaire vergunning wegens het niet voldoen aan de betrouwbaarheidseis door Onze Minister is geschorst, is na het verstrijken van de termijn van die schorsing voor de toepassing van verordening 1071/2009/EG, verordening 1073/2009/EG en van deze wet gerehabiliteerd.

2.

Een vervoersmanager die vanwege het niet voldoen aan de betrouwbaarheidseis door Onze Minister ongeschikt is verklaard om de leiding te hebben over de vervoeractiviteiten van een vervoerder, is voor de toepassing van verordening 1071/2009/EG en van deze wet gerehabiliteerd:

  • a. na het verstrijken van de termijn van ongeschiktverklaring; en
  • b. nadat opnieuw de examens, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van verordening 1071/2009/EG, met succes zijn afgelegd.
3.

Een vervoerder waarvan de communautaire vergunning vanwege het niet voldoen aan de betrouwbaarheidseis door Onze Minister is ingetrokken, is na het verstrijken van de termijn, bedoeld in artikel 4b, vierde lid, voor de toepassing van verordening 1071/2009/EG, verordening 1073/2009/EG en van deze wet gerehabiliteerd.

4.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen andere maatregelen voor rehabilitatie of maatregelen van gelijke werking en nadere regels voor de betrouwbaarheid worden vastgesteld.

5.

De voordracht voor een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het vierde lid wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp daarvoor aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.

Artikel 5c

1.

Onze Minister verwerkt persoonsgegevens ten behoeve van uitvoering van verordening 1071/2009/EG en verordening 1073/2009/EG en het bij of krachtens deze wet gestelde, in het bijzonder in het belang van de handhaving van de vereisten voor de toegang tot het beroep van vervoerder en de betrouwbaarheid van de vervoersmanager.

2.

Onze Minister is verwerkingsverantwoordelijke, voor de in het eerste lid bedoelde gegevens.

3.

Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gegeven voor de toepassing van het eerste lid.

Artikel 14a

Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld met betrekking tot het overzichtsverslag, bedoeld in artikel 7, eerste lid, van verordening (EG) 1370/2007.

Artikel 14b

De concessieverleners, bedoeld in artikel 20, tweede, derde en vierde lid, verstrekken desgevraagd aan Onze Minister gegevens voor zover hij die nodig heeft om te kunnen voldoen aan een verzoek van de Commissie van de Europese Gemeenschappen als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van verordening (EG) 1370/2007.

Hoofdstuk II. Concessies voor openbaar vervoer

§ 1. Concessieplicht

§ 2. Concessieverlening

§ 3. Uitvoering van een concessie

§ 4. Overgang, beëindiging en overdracht van een concessie

Artikel 36a

1.

Bij een overgang van openbaar vervoer met een concessie naar een situatie als bedoeld in artikel 19, tweede lid, in samenhang met artikel 5, vijfde lid, van verordening(EG) 1370/2007, is geen sprake van een overgang van een concessie.

2.

Bij een overgang van openbaar vervoer zonder concessie als bedoeld in artikel 19, tweede lid, naar de situatie dat openbaar vervoer wordt verricht met een daartoe verleende concessie, zijn de artikelen 36 en 37 tot en met 40 van overeenkomstige toepassing.

Hoofdstuk III. Bepalingen inzake de aanbesteding en verlening van concessies

§ 2. De verklaring van geen bezwaar

§ 2. De verklaring van geen bezwaar

§ 3. De procedure tot afgifte van de verklaring van geen bezwaar

Artikel 63a

1.

In afwijking van artikel 61, eerste lid, kan een concessieverlener voor openbaar vervoer, anders dan per trein, in een krachtens artikel 20, derde lid, aangewezen gebied, dat de gemeenten Amsterdam, ’s-Gravenhage of Rotterdam omvat, een concessie verlenen zonder dat daartoe een aanbesteding is gehouden, indien deze concessie wordt verleend aan een vervoerder waarop het openbaar lichaam als bedoeld artikel 20, derde lid, net als over haar eigen diensten zeggenschap uitoefent. Artikel 5, tweede lid, van verordening (EG) 1370/2007 is van toepassing.

2.

In afwijking van artikel 61, eerste lid, kan een concessieverlener voor openbaar vervoer, anders dan per trein, voor het gebied van de plusregio, bedoeld in hoofdstuk XI van de Wet gemeenschappelijke regelingen, zoals dat luidde op de dag voorafgaand aan de datum van inwerkingtreding van de Wet afschaffing plusregio’s, dat de gemeente Utrecht omvatte, een concessie verlenen zonder dat daartoe een aanbesteding is gehouden, indien deze concessie wordt verleend aan een vervoerder waarop de concessieverlener net als over haar eigen diensten zeggenschap uitoefent. Artikel 5, tweede lid, van verordening (EG) 1370 /2007 is van toepassing.

§ 4. Bepalingen inzake de aanbesteding van concessies

Artikel 63ab

1.

De Autoriteit Consument en Markt voert een prestatievergelijking uit van vervoerders aan wie op grond van artikel 63a een concessie is verleend, die betrekking heeft op de klantenservice, kostenefficiëntie en doelmatigheid van de vervoerders.

2.

Bij ministeriele regeling kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de onderlinge vergelijkbaarheid van de verschillende vervoerders en de frequentie van de prestatievergelijking.

Artikel 63b

1.

Een vervoerder aan wie op grond van artikel 63a een concessie is verleend, doet niet mee aan de aanbesteding van:

2.

In afwijking van het eerste lid mag een vervoerder aan wie op grond van artikel 63a een concessie is verleend, meedoen aan een aanbesteding indien wordt voldaan aan de voorwaarden, genoemd in artikel 5, tweede lid, onderdeel c, van verordening (EG) 1370/2007.

Artikel 63c

1.

Een vervoerder aan wie op grond van artikel 63a een concessie is verleend, waarbij voor die concessie een subsidie als bedoeld in artikel 22 is verstrekt, en die in een groep als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek verbonden is met aanbieders van andere activiteiten dan dat openbaar vervoer, voert een gescheiden boekhouding voor het verrichten van het openbaar vervoer waarvoor die concessie is verleend ten opzichte van andere activiteiten die binnen die groep worden verricht.

2.

Een vervoerder aan wie op grond van artikel 63a een concessie is verleend, waarbij voor die concessie een subsidie als bedoeld in artikel 22 is verstrekt, en die niet in een groep als bedoeld in het eerste lid is verbonden, en wel tevens andere activiteiten verricht binnen een organisatie, voert voor het verrichten van openbaar vervoer waarvoor die concessie is verleend, een gescheiden administratie binnen de boekhouding, waarbinnen de kosten en opbrengsten van het verrichten van dat openbaar vervoer afzonderlijk worden geadministreerd.

3.

Een vervoerder aan wie anders dan op grond van artikel 63a een concessie voor openbaar vervoer is verleend zonder dat daartoe een aanbesteding is gehouden en waarbij voor die concessie een subsidie als bedoeld in artikel 22 is verstrekt, voert voor het verrichten van openbaar vervoer waarvoor die concessie is verleend, een gescheiden administratie binnen de boekhouding, waarbinnen de kosten en opbrengsten van het verrichten van het openbaar vervoer waarvoor subsidie is verstrekt afzonderlijk worden geadministreerd.

4.

De boekhouding en de administratie, bedoeld in het eerste tot en met het derde lid, zijn zodanig vorm gegeven dat:

  • a. de registratie van de lasten en baten van de verschillende activiteiten gescheiden zijn;
  • b. alle lasten en baten, op grond van consequent toegepaste en objectief te rechtvaardigen beginselen inzake kostprijsadministratie, correct worden toegerekend;
  • c. de beginselen inzake kostprijsadministratie volgens welke de administratie wordt gevoerd, duidelijk zijn vastgelegd.
5.

Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de boekhouding, de gescheiden administratie en de kostprijsadministratie, bedoeld in het eerste tot en met vierde lid.

6.

Een vervoerder als bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, bewaart de in het vierde lid bedoelde gegevens gedurende vijf jaar, te rekenen vanaf het einde van het boekjaar waarop de gegevens betrekking hebben.

7.

Indien een vervoerder als bedoeld in het eerste of tweede lid, niet uit hoofde van een andere wettelijke verplichting een jaarrekening opstelt, stelt hij een daarmee overeenkomend financieel overzicht op en legt hij dat overzicht voor eenieder ter inzage op al zijn kantoren op een bij regeling van Onze Minister te bepalen tijdstip.

8.

Indien een vervoerder als bedoeld in het eerste of tweede lid, niet reeds uit hoofde van een andere wettelijke verplichting zijn jaarrekening openbaar maakt, legt hij zijn jaarrekening voor eenieder ter inzage op al zijn kantoren op een bij regeling van Onze Minister te bepalen tijdstip.

9.

Een vervoerder als bedoeld in het eerste en tweede lid laat jaarlijks over het voorgaande boekjaar een verklaring van een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek opstellen waaruit blijkt dat de financiële verhouding:

  • a. voldoet aan de in het eerste, tweede, vierde en vijfde lid gestelde eisen, en
  • b. tussen hem en de aanbieders van andere activiteiten voldoet aan in de in onderdeel 5 van de bijlage bij verordening (EG) 1370/2007 gestelde voorwaarden.

Deze verklaring ligt tegelijkertijd met de jaarrekening of het financieel overzicht voor eenieder ter inzage op alle kantoren van de vervoerder.

10.

Een vervoerder als bedoeld in het derde lid laat jaarlijks over het voorgaande boekjaar een verklaring van een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek opstellen waaruit blijkt dat de financiële verhouding ten opzichte van een concessie als bedoeld in dat lid:

  • a. voldoet aan de in het derde, vierde en vijfde lid gestelde eisen, en
  • b. voldoet aan de in onderdeel 5 van de bijlage bij verordening (EG) 1370/2007 gestelde voorwaarden.

Deze verklaring ligt voor eenieder ter inzage op alle kantoren van de vervoerder.

11.

Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op een vervoerder

  • a. die op grond van de artikelen 3 of 19, tweede lid, openbaar vervoer verricht op een andere grondslag dan op grond van een concessie;
  • b. die vervoer verricht waarop bij algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 2, tweede of vierde lid, dit artikel of leden daarvan, van toepassing is verklaard, zonder dat voor het in onderdeel a bedoelde vervoer een aanbesteding is gehouden en waarbij voor dat vervoer een subsidie als bedoeld in artikel 22, eerste lid, is verstrekt.

§ 4a. Uitzonderingen op de aanbesteding van concessies

§ 2. Geschillen en klachten

Hoofdstuk VI. Internationaal vervoer

§ 5. Gemeentelijke bevoegdheden

Artikel 93a

Het dagelijks bestuur van een openbaar lichaam als bedoeld in artikel 20, derde en vierde lid, is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang ter handhaving van de verplichtingen gesteld bij of krachtens de artikelen 19, eerste en tweede lid, 29, 32, 34, 39, 46 en 63c, eerste, tweede en derde lid, met uitzondering van openbaar vervoer per trein waarvoor op grond van deze wet Onze Minister het bevoegde bestuursorgaan is, en elfde lid, voor zover de bevoegdheid tot handhaving niet op grond van artikel 94 aan de Autoriteit Consument en Markt is toegekend.

Artikel 96a

1.

In geval van overtreding van artikel 63c, eerste, tweede, vierde, zesde tot en met tiende en elfde lid, onderdeel b, voor zover artikel 96a op dat vervoer bij algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 2, tweede of vierde lid, van toepassing is verklaard, en met uitzondering van openbaar vervoer per trein waarvoor op grond van deze wet Onze Minister het bevoegde bestuursorgaan is, kan de Autoriteit Consument en Markt een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste € 900.000 of indien dat meer is, 1% van de omzet van de overtreder.

2.

In geval van overtreding van de regels gesteld krachtens artikel 30a, eerste en derde lid, kan de Autoriteit Consument en Markt een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste € 900.000 of, indien dat meer is, van 1% van de omzet van de overtreder.

3.

De bestuurlijke boete die ingevolge het eerste of tweede lid ten hoogste kan worden opgelegd wordt verhoogd met 100%, indien binnen een tijdvak van vijf jaar voorafgaand aan de dagtekening van het van de overtreding opgemaakte rapport, bedoeld in artikel 5:48, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, een aan die overtreder voor een eerdere overtreding van eenzelfde of een soortgelijk wettelijk voorschrift opgelegde bestuurlijke boete onherroepelijk is geworden.

Hoofdstuk VIII. Overige bepalingen

Artikel 124a

Vervallen

Artikel 124ab

Vervallen

Artikel 124b

Vervallen

Artikel 124c

Vervallen

Artikel 124d

Vervallen

Artikel 124e

Vervallen

Artikel 124f

Vervallen

§ 3. Wijziging van andere wetten

§ 4. Slotbepalingen

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 76a

1.

Een vergunning kan worden geweigerd, gewijzigd, geschorst of ingetrokken. Een vergunning wordt geschorst voor bepaalde tijd.

2.

Een vergunning wordt steeds geweigerd indien binnen een periode van twee jaar direct voorafgaande aan de datum van indiening van een aanvraag voor een vergunning een eerder aan de aanvrager verleende vergunning is ingetrokken op grond van artikel 99, eerste lid, onderdeel a of onderdeel b, voor zover het betreft de eis van betrouwbaarheid.

3.

De vergunning kan worden geweigerd in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur.

4.

Voordat toepassing wordt gegeven aan het derde lid, kan het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, bedoeld in artikel 8 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, om een advies als bedoeld in artikel 9 van die wet worden gevraagd.

5.

Een vergunning kan onder beperkingen worden verleend. Aan een vergunning kunnen voorschriften worden verbonden.

6.

De beperkingen waaronder een vergunning wordt verleend en de aan een vergunning verbonden voorschriften kunnen ambtshalve of op aanvraag worden gewijzigd, geschorst of ingetrokken.

Artikel 76b

1.

Een vergunning vervalt van rechtswege:

  • a. zes maanden na het overlijden of het intreden van wettelijke onbekwaamheid van degene aan wie de vergunning is verleend;
  • b. zodra de rechtspersoon waaraan de vergunning is verleend, heeft opgehouden te bestaan;
  • c. zodra de overeenkomst van de vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid of de maatschap waaraan de vergunning is verleend, is ontbonden, of
  • d. zodra degene aan wie de vergunning is verleend, zijn activiteiten als vervoerder heeft beëindigd.
2.

Belanghebbenden kunnen binnen zes maanden na het overlijden of na het intreden van de wettelijke onbekwaamheid bij Onze Minister een aanvraag indienen om de vergunning te stellen op naam van de erfgenaam of, indien er meer erfgenamen zijn, op naam van de gezamenlijke erven, dan wel op naam van één of meer door de belanghebbenden aangewezen vertegenwoordigers.

3.

Onze Minister beslist binnen drie maanden op de aanvraag, bedoeld in het tweede lid. Indien Onze Minister de aanvraag inwilligt, geschiedt dat voor een periode van ten hoogste één jaar na het verstrijken van de in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde periode.

4.

De in het derde lid bedoelde periode van één jaar kan door Onze Minister eenmaal met ten hoogste een half jaar worden verlengd.

5.

Het eerste lid vindt geen toepassing zolang Onze Minister nog niet onherroepelijk op de in het tweede lid bedoelde aanvraag heeft beslist.

Artikel 76c

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de verlening, weigering, wijziging, schorsing of intrekking van een vergunning en de aan een vergunning verbonden voorschriften en beperkingen. Deze regels bevatten in ieder geval bepalingen over:

  • a. de wijze waarop een aanvraag om verlening, wijziging of intrekking van een vergunning wordt ingediend;
  • b. de termijn waarbinnen op een aanvraag wordt beslist;
  • c. de afgifte, geldigheid en het gebruik van vergunningbewijzen voor auto's, en
  • d. de vergoeding die de aanvrager is verschuldigd voor de behandeling van een aanvraag als bedoeld in onderdeel a en voor de afgifte van vergunningbewijzen.

Artikel 76d

1.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over:

  • a. de eisen van betrouwbaarheid en vakbekwaamheid;
  • b. de vergoeding die is verschuldigd voor de behandeling van de aanvraag om verlening van een ontheffing alsmede voor afgifte van verklaringen van Onze Minister betreffende het voldoen aan eisen van vakbekwaamheid.
2.

Voor zover dit noodzakelijk is om vast te stellen of wordt voldaan aan de eisen van betrouwbaarheid en vakbekwaamheid, kan Onze Minister gegevens omtrent gedrag en strafvorderlijke en justitiële gegevens verwerken.

Artikel 76e

1.

Het is de houder van een vergunning verboden te handelen in strijd met een vergunning, de beperkingen waaronder een vergunning is verleend, de aan een vergunning verbonden voorschriften en met de in artikel 76, zesde lid, bedoelde beperkingen en voorschriften.

2.

Het is de houder van een vergunning verboden een vergunningbewijs al dan niet tegen betaling ter beschikking te stellen van een derde ten behoeve van het verrichten van taxivervoer.

3.

Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op degene aan wie door de houder van een vergunning een vergunningbewijs ter beschikking is gesteld.

§ 2. Geschillen en klachten

§ 2. Dwang- en strafbepalingen

Hoofdstuk VIII. Overige bepalingen

§ 2. Overgangsbepalingen

§ 3. Wijziging van andere wetten

§ 4. Slotbepalingen

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 110a

1.

Onze Minister wijst de terminals aan, bedoeld in artikel 12 van verordening (EU) nr. 181/2011.

2.

Onze Minister is tot 1 maart 2021 bevoegd tot het verlenen van de vrijstellingen als bedoeld in de artikelen 2, vierde en vijfde lid, van verordening (EU) nr. 181/2011.

3.

Onze Minister is tot 1 maart 2018 bevoegd tot het verlenen van de vrijstellingen als bedoeld in artikel 16, tweede lid, van verordening (EU) nr. 181/2011.

§ 1. Bepalingen van verschillende aard

§ 3. Wijziging van andere wetten

§ 4. Slotbepalingen

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 19b

1.

De Autoriteit Consument en Markt doet zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen tien dagen na ontvangst van een melding als bedoeld in artikel 57, vierde of vijfde lid, van de Spoorwegwet mededeling van die melding in de Staatscourant en aan de betrokken concessieverleners, de betrokken concessiehouders en Onze Minister en vermeldt daarbij de mogelijkheid van een aanvraag als bedoeld in het tweede lid, en de termijn voor indiening van die aanvraag.

2.

De Autoriteit Consument en Markt stelt op daartoe strekkende aanvraag van een of meer betrokken concessieverleners, een of meer betrokken concessiehouders, Onze Minister of een beheerder als bedoeld in artikel 1 van de Spoorwegwet vast of door het ingevolge artikel 57, vierde of vijfde lid, van de Spoorwegwet gemelde voorgenomen vervoer het daarvan deel uitmakende vervoer van passagiers tussen stations in Nederland het economisch evenwicht van een of meer concessies van een spoorwegonderneming in gevaar komt. De aanvraag wordt ingediend binnen een maand na ontvangst van de informatie, bedoeld in artikel 11, tweede lid, tweede volzin, van richtlijn 2012/34/EU.

3.

De Autoriteit Consument en Markt neemt de in artikel 11, tweede lid en derde lid, eerste alinea, van richtlijn 2012/34/EU voorgeschreven procedurele eisen in acht.

4.

De Autoriteit Consument en Markt geeft de beschikking op de aanvraag binnen zes weken na ontvangst van de overeenkomstig artikel 6b van de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt gevorderde gegevens en bescheiden. Indien de Autoriteit Consument en Markt besluit dat het economisch evenwicht, bedoeld in het tweede lid, door de voorgenomen passagiersvervoersdienst in gevaar komt, vermeldt zij welke aanpassingen van die dienst mogelijk zijn om alsnog te voldoen aan de voorwaarden om in aanmerking voor het recht op toegang, bedoeld in artikel 19a, eerste lid.

5.

De Autoriteit Consument en Markt doet mededeling van de aanvraag en van de beschikking, bedoeld in het vierde lid, aan een beheerder als bedoeld in artikel 1 van de Spoorwegwet en doet mededeling van die beschikking in de Staatscourant.

Artikel 19c

1.

Een concessieverlener als bedoeld in artikel 20, eerste en vierde lid, kan aan spoorwegondernemingen een heffing opleggen voor de exploitatie van een passagiersvervoerdienst op onder zijn concessiebevoegdheid vallende trajecten tussen twee stations in Nederland.

2.

Indien een spoorwegonderneming recht heeft op toegang als bedoeld in artikel 19a, eerste lid, kan Onze Minister aan deze spoorwegonderneming een heffing opleggen voor de exploitatie van een passagiersvervoersdienst op de relevante trajecten tussen twee stations in Nederland.

3.

De heffing, bedoeld in het eerste en tweede lid, voldoet aan de voorwaarden van artikel 12 van richtlijn 2012/34/EU.

4.

De in het eerste lid bedoelde concessieverleners en Onze Minister indien er sprake is van een recht op toegang als bedoeld in artikel 19a, eerste lid, houden de informatie, bedoeld in artikel 12, vierde lid, van richtlijn 2012/34/EU bij. Een concessieverlener als bedoeld in artikel 20, eerste en vierde lid, verstrekt die gegevens desgevraagd aan Onze Minister voor zover Onze Minister die nodig heeft om te kunnen voldoen aan een verzoek van de Europese Commissie.

5.

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de heffing, bedoeld in het eerste en tweede lid.

Artikel 30a

1.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen in het belang van een goed functionerende markt voor betaaldienstverlening in het openbaar vervoer regels worden gesteld met betrekking tot in elk geval:

  • a. de instellingen die elektronische vervoerbewijzen uitgeven, beheren of exploiteren;
  • b. toegang van concessiehouders en aanbieders van elektronische vervoerbewijzen of andere betaalwijzen tot de markt voor betaaldienstverlening in het openbaar vervoer alsmede tot de diensten van de in onderdeel a bedoelde instellingen;
  • c. op een kostengeoriënteerde basis vast te stellen vergoeding voor de door de in onderdeel a bedoelde instellingen te verlenen diensten;
  • d. maatstaven en procedures voor de verdeling van opbrengsten uit het gebruik van elektronische vervoerbewijzen.
2.

Indien uitvoering wordt gegeven aan het eerste lid, onderdelen c of d, wordt bepaald dat:

  • a. de berekeningswijzen van de vergoeding en de maatstaven en procedures, bedoeld in het eerste lid, onderscheidenlijk onderdelen c en d, de goedkeuring behoeven van de Autoriteit Consument en Markt;
  • b. op de voorbereiding van besluiten met betrekking tot de goedkeuring van maatstaven en procedures voor de verdeling van opbrengsten als bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.
3.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de toelating van betaalwijzen tot de markt voor betaaldienstverlening in het openbaar vervoer alsmede met betrekking tot de acceptatie van betaalwijzen door concessiehouders.

Artikel 30b

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan de concessiehouders worden opgedragen gezamenlijk een systeem van betaaldienstverlening in het openbaar vervoer in stand te houden, waarbij functionele eisen met betrekking tot het betaalsysteem kunnen worden gesteld, indien de situatie ontstaat of dreigt te ontstaan dat er een niet alle vervoersconcessies omvattend minimaal aanbod van betaaldiensten is.

Artikel 30c

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over het beschikbaar stellen, door concessiehouders, aanbieders van elektronische vervoerbewijzen en de in artikel 30a, eerste lid, onderdeel a, bedoelde instellingen, van geanonimiseerde en niet tot personen herleidbare gegevens over de, uit het gebruik van vervoerbewijzen af te leiden, reizigersstromen.

Artikel 30d

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over:

  • a. de samenwerking en werkwijze tussen concessieverleners en concessiehouders met betrekking tot concessieoverstijgende onderwerpen als bedoeld in artikel 30, tweede lid;
  • b. de samenwerking tussen concessiehouders en de in artikel 30a, eerste lid, onderdeel a, bedoelde instellingen.

Hoofdstuk III. Bepalingen inzake de aanbesteding en verlening van concessies

Hoofdstuk VII. Handhaving

§ 1. Toezicht en opsporing

§ 2. Dwang- en strafbepalingen

Hoofdstuk VIII. Overige bepalingen

§ 1. Bepalingen van verschillende aard

§ 2. Overgangsbepalingen

§ 3. Wijziging van andere wetten

§ 4. Slotbepalingen

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 19c

Vervallen

§ 2. Concessieverlening

Artikel 34a

Een spoorwegonderneming die passagiersdiensten exploiteert heeft noodplannen en draagt ervoor zorg dat de uitvoering ervan deugdelijk wordt gecoördineerd teneinde bij een ernstige verstoring van de dienstverlening bijstand te verlenen aan passagiers als bedoeld in artikel 18 van verordening 1371/2007/EG.

§ 4. Overgang, beëindiging en overdracht van een concessie

Artikel 43d

De artikelen 43a tot met 43c zijn, voor zover het rollend materieel betreft enkel van toepassing indien de concessieverlener, na een beoordeling als bedoeld in artikel 5bis van verordening (EG) 1370/2007, de noodzaak hiervan aangeeft.

Hoofdstuk III. Bepalingen inzake de aanbesteding en verlening van concessies

§ 1. Algemene bepalingen inzake verlening van concessies

Hoofdstuk IV. Bepalingen voor gebruikers van voorzieningen van het openbaar vervoer

§ 4. Tarieven

Hoofdstuk VI. Internationaal vervoer

Hoofdstuk VII. Handhaving

Hoofdstuk VIII. Overige bepalingen

§ 2. Overgangsbepalingen

§ 3. Wijziging van andere wetten

§ 4. Slotbepalingen

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)