Wet van 2 november 2000 tot vaststelling van een Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen en daarmee verband houdende wijzigingen van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en de Wet op de jeugdhulpverlening alsmede enige andere wetten (Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen)
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is een integrale regeling te treffen voor de materiële en formele rechtspositie ten aanzien van wie de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel plaatsvindt door verblijf in een justitiële jeugdinrichting dan wel door deelname aan een scholings- en trainingsprogramma en in verband daarmede het Wetboek van Strafrecht en de Wet op de jeugdhulpverlening te wijzigen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk I. Begripsbepalingen
Artikel 1
In deze wet en de daarop rustende bepalingen wordt verstaan onder:
- a. Onze Minister: Onze Minister van Veiligheid en Justitie;
- b. inrichting: justitiële jeugdinrichting als bedoeld in artikel 3a;
- c. particuliere inrichting: een inrichting die door Onze Minister wordt gesubsidieerd;
- d. rijksinrichting: een inrichting die door Onze Minister in stand wordt gehouden;
- e. afdeling: een afdeling van een inrichting als bedoeld in artikel 8, tweede lid;
- f. afdelingshoofd: een personeelslid dat of medewerker die namens de directeur is belast met de verantwoordelijkheid voor het beheer van een afdeling;
- g. jeugdige: een persoon ten aanzien van wie de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel plaatsvindt in een inrichting;
- h. bestuur: het bestuur van een rechtspersoon die een particuliere inrichting beheert;
- i. directeur: de directeur van de inrichting, of diens plaatsvervanger, bedoeld in artikel 3b, derde lid, dan wel 3c, tweede lid;
- j. personeelslid of medewerker: een persoon die een taak uitvoert in het kader van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel in een inrichting;
- k. Raad: Raad voor strafrechtstoepassing en jeugdbescherming;
- l. commissie van toezicht: een commissie als bedoeld in artikel 7, eerste lid;
- m. beklagcommissie: een commissie als bedoeld in artikel 67, eerste lid;
- n. beroepscommissie: een commissie als bedoeld in artikel 74, tweede lid;
- o. vervallen;
- p. vrijheidsstraf: jeugddetentie en vervangende jeugddetentie;
- q. vrijheidsbenemende maatregel: voorlopige hechtenis, vreemdelingenbewaring en gijzeling voor zover de leeftijd van achttien jaren nog niet is bereikt, plaatsing in een inrichting voor jeugdigen, alsmede de tenuitvoerlegging van een machtiging in een geval als bedoeld in artikel 6.2.2, tweede lid, van de Jeugdwet;
- r. strafrestant: het gedeelte van een opgelegde vrijheidsstraf dan wel van het samenstel van dergelijke straffen dat nog moet worden ondergaan;
- s. perspectiefplan: een plan als bedoeld in artikel 20;
- t. scholings- en trainingsprogramma: een programma als bedoeld in artikel 3;
- u. huisregels: regels als bedoeld in artikel 4, eerste lid;
- v. groep: drie of meer jeugdigen;
- w. kamer: de aan de jeugdige ingevolge artikel 17, tweede lid, toegewezen verblijfsruimte;
- x. activiteiten: activiteiten ingevolge hoofdstuk IX;
- ij. afzondering: het insluiten van een jeugdige in een van de groep afgescheiden ruimte;
- z. tijdelijke overplaatsing: de overplaatsing als bedoeld in artikel 27;
- aa. reclasseringswerker: een reclasseringswerker als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Reclasseringsregeling 1995;
- bb. rechtsbijstandverlener: de advocaat of de medewerker van een stichting, bedoeld in de Wet op de rechtsbijstand;
- cc. gecertificeerde instelling: gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet;
- dd. raad voor de kinderbescherming: de raad als bedoeld in artikel 238 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek;
- ee. behandeling: een samenstel van handelingen, gericht op het bij jeugdigen voorkomen, verminderen of opheffen van problemen of stoornissen van lichamelijke, geestelijke, sociale of pedagogische aard die hun ontwikkeling naar volwassenheid ongunstig kunnen beïnvloeden;
- ff. adviescommissie: de adviescommissie individuele trajectafdelingen, bedoeld in artikel 22c, vijfde lid.
Hoofdstuk II. Doelstelling, beheer en toezicht
Paragraaf 1. Doelstelling
Artikel 2
De tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of een vrijheidsbenemende maatregel vindt, voor zover niet bij of krachtens de wet anders is bepaald, plaats door onderbrenging van de persoon aan wie deze is opgelegd in een inrichting dan wel door diens deelname aan een scholings- en trainingsprogramma, als bedoeld in artikel 3, eerste lid.
Met handhaving van het karakter van de straf of de maatregel wordt de tenuitvoerlegging hiervan aangewend voor de opvoeding van de jeugdige en zoveel mogelijk dienstbaar gemaakt aan de voorbereiding op diens terugkeer in de maatschappij. In het geval dat een vrijheidsbenemende maatregel behandeling inhoudt wordt de tenuitvoerlegging tevens hierop afgestemd. Bij het verlenen van vrijheden aan jeugdigen wordt rekening gehouden met de veiligheid van de samenleving en de belangen van slachtoffers en nabestaanden.
De tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen of vrijheidsbenemende maatregelen vindt zo spoedig mogelijk plaats na de oplegging van de straf of de maatregel.
Jeugdigen in een inrichting worden aan geen andere beperkingen onderworpen dan die welke noodzakelijk zijn voor:
- a. het doel van de vrijheidsbeneming, waaronder begrepen hun geestelijke en lichamelijke ontwikkeling en de uitvoering van het perspectiefplan;
- b. de handhaving van de orde of de veiligheid in de inrichting.
Artikel 3
Personen ten aanzien van wie de tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen of vrijheidsbenemende maatregelen plaatsvindt kunnen in aansluiting op hun verblijf in de inrichting door de directeur met machtiging van Onze Minister in de gelegenheid worden gesteld aan een scholings- en trainingsprogramma deel te nemen. Een scholings- en trainingsprogramma is een samenstel van activiteiten waaraan wordt deelgenomen door jeugdigen ter verdere tenuitvoerlegging van de aan hen opgelegde vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel dat als zodanig door Onze Minister is erkend, met inachtneming van de regels ingevolge het derde lid.
Personen ten aanzien van wie de tenuitvoerlegging van jeugddetentie plaatsvindt waarvan de totale duur die van een ondergane voorlopige hechtenis met een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen duur overschrijdt, nemen deel aan een scholings- en trainingsprogramma. Het programma staat ten dienste aan de begeleiding van de jeugdige in aansluiting op het verblijf in een justitiële jeugdinrichting.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gegeven die in elk geval de inhoud, de voorwaarden voor en het toezicht op deelname, de gevolgen van niet-nakoming van de voorwaarden en de rechtspositie van de deelnemers aan een scholings- en trainingsprogramma betreffen.
Met inachtneming van de regels ingevolge het derde lid kan Onze Minister bepalen welke jeugdigen voor deelname aan een scholings- en trainingsprogramma in aanmerking komen.
Bij het niet voldoen aan de voorwaarden voor deelname, bedoeld in het derde lid, kan de directeur de deelname beëindigen en wordt de tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen of vrijheidsbenemende maatregelen in de inrichting voortgezet.
De jeugdige heeft het recht bij de directeur een met redenen omkleed verzoekschrift in te dienen, strekkende tot deelname aan een scholings- of trainingsprogramma. Artikel 66, zesde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Paragraaf 2. Beheer
Artikel 4
De directeur stelt in aanvulling op de bij of krachtens deze wet gestelde regels en met inachtneming van het dienaangaande door Onze Minister vast te stellen model en door deze te geven aanwijzingen huisregels voor de inrichting of afdeling vast.
De directeur kan personeelsleden en medewerkers machtigen tot de uitoefening van hem bij of krachtens deze wet gegeven bevoegdheden en de naleving van zijn zorgplichten, met uitzondering van de bevoegdheden, genoemd in het eerste en vierde lid.
De directeur is bevoegd aan de jeugdigen aanwijzingen te geven, voor zover zulks noodzakelijk is in het belang van:
- a. de handhaving van de orde of de veiligheid in de inrichting;
- b. een ongestoorde tenuitvoerlegging van de vrijheidsbeneming;
- c. hun geestelijke of lichamelijke ontwikkeling;
- d. de uitvoering van het perspectiefplan.
De jeugdigen zijn verplicht deze aanwijzingen op te volgen.
Aan de directeur is voorbehouden de beslissing omtrent:
- a. de deelname aan en beëindiging van de deelname aan een scholings- en trainingsprogramma;
- b. de onderbrenging van een kind in een inrichting als bedoeld in artikel 16, eerste en vierde lid;
- c. de voortzetting van het verblijf op een afdeling voor intensieve zorg of voor intensieve behandeling, bedoeld in artikel 22a, derde lid, onderscheidenlijk artikel 22b, derde lid;
- d. de uitsluiting van verblijf in de groep of van deelname aan activiteiten en de verlenging hiervan, bedoeld in artikel 23, derde lid, en 24, eerste lid, onder a en b, onderscheidenlijk artikel 23, vierde lid, en 24, tweede lid, alsmede de verlenging van uitsluiting van verblijf in de groep, bedoeld in artikel 23, tweede lid;
- e. de plaatsing in afzondering, bedoeld in artikel 25, eerste lid, op de grond van artikel 24, eerste lid, onder a en b, de verlenging hiervan, bedoeld in artikel 25, derde lid, en de tenuitvoerlegging van de afzondering in een andere inrichting of afdeling, bedoeld in artikel 26;
- f. de tijdelijke overplaatsing en de verlenging hiervan, bedoeld in artikel 27, eerste, onderscheidenlijk het derde lid;
- g. de beperking en intrekking van het verlof bedoeld in de artikelen 28, 29, en 30;
- h. het onderzoek in het lichaam, bedoeld in artikel 36, eerste lid;
- i. het gedogen van een geneeskundige handeling, bedoeld in artikel 37;
- j. het verrichten van geneeskundige behandeling als bedoeld in artikel 51d, onder a of b;
- k. de bevestiging van mechanische middelen, bedoeld in artikel 38, eerste lid;
- l. de oplegging van een disciplinaire straf, bedoeld in artikel 55, de toepassing van artikel 56, eerste en tweede lid, en artikel 57, derde en vierde lid.
In afwijking van het bepaalde in het tweede en vierde lid, kan de directeur een afdelingshoofd machtigen tot het nemen van de volgende beslissingen:
- a. de uitsluiting van verblijf in de groep of van deelname aan activiteiten, bedoeld in de artikelen 23, derde lid, en 24, eerste lid, de verlenging van de uitsluiting van verblijf in de groep of van deelname aan activiteiten, bedoeld in artikel 23, tweede lid en vierde lid, en artikel 24, tweede lid;
- b. de plaatsing in afzondering, bedoeld in artikel 25, eerste lid.
Indien de onder het vijfde lid genomen beslissingen worden genomen door een afdelingshoofd dan wordt de directeur daarvan zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen vijftien uren na het nemen van die beslissing, op de hoogte gesteld.
Artikel 5
De directeur meldt ongeoorloofde afwezigheid en andere bijzondere voorvallen aan Onze Minister.
De directeur verstrekt Onze Minister te allen tijde alle verlangde inlichtingen. Onze Minister kan nadere regels stellen omtrent de inhoud en de wijze van melding.
Paragraaf 3. Toezicht
Artikel 6
De Raad behandelt beroepschriften ingevolge de hoofdstukken XIV tot en met XV.
Artikel 7
Bij elke inrichting dan wel afdeling wordt door Onze Minister een commissie van toezicht ingesteld.
De commissie van toezicht heeft tot taak:
- a. toezicht te houden op de wijze van tenuitvoerlegging van de vrijheidsbeneming in de inrichting of afdeling en het vervoer uitgevoerd door de inrichting;
- b. kennis te nemen van door de jeugdigen, ouders of voogd, stiefouder of pleegouders, naar voren gebrachte grieven en ter zake te bemiddelen;
- c. zorg te dragen voor de behandeling van klaagschriften ingevolge hoofdstuk XIII;
- d. aan Onze Minister, de Raad en de directeur advies en inlichtingen te geven omtrent het onder a gestelde.
Indien het advies of de inlichtingen een particuliere inrichting betreffen en zijn bestemd voor Onze Minister of de Raad, voegt de commissie de desbetreffende opmerkingen van het betrokken bestuur daarbij, tenzij naar het oordeel van Onze Minister, de Raad of de commissie bijzondere spoed geboden is dan wel het bestuur zijn opmerkingen naar het oordeel van de commissie niet binnen een redelijke termijn op schrift heeft gesteld.
De commissie van toezicht stelt zich door persoonlijk contact met de jeugdigen regelmatig op de hoogte van onder hen levende wensen en gevoelens. Bij toerbeurt treedt één van haar leden hiertoe op als maandcommissaris. De maandcommissaris vervult tevens de taken van de vertrouwenspersoon, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet.
Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de bevoegdheden, de samenstelling en de werkwijze van de commissie, de benoeming en het ontslag van haar leden alsmede over de werkzaamheden van de maandcommissaris.
Hoofdstuk III. Bestemming
Artikel 8
Inrichtingen zijn bestemd voor:
- a. personen ten aanzien van wie een bevel tot voorlopige hechtenis is gegeven, voor zover zij ten tijde van het begaan van het strafbaar feit waarvan zij worden verdacht, de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt en personen ten aanzien van wie een bevel tot voorlopige hechtenis is gegeven, voor zover zij ten tijde van het begaan van het strafbaar feit waarvan zij worden verdacht, de leeftijd van drieëntwintig jaar nog niet hebben bereikt en de officier van justitie voornemens is te vorderen dat recht zal worden gedaan overeenkomstig artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht;
- b. personen aan wie de straf van jeugddetentie, daaronder begrepen vervangende jeugddetentie, alsmede personen aan wie vervangende hechtenis is opgelegd en die uit hoofde van een andere vrijheidsstraf straf of maatregel al in de inrichting verblijven;
- c. personen in vreemdelingenbewaring, voor zover zij de leeftijd van twaalf jaar wel maar die van achttien jaar nog niet hebben bereikt;
- d. personen ten aanzien van wie een bevel tot gijzeling is gegeven, voor zover zij de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt;
- e. personen aan wie de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen is opgelegd;
- f. personen ten aanzien van wie een machtiging als bedoeld in artikel 6.2.2, tweede lid, van de Jeugdwet is gegeven;
- g. personen die in een inrichting verblijven en ten aanzien van wie een rechterlijke machtiging op grond van de Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten of een zorgmachtiging op grond van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg is gegeven, in afwachting van plaatsing in een accommodatie als bedoeld in artikel 1:1, eerste lid, onderdeel b, van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg of artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van de Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten;
- h. personen aan wie met toepassing van artikel 77b van het Wetboek van Strafrecht de maatregel van terbeschikkingstelling als bedoeld in de artikel 37a en 37b van het Wetboek van Strafrecht werd opgelegd, voorzover de jeugdige ten tijde van de tenuitvoerlegging de leeftijd van 21 jaar nog niet heeft bereikt, en ten aanzien van wie Onze Minister, of de rechter blijkens het vonnis of arrest waarbij de maatregel werd opgelegd, heeft bepaald dat de plaatsing van de jeugdige in een inrichting gelet op diens ontwikkeling aangewezen is;
- i. jeugdigen of jongvolwassenen aan wie de maatregel betreffende het gedrag is opgelegd en ten aanzien van wie een bevel nachtdetentie is gegeven of ten aanzien van wie de tijdelijke opneming in een inrichting is bevolen.
Onze Minister bepaalt de bestemming van elke inrichting of afdeling. Onze Minister kan delen van een inrichting als afdeling met een aparte bestemming aanwijzen.
Inrichtingen of afdelingen daarvan kunnen door Onze Minister worden aangewezen voor de onderbrenging van jeugdigen die een bijzondere opvang of behandeling behoeven. Deze bijzondere opvang of behandeling kan verband houden met de leeftijd, de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van de jeugdige of de uitvoering van het perspectiefplan dan wel de verrichting van geneeskundige behandeling als bedoeld in artikel 51d, onder a, alsmede met het delict waarvoor of de titel waarop de jeugdige in een inrichting verblijft.
Onze Minister wijst inrichtingen, afdelingen of plaatsen aan, waarin kinderen van de jeugdige tot een in de aanwijzing aangegeven leeftijd met de jeugdige kunnen worden ondergebracht.
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de wijze waarop het onderbrengen van jeugdigen in inrichtingen plaats heeft dan wel omtrent de wijze waarop de bijzondere bestemming invulling krijgt.
Onze Minister kan ten aanzien van de in het eerste lid onder h. aangeduide personen bepalen dat de tenuitvoerlegging van de maatregel van terbeschikkingstelling kan voortduren ook nadat de leeftijd van 21 jaar is bereikt, maar de behandeling zich tegen onmiddellijke overplaatsing verzet. In deze gevallen wordt de jeugdige zo snel als de behandeling dit toelaat, overgeplaatst naar een inrichting als bedoeld in artikel 1, onderdeel b. van de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden.
Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent de aanwezigheid van de benodigde voorzieningen in een inrichting of afdeling voor de verrichting van geneeskundige behandeling als bedoeld in artikel 51d, onder a. In elk geval worden nadere regels gesteld omtrent de beschikbaarheid van een psychiater en een verpleegkundige ten dienste van deze inrichting of afdeling.
Artikel 9
In de inrichting worden mannelijke en vrouwelijke jeugdigen gescheiden ondergebracht.
De directeur kan jeugdigen van verschillend geslacht die in dezelfde inrichting verblijven in de gelegenheid stellen gezamenlijk aan activiteiten deel te nemen.
Onze Minister kan inrichtingen of afdelingen aanwijzen, waarin van het eerste lid wordt afgeweken vanwege de bijzondere bestemming van de inrichting of de afdeling.
Artikel 10
Inrichtingen of afdelingen daarvan zijn naar de mate van beveiliging als volgt te onderscheiden en aan te duiden:
- a. beperkt beveiligd: een open inrichting of afdeling;
- b. normaal beveiligd: een gesloten inrichting of afdeling.
Onze Minister bepaalt ten aanzien van elke inrichting of afdeling daarvan de mate van beveiliging, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 11
Onze Minister kan nadere regels stellen over:
- a. de plaatsing, overplaatsing en overbrenging van jeugdigen;
- b. de procedure van plaatsing, overplaatsing en overbrenging;
- c. de criteria waaraan jeugdigen moeten voldoen voor plaatsing in een inrichting of afdeling met een bijzondere bestemming, als bedoeld in artikel 8, tweede en derde lid;
- d. de onderbrenging van kinderen van jeugdigen in de inrichting, afdeling of plaats waar de jeugdige verblijft.
Artikel 12
Personen ten aanzien van wie de tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen of vrijheidsbenemende maatregelen is gelast, worden, voor zover de tenuitvoerlegging in een inrichting plaatsvindt, geplaatst in een inrichting of afdeling dan wel overgeplaatst naar een inrichting of afdeling overeenkomstig het bepaalde in artikel 2, tweede tot en met vierde lid. De plaatsing geschiedt met inachtneming van de titel van de vrijheidsbeneming, de persoon van de jeugdige of de benodigde mate van beveiliging.
Personen als bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdelen e en h, worden in elk geval geplaatst in een inrichting of op een afdeling waar behandeling plaats kan vinden.
Onze Minister is bevoegd tot plaatsing en overplaatsing als bedoeld in het eerste lid. Onze Minister is tevens bevoegd de overbrenging van personen te bevelen.
De inrichting is verplicht de jeugdige op te nemen.
Onze Minister neemt bij de beslissing tot plaatsing, overplaatsing of overbrenging de aanwijzingen van het openbaar ministerie en van de autoriteiten die de straf of maatregel hebben opgelegd, in aanmerking. Onze Minister neemt bij de beslissing, bedoeld in het eerste lid, de aanwijzingen van de gecertificeerde instelling voor zover mogelijk in acht.
Onze Minister neemt de beslissing om een jeugdige te plaatsen op een afdeling voor intensieve zorg of voor intensieve behandeling als bedoeld in artikel 22a, onderscheidenlijk artikel 22b, na advies van een psychiater, die voor zover mogelijk overleg heeft gevoerd met de behandelend gedragsdeskundige.
Onze Minister neemt de beslissing om een jeugdige te plaatsen op een individuele trajectafdeling als bedoeld in artikel 22c, na daarover advies te hebben ingewonnen van de adviescommissie.
In geval van een psychische stoornis, psychogeriatrische aandoening of verstandelijke handicap van een jeugdige kan Onze Minister, met inachtneming van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg of de Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten, bepalen dat de jeugdige naar een accommodatie als bedoeld in artikel 1:1, eerste lid, onderdeel b, van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg of artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van de Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten zal worden overgebracht om daar zolang als dat noodzakelijk is te worden verpleegd.
Onze Minister kan, op verzoek van de directeur, beslissen dat de vrijheidsbenemende straf tijdelijk buiten de inrichting op een plaats als bedoeld in artikel 8, vierde lid, ten uitvoer wordt gelegd.
Artikel 13
Een plaatsing als bedoeld in artikel 12, tweede lid, geschiedt voordat de termijn van de maatregel drie maanden is verstreken.
Indien de plaatsing niet binnen de in het eerste lid gestelde termijn mogelijk is, kan Onze Minister deze termijn telkens met drie maanden verlengen.
Met een beslissing tot verlenging als bedoeld in het tweede lid wordt gelijk gesteld de weigering om binnen de in het eerste lid genoemde termijn te beslissen.
Artikel 14
De jeugdige ten aanzien van wie met toepassing van artikel 6.2.2, tweede lid, van de Jeugdwet is bepaald dat hij in een inrichting wordt geplaatst, heeft aanspraak op die plaatsing.
De jeugdige, bedoeld in het eerste lid, kan worden overgeplaatst naar een beperkt beveiligde inrichting als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder a.
Artikel 15
In afwijking van artikel 12, eerste lid, eerste volzin, kan Onze Minister bepalen dat een persoon ten aanzien van wie de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of een vrijheidsbenemende maatregel is gelast en die in een politiecel verblijft, daar voor een periode van maximaal tien dagen zal verblijven, nadat hij heeft vastgesteld dat er voor deze persoon geen plaats is in een inrichting. De politiecel voldoet aan de regels die voor politiecellencomplexen zijn vastgesteld.
Het eerste lid kan voor een jeugdige in de leeftijd van twaalf tot zestien jaar worden toegepast, met dien verstande dat de maximale termijn voor verblijf in een politiecel dan drie dagen bedraagt en het verblijf alleen mag worden toegepast in afwachting van het regelen van vervoer naar de plaats in een inrichting.
Hoofdstuk IV. Plaatsing en plaatsingsprocedure
Paragraaf 1. Plaatsing en overplaatsing
Artikel 16
Indien een jeugdige een kind in de inrichting of afdeling als bedoeld in artikel 8, vierde lid, wil onderbrengen ten einde het aldaar te verzorgen en op te voeden, behoeft hij de toestemming van de directeur. De directeur geeft deze toestemming, voor zover dit verblijf zich verdraagt met de volgende belangen:
- a. de bescherming van de persoonlijke veiligheid of de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind;
- b. de handhaving van de orde of de veiligheid in de inrichting;
- c. de uitvoering van het perspectiefplan;
- d. de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van de jeugdige;
- e. het over het kind gestelde gezag.
De directeur kan aan de toestemming voorwaarden verbinden met het oog op een belang als bedoeld in het eerste lid.
De directeur kan over een door hem voorgenomen onderbrenging van een kind in de inrichting of afdeling het advies inwinnen van de raad voor de kinderbescherming.
De directeur kan de toestemming intrekken, indien dit noodzakelijk is met het oog op een belang als bedoeld in het eerste lid, of indien de jeugdige een bepaalde voorwaarde niet nakomt. Indien de directeur een nader onderzoek nodig oordeelt, kan hij de medewerking van de raad voor de kinderbescherming inroepen.
De directeur is verplicht de toestemming in te trekken, indien de onderbrenging van het kind in de inrichting in strijd komt met enige op het gezag over het kind betrekking hebbende beslissing.
In de huisregels worden nadere regels gesteld omtrent het verblijf van kinderen in de inrichting.
De kosten van de verzorging van het kind komen voor rekening van het Rijk, voor zover de jeugdige dan wel degene die belast is met het gezag over het kind, niet zelf in die kosten kan voorzien.
Onverminderd het bepaalde in het eerste tot en met het zevende lid kan de directeur Onze Minister verzoeken de jeugdige en het kind elders te plaatsen.
Artikel 16a
In afwijking van artikel 16, eerste lid, eerste volzin, kan de selectiefunctionaris bepalen dat een persoon ten aanzien van wie de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of een vrijheidsbenemende maatregel is gelast en die in een politiecel verblijft, daar voor een periode van maximaal tien dagen zal verblijven, nadat hij heeft vastgesteld dat er voor deze persoon geen plaats is in een inrichting. De politiecel voldoet aan de regels die voor politiecellencomplexen zijn vastgesteld.
Het eerste lid kan voor een jeugdige in de leeftijd van twaalf tot zestien jaar worden toegepast, met dien verstande dat de maximale termijn voor verblijf in een politiecel dan drie dagen bedraagt en het verblijf alleen mag worden toegepast in afwachting van het regelen van vervoer naar de plaats in een inrichting.
Artikel 17
De directeur bepaalt de wijze van onderbrenging van de jeugdigen die overeenkomstig artikel 12 zijn geplaatst in de inrichting of afdeling met het beheer waarvan hij is belast.
De directeur wijst iedere jeugdige een kamer toe.
De directeur kan onderdelen van de inrichting of de afdeling aanwijzen voor de onderbrenging van jeugdigen die een bijzondere opvang of behandeling in de zin van artikel 8, derde lid, behoeven.
De directeur bepaalt de criteria waaraan de jeugdige moet voldoen om voor onderbrenging als bedoeld in het derde lid in aanmerking te komen.
Onze Minister stelt regels omtrent de eisen waaraan een kamer als bedoeld in het tweede lid moet voldoen.
Paragraaf 2. Bezwaar- en verzoekschriftprocedure
Artikel 18
De betrokkene heeft het recht een met redenen omkleed bezwaarschrift in te dienen tegen de beslissing:
- a. tot verlenging van de termijn, bedoeld in artikel 13, tweede lid;
- b. tot plaatsing of overplaatsing of overbrenging als bedoeld in artikel 12, eerste onderscheidenlijk achtste lid;
- c. tot plaatsing of overplaatsing op een afdeling als bedoeld in de artikelen 22a, 22b, 22c en 22d.
Op de wijze van indiening is artikel 66, tweede, zesde en zevende lid, van overeenkomstige toepassing.
Onze Minister stelt de betrokkene in de gelegenheid schriftelijk of mondeling diens bezwaarschrift toe te lichten, tenzij hij het aanstonds kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond acht.
Onze Minister stelt de indiener van het bezwaarschrift binnen zes weken van zijn met redenen omklede beslissing schriftelijk en zoveel mogelijk in een voor deze begrijpelijke taal op de hoogte. Hierbij wijst hij hem op de mogelijkheid van het instellen van beroep, bedoeld in hoofdstuk XV, alsmede de termijnen waarbinnen en de wijze waarop dit gedaan moet worden.
Het indienen van een bezwaarschrift blijft achterwege, indien de betrokkene in de gelegenheid is gesteld zijn bezwaren tegen een door Onze Minister voorgenomen en hem betreffende beslissing als bedoeld in het eerste lid kenbaar te maken.
Artikel 19
De betrokkene heeft het recht bij Onze Minister een met redenen omkleed verzoekschrift in te dienen strekkende tot plaatsing in dan wel overplaatsing naar een bepaalde inrichting of afdeling.
Met een verzoekschrift wordt gelijkgesteld een akkoordverklaring van de jeugdige met het selectieadvies van de directeur van de inrichting.
De artikel 66, tweede en zesde lid, en 18, derde en vierde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
Indien het verzoekschrift, bedoeld in het eerste lid, is afgewezen, kan twee maanden na de ontvangst van deze afwijzing opnieuw een verzoekschrift worden ingediend.
Hoofdstuk V. Verblijfsplan en behandelplan
Artikel 20
De directeur van een inrichting stelt uiterlijk binnen drie weken na de binnenkomst van de jeugdige een perspectiefplan voor hem vast. Alvorens het plan vast te stellen, overlegt hij met de jeugdige. De eerste volzin is niet van toepassing op jeugdigen die in de inrichting een vervangende jeugddetentie ondergaan van een kortere duur dan drie weken.
Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent de eisen waaraan een perspectiefplan ten minste moet voldoen, de voorschriften die bij wijziging daarvan in acht genomen moeten worden en de periodieke evaluatie van het perspectiefplan.
Artikel 21
Vervallen
Hoofdstuk VI. Bewegingsvrijheid
Paragraaf 2. Bezwaar- en verzoekschriftprocedure
Artikel 22
In inrichtingen verblijven jeugdigen in groepen en nemen deel aan gemeenschappelijke activiteiten gedurende ten minste 77 uren per week waarvan ten minste acht en een half uren per dag. De jeugdigen houden zich gedurende de voor de nachtrust bestemde uren in hun kamer op, tenzij zij als onderdeel van het regime van de inrichting deelnemen aan meerdaagse activiteiten buiten de inrichting.
Artikel 23
De directeur kan een jeugdige gedurende ten hoogste een week na zijn binnenkomst in de inrichting uitsluiten van het verblijf in een groep en zijn deelname aan gemeenschappelijke activiteiten beperken tot ten minste zes uren per dag, indien dit noodzakelijk is:
- a. ter voorbereiding van de beslissing omtrent onderbrenging van de jeugdige in de groep;
- b. ten behoeve van de vaststelling van een perspectiefplan.
De directeur kan de periode, bedoeld in het eerste lid, tweemaal met ten hoogste een week verlengen, indien hij na overleg met een gedragsdeskundige tot het oordeel is gekomen dat de noodzaak hiertoe nog bestaat.
De directeur kan de jeugdige gedurende ten hoogste een week uitsluiten van verblijf in de groep of beperken in de deelname aan gemeenschappelijke activiteiten, indien dit noodzakelijk is in het belang van:
- a. zijn geestelijke of lichamelijke ontwikkeling;
- b. de uitvoering van het hem betreffende perspectiefplan.
De directeur kan de uitsluiting of beperking, bedoeld in het derde lid, telkens met ten hoogste een week verlengen, indien hij na overleg met een gedragsdeskundige tot het oordeel is gekomen dat de noodzaak hiertoe nog bestaat.
De directeur houdt van de oplegging van de maatregel van uitsluiting, bedoeld in het eerste en derde lid, en de verlenging, bedoeld in het tweede en vierde lid, aantekening in een register.
Paragraaf 2. Ordemaatregelen
Artikel 24
De directeur kan de jeugdige uitsluiten van het verblijf in de groep of de deelname aan een of meer activiteiten behoudens het dagelijks verblijf in de buitenlucht, bedoeld in artikel 53, vijfde lid:
- a. indien dit in het belang van de orde of de veiligheid van de inrichting dan wel van een ongestoorde tenuitvoerlegging van de vrijheidsbeneming noodzakelijk is;
- b. indien dit ter bescherming van de betrokken jeugdige noodzakelijk is;
- c. in geval van ziekmelding of ziekte van de betrokken jeugdige;
- d. indien de jeugdige hierom verzoekt en de directeur dit verzoek redelijk en uitvoerbaar oordeelt.
De uitsluiting ingevolge het eerste lid, onder a of b, duurt ten hoogste twee dagen. De directeur kan deze uitsluiting telkens voor ten hoogste twee dagen verlengen, indien hij tot het oordeel is gekomen dat de noodzaak tot uitsluiting nog bestaat.
Indien onverwijlde tenuitvoerlegging van de uitsluiting, bedoeld in het eerste lid, onder a of b, geboden is, kan een personeelslid of medewerker de maatregel, bedoeld in het eerste lid, voor een periode van ten hoogste vijftien uren treffen.
De maatregel van uitsluiting van het verblijf in de groep of van de deelname aan een of meer activiteiten wordt ten uitvoer gelegd op de kamer van de jeugdige.
De directeur houdt van de oplegging van de maatregel van uitsluiting, bedoeld in het eerste en tweede lid, en de verlenging, bedoeld in het tweede lid, aantekening in een register. Bij toepassing van het derde lid wordt de aantekening door het betrokken personeelslid of medewerker gemaakt.
Artikel 25
De directeur is bevoegd een jeugdige in afzondering te plaatsen op de gronden, genoemd in artikel 24, eerste lid. De afzondering op de gronden van artikel 24, eerste lid, onder a of b, duurt ten hoogste één dag voor jeugdigen tot zestien jaar en ten hoogste twee dagen voor jeugdigen van zestien jaar en ouder.
De afzondering wordt ten uitvoer gelegd in een afzonderingscel of in een andere verblijfsruimte. Gedurende het verblijf in afzondering neemt de jeugdige niet deel aan activiteiten, voor zover de directeur niet anders bepaalt en behoudens het dagelijks verblijf in de buitenlucht, bedoeld in artikel 53, vijfde lid.
De directeur kan de afzondering, bedoeld in het eerste lid, op de grond van artikel 24, eerste lid, onder a of b, eenmaal voor ten hoogste één dag voor jeugdigen tot zestien jaar en ten hoogste twee dagen voor jeugdigen van zestien jaar en ouder verlengen, indien hij tot het oordeel is gekomen dat de noodzaak tot afzondering nog bestaat.
Indien onverwijlde tenuitvoerlegging van de afzondering op de grond van artikel 24, eerste lid, onder a of b, geboden is, kan een personeelslid of medewerker een jeugdige voor een periode van ten hoogste vijftien uren in afzondering plaatsen. De directeur wordt van deze plaatsing onverwijld op de hoogte gesteld.
De directeur draagt zorg dat tijdens de afzondering het nodige contact tussen personeelsleden en medewerkers van de inrichting en de jeugdige wordt gewaarborgd en naar aard en frequentie op de situatie van de jeugdige wordt afgestemd.
De directeur draagt zorg dat ingeval de afzondering in een afzonderingscel langer dan vierentwintig uren duurt, de commissie van toezicht en de aan de inrichting verbonden arts of diens vervanger alsmede de ouders of voogd, stiefouder of pleegouders dan wel de gecertificeerde instelling terstond hiervan in kennis worden gesteld.
Onze Minister stelt nadere regels omtrent het verblijf in en de inrichting van de afzonderingscel. Deze betreffen in elk geval de rechten die tijdens het verblijf in de afzonderingscel aan de jeugdige toekomen.
De directeur houdt van de oplegging van de maatregel van afzondering, bedoeld in het eerste lid, en de verlenging daarvan, bedoeld in het derde lid, aantekening in een register. Bij toepassing van het vierde lid wordt de aantekening door het betrokken personeelslid of medewerker gemaakt.
Artikel 26
Indien de tenuitvoerlegging van de afzondering in de inrichting of afdeling waar zij is opgelegd op ernstige bezwaren stuit, kan zij in een andere inrichting of afdeling worden ondergaan.
Indien de directeur van oordeel is dat van de in het eerste lid bedoelde omstandigheid sprake is, plaatst hij in overeenstemming met Onze Minister de jeugdige over.
Over de verlenging van de afzondering waarvan de tenuitvoerlegging plaatsvindt in een andere inrichting of afdeling, beslist de directeur van de inrichting of de afdeling waarin de afzondering was opgelegd in overeenstemming met Onze Minister en gehoord de directeur van de inrichting of afdeling waar de tenuitvoerlegging van de afzondering plaatsvindt.
Onze Minister stelt nadere regels omtrent de procedure van plaatsing, overplaatsing en verlenging van de afzondering ingevolge het tweede onderscheidenlijk het derde lid.
De ouders of voogd, stiefouder of pleegouders dan wel de gecertificeerde instelling worden van de beslissing, bedoeld in het eerste lid, onverwijld op de hoogte gesteld.
De directeur houdt van de tenuitvoerlegging van de maatregel van afzondering in een andere inrichting, bedoeld in het eerste lid en de verlenging daarvan, bedoeld in het derde lid, aantekening in een register.
Artikel 27
De directeur is bevoegd een jeugdige, na overleg met een gedragsdeskundige en Onze Minister, tijdelijk over te plaatsen op de gronden, genoemd in artikel 24, eerste lid, onder a en b.
De directeur neemt de beslissing tot tijdelijke plaatsing van de jeugdige die met een machtiging als bedoeld in artikel 6.2.2, tweede lid, van de Jeugdwet in een inrichting is geplaatst niet dan nadat hij daarvoor toestemming van de gecertificeerde instelling heeft verkregen. Deze toestemming wordt niet gegeven zonder machtiging van de kinderrechter in de daartoe aangewezen gevallen. Voor de jeugdige aan wie de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen is opgelegd is de toestemming van Onze Minister noodzakelijk.
De tijdelijke plaatsing duurt ten hoogste veertien dagen. De directeur kan deze tijdelijke plaatsing eenmaal voor ten hoogste veertien dagen verlengen, indien hij na overleg met een gedragsdeskundige, de directeur van de inrichting waar de tijdelijke plaatsing ten uitvoer wordt gelegd en Onze Minister tot het oordeel is gekomen dat de noodzaak en de mogelijkheden hiertoe nog bestaan.
Na de tenuitvoerlegging van de tijdelijke plaatsing dan wel de verlenging hiervan wordt de jeugdige teruggeplaatst in de inrichting waarin de maatregel werd opgelegd.
De ouders of voogd, stiefouder of pleegouders dan wel de gecertificeerde instelling worden van een beslissing als bedoeld in het eerste en derde lid, onverwijld op de hoogte gesteld.
Paragraaf 3. Verlaten van de inrichting
Artikel 28
De directeur stelt een jeugdige in de gelegenheid onder door hem te stellen voorwaarden de inrichting te verlaten teneinde een gerechtelijke procedure bij te wonen:
- a. indien de jeugdige krachtens wettelijk voorschrift verplicht is voor een rechter of bestuursorgaan te verschijnen;
- b. ter voldoening aan een oproep van de rechter.
Met het oog op het verlaten van de inrichting, bedoeld in het eerste lid, kan de directeur aan daartoe door hem aangewezen personeelsleden of medewerkers bevelen dat de betrokken persoon naar de daartoe bestemde plaats wordt overgebracht.
Artikel 29
De directeur stelt een jeugdige die in een inrichting verblijft op grond van de tenuitvoerlegging van een machtiging in een geval als bedoeld in artikel 6.2.2, tweede lid, van de Jeugdwet in de gelegenheid de inrichting ten minste eenmaal per zes weken voor een periode van ten minste twaalf uren te verlaten bij wijze van verlof. Artikel 30, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
De directeur kan van het in het eerste lid bepaalde afwijken, indien naar zijn redelijk oordeel:
- a. de mogelijkheid voor de jeugdige ontbreekt om het verlof op verantwoorde wijze door te brengen;
- b. de jeugdige een gevaar voor zichzelf of de omgeving oplevert.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot het verlaten van de inrichting bij wijze van verlof. Deze betreffen in elk geval de criteria waaraan een jeugdige moet voldoen om voor het verlof in aanmerking te komen, de bevoegdheid tot en de wijze van verlening, weigering, beperking en intrekking alsmede de duur en frequentie van het verlof en de voorwaarden die aan het verlof kunnen worden verbonden.
Artikel 30
De directeur kan met machtiging van Onze Minister een jeugdige die in een inrichting verblijft op grond van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel, anders dan bedoeld in artikel 29, eerste lid, in de gelegenheid stellen de inrichting te verlaten bij wijze van verlof.
Het verlaten van de inrichting, bedoeld in het eerste lid, schort de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel niet op.
Als algemene voorwaarde geldt dat de jeugdige zich tijdens het verlof niet aan enig misdrijf zal schuldig maken. De directeur kan aan het verlof bijzondere voorwaarden, het gedrag van de jeugdige betreffende, verbinden.
De directeur kan het verlof intrekken, indien dit noodzakelijk is met het oog op de bescherming van de maatschappij tegen de gevaarlijkheid van de jeugdige voor de veiligheid van anderen dan de jeugdige of de algemene veiligheid van personen of goederen of indien de jeugdige een bepaalde voorwaarde niet nakomt.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot het verlaten van de inrichting bij wijze van verlof. Deze betreffen in elk geval de criteria waaraan een jeugdige moet voldoen om voor het verlof in aanmerking te komen, de bevoegdheid tot en de wijze van verlening, weigering, beperking en intrekking alsmede de duur, frequentie en het doel van het verlof en de voorwaarden die aan het verlof kunnen worden verbonden.
Artikel 31
Vervallen
Hoofdstuk VII. Controle en geweldgebruik
Artikel 32
Het recht van de jeugdige op onaantastbaarheid van zijn lichaam, zijn kleding en de van zijn lichaam afgescheiden stoffen en zijn kamer kan overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk worden beperkt.
Artikel 33
De directeur stelt bij binnenkomst in en bij het verlaten van de inrichting, bij de tenuitvoerlegging van een bevel als bedoeld in artikel 2, eerste lid, aanhef, van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden en voor zover dit anderszins noodzakelijk is, de identiteit van de jeugdige vast.
De directeur stelt tevens voorafgaand aan en na afloop van bezoek de identiteit van de jeugdige vast, tenzij een personeelslid of medewerker op de jeugdige voortdurend en persoonlijk toezicht houdt.
Het vaststellen van de identiteit van de jeugdige omvat bij de eerste opname in de inrichting het vragen naar zijn naam, voornamen, geboorteplaats en geboortedatum, het adres waarop hij in de basisregistratie personen is ingeschreven en het adres van zijn feitelijke verblijfplaats buiten de inrichting. Het omvat tevens het nemen van een of meer van zijn vingerafdrukken. In de gevallen waarin van de gedetineerde eerder overeenkomstig het Wetboek van Strafvordering of de Vreemdelingenwet 2000 vingerafdrukken zijn genomen en verwerkt, omvat het vaststellen van zijn identiteit bij binnenkomst in de inrichting tevens een vergelijking van zijn vingerafdrukken met de van hem verwerkte vingerafdrukken. In de andere gevallen omvat het vaststellen van zijn identiteit een onderzoek van zijn identiteitsbewijs, bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht. Artikel 29c, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering is van overeenkomstige toepassing.
Het vaststellen van de identiteit van de jeugdige omvat in de andere gevallen dan de eerste opname in de inrichting het nemen van een of meer vingerafdrukken en het vergelijken van die vingerafdrukken met de van hem bij binnenkomst genomen vingerafdrukken. Bij de tenuitvoerlegging van een bevel als bedoeld in artikel 2, eerste lid, aanhef, van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden worden van de jeugdige tevens een of meer vingerafdrukken overeenkomstig het Wetboek van Strafvordering genomen en verwerkt.
De directeur is bevoegd van de jeugdige een of meer foto’s te nemen. De foto’s kunnen worden gebruikt voor het vervaardigen van een legitimatiebewijs en voor het voorkomen, opsporen, vervolgen en berechten van strafbare feiten. De jeugdige is verplicht het legitimatiebewijs bij zich te dragen en op verzoek van een ambtenaar of medewerker te tonen.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld voor het verwerken van de persoonsgegevens, bedoeld in het derde tot en met vijfde lid.
Artikel 34
De directeur is bevoegd een jeugdige bij binnenkomst of bij het verlaten van de inrichting, voorafgaand aan of na afloop van bezoek, dan wel, indien dit anderszins noodzakelijk is in het belang van de handhaving van de orde of de veiligheid in de inrichting, aan zijn lichaam of aan zijn kleding te onderzoeken.
Onze Minister is bevoegd ten behoeve van het vervoer van de jeugdige hem aan zijn lichaam of aan zijn kleding te onderzoeken.
Het onderzoek aan het lichaam van de jeugdige omvat mede het uitwendig schouwen van de openingen en holten van het lichaam van de jeugdige. Het onderzoek aan de kleding van de jeugdige omvat mede het onderzoek van de voorwerpen die de jeugdige bij zich draagt of met zich mee voert.
Het onderzoek aan het lichaam van de jeugdige wordt op besloten plaatsen en, voor zover mogelijk, door personen van hetzelfde geslacht als de jeugdige verricht.
Indien bij een onderzoek aan het lichaam of de kleding voorwerpen worden aangetroffen die niet in het bezit van de jeugdige mogen zijn, en, voor zover het onderzoek betrekking heeft op de openingen of holten van het lichaam van de jeugdige, deze voorwerpen zonder het gebruik van hulpmiddelen daaruit kunnen worden verwijderd, is de directeur bevoegd deze in beslag te nemen. Hij draagt zorg dat deze voorwerpen, hetzij onder afgifte van een bewijs van ontvangst ten behoeve van de jeugdige op diens kosten worden bewaard, hetzij met toestemming van de jeugdige worden vernietigd, hetzij aan een opsporingsambtenaar ter hand worden gesteld met het oog op de voorkoming of de opsporing van strafbare feiten.
Artikel 35
De directeur kan, indien dit noodzakelijk is in het belang van de handhaving van de orde of de veiligheid in de inrichting dan wel in verband met de beslissing tot plaatsing of overplaatsing dan wel in verband met de toestemming tot het verlaten van de inrichting, een jeugdige verplichten urine af te staan ten behoeve van een onderzoek van die urine op aanwezigheid van gedragsbeïnvloedende middelen.
Onze Minister stelt nadere regels vast omtrent de wijze van uitvoering van het urineonderzoek. Deze regels betreffen in elk geval het recht van de jeugdige om de uitslag te vernemen en om voor eigen rekening een hernieuwd onderzoek van de afgestane urine te laten plaatsvinden. Artikel 34, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 36
De directeur kan bepalen dat een jeugdige in het lichaam wordt onderzocht, indien dit noodzakelijk is ter afwending van ernstig gevaar voor de handhaving van de orde of de veiligheid in de inrichting dan wel voor de gezondheid van de jeugdige. Het onderzoek in het lichaam wordt verricht door een arts of, in diens opdracht, door een verpleegkundige.
Een personeelslid of medewerker van de inrichting waar de jeugdige verblijft kan bij dringende noodzakelijkheid een beslissing als bedoeld in het eerste lid nemen.
Indien bij het onderzoek in het lichaam voorwerpen worden aangetroffen die niet in het bezit van de jeugdige mogen zijn, en deze voorwerpen door de arts of verpleegkundige uit het lichaam kunnen worden verwijderd, is de directeur bevoegd deze in beslag te nemen. Artikel 34, vijfde lid, laatste volzin, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 37
De directeur kan een jeugdige verplichten te gedogen dat ten aanzien van hem een bepaalde geneeskundige handeling wordt verricht, indien die handeling naar het oordeel van een arts volstrekt noodzakelijk is ter afwending van gevaar voor de gezondheid of veiligheid van de jeugdige of van anderen. De handeling wordt verricht door een arts of, in diens opdracht, door een verpleegkundige.
Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent de toepassing van het eerste lid. Deze regels betreffen in ieder geval de melding en de registratie van de geneeskundige handeling, alsmede de taak van de verantwoordelijke arts indien de geneeskundige handeling volstrekt noodzakelijk is ter afwending van gevaar voortvloeiend uit de geestelijke stoornis van de jeugdige.
Artikel 38
De directeur kan bepalen dat een jeugdige tijdens de afzondering door bevestiging van mechanische middelen aan zijn lichaam voor een periode van ten hoogste twaalf uren voor jeugdigen tot zestien jaar en ten hoogste vierentwintig uren voor jeugdigen van zestien jaar en ouder in zijn bewegingsvrijheid wordt beperkt, indien die beperking noodzakelijk is ter afwending van een van de jeugdige uitgaand ernstig gevaar voor diens gezondheid of de veiligheid van anderen dan de jeugdige. De directeur stelt de arts of diens vervanger en de commissie van toezicht van de bevestiging onverwijld in kennis.
Indien onverwijlde tenuitvoerlegging van de maatregel, bedoeld in het eerste lid, geboden is, kan een personeelslid of medewerker deze voor een periode van ten hoogste vier uren ten uitvoer leggen. De directeur en de arts of diens vervanger en de commissie van toezicht worden hiervan onverwijld in kennis gesteld.
Onze Minister stelt nadere regels omtrent de bevestiging van mechanische middelen aan het lichaam.
Artikel 39
De directeur is bevoegd de kamer van een jeugdige op de aanwezigheid van voorwerpen die niet in zijn bezit mogen zijn te onderzoeken:
- a. indien dit onderzoek plaatsvindt in het kader van het algemeen toezicht op de aanwezigheid van verboden voorwerpen in de kamers van jeugdigen;
- b. indien dit anderszins noodzakelijk is in het belang van de handhaving van de orde of de veiligheid in de inrichting.
Artikel 34, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.
De directeur is bevoegd de kamer van een jeugdige te onderzoeken op de aanwezigheid van voorwerpen waarop vermoedelijk celmateriaal van de jeugdige aanwezig is en deze voorwerpen in beslag te nemen, indien de officier van justitie hem op grond van artikel 6, eerste lid, van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden een opdracht tot het in beslag nemen van deze voorwerpen heeft gegeven.
Artikel 40
De directeur is bevoegd jegens een jeugdige geweld te gebruiken dan wel vrijheidsbeperkende middelen aan te wenden, voor zover zulks noodzakelijk is met het oog op een van de volgende belangen:
- a. de handhaving van de orde of de veiligheid in de inrichting;
- b. de uitvoering van een door de directeur genomen beslissing;
- c. de voorkoming van het zich onttrekken door de jeugdige aan het op hem uitgeoefende toezicht;
- d. de uitvoering van een ingevolge het Wetboek van Strafvordering of de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden door de officier van justitie of de rechter-commissaris genomen beslissing.
Onze Minister is bevoegd jegens een jeugdige geweld te gebruiken of vrijheidsbeperkende middelen aan te wenden voor zover zulks noodzakelijk is met het oog op een van de volgende belangen:
- a. de uitvoering van een door hem genomen beslissing;
- b. de voorkoming van het zich onttrekken van de jeugdige aan het op hem uitgeoefende toezicht.
Aan het gebruik van geweld gaat zo mogelijk een waarschuwing vooraf. Degene die geweld heeft gebruikt maakt hiervan onverwijld een schriftelijk verslag en doet dit verslag onverwijld aan de directeur onderscheidenlijk de selectiefunctionaris toekomen.
Onze Minister stelt nadere regels omtrent het gebruik van geweld en de aanwending van vrijheidsbeperkende middelen.
Hoofdstuk VIII. Contact met de buitenwereld
Artikel 41
De jeugdige heeft, behoudens de overeenkomstig het tweede tot en met het vierde lid te stellen beperkingen, het recht brieven en stukken per post te verzenden en te ontvangen. De hieraan verbonden kosten komen, tenzij de directeur anders bepaalt, voor rekening van de jeugdige.
De directeur is bevoegd enveloppen of andere poststukken, afkomstig van of bestemd voor jeugdigen, op de aanwezigheid van bijgesloten voorwerpen te onderzoeken en deze hiertoe te openen. Indien de enveloppen of andere poststukken afkomstig zijn van of bestemd zijn voor de in artikel 42, eerste en tweede lid, genoemde personen of instanties, geschiedt dit onderzoek in aanwezigheid van de betrokken jeugdige.
De directeur is bevoegd op de inhoud van brieven of andere poststukken afkomstig van of bestemd voor jeugdigen toezicht uit te oefenen met het oog op een belang als bedoeld in het vierde lid. Dit toezicht kan omvatten het kopiëren van brieven of andere poststukken. Van de wijze van uitoefenen van toezicht wordt aan de jeugdige tevoren mededeling gedaan.
De directeur kan de verzending of de uitreiking van bepaalde brieven of andere poststukken alsmede bijgesloten voorwerpen weigeren, indien dit noodzakelijk is met het oog op een van de volgende belangen:
- a. de handhaving van de orde of de veiligheid in de inrichting;
- b. de voorkoming of de opsporing van strafbare feiten;
- c. de bescherming van slachtoffers van of anderszins betrokkenen bij misdrijven;
- d. de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van de jeugdige;
- e. de uitvoering van het perspectiefplan.
De directeur draagt zorg dat de niet uitgereikte brieven of andere poststukken dan wel bijgesloten voorwerpen, hetzij worden teruggegeven aan de jeugdige of voor diens rekening worden gezonden aan de verzender of een door de jeugdige op te geven adres, hetzij onder afgifte van een bewijs van ontvangst ten behoeve van de jeugdige worden bewaard, hetzij met toestemming van de jeugdige worden vernietigd, hetzij aan een opsporingsambtenaar ter hand worden gesteld met het oog op de voorkoming of opsporing van strafbare feiten.
Artikel 42
Artikel 41, derde en vierde lid, is niet van toepassing op brieven door de jeugdige gericht aan of afkomstig van:
- a. leden van het Koninklijk Huis;
- b. de Eerste of Tweede Kamer der Staten-Generaal, leden daarvan, de Nederlandse leden van het Europese Parlement of een commissie uit een van beide parlementen;
- c. Onze Minister;
- d. justitiële autoriteiten;
- e. de Nationale ombudsman;
- f. de inspecteurs van de Inspectie gezondheidszorg en jeugd;
- g. de Raad, een commissie daaruit of leden of buitengewone leden daarvan;
- h. de commissie van toezicht, een beklagcommissie, of leden daarvan;
- i. organen, of leden daarvan, die krachtens een wettelijk voorschrift of een in Nederland geldend verdrag:
- 1°. bevoegd zijn tot kennisneming van klachten of behandeling van met een klacht aangevangen zaken; dan wel
- 2°. zijn belast met het houden van toezicht op justitiële jeugdinrichtingen;
- j. diens rechtsbijstandverlener;
- k. diens reclasseringsmedewerker of medewerkers van de gecertificeerde instelling;
- l. diens ouders of voogd, stiefouder of pleegouders, behoudens ingeval zwaarwegende belangen van de jeugdige zich daartegen verzetten;
- m. andere door Onze Minister of de directeur aan te wijzen personen of instanties.
Onze Minister kan nadere regels stellen omtrent de wijze van verzending van brieven aan en door de in het eerste lid genoemde personen en instanties.
Artikel 43
De jeugdige heeft het recht gedurende ten minste één uur per week op in de huisregels vastgestelde tijden en plaatsen bezoek te ontvangen. Onze Minister kan nadere regels stellen omtrent de toelating en weigering van bezoek. In de huisregels worden regels gesteld omtrent het aanvragen van bezoek.
De directeur kan het aantal tegelijk tot de jeugdige toe te laten personen beperken, indien dit noodzakelijk is in het belang van de handhaving van de orde of de veiligheid in de inrichting.
De directeur kan de toelating tot de jeugdige van een bepaalde persoon of bepaalde personen weigeren, indien dit noodzakelijk is met het oog op een belang als bedoeld in artikel 41, vierde lid. Deze weigering van een bezoeker op de grond van artikel 41, vierde lid, onder a, b, d of e, geldt voor ten hoogste twaalf maanden.
De directeur kan bepalen dat tijdens het bezoek toezicht wordt uitgeoefend, indien dit noodzakelijk is met het oog op een belang als bedoeld in artikel 41, vierde lid. Dit toezicht kan omvatten het beluisteren of het opnemen van het gesprek tussen de bezoeker en de jeugdige. Tevoren wordt aan betrokkenen mededeling gedaan van de aard en de reden van het toezicht.
Iedere bezoeker dient zich bij binnenkomst op deugdelijke wijze te legitimeren. De directeur kan bepalen dat een bezoeker aan zijn kleding wordt onderzocht op de aanwezigheid van voorwerpen die een gevaar kunnen opleveren voor de orde of de veiligheid in de inrichting. Dit onderzoek kan ook betrekking hebben op door hem meegebrachte voorwerpen. De directeur is bevoegd dergelijke voorwerpen gedurende de duur van het bezoek onder zich te nemen tegen afgifte van een bewijs van ontvangst dan wel aan een opsporingsambtenaar ter hand te stellen met het oog op de voorkoming of de opsporing van strafbare feiten. De directeur kan voorwaarden verbinden aan het voorgenomen bezoek van een persoon aan wie op grond van het derde lid eerder de toegang is geweigerd. Deze voorwaarden kunnen inhouden dat de bezoeker voorafgaand aan het bezoek, aan zijn lichaam wordt onderzocht. Dit onderzoek kan mede omvatten het uitwendig schouwen van de openingen en holten van het lichaam van de bezoeker.
De directeur kan het bezoek binnen de daarvoor bestemde tijd beëindigen en de bezoeker uit de inrichting doen verwijderen, indien dit noodzakelijk is met het oog op een belang als bedoeld in artikel 41, vierde lid.
De in artikel 42, eerste lid, onder f, g, h, en i, onder 2°, genoemde personen en instanties hebben te allen tijde toegang tot de jeugdige. De overige in dat lid genoemde personen en instanties hebben toegang tot de jeugdige op in de huisregels vastgestelde tijden en plaatsen. Indien de in artikel 42, eerste lid, onder k, genoemde personen vanwege dringende verplichtingen of belemmeringen niet in staat blijken de jeugdige op de in de huisregels vastgestelde tijden en plaatsen gedurende de week te bezoeken, stelt de directeur hen buiten deze tijden, door de week of in het weekeinde, daartoe in de gelegenheid. Tijdens dit bezoek kunnen zij zich vrijelijk met de jeugdige onderhouden, behoudens ingeval de directeur, na overleg met de desbetreffende bezoeker, van mening is dat van de jeugdige een ernstig gevaar uitgaat voor de veiligheid van de bezoeker. In dat geval laat de directeur voor het bezoek weten welke toezichthoudende maatregelen genomen worden om het onderhoud zo ongestoord mogelijk te laten verlopen. De toezichthoudende maatregelen mogen er niet toe leiden dat vertrouwelijke mededelingen in het onderhoud tussen de jeugdige en diens rechtsbijstandverlener bij derden bekend kunnen worden.
Artikel 44
De jeugdige heeft, behoudens de overeenkomstig het tweede tot en met het vierde lid te stellen beperkingen, het recht ten minste tweemaal per week op in de huisregels vastgestelde tijden en plaatsen en met behulp van een daartoe aangewezen toestel gedurende tien minuten een of meer telefoongesprekken te voeren met personen buiten de inrichting. De hieraan verbonden kosten komen, tenzij de directeur anders bepaalt, voor rekening van de jeugdige. In verband met het uitoefenen van toezicht als bedoeld in het tweede lid, kunnen telefoongesprekken worden opgenomen.
De directeur kan bepalen dat op de door of met de jeugdige gevoerde telefoongesprekken toezicht wordt uitgeoefend, indien dit noodzakelijk is om de identiteit van de persoon met wie de jeugdige een gesprek voert vast te stellen dan wel met het oog op een belang als bedoeld in artikel 41, vierde lid. Dit toezicht kan omvatten het beluisteren van een telefoongesprek of het uitluisteren van een opgenomen telefoongesprek. Aan de betrokkene wordt mededeling gedaan van de aard en de reden van het toezicht. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over het opnemen van telefoongesprekken en het bewaren en verstrekken van opgenomen telefoongesprekken.
De directeur kan de gelegenheid tot het voeren van een bepaald telefoongesprek of telefoongesprekken weigeren of een telefoongesprek binnen de daarvoor bestemde tijd beëindigen, indien dit noodzakelijk is met het oog op een belang als bedoeld in artikel 41, vierde lid. De beslissing tot het weigeren van een bepaald telefoongesprek of bepaalde telefoongesprekken geldt voor ten hoogste vier weken.
De jeugdige wordt in staat gesteld met de in artikel 42, eerste lid, genoemde personen en instanties telefonisch contact te hebben, indien hiervoor de noodzaak en de gelegenheid bestaan. Op deze gesprekken wordt geen ander toezicht uitgeoefend dan voor zover noodzakelijk is om de identiteit van de persoon of instantie met wie de jeugdige een telefoongesprek voert of wenst te voeren vast te stellen.
Artikel 45
De directeur kan toestemming geven voor het voeren van een gesprek tussen de jeugdige en een vertegenwoordiger van de media, voor zover dit zich verdraagt met de volgende belangen:
- a. de handhaving van de orde of de veiligheid in de inrichting;
- b. de bescherming van de openbare orde en de goede zeden;
- c. de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van de jeugdige;
- d. de uitvoering van het perspectiefplan;
- e. de bescherming van de rechten en de vrijheden van anderen dan de jeugdige;
- f. de voorkoming of de opsporing van strafbare feiten.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)