Wijzigingsgeschiedenis

Wet van 23 november 2000 tot algehele herziening van de Vreemdelingenwet (Vreemdelingenwet 2000)

66 versions · 2026-02-28
2026-02-28
Vreemdelingenwet 2000 — arts. 11, 26, 35 y 12 más
2026-01-01
Vreemdelingenwet 2000 — arts. 11, 26, 35 y 12 más
2025-07-09
2025-07-01
Vreemdelingenwet 2000 — arts. 11, 26, 35 y 12 más
2025-04-15
2025-03-28
Vreemdelingenwet 2000 — art. 111

Wijzigingen op 2025-03-28

@@ -14,19 +14,19 @@
- aanvullend document: document waarin de aanvullende informatie is opgenomen, bedoeld in artikel 6, eerste lid, tweede alinea van de Richtlijn 2011/98/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende één enkele aanvraagprocedure voor een gecombineerde vergunning voor onderdanen van derde landen om te verblijven en te werken op het grondgebied van een lidstaat, alsmede inzake een gemeenschappelijk pakket rechten voor werknemers uit derde landen die legaal in een lidstaat verblijven (PbEU 2011, L343);
- ambtenaren belast met de grensbewaking: de ambtenaren, bedoeld in [artikel 46](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=4&afdeling=1&paragraaf=1&artikel=46&z=2024-07-25&g=2024-07-25);
- ambtenaren belast met het toezicht op referenten: de ambtenaren, bedoeld in [artikel 47a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=4&afdeling=1&paragraaf=1&artikel=47a&z=2024-07-25&g=2024-07-25);
- ambtenaren belast met het toezicht op vreemdelingen: de ambtenaren, bedoeld in [artikel 47](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=4&afdeling=1&paragraaf=1&artikel=47&z=2024-07-25&g=2024-07-25);
- asiel: het verblijf van de vreemdeling in Nederland op de gronden, bedoeld in de [artikelen 29](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=29&z=2024-07-25&g=2024-07-25) en [34](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=2&artikel=34&z=2024-07-25&g=2024-07-25);
- ambtenaren belast met de grensbewaking: de ambtenaren, bedoeld in [artikel 46](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=4&afdeling=1&paragraaf=1&artikel=46&z=2025-03-28&g=2025-03-28);
- ambtenaren belast met het toezicht op referenten: de ambtenaren, bedoeld in [artikel 47a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=4&afdeling=1&paragraaf=1&artikel=47a&z=2025-03-28&g=2025-03-28);
- ambtenaren belast met het toezicht op vreemdelingen: de ambtenaren, bedoeld in [artikel 47](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=4&afdeling=1&paragraaf=1&artikel=47&z=2025-03-28&g=2025-03-28);
- asiel: het verblijf van de vreemdeling in Nederland op de gronden, bedoeld in de [artikelen 29](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=29&z=2025-03-28&g=2025-03-28) en [34](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=2&artikel=34&z=2025-03-28&g=2025-03-28);
- buitengrenzen: de Nederlandse zeegrenzen, alsmede lucht- of zeehavens waar grenscontrole op personen wordt uitgeoefend;
- Dublinverordening: de verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (PbEU 2013, L 180);
- erkende referent: de referent die krachtens [artikel 2c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=2c&z=2024-07-25&g=2024-07-25) als zodanig is erkend;
- erkende referent: de referent die krachtens [artikel 2c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=2c&z=2025-03-28&g=2025-03-28) als zodanig is erkend;
- Etias-verordening: [Verordening (EU) 2018/1240](33140R2018) van het Europees Parlement en de Raad van 12 september 2018 tot oprichting van een Europees reisinformatie- en -autorisatiesysteem (Etias) en tot wijziging van de [Verordeningen (EU) nr. 1077/2011](32011R1077), [(EU) nr. 515/2014](32014R0515), [(EU) 2016/399](32299R2016), [(EU) 2016/1624](33524R2016) en [(EU) 2017/2226](32226R2017) (PbEU 2018, L 236);
@@ -42,7 +42,7 @@
- 5°. [Verordening (EU) 2017/2226](32226R2017) van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2017 tot instelling van een inreis-uitreissysteem (EES) voor de registratie van inreis- en uitreisgegevens en van gegevens over weigering van toegang ten aanzien van onderdanen van derde landen die de buitengrenzen overschrijden en tot vaststelling van de voorwaarden voor toegang tot het EES voor rechtshandhavingsdoeleinden en tot wijziging van de overeenkomst ter uitvoering van het te Schengen gesloten akkoord en [Verordeningen (EG) nr. 767/2008](32008R0767) en (EU) [nr. 1077/2011](32011R1077) (PbEU 2017, L 327);
- gecombineerde vergunning: verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=14&z=2024-07-25&g=2024-07-25), verleend door Onze Minister onder de beperking «arbeid in loondienst», «lerend werken» of «seizoenarbeid», tevens zijnde vergunning voor het verrichten van werkzaamheden bij een specifieke werkgever, met het aanvullend document;
- gecombineerde vergunning: verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=14&z=2025-03-28&g=2025-03-28), verleend door Onze Minister onder de beperking «arbeid in loondienst», «lerend werken» of «seizoenarbeid», tevens zijnde vergunning voor het verrichten van werkzaamheden bij een specifieke werkgever, met het aanvullend document;
- gemeenschapsonderdanen:
@@ -86,7 +86,7 @@
- Procedurerichtlijn: Richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van internationale bescherming (PbEU 2013, L 180);
- referent: degene die overeenkomstig [artikel 2a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=2a&z=2024-07-25&g=2024-07-25) een verklaring heeft afgelegd of als zodanig is aangewezen;
- referent: degene die overeenkomstig [artikel 2a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=2a&z=2025-03-28&g=2025-03-28) een verklaring heeft afgelegd of als zodanig is aangewezen;
- reisautorisatie: een reisautorisatie als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder 5, van de Etias-verordening;
@@ -102,9 +102,9 @@
- Terugkeerrichtlijn: Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (PbEU 2008, L 348);
- tijdelijke bescherming: rechtmatig verblijf in de zin van [artikel 8, onder f of h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=8&z=2024-07-25&g=2024-07-25), van de vreemdeling wiens uitzetting in verband met een aanvraag als bedoeld in [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=28&z=2024-07-25&g=2024-07-25) op grond van de richtlijn tijdelijke bescherming achterwege blijft;
- verblijf op reguliere gronden: het verblijf van een vreemdeling in Nederland op grond van deze wet anders dan op de gronden bedoeld in de [artikelen 29](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=29&z=2024-07-25&g=2024-07-25) en [34](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=2&artikel=34&z=2024-07-25&g=2024-07-25);
- tijdelijke bescherming: rechtmatig verblijf in de zin van [artikel 8, onder f of h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=8&z=2025-03-28&g=2025-03-28), van de vreemdeling wiens uitzetting in verband met een aanvraag als bedoeld in [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=28&z=2025-03-28&g=2025-03-28) op grond van de richtlijn tijdelijke bescherming achterwege blijft;
- verblijf op reguliere gronden: het verblijf van een vreemdeling in Nederland op grond van deze wet anders dan op de gronden bedoeld in de [artikelen 29](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=29&z=2025-03-28&g=2025-03-28) en [34](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=2&artikel=34&z=2025-03-28&g=2025-03-28);
- verdragsvluchteling: de vreemdeling die vluchteling is in de zin van het Vluchtelingenverdrag en op wie de bepalingen ervan van toepassing zijn;
@@ -146,13 +146,13 @@
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de weigering van toegang op grond van deze wet of ter uitvoering van de Schengengrenscode.
3. Indien een vreemdeling aan de grens te kennen geeft een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=28&z=2024-07-25&g=2024-07-25) te willen indienen, wordt de aanvraag in de grensprocedure getoetst aan:
- a. de grond voor het niet in behandeling nemen als bedoeld in [artikel 30](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=30&z=2024-07-25&g=2024-07-25);
- b. de gronden voor niet-ontvankelijkverklaring, genoemd in [artikel 30a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=30a&z=2024-07-25&g=2024-07-25); en
- c. de gronden voor afwijzing wegens kennelijke ongegrondheid, genoemd in [artikel 30b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=30b&z=2024-07-25&g=2024-07-25).
3. Indien een vreemdeling aan de grens te kennen geeft een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=28&z=2025-03-28&g=2025-03-28) te willen indienen, wordt de aanvraag in de grensprocedure getoetst aan:
- a. de grond voor het niet in behandeling nemen als bedoeld in [artikel 30](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=30&z=2025-03-28&g=2025-03-28);
- b. de gronden voor niet-ontvankelijkverklaring, genoemd in [artikel 30a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=30a&z=2025-03-28&g=2025-03-28); en
- c. de gronden voor afwijzing wegens kennelijke ongegrondheid, genoemd in [artikel 30b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=30b&z=2025-03-28&g=2025-03-28).
4. Indien de grensprocedure wordt toegepast, wordt een besluit omtrent de weigering van toegang tot Nederland uitgesteld. Een reeds genomen besluit tot weigering van toegang tot Nederland vervalt met ingang van het tijdstip waarop de vreemdeling aan de grens te kennen geeft een aanvraag als bedoeld in het derde lid te willen indienen.
@@ -164,7 +164,7 @@
##### Artikel 4
1. De vervoerder door wiens tussenkomst de vreemdeling aan een buitengrens of binnen het grondgebied van Nederland wordt gebracht, neemt de nodige maatregelen en houdt het toezicht dat redelijkerwijs van hem kan worden gevorderd om te voorkomen dat door de vreemdeling niet wordt voldaan aan artikel 6, eerste lid, onder a of b, van de Schengengrenscode of aan [artikel 3, eerste lid, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=2&artikel=3&z=2024-07-25&g=2024-07-25), van deze wet.
1. De vervoerder door wiens tussenkomst de vreemdeling aan een buitengrens of binnen het grondgebied van Nederland wordt gebracht, neemt de nodige maatregelen en houdt het toezicht dat redelijkerwijs van hem kan worden gevorderd om te voorkomen dat door de vreemdeling niet wordt voldaan aan artikel 6, eerste lid, onder a of b, van de Schengengrenscode of aan [artikel 3, eerste lid, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=2&artikel=3&z=2025-03-28&g=2025-03-28), van deze wet.
2. De vervoerder kan worden verplicht om een afschrift te nemen van het op de vreemdeling betrekking hebbende document voor grensoverschrijding en dit ter hand te stellen aan de ambtenaren belast met de grensbewaking.
@@ -186,7 +186,7 @@
2. Een ruimte of plaats, bedoeld in het eerste lid, kan worden beveiligd tegen ongeoorloofd vertrek.
3. De vreemdeling die aan de grens te kennen heeft gegeven een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=28&z=2024-07-25&g=2024-07-25) te willen indienen kan, zolang hij wordt aangemerkt als verzoeker in de zin van artikel 2, aanhef en onder b, van de Opvangrichtlijn, eveneens worden verplicht zich op te houden in een door de ambtenaar belast met grensbewaking aangewezen ruimte of plaats die kan worden beveiligd tegen ongeoorloofd vertrek, in het kader van een procedure om een beslissing te nemen over de toegang.
3. De vreemdeling die aan de grens te kennen heeft gegeven een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=28&z=2025-03-28&g=2025-03-28) te willen indienen kan, zolang hij wordt aangemerkt als verzoeker in de zin van artikel 2, aanhef en onder b, van de Opvangrichtlijn, eveneens worden verplicht zich op te houden in een door de ambtenaar belast met grensbewaking aangewezen ruimte of plaats die kan worden beveiligd tegen ongeoorloofd vertrek, in het kader van een procedure om een beslissing te nemen over de toegang.
4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot het voor de beveiligde ruimte of plaats, bedoeld in het eerste lid, geldende regime, waaronder begrepen de nodige beheersmaatregelen. [Hoofdstuk 9 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&hoofdstuk=9) is niet van toepassing.
@@ -208,39 +208,39 @@
De vreemdeling heeft in Nederland uitsluitend rechtmatig verblijf:
- a. op grond van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=14&z=2024-07-25&g=2024-07-25);
- b. op grond van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in [artikel 20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=20&z=2024-07-25&g=2024-07-25), of een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen als bedoeld in [artikel 45a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=5&paragraaf=1&artikel=45a&z=2024-07-25&g=2024-07-25) indien op het aan de vreemdeling verschafte document, bedoeld in [artikel 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=9&z=2024-07-25&g=2024-07-25), geen aantekening als bedoeld in [artikel 45c, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=5&paragraaf=1&artikel=45c&z=2024-07-25&g=2024-07-25), is geplaatst;
- c. op grond van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=28&z=2024-07-25&g=2024-07-25);
- d. op grond van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in [artikel 33](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=2&artikel=33&z=2024-07-25&g=2024-07-25), of een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen als bedoeld in [artikel 45a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=5&paragraaf=1&artikel=45a&z=2024-07-25&g=2024-07-25) indien op het aan de vreemdeling verschafte document, bedoeld in [artikel 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=9&z=2024-07-25&g=2024-07-25), de aantekening, bedoeld in [artikel 45c, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=5&paragraaf=1&artikel=45c&z=2024-07-25&g=2024-07-25), is geplaatst;
- a. op grond van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=14&z=2025-03-28&g=2025-03-28);
- b. op grond van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in [artikel 20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=20&z=2025-03-28&g=2025-03-28), of een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen als bedoeld in [artikel 45a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=5&paragraaf=1&artikel=45a&z=2025-03-28&g=2025-03-28) indien op het aan de vreemdeling verschafte document, bedoeld in [artikel 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=9&z=2025-03-28&g=2025-03-28), geen aantekening als bedoeld in [artikel 45c, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=5&paragraaf=1&artikel=45c&z=2025-03-28&g=2025-03-28), is geplaatst;
- c. op grond van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=28&z=2025-03-28&g=2025-03-28);
- d. op grond van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in [artikel 33](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=2&artikel=33&z=2025-03-28&g=2025-03-28), of een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen als bedoeld in [artikel 45a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=5&paragraaf=1&artikel=45a&z=2025-03-28&g=2025-03-28) indien op het aan de vreemdeling verschafte document, bedoeld in [artikel 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=9&z=2025-03-28&g=2025-03-28), de aantekening, bedoeld in [artikel 45c, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=5&paragraaf=1&artikel=45c&z=2025-03-28&g=2025-03-28), is geplaatst;
- e. als gemeenschapsonderdaan zolang deze onderdaan verblijf houdt op grond van een regeling krachtens het [Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie](onbekend) dan wel de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte;
- f. in afwachting van de beslissing op een aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning, bedoeld in de [artikelen 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=14&z=2024-07-25&g=2024-07-25) en [28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=28&z=2024-07-25&g=2024-07-25), terwijl bij of krachtens deze wet dan wel op grond van een rechterlijke beslissing uitzetting van de aanvrager achterwege dient te blijven totdat op de aanvraag is beslist;
- g. in afwachting van de beslissing op een aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning, bedoeld in de [artikelen 20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=20&z=2024-07-25&g=2024-07-25), [33](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=2&artikel=33&z=2024-07-25&g=2024-07-25) en [45a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=5&paragraaf=1&artikel=45a&z=2024-07-25&g=2024-07-25), of tot het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning, bedoeld in de [artikelen 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=14&z=2024-07-25&g=2024-07-25) en [28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=28&z=2024-07-25&g=2024-07-25), of een wijziging ervan, terwijl bij of krachtens deze wet of op grond van een rechterlijke beslissing uitzetting van de aanvrager achterwege dient te blijven totdat op de aanvraag is beslist;
- f. in afwachting van de beslissing op een aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning, bedoeld in de [artikelen 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=14&z=2025-03-28&g=2025-03-28) en [28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=28&z=2025-03-28&g=2025-03-28), terwijl bij of krachtens deze wet dan wel op grond van een rechterlijke beslissing uitzetting van de aanvrager achterwege dient te blijven totdat op de aanvraag is beslist;
- g. in afwachting van de beslissing op een aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning, bedoeld in de [artikelen 20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=20&z=2025-03-28&g=2025-03-28), [33](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=2&artikel=33&z=2025-03-28&g=2025-03-28) en [45a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=5&paragraaf=1&artikel=45a&z=2025-03-28&g=2025-03-28), of tot het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning, bedoeld in de [artikelen 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=14&z=2025-03-28&g=2025-03-28) en [28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=28&z=2025-03-28&g=2025-03-28), of een wijziging ervan, terwijl bij of krachtens deze wet of op grond van een rechterlijke beslissing uitzetting van de aanvrager achterwege dient te blijven totdat op de aanvraag is beslist;
- h. in afwachting van de beslissing op een bezwaarschrift of een beroepschrift, terwijl bij of krachtens deze wet of op grond van een rechterlijke beslissing uitzetting van de aanvrager achterwege dient te blijven totdat op het bezwaarschrift of het beroepschrift is beslist;
- i. gedurende de vrije termijn, bedoeld in [artikel 12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=12&z=2024-07-25&g=2024-07-25), zolang het verblijf van de vreemdeling bij of krachtens [artikel 12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=12&z=2024-07-25&g=2024-07-25) is toegestaan;
- j. indien tegen de uitzetting beletselen bestaan als bedoeld in [artikel 64](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=6&afdeling=2&artikel=64&z=2024-07-25&g=2024-07-25);
- i. gedurende de vrije termijn, bedoeld in [artikel 12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=12&z=2025-03-28&g=2025-03-28), zolang het verblijf van de vreemdeling bij of krachtens [artikel 12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=12&z=2025-03-28&g=2025-03-28) is toegestaan;
- j. indien tegen de uitzetting beletselen bestaan als bedoeld in [artikel 64](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=6&afdeling=2&artikel=64&z=2025-03-28&g=2025-03-28);
- k. gedurende de periode waarin de vreemdeling door Onze Minister in de gelegenheid wordt gesteld aangifte te doen van overtreding van [artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=273f);
- l. indien de vreemdeling verblijfsrecht ontleent aan het Associatiebesluit 1/80 van de Associatieraad EEG/Turkije;
- m. indien de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=28&z=2024-07-25&g=2024-07-25) niet in behandeling is genomen op grond van [artikel 30](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=30&z=2024-07-25&g=2024-07-25) terwijl hij in afwachting is van de feitelijke overdracht naar een verantwoordelijke lidstaat in de zin van de Dublinverordening.
- m. indien de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=28&z=2025-03-28&g=2025-03-28) niet in behandeling is genomen op grond van [artikel 30](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=30&z=2025-03-28&g=2025-03-28) terwijl hij in afwachting is van de feitelijke overdracht naar een verantwoordelijke lidstaat in de zin van de Dublinverordening.
##### Artikel 9
1. Onze Minister verschaft aan de vreemdeling, die rechtmatig verblijf heeft op grond van [artikel 8, onder a tot en met d, f tot en met h en j tot en met m](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=8&z=2024-07-25&g=2024-07-25), en aan de vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft op grond van [artikel 8, onder e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=8&z=2024-07-25&g=2024-07-25), en gemeenschapsonderdaan is als bedoeld in [artikel 1, sub 2°, 4° en 6°](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=1&afdeling=1&artikel=1&z=2024-07-25&g=2024-07-25), een document of schriftelijke verklaring, waaruit het rechtmatig verblijf blijkt.
2. Onze Minister verschaft aan de vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft op grond van [artikel 8, onder e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=8&z=2024-07-25&g=2024-07-25), en gemeenschapsonderdaan is als bedoeld in [artikel 1, sub 1°, 3° en 5°](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=1&afdeling=1&artikel=1&z=2024-07-25&g=2024-07-25) een document, waaruit het rechtmatig verblijf blijkt, indien de vreemdeling het duurzaam verblijfsrecht heeft verkregen als bedoeld in artikel 16 van [Richtlijn nr. 2004/38/EG](32004L0038) van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van [Verordening (EEG) 1612/68](31968R1612) en tot intrekking van [Richtlijnen 64/221/EEG](31964L0221), [68/360/EEG](31968L0360), [72/194/EEG](31972L0194), [73/148/EEG](31973L0148), [75/34/EEG](31975L0034), [75/35/EEG](31975L0035), [90/364/EEG](31990L0364), [90/365/EEG](31990L0365) en [93/96/EEG](31993L0096) (PbEU L 158).
3. Onze Minister verschaft desgevraagd een dergelijk document of schriftelijke verklaring aan de vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft op grond van [artikel 8, onder i](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=8&z=2024-07-25&g=2024-07-25).
1. Onze Minister verschaft aan de vreemdeling, die rechtmatig verblijf heeft op grond van [artikel 8, onder a tot en met d, f tot en met h en j tot en met m](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=8&z=2025-03-28&g=2025-03-28), en aan de vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft op grond van [artikel 8, onder e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=8&z=2025-03-28&g=2025-03-28), en gemeenschapsonderdaan is als bedoeld in [artikel 1, sub 2°, 4° en 6°](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=1&afdeling=1&artikel=1&z=2025-03-28&g=2025-03-28), een document of schriftelijke verklaring, waaruit het rechtmatig verblijf blijkt.
2. Onze Minister verschaft aan de vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft op grond van [artikel 8, onder e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=8&z=2025-03-28&g=2025-03-28), en gemeenschapsonderdaan is als bedoeld in [artikel 1, sub 1°, 3° en 5°](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=1&afdeling=1&artikel=1&z=2025-03-28&g=2025-03-28) een document, waaruit het rechtmatig verblijf blijkt, indien de vreemdeling het duurzaam verblijfsrecht heeft verkregen als bedoeld in artikel 16 van [Richtlijn nr. 2004/38/EG](32004L0038) van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van [Verordening (EEG) 1612/68](31968R1612) en tot intrekking van [Richtlijnen 64/221/EEG](31964L0221), [68/360/EEG](31968L0360), [72/194/EEG](31972L0194), [73/148/EEG](31973L0148), [75/34/EEG](31975L0034), [75/35/EEG](31975L0035), [90/364/EEG](31990L0364), [90/365/EEG](31990L0365) en [93/96/EEG](31993L0096) (PbEU L 158).
3. Onze Minister verschaft desgevraagd een dergelijk document of schriftelijke verklaring aan de vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft op grond van [artikel 8, onder i](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=8&z=2025-03-28&g=2025-03-28).
4. Bij de aanvraag van een beschikking anders dan op grond van deze wet legt de vreemdeling desgevraagd een kopie van het document of de schriftelijke verklaring over, dat wordt aangemerkt als een bescheid als bedoeld in [artikel 4:3, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:3).
@@ -260,11 +260,11 @@
2. De vreemdeling, bedoeld in het eerste lid, kan aanspraken maken op voorzieningen, verstrekkingen en uitkeringen, indien hij:
- a. rechtmatig verblijf heeft, als bedoeld in [artikel 8, onder a, tot en met e en l](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=8&z=2024-07-25&g=2024-07-25);
- b. rechtmatig verblijf heeft, als bedoeld in [artikel 8, onder f, g, h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=8&z=2024-07-25&g=2024-07-25), en een aanspraak wordt toegekend bij of krachtens de [Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006685), dan wel bij of krachtens een ander wettelijk voorschrift, waarin aanspraken van deze vreemdelingen zijn neergelegd;
- c. rechtmatig verblijf heeft, als bedoeld in [artikel 8, onder i tot en met k](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=8&z=2024-07-25&g=2024-07-25), voor de aanspraken die uitdrukkelijk aan deze vreemdelingen zijn toegekend.
- a. rechtmatig verblijf heeft, als bedoeld in [artikel 8, onder a, tot en met e en l](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=8&z=2025-03-28&g=2025-03-28);
- b. rechtmatig verblijf heeft, als bedoeld in [artikel 8, onder f, g, h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=8&z=2025-03-28&g=2025-03-28), en een aanspraak wordt toegekend bij of krachtens de [Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006685), dan wel bij of krachtens een ander wettelijk voorschrift, waarin aanspraken van deze vreemdelingen zijn neergelegd;
- c. rechtmatig verblijf heeft, als bedoeld in [artikel 8, onder i tot en met k](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=8&z=2025-03-28&g=2025-03-28), voor de aanspraken die uitdrukkelijk aan deze vreemdelingen zijn toegekend.
3. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op de bij wet of algemene maatregel van bestuur aangewezen ontheffingen of vergunningen.
@@ -312,7 +312,7 @@
- e. ambtshalve een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd te verlenen dan wel de geldigheidsduur ervan te verlengen.
2. Onze Minister verleent de houder van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf binnen twee weken nadat deze zich overeenkomstig [artikel 54, eerste lid, onder e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=4&afdeling=1&paragraaf=3&artikel=54&z=2024-07-25&g=2024-07-25), heeft aangemeld, ambtshalve een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd onder dezelfde beperking als die waaronder de machtiging tot voorlopig verblijf is verleend.
2. Onze Minister verleent de houder van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf binnen twee weken nadat deze zich overeenkomstig [artikel 54, eerste lid, onder e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=4&afdeling=1&paragraaf=3&artikel=54&z=2025-03-28&g=2025-03-28), heeft aangemeld, ambtshalve een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd onder dezelfde beperking als die waaronder de machtiging tot voorlopig verblijf is verleend.
3. Een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt verleend onder beperkingen, verband houdende met het doel waarvoor het verblijf is toegestaan. Aan de vergunning kunnen voorschriften worden verbonden. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de ambtshalve verlening, wijziging en verlenging, de beperkingen en de voorschriften.
@@ -320,11 +320,11 @@
##### Artikel 15
In de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in [artikel 14, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=14&z=2024-07-25&g=2024-07-25), wordt bepaald, dat de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in [artikel 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=14&z=2024-07-25&g=2024-07-25), kan worden verleend onder een beperking verband houdend met verblijf als familie- of gezinslid aan gezinsleden van Nederlanders en vreemdelingen die rechtmatig verblijven als bedoeld in [artikel 8, onder a tot en met e en l](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=8&z=2024-07-25&g=2024-07-25).
In de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in [artikel 14, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=14&z=2025-03-28&g=2025-03-28), wordt bepaald, dat de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in [artikel 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=14&z=2025-03-28&g=2025-03-28), kan worden verleend onder een beperking verband houdend met verblijf als familie- of gezinslid aan gezinsleden van Nederlanders en vreemdelingen die rechtmatig verblijven als bedoeld in [artikel 8, onder a tot en met e en l](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=8&z=2025-03-28&g=2025-03-28).
##### Artikel 16
1. Een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=14&z=2024-07-25&g=2024-07-25) kan worden afgewezen indien:
1. Een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=14&z=2025-03-28&g=2025-03-28) kan worden afgewezen indien:
- a. de vreemdeling niet beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf die overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd;
@@ -340,13 +340,13 @@
- g. de vreemdeling niet voldoet aan de beperking, verband houdende met het doel waarvoor hij wil verblijven;
- h. de vreemdeling, die niet behoort tot een der categorieën, bedoeld in [artikel 17, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=17&z=2024-07-25&g=2024-07-25), na verkrijging van rechtmatig verblijf in Nederland inburgeringsplichtig zou zijn op grond van de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044770&artikel=3) en [4 van de Wet inburgering 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044770&artikel=4) en niet beschikt over kennis op basisniveau van de Nederlandse taal en de Nederlandse maatschappij;
- h. de vreemdeling, die niet behoort tot een der categorieën, bedoeld in [artikel 17, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=17&z=2025-03-28&g=2025-03-28), na verkrijging van rechtmatig verblijf in Nederland inburgeringsplichtig zou zijn op grond van de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044770&artikel=3) en [4 van de Wet inburgering 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044770&artikel=4) en niet beschikt over kennis op basisniveau van de Nederlandse taal en de Nederlandse maatschappij;
- i. de vreemdeling onjuiste gegevens heeft verstrekt dan wel gegevens heeft achtergehouden terwijl die gegevens tot afwijzing van een eerdere aanvraag tot het verlenen, verlengen of wijzigen van een visum of een verblijfsvergunning hebben geleid of zouden hebben geleid;
- j. de vreemdeling in Nederland verblijf heeft gehouden, anders dan op grond van [artikel 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=8&z=2024-07-25&g=2024-07-25).
- k. ten behoeve van het verblijf van de vreemdeling geen verklaring van een referent is overgelegd als bedoeld in [artikel 2a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=2a&z=2024-07-25&g=2024-07-25).
- j. de vreemdeling in Nederland verblijf heeft gehouden, anders dan op grond van [artikel 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=8&z=2025-03-28&g=2025-03-28).
- k. ten behoeve van het verblijf van de vreemdeling geen verklaring van een referent is overgelegd als bedoeld in [artikel 2a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=2a&z=2025-03-28&g=2025-03-28).
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de toepassing van de gronden, bedoeld in het eerste lid.
@@ -354,7 +354,7 @@
##### Artikel 17
1. Een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=14&z=2024-07-25&g=2024-07-25) wordt niet afgewezen wegens het ontbreken van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf, indien het betreft:
1. Een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=14&z=2025-03-28&g=2025-03-28) wordt niet afgewezen wegens het ontbreken van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf, indien het betreft:
- a. de vreemdeling die de nationaliteit bezit van één der door bij regeling van Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Buitenlandse Zaken aan te wijzen landen;
@@ -364,7 +364,7 @@
- d. de vreemdeling die slachtoffer of getuige-aangever is van mensenhandel;
- e. de vreemdeling die onmiddellijk voorafgaande aan de aanvraag in het bezit was van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=28&z=2024-07-25&g=2024-07-25) dan wel van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in [artikel 33](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=2&artikel=33&z=2024-07-25&g=2024-07-25);
- e. de vreemdeling die onmiddellijk voorafgaande aan de aanvraag in het bezit was van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=28&z=2025-03-28&g=2025-03-28) dan wel van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in [artikel 33](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=2&artikel=33&z=2025-03-28&g=2025-03-28);
- f. de vreemdeling die tijdig een aanvraag heeft ingediend tot wijziging van een verblijfsvergunning;
@@ -376,7 +376,7 @@
##### Artikel 18
1. Een aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=14&z=2024-07-25&g=2024-07-25) kan worden afgewezen indien:
1. Een aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=14&z=2025-03-28&g=2025-03-28) kan worden afgewezen indien:
- a. de houder daarvan zijn hoofdverblijf buiten Nederland heeft gevestigd;
@@ -392,7 +392,7 @@
- g. de vreemdeling voor een werkgever arbeid verricht, zonder dat aan de [Wet arbeid vreemdelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149) is voldaan;
- h. ten behoeve van het verblijf van de vreemdeling geen verklaring van een referent is overgelegd als bedoeld in [artikel 2a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=2a&z=2024-07-25&g=2024-07-25);
- h. ten behoeve van het verblijf van de vreemdeling geen verklaring van een referent is overgelegd als bedoeld in [artikel 2a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=2a&z=2025-03-28&g=2025-03-28);
- i. de vreemdeling niet heeft voldaan aan de inburgeringsplicht, bedoeld in [artikel 6, eerste lid, van de Wet inburgering 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044770&artikel=6).
@@ -400,7 +400,7 @@
##### Artikel 19
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd kan worden ingetrokken op de gronden bedoeld in [artikel 18, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=18&z=2024-07-25&g=2024-07-25), met uitzondering van onderdeel b, en wordt ingetrokken indien aan de houder daarvan ambtshalve een verblijfsvergunning als bedoeld in [artikel 28, eerste lid, onderdeel e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=28&z=2024-07-25&g=2024-07-25), wordt verleend.
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd kan worden ingetrokken op de gronden bedoeld in [artikel 18, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=18&z=2025-03-28&g=2025-03-28), met uitzondering van onderdeel b, en wordt ingetrokken indien aan de houder daarvan ambtshalve een verblijfsvergunning als bedoeld in [artikel 28, eerste lid, onderdeel e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=28&z=2025-03-28&g=2025-03-28), wordt verleend.
#### Paragraaf 4. Leges; voorschriften, beperkingen en verplichtingen
@@ -412,13 +412,13 @@
- b. een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd in te trekken;
- c. ambtshalve een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd te verlenen aan de vreemdeling wiens EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen op grond van [artikel 45d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=5&paragraaf=1&artikel=45d&z=2024-07-25&g=2024-07-25) is ingetrokken.
- c. ambtshalve een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd te verlenen aan de vreemdeling wiens EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen op grond van [artikel 45d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=5&paragraaf=1&artikel=45d&z=2025-03-28&g=2025-03-28) is ingetrokken.
2. Een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd wordt niet onder beperkingen verleend. Aan de vergunning worden geen voorschriften verbonden.
##### Artikel 21
1. De aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in [artikel 20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=20&z=2024-07-25&g=2024-07-25) van de vreemdeling die direct voorafgaande aan de aanvraag, gedurende vijf achtereenvolgende jaren rechtmatig verblijf heeft genoten als bedoeld in [artikel 8, onder a, c, e, l](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=8&z=2024-07-25&g=2024-07-25), dan wel op grond van een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen, kan slechts worden afgewezen indien de vreemdeling:
1. De aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in [artikel 20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=20&z=2025-03-28&g=2025-03-28) van de vreemdeling die direct voorafgaande aan de aanvraag, gedurende vijf achtereenvolgende jaren rechtmatig verblijf heeft genoten als bedoeld in [artikel 8, onder a, c, e, l](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=8&z=2025-03-28&g=2025-03-28), dan wel op grond van een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen, kan slechts worden afgewezen indien de vreemdeling:
- a. al of niet tezamen met het gezinslid bij wie hij verblijft, niet zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan;
@@ -434,23 +434,23 @@
- g. niet heeft voldaan aan het bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vast te stellen inburgeringsvereiste.
2. In afwijking van het eerste lid, wordt de aanvraag niet afgewezen op grond van het eerste lid, onder a, indien de vreemdeling gedurende een tijdvak van tien aaneengesloten jaren rechtmatig verblijf als bedoeld in [artikel 8, onder a of l](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=8&z=2024-07-25&g=2024-07-25), of op grond van een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen heeft gehad.
3. In afwijking van het eerste lid, wordt de aanvraag niet afgewezen op grond van het eerste lid, onder a, indien de vreemdeling als minderjarige onder een beperking verband houdende met gezinshereniging rechtmatig verblijf heeft gehad en sindsdien zijn hoofdverblijf niet buiten Nederland heeft verplaatst en inmiddels 18 jaar is, tenzij de gezinsband werd verbroken binnen een jaar na verlening van de verblijfsvergunning, bedoeld in [artikel 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=14&z=2024-07-25&g=2024-07-25).
2. In afwijking van het eerste lid, wordt de aanvraag niet afgewezen op grond van het eerste lid, onder a, indien de vreemdeling gedurende een tijdvak van tien aaneengesloten jaren rechtmatig verblijf als bedoeld in [artikel 8, onder a of l](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=8&z=2025-03-28&g=2025-03-28), of op grond van een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen heeft gehad.
3. In afwijking van het eerste lid, wordt de aanvraag niet afgewezen op grond van het eerste lid, onder a, indien de vreemdeling als minderjarige onder een beperking verband houdende met gezinshereniging rechtmatig verblijf heeft gehad en sindsdien zijn hoofdverblijf niet buiten Nederland heeft verplaatst en inmiddels 18 jaar is, tenzij de gezinsband werd verbroken binnen een jaar na verlening van de verblijfsvergunning, bedoeld in [artikel 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=14&z=2025-03-28&g=2025-03-28).
4. Indien de vreemdeling in Nederland is geboren dan wel reeds voor zijn vierde levensjaar in Nederland verbleef en sindsdien zijn hoofdverblijf niet buiten Nederland heeft verplaatst en inmiddels 18 jaar is, kan de aanvraag in afwijking van het eerste lid slechts worden afgewezen op grond van het eerste lid, onder c of d. In afwijking van het eerste lid, behoeft het rechtmatig verblijf van de vreemdeling niet aaneengesloten te zijn. De aanvraag kan slechts worden afgewezen op grond van het eerste lid, onder c, indien de vreemdeling bij onherroepelijk geworden rechterlijk vonnis is veroordeeld voor een misdrijf als bedoeld in [artikel 22b, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=22b) of een misdrijf uit de [Opiumwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001941) waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van zes jaar of meer is gesteld.
5. Onder een tijdvak als bedoeld in het eerste en tweede lid van dit artikel wordt verstaan een tijdvak onmiddellijk voorafgaande aan de dag waarop de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd is aangevraagd. Voor de berekening van het tijdvak wordt de periode van rechtmatig verblijf in Nederland vóór het bereiken van de achtjarige leeftijd buiten beschouwing gelaten.
6. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de gronden, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a tot en met f. Daarbij kunnen andere gevallen dan bedoeld in het eerste tot en met vierde lid worden aangewezen waarin een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in [artikel 20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=20&z=2024-07-25&g=2024-07-25) kan worden verleend.
6. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de gronden, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a tot en met f. Daarbij kunnen andere gevallen dan bedoeld in het eerste tot en met vierde lid worden aangewezen waarin een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in [artikel 20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=20&z=2025-03-28&g=2025-03-28) kan worden verleend.
7. Bij of krachtens de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid, onderdeel g, worden in ieder geval regels gesteld omtrent de inhoud van het inburgeringstraject en het te behalen niveau, alsmede omtrent de vrijstellingen en ontheffingen.
##### Artikel 22
1. De verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, bedoeld in [artikel 20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=20&z=2024-07-25&g=2024-07-25), wordt ingetrokken indien aan de houder daarvan ambtshalve een verblijfsvergunning als bedoeld in [artikel 33](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=2&artikel=33&z=2024-07-25&g=2024-07-25) wordt verleend.
2. De verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, bedoeld in [artikel 20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=20&z=2024-07-25&g=2024-07-25), kan worden ingetrokken indien:
1. De verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, bedoeld in [artikel 20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=20&z=2025-03-28&g=2025-03-28), wordt ingetrokken indien aan de houder daarvan ambtshalve een verblijfsvergunning als bedoeld in [artikel 33](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=2&artikel=33&z=2025-03-28&g=2025-03-28) wordt verleend.
2. De verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, bedoeld in [artikel 20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=20&z=2025-03-28&g=2025-03-28), kan worden ingetrokken indien:
- a. de houder daarvan zijn hoofdverblijf buiten Nederland heeft gevestigd;
@@ -490,23 +490,23 @@
1. Binnen 90 dagen wordt een beschikking gegeven op de aanvraag tot:
- a. het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=14&z=2024-07-25&g=2024-07-25);
- a. het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=14&z=2025-03-28&g=2025-03-28);
- b. het verlengen van de geldigheidsduur ervan;
- c. het wijzigen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=14&z=2024-07-25&g=2024-07-25);
- d. het verlenen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in [artikel 20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=20&z=2024-07-25&g=2024-07-25).
- c. het wijzigen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=14&z=2025-03-28&g=2025-03-28);
- d. het verlenen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in [artikel 20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=20&z=2025-03-28&g=2025-03-28).
2. De termijn voor het geven van de beschikking, bedoeld in het eerste lid, kan ten hoogste voor zes maanden worden verlengd indien naar het oordeel van Onze Minister voor de beoordeling van de aanvraag advies van of onderzoek door derden of het openbaar ministerie, nodig is.
3. Onze Minister stelt de vreemdeling in kennis van de verlenging.
4. Indien de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=14&z=2024-07-25&g=2024-07-25) is ingediend door een langdurig ingezetene uit een andere lidstaat van de Europese Unie of diens gezinslid, wordt de beschikking in afwijking van het eerste lid gegeven binnen vier maanden, welke termijn in afwijking van het tweede lid in bijzondere gevallen verband houdende met de complexiteit van de aanvraag, voor ten hoogste drie maanden kan worden verlengd. Indien de langdurig ingezetene of het gezinslid krachtens [artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:5) is uitgenodigd de aanvraag aan te vullen, wordt de beschikking gegeven binnen zeven maanden.
5. In afwijking van het eerste en tweede lid wordt de beschikking op een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in [artikel 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=14&z=2024-07-25&g=2024-07-25) onder een beperking verband houdend met verblijf als houder van de Europese blauwe kaart of overplaatsing binnen een onderneming bekend gemaakt binnen 90 dagen en kan die termijn niet worden verlengd.
6. In afwijking van het eerste en tweede lid wordt de beschikking op een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in [artikel 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=14&z=2024-07-25&g=2024-07-25) onder een beperking verband houdend met wetenschappelijk onderzoek, studie, lerend werken of uitwisseling in het kader van Europees vrijwilligerswerk bekendgemaakt binnen 60 dagen en kan die termijn niet worden verlengd.
4. Indien de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=14&z=2025-03-28&g=2025-03-28) is ingediend door een langdurig ingezetene uit een andere lidstaat van de Europese Unie of diens gezinslid, wordt de beschikking in afwijking van het eerste lid gegeven binnen vier maanden, welke termijn in afwijking van het tweede lid in bijzondere gevallen verband houdende met de complexiteit van de aanvraag, voor ten hoogste drie maanden kan worden verlengd. Indien de langdurig ingezetene of het gezinslid krachtens [artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:5) is uitgenodigd de aanvraag aan te vullen, wordt de beschikking gegeven binnen zeven maanden.
5. In afwijking van het eerste en tweede lid wordt de beschikking op een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in [artikel 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=14&z=2025-03-28&g=2025-03-28) onder een beperking verband houdend met verblijf als houder van de Europese blauwe kaart of overplaatsing binnen een onderneming bekend gemaakt binnen 90 dagen en kan die termijn niet worden verlengd.
6. In afwijking van het eerste en tweede lid wordt de beschikking op een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in [artikel 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=14&z=2025-03-28&g=2025-03-28) onder een beperking verband houdend met wetenschappelijk onderzoek, studie, lerend werken of uitwisseling in het kader van Europees vrijwilligerswerk bekendgemaakt binnen 60 dagen en kan die termijn niet worden verlengd.
#### Paragraaf 5. De inwilliging van de aanvraag
@@ -514,7 +514,7 @@
1. De verblijfsvergunning, die van rechtswege rechtmatig verblijf inhoudt, wordt verleend met ingang van de dag waarop de vreemdeling heeft aangetoond dat hij aan alle voorwaarden voldoet, maar niet eerder dan met ingang van de dag waarop de aanvraag is ontvangen.
2. De geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=14&z=2024-07-25&g=2024-07-25) wordt verlengd met ingang van de dag waarop de vreemdeling heeft aangetoond dat hij aan alle voorwaarden voldoet, maar niet eerder dan met ingang van de dag na die waarop de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning waarvoor verlenging is gevraagd afloopt.
2. De geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=14&z=2025-03-28&g=2025-03-28) wordt verlengd met ingang van de dag waarop de vreemdeling heeft aangetoond dat hij aan alle voorwaarden voldoet, maar niet eerder dan met ingang van de dag na die waarop de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning waarvoor verlenging is gevraagd afloopt.
3. Indien de vreemdeling de aanvraag tot verlenging, dan wel de gegevens waaruit blijkt dat aan de voorwaarden wordt voldaan niet tijdig heeft ingediend en hem dit niet is toe te rekenen, kan de verblijfsvergunning worden verlengd met ingang van de dag na die waarop de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning waarvoor verlenging is gevraagd afloopt.
@@ -522,17 +522,17 @@
##### Artikel 27
1. De beschikking waarbij een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=14&z=2024-07-25&g=2024-07-25) of een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in [artikel 20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=20&z=2024-07-25&g=2024-07-25) wordt afgewezen, geldt als terugkeerbesluit, tenzij reeds eerder een terugkeerbesluit tegen de vreemdeling is uitgevaardigd en aan de daaruit voortvloeiende terugkeerverplichting niet is voldaan, en heeft van rechtswege tot gevolg dat:
1. De beschikking waarbij een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=14&z=2025-03-28&g=2025-03-28) of een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in [artikel 20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=20&z=2025-03-28&g=2025-03-28) wordt afgewezen, geldt als terugkeerbesluit, tenzij reeds eerder een terugkeerbesluit tegen de vreemdeling is uitgevaardigd en aan de daaruit voortvloeiende terugkeerverplichting niet is voldaan, en heeft van rechtswege tot gevolg dat:
- a. de vreemdeling niet langer rechtmatig verblijf heeft tenzij er een andere rechtsgrond voor rechtmatig verblijf van toepassing is;
- b. de vreemdeling Nederland uit eigen beweging dient te verlaten binnen de in [artikel 62](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=6&afdeling=1&artikel=62&z=2024-07-25&g=2024-07-25) gestelde termijn, bij gebreke waarvan de vreemdeling kan worden uitgezet, en
- b. de vreemdeling Nederland uit eigen beweging dient te verlaten binnen de in [artikel 62](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=6&afdeling=1&artikel=62&z=2025-03-28&g=2025-03-28) gestelde termijn, bij gebreke waarvan de vreemdeling kan worden uitgezet, en
- c. de ambtenaren belast met het toezicht op vreemdelingen, na ommekomst van de termijn waarbinnen de vreemdeling Nederland uit eigen beweging dient te verlaten, bevoegd zijn elke plaats te betreden, daaronder begrepen een woning, zonder de toestemming van de bewoner, teneinde de vreemdeling uit te zetten.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing indien:
- a. ingevolge [artikel 24](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=3&paragraaf=3&artikel=24&z=2024-07-25&g=2024-07-25) of ingevolge [artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:5) is besloten dat de aanvraag niet in behandeling wordt genomen;
- a. ingevolge [artikel 24](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=3&paragraaf=3&artikel=24&z=2025-03-28&g=2025-03-28) of ingevolge [artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:5) is besloten dat de aanvraag niet in behandeling wordt genomen;
- b. het rechtmatig verblijf van rechtswege is geëindigd;
@@ -556,17 +556,17 @@
- c. een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd in te trekken;
- d. ambtshalve een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd te verlenen aan de houder van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf die voldoet aan de in [artikel 29, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=29&z=2024-07-25&g=2024-07-25), gestelde voorwaarden;
- e. ambtshalve een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd te verlenen aan de langdurig ingezetene, afkomstig uit een andere EU-lidstaat en in het bezit van een verblijfsvergunning als bedoeld in [artikel 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=14&z=2024-07-25&g=2024-07-25), indien de verantwoordelijkheid voor de afgifte van het reisdocument bedoeld in [artikel 2, eerste lid, onder d, van de Paspoortwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005212&artikel=2), aan de vreemdeling, is overgedragen aan Nederland op grond van de Europese Overeenkomst inzake de overdracht van verantwoordelijkheid met betrekking tot vluchtelingen van 16 oktober 1980 (Trb. 1981, 239).
- d. ambtshalve een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd te verlenen aan de houder van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf die voldoet aan de in [artikel 29, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=29&z=2025-03-28&g=2025-03-28), gestelde voorwaarden;
- e. ambtshalve een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd te verlenen aan de langdurig ingezetene, afkomstig uit een andere EU-lidstaat en in het bezit van een verblijfsvergunning als bedoeld in [artikel 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=14&z=2025-03-28&g=2025-03-28), indien de verantwoordelijkheid voor de afgifte van het reisdocument bedoeld in [artikel 2, eerste lid, onder d, van de Paspoortwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005212&artikel=2), aan de vreemdeling, is overgedragen aan Nederland op grond van de Europese Overeenkomst inzake de overdracht van verantwoordelijkheid met betrekking tot vluchtelingen van 16 oktober 1980 (Trb. 1981, 239).
2. De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt verleend voor ten hoogste vijf achtereenvolgende jaren. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen de gevallen worden aangewezen waarin de verblijfsvergunning voor minder dan vijf achtereenvolgende jaren wordt verleend. Daarbij kunnen regels worden gesteld over de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning en over de verlenging ervan.
3. De verblijfsvergunning die ambtshalve wordt verleend in de situatie bedoeld in het eerste lid, onder d, wordt verleend binnen twee weken nadat de houder van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf zich overeenkomstig [artikel 54, eerste lid, onder e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=4&afdeling=1&paragraaf=3&artikel=54&z=2024-07-25&g=2024-07-25), heeft aangemeld.
3. De verblijfsvergunning die ambtshalve wordt verleend in de situatie bedoeld in het eerste lid, onder d, wordt verleend binnen twee weken nadat de houder van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf zich overeenkomstig [artikel 54, eerste lid, onder e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=4&afdeling=1&paragraaf=3&artikel=54&z=2025-03-28&g=2025-03-28), heeft aangemeld.
##### Artikel 29
1. Een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=28&z=2024-07-25&g=2024-07-25) kan worden verleend aan de vreemdeling:
1. Een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=28&z=2025-03-28&g=2025-03-28) kan worden verleend aan de vreemdeling:
- a. die verdragsvluchteling is; of
@@ -578,7 +578,7 @@
- 3°. ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict.
2. Een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=28&z=2024-07-25&g=2024-07-25) kan voorts worden verleend aan de hierna te noemen gezinsleden, indien deze op het tijdstip van binnenkomst van de in het eerste lid bedoelde vreemdeling behoorden tot diens gezin en gelijktijdig met die vreemdeling Nederland zijn ingereisd dan wel zijn nagereisd binnen drie maanden nadat aan die vreemdeling de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 28, is verleend:
2. Een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=28&z=2025-03-28&g=2025-03-28) kan voorts worden verleend aan de hierna te noemen gezinsleden, indien deze op het tijdstip van binnenkomst van de in het eerste lid bedoelde vreemdeling behoorden tot diens gezin en gelijktijdig met die vreemdeling Nederland zijn ingereisd dan wel zijn nagereisd binnen drie maanden nadat aan die vreemdeling de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 28, is verleend:
- a. de echtgenoot of het minderjarige kind van de in het eerste lid bedoelde vreemdeling;
@@ -588,11 +588,13 @@
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot het eerste lid. Daarbij wordt bepaald in welke gevallen een verblijfsvergunning wordt verleend.
4. De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=28&z=2024-07-25&g=2024-07-25), kan eveneens worden verleend aan een gezinslid als bedoeld in het tweede lid, dat slechts niet uiterlijk binnen drie maanden is nagereisd nadat aan de vreemdeling, bedoeld in het eerste lid, een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 is verleend, indien binnen die drie maanden door of ten behoeve van dat gezinslid een machtiging tot voorlopig verblijf is aangevraagd.
4. De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=28&z=2025-03-28&g=2025-03-28), kan eveneens worden verleend aan een gezinslid als bedoeld in het tweede lid, dat slechts niet uiterlijk binnen drie maanden is nagereisd nadat aan de vreemdeling, bedoeld in het eerste lid, een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 is verleend, indien binnen die drie maanden door of ten behoeve van dat gezinslid een machtiging tot voorlopig verblijf is aangevraagd.
5. De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=28&z=2025-03-28&g=2025-03-28), wordt niet geweigerd indien de overschrijding van de in het tweede of vierde lid bedoelde termijn op grond van bijzondere omstandigheden objectief verschoonbaar is.
##### Artikel 30
1. Een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=28&z=2024-07-25&g=2024-07-25) wordt niet in behandeling genomen, indien op grond van de Dublinverordening is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.
1. Een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=28&z=2025-03-28&g=2025-03-28) wordt niet in behandeling genomen, indien op grond van de Dublinverordening is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.
2. De vreemdeling wordt gehoord over zijn eventuele bezwaren tegen overdracht naar de verantwoordelijke lidstaat.
@@ -600,7 +602,7 @@
##### Artikel 31
1. Een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=28&z=2024-07-25&g=2024-07-25) wordt afgewezen als ongegrond in de zin van artikel 32, eerste lid, van de Procedurerichtlijn, indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.
1. Een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=28&z=2025-03-28&g=2025-03-28) wordt afgewezen als ongegrond in de zin van artikel 32, eerste lid, van de Procedurerichtlijn, indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.
2. De vreemdeling brengt alle elementen ter staving van zijn aanvraag zo spoedig mogelijk naar voren. Onze Minister beoordeelt in samenwerking met de vreemdeling de relevante elementen.
@@ -610,15 +612,15 @@
- a. alle relevante feiten in verband met het land van herkomst op het tijdstip waarop een beslissing inzake de aanvraag wordt genomen, met inbegrip van wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van het land van herkomst en de wijze waarop deze worden toegepast;
- b. de door de vreemdeling afgelegde verklaring en overgelegde documenten, samen met informatie over de vraag of de vreemdeling aan vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag of ernstige schade als bedoeld in [artikel 29, eerste lid, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=29&z=2024-07-25&g=2024-07-25), blootgesteld is dan wel blootgesteld zou kunnen worden;
- c. de individuele situatie en persoonlijke omstandigheden van de vreemdeling, waartoe factoren behoren als achtergrond, geslacht en leeftijd, teneinde te beoordelen of op basis van de persoonlijke omstandigheden van de vreemdeling, de daden waaraan hij blootgesteld is of blootgesteld zou kunnen worden, met vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag of ernstige schade als bedoeld in [artikel 29, eerste lid, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=29&z=2024-07-25&g=2024-07-25), overeenkomen;
- d. de vraag of zijn activiteiten, sinds hij zijn land van herkomst of een land van eerder verblijf heeft verlaten, uitsluitend ten doel hadden de nodige voorwaarden te scheppen om een verzoek om internationale bescherming te kunnen indienen, teneinde na te gaan of de vreemdeling, in geval van terugkeer naar dat land, door die activiteiten aan vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag of ernstige schade als bedoeld in [artikel 29, eerste lid, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=29&z=2024-07-25&g=2024-07-25), zou worden blootgesteld;
- b. de door de vreemdeling afgelegde verklaring en overgelegde documenten, samen met informatie over de vraag of de vreemdeling aan vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag of ernstige schade als bedoeld in [artikel 29, eerste lid, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=29&z=2025-03-28&g=2025-03-28), blootgesteld is dan wel blootgesteld zou kunnen worden;
- c. de individuele situatie en persoonlijke omstandigheden van de vreemdeling, waartoe factoren behoren als achtergrond, geslacht en leeftijd, teneinde te beoordelen of op basis van de persoonlijke omstandigheden van de vreemdeling, de daden waaraan hij blootgesteld is of blootgesteld zou kunnen worden, met vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag of ernstige schade als bedoeld in [artikel 29, eerste lid, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=29&z=2025-03-28&g=2025-03-28), overeenkomen;
- d. de vraag of zijn activiteiten, sinds hij zijn land van herkomst of een land van eerder verblijf heeft verlaten, uitsluitend ten doel hadden de nodige voorwaarden te scheppen om een verzoek om internationale bescherming te kunnen indienen, teneinde na te gaan of de vreemdeling, in geval van terugkeer naar dat land, door die activiteiten aan vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag of ernstige schade als bedoeld in [artikel 29, eerste lid, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=29&z=2025-03-28&g=2025-03-28), zou worden blootgesteld;
- e. de vraag of in redelijkheid kan worden verwacht dat de vreemdeling zich onder de bescherming kan stellen van een ander land waar hij zich op zijn nationaliteit kan beroepen.
5. Het feit dat de vreemdeling in het verleden reeds is blootgesteld aan vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag of ernstige schade als bedoeld in [artikel 29, eerste lid, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=29&z=2024-07-25&g=2024-07-25), of dat hij hiermee rechtstreeks is bedreigd, is een duidelijke aanwijzing dat de vrees van de vreemdeling voor die vervolging gegrond is en het risico op die ernstige schade reëel is, tenzij er goede redenen zijn om aan te nemen dat die vervolging of die ernstige schade zich niet opnieuw zal voordoen.
5. Het feit dat de vreemdeling in het verleden reeds is blootgesteld aan vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag of ernstige schade als bedoeld in [artikel 29, eerste lid, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=29&z=2025-03-28&g=2025-03-28), of dat hij hiermee rechtstreeks is bedreigd, is een duidelijke aanwijzing dat de vrees van de vreemdeling voor die vervolging gegrond is en het risico op die ernstige schade reëel is, tenzij er goede redenen zijn om aan te nemen dat die vervolging of die ernstige schade zich niet opnieuw zal voordoen.
6. Indien de vreemdeling zijn verklaringen of een deel van zijn verklaringen niet met documenten kan onderbouwen, worden deze verklaringen geloofwaardig geacht en wordt de vreemdeling het voordeel van de twijfel gegund, wanneer aan de volgende voorwaarden is voldaan:
@@ -634,25 +636,25 @@
7. Een aanvraag wordt niet onder verwijzing naar een eerdere afwijzende beslissing afgewezen indien de door de vreemdeling bij de aanvraag aangevoerde elementen en bevindingen grond bieden voor het vermoeden dat sprake is van bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende, feiten en omstandigheden die hieraan in de weg staan.
8. Een aanvraag van een gezinslid als bedoeld in [artikel 29, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=29&z=2024-07-25&g=2024-07-25), tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=28&z=2024-07-25&g=2024-07-25) kan worden afgewezen, indien gezinshereniging mogelijk is in een derde land waarmee de vreemdeling, bedoeld in artikel 29, eerste lid, of het desbetreffende gezinslid bijzondere banden heeft.
8. Een aanvraag van een gezinslid als bedoeld in [artikel 29, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=29&z=2025-03-28&g=2025-03-28), tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=28&z=2025-03-28&g=2025-03-28) kan worden afgewezen, indien gezinshereniging mogelijk is in een derde land waarmee de vreemdeling, bedoeld in artikel 29, eerste lid, of het desbetreffende gezinslid bijzondere banden heeft.
9. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de toepassing van het eerste tot en met achtste lid.
##### Artikel 32
1. De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=28&z=2024-07-25&g=2024-07-25) kan worden ingetrokken dan wel de aanvraag voor verlenging van de geldigheidsduur ervan kan worden afgewezen indien:
1. De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=28&z=2025-03-28&g=2025-03-28) kan worden ingetrokken dan wel de aanvraag voor verlenging van de geldigheidsduur ervan kan worden afgewezen indien:
- a. de vreemdeling onjuiste gegevens heeft verstrekt dan wel gegevens heeft achtergehouden terwijl die gegevens tot afwijzing van de oorspronkelijke aanvraag tot het verlenen of verlengen zouden hebben geleid;
- b. de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid;
- c. de grond voor verlening, bedoeld in [artikel 29](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=29&z=2024-07-25&g=2024-07-25), is komen te vervallen;
- c. de grond voor verlening, bedoeld in [artikel 29](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=29&z=2025-03-28&g=2025-03-28), is komen te vervallen;
- d. de vreemdeling zijn hoofdverblijf buiten Nederland heeft gevestigd;
- e. het een vergunning betreft die is verleend aan een gezinslid als bedoeld in [artikel 29, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=29&z=2024-07-25&g=2024-07-25), en dat gezinslid niet of niet langer een werkelijk huwelijks- of gezinsleven onderhoudt met de vreemdeling, bedoeld in het artikel 29, eerste lid.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot het eerste lid. Daarbij wordt bepaald in welke gevallen een verblijfsvergunning als bedoeld in het eerste lid die is verleend op grond van [artikel 29, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=29&z=2024-07-25&g=2024-07-25), wordt ingetrokken dan wel de aanvraag voor verlenging van de geldigheidsduur van zodanige verblijfsvergunning wordt afgewezen.
- e. het een vergunning betreft die is verleend aan een gezinslid als bedoeld in [artikel 29, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=29&z=2025-03-28&g=2025-03-28), en dat gezinslid niet of niet langer een werkelijk huwelijks- of gezinsleven onderhoudt met de vreemdeling, bedoeld in het artikel 29, eerste lid.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot het eerste lid. Daarbij wordt bepaald in welke gevallen een verblijfsvergunning als bedoeld in het eerste lid die is verleend op grond van [artikel 29, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=29&z=2025-03-28&g=2025-03-28), wordt ingetrokken dan wel de aanvraag voor verlenging van de geldigheidsduur van zodanige verblijfsvergunning wordt afgewezen.
#### Paragraaf 2. De verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd
@@ -664,25 +666,25 @@
- b. een verleende verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd in te trekken;
- c. ambtshalve een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd te verlenen aan de vreemdeling wiens EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen is ingetrokken, indien op het aan de vreemdeling verschafte document, bedoeld in [artikel 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=9&z=2024-07-25&g=2024-07-25), de aantekening, bedoeld in [artikel 45c, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=5&paragraaf=1&artikel=45c&z=2024-07-25&g=2024-07-25), was geplaatst;
- d. ambtshalve een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd te verlenen aan de langdurig ingezetene, afkomstig uit een andere EU-lidstaat en in het bezit van een vergunning als bedoeld in [artikel 20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=20&z=2024-07-25&g=2024-07-25), indien de verantwoordelijkheid voor de afgifte van het reisdocument bedoeld in [artikel 2, eerste lid, onder d, van de Paspoortwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005212&artikel=2) voor betrokken vreemdeling aan Nederland is overgedragen op grond van de Europese Overeenkomst inzake de overdracht van verantwoordelijkheid met betrekking tot vluchtelingen van 16 oktober 1980 (Trb. 1981, 239).
- c. ambtshalve een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd te verlenen aan de vreemdeling wiens EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen is ingetrokken, indien op het aan de vreemdeling verschafte document, bedoeld in [artikel 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=9&z=2025-03-28&g=2025-03-28), de aantekening, bedoeld in [artikel 45c, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=5&paragraaf=1&artikel=45c&z=2025-03-28&g=2025-03-28), was geplaatst;
- d. ambtshalve een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd te verlenen aan de langdurig ingezetene, afkomstig uit een andere EU-lidstaat en in het bezit van een vergunning als bedoeld in [artikel 20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=20&z=2025-03-28&g=2025-03-28), indien de verantwoordelijkheid voor de afgifte van het reisdocument bedoeld in [artikel 2, eerste lid, onder d, van de Paspoortwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005212&artikel=2) voor betrokken vreemdeling aan Nederland is overgedragen op grond van de Europese Overeenkomst inzake de overdracht van verantwoordelijkheid met betrekking tot vluchtelingen van 16 oktober 1980 (Trb. 1981, 239).
##### Artikel 34
1. De aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in [artikel 33](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=2&artikel=33&z=2024-07-25&g=2024-07-25), van de vreemdeling die direct voorafgaande aan de aanvraag gedurende vijf achtereenvolgende jaren rechtmatig verblijf heeft genoten als bedoeld in [artikel 8, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=8&z=2024-07-25&g=2024-07-25), kan slechts worden afgewezen, indien:
- a. zich op het moment waarop de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=28&z=2024-07-25&g=2024-07-25), afloopt, een grond als bedoeld in [artikel 32](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=32&z=2024-07-25&g=2024-07-25) voordoet; of
1. De aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in [artikel 33](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=2&artikel=33&z=2025-03-28&g=2025-03-28), van de vreemdeling die direct voorafgaande aan de aanvraag gedurende vijf achtereenvolgende jaren rechtmatig verblijf heeft genoten als bedoeld in [artikel 8, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=8&z=2025-03-28&g=2025-03-28), kan slechts worden afgewezen, indien:
- a. zich op het moment waarop de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=28&z=2025-03-28&g=2025-03-28), afloopt, een grond als bedoeld in [artikel 32](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=32&z=2025-03-28&g=2025-03-28) voordoet; of
- b. de vreemdeling niet heeft voldaan aan het bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vast te stellen inburgeringsvereiste.
2. De periode van verblijf op grond van [artikel 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=14&z=2024-07-25&g=2024-07-25), van de vreemdeling aan wie op grond van [artikel 28, eerste lid, onderdeel e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=28&z=2024-07-25&g=2024-07-25), ambtshalve een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd is verleend, wordt aangemerkt als rechtmatig verblijf als bedoeld in [artikel 8, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=8&z=2024-07-25&g=2024-07-25).
2. De periode van verblijf op grond van [artikel 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=14&z=2025-03-28&g=2025-03-28), van de vreemdeling aan wie op grond van [artikel 28, eerste lid, onderdeel e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=28&z=2025-03-28&g=2025-03-28), ambtshalve een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd is verleend, wordt aangemerkt als rechtmatig verblijf als bedoeld in [artikel 8, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=8&z=2025-03-28&g=2025-03-28).
3. Bij of krachtens de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, worden in ieder geval regels gesteld omtrent de inhoud van het inburgeringstraject en het te behalen niveau, alsmede omtrent de vrijstellingen en ontheffingen.
##### Artikel 35
1. De verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in [artikel 33](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=2&artikel=33&z=2024-07-25&g=2024-07-25) kan worden ingetrokken indien:
1. De verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in [artikel 33](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=2&artikel=33&z=2025-03-28&g=2025-03-28) kan worden ingetrokken indien:
- a. de vreemdeling onjuiste gegevens heeft verstrekt dan wel gegevens heeft achtergehouden terwijl die gegevens tot afwijzing van de aanvraag tot het verlenen of verlengen zouden hebben geleid;
@@ -700,9 +702,9 @@
De aanvraag tot het verlenen van:
- a. een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=28&z=2024-07-25&g=2024-07-25) of tot het verlengen van de geldigheidsduur ervan;
- b. een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in [artikel 33](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=2&artikel=33&z=2024-07-25&g=2024-07-25),
- a. een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=28&z=2025-03-28&g=2025-03-28) of tot het verlengen van de geldigheidsduur ervan;
- b. een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in [artikel 33](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=2&artikel=33&z=2025-03-28&g=2025-03-28),
wordt, in afwijking van [artikel 2:1, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=2:1), ingediend door de vreemdeling of zijn wettelijke vertegenwoordiger.
@@ -718,9 +720,9 @@
- d. de wijze waarop beschikkingen bij of krachtens deze wet ten aanzien van de vreemdeling gegeven, alsmede de bij of krachtens deze wet voorgeschreven kennisgevingen, mededelingen of berichten aan de vreemdeling of aan andere belanghebbenden worden bekendgemaakt. Daarbij kan worden bepaald, dat de bekendmaking van beschikkingen ook kan geschieden door middel van het toezenden of uitreiken van een document en door het stellen van aantekeningen in een daarbij aan te wijzen document.
2. De vreemdeling is, volgens door Onze Minister te geven regels, leges verschuldigd terzake van de afdoening van een aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning, bedoeld in [artikel 33](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=2&artikel=33&z=2024-07-25&g=2024-07-25). Daarbij kan Onze Minister bepalen dat de vreemdeling voor de afgifte van het document waaruit het rechtmatig verblijf blijkt leges verschuldigd is. Als betaling achterwege blijft, wordt de aanvraag niet in behandeling genomen dan wel het document niet afgegeven. [Artikel 4:5, vierde lid, Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:5) is niet van toepassing.
3. Onze Minister kan bepalen dat de vreemdeling leges verschuldigd is voor de afgifte van een vervangend document waaruit het rechtmatig verblijf blijkt als bedoeld in [artikel 8, onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=8&z=2024-07-25&g=2024-07-25), indien het oorspronkelijke document wordt vermist, verloren is gegaan of voor identificatie ondeugdelijk is geworden. Indien betaling achterwege blijft, wordt het document niet afgegeven.
2. De vreemdeling is, volgens door Onze Minister te geven regels, leges verschuldigd terzake van de afdoening van een aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning, bedoeld in [artikel 33](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=2&artikel=33&z=2025-03-28&g=2025-03-28). Daarbij kan Onze Minister bepalen dat de vreemdeling voor de afgifte van het document waaruit het rechtmatig verblijf blijkt leges verschuldigd is. Als betaling achterwege blijft, wordt de aanvraag niet in behandeling genomen dan wel het document niet afgegeven. [Artikel 4:5, vierde lid, Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:5) is niet van toepassing.
3. Onze Minister kan bepalen dat de vreemdeling leges verschuldigd is voor de afgifte van een vervangend document waaruit het rechtmatig verblijf blijkt als bedoeld in [artikel 8, onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=8&z=2025-03-28&g=2025-03-28), indien het oorspronkelijke document wordt vermist, verloren is gegaan of voor identificatie ondeugdelijk is geworden. Indien betaling achterwege blijft, wordt het document niet afgegeven.
##### Artikel 38
@@ -732,19 +734,19 @@
##### Artikel 39
1. Indien Onze Minister voornemens is de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning of het verlengen van de geldigheidsduur ervan af te wijzen, dan wordt de vreemdeling hiervan, onder opgave van redenen, schriftelijk mededeling gedaan. De mededeling kan eveneens betrekking hebben op het voornemen om niet ambtshalve een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=14&z=2024-07-25&g=2024-07-25) te verlenen dan wel op het voornemen om de uitzetting of overdracht niet op grond van [artikel 64](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=6&afdeling=2&artikel=64&z=2024-07-25&g=2024-07-25) achterwege te laten. Het schriftelijke voornemen wordt aan de vreemdeling meegedeeld door uitreiking of toezending ervan. De op de aanvraag betrekking hebbende stukken worden bij de schriftelijke mededeling gevoegd, voor zover de vreemdeling geen kennis kan hebben van de inhoud van deze stukken.
1. Indien Onze Minister voornemens is de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning of het verlengen van de geldigheidsduur ervan af te wijzen, dan wordt de vreemdeling hiervan, onder opgave van redenen, schriftelijk mededeling gedaan. De mededeling kan eveneens betrekking hebben op het voornemen om niet ambtshalve een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=14&z=2025-03-28&g=2025-03-28) te verlenen dan wel op het voornemen om de uitzetting of overdracht niet op grond van [artikel 64](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=6&afdeling=2&artikel=64&z=2025-03-28&g=2025-03-28) achterwege te laten. Het schriftelijke voornemen wordt aan de vreemdeling meegedeeld door uitreiking of toezending ervan. De op de aanvraag betrekking hebbende stukken worden bij de schriftelijke mededeling gevoegd, voor zover de vreemdeling geen kennis kan hebben van de inhoud van deze stukken.
2. De vreemdeling brengt zijn zienswijze, in afwijking van [artikel 4:9 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:9), schriftelijk naar voren binnen de door Onze Minister bepaalde redelijke termijn.
3. Bij de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in [artikel 37](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=3&artikel=37&z=2024-07-25&g=2024-07-25), worden regels gesteld omtrent de termijn, bedoeld in het tweede lid, alsmede de toepassing van de voorgaande leden.
3. Bij de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in [artikel 37](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=3&artikel=37&z=2025-03-28&g=2025-03-28), worden regels gesteld omtrent de termijn, bedoeld in het tweede lid, alsmede de toepassing van de voorgaande leden.
##### Artikel 40
De aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in [artikel 33](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=2&artikel=33&z=2024-07-25&g=2024-07-25) kan niet eerder worden ingediend dan vier weken voordat de vreemdeling gedurende vijf achtereenvolgende jaren rechtmatig verblijf als bedoeld in [artikel 8, onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=8&z=2024-07-25&g=2024-07-25), heeft gehad.
De aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in [artikel 33](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=2&artikel=33&z=2025-03-28&g=2025-03-28) kan niet eerder worden ingediend dan vier weken voordat de vreemdeling gedurende vijf achtereenvolgende jaren rechtmatig verblijf als bedoeld in [artikel 8, onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=8&z=2025-03-28&g=2025-03-28), heeft gehad.
##### Artikel 41
1. Indien Onze Minister voornemens is om de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=28&z=2024-07-25&g=2024-07-25), dan wel de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, bedoeld in [artikel 33](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=2&artikel=33&z=2024-07-25&g=2024-07-25), in te trekken, zijn de [artikelen 38](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=3&artikel=38&z=2024-07-25&g=2024-07-25) en [39](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=3&artikel=39&z=2024-07-25&g=2024-07-25) van overeenkomstige toepassing.
1. Indien Onze Minister voornemens is om de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=28&z=2025-03-28&g=2025-03-28), dan wel de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, bedoeld in [artikel 33](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=2&artikel=33&z=2025-03-28&g=2025-03-28), in te trekken, zijn de [artikelen 38](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=3&artikel=38&z=2025-03-28&g=2025-03-28) en [39](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=3&artikel=39&z=2025-03-28&g=2025-03-28) van overeenkomstige toepassing.
2. Indien Onze Minister, na ontvangst van de zienswijze van de vreemdeling, voornemens blijft de verblijfsvergunning in te trekken, dan wordt de vreemdeling in de gelegenheid gesteld zich te doen horen.
@@ -752,11 +754,11 @@
##### Artikel 42
1. Op de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=28&z=2024-07-25&g=2024-07-25), dan wel een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in [artikel 33](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=2&artikel=33&z=2024-07-25&g=2024-07-25), wordt binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag een beschikking gegeven.
1. Op de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=28&z=2025-03-28&g=2025-03-28), dan wel een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in [artikel 33](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=2&artikel=33&z=2025-03-28&g=2025-03-28), wordt binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag een beschikking gegeven.
2. De inwilliging van de aanvraag is mede afgestemd op het beleid dat Onze Minister na overleg met Onze Minister van Buitenlandse Zaken dienaangaande voert.
3. Indien de aanvraag wordt afgewezen, wordt in de beschikking ingegaan op de zienswijze van de vreemdeling. In de beschikking wordt tevens ingegaan op de zienswijze van de vreemdeling op het voornemen om niet ambtshalve een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in [artikel 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=14&z=2024-07-25&g=2024-07-25), te verlenen, dan wel op het voornemen om de uitzetting of overdracht niet op grond van [artikel 64](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=6&afdeling=2&artikel=64&z=2024-07-25&g=2024-07-25) achterwege te laten indien hem van dat voornemen mededeling is gedaan.
3. Indien de aanvraag wordt afgewezen, wordt in de beschikking ingegaan op de zienswijze van de vreemdeling. In de beschikking wordt tevens ingegaan op de zienswijze van de vreemdeling op het voornemen om niet ambtshalve een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in [artikel 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=14&z=2025-03-28&g=2025-03-28), te verlenen, dan wel op het voornemen om de uitzetting of overdracht niet op grond van [artikel 64](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=6&afdeling=2&artikel=64&z=2025-03-28&g=2025-03-28) achterwege te laten indien hem van dat voornemen mededeling is gedaan.
4. De termijn, bedoeld in het eerste lid, kan met ten hoogste negen maanden worden verlengd, indien:
@@ -766,15 +768,15 @@
- c. de vertraging van de behandeling van de aanvraag aan de vreemdeling is toe te schrijven.
5. Indien dit noodzakelijk is met het oog op een behoorlijke en volledige behandeling van de aanvraag, kan de termijn na de verlenging, bedoeld in het vierde lid, nogmaals verlengd worden met ten hoogste drie maanden.
6. Indien in het kader van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=28&z=2024-07-25&g=2024-07-25) wordt onderzocht of de aanvraag op grond van [artikel 30](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=30&z=2024-07-25&g=2024-07-25) niet in behandeling dient te worden genomen, vangt de termijn, bedoeld in het eerste lid, aan op het tijdstip waarop overeenkomstig de Dublinverordening wordt vastgesteld dat Nederland verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek.
5. Bij wijze van uitzondering kunnen, in naar behoren gerechtvaardigde gevallen, de in het eerste en vierde lid genoemde termijnen met ten hoogste drie maanden worden verlengd indien dit noodzakelijk is met het oog op een behoorlijke en volledige behandeling van de aanvraag.
6. Indien in het kader van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=28&z=2025-03-28&g=2025-03-28) wordt onderzocht of de aanvraag op grond van [artikel 30](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=30&z=2025-03-28&g=2025-03-28) niet in behandeling dient te worden genomen, vangt de termijn, bedoeld in het eerste lid, aan op het tijdstip waarop overeenkomstig de Dublinverordening wordt vastgesteld dat Nederland verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek.
7. Onze Minister stelt de vreemdeling in kennis van de verlenging van de termijn en geeft, indien de vreemdeling daarom verzoekt, informatie over de reden van de verlenging en een indicatie van het tijdsbestek waarbinnen de beschikking, bedoeld in het eerste lid, te verwachten valt.
##### Artikel 43
1. Bij besluit van Onze Minister kan voor bepaalde categorieën vreemdelingen die een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=28&z=2024-07-25&g=2024-07-25) hebben ingediend, de termijn, bedoeld in [artikel 42, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=4&artikel=42&z=2024-07-25&g=2024-07-25), worden verlengd tot ten hoogste eenentwintig maanden, indien naar verwachting voor een korte periode onzekerheid zal bestaan over de situatie in het land van herkomst en op grond daarvan redelijkerwijs niet kan worden beslist of de aanvraag op een van de gronden genoemd in [artikel 29](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=29&z=2024-07-25&g=2024-07-25) kan worden ingewilligd.
1. Bij besluit van Onze Minister kan voor bepaalde categorieën vreemdelingen die een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=28&z=2025-03-28&g=2025-03-28) hebben ingediend, de termijn, bedoeld in [artikel 42, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=4&artikel=42&z=2025-03-28&g=2025-03-28), worden verlengd tot ten hoogste eenentwintig maanden, indien naar verwachting voor een korte periode onzekerheid zal bestaan over de situatie in het land van herkomst en op grond daarvan redelijkerwijs niet kan worden beslist of de aanvraag op een van de gronden genoemd in [artikel 29](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=29&z=2025-03-28&g=2025-03-28) kan worden ingewilligd.
2. Indien Onze Minister een besluit neemt als bedoeld in het eerste lid, wordt:
@@ -788,25 +790,25 @@
##### Artikel 44
1. Verlening van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=28&z=2024-07-25&g=2024-07-25), die rechtmatig verblijf inhoudt, heeft van rechtswege tot gevolg de beëindiging van de verstrekkingen voorzien bij of krachtens de [Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006685) of een ander wettelijk voorschrift dat soortgelijke verstrekkingen regelt. De verstrekkingen worden beëindigd op de wijze voorzien bij of krachtens de [Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006685) of in het andere wettelijk voorschrift en binnen de daartoe gestelde termijn.
2. Indien de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 28, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=28&z=2024-07-25&g=2024-07-25), onder a, wordt ingewilligd, wordt deze verblijfsvergunning verleend met ingang van de datum waarop de aanvraag is ontvangen.
3. De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 28, eerste lid, onder e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=28&z=2024-07-25&g=2024-07-25), wordt verleend met ingang van de datum waarop de verblijfsvergunning als bedoeld in [artikel 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=14&z=2024-07-25&g=2024-07-25) is ingetrokken.
4. De verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in [artikel 33](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=2&artikel=33&z=2024-07-25&g=2024-07-25) wordt verleend met ingang van de datum waarop de vreemdeling heeft aangetoond dat hij aan alle voorwaarden voldoet.
5. Indien de vreemdeling de aanvraag tot verlenging van de verblijfsvergunning bedoeld in [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=28&z=2024-07-25&g=2024-07-25), dan wel de gegevens waaruit blijkt dat aan de voorwaarden wordt voldaan niet tijdig heeft ingediend en hem dit niet is toe te rekenen, kan de verblijfsvergunning worden verlengd met ingang van de dag na die waarop de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning waarvoor verlenging is gevraagd afloopt. De voorgaande volzin is van overeenkomstige toepassing op de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning, bedoeld in [artikel 33](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=2&artikel=33&z=2024-07-25&g=2024-07-25).
1. Verlening van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=28&z=2025-03-28&g=2025-03-28), die rechtmatig verblijf inhoudt, heeft van rechtswege tot gevolg de beëindiging van de verstrekkingen voorzien bij of krachtens de [Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006685) of een ander wettelijk voorschrift dat soortgelijke verstrekkingen regelt. De verstrekkingen worden beëindigd op de wijze voorzien bij of krachtens de [Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006685) of in het andere wettelijk voorschrift en binnen de daartoe gestelde termijn.
2. Indien de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 28, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=28&z=2025-03-28&g=2025-03-28), onder a, wordt ingewilligd, wordt deze verblijfsvergunning verleend met ingang van de datum waarop de aanvraag is ontvangen.
3. De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 28, eerste lid, onder e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=28&z=2025-03-28&g=2025-03-28), wordt verleend met ingang van de datum waarop de verblijfsvergunning als bedoeld in [artikel 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=14&z=2025-03-28&g=2025-03-28) is ingetrokken.
4. De verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in [artikel 33](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=2&artikel=33&z=2025-03-28&g=2025-03-28) wordt verleend met ingang van de datum waarop de vreemdeling heeft aangetoond dat hij aan alle voorwaarden voldoet.
5. Indien de vreemdeling de aanvraag tot verlenging van de verblijfsvergunning bedoeld in [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=28&z=2025-03-28&g=2025-03-28), dan wel de gegevens waaruit blijkt dat aan de voorwaarden wordt voldaan niet tijdig heeft ingediend en hem dit niet is toe te rekenen, kan de verblijfsvergunning worden verlengd met ingang van de dag na die waarop de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning waarvoor verlenging is gevraagd afloopt. De voorgaande volzin is van overeenkomstige toepassing op de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning, bedoeld in [artikel 33](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=2&artikel=33&z=2025-03-28&g=2025-03-28).
#### Paragraaf 4. De beschikking op de aanvraag
##### Artikel 45
1. De beschikking waarbij een aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=28&z=2024-07-25&g=2024-07-25), of voor onbepaalde tijd, bedoeld in [artikel 33](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=2&artikel=33&z=2024-07-25&g=2024-07-25), wordt afgewezen, geldt als terugkeerbesluit, tenzij reeds eerder een terugkeerbesluit tegen de vreemdeling is uitgevaardigd en aan de daaruit voortvloeiende terugkeerverplichting niet is voldaan, en heeft van rechtswege tot gevolg dat:
- a. de vreemdeling niet langer rechtmatig in Nederland verblijft tenzij een andere rechtsgrond voor rechtmatig verblijf als bedoeld in [artikel 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=8&z=2024-07-25&g=2024-07-25) van toepassing is;
- b. de vreemdeling Nederland uit eigen beweging dient te verlaten binnen de in [artikel 62](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=6&afdeling=1&artikel=62&z=2024-07-25&g=2024-07-25) gestelde termijn, bij gebreke waarvan de vreemdeling kan worden uitgezet;
1. De beschikking waarbij een aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=28&z=2025-03-28&g=2025-03-28), of voor onbepaalde tijd, bedoeld in [artikel 33](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=2&artikel=33&z=2025-03-28&g=2025-03-28), wordt afgewezen, geldt als terugkeerbesluit, tenzij reeds eerder een terugkeerbesluit tegen de vreemdeling is uitgevaardigd en aan de daaruit voortvloeiende terugkeerverplichting niet is voldaan, en heeft van rechtswege tot gevolg dat:
- a. de vreemdeling niet langer rechtmatig in Nederland verblijft tenzij een andere rechtsgrond voor rechtmatig verblijf als bedoeld in [artikel 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=8&z=2025-03-28&g=2025-03-28) van toepassing is;
- b. de vreemdeling Nederland uit eigen beweging dient te verlaten binnen de in [artikel 62](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=6&afdeling=1&artikel=62&z=2025-03-28&g=2025-03-28) gestelde termijn, bij gebreke waarvan de vreemdeling kan worden uitgezet;
- c. de verstrekkingen voorzien bij of krachtens de [Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006685) of een ander wettelijk voorschrift dat soortgelijke verstrekkingen regelt worden beëindigd op de bij of krachtens die wet of dat wettelijke voorschrift voorziene wijze en binnen de daartoe gestelde termijn;
@@ -816,7 +818,7 @@
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing indien:
- a. ingevolge [artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:5) is besloten dat de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in [artikel 33](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=2&artikel=33&z=2024-07-25&g=2024-07-25) niet in behandeling wordt genomen, of
- a. ingevolge [artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:5) is besloten dat de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in [artikel 33](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=2&artikel=33&z=2025-03-28&g=2025-03-28) niet in behandeling wordt genomen, of
- b. een verblijfsvergunning is ingetrokken of niet verlengd.
@@ -824,15 +826,15 @@
4. Onze Minister kan besluiten dat, in afwijking van het eerste lid, aanhef en onder c, de verstrekkingen voorzien bij of krachtens de [Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006685) of een ander wettelijk voorschrift dat soortgelijke verstrekkingen regelt, voor bepaalde categorieën vreemdelingen niet worden beëindigd, of voor de duur van het besluit opnieuw worden verleend. Het besluit wordt uiterlijk één jaar na de bekendmaking ervan ingetrokken. Na afloop van de duur van het besluit treden de opgeschorte rechtsgevolgen opnieuw in.
5. De vreemdeling op wie het besluit als bedoeld in het vierde lid van toepassing is, wordt geacht rechtmatig verblijf als bedoeld in [artikel 8, onder j](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=8&z=2024-07-25&g=2024-07-25), te hebben.
5. De vreemdeling op wie het besluit als bedoeld in het vierde lid van toepassing is, wordt geacht rechtmatig verblijf als bedoeld in [artikel 8, onder j](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=8&z=2025-03-28&g=2025-03-28), te hebben.
6. De in het eerste lid bedoelde gevolgen van de beschikking treden niet in zolang de uitzetting van de vreemdeling op grond van de richtlijn tijdelijke bescherming achterwege blijft. De reeds ingetreden gevolgen worden opgeschort, indien Onze Minister heeft vastgesteld dat uitzetting op grond van de richtlijn tijdelijke bescherming achterwege blijft. De opgeschorte gevolgen, bedoeld in het eerste lid, treden opnieuw in na afloop van de tijdelijke bescherming.
7. Het verblijf van de vreemdeling, bedoeld in het zesde lid, wordt gelijkgesteld met rechtmatig verblijf in de zin van [artikel 8, onder f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=8&z=2024-07-25&g=2024-07-25).
7. Het verblijf van de vreemdeling, bedoeld in het zesde lid, wordt gelijkgesteld met rechtmatig verblijf in de zin van [artikel 8, onder f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=8&z=2025-03-28&g=2025-03-28).
8. De beschikking, bedoeld in het eerste lid, kan tevens een inreisverbod inhouden.
9. Indien de beschikking inhoudt dat de aanvraag van de vreemdeling tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=28&z=2024-07-25&g=2024-07-25) niet-ontvankelijk is verklaard op grond van [artikel 30a, eerste lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=30a&z=2024-07-25&g=2024-07-25), geldt de beschikking, in afwijking van het eerste lid, aanhef, niet als terugkeerbesluit en is de vreemdeling, in afwijking van het eerste lid, onderdeel b, gehouden Nederland onmiddellijk te verlaten en zich naar het grondgebied te begeven van de lidstaat die een geldige verblijfsvergunning of andere toestemming tot verblijf heeft gegeven.
9. Indien de beschikking inhoudt dat de aanvraag van de vreemdeling tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=28&z=2025-03-28&g=2025-03-28) niet-ontvankelijk is verklaard op grond van [artikel 30a, eerste lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=30a&z=2025-03-28&g=2025-03-28), geldt de beschikking, in afwijking van het eerste lid, aanhef, niet als terugkeerbesluit en is de vreemdeling, in afwijking van het eerste lid, onderdeel b, gehouden Nederland onmiddellijk te verlaten en zich naar het grondgebied te begeven van de lidstaat die een geldige verblijfsvergunning of andere toestemming tot verblijf heeft gegeven.
### Hoofdstuk 4. Toezicht en uitvoering
@@ -878,7 +880,7 @@
1. De korpschef en de Commandant der Koninklijke marechaussee geven Onze Minister door hem gevraagde inlichtingen over de uitvoering van deze wet en van de Schengengrenscode.
2. Onze Minister kan aan de korpschef en aan de Commandant der Koninklijke marechaussee aanwijzingen geven over de uitvoering van deze wet en van de Schengengrenscode. Onze Minister kan individuele aanwijzingen geven aan de ambtenaren, bedoeld in de [artikelen 47, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=4&afdeling=1&paragraaf=1&artikel=47&z=2024-07-25&g=2024-07-25), en [47a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=4&afdeling=1&paragraaf=1&artikel=47a&z=2024-07-25&g=2024-07-25).
2. Onze Minister kan aan de korpschef en aan de Commandant der Koninklijke marechaussee aanwijzingen geven over de uitvoering van deze wet en van de Schengengrenscode. Onze Minister kan individuele aanwijzingen geven aan de ambtenaren, bedoeld in de [artikelen 47, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=4&afdeling=1&paragraaf=1&artikel=47&z=2025-03-28&g=2025-03-28), en [47a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=4&afdeling=1&paragraaf=1&artikel=47a&z=2025-03-28&g=2025-03-28).
3. Onze Minister kan aanwijzingen geven over de inrichting van de werkprocessen en bedrijfsvoering aan:
@@ -930,7 +932,7 @@
1. De ambtenaren belast met de grensbewaking en de ambtenaren belast met het toezicht op vreemdelingen zijn bevoegd een woning te betreden zonder toestemming van de bewoner, indien er op grond van feiten en omstandigheden, naar objectieve maatstaven gemeten, een redelijk vermoeden bestaat dat op deze plaats een vreemdeling verblijft die geen rechtmatig verblijf heeft.
2. De ambtenaren, bedoeld in het eerste lid, zijn tevens bevoegd elke plaats te betreden, daar onder begrepen een woning zonder de toestemming van de bewoner, voor zover dat nodig is ter uitzetting van de vreemdeling dan wel voor de inbewaringstelling van de vreemdeling op grond van [artikel 59](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=5&artikel=59&z=2024-07-25&g=2024-07-25).
2. De ambtenaren, bedoeld in het eerste lid, zijn tevens bevoegd elke plaats te betreden, daar onder begrepen een woning zonder de toestemming van de bewoner, voor zover dat nodig is ter uitzetting van de vreemdeling dan wel voor de inbewaringstelling van de vreemdeling op grond van [artikel 59](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=5&artikel=59&z=2025-03-28&g=2025-03-28).
### Afdeling 2. Maatregelen van toezicht
@@ -950,7 +952,7 @@
- f. periodieke aanmelding;
- g. het inleveren van het document of schriftelijke verklaring als bedoeld in [artikel 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=9&z=2024-07-25&g=2024-07-25) waaruit het rechtmatig verblijf blijkt;
- g. het inleveren van het document of schriftelijke verklaring als bedoeld in [artikel 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=9&z=2025-03-28&g=2025-03-28) waaruit het rechtmatig verblijf blijkt;
- h. het stellen van zekerheid;
@@ -966,9 +968,9 @@
##### Artikel 55
1. De vreemdeling die rechtmatig verblijf geniet op grond van [artikel 8, onder f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=8&z=2024-07-25&g=2024-07-25), dient zich, in verband met het onderzoek naar de inwilligbaarheid van de aanvraag om een verblijfsvergunning beschikbaar te houden op een door Onze Minister aangewezen plaats, overeenkomstig hem daartoe door de bevoegde autoriteit gegeven aanwijzingen.
2. Ter ondersteuning van het onderzoek of een aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning als bedoeld in [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=28&z=2024-07-25&g=2024-07-25) kan worden ingewilligd, zijn de ambtenaren belast met de grensbewaking en de ambtenaren belast met het toezicht op vreemdelingen bevoegd om een vreemdeling staande te houden en aan diens kleding of lichaam te onderzoeken, alsmede zijn bagage te doorzoeken met het oog op eventuele aanwezigheid van reis- of identiteitspapieren, documenten of bescheiden, die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn aanvraag. Gelijke bevoegdheid bestaat indien de vreemdeling te kennen geeft een aanvraag te willen indienen.
1. De vreemdeling die rechtmatig verblijf geniet op grond van [artikel 8, onder f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=8&z=2025-03-28&g=2025-03-28), dient zich, in verband met het onderzoek naar de inwilligbaarheid van de aanvraag om een verblijfsvergunning beschikbaar te houden op een door Onze Minister aangewezen plaats, overeenkomstig hem daartoe door de bevoegde autoriteit gegeven aanwijzingen.
2. Ter ondersteuning van het onderzoek of een aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning als bedoeld in [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=28&z=2025-03-28&g=2025-03-28) kan worden ingewilligd, zijn de ambtenaren belast met de grensbewaking en de ambtenaren belast met het toezicht op vreemdelingen bevoegd om een vreemdeling staande te houden en aan diens kleding of lichaam te onderzoeken, alsmede zijn bagage te doorzoeken met het oog op eventuele aanwezigheid van reis- of identiteitspapieren, documenten of bescheiden, die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn aanvraag. Gelijke bevoegdheid bestaat indien de vreemdeling te kennen geeft een aanvraag te willen indienen.
3. De ambtenaren belast met de grensbewaking en de ambtenaren belast met het toezicht op vreemdelingen zijn bevoegd een vreemdeling die zich in verband met het onderzoek op een plaats als bedoeld in het eerste lid bevindt, dan wel een vreemdeling die zich in een verwijdercentrum bevindt, aan diens kleding of lichaam te onderzoeken, alsmede zijn bagage te doorzoeken met het oog op de veiligheid op die plaats.
@@ -980,13 +982,13 @@
- a. geen rechtmatig verblijf heeft;
- b. rechtmatig verblijf heeft op grond van [artikel 8, met uitzondering van de onderdelen b, d en e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=8&z=2024-07-25&g=2024-07-25).
- b. rechtmatig verblijf heeft op grond van [artikel 8, met uitzondering van de onderdelen b, d en e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=8&z=2025-03-28&g=2025-03-28).
2. Toepassing van het eerste lid blijft achterwege wanneer en wordt beëindigd zodra de vreemdeling te kennen geeft Nederland te willen verlaten en hiertoe voor hem ook gelegenheid bestaat.
##### Artikel 57
1. Onze Minister kan de vreemdeling wiens aanvraag om een verblijfsvergunning als bedoeld in [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=28&z=2024-07-25&g=2024-07-25) is afgewezen de aanwijzing geven zich op te houden in een bepaalde ruimte of op een bepaalde plaats en aldaar de aanwijzingen van de bevoegde autoriteit in acht te nemen, ook indien de beschikking waarbij de aanvraag is afgewezen nog niet onherroepelijk is dan wel het beroep de werking van de beschikking opschort.
1. Onze Minister kan de vreemdeling wiens aanvraag om een verblijfsvergunning als bedoeld in [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=28&z=2025-03-28&g=2025-03-28) is afgewezen de aanwijzing geven zich op te houden in een bepaalde ruimte of op een bepaalde plaats en aldaar de aanwijzingen van de bevoegde autoriteit in acht te nemen, ook indien de beschikking waarbij de aanvraag is afgewezen nog niet onherroepelijk is dan wel het beroep de werking van de beschikking opschort.
2. Op aanvraag van de vreemdeling kan een andere ruimte of plaats worden aangewezen.
@@ -998,9 +1000,9 @@
##### Artikel 58
1. Indien zulks voor de uitzetting noodzakelijk is, kan Onze Minister in het geval, bedoeld in [artikel 57, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=5&artikel=57&z=2024-07-25&g=2024-07-25), de vreemdeling een ruimte of plaats aanwijzen, die is beveiligd tegen ongeoorloofd vertrek.
2. De [artikelen 6, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=2&artikel=6&z=2024-07-25&g=2024-07-25), [57, tweede tot en met vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=5&artikel=57&z=2024-07-25&g=2024-07-25) en [59, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=5&artikel=59&z=2024-07-25&g=2024-07-25), zijn van overeenkomstige toepassing.
1. Indien zulks voor de uitzetting noodzakelijk is, kan Onze Minister in het geval, bedoeld in [artikel 57, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=5&artikel=57&z=2025-03-28&g=2025-03-28), de vreemdeling een ruimte of plaats aanwijzen, die is beveiligd tegen ongeoorloofd vertrek.
2. De [artikelen 6, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=2&artikel=6&z=2025-03-28&g=2025-03-28), [57, tweede tot en met vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=5&artikel=57&z=2025-03-28&g=2025-03-28) en [59, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=5&artikel=59&z=2025-03-28&g=2025-03-28), zijn van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 59
@@ -1008,19 +1010,19 @@
- a. geen rechtmatig verblijf heeft;
- b. die rechtmatig verblijf heeft op grond van [artikel 8, onder f, g en h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=8&z=2024-07-25&g=2024-07-25), niet zijnde een vreemdeling als bedoeld in [artikel 59a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=5&artikel=59a&z=2024-07-25&g=2024-07-25) of [59b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=5&artikel=59b&z=2024-07-25&g=2024-07-25).
2. Indien de voor de terugkeer van de vreemdeling noodzakelijke bescheiden voorhanden zijn, dan wel binnen korte termijn voorhanden zullen zijn, wordt het belang van de openbare orde geacht de bewaring van de vreemdeling te vorderen, tenzij de vreemdeling rechtmatig verblijf heeft gehad op grond van [artikel 8, onder a tot en met e, en l](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=8&z=2024-07-25&g=2024-07-25).
- b. die rechtmatig verblijf heeft op grond van [artikel 8, onder f, g en h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=8&z=2025-03-28&g=2025-03-28), niet zijnde een vreemdeling als bedoeld in [artikel 59a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=5&artikel=59a&z=2025-03-28&g=2025-03-28) of [59b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=5&artikel=59b&z=2025-03-28&g=2025-03-28).
2. Indien de voor de terugkeer van de vreemdeling noodzakelijke bescheiden voorhanden zijn, dan wel binnen korte termijn voorhanden zullen zijn, wordt het belang van de openbare orde geacht de bewaring van de vreemdeling te vorderen, tenzij de vreemdeling rechtmatig verblijf heeft gehad op grond van [artikel 8, onder a tot en met e, en l](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=8&z=2025-03-28&g=2025-03-28).
3. Bewaring van een vreemdeling blijft achterwege indien en wordt beëindigd zodra hij te kennen geeft Nederland te willen verlaten en hiertoe voor hem ook gelegenheid bestaat.
4. Bewaring krachtens het eerste lid, onder b, of het tweede lid duurt in geen geval langer dan vier weken. Indien voorafgaande aan de beslissing op de aanvraag toepassing is gegeven aan [artikel 39](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=3&artikel=39&z=2024-07-25&g=2024-07-25), duurt de bewaring krachtens het eerste lid, onder b, in geen geval langer dan zes weken.
4. Bewaring krachtens het eerste lid, onder b, of het tweede lid duurt in geen geval langer dan vier weken. Indien voorafgaande aan de beslissing op de aanvraag toepassing is gegeven aan [artikel 39](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=3&artikel=39&z=2025-03-28&g=2025-03-28), duurt de bewaring krachtens het eerste lid, onder b, in geen geval langer dan zes weken.
5. Onverminderd het vierde lid duurt de bewaring krachtens het eerste lid niet langer dan zes maanden.
6. In afwijking van het vijfde lid en onverminderd het vierde lid kan de bewaring krachtens het eerste lid ten hoogste met nog eens twaalf maanden worden verlengd, indien de uitzetting, alle redelijke inspanningen ten spijt, wellicht meer tijd zal vergen, op grond dat de vreemdeling niet meewerkt aan zijn uitzetting of de daartoe benodigde documentatie uit derde landen nog ontbreekt.
7. Het vijfde en zesde lid zijn van overeenkomstige toepassing op de vreemdeling aan wie de verplichting of maatregel, bedoeld in [artikel 6, eerste of tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=2&artikel=6&z=2024-07-25&g=2024-07-25), dan wel [artikel 58](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=5&artikel=58&z=2024-07-25&g=2024-07-25) is opgelegd.
7. Het vijfde en zesde lid zijn van overeenkomstige toepassing op de vreemdeling aan wie de verplichting of maatregel, bedoeld in [artikel 6, eerste of tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=2&artikel=6&z=2025-03-28&g=2025-03-28), dan wel [artikel 58](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=5&artikel=58&z=2025-03-28&g=2025-03-28) is opgelegd.
8. De ambtenaren belast met de grensbewaking en de ambtenaren belast met het toezicht op vreemdelingen zijn bevoegd de in bewaring gestelde persoon aan diens kleding of lichaam te onderzoeken, alsmede zaken van deze persoon te doorzoeken, voor zover dit noodzakelijk is voor het verkrijgen van informatie omtrent de identiteit, nationaliteit en de verblijfsrechtelijke positie van de betreffende vreemdeling.
@@ -1034,7 +1036,7 @@
##### Artikel 61
1. De vreemdeling die niet of niet langer rechtmatig verblijf heeft, dient Nederland uit eigen beweging te verlaten binnen de in [artikel 62](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=6&afdeling=1&artikel=62&z=2024-07-25&g=2024-07-25) bepaalde termijn.
1. De vreemdeling die niet of niet langer rechtmatig verblijf heeft, dient Nederland uit eigen beweging te verlaten binnen de in [artikel 62](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=6&afdeling=1&artikel=62&z=2025-03-28&g=2025-03-28) bepaalde termijn.
2. Indien de werking van de beschikking, waarbij de aanvraag is afgewezen of de verblijfsvergunning is ingetrokken, is opgeschort, kan van de vreemdeling medewerking worden gevorderd aan de voorbereiding van het vertrek uit Nederland.
@@ -1084,7 +1086,7 @@
##### Artikel 66
1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent de toepassing van de [afdelingen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=6&afdeling=1&z=2024-07-25&g=2024-07-25) en [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=6&afdeling=2&z=2024-07-25&g=2024-07-25) van dit hoofdstuk. Daarbij wordt in ieder geval voorzien in de mogelijkheid van verhaal van de kosten van uitzetting op de referent of de gewezen referent van de vreemdeling, op de vreemdeling zelf en, indien hij minderjarig is, op degenen die het wettelijk gezag over hem uitoefenen of uitoefenden.
1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent de toepassing van de [afdelingen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=6&afdeling=1&z=2025-03-28&g=2025-03-28) en [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=6&afdeling=2&z=2025-03-28&g=2025-03-28) van dit hoofdstuk. Daarbij wordt in ieder geval voorzien in de mogelijkheid van verhaal van de kosten van uitzetting op de referent of de gewezen referent van de vreemdeling, op de vreemdeling zelf en, indien hij minderjarig is, op degenen die het wettelijk gezag over hem uitoefenen of uitoefenden.
2. Het terzake van uitzetting verschuldigde bedrag kan worden ingevorderd bij dwangbevel.
@@ -1092,13 +1094,13 @@
##### Artikel 67
1. Tenzij [afdeling 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=6&afdeling=3&z=2024-07-25&g=2024-07-25) van toepassing is, kan Onze Minister de vreemdeling ongewenst verklaren:
1. Tenzij [afdeling 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=6&afdeling=3&z=2025-03-28&g=2025-03-28) van toepassing is, kan Onze Minister de vreemdeling ongewenst verklaren:
- a. indien hij niet rechtmatig in Nederland verblijft en bij herhaling een bij deze wet strafbaar gesteld feit heeft begaan;
- b. indien hij bij onherroepelijk geworden rechterlijk vonnis is veroordeeld wegens een misdrijf waartegen een gevangenisstraf van drie jaren of meer is bedreigd dan wel hem terzake de maatregel als bedoeld in [artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=37a) is opgelegd;
- c. indien hij een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid en geen rechtmatig verblijf heeft als bedoeld in [artikel 8, onder a tot en met e dan wel l](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=8&z=2024-07-25&g=2024-07-25);
- c. indien hij een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid en geen rechtmatig verblijf heeft als bedoeld in [artikel 8, onder a tot en met e dan wel l](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=8&z=2025-03-28&g=2025-03-28);
- d. ingevolge een verdrag, of
@@ -1106,13 +1108,13 @@
2. Indien de bekendmaking van de beschikking, waarbij de vreemdeling ongewenst wordt verklaard, geschiedt door toezending, wordt van de beschikking mededeling gedaan in de Staatscourant.
3. In afwijking van [artikel 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=8&z=2024-07-25&g=2024-07-25) kan de ongewenst verklaarde vreemdeling geen rechtmatig verblijf hebben.
3. In afwijking van [artikel 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=8&z=2025-03-28&g=2025-03-28) kan de ongewenst verklaarde vreemdeling geen rechtmatig verblijf hebben.
##### Artikel 68
1. Onze Minister kan op aanvraag van de vreemdeling besluiten tot opheffing van de ongewenstverklaring.
2. De ongewenstverklaring wordt opgeheven indien de vreemdeling tien jaren onafgebroken buiten Nederland verblijf heeft gehad en zich in die periode geen van de gronden, bedoeld in [artikel 67, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=6&afdeling=4&artikel=67&z=2024-07-25&g=2024-07-25), hebben voorgedaan.
2. De ongewenstverklaring wordt opgeheven indien de vreemdeling tien jaren onafgebroken buiten Nederland verblijf heeft gehad en zich in die periode geen van de gronden, bedoeld in [artikel 67, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=6&afdeling=4&artikel=67&z=2025-03-28&g=2025-03-28), hebben voorgedaan.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent de toepassing van deze afdeling.
@@ -1124,21 +1126,21 @@
1. In afwijking van [artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=6:7) bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift vier weken.
2. In afwijking van het eerste lid bedraagt de beroepstermijn één week, indien de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=28&z=2024-07-25&g=2024-07-25):
2. In afwijking van het eerste lid bedraagt de beroepstermijn één week, indien de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=28&z=2025-03-28&g=2025-03-28):
- a. is afgewezen binnen een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen aantal dagen, dat niet de dagen van de rust- en voorbereidingstermijn omvat;
- b. niet in behandeling is genomen op grond van [artikel 30](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=30&z=2024-07-25&g=2024-07-25);
- c. niet-ontvankelijk is verklaard op grond van [artikel 30a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=30a&z=2024-07-25&g=2024-07-25);
- d. is afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van [artikel 30b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=30b&z=2024-07-25&g=2024-07-25); of
- e. buiten behandeling is gesteld op grond van [artikel 30c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=30c&z=2024-07-25&g=2024-07-25).
3. In afwijking van [artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=6:7) is het instellen van beroep als bedoeld in de [artikelen 94](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=7&afdeling=5&artikel=94&z=2024-07-25&g=2024-07-25) en [96](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=7&afdeling=5&artikel=96&z=2024-07-25&g=2024-07-25) tegen een besluit als bedoeld in [artikel 93](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=7&afdeling=5&artikel=93&z=2024-07-25&g=2024-07-25) niet aan enige termijn gebonden. De termijn voor het instellen van het hoger beroep, bedoeld in [artikel 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=7&afdeling=5&artikel=95&z=2024-07-25&g=2024-07-25), bedraagt één week.
4. In afwijking van het eerste lid bedraagt de beroepstermijn één week, indien een overdrachtsbesluit is genomen op grond van [artikel 62b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=6&afdeling=1&artikel=62b&z=2024-07-25&g=2024-07-25).
- b. niet in behandeling is genomen op grond van [artikel 30](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=30&z=2025-03-28&g=2025-03-28);
- c. niet-ontvankelijk is verklaard op grond van [artikel 30a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=30a&z=2025-03-28&g=2025-03-28);
- d. is afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van [artikel 30b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=30b&z=2025-03-28&g=2025-03-28); of
- e. buiten behandeling is gesteld op grond van [artikel 30c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=30c&z=2025-03-28&g=2025-03-28).
3. In afwijking van [artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=6:7) is het instellen van beroep als bedoeld in de [artikelen 94](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=7&afdeling=5&artikel=94&z=2025-03-28&g=2025-03-28) en [96](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=7&afdeling=5&artikel=96&z=2025-03-28&g=2025-03-28) tegen een besluit als bedoeld in [artikel 93](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=7&afdeling=5&artikel=93&z=2025-03-28&g=2025-03-28) niet aan enige termijn gebonden. De termijn voor het instellen van het hoger beroep, bedoeld in [artikel 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=7&afdeling=5&artikel=95&z=2025-03-28&g=2025-03-28), bedraagt één week.
4. In afwijking van het eerste lid bedraagt de beroepstermijn één week, indien een overdrachtsbesluit is genomen op grond van [artikel 62b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=6&afdeling=1&artikel=62b&z=2025-03-28&g=2025-03-28).
##### Artikel 70
@@ -1148,7 +1150,7 @@
##### Artikel 71
Op het beroep tegen een besluit, genomen op grond van de [artikelen 43](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=4&artikel=43&z=2024-07-25&g=2024-07-25) en [45, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=6&artikel=45&z=2024-07-25&g=2024-07-25), zijn de [artikelen 70, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=7&afdeling=1&artikel=70&z=2024-07-25&g=2024-07-25), en [89](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=7&afdeling=4&artikel=89&z=2024-07-25&g=2024-07-25) van overeenkomstige toepassing.
Op het beroep tegen een besluit, genomen op grond van de [artikelen 43](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=4&artikel=43&z=2025-03-28&g=2025-03-28) en [45, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=6&artikel=45&z=2025-03-28&g=2025-03-28), zijn de [artikelen 70, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=7&afdeling=1&artikel=70&z=2025-03-28&g=2025-03-28), en [89](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=7&afdeling=4&artikel=89&z=2025-03-28&g=2025-03-28) van overeenkomstige toepassing.
### Afdeling 3. Inreisverbod
@@ -1156,13 +1158,13 @@
##### Artikel 72
1. Deze afdeling is van toepassing indien de [afdelingen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=7&afdeling=3&z=2024-07-25&g=2024-07-25) en [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=7&afdeling=5&z=2024-07-25&g=2024-07-25) van dit hoofdstuk niet van toepassing zijn.
1. Deze afdeling is van toepassing indien de [afdelingen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=7&afdeling=3&z=2025-03-28&g=2025-03-28) en [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=7&afdeling=5&z=2025-03-28&g=2025-03-28) van dit hoofdstuk niet van toepassing zijn.
2. Een beschikking omtrent de afgifte van een visum, waaronder begrepen een machtiging tot voorlopig verblijf, wordt voor de toepassing van dit hoofdstuk gelijkgesteld met een beschikking omtrent een verblijfsvergunning regulier gegeven krachtens deze wet.
3. Voor de toepassing van deze afdeling wordt met een beschikking tevens gelijkgesteld een handeling van een bestuursorgaan ten aanzien van een vreemdeling als zodanig, waaronder begrepen het niet verlenen van de verblijfsvergunning overeenkomstig [artikel 14, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=14&z=2024-07-25&g=2024-07-25)
4. Voor de toepassing van deze afdeling wordt met een beschikking eveneens gelijk gesteld een kennisgeving als bedoeld in [artikel 62a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=6&afdeling=1&artikel=62a&z=2024-07-25&g=2024-07-25) of [artikel 62b, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=6&afdeling=1&artikel=62b&z=2024-07-25&g=2024-07-25).
3. Voor de toepassing van deze afdeling wordt met een beschikking tevens gelijkgesteld een handeling van een bestuursorgaan ten aanzien van een vreemdeling als zodanig, waaronder begrepen het niet verlenen van de verblijfsvergunning overeenkomstig [artikel 14, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=14&z=2025-03-28&g=2025-03-28)
4. Voor de toepassing van deze afdeling wordt met een beschikking eveneens gelijk gesteld een kennisgeving als bedoeld in [artikel 62a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=6&afdeling=1&artikel=62a&z=2025-03-28&g=2025-03-28) of [artikel 62b, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=6&afdeling=1&artikel=62b&z=2025-03-28&g=2025-03-28).
##### Artikel 73
@@ -1170,21 +1172,21 @@
2. Het eerste lid is niet van toepassing indien de aanvraag is afgewezen dan wel de verblijfsvergunning is ingetrokken op de grond, bedoeld in artikel:
- a. [16, eerste lid, onder a of d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=16&z=2024-07-25&g=2024-07-25);
- b. [18, eerste lid, onder e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=18&z=2024-07-25&g=2024-07-25), en indien het een gecombineerde vergunning betreft, onder g;
- c. [21, eerste lid, onder c of d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=21&z=2024-07-25&g=2024-07-25);
- d. [artikel 22, tweede lid, onder c of d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=22&z=2024-07-25&g=2024-07-25);
- e. [45b, tweede lid, onder d of e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=5&paragraaf=1&artikel=45b&z=2024-07-25&g=2024-07-25).
- a. [16, eerste lid, onder a of d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=16&z=2025-03-28&g=2025-03-28);
- b. [18, eerste lid, onder e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=18&z=2025-03-28&g=2025-03-28), en indien het een gecombineerde vergunning betreft, onder g;
- c. [21, eerste lid, onder c of d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=21&z=2025-03-28&g=2025-03-28);
- d. [artikel 22, tweede lid, onder c of d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=22&z=2025-03-28&g=2025-03-28);
- e. [45b, tweede lid, onder d of e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=5&paragraaf=1&artikel=45b&z=2025-03-28&g=2025-03-28).
3. Het eerste lid is voorts niet van toepassing indien het besluit inhoudt de afwijzing van een herhaalde aanvraag of indien het bezwaarschrift of het administratief beroepschrift niet tijdig is ingediend.
4. Het eerste lid is evenmin van toepassing indien de vreemdeling rechtens zijn vrijheid is of wordt ontnomen op grond van [artikel 59](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=5&artikel=59&z=2024-07-25&g=2024-07-25), [59a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=5&artikel=59a&z=2024-07-25&g=2024-07-25) of [59b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=5&artikel=59b&z=2024-07-25&g=2024-07-25).
5. Het eerste lid is, voor zover het betreft de opschortende werking gedurende de termijn voor het maken van bezwaar of het instellen van administratief beroep zolang geen bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, niet van toepassing op de verplichting, bedoeld in [artikel 62, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=6&afdeling=1&artikel=62&z=2024-07-25&g=2024-07-25) of [artikel 62c, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=6&afdeling=1&artikel=62c&z=2024-07-25&g=2024-07-25).
4. Het eerste lid is evenmin van toepassing indien de vreemdeling rechtens zijn vrijheid is of wordt ontnomen op grond van [artikel 59](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=5&artikel=59&z=2025-03-28&g=2025-03-28), [59a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=5&artikel=59a&z=2025-03-28&g=2025-03-28) of [59b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=5&artikel=59b&z=2025-03-28&g=2025-03-28).
5. Het eerste lid is, voor zover het betreft de opschortende werking gedurende de termijn voor het maken van bezwaar of het instellen van administratief beroep zolang geen bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, niet van toepassing op de verplichting, bedoeld in [artikel 62, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=6&afdeling=1&artikel=62&z=2025-03-28&g=2025-03-28) of [artikel 62c, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=6&afdeling=1&artikel=62c&z=2025-03-28&g=2025-03-28).
##### Artikel 74
@@ -1198,7 +1200,7 @@
##### Artikel 76
1. Indien bezwaar wordt gemaakt tegen een beschikking omtrent de afgifte van de machtiging tot voorlopig verblijf, bedoeld in [artikel 1a, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=1&afdeling=1&artikel=1a&z=2024-07-25&g=2024-07-25), de verblijfsvergunning, bedoeld in [artikel 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=14&z=2024-07-25&g=2024-07-25) of [20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=20&z=2024-07-25&g=2024-07-25), dan wel de ongewenstverklaring, bedoeld in [artikel 67](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=6&afdeling=4&artikel=67&z=2024-07-25&g=2024-07-25), wordt in afwijking van [artikel 7:10, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=7:10) beslist binnen negentien weken, gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift is verstreken.
1. Indien bezwaar wordt gemaakt tegen een beschikking omtrent de afgifte van de machtiging tot voorlopig verblijf, bedoeld in [artikel 1a, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=1&afdeling=1&artikel=1a&z=2025-03-28&g=2025-03-28), de verblijfsvergunning, bedoeld in [artikel 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=14&z=2025-03-28&g=2025-03-28) of [20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=20&z=2025-03-28&g=2025-03-28), dan wel de ongewenstverklaring, bedoeld in [artikel 67](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=6&afdeling=4&artikel=67&z=2025-03-28&g=2025-03-28), wordt in afwijking van [artikel 7:10, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=7:10) beslist binnen negentien weken, gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift is verstreken.
2. Onverminderd [artikel 7:10, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=7:10), kan de beslissing worden verdaagd voor ten hoogste dertien weken indien naar het oordeel van Onze Minister voor de beoordeling van het bezwaarschrift advies van of onderzoek door derden of het openbaar ministerie nodig is.
@@ -1206,9 +1208,9 @@
##### Artikel 77
1. Tegen een ter uitvoering van deze wet genomen beschikking die niet door of namens Onze Minister is genomen, met uitzondering van een beschikking als bedoeld in [artikel 72, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=7&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=72&z=2024-07-25&g=2024-07-25), kan bij Onze Minister administratief beroep worden ingesteld.
2. In afwijking van het eerste lid staat geen administratief beroep open tegen een beschikking die is gegeven op grond van de [artikelen 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=2&artikel=6&z=2024-07-25&g=2024-07-25), [6a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=2&artikel=6a&z=2024-07-25&g=2024-07-25) en [50, tweede, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=4&afdeling=1&paragraaf=2&artikel=50&z=2024-07-25&g=2024-07-25), en tegen de ophouding op grond van [artikel 50a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=4&afdeling=1&paragraaf=2&artikel=50a&z=2024-07-25&g=2024-07-25).
1. Tegen een ter uitvoering van deze wet genomen beschikking die niet door of namens Onze Minister is genomen, met uitzondering van een beschikking als bedoeld in [artikel 72, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=7&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=72&z=2025-03-28&g=2025-03-28), kan bij Onze Minister administratief beroep worden ingesteld.
2. In afwijking van het eerste lid staat geen administratief beroep open tegen een beschikking die is gegeven op grond van de [artikelen 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=2&artikel=6&z=2025-03-28&g=2025-03-28), [6a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=2&artikel=6a&z=2025-03-28&g=2025-03-28) en [50, tweede, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=4&afdeling=1&paragraaf=2&artikel=50&z=2025-03-28&g=2025-03-28), en tegen de ophouding op grond van [artikel 50a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=4&afdeling=1&paragraaf=2&artikel=50a&z=2025-03-28&g=2025-03-28).
#### Paragraaf 3. Procedurele bepalingen
@@ -1224,17 +1226,17 @@
1. Deze afdeling is slechts van toepassing indien beroep wordt ingesteld tegen:
- a. een besluit omtrent een verblijfsvergunning als bedoeld in de [artikelen 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=28&z=2024-07-25&g=2024-07-25) en [33](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=2&artikel=33&z=2024-07-25&g=2024-07-25);
- b. een besluit omtrent een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen van een vreemdeling die in het bezit is van een verblijfsvergunning als bedoeld in [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=28&z=2024-07-25&g=2024-07-25) of [artikel 33](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=2&artikel=33&z=2024-07-25&g=2024-07-25);
- c. een besluit omtrent de intrekking van een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen van een vreemdeling op wiens document, bedoeld in [artikel 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=9&z=2024-07-25&g=2024-07-25), de aantekening, bedoeld in [artikel 45c, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=5&paragraaf=1&artikel=45c&z=2024-07-25&g=2024-07-25), is geplaatst dan wel omtrent het wijzigen of schrappen van die aantekening;
- d. een besluit omtrent tijdelijke bescherming of toepassing van [artikel 45, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=6&artikel=45&z=2024-07-25&g=2024-07-25), indien de vreemdeling in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze over het voornemen van dat besluit te geven.
2. Deze afdeling is van overeenkomstige toepassing indien beroep wordt ingesteld tegen een besluit als bedoeld in de [artikelen 43](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=4&artikel=43&z=2024-07-25&g=2024-07-25) en [45, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=6&artikel=45&z=2024-07-25&g=2024-07-25).
3. Deze afdeling is van overeenkomstige toepassing indien in de voornemenprocedure, bedoeld in de [artikelen 39](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=3&artikel=39&z=2024-07-25&g=2024-07-25) en [41](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=3&artikel=41&z=2024-07-25&g=2024-07-25), de vreemdeling tevens in de gelegenheid is gesteld om zijn zienswijze te geven over het voornemen niet ambtshalve een verblijfsvergunning als bedoeld in [artikel 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=14&z=2024-07-25&g=2024-07-25) te verlenen dan wel over het voornemen om de uitzetting of overdracht niet op grond van [artikel 64](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=6&afdeling=2&artikel=64&z=2024-07-25&g=2024-07-25) achterwege te laten.
- a. een besluit omtrent een verblijfsvergunning als bedoeld in de [artikelen 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=28&z=2025-03-28&g=2025-03-28) en [33](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=2&artikel=33&z=2025-03-28&g=2025-03-28);
- b. een besluit omtrent een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen van een vreemdeling die in het bezit is van een verblijfsvergunning als bedoeld in [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=28&z=2025-03-28&g=2025-03-28) of [artikel 33](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=2&artikel=33&z=2025-03-28&g=2025-03-28);
- c. een besluit omtrent de intrekking van een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen van een vreemdeling op wiens document, bedoeld in [artikel 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=9&z=2025-03-28&g=2025-03-28), de aantekening, bedoeld in [artikel 45c, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=5&paragraaf=1&artikel=45c&z=2025-03-28&g=2025-03-28), is geplaatst dan wel omtrent het wijzigen of schrappen van die aantekening;
- d. een besluit omtrent tijdelijke bescherming of toepassing van [artikel 45, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=6&artikel=45&z=2025-03-28&g=2025-03-28), indien de vreemdeling in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze over het voornemen van dat besluit te geven.
2. Deze afdeling is van overeenkomstige toepassing indien beroep wordt ingesteld tegen een besluit als bedoeld in de [artikelen 43](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=4&artikel=43&z=2025-03-28&g=2025-03-28) en [45, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=6&artikel=45&z=2025-03-28&g=2025-03-28).
3. Deze afdeling is van overeenkomstige toepassing indien in de voornemenprocedure, bedoeld in de [artikelen 39](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=3&artikel=39&z=2025-03-28&g=2025-03-28) en [41](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=3&artikel=41&z=2025-03-28&g=2025-03-28), de vreemdeling tevens in de gelegenheid is gesteld om zijn zienswijze te geven over het voornemen niet ambtshalve een verblijfsvergunning als bedoeld in [artikel 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=14&z=2025-03-28&g=2025-03-28) te verlenen dan wel over het voornemen om de uitzetting of overdracht niet op grond van [artikel 64](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=6&afdeling=2&artikel=64&z=2025-03-28&g=2025-03-28) achterwege te laten.
##### Artikel 80
@@ -1252,21 +1254,21 @@
2. Het eerste lid is niet van toepassing, indien:
- a. de aanvraag niet in behandeling is genomen op grond van [artikel 30](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=30&z=2024-07-25&g=2024-07-25);
- b. de aanvraag niet-ontvankelijk is verklaard op grond van [artikel 30a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=30a&z=2024-07-25&g=2024-07-25), met uitzondering van artikel 30a, eerste lid, onderdeel c;
- c. de aanvraag is afwezen als kennelijk ongegrond op grond van [artikel 30b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=30b&z=2024-07-25&g=2024-07-25), met uitzondering van artikel 30b, eerste lid, onderdeel h;
- d. de aanvraag buiten behandeling is gesteld op grond van [artikel 30c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=30c&z=2024-07-25&g=2024-07-25);
- a. de aanvraag niet in behandeling is genomen op grond van [artikel 30](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=30&z=2025-03-28&g=2025-03-28);
- b. de aanvraag niet-ontvankelijk is verklaard op grond van [artikel 30a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=30a&z=2025-03-28&g=2025-03-28), met uitzondering van artikel 30a, eerste lid, onderdeel c;
- c. de aanvraag is afwezen als kennelijk ongegrond op grond van [artikel 30b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=30b&z=2025-03-28&g=2025-03-28), met uitzondering van artikel 30b, eerste lid, onderdeel h;
- d. de aanvraag buiten behandeling is gesteld op grond van [artikel 30c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=30c&z=2025-03-28&g=2025-03-28);
- e. de aanvraag is afgewezen met toepassing van [artikel 4:6 van de Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:6), onder verwijzing naar een besluit waarin met toepassing van de Dublinverordening is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag; of
- f. het een besluit als bedoeld in [artikel 43](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=4&artikel=43&z=2024-07-25&g=2024-07-25) of [45, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=6&artikel=45&z=2024-07-25&g=2024-07-25), betreft.
- f. het een besluit als bedoeld in [artikel 43](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=4&artikel=43&z=2025-03-28&g=2025-03-28) of [45, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=6&artikel=45&z=2025-03-28&g=2025-03-28), betreft.
3. Het eerste lid is niet van toepassing indien het beroepschrift niet tijdig is ingediend.
4. Het eerste lid is, voor zover het betreft de opschortende werking gedurende de beroepstermijn zolang geen beroep is ingesteld, niet van toepassing op de verplichting, bedoeld in [artikel 62, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=6&afdeling=1&artikel=62&z=2024-07-25&g=2024-07-25).
4. Het eerste lid is, voor zover het betreft de opschortende werking gedurende de beroepstermijn zolang geen beroep is ingesteld, niet van toepassing op de verplichting, bedoeld in [artikel 62, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=6&afdeling=1&artikel=62&z=2025-03-28&g=2025-03-28).
5. Het tweede lid, onder a en b, en het derde lid zijn niet van toepassing, indien de vreemdeling tijdelijke bescherming heeft.
@@ -1282,13 +1284,13 @@
2. Met de in het eerste lid bedoelde gegevens wordt slechts rekening gehouden indien deze relevant kunnen zijn voor:
- a. de beschikking omtrent de verblijfsvergunning, bedoeld in de [artikelen 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=28&z=2024-07-25&g=2024-07-25) en [33](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=2&artikel=33&z=2024-07-25&g=2024-07-25);
- b. de beschikking omtrent de EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen van een vreemdeling die in het bezit is van een verblijfsvergunning als bedoeld in [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=28&z=2024-07-25&g=2024-07-25) of [33](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=2&artikel=33&z=2024-07-25&g=2024-07-25);
- c. een besluit omtrent de intrekking van een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen van een vreemdeling op wiens document, bedoeld in [artikel 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=9&z=2024-07-25&g=2024-07-25), de aantekening, bedoeld in [artikel 45c, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=5&paragraaf=1&artikel=45c&z=2024-07-25&g=2024-07-25), is geplaatst dan wel omtrent het wijzigen of schrappen van die aantekening;
- d. de ambtshalve verlening van een vergunning als bedoeld in [artikel 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=14&z=2024-07-25&g=2024-07-25), dan wel het achterwege laten van de uitzetting of overdracht op grond van [artikel 64](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=6&afdeling=2&artikel=64&z=2024-07-25&g=2024-07-25).
- a. de beschikking omtrent de verblijfsvergunning, bedoeld in de [artikelen 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=28&z=2025-03-28&g=2025-03-28) en [33](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=2&artikel=33&z=2025-03-28&g=2025-03-28);
- b. de beschikking omtrent de EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen van een vreemdeling die in het bezit is van een verblijfsvergunning als bedoeld in [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=28&z=2025-03-28&g=2025-03-28) of [33](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=2&artikel=33&z=2025-03-28&g=2025-03-28);
- c. een besluit omtrent de intrekking van een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen van een vreemdeling op wiens document, bedoeld in [artikel 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=9&z=2025-03-28&g=2025-03-28), de aantekening, bedoeld in [artikel 45c, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=5&paragraaf=1&artikel=45c&z=2025-03-28&g=2025-03-28), is geplaatst dan wel omtrent het wijzigen of schrappen van die aantekening;
- d. de ambtshalve verlening van een vergunning als bedoeld in [artikel 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=14&z=2025-03-28&g=2025-03-28), dan wel het achterwege laten van de uitzetting of overdracht op grond van [artikel 64](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=6&afdeling=2&artikel=64&z=2025-03-28&g=2025-03-28).
3. Met de in het eerste lid bedoelde gegevens wordt geen rekening gehouden voor zover de goede procesorde zich daartegen verzet of de afdoening van de zaak daardoor ontoelaatbaar wordt vertraagd.
@@ -1302,7 +1304,7 @@
- a. aan een schriftelijke reactie redelijkerwijs geen behoefte bestaat;
- b. deze gegevens niet relevant kunnen zijn voor de beschikking omtrent de verblijfsvergunning, bedoeld in de [artikelen 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=28&z=2024-07-25&g=2024-07-25) en [33](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=2&artikel=33&z=2024-07-25&g=2024-07-25) of de EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen van een vreemdeling die in het bezit is van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 of 33, een beschikking omtrent de intrekking van de EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen van een vreemdeling op wiens document, bedoeld in [artikel 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=9&z=2024-07-25&g=2024-07-25), de aantekening, bedoeld in [artikel 45c, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=5&paragraaf=1&artikel=45c&z=2024-07-25&g=2024-07-25), is geplaatst, of omtrent de ambtshalve verlening van een vergunning als bedoeld in [artikel 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=14&z=2024-07-25&g=2024-07-25), dan wel het achterwege laten van de uitzetting of overdracht op grond van [artikel 64](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=6&afdeling=2&artikel=64&z=2024-07-25&g=2024-07-25);
- b. deze gegevens niet relevant kunnen zijn voor de beschikking omtrent de verblijfsvergunning, bedoeld in de [artikelen 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=28&z=2025-03-28&g=2025-03-28) en [33](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=2&artikel=33&z=2025-03-28&g=2025-03-28) of de EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen van een vreemdeling die in het bezit is van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 of 33, een beschikking omtrent de intrekking van de EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen van een vreemdeling op wiens document, bedoeld in [artikel 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=9&z=2025-03-28&g=2025-03-28), de aantekening, bedoeld in [artikel 45c, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=5&paragraaf=1&artikel=45c&z=2025-03-28&g=2025-03-28), is geplaatst, of omtrent de ambtshalve verlening van een vergunning als bedoeld in [artikel 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=14&z=2025-03-28&g=2025-03-28), dan wel het achterwege laten van de uitzetting of overdracht op grond van [artikel 64](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=6&afdeling=2&artikel=64&z=2025-03-28&g=2025-03-28);
- c. de goede procesorde zich daartegen verzet of de afdoening van de zaak daardoor ontoelaatbaar wordt vertraagd.
@@ -1312,13 +1314,13 @@
In afwijking van [artikel 8:104, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=8:104) staat geen hoger beroep open tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank:
- a. over een besluit of handeling op grond van [artikel 6, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=2&artikel=6&z=2024-07-25&g=2024-07-25), [artikel 6a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=2&artikel=6a&z=2024-07-25&g=2024-07-25), [hoofdstuk 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=4&z=2024-07-25&g=2024-07-25) of [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=5&z=2024-07-25&g=2024-07-25);
- a. over een besluit of handeling op grond van [artikel 6, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=2&artikel=6&z=2025-03-28&g=2025-03-28), [artikel 6a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=2&artikel=6a&z=2025-03-28&g=2025-03-28), [hoofdstuk 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=4&z=2025-03-28&g=2025-03-28) of [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=5&z=2025-03-28&g=2025-03-28);
- b. over een visum voor een verblijf van 90 dagen of minder;
- c. na toepassing van [artikel 78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=7&afdeling=2&paragraaf=4&artikel=78&z=2024-07-25&g=2024-07-25), of
- d. over de toekenning van de vergoeding, bedoeld in [artikel 106](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=7&afdeling=5&artikel=106&z=2024-07-25&g=2024-07-25).
- c. na toepassing van [artikel 78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=7&afdeling=2&paragraaf=4&artikel=78&z=2025-03-28&g=2025-03-28), of
- d. over de toekenning van de vergoeding, bedoeld in [artikel 106](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=7&afdeling=5&artikel=106&z=2025-03-28&g=2025-03-28).
##### Artikel 85
@@ -1334,7 +1336,7 @@
2. In afwijking van [artikel 8:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=8:41) wordt door de secretaris geen griffierecht geheven, indien hoger beroep wordt ingesteld tegen een uitspraak die is gedaan met toepassing van afdeling 3 van dit hoofdstuk.
3. In afwijking van [artikel 8:82 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=8:82) wordt door de secretaris geen griffierecht geheven voor een verzoek om voorlopige voorziening indien hoger beroep wordt ingesteld tegen een uitspraak die is gedaan met toepassing van [afdeling 3 van dit hoofdstuk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=7&afdeling=3&z=2024-07-25&g=2024-07-25).
3. In afwijking van [artikel 8:82 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=8:82) wordt door de secretaris geen griffierecht geheven voor een verzoek om voorlopige voorziening indien hoger beroep wordt ingesteld tegen een uitspraak die is gedaan met toepassing van [afdeling 3 van dit hoofdstuk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=7&afdeling=3&z=2025-03-28&g=2025-03-28).
##### Artikel 87
@@ -1368,13 +1370,13 @@
##### Artikel 93
1. Een aanwijzing op grond van [artikel 6, eerste, tweede of derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=2&artikel=6&z=2024-07-25&g=2024-07-25), [artikel 6a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=2&artikel=6a&z=2024-07-25&g=2024-07-25), of op grond van [artikel 55, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=4&afdeling=1&paragraaf=3&artikel=55&z=2024-07-25&g=2024-07-25), de ophouding en de verlenging van de ophouding bedoeld in [artikel 50, tweede, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=4&afdeling=1&paragraaf=2&artikel=50&z=2024-07-25&g=2024-07-25), de ophouding bedoeld in [artikel 50a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=4&afdeling=1&paragraaf=2&artikel=50a&z=2024-07-25&g=2024-07-25), en een ingevolge [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=5&z=2024-07-25&g=2024-07-25) van deze wet genomen maatregel strekkende tot vrijheidsbeperking of vrijheidsontneming worden voor de toepassing van [artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=8:1) gelijkgesteld met een besluit.
1. Een aanwijzing op grond van [artikel 6, eerste, tweede of derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=2&artikel=6&z=2025-03-28&g=2025-03-28), [artikel 6a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=2&artikel=6a&z=2025-03-28&g=2025-03-28), of op grond van [artikel 55, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=4&afdeling=1&paragraaf=3&artikel=55&z=2025-03-28&g=2025-03-28), de ophouding en de verlenging van de ophouding bedoeld in [artikel 50, tweede, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=4&afdeling=1&paragraaf=2&artikel=50&z=2025-03-28&g=2025-03-28), de ophouding bedoeld in [artikel 50a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=4&afdeling=1&paragraaf=2&artikel=50a&z=2025-03-28&g=2025-03-28), en een ingevolge [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=5&z=2025-03-28&g=2025-03-28) van deze wet genomen maatregel strekkende tot vrijheidsbeperking of vrijheidsontneming worden voor de toepassing van [artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=8:1) gelijkgesteld met een besluit.
2. In afwijking van [artikel 8:41 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=8:41) wordt door de griffier geen griffierecht geheven.
##### Artikel 94
1. Uiterlijk op de achtentwintigste dag na de bekendmaking van een besluit tot oplegging van een vrijheidsontnemende maatregel als bedoeld in de [artikelen 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=2&artikel=6&z=2024-07-25&g=2024-07-25), [6a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=2&artikel=6a&z=2024-07-25&g=2024-07-25), [58](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=5&artikel=58&z=2024-07-25&g=2024-07-25), [59](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=5&artikel=59&z=2024-07-25&g=2024-07-25), [59a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=5&artikel=59a&z=2024-07-25&g=2024-07-25) en [59b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=5&artikel=59b&z=2024-07-25&g=2024-07-25), stelt Onze Minister de rechtbank hiervan in kennis, tenzij de vreemdeling voordien zelf beroep heeft ingesteld. Zodra de rechtbank de kennisgeving heeft ontvangen wordt de vreemdeling geacht beroep te hebben ingesteld tegen het besluit tot oplegging van een vrijheidsontnemende maatregel. Het beroep strekt tevens tot een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
1. Uiterlijk op de achtentwintigste dag na de bekendmaking van een besluit tot oplegging van een vrijheidsontnemende maatregel als bedoeld in de [artikelen 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=2&artikel=6&z=2025-03-28&g=2025-03-28), [6a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=2&artikel=6a&z=2025-03-28&g=2025-03-28), [58](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=5&artikel=58&z=2025-03-28&g=2025-03-28), [59](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=5&artikel=59&z=2025-03-28&g=2025-03-28), [59a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=5&artikel=59a&z=2025-03-28&g=2025-03-28) en [59b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=5&artikel=59b&z=2025-03-28&g=2025-03-28), stelt Onze Minister de rechtbank hiervan in kennis, tenzij de vreemdeling voordien zelf beroep heeft ingesteld. Zodra de rechtbank de kennisgeving heeft ontvangen wordt de vreemdeling geacht beroep te hebben ingesteld tegen het besluit tot oplegging van een vrijheidsontnemende maatregel. Het beroep strekt tevens tot een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
2. Indien aan de vreemdeling, bedoeld in het eerste lid, een besluit tot weigering van toegang tot Nederland is uitgereikt, wordt het beroep, bedoeld in het eerste lid, geacht mede een beroep tegen dit besluit te omvatten.
@@ -1386,19 +1388,19 @@
6. Indien de rechtbank bij het beroep van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met deze wet dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen niet gerechtvaardigd is, verklaart zij het beroep gegrond. In dat geval beveelt de rechtbank de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
7. Het eerste, vijfde en zesde lid zijn van overeenkomstige toepassing op een besluit tot verlenging van een vrijheidsontnemende maatregel als bedoeld in [artikel 59, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=5&artikel=59&z=2024-07-25&g=2024-07-25), of [artikel 59b, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=5&artikel=59b&z=2024-07-25&g=2024-07-25). In afwijking van [artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=8:57) kan de rechtbank ook zonder toestemming van partijen bepalen dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft.
7. Het eerste, vijfde en zesde lid zijn van overeenkomstige toepassing op een besluit tot verlenging van een vrijheidsontnemende maatregel als bedoeld in [artikel 59, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=5&artikel=59&z=2025-03-28&g=2025-03-28), of [artikel 59b, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=5&artikel=59b&z=2025-03-28&g=2025-03-28). In afwijking van [artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=8:57) kan de rechtbank ook zonder toestemming van partijen bepalen dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft.
##### Artikel 95
1. In afwijking van [artikel 84, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=7&afdeling=4&artikel=84&z=2024-07-25&g=2024-07-25), staat tegen de uitspraak van de rechtbank, bedoeld in [artikel 94, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=7&afdeling=5&artikel=94&z=2024-07-25&g=2024-07-25), hoger beroep open op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
2. [Afdeling 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=7&afdeling=4&z=2024-07-25&g=2024-07-25) is van toepassing. In afwijking van [artikel 84, onder d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=7&afdeling=4&artikel=84&z=2024-07-25&g=2024-07-25), strekt het hoger beroep zich ook uit over de toekenning van schadevergoeding, bedoeld in [artikel 106](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=7&afdeling=5&artikel=106&z=2024-07-25&g=2024-07-25).
1. In afwijking van [artikel 84, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=7&afdeling=4&artikel=84&z=2025-03-28&g=2025-03-28), staat tegen de uitspraak van de rechtbank, bedoeld in [artikel 94, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=7&afdeling=5&artikel=94&z=2025-03-28&g=2025-03-28), hoger beroep open op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
2. [Afdeling 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=7&afdeling=4&z=2025-03-28&g=2025-03-28) is van toepassing. In afwijking van [artikel 84, onder d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=7&afdeling=4&artikel=84&z=2025-03-28&g=2025-03-28), strekt het hoger beroep zich ook uit over de toekenning van schadevergoeding, bedoeld in [artikel 106](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=7&afdeling=5&artikel=106&z=2025-03-28&g=2025-03-28).
3. In afwijking van de [artikelen 8:41, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=8:41), en [8:82 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=8:82) wordt door de secretaris geen griffierecht geheven.
##### Artikel 96
1. Indien het beroep, bedoeld in [artikel 94](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=7&afdeling=5&artikel=94&z=2024-07-25&g=2024-07-25), ongegrond is verklaard en de vreemdeling beroep instelt tegen het voortduren van de vrijheidsontneming, sluit de rechtbank het vooronderzoek binnen een week na ontvangst van het beroepschrift. In afwijking van [artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=8:57) kan de rechtbank ook zonder toestemming van partijen bepalen dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft.
1. Indien het beroep, bedoeld in [artikel 94](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=7&afdeling=5&artikel=94&z=2025-03-28&g=2025-03-28), ongegrond is verklaard en de vreemdeling beroep instelt tegen het voortduren van de vrijheidsontneming, sluit de rechtbank het vooronderzoek binnen een week na ontvangst van het beroepschrift. In afwijking van [artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=8:57) kan de rechtbank ook zonder toestemming van partijen bepalen dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft.
2. De rechtbank doet mondeling of schriftelijk uitspraak. De schriftelijke uitspraak wordt binnen zeven dagen na de sluiting van het onderzoek gedaan. In afwijking van [artikel 8:66, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=8:66) kan de in dat artikel bedoelde termijn niet worden verlengd.
@@ -1410,7 +1412,7 @@
##### Artikel 98
1. In afwijking van [artikel 8:24 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=8:24) kan de vreemdeling zich bij de gehoren ingevolge de [artikelen 94](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=7&afdeling=5&artikel=94&z=2024-07-25&g=2024-07-25) en [96](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=7&afdeling=5&artikel=96&z=2024-07-25&g=2024-07-25) uitsluitend door één of meer van zijn raadslieden doen bijstaan.
1. In afwijking van [artikel 8:24 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=8:24) kan de vreemdeling zich bij de gehoren ingevolge de [artikelen 94](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=7&afdeling=5&artikel=94&z=2025-03-28&g=2025-03-28) en [96](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=7&afdeling=5&artikel=96&z=2025-03-28&g=2025-03-28) uitsluitend door één of meer van zijn raadslieden doen bijstaan.
2. De raadsman wordt bij het horen in de gelegenheid gesteld de nodige opmerkingen te maken.
@@ -1432,9 +1434,9 @@
##### Artikel 100
1. Op verzoek van de vreemdeling wordt hem een raadsman toegevoegd zodra hem ingevolge deze wet zijn vrijheid is ontnomen. [Artikel 99, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=7&afdeling=5&artikel=99&z=2024-07-25&g=2024-07-25), is van overeenkomstige toepassing.
2. Bevoegd tot het geven van een last tot toevoeging aan het bestuur van de raad voor rechtsbijstand is de voorzieningenrechter van de rechtbank in het rechtsgebied waarvan de vreemdeling zich bevindt. Ingeval hoger beroep is ingesteld op grond van [artikel 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=7&afdeling=5&artikel=95&z=2024-07-25&g=2024-07-25), is de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bevoegd tot het geven van de last tot toevoeging aan het bestuur van de raad voor rechtsbijstand.
1. Op verzoek van de vreemdeling wordt hem een raadsman toegevoegd zodra hem ingevolge deze wet zijn vrijheid is ontnomen. [Artikel 99, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=7&afdeling=5&artikel=99&z=2025-03-28&g=2025-03-28), is van overeenkomstige toepassing.
2. Bevoegd tot het geven van een last tot toevoeging aan het bestuur van de raad voor rechtsbijstand is de voorzieningenrechter van de rechtbank in het rechtsgebied waarvan de vreemdeling zich bevindt. Ingeval hoger beroep is ingesteld op grond van [artikel 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=7&afdeling=5&artikel=95&z=2025-03-28&g=2025-03-28), is de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bevoegd tot het geven van de last tot toevoeging aan het bestuur van de raad voor rechtsbijstand.
3. Voorzover de wet niet op andere wijze in de toevoeging voorziet, kan het bestuur van de raad voor rechtsbijstand aan de vreemdeling op diens verzoek een raadsman toevoegen.
@@ -1446,17 +1448,17 @@
2. Op verzoek van de toegevoegde raadsman of van de vreemdeling kan een andere raadsman worden toegevoegd.
3. Toevoeging van een andere raadsman geschiedt door het bureau bedoeld in [artikel 100, tweede of derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=7&afdeling=5&artikel=100&z=2024-07-25&g=2024-07-25).
4. Blijkt van de verhindering of ontstentenis van de raadsman pas tijdens het gehoor ingevolge de [artikelen 94](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=7&afdeling=5&artikel=94&z=2024-07-25&g=2024-07-25) en [96](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=7&afdeling=5&artikel=96&z=2024-07-25&g=2024-07-25), dan geeft de voorzitter van de kamer last tot toevoeging van een andere raadsman aan het bureau bedoeld in [artikel 100, tweede of derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=7&afdeling=5&artikel=100&z=2024-07-25&g=2024-07-25).
3. Toevoeging van een andere raadsman geschiedt door het bureau bedoeld in [artikel 100, tweede of derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=7&afdeling=5&artikel=100&z=2025-03-28&g=2025-03-28).
4. Blijkt van de verhindering of ontstentenis van de raadsman pas tijdens het gehoor ingevolge de [artikelen 94](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=7&afdeling=5&artikel=94&z=2025-03-28&g=2025-03-28) en [96](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=7&afdeling=5&artikel=96&z=2025-03-28&g=2025-03-28), dan geeft de voorzitter van de kamer last tot toevoeging van een andere raadsman aan het bureau bedoeld in [artikel 100, tweede of derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=7&afdeling=5&artikel=100&z=2025-03-28&g=2025-03-28).
##### Artikel 102
Bij algemene maatregel van bestuur worden regelen gegeven omtrent de beloning van toegevoegde raadslieden, met inbegrip van advocaten die overeenkomstig [artikel 101](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=7&afdeling=5&artikel=101&z=2024-07-25&g=2024-07-25) als raadsman optreden, en de vergoeding van hun onkosten.
Bij algemene maatregel van bestuur worden regelen gegeven omtrent de beloning van toegevoegde raadslieden, met inbegrip van advocaten die overeenkomstig [artikel 101](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=7&afdeling=5&artikel=101&z=2025-03-28&g=2025-03-28) als raadsman optreden, en de vergoeding van hun onkosten.
##### Artikel 103
Indien Onze Minister dit wenselijk oordeelt kan hij de beloning en vergoeding van een toevoeging ingevolge de [artikelen 100](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=7&afdeling=5&artikel=100&z=2024-07-25&g=2024-07-25) of [101](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=7&afdeling=5&artikel=101&z=2024-07-25&g=2024-07-25) verhalen op de goederen van de vreemdeling. Met betrekking tot de wijze van verhaal en de berekening van de te verhalen bedragen worden regelen gesteld bij algemene maatregel van bestuur.
Indien Onze Minister dit wenselijk oordeelt kan hij de beloning en vergoeding van een toevoeging ingevolge de [artikelen 100](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=7&afdeling=5&artikel=100&z=2025-03-28&g=2025-03-28) of [101](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=7&afdeling=5&artikel=101&z=2025-03-28&g=2025-03-28) verhalen op de goederen van de vreemdeling. Met betrekking tot de wijze van verhaal en de berekening van de te verhalen bedragen worden regelen gesteld bij algemene maatregel van bestuur.
##### Artikel 104
@@ -1464,7 +1466,7 @@
##### Artikel 105
Met betrekking tot de kennisgeving van gerechtelijke mededelingen ingevolge de [artikelen 94 tot en met 101](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=7&afdeling=5&artikel=94&z=2024-07-25&g=2024-07-25) zijn de [artikelen 36b tot en met 36e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=36b), [36g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=36g), [36h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=36h) en [36n van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=36n) van overeenkomstige toepassing.
Met betrekking tot de kennisgeving van gerechtelijke mededelingen ingevolge de [artikelen 94 tot en met 101](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=7&afdeling=5&artikel=94&z=2025-03-28&g=2025-03-28) zijn de [artikelen 36b tot en met 36e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=36b), [36g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=36g), [36h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=36h) en [36n van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=36n) van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 106
@@ -1480,7 +1482,7 @@
1. Er is een vreemdelingenadministratie, die wordt beheerd door Onze Minister. De vreemdelingenadministratie bevat:
- a. de gezichtsopnames en vingerafdrukken, bedoeld in [artikel 106a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=8&paragraaf=1&artikel=106a&z=2024-07-25&g=2024-07-25);
- a. de gezichtsopnames en vingerafdrukken, bedoeld in [artikel 106a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=8&paragraaf=1&artikel=106a&z=2025-03-28&g=2025-03-28);
- b. andere persoons- en verwijsgegevens van vreemdelingen die volgens een door Onze Minister vastgestelde werkwijze zijn geïdentificeerd en geregistreerd;
@@ -1516,7 +1518,7 @@
4. Uit de vreemdelingenadministratie worden, met uitzondering van gezichtsopnames en de vingerafdrukken, bedoeld in het eerste lid, aan bestuursorganen die gegevens en inlichtingen verstrekt, die zij behoeven voor de uitvoering van hun taak, waaronder in ieder geval gegevens omtrent de verblijfsrechtelijke positie van de vreemdeling en, indien het een gecombineerde vergunning betreft, de gegevens op basis waarvan kan worden beoordeeld of is voldaan aan de [Wet arbeid vreemdelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149).
5. Onverminderd het in het tweede lid, onder a, genoemde doel, en in aanvulling op het bepaalde bij of krachtens [artikel 107a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=8&paragraaf=1a&artikel=107a&z=2024-07-25&g=2024-07-25), kunnen gegevens als bedoeld in het eerste lid, onder a, uitsluitend beschikbaar worden gesteld met het oog op:
5. Onverminderd het in het tweede lid, onder a, genoemde doel, en in aanvulling op het bepaalde bij of krachtens [artikel 107a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=8&paragraaf=1a&artikel=107a&z=2025-03-28&g=2025-03-28), kunnen gegevens als bedoeld in het eerste lid, onder a, uitsluitend beschikbaar worden gesteld met het oog op:
- a. het verstrekken van een reisdocument door een diplomatieke vertegenwoordiging ten behoeve van terugkeer;
@@ -1566,17 +1568,17 @@
##### Artikel 108
1. Met hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van de tweede categorie wordt gestraft overtreding van bij ministeriële regeling aan te wijzen voorschriften vastgesteld bij of krachtens de Schengengrenscode, overtreding van een voorschrift, vastgesteld bij of krachtens de [artikelen 2t, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=1a&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=2t&z=2024-07-25&g=2024-07-25), [5, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=2&artikel=5&z=2024-07-25&g=2024-07-25), [24a, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=3&paragraaf=3&artikel=24a&z=2024-07-25&g=2024-07-25), [46, tweede lid, aanhef, en onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=4&afdeling=1&paragraaf=1&artikel=46&z=2024-07-25&g=2024-07-25), alsmede handelen in strijd met [artikel 56, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=5&artikel=56&z=2024-07-25&g=2024-07-25), dan wel handelen in strijd met een verplichting opgelegd bij of krachtens de [artikelen 2a, tweede lid onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=2a&z=2024-07-25&g=2024-07-25), [6, eerste of derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=2&artikel=6&z=2024-07-25&g=2024-07-25), [6a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=2&artikel=6a&z=2024-07-25&g=2024-07-25), [54](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=4&afdeling=1&paragraaf=3&artikel=54&z=2024-07-25&g=2024-07-25), [55](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=4&afdeling=1&paragraaf=3&artikel=55&z=2024-07-25&g=2024-07-25), [57, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=5&artikel=57&z=2024-07-25&g=2024-07-25), [58, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=5&artikel=58&z=2024-07-25&g=2024-07-25), of [65, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=6&afdeling=2&artikel=65&z=2024-07-25&g=2024-07-25).
2. Overtreding van een voorschrift, vastgesteld bij of krachtens [artikel 4, eerste tot en met derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=2&artikel=4&z=2024-07-25&g=2024-07-25), wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van de vierde categorie.
1. Met hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van de tweede categorie wordt gestraft overtreding van bij ministeriële regeling aan te wijzen voorschriften vastgesteld bij of krachtens de Schengengrenscode, overtreding van een voorschrift, vastgesteld bij of krachtens de [artikelen 2t, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=1a&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=2t&z=2025-03-28&g=2025-03-28), [5, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=2&artikel=5&z=2025-03-28&g=2025-03-28), [24a, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=3&paragraaf=3&artikel=24a&z=2025-03-28&g=2025-03-28), [46, tweede lid, aanhef, en onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=4&afdeling=1&paragraaf=1&artikel=46&z=2025-03-28&g=2025-03-28), alsmede handelen in strijd met [artikel 56, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=5&artikel=56&z=2025-03-28&g=2025-03-28), dan wel handelen in strijd met een verplichting opgelegd bij of krachtens de [artikelen 2a, tweede lid onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=2a&z=2025-03-28&g=2025-03-28), [6, eerste of derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=2&artikel=6&z=2025-03-28&g=2025-03-28), [6a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=2&artikel=6a&z=2025-03-28&g=2025-03-28), [54](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=4&afdeling=1&paragraaf=3&artikel=54&z=2025-03-28&g=2025-03-28), [55](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=4&afdeling=1&paragraaf=3&artikel=55&z=2025-03-28&g=2025-03-28), [57, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=5&artikel=57&z=2025-03-28&g=2025-03-28), [58, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=5&artikel=58&z=2025-03-28&g=2025-03-28), of [65, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=6&afdeling=2&artikel=65&z=2025-03-28&g=2025-03-28).
2. Overtreding van een voorschrift, vastgesteld bij of krachtens [artikel 4, eerste tot en met derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=2&artikel=4&z=2025-03-28&g=2025-03-28), wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van de vierde categorie.
3. De in het eerste en tweede lid strafbaar gestelde feiten worden beschouwd als overtredingen.
4. Met de opsporing van de in het eerste en tweede lid strafbaar gestelde feiten zijn, onverminderd [artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=141), belast de ambtenaren belast met de grensbewaking en ambtenaren belast met het vreemdelingentoezicht. Deze ambtenaren zijn tevens belast met de opsporing van de feiten, strafbaar gesteld in de [artikelen 179 tot en met 182](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=179) en [184 van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=184), voor zover deze feiten betrekking hebben op een aanwijzing, vordering of handeling, gedaan of ondernomen door henzelf.
5. In afwijking van het eerste lid wordt handelen in strijd met een verplichting, opgelegd bij of krachtens [artikel 54, eerste lid, onder b, e of g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=4&afdeling=1&paragraaf=3&artikel=54&z=2024-07-25&g=2024-07-25), gestraft met geldboete van de tweede categorie, indien het feit wordt begaan door een gemeenschapsonderdaan. Het derde lid en de eerste volzin van het vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing.
6. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de vreemdeling die in Nederland verblijft terwijl hij weet of ernstige reden heeft te vermoeden dat tegen hem een inreisverbod is uitgevaardigd, indien het inreisverbod is gegeven anders dan met toepassing van [artikel 66a, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=6&afdeling=3&artikel=66a&z=2024-07-25&g=2024-07-25). Het derde lid en de eerste volzin van het vierde lid zijn eveneens van overeenkomstige toepassing.
5. In afwijking van het eerste lid wordt handelen in strijd met een verplichting, opgelegd bij of krachtens [artikel 54, eerste lid, onder b, e of g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=4&afdeling=1&paragraaf=3&artikel=54&z=2025-03-28&g=2025-03-28), gestraft met geldboete van de tweede categorie, indien het feit wordt begaan door een gemeenschapsonderdaan. Het derde lid en de eerste volzin van het vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing.
6. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de vreemdeling die in Nederland verblijft terwijl hij weet of ernstige reden heeft te vermoeden dat tegen hem een inreisverbod is uitgevaardigd, indien het inreisverbod is gegeven anders dan met toepassing van [artikel 66a, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=6&afdeling=3&artikel=66a&z=2025-03-28&g=2025-03-28). Het derde lid en de eerste volzin van het vierde lid zijn eveneens van overeenkomstige toepassing.
#### Paragraaf 3. Maatregelen van toezicht
@@ -1588,13 +1590,13 @@
3. Onze Minister bevordert dat zo spoedig mogelijk na de vaststelling van een krachtens het eerste lid vastgestelde algemene maatregel van bestuur een voorstel van wet bij de Staten-Generaal wordt ingediend, dat ertoe strekt de wet in overeenstemming te brengen met het verdrag of besluit, bedoeld in het eerste lid. Indien het voorstel wordt ingetrokken of indien een van de beide kamers der Staten-Generaal besluit het voorstel niet aan te nemen, wordt de algemene maatregel van bestuur terstond ingetrokken. Indien het voorstel tot wet wordt verheven, vervalt de algemene maatregel van bestuur op het tijdstip van inwerkingtreding van die wet.
4. Ter uitvoering van een verdrag, EU-verordening, -richtlijn of -besluit, op grond waarvan de grenscontrole plaatsvindt aan buitengrenzen, wordt in de [artikelen 5, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=2&artikel=5&z=2024-07-25&g=2024-07-25), [54, eerste lid, aanhef en onder a en e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=4&afdeling=1&paragraaf=3&artikel=54&z=2024-07-25&g=2024-07-25), [56, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=5&artikel=56&z=2024-07-25&g=2024-07-25), [59, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=5&artikel=59&z=2024-07-25&g=2024-07-25), en [66a, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=6&afdeling=3&artikel=66a&z=2024-07-25&g=2024-07-25), onder «Nederland» mede verstaan de gebieden waarop dat verdrag, die verordening, die richtlijn of dat besluit van toepassing is.
5. Ter uitvoering van een verdrag, EU-verordening, -richtlijn of -besluit, bedoeld in het vierde lid, wordt in [artikel 3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=2&artikel=3&z=2024-07-25&g=2024-07-25), en [artikel 12, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=12&z=2024-07-25&g=2024-07-25), onder «openbare orde» alsmede «nationale veiligheid» steeds mede verstaan de openbare orde in, onderscheidenlijk de nationale veiligheid van andere bij dat verdrag aangesloten staten.
4. Ter uitvoering van een verdrag, EU-verordening, -richtlijn of -besluit, op grond waarvan de grenscontrole plaatsvindt aan buitengrenzen, wordt in de [artikelen 5, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=2&artikel=5&z=2025-03-28&g=2025-03-28), [54, eerste lid, aanhef en onder a en e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=4&afdeling=1&paragraaf=3&artikel=54&z=2025-03-28&g=2025-03-28), [56, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=5&artikel=56&z=2025-03-28&g=2025-03-28), [59, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=5&artikel=59&z=2025-03-28&g=2025-03-28), en [66a, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=6&afdeling=3&artikel=66a&z=2025-03-28&g=2025-03-28), onder «Nederland» mede verstaan de gebieden waarop dat verdrag, die verordening, die richtlijn of dat besluit van toepassing is.
5. Ter uitvoering van een verdrag, EU-verordening, -richtlijn of -besluit, bedoeld in het vierde lid, wordt in [artikel 3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=2&artikel=3&z=2025-03-28&g=2025-03-28), en [artikel 12, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=12&z=2025-03-28&g=2025-03-28), onder «openbare orde» alsmede «nationale veiligheid» steeds mede verstaan de openbare orde in, onderscheidenlijk de nationale veiligheid van andere bij dat verdrag aangesloten staten.
##### Artikel 110
1. Onverminderd de artikelen [7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007981&artikel=7), en [8, eerste lid, van de Coördinatiewet uitzonderingstoestanden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007981&artikel=8) kan, ingeval buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken, bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-president, [artikel 111](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=8&paragraaf=3&artikel=111&z=2024-07-25&g=2024-07-25) in werking worden gesteld.
1. Onverminderd de artikelen [7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007981&artikel=7), en [8, eerste lid, van de Coördinatiewet uitzonderingstoestanden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007981&artikel=8) kan, ingeval buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken, bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-president, [artikel 111](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=8&paragraaf=3&artikel=111&z=2025-03-28&g=2025-03-28) in werking worden gesteld.
2. Wanneer het in het eerste lid bedoelde besluit is genomen, wordt onverwijld een voorstel van wet aan de Tweede Kamer gezonden omtrent het voortduren van de werking van de bij dat besluit in werking gestelde bepaling.
@@ -1610,7 +1612,7 @@
Dit artikel is nog niet in werking getreden; ingeval buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken kan bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, dit artikel in werking treden.
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels voor het geval van buitengewone omstandigheden worden gesteld, die afwijken van de [hoofdstukken 1 tot en met 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=1&z=2024-07-25&g=2024-07-25).
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels voor het geval van buitengewone omstandigheden worden gesteld, die afwijken van de [hoofdstukken 1 tot en met 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=1&z=2025-03-28&g=2025-03-28).
#### Paragraaf 3. Maatregelen van toezicht
@@ -1626,15 +1628,15 @@
##### Artikel 114
Een vreemdeling aan wie de verblijfsvergunning als bedoeld in [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=28&z=2024-07-25&g=2024-07-25) of [artikel 33](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=2&artikel=33&z=2024-07-25&g=2024-07-25) is verleend, geniet dezelfde behandeling als een Nederlander, wat betreft rechtsingang, waaronder begrepen rechtsbijstand en vrijstelling van de cautio judicatum solvi.
Een vreemdeling aan wie de verblijfsvergunning als bedoeld in [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=28&z=2025-03-28&g=2025-03-28) of [artikel 33](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=2&artikel=33&z=2025-03-28&g=2025-03-28) is verleend, geniet dezelfde behandeling als een Nederlander, wat betreft rechtsingang, waaronder begrepen rechtsbijstand en vrijstelling van de cautio judicatum solvi.
### Hoofdstuk 5. Vrijheidsbeperkende en vrijheidsontnemende maatregelen
##### Artikel 115
1. De bevoegdheid van Onze Minister om op grond van [artikel 106a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=8&paragraaf=1&artikel=106a&z=2024-07-25&g=2024-07-25) een gezichtsopname en vingerafdrukken van een vreemdeling af te nemen en te verwerken, vervalt twaalf jaar na de inwerkingtreding van de [wet van 11 december 2013 tot wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 in verband met de uitbreiding van biometrische kenmerken in de vreemdelingenketen in verband met het verbeteren van de identiteitsvaststelling van de vreemdeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034673) (Stb. 2014, 2).
2. De in de vreemdelingenadministratie opgenomen gegevens, bedoeld in [artikel 107, eerste lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=8&paragraaf=1a&artikel=107&z=2024-07-25&g=2024-07-25), worden twaalf jaar na de inwerkingtreding van de in het eerste lid bedoelde [wet van 11 december 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034673) vernietigd.
1. De bevoegdheid van Onze Minister om op grond van [artikel 106a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=8&paragraaf=1&artikel=106a&z=2025-03-28&g=2025-03-28) een gezichtsopname en vingerafdrukken van een vreemdeling af te nemen en te verwerken, vervalt twaalf jaar na de inwerkingtreding van de [wet van 11 december 2013 tot wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 in verband met de uitbreiding van biometrische kenmerken in de vreemdelingenketen in verband met het verbeteren van de identiteitsvaststelling van de vreemdeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034673) (Stb. 2014, 2).
2. De in de vreemdelingenadministratie opgenomen gegevens, bedoeld in [artikel 107, eerste lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=8&paragraaf=1a&artikel=107&z=2025-03-28&g=2025-03-28), worden twaalf jaar na de inwerkingtreding van de in het eerste lid bedoelde [wet van 11 december 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034673) vernietigd.
3. Onze Minister bevordert dat uiterlijk drie maanden na het tijdstip, bedoeld in het eerste en het tweede lid, een voorstel van wet bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal wordt ingediend, waarbij de wijzigingen die in deze wet zijn aangebracht door [artikel I, onderdelen A, D en E, van de in het eerste lid bedoelde wet van 11 december 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034673&artikel=I), ongedaan worden gemaakt.
@@ -1680,7 +1682,7 @@
1. Bijzondere categorieën van persoonsgegevens en persoonsgegevens van strafrechtelijke aard als bedoeld in [paragraaf 3.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040940&paragraaf=3.1) onderscheidenlijk [paragraaf 3.2 van de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040940&paragraaf=3.2) kunnen worden verwerkt, voor zover deze gegevens noodzakelijk zijn voor de doelmatige en doeltreffende uitvoering van de visumverlening, de grensbewaking, de toelating, het verblijf en de uitzetting van vreemdelingen en het toezicht op vreemdelingen op grond van deze wet dan wel de Schengengrenscode.
2. De gegevens, bedoeld in het eerste lid, worden verwerkt door of namens Onze Minister en de in de [artikelen 46 tot en met 48](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=4&afdeling=1&paragraaf=1&artikel=46&z=2024-07-25&g=2024-07-25) aangewezen ambtenaren. Zij kunnen worden verwerkt door derden, voor zover deze betrokken zijn bij de uitvoering van deze wet of de Schengengrenscode en daartoe noodzakelijkerwijs de beschikking over deze gegevens moeten verkrijgen.
2. De gegevens, bedoeld in het eerste lid, worden verwerkt door of namens Onze Minister en de in de [artikelen 46 tot en met 48](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=4&afdeling=1&paragraaf=1&artikel=46&z=2025-03-28&g=2025-03-28) aangewezen ambtenaren. Zij kunnen worden verwerkt door derden, voor zover deze betrokken zijn bij de uitvoering van deze wet of de Schengengrenscode en daartoe noodzakelijkerwijs de beschikking over deze gegevens moeten verkrijgen.
3. Bij regeling van Onze Minister worden regels gesteld ter waarborging van de persoonlijke levenssfeer. Daarbij wordt in ieder geval geregeld:
@@ -1706,9 +1708,9 @@
##### Artikel 43a
1. In afwijking van [artikel 42, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=4&artikel=42&z=2024-07-25&g=2024-07-25), en onverminderd [artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:5), wordt de beschikking op de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=28&z=2024-07-25&g=2024-07-25) ten aanzien van vreemdelingen die tijdelijke bescherming genieten, op een tijdstip gelegen tussen de ontvangst van de aanvraag en zes maanden na afloop van de tijdelijke bescherming gegeven.
2. De [artikelen 42, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=4&artikel=42&z=2024-07-25&g=2024-07-25), en [43](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=4&artikel=43&z=2024-07-25&g=2024-07-25) zijn van overeenkomstige toepassing.
1. In afwijking van [artikel 42, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=4&artikel=42&z=2025-03-28&g=2025-03-28), en onverminderd [artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:5), wordt de beschikking op de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=28&z=2025-03-28&g=2025-03-28) ten aanzien van vreemdelingen die tijdelijke bescherming genieten, op een tijdstip gelegen tussen de ontvangst van de aanvraag en zes maanden na afloop van de tijdelijke bescherming gegeven.
2. De [artikelen 42, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=4&artikel=42&z=2025-03-28&g=2025-03-28), en [43](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=4&artikel=43&z=2025-03-28&g=2025-03-28) zijn van overeenkomstige toepassing.
#### Paragraaf 4. De beschikking op de aanvraag
@@ -1772,7 +1774,7 @@
##### Artikel 9a
In afwijking van [artikel 9, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=9&z=2024-07-25&g=2024-07-25), verschaft Onze Minister aan de vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft op grond van [artikel 8, onder e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=8&z=2024-07-25&g=2024-07-25), en gemeenschapsonderdaan is als bedoeld in [artikel 1, sub 1°, 3° en 5°](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=1&afdeling=1&artikel=1&z=2024-07-25&g=2024-07-25), op aanvraag een bewijs van rechtmatig verblijf voordat de vreemdeling het duurzame verblijfsrecht heeft verkregen, indien de vreemdeling de nationaliteit heeft van een lidstaat ten aanzien waarvan Nederland de toepassing van de artikelen 1 tot en met 6 van Verordening (EU) nr. 492/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2011 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Unie (PbEU 2011, L 141/1) heeft opgeschort.
In afwijking van [artikel 9, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=9&z=2025-03-28&g=2025-03-28), verschaft Onze Minister aan de vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft op grond van [artikel 8, onder e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=8&z=2025-03-28&g=2025-03-28), en gemeenschapsonderdaan is als bedoeld in [artikel 1, sub 1°, 3° en 5°](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=1&afdeling=1&artikel=1&z=2025-03-28&g=2025-03-28), op aanvraag een bewijs van rechtmatig verblijf voordat de vreemdeling het duurzame verblijfsrecht heeft verkregen, indien de vreemdeling de nationaliteit heeft van een lidstaat ten aanzien waarvan Nederland de toepassing van de artikelen 1 tot en met 6 van Verordening (EU) nr. 492/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2011 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Unie (PbEU 2011, L 141/1) heeft opgeschort.
### Afdeling 2. De verblijfsvergunning
@@ -1856,9 +1858,9 @@
##### Artikel 16a
1. De aanvraag tot het wijzigen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=14&z=2024-07-25&g=2024-07-25) kan worden afgewezen:
- a. op de gronden, bedoeld in [artikel 16, eerste lid, onderdelen b tot en met g en k](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=16&z=2024-07-25&g=2024-07-25); of
1. De aanvraag tot het wijzigen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=14&z=2025-03-28&g=2025-03-28) kan worden afgewezen:
- a. op de gronden, bedoeld in [artikel 16, eerste lid, onderdelen b tot en met g en k](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=16&z=2025-03-28&g=2025-03-28); of
- b. indien de vreemdeling niet heeft voldaan aan het bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vast te stellen inburgeringsvereiste.
@@ -1960,7 +1962,7 @@
1. Met het toezicht op de naleving van de wettelijke voorschriften met betrekking tot referenten zijn belast de bij besluit van Onze Minister aangewezen ambtenaren.
2. Bij algemene maatregel van bestuur op voordracht van Onze Minister en Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties kan worden bepaald dat met het toezicht op de naleving van de wettelijke voorschriften met betrekking tot referenten tevens zijn belast de ambtenaren van politie, bedoeld in [artikel 2, onder a, c en d, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=2), die zijn aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, in welk geval [artikel 47, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=4&afdeling=1&paragraaf=1&artikel=47&z=2024-07-25&g=2024-07-25), van overeenkomstige toepassing is.
2. Bij algemene maatregel van bestuur op voordracht van Onze Minister en Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties kan worden bepaald dat met het toezicht op de naleving van de wettelijke voorschriften met betrekking tot referenten tevens zijn belast de ambtenaren van politie, bedoeld in [artikel 2, onder a, c en d, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=2), die zijn aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, in welk geval [artikel 47, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=4&afdeling=1&paragraaf=1&artikel=47&z=2025-03-28&g=2025-03-28), van overeenkomstige toepassing is.
#### Paragraaf 2. Bevoegdheden
@@ -2010,9 +2012,9 @@
##### Artikel 66a
1. Onze Minister vaardigt een inreisverbod uit tegen de vreemdeling, die geen gemeenschapsonderdaan is, op wie [artikel 64](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=6&afdeling=2&artikel=64&z=2024-07-25&g=2024-07-25) niet van toepassing is en die Nederland:
- a. onmiddellijk moet verlaten ingevolge [artikel 62, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=6&afdeling=1&artikel=62&z=2024-07-25&g=2024-07-25), of
1. Onze Minister vaardigt een inreisverbod uit tegen de vreemdeling, die geen gemeenschapsonderdaan is, op wie [artikel 64](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=6&afdeling=2&artikel=64&z=2025-03-28&g=2025-03-28) niet van toepassing is en die Nederland:
- a. onmiddellijk moet verlaten ingevolge [artikel 62, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=6&afdeling=1&artikel=62&z=2025-03-28&g=2025-03-28), of
- b. niet uit eigen beweging binnen de daarvoor geldende termijn heeft verlaten, in welk laatste geval het inreisverbod slechts door middel van een zelfstandige beschikking wordt uitgevaardigd dan wel een beschikking die mede strekt tot wijziging van het reeds gegeven terugkeerbesluit.
@@ -2024,15 +2026,15 @@
5. Indien de bekendmaking van de beschikking, waarbij het inreisverbod is uitgevaardigd, geschiedt door toezending, wordt van de beschikking mededeling gedaan in de Staatscourant.
6. In afwijking van [artikel 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=8&z=2024-07-25&g=2024-07-25) kan de vreemdeling jegens wie een inreisverbod geldt of die is gesignaleerd ter fine van weigering van de toegang geen rechtmatig verblijf hebben, met uitzondering van het rechtmatig verblijf:
- a. van de vreemdeling die een eerste aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=28&z=2024-07-25&g=2024-07-25) heeft ingediend, zolang op die aanvraag nog niet is beslist;
- b. bedoeld in [artikel 8, onder j](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=8&z=2024-07-25&g=2024-07-25), en
6. In afwijking van [artikel 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=8&z=2025-03-28&g=2025-03-28) kan de vreemdeling jegens wie een inreisverbod geldt of die is gesignaleerd ter fine van weigering van de toegang geen rechtmatig verblijf hebben, met uitzondering van het rechtmatig verblijf:
- a. van de vreemdeling die een eerste aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=28&z=2025-03-28&g=2025-03-28) heeft ingediend, zolang op die aanvraag nog niet is beslist;
- b. bedoeld in [artikel 8, onder j](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=8&z=2025-03-28&g=2025-03-28), en
- c. van de vreemdeling wiens uitzetting op grond van een rechterlijke beslissing achterwege dient te blijven totdat op het bezwaarschrift of beroepschrift is beslist.
7. In afwijking van het zesde lid en [artikel 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=8&z=2024-07-25&g=2024-07-25) en met uitzondering van het rechtmatig verblijf van de vreemdeling die een eerste aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=28&z=2024-07-25&g=2024-07-25) heeft ingediend zolang op die aanvraag nog niet is beslist, kan de vreemdeling jegens wie een inreisverbod geldt geen rechtmatig verblijf hebben, in geval de vreemdeling:
7. In afwijking van het zesde lid en [artikel 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=8&z=2025-03-28&g=2025-03-28) en met uitzondering van het rechtmatig verblijf van de vreemdeling die een eerste aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=28&z=2025-03-28&g=2025-03-28) heeft ingediend zolang op die aanvraag nog niet is beslist, kan de vreemdeling jegens wie een inreisverbod geldt geen rechtmatig verblijf hebben, in geval de vreemdeling:
- a. bij onherroepelijk geworden rechtelijk vonnis is veroordeeld wegens een misdrijf waartegen een gevangenisstraf van drie jaren of meer is bedreigd dan wel hem ter zake de maatregel als bedoeld in [artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=37a) is opgelegd;
@@ -2072,17 +2074,17 @@
##### Artikel 17a
1. Een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=14&z=2024-07-25&g=2024-07-25) wordt niet afgewezen met toepassing van [artikel 16, eerste lid, onderdeel j](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=16&z=2024-07-25&g=2024-07-25), indien het betreft:
- a. de vreemdeling die direct voorafgaand aan de aanvraag rechtmatig verblijf heeft gehad op grond van [artikel 8, onder j](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=8&z=2024-07-25&g=2024-07-25);
- b. de vreemdeling die in aanmerking komt voor verblijf onder een beperking als bedoeld in [artikel 15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=15&z=2024-07-25&g=2024-07-25);
1. Een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=14&z=2025-03-28&g=2025-03-28) wordt niet afgewezen met toepassing van [artikel 16, eerste lid, onderdeel j](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=16&z=2025-03-28&g=2025-03-28), indien het betreft:
- a. de vreemdeling die direct voorafgaand aan de aanvraag rechtmatig verblijf heeft gehad op grond van [artikel 8, onder j](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=8&z=2025-03-28&g=2025-03-28);
- b. de vreemdeling die in aanmerking komt voor verblijf onder een beperking als bedoeld in [artikel 15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=15&z=2025-03-28&g=2025-03-28);
- c. de vreemdeling die minderjarig en alleenstaand is;
- d. de vreemdeling die als slachtoffer of getuige-aangever als bedoeld in [artikel 17, eerste lid, onder d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=17&z=2024-07-25&g=2024-07-25), direct voorafgaand aan de aanvraag verblijf heeft gehad op grond van [artikel 8, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=8&z=2024-07-25&g=2024-07-25), en in aanmerking komt voor verblijf onder een andere beperking.
2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen andere categorieën worden aangewezen waarin de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, niet wordt afgewezen, op grond dat de toepassing van [artikel 16, eerste lid, onder j](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=16&z=2024-07-25&g=2024-07-25), van een onevenredige hardheid zou kunnen getuigen.
- d. de vreemdeling die als slachtoffer of getuige-aangever als bedoeld in [artikel 17, eerste lid, onder d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=17&z=2025-03-28&g=2025-03-28), direct voorafgaand aan de aanvraag verblijf heeft gehad op grond van [artikel 8, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=8&z=2025-03-28&g=2025-03-28), en in aanmerking komt voor verblijf onder een andere beperking.
2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen andere categorieën worden aangewezen waarin de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, niet wordt afgewezen, op grond dat de toepassing van [artikel 16, eerste lid, onder j](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=16&z=2025-03-28&g=2025-03-28), van een onevenredige hardheid zou kunnen getuigen.
#### Paragraaf 5. Buiten behandeling laten, hoorplicht, rechtsmiddelenclausule en motivering
@@ -2148,7 +2150,7 @@
##### Artikel 72a
[Artikel 8:88, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=8:88) is van overeenkomstige toepassing op een verzoek tot vergoeding van schade die een vreemdeling lijdt als gevolg van een onrechtmatige handeling van dit bestuursorgaan ten aanzien van deze vreemdeling als zodanig. [Artikel 71a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=7&afdeling=1&artikel=71a&z=2024-07-25&g=2024-07-25) is van overeenkomstige toepassing.
[Artikel 8:88, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=8:88) is van overeenkomstige toepassing op een verzoek tot vergoeding van schade die een vreemdeling lijdt als gevolg van een onrechtmatige handeling van dit bestuursorgaan ten aanzien van deze vreemdeling als zodanig. [Artikel 71a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=7&afdeling=1&artikel=71a&z=2025-03-28&g=2025-03-28) is van overeenkomstige toepassing.
#### Paragraaf 1. Aanwijzing
@@ -2196,11 +2198,11 @@
- a. een Nederlander, die in Nederland verblijft of met die vreemdeling in Nederland gaat verblijven;
- b. een vreemdeling, die rechtmatig in Nederland verblijft op grond van [artikel 8, onder a tot en met e of l](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=8&z=2024-07-25&g=2024-07-25), of die voor verblijf langer dan 90 dagen in Nederland mag verblijven en met die vreemdeling in Nederland gaat verblijven;
- b. een vreemdeling, die rechtmatig in Nederland verblijft op grond van [artikel 8, onder a tot en met e of l](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=8&z=2025-03-28&g=2025-03-28), of die voor verblijf langer dan 90 dagen in Nederland mag verblijven en met die vreemdeling in Nederland gaat verblijven;
- c. een onderneming of rechtspersoon, dan wel een vestiging daarvan, die is ingeschreven in het handelsregister, bedoeld in [artikel 2 van de Handelsregisterwet 2007](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021777&artikel=2),
die ten behoeve van het voorgenomen verblijf op grond van een machtiging tot voorlopig verblijf of het verblijf op grond van een verblijfsvergunning als bedoeld in [artikel 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=14&z=2024-07-25&g=2024-07-25) van een vreemdeling een schriftelijke verklaring heeft afgelegd, of die door Onze Minister als referent is aangewezen.
die ten behoeve van het voorgenomen verblijf op grond van een machtiging tot voorlopig verblijf of het verblijf op grond van een verblijfsvergunning als bedoeld in [artikel 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=14&z=2025-03-28&g=2025-03-28) van een vreemdeling een schriftelijke verklaring heeft afgelegd, of die door Onze Minister als referent is aangewezen.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur:
@@ -2220,7 +2222,7 @@
- b. de verblijfsvergunning van de vreemdeling is gewijzigd;
- c. de vreemdeling in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in [artikel 20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=20&z=2024-07-25&g=2024-07-25);
- c. de vreemdeling in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in [artikel 20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=20&z=2025-03-28&g=2025-03-28);
- d. de vreemdeling Nederlander wordt of krachtens enige wet als Nederlander moet worden behandeld;
@@ -2280,7 +2282,7 @@
##### Artikel 2f
1. Onze Minister kan de erkenning als referent schorsen op grond van ernstige vermoedens dat er grond bestaat om toepassing te geven aan [artikel 2g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=2g&z=2024-07-25&g=2024-07-25).
1. Onze Minister kan de erkenning als referent schorsen op grond van ernstige vermoedens dat er grond bestaat om toepassing te geven aan [artikel 2g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=2g&z=2025-03-28&g=2025-03-28).
2. De schorsing van de erkenning als referent eindigt op de dag na de dag waarop de beschikking omtrent de intrekking is bekendgemaakt of de dag waarop sedert de schorsing drie maanden zijn verstreken.
@@ -2304,7 +2306,7 @@
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent:
- a. de toepassing van deze paragraaf, waarbij beperkingen als bedoeld in [artikel 14, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=14&z=2024-07-25&g=2024-07-25), kunnen worden aangewezen waarvoor erkenning als referent niet mogelijk is;
- a. de toepassing van deze paragraaf, waarbij beperkingen als bedoeld in [artikel 14, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=14&z=2025-03-28&g=2025-03-28), kunnen worden aangewezen waarvoor erkenning als referent niet mogelijk is;
- b. de indiening en behandeling van een aanvraag omtrent de erkenning als referent en de door de aanvrager te verstrekken gegevens.
@@ -2322,7 +2324,7 @@
##### Artikel 2j
Een ten behoeve van de toegang tot Nederland door Onze Minister verleend visum waarvan de geldigheidsduur niet is verstreken, dan wel een door een bevoegde autoriteit van een andere staat verleend visum, dat krachtens verdrag of bindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie daaraan is gelijkgesteld, geldt als het ingevolge [artikel 3, eerste lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=2&artikel=3&z=2024-07-25&g=2024-07-25), voor de toegang tot Nederland benodigde visum, onverminderd het overigens bij of krachtens dit hoofdstuk bepaalde.
Een ten behoeve van de toegang tot Nederland door Onze Minister verleend visum waarvan de geldigheidsduur niet is verstreken, dan wel een door een bevoegde autoriteit van een andere staat verleend visum, dat krachtens verdrag of bindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie daaraan is gelijkgesteld, geldt als het ingevolge [artikel 3, eerste lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=2&artikel=3&z=2025-03-28&g=2025-03-28), voor de toegang tot Nederland benodigde visum, onverminderd het overigens bij of krachtens dit hoofdstuk bepaalde.
#### Paragraaf 3. Bevoegdheid
@@ -2388,7 +2390,7 @@
##### Artikel 2q
1. Onze Minister kan een machtiging tot voorlopig verblijf weigeren indien ten aanzien van de vreemdeling niet is aangetoond dat deze voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in [artikel 2p, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=1a&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=2p&z=2024-07-25&g=2024-07-25), onverminderd het tweede lid van dat artikel.
1. Onze Minister kan een machtiging tot voorlopig verblijf weigeren indien ten aanzien van de vreemdeling niet is aangetoond dat deze voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in [artikel 2p, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=1a&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=2p&z=2025-03-28&g=2025-03-28), onverminderd het tweede lid van dat artikel.
2. Onze Minister kan een machtiging tot voorlopig verblijf voorts weigeren indien het belang van de internationale betrekkingen zich tegen verlening van de machtiging tot voorlopig verblijf verzet of de vreemdeling niet voldoet aan het overigens bij of krachtens dit hoofdstuk bepaalde.
@@ -2396,7 +2398,7 @@
1. Indien Onze Minister besluit tot verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf stelt hij de aanvrager daarvan schriftelijk in kennis. Een machtiging tot voorlopig verblijf kan tot uiterlijk drie maanden na de dagtekening van die kennisgeving worden afgegeven. In geval de machtiging tot voorlopig verblijf niet kan worden afgegeven in het land van herkomst of bestendig verblijf, op grond dat de Nederlandse vertegenwoordiging is gesloten of zich daar niet of niet langer een Nederlandse vertegenwoordiging bevindt, kan Onze Minister de termijn, bedoeld in de tweede volzin, eenmaal met ten hoogste drie maanden verlengen.
2. De geldigheidsduur van een machtiging tot voorlopig verblijf bedraagt ten hoogste 90 dagen vanaf de datum van afgifte, met dien verstande dat een machtiging tot voorlopig verblijf meermalen kan worden benut voor het verkrijgen van toegang tot Nederland. De geldigheid van een machtiging tot voorlopig verblijf vervalt in elk geval met ingang van het tijdstip waarop ten behoeve van de vreemdeling een verblijfsvergunning als bedoeld in [artikel 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=14&z=2024-07-25&g=2024-07-25) ambtshalve is verleend. De geldigheidsduur van een machtiging tot voorlopig verblijf kan niet worden verlengd.
2. De geldigheidsduur van een machtiging tot voorlopig verblijf bedraagt ten hoogste 90 dagen vanaf de datum van afgifte, met dien verstande dat een machtiging tot voorlopig verblijf meermalen kan worden benut voor het verkrijgen van toegang tot Nederland. De geldigheid van een machtiging tot voorlopig verblijf vervalt in elk geval met ingang van het tijdstip waarop ten behoeve van de vreemdeling een verblijfsvergunning als bedoeld in [artikel 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=14&z=2025-03-28&g=2025-03-28) ambtshalve is verleend. De geldigheidsduur van een machtiging tot voorlopig verblijf kan niet worden verlengd.
3. De geldigheidsduur van een machtiging tot voorlopig verblijf kan de geldigheidsduur van het document voor grensoverschrijding van de vreemdeling niet overschrijden, met dien verstande dat het document voor grensoverschrijding na verloop van de machtiging tot voorlopig verblijf nog tenminste drie maanden geldig moet zijn. Onze Minister kan in bijzondere gevallen ontheffing verlenen van het bepaalde in de eerste volzin.
@@ -2442,6 +2444,8 @@
3. In afwijking van het eerste lid maakt Onze Minister de beslissing op een aanvraag om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf onder een beperking verband houdend met wetenschappelijk onderzoek, studie, lerend werken, of uitwisseling in het kader van Europees vrijwilligerswerk bekend binnen 60 dagen en kan die termijn niet worden verlengd.
4. In afwijking van het eerste lid maakt Onze Minister de beslissing op een aanvraag om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf voor verblijf als gezinslid van een vreemdeling aan wie een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=28&z=2025-03-28&g=2025-03-28), is verleend, zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen negen maanden na indiening van de aanvraag bekend. Onze Minister kan deze termijn verlengen in geval van bijzondere omstandigheden die verband houden met het complexe karakter van de behandeling van de aanvraag.
#### Paragraaf 4. Overige bepalingen
##### Artikel 2v
@@ -2452,11 +2456,11 @@
##### Artikel 2w
1. Een terugkeervisum kan worden verleend voor de toegang tot Nederland van een vreemdeling die Nederland tijdelijk zal verlaten gedurende het tijdvak dat hij rechtmatig verblijf heeft op grond van [artikel 8, aanhef en onder a tot en met h of l](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=8&z=2024-07-25&g=2024-07-25).
2. Geen terugkeervisum wordt verleend ten behoeve van de terugkeer uit het land van herkomst van de vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft op grond van [artikel 8, aanhef en onder c en d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=8&z=2024-07-25&g=2024-07-25).
3. Geen terugkeervisum wordt verleend ten behoeve van de terugkeer uit het land van herkomst van de vreemdeling die een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in de [artikelen 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=28&z=2024-07-25&g=2024-07-25) en [33](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=2&artikel=33&z=2024-07-25&g=2024-07-25) heeft gedaan en rechtmatig verblijf heeft op grond van [artikel 8, aanhef en onder f, g of h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=8&z=2024-07-25&g=2024-07-25).
1. Een terugkeervisum kan worden verleend voor de toegang tot Nederland van een vreemdeling die Nederland tijdelijk zal verlaten gedurende het tijdvak dat hij rechtmatig verblijf heeft op grond van [artikel 8, aanhef en onder a tot en met h of l](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=8&z=2025-03-28&g=2025-03-28).
2. Geen terugkeervisum wordt verleend ten behoeve van de terugkeer uit het land van herkomst van de vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft op grond van [artikel 8, aanhef en onder c en d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=8&z=2025-03-28&g=2025-03-28).
3. Geen terugkeervisum wordt verleend ten behoeve van de terugkeer uit het land van herkomst van de vreemdeling die een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in de [artikelen 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=28&z=2025-03-28&g=2025-03-28) en [33](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=2&artikel=33&z=2025-03-28&g=2025-03-28) heeft gedaan en rechtmatig verblijf heeft op grond van [artikel 8, aanhef en onder f, g of h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=8&z=2025-03-28&g=2025-03-28).
##### Artikel 2x
@@ -2470,9 +2474,9 @@
- d. uit oogpunt van toezicht op grond van deze wet, opsporing of vervolging van strafbare feiten, tenuitvoerlegging van een vonnis of om andere gewichtige redenen bezwaar bestaat tegen vertrek uit Nederland van de vreemdeling;
- e. het naar het oordeel van Onze Minister in de rede ligt dat binnen de geldigheidsduur van het terugkeervisum een beslissing als bedoeld in [artikel 8, onderdeel f, g of h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=8&z=2024-07-25&g=2024-07-25), kan worden verwacht;
- f. de vreemdeling in afwachting is van de beslissing op diens aanvraag om een verblijfsvergunning als bedoeld in [artikel 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=14&z=2024-07-25&g=2024-07-25) dan wel in afwachting is van de beslissing op een bezwaarschrift of een beroepschrift tegen een dergelijke beslissing en niet heeft beschikt over de vereiste machtiging tot voorlopig verblijf, overeenkomend met het verblijfsdoel waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd, dan wel niet op grond van het bepaalde bij of krachtens deze wet van de verplichting tot het beschikken over een machtiging tot voorlopig verblijf is vrijgesteld of ontheven; of
- e. het naar het oordeel van Onze Minister in de rede ligt dat binnen de geldigheidsduur van het terugkeervisum een beslissing als bedoeld in [artikel 8, onderdeel f, g of h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=8&z=2025-03-28&g=2025-03-28), kan worden verwacht;
- f. de vreemdeling in afwachting is van de beslissing op diens aanvraag om een verblijfsvergunning als bedoeld in [artikel 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=14&z=2025-03-28&g=2025-03-28) dan wel in afwachting is van de beslissing op een bezwaarschrift of een beroepschrift tegen een dergelijke beslissing en niet heeft beschikt over de vereiste machtiging tot voorlopig verblijf, overeenkomend met het verblijfsdoel waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd, dan wel niet op grond van het bepaalde bij of krachtens deze wet van de verplichting tot het beschikken over een machtiging tot voorlopig verblijf is vrijgesteld of ontheven; of
- g. de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of de nationale veiligheid dan wel zich schuldig heeft gemaakt aan of verdacht wordt van terrorisme, oorlogsmisdaden, of andere misdaden tegen de menselijkheid.
@@ -2482,7 +2486,7 @@
1. De geldigheidsduur van een terugkeervisum kan de geldigheidsduur van de aan de vreemdeling verleende verblijfsvergunning niet overschrijden en bedraagt ten hoogste een jaar. Het terugkeervisum kan worden verleend voor een of meer reizen.
2. In afwijking van het eerste lid bedraagt de geldigheidsduur van een terugkeervisum ten behoeve van een vreemdeling die rechtmatig verblijf houdt op grond van [artikel 8, onderdeel f, g of h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=8&z=2024-07-25&g=2024-07-25), ten hoogste drie maanden en is het geldig voor één reis.
2. In afwijking van het eerste lid bedraagt de geldigheidsduur van een terugkeervisum ten behoeve van een vreemdeling die rechtmatig verblijf houdt op grond van [artikel 8, onderdeel f, g of h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=8&z=2025-03-28&g=2025-03-28), ten hoogste drie maanden en is het geldig voor één reis.
3. Onze Minister kan vrijstelling dan wel ontheffing verlenen van het eerste en tweede lid.
@@ -2556,7 +2560,7 @@
##### Artikel 55a
1. Onze Minister kan bij een overtreding van de verplichtingen bij of krachtens [artikelen 2a, tweede lid, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=2a&z=2024-07-25&g=2024-07-25), [2t, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=1a&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=2t&z=2024-07-25&g=2024-07-25), [24a, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=3&paragraaf=3&artikel=24a&z=2024-07-25&g=2024-07-25), [54, eerste lid, onder a tot en met e en g, en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=4&afdeling=1&paragraaf=3&artikel=54&z=2024-07-25&g=2024-07-25), een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste € 3000 voor ondernemingen, rechtspersonen en andere organisaties en € 1500 voor natuurlijke personen. Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de hoogte van de bestuurlijke boete.
1. Onze Minister kan bij een overtreding van de verplichtingen bij of krachtens [artikelen 2a, tweede lid, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=2a&z=2025-03-28&g=2025-03-28), [2t, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=1a&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=2t&z=2025-03-28&g=2025-03-28), [24a, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=3&paragraaf=3&artikel=24a&z=2025-03-28&g=2025-03-28), [54, eerste lid, onder a tot en met e en g, en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=4&afdeling=1&paragraaf=3&artikel=54&z=2025-03-28&g=2025-03-28), een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste € 3000 voor ondernemingen, rechtspersonen en andere organisaties en € 1500 voor natuurlijke personen. Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de hoogte van de bestuurlijke boete.
2. Het rapport vermeldt in ieder geval de bij het beboetbare feit betrokken persoon of personen.
@@ -2648,7 +2652,7 @@
##### Artikel 6a
1. Onze Minister kan de maatregel, bedoeld in [artikel 6, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=2&artikel=6&z=2024-07-25&g=2024-07-25), opleggen of voortzetten met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat, met inachtneming van artikel 28 van de Dublinverordening.
1. Onze Minister kan de maatregel, bedoeld in [artikel 6, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=2&artikel=6&z=2025-03-28&g=2025-03-28), opleggen of voortzetten met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat, met inachtneming van artikel 28 van de Dublinverordening.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent de toepassing van het eerste lid.
@@ -2660,7 +2664,7 @@
##### Artikel 14a
Onze Minister besluit niet over de verlening, verlenging of intrekking van een gecombineerde vergunning dan nadat hij advies heeft gevraagd aan de instantie, bedoeld in [artikel 5, tweede lid, van de Wet arbeid vreemdelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149&artikel=5). Deze instantie adviseert over de vraag of is voldaan aan de [Wet arbeid vreemdelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149) als bedoeld in [artikel 16, eerste lid, onder f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=16&z=2024-07-25&g=2024-07-25), [artikel 18, eerste lid, onder g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=18&z=2024-07-25&g=2024-07-25) en [artikel 19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=19&z=2024-07-25&g=2024-07-25). Onze Minister is niet verplicht om advies te vragen indien de verblijfsvergunning wordt geweigerd of ingetrokken op grond van een andere afwijzings- of intrekkingsgrond, bedoeld in [artikel 16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=16&z=2024-07-25&g=2024-07-25), [18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=18&z=2024-07-25&g=2024-07-25) of [19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=19&z=2024-07-25&g=2024-07-25).
Onze Minister besluit niet over de verlening, verlenging of intrekking van een gecombineerde vergunning dan nadat hij advies heeft gevraagd aan de instantie, bedoeld in [artikel 5, tweede lid, van de Wet arbeid vreemdelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149&artikel=5). Deze instantie adviseert over de vraag of is voldaan aan de [Wet arbeid vreemdelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149) als bedoeld in [artikel 16, eerste lid, onder f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=16&z=2025-03-28&g=2025-03-28), [artikel 18, eerste lid, onder g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=18&z=2025-03-28&g=2025-03-28) en [artikel 19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=19&z=2025-03-28&g=2025-03-28). Onze Minister is niet verplicht om advies te vragen indien de verblijfsvergunning wordt geweigerd of ingetrokken op grond van een andere afwijzings- of intrekkingsgrond, bedoeld in [artikel 16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=16&z=2025-03-28&g=2025-03-28), [18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=18&z=2025-03-28&g=2025-03-28) of [19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=19&z=2025-03-28&g=2025-03-28).
#### Paragraaf 2. De verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd
@@ -2672,15 +2676,15 @@
##### Artikel 44a
1. Indien een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=28&z=2024-07-25&g=2024-07-25), niet in behandeling wordt genomen op grond van [artikel 30, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=30&z=2024-07-25&g=2024-07-25), geldt dit besluit als overdrachtsbesluit, en heeft het van rechtswege tot gevolg dat:
- a. de vreemdeling rechtmatig verblijf heeft op grond van [artikel 8, onder m](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=8&z=2024-07-25&g=2024-07-25);
1. Indien een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=28&z=2025-03-28&g=2025-03-28), niet in behandeling wordt genomen op grond van [artikel 30, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=30&z=2025-03-28&g=2025-03-28), geldt dit besluit als overdrachtsbesluit, en heeft het van rechtswege tot gevolg dat:
- a. de vreemdeling rechtmatig verblijf heeft op grond van [artikel 8, onder m](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=8&z=2025-03-28&g=2025-03-28);
- b. de ambtenaren belast met het toezicht op vreemdelingen bevoegd zijn elke plaats te betreden, daaronder begrepen een woning zonder toestemming van de bewoner, teneinde de vreemdeling over te dragen;
- c. de vreemdeling Nederland uit eigen beweging dient te verlaten binnen de in [artikel 62c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=6&afdeling=1&artikel=62c&z=2024-07-25&g=2024-07-25) gestelde termijn, bij gebreke waarvan de vreemdeling kan worden overgedragen.
2. Het in het eerste lid, onder b, bedoelde gevolg treedt niet in, indien de in [artikel 62c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=6&afdeling=1&artikel=62c&z=2024-07-25&g=2024-07-25) bedoelde termijn nog niet is verstreken.
- c. de vreemdeling Nederland uit eigen beweging dient te verlaten binnen de in [artikel 62c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=6&afdeling=1&artikel=62c&z=2025-03-28&g=2025-03-28) gestelde termijn, bij gebreke waarvan de vreemdeling kan worden overgedragen.
2. Het in het eerste lid, onder b, bedoelde gevolg treedt niet in, indien de in [artikel 62c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=6&afdeling=1&artikel=62c&z=2025-03-28&g=2025-03-28) bedoelde termijn nog niet is verstreken.
### Hoofdstuk 4. Handhaving
@@ -2696,7 +2700,7 @@
1. Onze Minister kan vreemdelingen op wie de Dublinverordening van toepassing is, met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat in bewaring stellen met inachtneming van artikel 28 van de Dublinverordening.
2. [Artikel 59, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=5&artikel=59&z=2024-07-25&g=2024-07-25), is van overeenkomstige toepassing.
2. [Artikel 59, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=5&artikel=59&z=2025-03-28&g=2025-03-28), is van overeenkomstige toepassing.
### Hoofdstuk 6. Vertrek, uitzetting en overdracht, inreisverbod en ongewenstverklaring
@@ -2712,17 +2716,17 @@
1. Nadat tegen de vreemdeling een overdrachtsbesluit is uitgevaardigd, dient hij Nederland uit eigen beweging binnen vier weken te verlaten.
2. [Artikel 62, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=6&afdeling=1&artikel=62&z=2024-07-25&g=2024-07-25), is van overeenkomstige toepassing.
2. [Artikel 62, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=6&afdeling=1&artikel=62&z=2025-03-28&g=2025-03-28), is van overeenkomstige toepassing.
3. Onze Minister kan, in afwijking van het eerste en tweede lid, de voor een vreemdeling geldende termijn verkorten dan wel bepalen dat een vreemdeling Nederland onmiddellijk moet verlaten, indien dit noodzakelijk is ten behoeve van het realiseren van de overdracht binnen zes maanden na het akkoord van de verantwoordelijke lidstaat.
4. Het rechtmatig verblijf op grond van [artikel 8, onder m](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=8&z=2024-07-25&g=2024-07-25), eindigt van rechtswege nadat de vreemdeling Nederland kennelijk uit eigen beweging heeft verlaten, dan wel de feitelijke overdracht is gerealiseerd.
4. Het rechtmatig verblijf op grond van [artikel 8, onder m](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=8&z=2025-03-28&g=2025-03-28), eindigt van rechtswege nadat de vreemdeling Nederland kennelijk uit eigen beweging heeft verlaten, dan wel de feitelijke overdracht is gerealiseerd.
### Afdeling 2. Uitzetting en overdracht
##### Artikel 63a
De vreemdeling tegen wie een overdrachtsbesluit is uitgevaardigd en die Nederland niet binnen de in [artikel 62c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=6&afdeling=1&artikel=62c&z=2024-07-25&g=2024-07-25) bedoelde termijn uit eigen beweging heeft verlaten, kan door Onze Minister worden overgedragen aan een verantwoordelijke lidstaat in de zin van de Dublinverordening.
De vreemdeling tegen wie een overdrachtsbesluit is uitgevaardigd en die Nederland niet binnen de in [artikel 62c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=6&afdeling=1&artikel=62c&z=2025-03-28&g=2025-03-28) bedoelde termijn uit eigen beweging heeft verlaten, kan door Onze Minister worden overgedragen aan een verantwoordelijke lidstaat in de zin van de Dublinverordening.
### Afdeling 3. Inreisverbod
@@ -2772,7 +2776,7 @@
1. [Artikel 10 van de Algemene wet op het binnentreden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006763&artikel=10) is van overeenkomstige toepassing op de bevoegdheid tot doorzoeking.
2. In aanvulling op [artikel 10 van de Algemene wet op het binnentreden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006763&artikel=10) vermeldt de ambtenaar die de doorzoeking, bedoeld in [artikel 53a, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=4&afdeling=1&paragraaf=2&artikel=53a&z=2024-07-25&g=2024-07-25), heeft verricht, in het schriftelijk verslag op welke gronden werd aangenomen dat deze redelijkerwijs noodzakelijk was voor de tijdelijke inbewaringneming van de zaken, bedoeld in artikel 53a, eerste en tweede lid.
2. In aanvulling op [artikel 10 van de Algemene wet op het binnentreden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006763&artikel=10) vermeldt de ambtenaar die de doorzoeking, bedoeld in [artikel 53a, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=4&afdeling=1&paragraaf=2&artikel=53a&z=2025-03-28&g=2025-03-28), heeft verricht, in het schriftelijk verslag op welke gronden werd aangenomen dat deze redelijkerwijs noodzakelijk was voor de tijdelijke inbewaringneming van de zaken, bedoeld in artikel 53a, eerste en tweede lid.
3. Het verslag wordt toegezonden aan de officier van justitie.
@@ -2810,7 +2814,7 @@
1. Voor zover op grond van de Europese verordeningen die betrekking hebben op biometrische gegevens geen gezichtsopname of vingerafdrukken kunnen worden afgenomen en verwerkt, kunnen van een vreemdeling een gezichtsopname en tien vingerafdrukken worden afgenomen en verwerkt voor het vaststellen van de identiteit met het oog op de uitvoering van deze wet. De gezichtsopname en vingerafdrukken worden vergeleken met de gezichtsopnames en vingerafdrukken in de vreemdelingenadministratie.
2. Voor het verifiëren van de authenticiteit van het document, bedoeld in [artikel 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=9&z=2024-07-25&g=2024-07-25), of de verificatie van de identiteit van een vreemdeling kunnen voor zover dit niet mogelijk is op grond van de Europese verordeningen die betrekking hebben op biometrische gegevens, met het oog op de uitvoering van deze wet vingerafdrukken worden afgenomen. Van deze vingerafdrukken worden één of twee en indien dit geen resultaat oplevert meer vingerafdrukken gebruikt voor vergelijking met de vingerafdrukken op het document of in de vreemdelingenadministratie.
2. Voor het verifiëren van de authenticiteit van het document, bedoeld in [artikel 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=9&z=2025-03-28&g=2025-03-28), of de verificatie van de identiteit van een vreemdeling kunnen voor zover dit niet mogelijk is op grond van de Europese verordeningen die betrekking hebben op biometrische gegevens, met het oog op de uitvoering van deze wet vingerafdrukken worden afgenomen. Van deze vingerafdrukken worden één of twee en indien dit geen resultaat oplevert meer vingerafdrukken gebruikt voor vergelijking met de vingerafdrukken op het document of in de vreemdelingenadministratie.
3. Tot het afnemen en verwerken van een gezichtsopname en vingerafdrukken ten behoeve van de in het eerste en tweede lid genoemde doelen, zijn uitsluitend bevoegd Onze Minister, de ambtenaren belast met de grensbewaking, de ambtenaren belast met het toezicht op vreemdelingen en Onze Minister van Buitenlandse Zaken voor zover het gaat om het vaststellen of het verifiëren van de identiteit.
@@ -2846,25 +2850,25 @@
- b. een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen in te trekken.
2. De status van langdurig ingezetene wordt verworven door de verlening van een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen. De status van langdurig ingezetene is permanent, onverminderd [artikel 45d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=5&paragraaf=1&artikel=45d&z=2024-07-25&g=2024-07-25).
2. De status van langdurig ingezetene wordt verworven door de verlening van een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen. De status van langdurig ingezetene is permanent, onverminderd [artikel 45d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=5&paragraaf=1&artikel=45d&z=2025-03-28&g=2025-03-28).
##### Artikel 45b
1. De aanvraag tot het verlenen van een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen wordt afgewezen, indien de vreemdeling direct voorafgaande aan de aanvraag:
- a. een verblijfsrecht van tijdelijke aard heeft op grond van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=14&z=2024-07-25&g=2024-07-25);
- a. een verblijfsrecht van tijdelijke aard heeft op grond van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=14&z=2025-03-28&g=2025-03-28);
- b. een formeel beperkt verblijfsrecht heeft;
- c. verblijf heeft op grond van een bijzondere geprivilegieerde status;
- d. verblijf heeft op grond van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=28&z=2024-07-25&g=2024-07-25), die niet is verleend op grond van [artikel 29, eerste lid, onder a of b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=29&z=2024-07-25&g=2024-07-25);
- e. verblijf heeft op grond van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=28&z=2024-07-25&g=2024-07-25), die is verleend op grond van [artikel 29, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=29&z=2024-07-25&g=2024-07-25), bij een vreemdeling die in het bezit is van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28, die niet is verleend op grond van artikel 29, eerste lid, onder a of b.
- d. verblijf heeft op grond van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=28&z=2025-03-28&g=2025-03-28), die niet is verleend op grond van [artikel 29, eerste lid, onder a of b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=29&z=2025-03-28&g=2025-03-28);
- e. verblijf heeft op grond van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=28&z=2025-03-28&g=2025-03-28), die is verleend op grond van [artikel 29, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=29&z=2025-03-28&g=2025-03-28), bij een vreemdeling die in het bezit is van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28, die niet is verleend op grond van artikel 29, eerste lid, onder a of b.
2. Onverminderd het eerste lid kan de aanvraag tot het verlenen van een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen slechts worden afgewezen, indien de vreemdeling:
- a. niet gedurende vijf jaren ononderbroken en direct voorafgaande aan de aanvraag rechtmatig verblijf als bedoeld in [artikel 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=8&z=2024-07-25&g=2024-07-25) heeft gehad, met inachtneming van het derde lid;
- a. niet gedurende vijf jaren ononderbroken en direct voorafgaande aan de aanvraag rechtmatig verblijf als bedoeld in [artikel 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=8&z=2025-03-28&g=2025-03-28) heeft gehad, met inachtneming van het derde lid;
- b. in de periode, bedoeld onder a, zes of meer achtereenvolgende maanden of in totaal tien of meer maanden buiten Nederland heeft verbleven;
@@ -2886,15 +2890,15 @@
##### Artikel 45c
1. Op het document, bedoeld in [artikel 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=9&z=2024-07-25&g=2024-07-25), van de vreemdeling aan wie een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen is verleend, wordt de aantekening «Internationale bescherming op [datum] verleend door Nederland» geplaatst, indien:
- a. de vreemdeling direct voorafgaande aan de aanvraag in het bezit was van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=28&z=2024-07-25&g=2024-07-25), die is verleend op grond van [artikel 29, eerste lid, onder a of b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=29&z=2024-07-25&g=2024-07-25), tenzij de grond voor die verlening is vervallen; of
- b. de vreemdeling direct voorafgaande aan de aanvraag in het bezit was van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in [artikel 33](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=2&artikel=33&z=2024-07-25&g=2024-07-25), mits hij voordien in het bezit was van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=28&z=2024-07-25&g=2024-07-25), die is verleend op grond van [artikel 29, eerste lid, onder a of b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=29&z=2024-07-25&g=2024-07-25).
2. Indien de EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen wordt verleend aan een onderdaan van een derde land die reeds een verblijfsdocument bezit dat door een andere lidstaat is afgegeven en dat de aantekening «Internationale bescherming op [datum] verleend door [lidstaat]» bevat, wordt op het document, bedoeld in [artikel 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=9&z=2024-07-25&g=2024-07-25), dezelfde aantekening geplaatst, tenzij de internationale bescherming bij een definitief besluit van die andere lidstaat is ingetrokken.
3. Indien uit een verzoek van de autoriteiten van een andere lidstaat van de Europese Unie aan Onze Minister blijkt dat de internationale bescherming van de houder van een document als bedoeld in [artikel 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=9&z=2024-07-25&g=2024-07-25), met daarop de aantekening als bedoeld in het eerste lid, door deze lidstaat is overgenomen alvorens deze lidstaat een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen heeft afgegeven, wordt de aantekening op het document, bedoeld in artikel 9, dienovereenkomstig gewijzigd.
1. Op het document, bedoeld in [artikel 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=9&z=2025-03-28&g=2025-03-28), van de vreemdeling aan wie een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen is verleend, wordt de aantekening «Internationale bescherming op [datum] verleend door Nederland» geplaatst, indien:
- a. de vreemdeling direct voorafgaande aan de aanvraag in het bezit was van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=28&z=2025-03-28&g=2025-03-28), die is verleend op grond van [artikel 29, eerste lid, onder a of b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=29&z=2025-03-28&g=2025-03-28), tenzij de grond voor die verlening is vervallen; of
- b. de vreemdeling direct voorafgaande aan de aanvraag in het bezit was van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in [artikel 33](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=2&artikel=33&z=2025-03-28&g=2025-03-28), mits hij voordien in het bezit was van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=28&z=2025-03-28&g=2025-03-28), die is verleend op grond van [artikel 29, eerste lid, onder a of b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=29&z=2025-03-28&g=2025-03-28).
2. Indien de EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen wordt verleend aan een onderdaan van een derde land die reeds een verblijfsdocument bezit dat door een andere lidstaat is afgegeven en dat de aantekening «Internationale bescherming op [datum] verleend door [lidstaat]» bevat, wordt op het document, bedoeld in [artikel 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=9&z=2025-03-28&g=2025-03-28), dezelfde aantekening geplaatst, tenzij de internationale bescherming bij een definitief besluit van die andere lidstaat is ingetrokken.
3. Indien uit een verzoek van de autoriteiten van een andere lidstaat van de Europese Unie aan Onze Minister blijkt dat de internationale bescherming van de houder van een document als bedoeld in [artikel 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=9&z=2025-03-28&g=2025-03-28), met daarop de aantekening als bedoeld in het eerste lid, door deze lidstaat is overgenomen alvorens deze lidstaat een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen heeft afgegeven, wordt de aantekening op het document, bedoeld in artikel 9, dienovereenkomstig gewijzigd.
4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over het bepaalde in het eerste, tweede en derde lid.
@@ -2906,11 +2910,11 @@
- b. de vreemdeling een actuele en ernstige bedreiging voor de openbare orde of de nationale veiligheid vormt.
2. De EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen van de vreemdeling op wiens document, bedoeld in [artikel 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=9&z=2024-07-25&g=2024-07-25), de aantekening, bedoeld in [artikel 45c, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=5&paragraaf=1&artikel=45c&z=2024-07-25&g=2024-07-25), is geplaatst, kan worden ingetrokken, indien:
2. De EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen van de vreemdeling op wiens document, bedoeld in [artikel 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=9&z=2025-03-28&g=2025-03-28), de aantekening, bedoeld in [artikel 45c, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=5&paragraaf=1&artikel=45c&z=2025-03-28&g=2025-03-28), is geplaatst, kan worden ingetrokken, indien:
- a. er ernstige redenen zijn om aan te nemen dat de vreemdeling zich schuldig heeft gemaakt aan een van de misdrijven of daden, bedoeld in artikel 1, onder F, van het Vluchtelingenverdrag dan wel heeft aangezet tot of anderszins heeft deelgenomen aan deze misdrijven of daden; of
- b. de vreemdeling feiten verkeerd heeft weergegeven of heeft achtergehouden, of valse documenten heeft gebruikt, en dit doorslaggevend is geweest voor de verlening van de verblijfsvergunning, bedoeld in [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=28&z=2024-07-25&g=2024-07-25).
- b. de vreemdeling feiten verkeerd heeft weergegeven of heeft achtergehouden, of valse documenten heeft gebruikt, en dit doorslaggevend is geweest voor de verlening van de verblijfsvergunning, bedoeld in [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=28&z=2025-03-28&g=2025-03-28).
3. De EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen wordt ingetrokken, indien:
@@ -2922,15 +2926,15 @@
##### Artikel 45e
Het bij of krachtens de [artikelen 23](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=3&paragraaf=3&artikel=23&z=2024-07-25&g=2024-07-25), [24](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=3&paragraaf=3&artikel=24&z=2024-07-25&g=2024-07-25) en [24a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=3&paragraaf=3&artikel=24a&z=2024-07-25&g=2024-07-25) bepaalde is van overeenkomstige toepassing op de aanvraag tot het verlenen van een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen.
Het bij of krachtens de [artikelen 23](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=3&paragraaf=3&artikel=23&z=2025-03-28&g=2025-03-28), [24](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=3&paragraaf=3&artikel=24&z=2025-03-28&g=2025-03-28) en [24a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=3&paragraaf=3&artikel=24a&z=2025-03-28&g=2025-03-28) bepaalde is van overeenkomstige toepassing op de aanvraag tot het verlenen van een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen.
##### Artikel 45f
1. Indien Onze Minister voornemens is de aanvraag tot het verlenen van een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen af te wijzen en de vreemdeling in het bezit is van een verblijfsvergunning als bedoeld in [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=28&z=2024-07-25&g=2024-07-25) of [artikel 33](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=2&artikel=33&z=2024-07-25&g=2024-07-25), is het bij of krachtens [artikel 39](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=3&artikel=39&z=2024-07-25&g=2024-07-25) bepaalde van overeenkomstige toepassing.
2. Indien Onze Minister voornemens is de aanvraag van de vreemdeling die in het bezit is van een verblijfsvergunning als bedoeld in [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=28&z=2024-07-25&g=2024-07-25) of [artikel 33](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=2&artikel=33&z=2024-07-25&g=2024-07-25), tot het verlenen van een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen in te willigen, zonder op het aan de vreemdeling te verstrekken document, bedoeld in [artikel 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=9&z=2024-07-25&g=2024-07-25), de aantekening als bedoeld in [artikel 45c, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=5&paragraaf=1&artikel=45c&z=2024-07-25&g=2024-07-25), te plaatsen, is het bij of krachtens [artikel 39](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=3&artikel=39&z=2024-07-25&g=2024-07-25) bepaalde van overeenkomstige toepassing.
3. Indien Onze Minister voornemens is om de EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen met op het aan de vreemdeling verstrekte document, bedoeld in [artikel 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=9&z=2024-07-25&g=2024-07-25), de aantekening als bedoeld in [artikel 45c, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=5&paragraaf=1&artikel=45c&z=2024-07-25&g=2024-07-25), in te trekken, is [artikel 41](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=3&artikel=41&z=2024-07-25&g=2024-07-25) van overeenkomstige toepassing.
1. Indien Onze Minister voornemens is de aanvraag tot het verlenen van een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen af te wijzen en de vreemdeling in het bezit is van een verblijfsvergunning als bedoeld in [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=28&z=2025-03-28&g=2025-03-28) of [artikel 33](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=2&artikel=33&z=2025-03-28&g=2025-03-28), is het bij of krachtens [artikel 39](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=3&artikel=39&z=2025-03-28&g=2025-03-28) bepaalde van overeenkomstige toepassing.
2. Indien Onze Minister voornemens is de aanvraag van de vreemdeling die in het bezit is van een verblijfsvergunning als bedoeld in [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=28&z=2025-03-28&g=2025-03-28) of [artikel 33](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=2&artikel=33&z=2025-03-28&g=2025-03-28), tot het verlenen van een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen in te willigen, zonder op het aan de vreemdeling te verstrekken document, bedoeld in [artikel 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=9&z=2025-03-28&g=2025-03-28), de aantekening als bedoeld in [artikel 45c, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=5&paragraaf=1&artikel=45c&z=2025-03-28&g=2025-03-28), te plaatsen, is het bij of krachtens [artikel 39](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=3&artikel=39&z=2025-03-28&g=2025-03-28) bepaalde van overeenkomstige toepassing.
3. Indien Onze Minister voornemens is om de EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen met op het aan de vreemdeling verstrekte document, bedoeld in [artikel 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=9&z=2025-03-28&g=2025-03-28), de aantekening als bedoeld in [artikel 45c, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=5&paragraaf=1&artikel=45c&z=2025-03-28&g=2025-03-28), in te trekken, is [artikel 41](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=3&artikel=41&z=2025-03-28&g=2025-03-28) van overeenkomstige toepassing.
#### Paragraaf 2. Procedurele bepalingen
@@ -2950,7 +2954,7 @@
1. De EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen wordt verleend met ingang van de datum waarop de vreemdeling heeft aangetoond dat hij aan alle voorwaarden voldoet.
2. Indien de vreemdeling de aanvraag tot verlening van de EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen dan wel de gegevens waaruit blijkt dat aan de voorwaarden wordt voldaan, niet tijdig heeft ingediend en hem dit niet is toe te rekenen, wordt de EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen verleend met ingang van de dag na die waarop de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning, bedoeld in [artikel 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=14&z=2024-07-25&g=2024-07-25) dan wel [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=28&z=2024-07-25&g=2024-07-25) afloopt.
2. Indien de vreemdeling de aanvraag tot verlening van de EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen dan wel de gegevens waaruit blijkt dat aan de voorwaarden wordt voldaan, niet tijdig heeft ingediend en hem dit niet is toe te rekenen, wordt de EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen verleend met ingang van de dag na die waarop de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning, bedoeld in [artikel 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=14&z=2025-03-28&g=2025-03-28) dan wel [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=28&z=2025-03-28&g=2025-03-28) afloopt.
### Hoofdstuk 4. Handhaving
@@ -3002,7 +3006,7 @@
##### Artikel 30a
1. Een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=28&z=2024-07-25&g=2024-07-25) kan niet-ontvankelijk worden verklaard in de zin van artikel 33 van de Procedurerichtlijn, indien:
1. Een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=28&z=2025-03-28&g=2025-03-28) kan niet-ontvankelijk worden verklaard in de zin van artikel 33 van de Procedurerichtlijn, indien:
- a. de vreemdeling in een andere lidstaat van de Europese Unie internationale bescherming geniet;
@@ -3012,7 +3016,7 @@
- d. de vreemdeling een opvolgende aanvraag heeft ingediend waaraan door de vreemdeling geen nieuwe elementen of bevindingen ten grondslag zijn gelegd of waarin geen nieuwe elementen of bevindingen aan de orde zijn gekomen die relevant kunnen zijn voor de beoordeling van de aanvraag; of
- e. aan de vreemdeling reeds een verblijfsvergunning is verleend op grond van [artikel 29, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=29&z=2024-07-25&g=2024-07-25).
- e. aan de vreemdeling reeds een verblijfsvergunning is verleend op grond van [artikel 29, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=29&z=2025-03-28&g=2025-03-28).
2. Het besluit een aanvraag niet-ontvankelijk te verklaren, wordt voor de toepassing van het bepaalde bij of krachtens deze wet gelijkgesteld met een afwijzing.
@@ -3020,9 +3024,9 @@
##### Artikel 30b
1. Een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=28&z=2024-07-25&g=2024-07-25) kan worden afgewezen als kennelijk ongegrond in de zin van artikel 32, tweede lid, van de Procedurerichtlijn, indien:
- a. de vreemdeling bij de indiening van zijn aanvraag en de toelichting van de feiten alleen aangelegenheden aan de orde heeft gesteld die niet ter zake doen met betrekking tot de vraag of hij in aanmerking komt voor verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=28&z=2024-07-25&g=2024-07-25);
1. Een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=28&z=2025-03-28&g=2025-03-28) kan worden afgewezen als kennelijk ongegrond in de zin van artikel 32, tweede lid, van de Procedurerichtlijn, indien:
- a. de vreemdeling bij de indiening van zijn aanvraag en de toelichting van de feiten alleen aangelegenheden aan de orde heeft gesteld die niet ter zake doen met betrekking tot de vraag of hij in aanmerking komt voor verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=28&z=2025-03-28&g=2025-03-28);
- b. de vreemdeling afkomstig is uit een veilig land van herkomst in de zin van de artikelen 36 en 37 van de Procedurerichtlijn;
@@ -3030,11 +3034,11 @@
- d. de vreemdeling waarschijnlijk, te kwader trouw, een identiteits- of reisdocument dat ertoe kon bijdragen dat zijn identiteit of nationaliteit werd vastgesteld, heeft vernietigd of zich daarvan heeft ontdaan;
- e. de vreemdeling kennelijk inconsequente en tegenstrijdige, kennelijk valse of duidelijk onwaarschijnlijke verklaringen heeft afgelegd die strijdig zijn met voldoende geverifieerde informatie over het land van herkomst, waardoor zijn verklaringen alle overtuigingskracht wordt ontnomen met betrekking tot de vraag of hij in aanmerking komt voor verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=28&z=2024-07-25&g=2024-07-25);
- e. de vreemdeling kennelijk inconsequente en tegenstrijdige, kennelijk valse of duidelijk onwaarschijnlijke verklaringen heeft afgelegd die strijdig zijn met voldoende geverifieerde informatie over het land van herkomst, waardoor zijn verklaringen alle overtuigingskracht wordt ontnomen met betrekking tot de vraag of hij in aanmerking komt voor verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=28&z=2025-03-28&g=2025-03-28);
- f. de vreemdeling zijn aanvraag enkel heeft ingediend teneinde zijn uitzetting of overdracht uit te stellen of te verijdelen;
- g. de vreemdeling een opvolgende aanvraag heeft ingediend en deze niet overeenkomstig [artikel 30a, eerste lid, onderdeel d of e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=30a&z=2024-07-25&g=2024-07-25), niet-ontvankelijk is verklaard;
- g. de vreemdeling een opvolgende aanvraag heeft ingediend en deze niet overeenkomstig [artikel 30a, eerste lid, onderdeel d of e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=30a&z=2025-03-28&g=2025-03-28), niet-ontvankelijk is verklaard;
- h. de vreemdeling Nederland onrechtmatig is binnengekomen of zijn verblijf op onrechtmatige wijze heeft verlengd en zich, gezien de omstandigheden van zijn binnenkomst, zonder gegronde reden niet zo snel mogelijk bij een ambtenaar belast met de grensbewaking of het toezicht op vreemdelingen heeft aangemeld, en daar kenbaar heeft gemaakt dat hij internationale bescherming wenst;
@@ -3048,7 +3052,7 @@
##### Artikel 30c
1. Een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=28&z=2024-07-25&g=2024-07-25) kan buiten behandeling worden gesteld in de zin van artikel 28 van de Procedurerichtlijn, indien:
1. Een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=28&z=2025-03-28&g=2025-03-28) kan buiten behandeling worden gesteld in de zin van artikel 28 van de Procedurerichtlijn, indien:
- a. de vreemdeling heeft nagelaten te antwoorden op verzoeken om informatie te verstrekken die van wezenlijk belang is voor zijn aanvraag;
@@ -3074,11 +3078,11 @@
##### Artikel 59b
1. De vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft op grond van [artikel 8, onder f, g of h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=8&z=2024-07-25&g=2024-07-25), voor zover dit betrekking heeft op een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=28&z=2024-07-25&g=2024-07-25), kan door Onze Minister in bewaring worden gesteld, indien:
1. De vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft op grond van [artikel 8, onder f, g of h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=8&z=2025-03-28&g=2025-03-28), voor zover dit betrekking heeft op een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=28&z=2025-03-28&g=2025-03-28), kan door Onze Minister in bewaring worden gesteld, indien:
- a. bewaring noodzakelijk is met het oog op vaststelling van de identiteit of nationaliteit van de vreemdeling;
- b. bewaring noodzakelijk is met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=28&z=2024-07-25&g=2024-07-25), met name indien er sprake is van een risico op onttrekking;
- b. bewaring noodzakelijk is met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=28&z=2025-03-28&g=2025-03-28), met name indien er sprake is van een risico op onttrekking;
- c. de vreemdeling:
@@ -3090,21 +3094,21 @@
- d. de vreemdeling een gevaar vormt voor de nationale veiligheid of openbare orde als bedoeld in artikel 8, derde lid, onderdeel e, van de Opvangrichtlijn.
2. De bewaring krachtens het eerste lid, onderdeel a, b of c, duurt niet langer dan vier weken, tenzij toepassing is gegeven aan [artikel 39](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=3&artikel=39&z=2024-07-25&g=2024-07-25). In dat geval duurt de bewaring niet langer dan zes weken.
3. De bewaring krachtens het eerste lid, onderdeel a, b of c, kan worden verlengd met ten hoogste drie maanden indien de vreemdeling rechtmatig verblijf heeft op grond van [artikel 8, onder h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=8&z=2024-07-25&g=2024-07-25).
2. De bewaring krachtens het eerste lid, onderdeel a, b of c, duurt niet langer dan vier weken, tenzij toepassing is gegeven aan [artikel 39](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=3&artikel=39&z=2025-03-28&g=2025-03-28). In dat geval duurt de bewaring niet langer dan zes weken.
3. De bewaring krachtens het eerste lid, onderdeel a, b of c, kan worden verlengd met ten hoogste drie maanden indien de vreemdeling rechtmatig verblijf heeft op grond van [artikel 8, onder h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=8&z=2025-03-28&g=2025-03-28).
4. De bewaring krachtens het eerste lid, onderdeel d, duurt niet langer dan zes maanden.
5. Onze Minister kan de bewaring krachtens het eerste lid, onderdeel d, met ten hoogste negen maanden verlengen, indien er sprake is van:
- a. complexe feitelijke en juridische omstandigheden die betrekking hebben op de behandeling van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=28&z=2024-07-25&g=2024-07-25); en
- a. complexe feitelijke en juridische omstandigheden die betrekking hebben op de behandeling van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=28&z=2025-03-28&g=2025-03-28); en
- b. een zwaarwegend belang van openbare orde of nationale veiligheid.
##### Artikel 59c
1. Onze Minister stelt een vreemdeling slechts in bewaring op grond van [artikel 59](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=5&artikel=59&z=2024-07-25&g=2024-07-25), [59a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=5&artikel=59a&z=2024-07-25&g=2024-07-25) of [59b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=5&artikel=59b&z=2024-07-25&g=2024-07-25), voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast.
1. Onze Minister stelt een vreemdeling slechts in bewaring op grond van [artikel 59](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=5&artikel=59&z=2025-03-28&g=2025-03-28), [59a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=5&artikel=59a&z=2025-03-28&g=2025-03-28) of [59b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=5&artikel=59b&z=2025-03-28&g=2025-03-28), voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast.
2. Bewaring van een vreemdeling blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de bewaring.
@@ -3132,21 +3136,21 @@
##### Artikel 83b
1. Indien de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=28&z=2024-07-25&g=2024-07-25) is afgewezen binnen een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen aantal dagen, dat niet de dagen van de rust- en voorbereidingstermijn omvat, doet de rechtbank binnen vier weken na het instellen van het beroep uitspraak.
2. Indien de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=28&z=2024-07-25&g=2024-07-25) is afgewezen in andere dan de in het eerste lid bedoelde gevallen, doet de rechtbank binnen drieëntwintig weken na het instellen van het beroep uitspraak.
1. Indien de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=28&z=2025-03-28&g=2025-03-28) is afgewezen binnen een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen aantal dagen, dat niet de dagen van de rust- en voorbereidingstermijn omvat, doet de rechtbank binnen vier weken na het instellen van het beroep uitspraak.
2. Indien de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=28&z=2025-03-28&g=2025-03-28) is afgewezen in andere dan de in het eerste lid bedoelde gevallen, doet de rechtbank binnen drieëntwintig weken na het instellen van het beroep uitspraak.
3. In afwijking van het tweede lid doet de rechtbank binnen vier weken na het instellen van het beroep uitspraak, indien de aanvraag:
- a. niet in behandeling is genomen op grond van [artikel 30](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=30&z=2024-07-25&g=2024-07-25);
- b. niet-ontvankelijk is verklaard op grond van [artikel 30a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=30a&z=2024-07-25&g=2024-07-25);
- c. is afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van [artikel 30b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=30b&z=2024-07-25&g=2024-07-25);
- a. niet in behandeling is genomen op grond van [artikel 30](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=30&z=2025-03-28&g=2025-03-28);
- b. niet-ontvankelijk is verklaard op grond van [artikel 30a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=30a&z=2025-03-28&g=2025-03-28);
- c. is afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van [artikel 30b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=30b&z=2025-03-28&g=2025-03-28);
- d. is afgewezen met toepassing van [artikel 4:6 van de Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:6), onder verwijzing naar een besluit waarin met toepassing van de Dublinverordening is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag; of
- e. buiten behandeling is gesteld op grond van [artikel 30c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=30c&z=2024-07-25&g=2024-07-25).
- e. buiten behandeling is gesteld op grond van [artikel 30c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=30c&z=2025-03-28&g=2025-03-28).
4. In de gevallen, bedoeld in het eerste en derde lid, is [artikel 8:52, tweede en derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=8:52) van overeenkomstige toepassing.
@@ -3158,13 +3162,13 @@
2. [Artikel 8:108, eerste en derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht is](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=8:108) niet van toepassing.
3. Deze afdeling, met uitzondering van [artikel 86](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=7&afdeling=4&artikel=86&z=2024-07-25&g=2024-07-25), is van overeenkomstige toepassing op het incidenteel hoger beroep. Voor zover nodig in afwijking van [artikel 8:110 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=8:110) zijn de termijnen voor het instellen van incidenteel hoger beroep als bedoeld in het tweede lid van dat artikel en voor het naar voren brengen van de zienswijze, bedoeld in het derde lid van dat artikel, gelijk aan de termijn voor het instellen van hoger beroep.
3. Deze afdeling, met uitzondering van [artikel 86](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=7&afdeling=4&artikel=86&z=2025-03-28&g=2025-03-28), is van overeenkomstige toepassing op het incidenteel hoger beroep. Voor zover nodig in afwijking van [artikel 8:110 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=8:110) zijn de termijnen voor het instellen van incidenteel hoger beroep als bedoeld in het tweede lid van dat artikel en voor het naar voren brengen van de zienswijze, bedoeld in het derde lid van dat artikel, gelijk aan de termijn voor het instellen van hoger beroep.
4. De [artikelen 8:110 tot en met 8:112 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=8:110) zijn niet van toepassing op een hoger beroep:
- a. als bedoeld in [artikel 95, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=7&afdeling=5&artikel=95&z=2024-07-25&g=2024-07-25);
- b. inzake een terugkeerbesluit of een inreisverbod, tenzij dat besluit of verbod deel uitmaakt van of wordt opgelegd tegelijk met het besluit op een aanvraag om een verblijfsvergunning als bedoeld in [artikel 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=14&z=2024-07-25&g=2024-07-25), [20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=20&z=2024-07-25&g=2024-07-25), [28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=28&z=2024-07-25&g=2024-07-25) of [33](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=2&artikel=33&z=2024-07-25&g=2024-07-25), dan wel ingevolge [artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=6:19) wordt betrokken bij het hoger beroep tegen een dergelijk besluit.
- a. als bedoeld in [artikel 95, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=7&afdeling=5&artikel=95&z=2025-03-28&g=2025-03-28);
- b. inzake een terugkeerbesluit of een inreisverbod, tenzij dat besluit of verbod deel uitmaakt van of wordt opgelegd tegelijk met het besluit op een aanvraag om een verblijfsvergunning als bedoeld in [artikel 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=14&z=2025-03-28&g=2025-03-28), [20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=20&z=2025-03-28&g=2025-03-28), [28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=28&z=2025-03-28&g=2025-03-28) of [33](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=2&artikel=33&z=2025-03-28&g=2025-03-28), dan wel ingevolge [artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=6:19) wordt betrokken bij het hoger beroep tegen een dergelijk besluit.
### Afdeling 5. Bijzondere rechtsmiddelen
@@ -3188,7 +3192,7 @@
De verplichtingen die voor Nederland voortvloeien uit de Terugkeerrichtlijn, gelden niet ten aanzien van vreemdelingen:
- a. aan wie, anders dan na indiening van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=28&z=2024-07-25&g=2024-07-25), de toegang is geweigerd overeenkomstig artikel 14 van de Schengengrenscode en die vervolgens geen rechtmatig verblijf als bedoeld in [artikel 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=8&z=2024-07-25&g=2024-07-25) hebben verkregen; of
- a. aan wie, anders dan na indiening van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=4&paragraaf=1&artikel=28&z=2025-03-28&g=2025-03-28), de toegang is geweigerd overeenkomstig artikel 14 van de Schengengrenscode en die vervolgens geen rechtmatig verblijf als bedoeld in [artikel 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=8&z=2025-03-28&g=2025-03-28) hebben verkregen; of
- b. jegens wie een procedure van uitlevering als bedoeld in de [Uitleveringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002559) loopt.
@@ -3202,7 +3206,7 @@
##### Artikel 50a
1. De ambtenaren belast met de grensbewaking en de ambtenaren belast met het toezicht op vreemdelingen, zijn bevoegd een vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft als bedoeld in [artikel 8, aanhef en onder f tot en met h en m](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=8&z=2024-07-25&g=2024-07-25) staande te houden, over te brengen naar een plaats bestemd voor verhoor en aldaar op te houden, indien dit nodig is voor de voorbereiding van een besluit omtrent inbewaringstelling van de vreemdeling op grond van [artikel 59, eerste lid, aanhef en onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=5&artikel=59&z=2024-07-25&g=2024-07-25), [59a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=5&artikel=59a&z=2024-07-25&g=2024-07-25) of [59b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=5&artikel=59b&z=2024-07-25&g=2024-07-25). De ophouding duurt ten hoogste zes uren, met dien verstande dat de tijd tussen middernacht en negen uur voormiddags niet wordt meegerekend.
1. De ambtenaren belast met de grensbewaking en de ambtenaren belast met het toezicht op vreemdelingen, zijn bevoegd een vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft als bedoeld in [artikel 8, aanhef en onder f tot en met h en m](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=8&z=2025-03-28&g=2025-03-28) staande te houden, over te brengen naar een plaats bestemd voor verhoor en aldaar op te houden, indien dit nodig is voor de voorbereiding van een besluit omtrent inbewaringstelling van de vreemdeling op grond van [artikel 59, eerste lid, aanhef en onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=5&artikel=59&z=2025-03-28&g=2025-03-28), [59a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=5&artikel=59a&z=2025-03-28&g=2025-03-28) of [59b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=5&artikel=59b&z=2025-03-28&g=2025-03-28). De ophouding duurt ten hoogste zes uren, met dien verstande dat de tijd tussen middernacht en negen uur voormiddags niet wordt meegerekend.
2. De in het eerste lid bedoelde ambtenaren zijn bevoegd de opgehouden persoon aan diens kleding of lichaam te onderzoeken, alsmede zaken van deze persoon te doorzoeken.
2024-07-25
Vreemdelingenwet 2000 — art. 111
2024-01-01
Vreemdelingenwet 2000 — art. 111
2023-11-29
Vreemdelingenwet 2000 — art. 111
2023-10-01
Vreemdelingenwet 2000 — arts. 111, 1
2022-10-01
Vreemdelingenwet 2000 — art. 111
2022-01-01
Vreemdelingenwet 2000 — art. 111
2021-07-01
Vreemdelingenwet 2000 — art. 111
2021-02-20
Vreemdelingenwet 2000 — art. 111
2020-05-14
Vreemdelingenwet 2000 — art. 111
2020-01-01
Vreemdelingenwet 2000 — art. 111
2019-02-27
Vreemdelingenwet 2000 — art. 111
2018-07-28
Vreemdelingenwet 2000 — art. 111
2018-05-25
Vreemdelingenwet 2000 — arts. 111, 111
2018-05-01
Vreemdelingenwet 2000 — art. 111
2017-12-16
Vreemdelingenwet 2000 — art. 111
2017-10-01
Vreemdelingenwet 2000 — arts. 111, 111
2017-07-01
Vreemdelingenwet 2000 — art. 111
2017-01-01
Vreemdelingenwet 2000 — art. 111
2015-07-20
Vreemdelingenwet 2000 — art. 111
2015-01-01
Vreemdelingenwet 2000 — art. 111
2014-11-01
Vreemdelingenwet 2000 — art. 111
2014-04-01
Vreemdelingenwet 2000 — art. 111
2014-03-29
Vreemdelingenwet 2000 — art. 111
2014-03-22
Vreemdelingenwet 2000 — art. 111
2014-03-01
Vreemdelingenwet 2000 — art. 111
2014-01-01
Vreemdelingenwet 2000 — art. 111
2013-09-21
Vreemdelingenwet 2000 — art. 111
2013-07-01
Vreemdelingenwet 2000 — art. 111
2013-06-01
Vreemdelingenwet 2000 — art. 111
2013-03-09
Vreemdelingenwet 2000 — art. 111
2013-01-01
Vreemdelingenwet 2000 — art. 111
2012-07-07
Vreemdelingenwet 2000 — art. 111
2012-01-01
Vreemdelingenwet 2000 — art. 111
2011-12-31
Vreemdelingenwet 2000 — art. 111
2010-09-01
Vreemdelingenwet 2000 — art. 111
2010-07-01
Vreemdelingenwet 2000 — art. 111
2010-04-01
Vreemdelingenwet 2000 — art. 111
2009-03-25
Vreemdelingenwet 2000 — art. 111
2008-05-01
Vreemdelingenwet 2000 — art. 111
2008-04-25
Vreemdelingenwet 2000 — art. 111
2008-03-26
Vreemdelingenwet 2000 — art. 111
2007-12-19
Vreemdelingenwet 2000 — art. 111
2007-09-01
Vreemdelingenwet 2000 — art. 111
2007-05-09
Vreemdelingenwet 2000 — art. 111
2007-03-01
Vreemdelingenwet 2000 — art. 111
2007-01-01
Vreemdelingenwet 2000 — art. 111
2006-12-01
Vreemdelingenwet 2000 — art. 111
2006-10-11
Vreemdelingenwet 2000 — art. 111
2006-03-15
Vreemdelingenwet 2000 — art. 111
2006-02-01
Vreemdelingenwet 2000 — art. 111
2005-03-01
Vreemdelingenwet 2000 — art. 111
2005-02-15
Vreemdelingenwet 2000 — art. 111
2005-01-01
Vreemdelingenwet 2000 — art. 111
2004-09-15
Vreemdelingenwet 2000 — art. 111
2004-09-01
Vreemdelingenwet 2000 — art. 111
2004-05-01
Vreemdelingenwet 2000 — art. 111
2003-12-23
Vreemdelingenwet 2000 — art. 111
2003-09-01
Vreemdelingenwet 2000 — arts. 111, 111
2002-01-01
Vreemdelingenwet 2000 — arts. 1, 2, 2 y 219 más
2002-01-01
Vreemdelingenwet 2000
original version Tekst op deze datum