Besluit van 14 december 2000, houdende vaststelling van een algemene maatregel van bestuur ter uitvoering van de Wet personenvervoer 2000 (Besluit personenvervoer 2000)

Type AMvB
Publication 2025-07-01
State In force
Source BWB
artikelen 329
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
2.

De erkende natuurlijke persoon of rechtspersoon, als bedoeld in artikel 9:1, eerste lid, van de Arbeidstijdenwet gebruikt ten behoeve van het installeren, onderzoeken of herstellen van de boordcomputer een door Onze Minister verstrekte keuringskaart.

3.

Met het besturen van een auto waarmee taxivervoer wordt verricht, wordt slechts diegene belast, die in het bezit is van een geldige, behoorlijk leesbare, door Onze Minister verstrekte chauffeurskaart.

4.

Voor bij ministeriële regeling aan te wijzen soorten taxidiensten waarbij gedurende een bepaalde periode meermalen taxivervoer wordt verricht volgens een schriftelijke overeenkomst waarin tarieven zijn vastgelegd, kan in de plaats van de in het derde lid bedoelde chauffeurskaart volstaan worden met een chauffeurskaart onder beperkingen.

5.

De bestuurder van een auto waarmee taxivervoer wordt verricht, is in het bezit van een door Onze Minister verstrekte chauffeurskaart of chauffeurskaart onder beperkingen en gebruikt deze kaart ten behoeve van een deugdelijke registratie van de gegevens, bedoeld in artikel 79, derde tot en met vijfde lid.

6.

Ten behoeve van het toezicht op de naleving van het bepaalde krachtens het vierde lid, is in een auto waarmee een in het vierde lid bedoelde taxidienst wordt verricht het deel van de administratie aanwezig waarmee kan worden aangetoond dat daadwerkelijk de in het vierde lid bedoelde soort taxidienst wordt verricht.

7.

Bij ministeriële regeling kunnen eisen gesteld worden aan het deel van de administratie, bedoeld in het zesde lid.

8.

Ingeval van verlies, diefstal, beschadiging of een defect van de ondernemerskaart respectievelijk de chauffeurskaart geldt in plaats van de verplichtingen, bedoeld in het eerste en vijfde lid, het bij ministeriële regeling bepaalde.

Artikel 82
1.

Bij de aanvraag voor de chauffeurskaart worden de volgende documenten overgelegd:

  • a. een rijbewijs als bedoeld in de Wegenverkeerswet 1994 dan wel een door het bevoegde gezag buiten Nederland afgegeven rijbewijs, dat geldig is voor het besturen van het motorrijtuig waarmee wordt gereden;
  • b. een geneeskundige verklaring die niet ouder is dan vier maanden, die voldoet aan de eisen, bedoeld in artikel 74, eerste lid;
  • c. een met het oog op het uitoefenen van het beroep van taxichauffeur verleende verklaring omtrent het gedrag overeenkomstig de bepalingen van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens, die niet ouder is dan vier maanden;
  • d. een door Onze Minister erkend getuigschrift van met goed gevolg afgelegde examens waarbij ten minste de kennis is vastgesteld van de door Onze Minister vastgestelde onderwerpen, waarbij onderscheid gemaakt kan worden tussen verschillende soorten taxidiensten;
  • e. een niet beschadigde, recente, goed gelijkende pasfoto van de aanvrager, die voldoet aan alle acceptatiecriteria zoals die zijn opgenomen in de bij de Paspoortuitvoeringsregeling Nederland 2001 behorende fotomatrix.
2.

Op de aanvrager die woonachtig is in een andere lidstaat dan Nederland, dan wel een andere staat die partij is bij de EER, is voor wat betreft de verklaring omtrent het gedrag, artikel 22, tweede lid, van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat het document of de verklaring niet ouder is dan vier maanden.

3.

Bij ministeriële regeling kan worden bepaald van welke onderwerpen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, vrijstelling kan worden verleend.

4.

Onze Minister kan onder voorwaarden en beperkingen vrijstelling verlenen van de verplichting om het getuigschrift, bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, over te leggen.

5.

Indien naar het oordeel van Onze Minister niet of niet langer wordt voldaan aan de voorwaarden en beperkingen, bedoeld in het vierde lid, kan de vrijstelling worden ingetrokken.

6.

Indien Onze Minister vermoedt dat de bestuurder van een auto waarmee taxivervoer wordt verricht, niet meer voldoet aan de eisen voor het afgeven van een geneeskundige verklaring of een verklaring omtrent het gedrag, als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, respectievelijk c, kan Onze Minister verlangen dat die bestuurder zich binnen een door hem vast te stellen termijn aan een nieuw geneeskundig onderzoek onderwerpt, respectievelijk opnieuw verzoekt om afgifte van een verklaring omtrent het gedrag. De bestuurder overlegt binnen een door Onze Minister vast te stellen termijn de nieuwe geneeskundige verklaring of de nieuwe verklaring omtrent het gedrag.

7.

Een aanvrager van een chauffeurskaart die voorafgaand aan de verlening van die chauffeurskaart in het bezit is van een geldige chauffeurskaart, hoeft bij zijn aanvraag geen verklaring omtrent het gedrag als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, te overleggen, onverminderd de bevoegdheid om opnieuw afgifte van een verklaring omtrent het gedrag te verlangen, bedoeld in het zesde lid.

Artikel 83
1.

Onze Minister neemt een aanvraag om verlening van een boordcomputerkaart in behandeling nadat de bij ministeriële regeling vastgestelde vergoeding voor de kosten van deze behandeling is ontvangen.

2.

De boordcomputerkaarten hebben een geldigheidsduur van vijf jaar.

3.

Een boordcomputerkaart verliest zijn geldigheid door intrekking of schorsing en door het verstrijken van de geldigheidsduur.

4.

Een binnen de geldigheidsduur verloren, gestolen, defect geraakt, of beschadigde boordcomputerkaart, wordt vervangen door een vervangende kaart voor de resterende termijn van geldigheid.

5.

De houder van een chauffeurskaart of ondernemerskaart meldt verlies of diefstal van zijn boordcomputerkaart aan Onze Minister.

6.

De houder van een chauffeurskaart of ondernemerskaart levert een defecte, beschadigde of ingetrokken boordcomputerkaart in bij Onze Minister binnen een bij ministeriële regeling te bepalen termijn.

7.

Het vijfde en zesde lid zijn van overeenkomstige toepassing op de houder van een keuringskaart.

8.

Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over:

  • a. de wijze waarop de bestuurder en de vervoerder de chauffeurskaart, respectievelijk de ondernemerskaart gebruiken;
  • c. de aanvraag van de boordcomputerkaarten en van vervangende boordcomputerkaarten;
  • d. de verlening, afgifte, weigering, schorsing, intrekking en inname van de boordcomputerkaarten en de gronden daarvoor;
  • e. de wijze van melden in geval van verloren, gestolen, defecte of beschadigde boordcomputerkaarten;
  • f. de wijze van inleveren van de boordcomputerkaarten.
9.

In het kader van leer-werktrajecten en in het kader van tijdelijke en incidentele dienstverrichting als bedoeld in artikel 21 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties, kan door Onze Minister een chauffeurskaart worden verstrekt met een kortere geldigheidsduur dan de in het tweede lid bedoelde geldigheidsduur, dan wel ontheffing worden verleend van de in artikel 81, vijfde lid, bedoelde eis.

Hoofdstuk 7. Cabotagevervoer

Artikel 84

Vervallen

Artikel 85

Vervallen

Artikel 86

Vervallen

Artikel 87

Vervallen

Artikel 88

Vervallen

Hoofdstuk 7. Cabotagevervoer

§ 1. Definities

Artikel 89

Voor de toepassing van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

  • a. ASOR: Overeenkomst betreffende internationaal ongeregeld personenvervoer over de weg met autobussen als bedoeld in Besluit 82/505/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen houdende afsluiting van deze overeenkomst (PbEG L 230),
  • b. Interbus-overeenkomst: Overeenkomst betreffende het ongeregeld internationaal vervoer van personen met touringcars en met autobussen als bedoeld in Besluit 2002/917/EG van de Raad van de Europese Unie van 3 oktober 2002 houdende goedkeuring van deze overeenkomst (PbEG L 321),
  • c. Beneluxbeschikking: Beschikking van het Comité van Ministers van 20 december 1994 M(94)7, houdende de vaststelling van additionele bepalingen inzake het reizigersvervoer met touringcars en met autobussen op het grondgebied van een Beneluxstaat,
  • d. derde land: overeenkomstsluitende partij bij de ASOR, niet zijnde de Europese Gemeenschappen, een lidstaat dan wel een staat die partij is bij de EER of bij de Interbus-overeenkomst,
  • e. ander land: land, niet zijnde een lidstaat, land dat partij is bij de Interbus-overeenkomst of een derde land,
  • f. geregeld vervoer:
  • 1°. in de relatie met derde landen: geregeld vervoer als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de ASOR,
  • 2°. in de relatie met andere landen: geregeld vervoer als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de ASOR, tenzij anders bepaald in de met deze landen gesloten overeenkomsten,
  • 3°. in de relatie met landen die partij zijn bij de Interbus-overeenkomst: geregeld vervoer als bedoeld in artikel 3, derde lid, van de Interbus-overeenkomst,
  • g. een bijzondere vorm van geregeld vervoer:
  • 1°. in de relatie met derde landen: een bijzondere vorm van geregeld vervoer in de zin van artikel 3, tweede lid, van de ASOR,
  • 2°. in de relatie met andere landen: een bijzondere vorm van geregeld vervoer als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de ASOR, tenzij anders bepaald in de met deze landen gesloten overeenkomsten,
  • 3°. in de relatie met landen die partij zijn bij de Interbus-overeenkomst: een bijzondere vorm van geregeld vervoer als bedoeld in artikel 3, vierde lid, van de Interbus-overeenkomst,
  • h. pendelvervoer:
  • 1°. in de relatie met derde landen: pendelvervoer als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de ASOR,
  • 2°. in de relatie met andere landen: pendelvervoer als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de ASOR, tenzij anders bepaald in de met deze landen gesloten overeenkomsten,
  • 3°. in de relatie met landen die partij zijn bij de Interbus-overeenkomst: pendelvervoer als bedoeld in artikel 3, vijfde lid, van de Interbus-overeenkomst,
  • i. ongeregeld vervoer:
  • 1°. in de relatie met andere Beneluxlanden: ongeregeld vervoer in de zin van artikel 4 van de Beneluxbeschikking,
  • 2°. in de relatie met derde landen: ongeregeld vervoer in de zin van artikel 2, eerste lid, van de ASOR voor zover dat vervoer beantwoordt aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 1 van deze overeenkomst,
  • 3°. in de relatie met andere landen: het grensoverschrijdend vervoer van personen met autobussen dat noch aan de definitie van geregeld vervoer in de onderdeel i, noch aan de definitie van pendelvervoer in onderdeel i voldoet, omvattende:
  • –. het vervoer in gesloten rondritten, daaronder begrepen vervoer met hetzelfde voertuig dat dezelfde groep reizigers over het gehele traject vervoert en naar de plaats van vertrek terugbrengt,
  • –. het vervoer waarbij de heenreis met en de terugreis zonder reizigers plaatsvindt,
  • –. alle andere vormen van vervoer.
  • 4°. in relatie met landen die partij zijn bij de Interbus-overeenkomst: ongeregeld internationaal vervoer als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de Interbusovereenkomst,

§ 2. Algemene bepalingen

Artikel 90

Vervallen

Artikel 91
1.

Onze Minister beslist op een aanvraag om een vergunning, een attest of een bewijs van toelating voor internationaal vervoer als bedoeld in dit hoofdstuk. Hij kan ambtshalve of op verzoek de vergunning, het attest of het bewijs van toelating vernieuwen, wijzigen of intrekken. De vergunning kan tevens ambtshalve worden geschorst.

2.

Reisbladenboekjes als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de ASOR, alsmede in artikel 11 van de Interbus-overeenkomst worden voor Nederland afgegeven door Onze Minister.

3.

Een kopie van het reisblad als bedoeld in artikel 13 van de ASOR, alsmede in artikel 13 van de Interbus-overeenkomst wordt op het hoofdkantoor van de desbetreffende vervoerder tenminste twee jaar bewaard.

Artikel 92

Vervallen

Artikel 93

Vervallen

Artikel 94

Hoofdstuk 2, paragrafen 1, 2 en 3, zijn van overeenkomstige toepassing op de verlening, wijziging of intrekking van vergunningen en documenten als bedoeld in dit hoofdstuk.

§ 2. Algemene bepalingen

Artikel 95

Vervallen

Artikel 96

Vervallen

Artikel 97

Vervallen

§ 3. Geregeld vervoer en een bijzondere vorm van geregeld vervoer van en naar andere lidstaten en staten die partij zijn bij de EER

Artikel 98
1.

Het is verboden geregeld vervoer of een bijzondere vorm van geregeld vervoer van en naar derde landen, landen die partij zijn bij de Interbus-overeenkomst of andere landen te verrichten zonder een daartoe strekkende vergunning.

2.

Een vergunning als bedoeld in het eerste lid wordt aan de in Nederland gevestigde vervoerder slechts verleend indien hem een communautaire vergunning is verleend.

3.

Tenzij met een land is overeengekomen dat geen vergunning is vereist, is het eerste lid eveneens van toepassing op vervoer dat voor niet-lucratieve en niet-commerciële doeleinden door een natuurlijke of rechtspersoon wordt verricht, en dat slechts een bijkomstige activiteit vormt.

Artikel 99
1.

Indien de vervoerder, aan wie een vergunning is verleend voor het verrichten van geregeld vervoer, het voornemen heeft de exploitatie te beëindigen voordat de vergunning haar geldigheid heeft verloren, stelt hij uiterlijk drie maanden vóór het tijdstip waarop hij zich voorstelt de exploitatie te beëindigen, Onze Minister schriftelijk in kennis van dit voornemen onder opgave van de redenen.

2.

De vervoerder maakt zijn voornemen op zodanige wijze kenbaar, dat de betrokken reizigers en overige belanghebbenden ervan kunnen kennis nemen.

Artikel 100

De vervoerder die geregeld vervoer of een bijzondere vorm van geregeld vervoer van en naar derde landen, landen die partij zijn bij de Interbus-overeenkomst of andere landen verricht, draagt er zorg voor dat in de bus waarmee dat vervoer wordt verricht de vergunning krachtens welke het vervoer wordt verricht of het door Onze Minister gewaarmerkt afschrift daarvan aanwezig is.

Artikel 101
1.

De in Nederland gevestigde vervoerder die geregeld vervoer of een bijzondere vorm van geregeld vervoer van en naar derde landen, landen die partij zijn bij de Interbus-overeenkomst of andere landen verricht, verstrekt aan Onze Minister binnen twee maanden na afloop van ieder kalenderjaar van elk in dat jaar per kwartaal verricht vervoer de gegevens in een vervoerverslag.

2.

Onze Minister stelt het model vast voor het vervoerverslag.

§ 3. Geregeld vervoer en een bijzondere vorm van geregeld vervoer van en naar andere lidstaten en staten die partij zijn bij de EER

Artikel 102
1.

Het is verboden pendelvervoer van en naar derde landen, landen die partij zijn bij de Interbus-overeenkomst en andere landen te verrichten zonder een daartoe strekkende vergunning, tenzij met een land is overeengekomen dat geen vergunning is vereist.

2.

Een vergunning als bedoeld in het eerste lid wordt aan de in Nederland gevestigde vervoerder slechts verleend indien hem een communautaire vergunning is verleend.

Artikel 103

De vervoerder die pendelvervoer van en naar derde landen, landen die partij zijn bij de Interbus-overeenkomst of andere landen verricht, draagt er zorg voor dat in de bus waarmee dat vervoer wordt verricht de vergunning krachtens welke het vervoer wordt verricht of het door Onze Minister gewaarmerkt afschrift daarvan aanwezig is.

§ 2. Algemene bepalingen

Artikel 104
1.

Het is vervoerders die in Nederland, België of Luxemburg zijn gevestigd, verboden ongeregeld vervoer te verrichten in strijd met de Beneluxbeschikking.

2.

Het is verboden met bussen die blijkens het kenteken zijn ingeschreven in derde landen, ongeregeld vervoer te verrichten in strijd met de ASOR.

3.

Het is verboden met bussen die blijkens het kenteken zijn ingeschreven in landen die partij zijn bij de Interbus-overeenkomst ongeregeld vervoer te verrichten in strijd met de Interbus-overeenkomst.

Artikel 105
1.

Het is verboden ongeregeld vervoer als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel c, van de ASOR, van en naar derde landen te verrichten zonder een daartoe strekkende vergunning, met uitzondering van het vervoer, bedoeld in artikel 5, tweede lid, van die overeenkomst.

2.

Het is verboden ongeregeld vervoer als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de Interbus-overeenkomst te verrichten zonder een daartoe strekkende vergunning als bedoeld in artikel 15 van de Interbus-overeenkomst, met uitzondering van het vervoer bedoeld in artikel 6 van die overeenkomst.

Artikel 106

Het is verboden met bussen die blijkens het kenteken zijn ingeschreven in een andere staat, ongeregeld vervoer te verrichten zonder een daartoe strekkende vergunning, tenzij met een staat is overeengekomen dat geen vergunning is vereist.

Artikel 107

De in Nederland gevestigde vervoerder die ongeregeld vervoer als bedoeld in deze paragraaf verricht, is houder van een communautaire vergunning.

Artikel 108

De vervoerder die ongeregeld vervoer verricht met bussen van en naar staten die partij zijn bij de Interbus-overeenkomst dan wel derde landen, draagt zorg dat in de bus waarmee het vervoer wordt verricht aanwezig is:

  • a. indien het betreft vervoer als bedoeld in artikel 5, eerste en tweede lid, van de ASOR van en naar derde landen en het wordt verricht door een in Nederland gevestigde vervoerder: het reisblad en het gewaarmerkt afschrift van de communautaire vergunning,
  • b. indien het betreft vervoer als bedoeld in artikel 5, derde lid, van de ASOR van en naar derde landen en het wordt verricht door een in Nederland gevestigde vervoerder: een gewaarmerkt afschrift van de vergunning en het gewaarmerkt afschrift van de communautaire vergunning,
  • c. indien het betreft vervoer als bedoeld in artikel 6 van de Interbus-overeenkomst van en naar landen die partij zijn bij die overeenkomst en het vervoer wordt verricht door een in Nederland gevestigde vervoerder: het reisblad en het gewaarmerkt afschrift van de communautaire vergunning,
  • d. indien het betreft vervoer als bedoeld in artikel 7 van de Interbus-overeenkomst van en naar landen die partij zijn bij die overeenkomst en het vervoer wordt verricht door een in Nederland gevestigde vervoerder: een gewaarmerkt afschrift van de vergunning en het gewaarmerkt afschrift van de communautaire vergunning.
Artikel 109

De vervoerder die ongeregeld vervoer van en naar derde landen verricht, draagt er zorg voor dat in de bus waarmee dat vervoer wordt verricht, indien het vervoer betreft waarvoor op grond van artikel 105 een vergunning is vereist, de vergunning krachtens welke het vervoer wordt verricht of het door Onze Minister gewaarmerkt afschrift daarvan aanwezig is.

§ 6. Ongeregeld vervoer met bussen uit lidstaten, derde landen, landen die partij zijn bij de Interbus-overeenkomst en andere landen

Artikel 110

Vervallen

Artikel 111

Vervallen

Artikel 112

Vervallen

Artikel 113

Vervallen

Artikel 114

De vervoerder die vervoer voor eigen rekening van en naar derde landen, landen die partij zijn bij de Interbus-overeenkomst of andere landen verricht, draagt er zorg voor dat in de bus waarmee vervoer wordt verricht, de vergunning krachtens welke het vervoer wordt verricht of een door Onze Minister gewaarmerkt afschrift daarvan aanwezig is.

§ 6. Ongeregeld vervoer met bussen uit lidstaten, derde landen, landen die partij zijn bij de Interbus-overeenkomst en andere landen

Artikel 115
1.

Artikel 76 van de wet is niet van toepassing op taxivervoer met een auto die blijkens het kenteken buiten Nederland is geregistreerd, mits het betreft:

  • a. vervoer in gesloten rondritten, dat wil zeggen vervoer dat begint en eindigt in het land waar de auto is ingeschreven en dat wordt uitgevoerd met dezelfde auto waarbij over het gehele traject dezelfde reizigers worden vervoerd,
  • b. vervoer waarbij de heenreis met reizigers en de terugreis naar het land waar de auto is ingeschreven, zonder reizigers geschiedt,
  • c. vervoer waarbij de heenreis zonder reizigers geschiedt teneinde reizigers op te halen die worden vervoerd naar een bestemming buiten Nederland,
  • d. vervoer waarbij de heenreis met reizigers geschiedt en waarbij de terugreis met andere reizigers geschiedt en de bestemming buiten Nederland ligt.
2.

Artikel 76 van de wet is evenmin van toepassing op taxivervoer met een auto die blijkens het kenteken is geregistreerd in België of Luxemburg, waarbij de heenreis zonder reizigers geschiedt teneinde reizigers op te nemen die de auto hadden besteld voordat de auto Nederland was binnengekomen.

3.

De vervoerder, bedoeld in het eerste en tweede lid, beschikt over een vergunning voor het verrichten van taxivervoer van het land waar de auto is geregistreerd.

Artikel 116

Vervallen

Artikel 117

De vervoerder, bedoeld in artikel 115, draagt er zorg voor dat in de auto aanwezig is:

  • a. een vergunning als bedoeld in artikel 115 of een gewaarmerkt afschrift hiervan,
  • b. een volledig en naar waarheid voor de aanvang van de rit ingevuld, bij ministeriële regeling vastgesteld controledocument waarop tenminste is aangeven naam en adres van de vervoerder, naam van de bestuurder, datum, kenteken en zo nodig plaatsnummer van de auto, plaats en tijdstip van vertrek van de rit en plaats en tijdstip van instappen en uitstappen van reizigers.

Hoofdstuk 9. Strafbepalingen

Artikel 118

Overtreding van elk van de voorschriften gesteld bij de artikelen 76, derde lid, 77, eerste en tweede lid, 78, eerste lid en 80 van de wet, en van de voorschriften gesteld bij of krachtens de artikelen 14, 19, 20, 26, 72a tot en met 83, 83a en 83b, 91, 98 tot en met 109 en 114 tot en met 117 van het besluit, vormt een strafbaar feit als bedoeld in artikel 1, onder 4°, van de Wet op de economische delicten.

Hoofdstuk 10. Overgangs- en slotbepalingen

§ 7. Vervoer voor eigen rekening

Artikel 119
1.

Artikel 6 is van toepassing op vervoer als bedoeld in artikel 5b van het Besluit personenvervoer, waarvan de overeenkomst op het moment van inwerkingtreding van dit besluit nog niet was beëindigd.

2.

Artikel 7 is van toepassing op vervoer als bedoeld in artikel 5c van het Besluit personenvervoer, waarvan de overeenkomst op het moment van inwerkingtreding van dit besluit nog niet was beëindigd

Artikel 120

In afwijking van artikel 12 geldt voor een beslissing op een aanvraag om verlening van een vergunning voor het verrichten van taxivervoer een termijn van zes maanden, voorzover deze aanvraag is gedaan voor 1 januari 2001.

Artikel 121
1.

Gedurende de periode dat vergunningen die krachtens de Wet personenvervoer zijn verleend, overeenkomstig artikel 112 of 113 van de Wet personenvervoer 2000 geldig blijven, behouden ook de op deze vergunningen verstrekte vergunningbewijzen hun geldigheid, behoudens het bepaalde in artikel 14.

2.

Artikel 16 is niet van toepassing op vergunningen als bedoeld in het eerste lid, die zijn verleend voor het verrichten van openbaar vervoer.

Artikel 122

Wijzigt dit besluit..

Artikel 123

Wijzigt dit besluit.

Artikel 124

Degene die in het bezit is van een verklaring die voor 1 oktober 1999 overeenkomstig artikel 10 van richtlijn nr. 96/26/EG is afgegeven door Onze Minister of door een andere lidstaat dan Nederland, dan wel door een andere staat die partij is bij de EER, voldoet aan de eis van vakbekwaamheid.

Artikel 125

Tot 1 juli 2001, wordt, in afwijking van artikel 28, aan de eis van vakbekwaamheid voor het verrichten van taxivervoer voldaan indien:

  • a. een vervoerder die taxivervoer verricht bij de aanvraag van een vergunning voor het verrichten van taxivervoer ten genoegen van Onze Minister aantoont in de periode van 1 juli 1999 tot 1 december 1999 gemiddeld minimaal 30 uur per week per auto taxivervoer te hebben verricht, waarbij is voldaan aan de eisen, gesteld bij of krachtens de artikelen 62 en 63 van de Wet personenvervoer en artikel 159 van het Besluit personenvervoer, zoals deze golden tot 1 januari 2000 en
  • b. voor 1 juli 2001 aan artikel 28, eerste lid, wordt voldaan, dan wel voor die datum, blijkens een door Onze Minister afgegeven verklaring wordt aangetoond dat een persoon als bedoeld in artikel 26, de laatste 5 jaar belast is geweest met het dagelijks beheer van een onderneming met als hoofdactiviteit taxivervoer krachtens een geldige vergunning.
Artikel 126

Degene aan wie op grond van artikel 29 van het Besluit personenvervoer, zoals dat luidde voor de inwerkingtreding van artikel 29, een ontheffing is verleend van de eis van vakbekwaamheid, blijft vanaf de inwerkingtreding van dit besluit ontheven van de eis van vakbekwaamheid onder de voorwaarden waaronder en gedurende de periode waarvoor die ontheffing is verleend.

Artikel 127

Vervallen

Artikel 128

Een geneeskundige verklaring die voor de inwerkingtreding van dit besluit op grond van artikel 157 van het Besluit personenvervoer is afgegeven en zijn geldigheid niet heeft verloren, wordt vanaf de inwerkingtreding van dit besluit gelijkgesteld met de verklaring, bedoeld in artikel 74.

Artikel 129

Een wijziging van richtlijn nr. 96/26/EG en richtlijn nr. 92/50/EEG gaat voor de toepassing van dit besluit gelden met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijn uitvoering moet zijn gegeven, tenzij bij ministerieel besluit, dat in de Staatscourant wordt bekendgemaakt, een ander tijdstip wordt vastgesteld.

§ 2. Aanpassing en intrekking van andere besluiten

Artikel 130

Wijzigt het Arbeidstijdenbesluit vervoer.

Artikel 131

Wijzigt het Besluit bedragen aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen.

Artikel 132

Wijzigt het Wijzigingsbesluit Wet op de rechterlijke organisatie en andere wetten in verband met de opheffing van de functie van verkeersschout (Stb. 155), en aanpassing van lagere regelgeving aan die wet.

Artikel 133

Wijzigt het Besluit gevonden voorwerpen.

Artikel 134

Wijzigt het Besluit goederenvervoer over de weg.

Artikel 135

Wijzigt het Besluit infrastructuurfonds.

Artikel 136

Wijzigt het Interimbesluit capaciteitstoewijzing spoorwegen.

Artikel 137

Wijzigt het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990).

Artikel 138

Wijzigt het Transactiebesluit 1994.

Artikel 139

Wijzigt het Uitvoeringsbesluit belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992.

Artikel 140

Wijzigt het Uitvoeringsbesluit motorrijtuigenbelasting 1994.

Artikel 141

Wijzigt het Voertuigreglement.

Artikel 142

Wijzigt het Vreemdelingenbesluit.

Artikel 143

Na de inwerkingtreding van dit besluit berusten de hierna genoemde ministeriële regelingen op de daarbij vermelde artikelen van dit besluit:

  • c. het besluit van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 27 maart 2000, nr. CDJZ/WVW/2000-343 (Stcrt. 77) berust op artikel 71,
  • d. de Regeling experiment meerjarenafspraken openbaar vervoer 2000 berust op artikel 72.
  • e. de Regeling maximumtarief en bekendmaking tarieven taxivervoer berust mede op artikel 73,

§ 3. Slotbepalingen

Artikel 144

Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

Artikel 145

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit personenvervoer 2000.

Bijlage. behorende bij artikel 35 van het Besluit personenvervoer 2000

1. openbaar vervoer per bus*

  • exclusief openbare wegen en uitsluitend voor openbaar vervoer openstaande wegen voor zover die onderdeel uitmaken van openbare wegen (bij voorbeeld busstroken op wegen, businhammen bij bushaltes)

§ 2. openbaar vervoer per tram of metro

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Artikel 72a

Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de verplichting voor de vervoerder die taxivervoer verricht om in of op de auto waarmee taxivervoer wordt verricht dan wel anderszins duidelijk kenbaar te maken op welke wijze een klacht als bedoeld in artikel 78, eerste lid, van de wet kan worden ingediend en op welke wijze deze wordt behandeld.

§ 5. Experimentenregeling

Hoofdstuk 7. Cabotagevervoer

Hoofdstuk 7. Cabotagevervoer

§ 1. Definities

§ 1. Definities

§ 1. Definities

§ 1. Definities

§ 1. Definities

§ 3. Geregeld vervoer en een bijzondere vorm van geregeld vervoer van en naar andere lidstaten en staten die partij zijn bij de EER

§ 5. Pendelvervoer van en naar derde landen, landen die partij zijn bij de Interbus-overeenkomst en andere landen

§ 7. Vervoer voor eigen rekening

Hoofdstuk 9. Strafbepalingen

Hoofdstuk 9. Strafbepalingen

§ 1. Overgangsbepalingen

§ 1. Overgangsbepalingen

§ 3. Slotbepalingen

Bijlage. behorende bij artikel 35 van het Besluit personenvervoer 2000

1. openbaar vervoer per bus*

  • exclusief openbare wegen en uitsluitend voor openbaar vervoer openstaande wegen voor zover die onderdeel uitmaken van openbare wegen (bij voorbeeld busstroken op wegen, businhammen bij bushaltes)

1. openbaar vervoer per bus*

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Artikel 4a

Artikel 32, tweede lid, onderdelen i, j en k, van de wet is niet van toepassing op openbaar vervoer anders dan per trein.

§ 3. Reisinformatie

Hoofdstuk 2. Vergunningen

§ 1. Verlening, wijziging, schorsing of intrekking

§ 1. Verlening, wijziging, schorsing of intrekking

§ 2. Vereisten aan vergunningen

§ 4. Eis van betrouwbaarheid

§ 5. Eis van kredietwaardigheid

§ 5. Eis van kredietwaardigheid

§ 6. Eis van vakbekwaamheid

Hoofdstuk 3. Concessies en aanbesteding

§ 7. Periodieke toetsing van de eisen van betrouwbaarheid, kredietwaardigheid en vakbekwaamheid

Artikel 36a
1.

Onverminderd in de situaties, bedoeld in artikel 5, lid 3bis, van de verordening (EG) nr. 1370/2007, kan bij wijze van tijdelijke maatregel een concessie voor openbaar vervoer per trein als bedoeld in artikel 20, vierde lid, van de wet, worden verleend zonder dat een aanbesteding wordt gehouden:

  • a. in afwachting van tot stand te brengen infrastructuur;
  • b. in afwachting van de vorming van nieuwe concessiegebieden, of
  • c. gedurende een periode waarin aanbesteding wordt voorbereid.
2.

Van een concessieverlening, bedoeld in het eerste lid, wordt melding gedaan bij Onze Minister.

§ 2. Aanbesteding

Hoofdstuk 4. Vervoervoorwaarden en bepalingen voor de reiziger

§ 1. Nationale vervoerbewijzen

§ 2. Bepalingen voor de reiziger

§ 2. Bepalingen voor de reiziger

Hoofdstuk 5. Rijksbijdrage voor exploitatie van openbaar vervoer

§ 1. Berekening van de bijdrage en de vervoeropbrengsten

§ 1. Berekening van de bijdrage en de vervoeropbrengsten

§ 3. Besteding en bevoorschotting van de bijdrage

§ 2. Gewijzigd vaststellen van de bijdrage

§ 3. Besteding en bevoorschotting van de bijdrage

Hoofdstuk 6. Eisen te stellen aan vervoerders, bestuurders en materieel

§ 4. Controle, verantwoording en administratie van de besteding van de bijdrage

§ 2. Eisen te stellen aan materieel

Hoofdstuk 7. Cabotagevervoer

Hoofdstuk 7. Cabotagevervoer

§ 1. Definities

§ 1. Definities

§ 2. Algemene bepalingen

§ 4. Geregeld vervoer en een bijzondere vorm van geregeld vervoer van en naar derde landen, landen die partij zijn bij de Interbus-overeenkomst en andere landen

§ 4. Geregeld vervoer en een bijzondere vorm van geregeld vervoer van en naar derde landen, landen die partij zijn bij de Interbus-overeenkomst en andere landen

§ 7. Vervoer voor eigen rekening

Hoofdstuk 9. Strafbepalingen

§ 1. Overgangsbepalingen

§ 2. Aanpassing en intrekking van andere besluiten

§ 2. Aanpassing en intrekking van andere besluiten

Bijlage. behorende bij artikel 35 van het Besluit personenvervoer 2000

  • exclusief openbare wegen en uitsluitend voor openbaar vervoer openstaande wegen voor zover die onderdeel uitmaken van openbare wegen (bij voorbeeld busstroken op wegen, businhammen bij bushaltes)

1. openbaar vervoer per bus*

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Artikel 36b

Bevoegd tot het verlenen, wijzigen, of intrekken van concessies als bedoeld in artikel 20, tweede lid, van de wet, is:

  • a. in het in bijlage II weergegeven gebied het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam Vervoerregio Amsterdam;
  • b. in het in bijlage III weergegeven gebied het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam Metropoolregio Rotterdam Den Haag.

§ 2. Aanbesteding

Hoofdstuk 4. Vervoervoorwaarden en bepalingen voor de reiziger

§ 2. Aanbesteding

§ 1. Nationale vervoerbewijzen

§ 3. Bepalingen over verstoring van orde, rust, veiligheid of een goede bedrijfsgang

Hoofdstuk 5. Rijksbijdrage voor exploitatie van openbaar vervoer

§ 3. Bepalingen over verstoring van orde, rust, veiligheid of een goede bedrijfsgang

§ 2. Gewijzigd vaststellen van de bijdrage

§ 4. Controle, verantwoording en administratie van de besteding van de bijdrage

Hoofdstuk 6. Eisen te stellen aan vervoerders, bestuurders en materieel

§ 1. Eisen te stellen aan vervoerders en bestuurders

§ 1. Eisen te stellen aan vervoerders en bestuurders

Hoofdstuk 7. Cabotagevervoer

Hoofdstuk 8. Internationaal vervoer per bus en auto

§ 1. Definities

§ 1. Definities

§ 4. Geregeld vervoer en een bijzondere vorm van geregeld vervoer van en naar derde landen, landen die partij zijn bij de Interbus-overeenkomst en andere landen

§ 5. Pendelvervoer van en naar derde landen, landen die partij zijn bij de Interbus-overeenkomst en andere landen

§ 6. Ongeregeld vervoer met bussen uit lidstaten, derde landen, landen die partij zijn bij de Interbus-overeenkomst en andere landen

§ 8. Internationaal taxivervoer

Hoofdstuk 9. Strafbepalingen

Hoofdstuk 9. Strafbepalingen

§ 8. Internationaal taxivervoer

§ 2. Aanpassing en intrekking van andere besluiten

§ 3. Slotbepalingen

Bijlage. behorende bij artikel 35 van het Besluit personenvervoer 2000

1. openbaar vervoer per bus*

  • exclusief openbare wegen en uitsluitend voor openbaar vervoer openstaande wegen voor zover die onderdeel uitmaken van openbare wegen (bij voorbeeld busstroken op wegen, businhammen bij bushaltes)

1. openbaar vervoer per bus*

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Artikel 7a
1.

De artikelen 1, 12 tot en met 14, 19, eerste en tweede lid, 23, eerste en tweede lid, 25 eerste, tweede en derde lid, 26, eerste lid met uitzondering van de zinsnede «bedoeld in artikel 20, tweede en derde lid», 27, 28 tot en met 29a, 31 tot en met 32a, 33 tot en met 37, 38 met uitzondering van het tweede en derde lid, 39, 40, 41, 43, 43a, tweede tot en met zevende lid, 43b en 43c, 44, 45, 46, 49, 70, 71, 72, 73, 74, 87 met uitzondering van het vierde lid, 88, eerste lid, 89, 90 tot en met 93, 97, 98, 100, 101, 102, 105 en 106 van de wet en de artikelen 1, 2, 10, eerste lid, onderdelen a tot en met e en onderdeel g, 11, 31, 33, 34, 39, 44 tot en met 46, 48, 49, 51, 52 en 53 van dit besluit zijn van overeenkomstige toepassing op voor een ieder openstaand personenvervoer met of zonder een dienstregeling per veerboot of passagiersschip dat wordt verricht tussen twee of meer aanlegplaatsen gelegen aan de Waddenzee, met inbegrip van de verbindingen met de Noordzee en met havens die in open verbinding staan met de Waddenzee, waarbij Vlieland, Terschelling, Ameland of Schiermonnikoog met het vasteland wordt verbonden.

2.

Met het in het eerste lid genoemde personenvervoer wordt tevens bedoeld vervoer van personen die zich verplaatsen per motorrijtuig, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel c, van de Wegenverkeerswet 1994, met uitzondering van vrachtauto’s als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet wegvervoer goederen. De bedoelde motorrijtuigen kunnen voorzien zijn van een aanhangwagen.

3.

Onze Minister verleent concessies voor het personenvervoer, bedoeld in het eerste lid, voor de duur van ten hoogste 15 jaar nadat daartoe een aanbesteding is gehouden. Artikel 5, derde lid, van Verordening (EG) 1370/2007 is daarbij van toepassing.

4.

Onze Minister kan in afwijking van het derde lid, de in dat lid genoemde concessie voor de eerste maal verlenen zonder dat daartoe een aanbesteding is gehouden, indien die concessie voldoet aan een van de kenmerken betreffende personenvervoer, anders dan per spoor, als bedoeld in artikel 5, vierde lid, van Verordening (EG) 1370/2007.

Indien Onze Minister een concessie als bedoeld in de eerste volzin verleent, wordt het programma van eisen, bedoeld in artikel 44 van de wet, voorafgaand aan de concessieverlening gepubliceerd.

5.

Voor de toepassing van de artikelen van de wet en het besluit op het vervoer, bedoeld in het eerste lid, wordt gelezen voor:

  • a. trein: het in het eerste lid bedoelde vervoer;
  • b. station, stations, halteplaats of perron: de in het eerste lid bedoelde aanlegplaatsen;
  • c. aanbesteding van een concessie of concessies: verlening van een concessie of concessies;
  • d. aanbestedingsreglement: reglement;
  • e. auto, bus, trein, metro, tram of via geleidesysteem voortbewogen voertuig: het in het eerste lid bedoelde vervoer;
  • f. openbaar vervoer: het in het eerste lid bedoelde vervoer.
6.

De plicht te gedogen, bedoeld in artikel 35 van de wet, geldt voor het in het eerste lid bedoelde vervoer ten aanzien van het gebruik door de concessiehouder van de haveninfrastructuur waaronder wordt verstaan:

  • a. haventerreinen;
  • b. aanleginrichtingen.

§ 3. Reisinformatie

Hoofdstuk 2. Vergunningen

§ 1. Verlening, wijziging, schorsing of intrekking

§ 2. Vereisten aan vergunningen

§ 3. Vergunningbewijzen voor taxivervoer

§ 4. Eis van betrouwbaarheid

§ 5. Eis van kredietwaardigheid

§ 6. Eis van vakbekwaamheid

§ 7. Periodieke toetsing van de eisen van betrouwbaarheid, kredietwaardigheid en vakbekwaamheid

Hoofdstuk 3. Concessies en aanbesteding

§ 1. Concessies

§ 2. Aanbesteding

Hoofdstuk 4. Vervoervoorwaarden en bepalingen voor de reiziger

§ 2. Bepalingen voor de reiziger

Hoofdstuk 5. Rijksbijdrage voor exploitatie van openbaar vervoer

§ 1. Berekening van de bijdrage en de vervoeropbrengsten

§ 3. Besteding en bevoorschotting van de bijdrage

§ 2. Gewijzigd vaststellen van de bijdrage

§ 5. Experimentenregeling

Hoofdstuk 6. Eisen te stellen aan vervoerders, bestuurders en materieel

§ 5. Experimentenregeling

§ 2. Eisen te stellen aan materieel

Hoofdstuk 7. Cabotagevervoer

Hoofdstuk 7. Cabotagevervoer

§ 4. Centrale database taxivervoer

§ 5. Pendelvervoer van en naar derde landen, landen die partij zijn bij de Interbus-overeenkomst en andere landen

§ 4. Geregeld vervoer en een bijzondere vorm van geregeld vervoer van en naar derde landen, landen die partij zijn bij de Interbus-overeenkomst en andere landen

§ 7. Vervoer voor eigen rekening

§ 6. Ongeregeld vervoer met bussen uit lidstaten, derde landen, landen die partij zijn bij de Interbus-overeenkomst en andere landen

Hoofdstuk 9. Strafbepalingen

§ 7. Vervoer voor eigen rekening

§ 2. Aanpassing en intrekking van andere besluiten

§ 3. Slotbepalingen

Bijlage. behorende bij artikel 35 van het Besluit personenvervoer 2000

  • exclusief openbare wegen en uitsluitend voor openbaar vervoer openstaande wegen voor zover die onderdeel uitmaken van openbare wegen (bij voorbeeld busstroken op wegen, businhammen bij bushaltes)

1. openbaar vervoer per bus*

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Artikel 35a
1.

Aan een concessie als bedoeld in artikel 19 van de wet die wordt verleend of gewijzigd wordt het voorschrift verbonden dat de concessiehouder verplicht om reizigers in staat te stellen een OV-chipkaart die voldoet aan bij ministeriële regeling gestelde regels als elektronisch vervoerbewijs te gebruiken op het openbaar vervoer dat de concessiehouder aanbiedt.

2.

Het voorschrift, bedoeld in het eerste lid, geldt niet ten aanzien van door de concessiehouder aangeboden openbaar vervoer per auto, internationale passagiersvervoersdiensten en bij ministeriële regeling aangewezen soorten openbaar vervoer die daarmee gelijkenis vertonen, tenzij de desbetreffende concessieverlener anders voorschrijft.

§ 2. Aanbesteding

Hoofdstuk 4. Vervoervoorwaarden en bepalingen voor de reiziger

§ 2. Aanbesteding

§ 1. Nationale vervoerbewijzen

§ 3. Bepalingen over verstoring van orde, rust, veiligheid of een goede bedrijfsgang

Hoofdstuk 5. Rijksbijdrage voor exploitatie van openbaar vervoer

§ 3. Bepalingen over verstoring van orde, rust, veiligheid of een goede bedrijfsgang

§ 2. Gewijzigd vaststellen van de bijdrage

§ 4. Controle, verantwoording en administratie van de besteding van de bijdrage

Hoofdstuk 6. Eisen te stellen aan vervoerders, bestuurders en materieel

§ 1. Eisen te stellen aan vervoerders en bestuurders

§ 2. Eisen te stellen aan materieel

Hoofdstuk 8. Internationaal vervoer per bus en auto

§ 3. Geregeld vervoer en een bijzondere vorm van geregeld vervoer van en naar andere lidstaten en staten die partij zijn bij de EER

§ 3. Geregeld vervoer en een bijzondere vorm van geregeld vervoer van en naar andere lidstaten en staten die partij zijn bij de EER

§ 8. Internationaal taxivervoer

Hoofdstuk 10. Overgangs- en slotbepalingen

§ 8. Internationaal taxivervoer

§ 1. Overgangsbepalingen

§ 3. Slotbepalingen

Bijlage. behorende bij artikel 35 van het Besluit personenvervoer 2000

  • exclusief openbare wegen en uitsluitend voor openbaar vervoer openstaande wegen voor zover die onderdeel uitmaken van openbare wegen (bij voorbeeld busstroken op wegen, businhammen bij bushaltes)

§ 2. openbaar vervoer per tram of metro

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

§ 1. Eisen te stellen aan vervoerders en bestuurders

Hoofdstuk 7. Cabotagevervoer

§ 3. Geregeld vervoer en een bijzondere vorm van geregeld vervoer van en naar andere lidstaten en staten die partij zijn bij de EER

Hoofdstuk 9. Strafbepalingen

§ 1. Overgangsbepalingen

§ 2. Aanpassing en intrekking van andere besluiten

§ 3. Slotbepalingen

Bijlage. behorende bij artikel 35 van het Besluit personenvervoer 2000

  • exclusief openbare wegen en uitsluitend voor openbaar vervoer openstaande wegen voor zover die onderdeel uitmaken van openbare wegen (bij voorbeeld busstroken op wegen, businhammen bij bushaltes)

1. openbaar vervoer per bus*

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Artikel 23a
1.

Het verlies van de betrouwbaarheid van een vervoersmanager is een onevenredig strenge sanctie indien naar het oordeel van Onze Minister een door hem vast te stellen minimumaantal veroordelingen en sancties jegens een vervoersmanager niet is overschreden. Bij het bepalen van dit aantal houdt Onze Minister rekening met de aard van de overtreding die ten grondslag ligt aan een veroordeling of sanctie en het aantal gewaarmerkte afschriften van de vergunning van de vervoerder of vervoerders waarvoor de vervoersmanager werkzaam is.

2.

Indien het in het eerste lid bedoelde aantal is overschreden, kan Onze Minister het verlies van de betrouwbaarheid van een vervoersmanager als een onevenredig strenge sanctie aanmerken indien:

  • a. de totstandkoming van een aan een veroordeling of sanctie ten grondslag liggende overtreding de vervoersmanager niet of slechts ten dele kan worden verweten;
  • b. de mate waarin de wijze waarop de vervoersmanager de bedrijfsvoering van een of meer vervoerondernemingen onder zijn verantwoordelijkheid heeft ingericht dan wel zijn handelwijze in die ondernemingen, het begaan van de aan een veroordeling of sanctie ten grondslag liggende overtreding heeft beperkt; of
  • c. het aantal aan een veroordeling of sanctie ten grondslag liggende overtredingen naar het oordeel van Onze Minister niet in redelijke verhouding staat tot de omvang van de vervoeronderneming of vervoerondernemingen waarvoor hij als zodanig werkzaam is, gemeten naar het aantal gewaarmerkte afschriften van de vergunning van die onderneming of ondernemingen.
3.

Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing indien het gaat om de in artikel 23 bedoelde veroordelingen en sancties jegens de vervoerder waarvoor de vervoersmanager werkzaam is.

Artikel 23b

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de toepassing van de artikelen 23 en 23a.

§ 6. Eis van vakbekwaamheid

Hoofdstuk 3. Concessies en aanbesteding

§ 1. Concessies

§ 2. Aanbesteding

Hoofdstuk 4. Vervoervoorwaarden en bepalingen voor de reiziger

§ 1. Nationale vervoerbewijzen

Hoofdstuk 5. Rijksbijdrage voor exploitatie van openbaar vervoer

§ 3. Bepalingen over verstoring van orde, rust, veiligheid of een goede bedrijfsgang

§ 4. Controle, verantwoording en administratie van de besteding van de bijdrage

Hoofdstuk 6. Eisen te stellen aan vervoerders, bestuurders en materieel

§ 2. Eisen te stellen aan materieel

Hoofdstuk 8. Internationaal vervoer per bus en auto

§ 6. Ongeregeld vervoer met bussen uit lidstaten, derde landen, landen die partij zijn bij de Interbus-overeenkomst en andere landen

§ 8. Internationaal taxivervoer

Hoofdstuk 9. Strafbepalingen

§ 1. Overgangsbepalingen

§ 2. Aanpassing en intrekking van andere besluiten

§ 3. Slotbepalingen

Bijlage I. behorende bij artikel 35 van het Besluit personenvervoer 2000

  • exclusief openbare wegen en uitsluitend voor openbaar vervoer openstaande wegen voor zover die onderdeel uitmaken van openbare wegen (bij voorbeeld busstroken op wegen, businhammen bij bushaltes)

1. openbaar vervoer per bus*

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Artikel 9a
1.

Het verbod openbaar vervoer anders dan per trein te verrichten zonder geldige communautaire vergunning, bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de wet, is niet van toepassing op een vervoerder die openbaar vervoer per auto verricht en beschikt over een vergunning voor het verrichten van taxivervoer als bedoeld in artikel 76, eerste lid, van de wet.

2.

Het verbod openbaar vervoer anders dan per trein te verrichten zonder de aanwezigheid in het voertuig van een eensluidend gewaarmerkt afschrift van de communautaire vergunning, bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de wet, is niet van toepassing op een vervoerder als bedoeld in het eerste lid.

Artikel 9b
1.

Bij ministeriële regeling kan, in voorkomend geval met inachtneming van bindende EU-rechtshandelingen en voor zover de belangen van reizigers zich daar niet tegen verzetten, vrijstelling worden verleend van één of meer regels van dit besluit die krachtens de artikelen 2, vijfde lid, 76c, 79 en 104 van de wet zijn vastgesteld.

2.

Een vrijstelling kan worden verleend met het oog op:

  • a. het stimuleren van ontwikkelingen in het personenvervoer;
  • b. het voorkomen van onnodige regeldruk bij marktdeelnemers in het personenvervoer.
3.

Bij een vrijstelling worden regels gesteld, die onder meer betrekking kunnen hebben op:

  • a. de maximale duur van de vrijstelling;
  • b. de afbakening van de doelgroep;
  • c. overige noodzakelijk geachte voorwaarden en beperkingen in het belang van veilig personenvervoer.
4.

Een vrijstelling kan tevens worden verleend in het kader van een experiment.

5.

Bij een zodanig experiment worden in ieder geval regels gesteld over:

  • a. de inkadering van het doel van het experiment;
  • b. de maximale duur van het experiment;
  • c. de afbakening van de doelgroep;
  • d. de monitoring en evaluatie van het experiment, onder meer in verband met mogelijke aanpassing van relevante regelgeving na afloop van het experiment.

Hoofdstuk 2. Vergunningen

§ 3. Vergunningbewijzen voor taxivervoer

§ 5. Eis van kredietwaardigheid

§ 7. Periodieke toetsing van de eisen van betrouwbaarheid, kredietwaardigheid en vakbekwaamheid

Hoofdstuk 3. Concessies en aanbesteding

§ 1. Concessies

Hoofdstuk 4. Vervoervoorwaarden en bepalingen voor de reiziger

Hoofdstuk 5. Rijksbijdrage voor exploitatie van openbaar vervoer

§ 5. Experimentenregeling

Hoofdstuk 6. Eisen te stellen aan vervoerders, bestuurders en materieel

§ 3. Taxameter en boordcomputer

Hoofdstuk 8. Internationaal vervoer per bus en auto

Hoofdstuk 9. Strafbepalingen

§ 8. Internationaal taxivervoer

§ 2. Aanpassing en intrekking van andere besluiten

§ 3. Slotbepalingen

Bijlage I. behorende bij artikel 35 van het Besluit personenvervoer 2000

  • exclusief openbare wegen en uitsluitend voor openbaar vervoer openstaande wegen voor zover die onderdeel uitmaken van openbare wegen (bij voorbeeld busstroken op wegen, businhammen bij bushaltes)

1. openbaar vervoer per bus*

Bijlage II. behorende bij artikel 36b, onderdeel a, van het Besluit personenvervoer 2000

Bijlage III. behorende bij artikel 36b, onderdeel b, van het Besluit personenvervoer 2000

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

§ 8. Voorwaarden inzake de vestigingseis

Artikel 30a

De vervoerder die openbaar vervoer of besloten busvervoer verricht, voldoet aan de voorwaarden inzake de vestigingseis, bedoeld in artikel 5, eerste en tweede lid, van verordening 1071/2009/EG.

Hoofdstuk 3. Concessies en aanbesteding

§ 1. Concessies

Hoofdstuk 4. Vervoervoorwaarden en bepalingen voor de reiziger

Hoofdstuk 5. Rijksbijdrage voor exploitatie van openbaar vervoer

Hoofdstuk 6. Eisen te stellen aan vervoerders, bestuurders en materieel

§ 3. Taxameter en boordcomputer

Hoofdstuk 8. Internationaal vervoer per bus en auto

Hoofdstuk 10. Overgangs- en slotbepalingen

§ 2. Aanpassing en intrekking van andere besluiten

§ 3. Slotbepalingen

Bijlage I. behorende bij artikel 35 van het Besluit personenvervoer 2000

  • exclusief openbare wegen en uitsluitend voor openbaar vervoer openstaande wegen voor zover die onderdeel uitmaken van openbare wegen (bij voorbeeld busstroken op wegen, businhammen bij bushaltes)

§ 2. openbaar vervoer per tram of metro

Bijlage II. behorende bij artikel 36b, onderdeel a, van het Besluit personenvervoer 2000

Bijlage I. behorende bij artikel 35 van het Besluit personenvervoer 2000

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Artikel 78a

De vervoerder en de bestuurder die taxivervoer verrichten maken tijdens het verrichten van taxivervoer gebruik van een boordcomputer overeenkomstig de artikelen 79 tot en met 83, dan wel van de centrale database taxivervoer overeenkomstig paragraaf 4 van dit hoofdstuk. Indien gebruik wordt gemaakt van de centrale database taxivervoer overeenkomstig paragraaf 4 van dit hoofdstuk, geldt artikel 81, derde lid, onverkort.

Artikel 83a. (centrale database taxivervoer)
1.

Er is een centrale database taxivervoer. Onze Minister is beheerder van en verwerkingsverantwoordelijke voor deze database.

2.

De gegevens, waaronder mede begrepen persoonsgegevens als genoemd in artikel 83b, tweede lid, worden in de centrale database taxivervoer verzameld en verwerkt met als doel toezicht op de naleving en handhaving van het bepaalde bij of krachtens de wet en de Arbeidstijdenwet voor zover dat ziet op taxivervoer en op arbeids- en rusttijden.

3.

De gegevens in de centrale database taxivervoer worden gedurende twee jaar in die database bewaard, waarna ze worden vernietigd.

Artikel 83b. (registratieplicht taxivervoergegevens)
1.

Er is een deugdelijk registratiemiddel. De vervoerder die taxivervoer verricht is verwerkingsverantwoordelijke voor een registratiemiddel.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)