Besluit van 21 december 2000, houdende regels met betrekking tot de gevallen waarin en de voorwaarden waaronder een bedrijfstakpensioenfonds vrijstelling van de verplichte deelname aan een bedrijfstakpensioenfonds verleent, kan verlenen, intrekt en kan intrekken (Vrijstellingsbesluit Wet Bpf 2000)
Op de voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J. F. Hoogervorst, van 11 oktober 2000, Directie Sociale Verzekeringen, Nr. SV/V&P/00/64573;
Gelet op artikel 13, derde lid, van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000;
De Raad van State gehoord (advies van 26 oktober 2000, no. W12.00.0477/IV);
Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J. F. Hoogervorst, van 18 december 2000, nr. SV/V&P/00/72196;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Artikel 1. Definities
In dit besluit wordt verstaan onder:
- b. verplichtstelling: verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds op grond van artikel 2, eerste lid, van de wet;
- c. vrijstelling: vrijstelling, bedoeld in artikel 13 van de wet;
- d. fusie: de fusie, bedoeld in Boek 2, titel 7, afdeling 2 en 3 van het Burgerlijk Wetboek of het samengaan van twee of meer ondernemingen via een activa- en passivatransactie waardoor bedrijfsactiviteiten samensmelten zonder dat een of meer van de fuserende rechtspersonen ophoudt te bestaan;
- e. nieuwe werkgever: de werkgever bij wie de werknemers voor wie vrijstelling was verleend na een fusie in dienst komen;
- f. oude werkgever: de voor een fusie bestaande werkgever bij wie de werknemers in dienst waren voor wie vrijstelling was verleend;
- g. verplichte vrijstelling: een vrijstelling welke is verleend op een van de gronden, bedoeld in de artikelen 2 tot en met 5.
Artikel 2. Vrijstelling in verband met bestaande pensioenregeling of -voorziening
Op verzoek van een werkgever wordt door een bedrijfstakpensioenfonds voor alle werknemers of een deel van de werknemers van die werkgever, met ingang van de dag dat de verplichtstelling in werking treedt respectievelijk als gevolg van gewijzigde bedrijfsactiviteiten op hem en zijn werknemers van toepassing wordt, vrijstelling verleend, indien:
- a. die werknemers van die werkgever al deelnemen in een pensioenregeling die ten minste zes maanden voor het moment van indiening van de in behandeling genomen aanvraag tot verplichtstelling, van kracht was; of
- b. indien de werkgever voor die werknemers al een pensioenvoorziening heeft getroffen die al ten minste zes maanden voor het moment dat de verplichtstelling op hem en zijn werknemers van toepassing wordt, van kracht was.
Artikel 3. Vrijstelling in verband met groepsvorming
Op verzoek van een werkgever wordt door een bedrijfstakpensioenfonds voor alle werknemers of een deel van de werknemers van die werkgever vrijstelling verleend indien die werkgever deel uitmaakt of deel is gaan uitmaken van een groep en:
- a. bij de groepsvorming zowel de bij het arbeidsvoorwaardenoverleg van die werkgever betrokken vakorganisaties als de bij het arbeidsvoorwaardenoverleg van de groep betrokken vakorganisaties, betrokken zijn geweest;
- b. de groep al een pensioenvoorziening heeft, die in overleg met de bij het arbeidsvoorwaardenoverleg betrokken vakorganisaties tot stand is gekomen;
- c. bij de groep op de dag waarop het verzoek om vrijstelling wordt ingediend ten minste 100 werknemers werkzaam zijn die niet in het desbetreffende bedrijfstakpensioenfonds deelnemen;
- d. het aantal actieve deelnemers waarop de pensioenvoorziening van de groep van toepassing is, op de dag waarop het verzoek om vrijstelling wordt ingediend ten minste 25% dan wel ten minste 50 actieve deelnemers meer bedraagt, dan het aantal werknemers waarvoor de vrijstelling wordt gevraagd; en
- e. het verzoek om vrijstelling tevens wordt gedaan door of namens de groep en de vakorganisaties, bedoeld in onderdeel b.
Onder groep als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan een groep als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.
Artikel 4. Vrijstelling in verband met eigen cao
Op verzoek van een werkgever wordt door een bedrijfstakpensioenfonds voor alle werknemers of een deel van de werknemers van die werkgever vrijstelling verleend voorzover een besluit tot algemeenverbindendverklaring van bepalingen van een collectieve arbeidsovereenkomst op die werkgever niet van toepassing is of, indien dat besluit wel op hem en zijn werknemers van toepassing is, voorzover hij hiervan vrijstelling heeft gekregen en met de bij het arbeidsvoorwaardenoverleg betrokken vakorganisaties een afzonderlijke pensioenvoorziening is overeengekomen. Het verzoek om vrijstelling wordt mede door of namens de bij het arbeidsvoorwaardenoverleg betrokken vakorganisaties gedaan.
Artikel 5. Vrijsteling in verband met onvoldoende beleggingsrendement
Op verzoek van een werkgever wordt door een bedrijfstakpensioenfonds voor alle werknemers of een deel van de werknemers van die werkgever vrijstelling verleend indien uit de performancetoets, uitgevoerd over een periode van 5 kalenderjaren, blijkt dat de uitkomst van de performancetoets een aanzienlijke afwijking in negatieve zin heeft of indien het bedrijfstakpensioenfonds geen performancetoets uitvoert. De performancetoets behelst een vergelijking van de beleggingsperformance van het bedrijfstakpensioenfonds met een benchmark, gecorrigeerd voor het door het bedrijfstakpensioenfonds gehanteerde strategisch beleggingsbeleid.
Het eerste lid is niet van toepassing op een bedrijfstakpensioenfonds voor zover dat bedrijfstakpensioenfonds verzekerd is zonder een gesepareerd beleggingsdepot. Indien een bedrijfstakpensioenfonds gedeeltelijk verzekerd is zonder een gesepareerd beleggingsdepot is het eerste lid niet van toepassing op dit verzekerde gedeelte. In deze gevallen wordt aan een werkgever slechts vrijstelling verleend indien het bestuur van het bedrijfstakpensioenfonds bij het sluiten van de verzekeringsovereenkomst niet of onvoldoende het beleggingsbeleid van de verzekeraar heeft getoetst.
Het bestuur van het bedrijfstakpensioenfonds deelt op verzoek vanaf 1 april de uitkomst van de performancetoets mee met een toelichting op die uitkomst. In het bestuursverslag wordt de uitkomst van de performancetoets met een toelichting op die uitkomst opgenomen.
Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de performancetoets.
Artikel 6. Vrijstelling om andere redenen
Op verzoek van een werkgever kan door het bedrijfstakpensioenfonds voor alle werknemers of een deel van de werknemers van die werkgever ook om andere redenen dan genoemd in de artikelen 2, 3, eerste lid, 4, 4a en 5, eerste lid, vrijstelling worden verleend.
Artikel 7. Voorschriften bij het verlenen van vrijstelling
Aan de vrijstelling kunnen door het bedrijfstakpensioenfonds voorschriften worden verbonden ter verzekering van een goede uitvoering van de wet.
Aan de vrijstelling wordt door het bedrijfstakpensioenfonds het voorschrift verbonden dat de werkgever of, in het geval pensioenrechten worden ontleend aan een ondernemingspensioenfonds of een ander bedrijfstakpensioenfonds, het bestuur van het desbetreffende fonds, aan De Nederlandsche Bank en aan het bestuur van het bedrijfstakpensioenfonds dat vrijstelling verleent inlichtingen zal verstrekken, die De Nederlandsche Bank of laatstgenoemd bestuur ter verzekering van een goede uitvoering van de wet verlangt. De inlichtingen worden desgewenst schriftelijk en door middel van ingevulde en ondertekende formulieren binnen een door De Nederlandsche Bank onderscheidenlijk door bedoeld bestuur, schriftelijk te stellen termijn verstrekt.
Aan de vrijstelling wordt door het bedrijfstakpensioenfonds het voorschrift verbonden dat de werkgever een andere pensioenvoorziening heeft en deze heeft ondergebracht als bedoeld in artikel 23, eerste lid, van de Pensioenwet dan wel dat de werkgever binnen 12 maanden na het moment waarop de vrijstelling wordt verleend een andere pensioenvoorziening zal treffen en deze zal onderbrengen als bedoeld in artikel 23, eerste lid, van de Pensioenwet.
Aan de vrijstelling, bedoeld in de artikelen 3, eerste lid, 4, 5, eerste lid, en 6 kan het bedrijfstakpensioenfonds het voorschrift verbinden dat de werkgever een financiële bijdrage betaalt ter vergoeding van het verzekeringstechnisch nadeel dat het fonds bij de vrijstelling lijdt. De hoogte van deze bijdrage wordt berekend volgens de op grond van het negende lid gestelde regels, tenzij partijen anders overeenkomen.
Aan de vrijstelling, bedoeld in de artikelen 2 en 6 wordt door het bedrijfstakpensioenfonds het voorschrift verbonden dat de pensioenregeling van de werkgever volgens de berekening aan de hand van de op grond van het negende lid gestelde regels te allen tijde ten minste actuarieel en financieel gelijkwaardig is aan die van het bedrijfstakpensioenfonds. Indien het bedrijfstakpensioenfonds en de werkgever daarmee instemmen en de pensioenregeling van de werkgever dezelfde soorten pensioen kent als de pensioenregeling van het bedrijfstakpensioenfonds, kan worden afgezien van de berekening van de actuariële gelijkwaardigheid, bedoeld in de vorige zin. Ten behoeve van de toets op gelijkwaardigheid verstrekt het bedrijfstakpensioenfonds de werkgever informatie over de pensioenregeling van het bedrijfstakpensioenfonds.
Aan de vrijstelling, bedoeld in artikel 5, eerste lid, wordt het voorschrift verbonden dat aan de pensioenregeling van de werkgever ten minste gelijkwaardige aanspraken worden ontleend als aan de pensioenregeling van het bedrijfstakpensioenfonds.
De vrijstelling, bedoeld in het vierde, vijfde en zesde lid, wordt verleend nadat de werkgever een financiële bijdrage als bedoeld in het vierde lid heeft betaald, dan wel nadat de werkgever heeft aangetoond aan de voorschriften, bedoeld in het vijfde en zesde lid, te voldoen.
Aan de vrijstelling voor het nettopensioen, bedoeld in artikel 4a, wordt door het bedrijfstakpensioenfonds het voorschrift verbonden dat de pensioenregeling van de werkgever te allen tijde ten minste:
- a. een even hoog maximaal in te leggen premie bevat als de maximaal in te leggen premie in de pensioenregeling van het bedrijfstakpensioenfonds;
- b. een even hoge bijdrage van de werkgever in de premie bevat als de bijdrage van de werkgever in de premie in de pensioenregeling van het bedrijfstakpensioenfonds; en
- c. dezelfde vormen van nettopensioen inhoudt als de pensioenregeling van het bedrijfstakpensioenfonds.
Bij ministeriële regeling worden regels gesteld voor de berekening van het verzekeringstechnisch nadeel, bedoeld in het vierde lid, de actuariële en financiële gelijkwaardigheid, bedoeld in het vijfde lid, en de gelijkwaardigheid van aanspraken, bedoeld in het zesde lid.
Artikel 8. Intrekking van de vrijstelling
Een vrijstelling kan door het bedrijfstakpensioenfonds worden ingetrokken, indien niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 2, 3 of 4, indien niet meer wordt voldaan aan de reden tot vrijstelling, bedoeld in artikel 6, of indien wordt gehandeld in strijd met een of meer aan de vrijstelling verbonden voorschriften.
De vrijstelling, bedoeld in artikel 5, wordt uitsluitend op verzoek van de werkgever voor wiens werknemers vrijstelling is verleend ingetrokken.
In afwijking van het tweede lid kan de vrijstelling, bedoeld in artikel 5, door het bedrijfstakpensioenfonds worden ingetrokken indien wordt gehandeld in strijd met de voorschriften die aan de vrijstelling verbonden zijn.
Artikel 9. Overgangsbepalingen
Vervallen
Artikel 10. Inwerkingtreding
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2001 met dien verstande dat artikel 5, eerste lid, onderdeel a, met ingang van 1 januari 2002 in werking treedt.
De artikelen 1, onderdeel d tot en met g, en 7a tot en met 7e treden in werking met ingang van de datum van het besluit van 22 juli 2004 tot wijziging van het Vrijstellingsbesluit Wet Bpf 2000 in verband met het opstellen van regels hoe na een fusie, splitsing of doorstart van een onderneming moet worden omgegaan met verleende vrijstellingen van de verplichte deelname aan een bedrijfstakpensioenfonds alsmede enkele andere wijzigingen (Stb. 2004, 397).
Artikel 11. Citeertitel
Dit besluit wordt aangehaald als: Vrijstellings- en boetebesluit Wet Bpf 2000.
Bijlage 1. Performance toets
De performancetoets wordt als volgt uitgevoerd, waarbij het subscript j steeds het jaar aangeeft:
Uitgaande van de normportefeuille worden twee percentages vastgesteld die de samenstelling van de normportefeuille bepalen:
aj%: vastrentende waarden inclusief kasbeleggingen;
bj%: overige (zakelijke) beleggingen;
aj% en bj% zijn samen 100%.
Hieruit wordt jaarlijks de voor het bedrijfstakpensioenfonds geldende maat voor de rendementsspreiding bepaald volgens de formule
Ej = [aj% * 0,6% + bj% * 2,6%].
Jaarlijks voor 1 april wordt over het daaraan voorafgaande jaar het feitelijke rendement van het bedrijfstakpensioenfonds (Rfj) en het rendement van de gekozen normportefeuille (Rbj) op eenzelfde grondslag vastgesteld en gecontroleerd door een externe accountant die voldoet aan artikel 393, lid 1, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. Hierbij wordt bij het bepalen van het rendement gebruik gemaakt van daartoe opgestelde richtlijnen van de Vereniging van Beleggingsanalisten.
Daarnaast worden de interne beleggingsuitvoeringskosten kj bepaald en uitgedrukt in een percentage van het gemiddelde van het begin- en eindvermogen op actuele basis. Onder interne beleggingsuitvoeringskosten worden tevens begrepen de door het bedrijfstakpensioenfonds te betalen beheerskosten aan externe vermogensbeheerders, met inbegrip van kosten van bewaarneming en administratiekosten voor zover niet reeds tot uitdrukking komend in de rendementsberekening over aangehouden eenheden of tegoeden bij externe vermogensbeheerders.
Het verschil in rendement tussen Rfj en Rbj wordt gecorrigeerd voor (i) de beleggingskosten, waarbij het rendement van de normportefeuille wordt gecorrigeerd voor beleggingskosten, die fictief zijn bepaald op 0,15% en (ii) voor de jaarlijkse maat voor de rendementsspreiding van het fonds Ej. Daartoe berekent men zj volgens de formule:
zj = (Rfj – kj)-(Rbj – 0,15)
Ej
Op basis hiervan toetst men vanaf 2004 of over de afgelopen 5 jaar geldt dat:
z(j-5) + z(j-4) + z(j-3) + z(j-2) + z(j-1)≥ – 1,28
√ 5
In 2002 wordt getoetst of
z(1998) + z(1999) + z(2000) + z(2001)≥ – 1,28
√ 3,7
In 2003 wordt getoetst of
z(1998) + z(1999) + z(2000) + z(2001)+ z (2002) ≥ – 1,28
√ 4,7
Indien door het bestuur van het bedrijfstakpensioenfonds het beleggingsbeleid en de normportefeuille in de loop van een jaar opnieuw zijn vastgesteld als bedoeld in artikel 5, vierde lid, wordt bij de performancetoets over dat jaar naar rato van de periode waarvoor de betreffende normportefeuille van toepassing was, met de betreffende normportefeuille rekening gehouden. Dit betekent:
a. voor de toepassing van punt 1:
aperiode 1 % plus bperiode 1 % zijn samen 100%
Voor periode 2 geldt dezelfde formule, zij het dat het subscript «periode 2» wordt genoteerd in plaats van «periode 1»;
b. voor de toepassing van punt 2:
Eperiode 1 = [aperiode 1 * 0,6 + bperiode 1 * 2,6]
Hierbij is aperiode 1 % het aandeel van de vastrentende waarden in de normportefeuille (en het beleggingsbeleid) en bperiode 1 % het aandeel zakelijke waarden in periode 1.
Voor periode 2 geldt dezelfde formule, zij het dat het subscript «periode 2» genoteerd staat in plaats van «periode 1»;
c. voor de toepassing van punt 5:
zperiode 1 = (Rfperiode 1 – kj) – (Rbperiode 1 – 0,15)
Eperiode 1
voor periode 1, en dezelfde formule voor periode 2, maar dan met subscript« periode 2»
Vervolgens worden de zperiode 1 en zperiode 2 teruggebracht worden naar één periode van een jaar, door de formule
zj = zperiode 1 + zperiode 2
De na deze berekening verkregen zj wordt in de formules van de punten 6, 7 en 8 verwerkt.
Bijlage 2. Rekenregels verzekeringstechnisch nadeel
De hoogte van de compensatie ter vergoeding van het verzekeringstechnische nadeel bij vrijstelling heeft betrekking op de volgende elementen:
-
- te missen solidariteitsbijdragen als gevolg van het uittreden uit het bedrijfstakpensioenfonds. Deze solidariteitsbijdrage wordt als volgt berekend:
- a. bereken de volgende bedragen met als referentieperiode het volledige boekjaar voorafgaand aan het boekjaar waarin de vrijstelling ingaat:
- –. PaT: het bedrag van de actuarieel vastgestelde last van een eenjarige pensioeninkoop en dekking van het sterfterisico voor het deelnemersbestand van het gehele bedrijfstakpensioenfonds en uitgaande van de fictie dat de pensioenen tijdsevenredig worden gefinancierd en verworven;
- –. PaU: dezelfde berekening als bij PaT, nu echter vastgesteld voor het bestand van de uittredende werkgever;
- –. PdT: het bedrag dat het bedrijfstakpensioenfonds voor het totale actievenbestand van de aangesloten werkgevers ontvangt aan doorsneejaarpremie voor de reguliere pensioenopbouw en risicodekking;
- –. PdU: dezelfde berekening als bij PdT, nu echter vastgesteld als de ontvangst aan (doorsnee)premie van de uittredende werkgever;
- b. de jaarlijkse solidariteitsbijdrage is gelijk aan de uitkomst van de volgende berekening: [PdU/PdT]* PaT-PaU. Een uitkomst kleiner dan nul wordt op nul gesteld;
- c. indien gedurende de onder a gehanteerde referentieperiode een deel van de doorsneejaarpremie PdU betrekking heeft op de inkoop van aanspraken voor niet-actieven, dient dit deel, verhoogd met voorzienbare toekomstige stijgingen hiervan, eveneens gecompenseerd te worden;
- d. het te compenseren nadeel vanwege de te missen solidariteitsbijdragen wordt gevonden door de bedragen onder b en c op te tellen en te vermenigvuldigen met de factor van de contante waarde van een continue annuïteit met een looptijd van 5,5 jaar. Deze looptijd wordt verlengd met het aantal volle jaren dat de gemiddelde leeftijd van het bestand van de uittredende beroepsgenoot meer dan 5 jaar lager is dan de gemiddelde leeftijd van het totale bestand van het bedrijfstakpensioenfonds. De rentevoet bedraagt 4%.
-
- de kosten die redelijkerwijs verbonden zijn aan de behandeling van het vrijstellingsverzoek.
Indien er op de dag van uittreding sprake is van een onderdekking, mag dit er niet toe leiden dat de financieringsachterstand wordt verhaald op de bij het bedrijfstakpensioenfonds achterblijvende werkgevers. De werkgever aan wie de vrijstelling is verleend dient dan op dezelfde wijze als de achterblijvende werkgevers bij te dragen in de financiering van de achterstand. Partijen kunnen overeen komen dat dit in één keer wordt afgerekend.
Bijlage 3. Actuariële en financiële gelijkwaardigheid
Actuariële gelijkwaardigheid:
Frequentie:
Eens in de vijf jaar wordt door het bedrijfstakpensioenfonds getoetst of de regeling van de werkgever aan wie vrijstelling is verleend actuarieel gelijkwaardig is. Indien in de tussenliggende periode sprake is van een wijziging in de regeling van het bedrijfstakpensioenfonds dan wel in de regeling van de werkgever aan wie vrijstelling is verleend die zo ingrijpend is dat mag worden aangenomen dat daarvan een reële invloed op de onderstaande berekening zal uitgaan, kan het bedrijfstakpensioenfonds beslissen dat de toets frequenter wordt uitgevoerd.
De werkgever aan wie aan wie vrijstelling is verleend, zendt van iedere wijziging in de pensioenregeling een afschrift aan het bedrijfstakpensioenfonds.
Toets:
Bij de toetsing van de actuariële gelijkwaardigheid wordt de volgende procedure in acht genomen:
Frequentie:
Eens in de vijf jaar wordt door het bedrijfstakpensioenfonds getoetst of de regeling van de werkgever aan wie vrijstelling is verleend actuarieel gelijkwaardig is. Indien in de tussenliggende periode sprake is van een wijziging in de regeling van het bedrijfstakpensioenfonds dan wel in de regeling van de werkgever aan wie vrijstelling is verleend die zo ingrijpend is dat mag worden aangenomen dat daarvan een reële invloed op de onderstaande berekening zal uitgaan, kan het bedrijfstakpensioenfonds beslissen dat de toets frequenter wordt uitgevoerd.
De werkgever aan wie aan wie vrijstelling is verleend, zendt van iedere wijziging in de pensioenregeling een afschrift aan het bedrijfstakpensioenfonds.
Eens in de vijf jaar wordt door het bedrijfstakpensioenfonds getoetst of de regeling van de werkgever aan wie vrijstelling is verleend actuarieel gelijkwaardig is. Indien in de tussenliggende periode sprake is van een wijziging in de regeling van het bedrijfstakpensioenfonds dan wel in de regeling van de werkgever aan wie vrijstelling is verleend die zo ingrijpend is dat mag worden aangenomen dat daarvan een reële invloed op de onderstaande berekening zal uitgaan, kan het bedrijfstakpensioenfonds beslissen dat de toets frequenter wordt uitgevoerd.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
Artikel 7a. Fusie werkgevers met vrijstellingen van zelfde bedrijfstakpensioenfonds
Na een fusie tussen oude werkgevers aan wie voor hun werknemers door eenzelfde bedrijfstakpensioenfonds een verplichte vrijstelling is verleend, gaan de verleende vrijstellingen over op de nieuwe werkgever en blijven deze in stand zolang voldaan wordt aan de voorschriften, bedoeld in artikel 7. De nieuwe werkgever deelt het bedrijfstakpensioenfonds mee dat de voor de fusie bestaande pensioenregelingen worden voortgezet en welke pensioenregeling van toepassing zal zijn op na de fusie in dienst tredende werknemers.
In afwijking van het eerste lid wordt op verzoek van de nieuwe werkgever in de situatie dat voor alle werknemers van de nieuwe werkgever dezelfde bestaande pensioenregeling gaat gelden, de daarvoor verleende vrijstelling, met de voorschriften, bedoeld in artikel 7, van toepassing op alle huidige en toekomstige werknemers van die nieuwe werkgever.
Artikel 7b. Fusie werkgevers met en zonder vrijstellingen van zelfde bedrijfstakpensioenfonds
Na een fusie tussen oude werkgevers op wie dezelfde verplichtstelling van toepassing is en waarbij niet aan alle oude werkgevers een verplichte vrijstelling is verleend, vervallen de vrijstellingen.
In afwijking van het eerste lid wordt op verzoek van de nieuwe werkgever van wie ten minste 50% van de werknemers voor de fusie in dienst was bij een of meer oude werkgevers aan wie een verplichte vrijstelling was verleend:
- a. de vrijstelling uitgebreid tot alle huidige en toekomstige werknemers van de nieuwe werkgever, of
- b. de vrijstelling gehandhaafd voor de op het tijdstip van fusie in dienst zijnde werknemers van de oude werkgever of oude werkgevers met een vrijstelling.
Indien de nieuwe werkgever een verzoek doet tot uitbreiding van de vrijstelling, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, kan het bedrijfstakpensioenfonds daaraan de voorwaarde verbinden dat de nieuwe werkgever een financiële bijdrage betaalt ter vergoeding van het verzekeringstechnisch nadeel dat het bedrijfstakpensioenfonds hierdoor lijdt. De hoogte van deze bijdrage wordt berekend volgens de op grond van het vijfde lid gestelde regels, tenzij partijen anders overeenkomen.
In geval van uitbreiding of handhaving van de vrijstelling, bedoeld in het tweede lid, blijven de voorschriften, bedoeld in artikel 7, van toepassing en wordt de vrijstelling vanaf het tijdstip van fusie geacht te zijn verleend aan de nieuwe werkgever.
Bij ministeriële regeling worden regels gesteld voor de berekening van het verzekeringstechnisch nadeel, bedoeld in het derde lid.
Artikel 7c. Fusie werkgevers met en zonder vrijstellingen van verschillende bedrijfstakpensioenfondsen
Op verzoek van een nieuwe werkgever die is ontstaan na een fusie tussen oude werkgevers op wie verschillende verplichtstellingen van toepassing waren, en op wie na de fusie één verplichtstelling van toepassing wordt, wordt een aan een oude werkgever in het kader van dezelfde verplichtstelling verleende vrijstelling uitgebreid tot alle huidige en toekomstige werknemers van de nieuwe werkgever.
Op verzoek van een nieuwe werkgever die is ontstaan na een fusie tussen oude werkgevers op wie verschillende verplichtstellingen van toepassing waren en op wie na de fusie één verplichtstelling van toepassing wordt, wordt een aan één of meer oude werkgevers in het kader van dezelfde verplichtstelling verleende vrijstelling gehandhaafd voor alle werknemers van die oude werkgever.
Op verzoek van een nieuwe werkgever die is ontstaan na een fusie tussen oude werkgevers op wie verschillende verplichtstellingen van toepassing waren en op wie na de fusie verschillende verplichtstellingen van toepassing blijven, wordt een aan één of meer oude werkgevers verleende vrijstelling gehandhaafd voor alle werknemers van die oude werkgever en voor de toekomstige werknemers van de nieuwe werkgever die onder dezelfde verplichtstelling vallen.
In geval van uitbreiding of handhaving van de vrijstelling, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, blijven de voorschriften, bedoeld in artikel 7, van toepassing en wordt de vrijstelling vanaf het tijdstip van fusie geacht te zijn verleend aan de nieuwe werkgever.
Artikel 7d. Vrijstelling na splitsing
In dit artikel wordt verstaan onder:
- a. zuivere splitsing: een zuivere splitsing als bedoeld in artikel 334a, tweede lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek;
- b. afsplitsing: een afsplitsing als bedoeld in artikel 334a, derde lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek;
- c. oude werkgever: de voor een zuivere splitsing of afsplitsing bestaande werkgever;
- d. nieuwe werkgever: de na een zuivere splitsing of afsplitsing ontstane werkgever.
In geval van zuivere splitsing blijft op verzoek van de nieuwe werkgevers een aan een oude werkgever verleende verplichte vrijstelling met de daarbij behorende voorschriften, bedoeld in artikel 7, in stand, indien op de nieuwe werkgevers dezelfde verplichtstelling van toepassing blijft. De nieuwe werkgevers delen het bedrijfstakpensioenfonds mee welke werknemers bij hen in dienst zijn.
De vrijstelling wordt vanaf het tijdstip van de splitsing geacht te zijn verleend aan de nieuwe werkgevers en geldt voor de huidige en toekomstige werknemers.
In geval van een afsplitsing blijft een aan een oude werkgever verleende verplichte vrijstelling met de daarbij behorende voorschriften, bedoeld in artikel 7, in stand, indien de voor de afsplitsing bestaande pensioenregeling wordt voortgezet. De oude werkgever deelt dit mede aan het bedrijfstakpensioenfonds.
In geval van een afsplitsing wordt op verzoek van een nieuwe werkgever, die onder dezelfde verplichtstelling valt als de oude werkgever, aan de nieuwe werkgever een vrijstelling verleend voor zijn huidige en toekomstige werknemers onder dezelfde voorwaarden als welke zijn verbonden aan de aan de oude werkgever verleende vrijstelling. Deze vrijstelling wordt vanaf het moment van afsplitsing geacht te zijn verleend aan de nieuwe werkgever.
Artikel 7e. Vrijstelling na doorstart
Op verzoek van een werkgever op wie een verplichtstelling van toepassing is, wordt een verplichte vrijstelling gehandhaafd die is verleend aan een gefailleerde werkgever wiens activiteiten hij geheel of nagenoeg geheel voortzet in het kader van een doorstart, mits:
- a. de doorstart plaatsvindt binnen één jaar na het faillissement, en
- b. ten minste 50% van de werknemers van de gefailleerde werkgever in dienst is gekomen bij die werkgever.
Bij de handhaving van de vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, blijven de voorschriften, bedoeld in artikel 7, van toepassing en wordt de vrijstelling vanaf het tijdstip van doorstart geacht te zijn verleend aan de werkgever die de doorstart maakt voor zijn huidige en toekomstige werknemers.
Bijlage 1. Performance toets
De performancetoets wordt als volgt uitgevoerd, waarbij het subscript j steeds het jaar aangeeft:
Uitgaande van de normportefeuille worden twee percentages vastgesteld die de samenstelling van de normportefeuille bepalen:
aj%: vastrentende waarden inclusief kasbeleggingen;
bj%: overige (zakelijke) beleggingen;
aj% en bj% zijn samen 100%.
Hieruit wordt jaarlijks de voor het bedrijfstakpensioenfonds geldende maat voor de rendementsspreiding bepaald volgens de formule
Ej = [aj% * 0,6% + bj% * 2,6%].
Jaarlijks voor 1 april wordt over het daaraan voorafgaande jaar het feitelijke rendement van het bedrijfstakpensioenfonds (Rfj) en het rendement van de gekozen normportefeuille (Rbj) op eenzelfde grondslag vastgesteld en gecontroleerd door een externe accountant die voldoet aan artikel 393, lid 1, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. Hierbij wordt bij het bepalen van het rendement gebruik gemaakt van daartoe opgestelde richtlijnen van de Vereniging van Beleggingsanalisten.
Daarnaast worden de interne beleggingsuitvoeringskosten kj bepaald en uitgedrukt in een percentage van het gemiddelde van het begin- en eindvermogen op actuele basis. Onder interne beleggingsuitvoeringskosten worden tevens begrepen de door het bedrijfstakpensioenfonds te betalen beheerskosten aan externe vermogensbeheerders, met inbegrip van kosten van bewaarneming en administratiekosten voor zover niet reeds tot uitdrukking komend in de rendementsberekening over aangehouden eenheden of tegoeden bij externe vermogensbeheerders.
Het verschil in rendement tussen Rfj en Rbj wordt gecorrigeerd voor (i) de beleggingskosten, waarbij het rendement van de normportefeuille wordt gecorrigeerd voor beleggingskosten, die fictief zijn bepaald op basis van de onderstaande staffel en (ii) voor de jaarlijkse maat voor de rendementsspreiding van het fonds Ej.
| Percentage zakelijke waarden (p) | normkosten |
|---|---|
| 0 ≤ p < 10 | 0,10% |
| 10 ≤ p < 20 | 0,11% |
| 20 ≤ p < 30 | 0,12% |
| 30 ≤ p < 35 | 0,13% |
| 35 ≤ p < 40 | 0,14% |
| 40 ≤ p < 45 | 0,15% |
| 45 ≤ p < 50 | 0,16% |
| 50 ≤ p < 55 | 0,17% |
| 55 ≤ p < 60 | 0,18% |
| 60 ≤ p < 70 | 0,19% |
| 70 ≤ p < 80 | 0,20% |
| 80 ≤ p < 90 | 0,21% |
| 90 ≤ p <100 | 0,22% |
Daartoe berekent men zj volgens de formule:
Op basis hiervan toetst men vanaf 2004 of over de afgelopen 5 jaar geldt dat:
z(j-5) + z(j-4) + z(j-3) + z(j-2) + z(j-1)≥ – 1,28
√ 5
In 2002 wordt getoetst of
z(1998) + z(1999) + z(2000) + z(2001)≥ – 1,28
√ 3,7
In 2003 wordt getoetst of
z(1998) + z(1999) + z(2000) + z(2001)+ z (2002) ≥ – 1,28
√ 4,7
Indien door het bestuur van het bedrijfstakpensioenfonds het beleggingsbeleid en de normportefeuille in de loop van een jaar opnieuw zijn vastgesteld als bedoeld in artikel 5, vierde lid, wordt bij de performancetoets over dat jaar naar rato van de periode waarvoor de betreffende normportefeuille van toepassing was, met de betreffende normportefeuille rekening gehouden. Dit betekent:
a. voor de toepassing van punt 1:
aperiode 1 % plus bperiode 1 % zijn samen 100%
Voor periode 2 geldt dezelfde formule, zij het dat het subscript «periode 2» wordt genoteerd in plaats van «periode 1»;
b. voor de toepassing van punt 2:
Eperiode 1 = [aperiode 1 * 0,6 + bperiode 1 * 2,6]
Hierbij is aperiode 1 % het aandeel van de vastrentende waarden in de normportefeuille (en het beleggingsbeleid) en bperiode 1 % het aandeel zakelijke waarden in periode 1.
Voor periode 2 geldt dezelfde formule, zij het dat het subscript «periode 2» genoteerd staat in plaats van «periode 1»;
c. voor de toepassing van punt 5:
voor periode 1, en dezelfde formule voor periode 2, maar dan met subscript« periode 2»
Vervolgens worden de zperiode 1 en zperiode 2 teruggebracht worden naar één periode van een jaar, door de formule
zj = zperiode 1 + zperiode 2
De na deze berekening verkregen zj wordt in de formules van de punten 6, 7 en 8 verwerkt.
Bijlage 2. Rekenregels verzekeringstechnisch nadeel
De hoogte van de compensatie ter vergoeding van het verzekeringstechnische nadeel bij vrijstelling heeft betrekking op de volgende elementen:
-
- te missen solidariteitsbijdragen als gevolg van het uittreden uit het bedrijfstakpensioenfonds. Deze solidariteitsbijdrage wordt als volgt berekend:
- a. bereken de volgende bedragen met als referentieperiode het volledige boekjaar voorafgaand aan het boekjaar waarin de vrijstelling ingaat:
- –. PaT: het bedrag van de actuarieel vastgestelde last van een eenjarige pensioeninkoop en dekking van het sterfterisico voor het deelnemersbestand van het gehele bedrijfstakpensioenfonds en uitgaande van de fictie dat de pensioenen tijdsevenredig worden gefinancierd en verworven;
- –. PaU: dezelfde berekening als bij PaT, nu echter vastgesteld voor het bestand van de uittredende werkgever;
- –. PdT: het bedrag dat het bedrijfstakpensioenfonds voor het totale actievenbestand van de aangesloten werkgevers ontvangt aan doorsneejaarpremie voor de reguliere pensioenopbouw en risicodekking;
- –. PdU: dezelfde berekening als bij PdT, nu echter vastgesteld als de ontvangst aan (doorsnee)premie van de uittredende werkgever;
- b. de jaarlijkse solidariteitsbijdrage is gelijk aan de uitkomst van de volgende berekening: [PdU/PdT]* PaT-PaU. Een uitkomst kleiner dan nul wordt op nul gesteld;
- c. indien gedurende de onder a gehanteerde referentieperiode een deel van de doorsneejaarpremie PdU betrekking heeft op de inkoop van aanspraken voor niet-actieven, dient dit deel, verhoogd met voorzienbare toekomstige stijgingen hiervan, eveneens gecompenseerd te worden;
- d. het te compenseren nadeel vanwege de te missen solidariteitsbijdragen wordt gevonden door de bedragen onder b en c op te tellen en te vermenigvuldigen met de factor van de contante waarde van een continue annuïteit met een looptijd van 5,5 jaar. Deze looptijd wordt verlengd met het aantal volle jaren dat de gemiddelde leeftijd van het bestand van de uittredende beroepsgenoot meer dan 5 jaar lager is dan de gemiddelde leeftijd van het totale bestand van het bedrijfstakpensioenfonds. De rentevoet bedraagt 4%.
-
- de kosten die redelijkerwijs verbonden zijn aan de behandeling van het vrijstellingsverzoek.
Indien er op de dag van uittreding sprake is van een onderdekking, mag dit er niet toe leiden dat de financieringsachterstand wordt verhaald op de bij het bedrijfstakpensioenfonds achterblijvende werkgevers. De werkgever aan wie de vrijstelling is verleend dient dan op dezelfde wijze als de achterblijvende werkgevers bij te dragen in de financiering van de achterstand. Partijen kunnen overeen komen dat dit in één keer wordt afgerekend.
Bijlage 1. Performance toets
De performancetoets wordt als volgt uitgevoerd, waarbij het subscript j steeds het jaar aangeeft:
Uitgaande van de normportefeuille worden twee percentages vastgesteld die de samenstelling van de normportefeuille bepalen:
aj%: vastrentende waarden inclusief kasbeleggingen;
bj%: overige (zakelijke) beleggingen;
aj% en bj% zijn samen 100%.
Hieruit wordt jaarlijks de voor het bedrijfstakpensioenfonds geldende maat voor de rendementsspreiding bepaald volgens de formule
Ej = [aj% * 0,6% + bj% * 2,6%].
Jaarlijks voor 1 april wordt over het daaraan voorafgaande jaar het feitelijke rendement van het bedrijfstakpensioenfonds (Rfj) en het rendement van de gekozen normportefeuille (Rbj) op eenzelfde grondslag vastgesteld en gecontroleerd door een externe accountant die voldoet aan artikel 393, lid 1, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. Hierbij wordt bij het bepalen van het rendement gebruik gemaakt van daartoe opgestelde richtlijnen van de Vereniging van Beleggingsanalisten.
Daarnaast worden de interne beleggingsuitvoeringskosten kj bepaald en uitgedrukt in een percentage van het gemiddelde van het begin- en eindvermogen op actuele basis. Onder interne beleggingsuitvoeringskosten worden tevens begrepen de door het bedrijfstakpensioenfonds te betalen beheerskosten aan externe vermogensbeheerders, met inbegrip van kosten van bewaarneming en administratiekosten voor zover niet reeds tot uitdrukking komend in de rendementsberekening over aangehouden eenheden of tegoeden bij externe vermogensbeheerders.
Het verschil in rendement tussen Rfj en Rbj wordt gecorrigeerd voor (i) de beleggingskosten, waarbij het rendement van de normportefeuille wordt gecorrigeerd voor beleggingskosten, die fictief zijn bepaald op basis van de onderstaande staffel en (ii) voor de jaarlijkse maat voor de rendementsspreiding van het fonds Ej.
| Percentage zakelijke waarden (p) | normkosten |
|---|---|
| 0 ≤ p < 10 | 0,10% |
| 10 ≤ p < 20 | 0,11% |
| 20 ≤ p < 30 | 0,12% |
| 30 ≤ p < 35 | 0,13% |
| 35 ≤ p < 40 | 0,14% |
| 40 ≤ p < 45 | 0,15% |
| 45 ≤ p < 50 | 0,16% |
| 50 ≤ p < 55 | 0,17% |
| 55 ≤ p < 60 | 0,18% |
| 60 ≤ p < 70 | 0,19% |
| 70 ≤ p < 80 | 0,20% |
| 80 ≤ p < 90 | 0,21% |
| 90 ≤ p <100 | 0,22% |
Daartoe berekent men zj volgens de formule:
Op basis hiervan toetst men of over de afgelopen 5 jaar geldt dat:
z(j-5) + z(j-4) + z(j-3) + z(j-2) + z(j-1)≥ – 1,28
√ 5
Indien door het bestuur van het bedrijfstakpensioenfonds het beleggingsbeleid en de normportefeuille in de loop van een jaar opnieuw zijn vastgesteld als bedoeld in artikel 5, vierde lid, wordt bij de performancetoets over dat jaar naar rato van de periode waarvoor de betreffende normportefeuille van toepassing was, met de betreffende normportefeuille rekening gehouden. Dit betekent:
a. voor de toepassing van punt 1:
aperiode 1 % plus bperiode 1 % zijn samen 100%
Voor periode 2 en 3 geldt dezelfde formule, zij het dat het subscript «periode 2 dan wel 3» wordt genoteerd in plaats van «periode 1»;
b. voor de toepassing van punt 2:
Eperiode 1 = [aperiode 1 * 0,6 + bperiode 1 * 2,6]
Hierbij is aperiode 1 % het aandeel van de vastrentende waarden in de normportefeuille (en het beleggingsbeleid) en bperiode 1 % het aandeel zakelijke waarden in periode 1.
Voor periode 2 en 3 geldt dezelfde formule, zij het dat het subscript «periode 2 dan wel 3» genoteerd staat in plaats van «periode 1»;
c. voor de toepassing van punt 5:
voor periode 1, en dezelfde formule voor periode 2 en 3, maar dan met subscript «periode 2 dan wel 3»
Vervolgens worden de zperiode 1, zperiode 2 en zperiode 3 teruggebracht naar één periode van een jaar, door de formule
zj = zperiode 1 + zperiode 2 + zperiode 3
De na deze berekening verkregen zj wordt in de formule van punt 6 verwerkt.
Indien de fusie van twee of meer oude bedrijfstakpensioenfondsen tot een nieuw bedrijfstakpensioenfonds heeft plaatsgevonden in de loop van een kalenderjaar wordt de performancetoets van het nieuwe bedrijfstakpensioenfonds over het kalenderjaar van de fusie als volgt berekend:
- a. voor ieder van de oude bedrijfstakpensioenfondsen wordt de performancetoets uitgevoerd over de periode dat het fonds nog heeft bestaan;
- b. van de scores van de oude bedrijfstakpensioenfondsen wordt één score gemaakt waarbij de verhouding tussen de scores gelijk is aan de verhouding tussen de totale vermogens van de oude bedrijfstakpensioenfondsen voor de fusie;
- c. voor het nieuwe bedrijfstakpensioenfonds wordt de performancetoets uitgevoerd over de periode vanaf de fusie;
- d. de scores in de onderdelen b en c worden samengevoegd op de wijze zoals in punt 7 is beschreven.
Actuariële gelijkwaardigheid:
Toets:
De werkgever aan wie aan wie vrijstelling is verleend, zendt van iedere wijziging in de pensioenregeling een afschrift aan het bedrijfstakpensioenfonds.
Toets:
Bij de toetsing van de actuariële gelijkwaardigheid wordt de volgende procedure in acht genomen:
Hiervan kan worden afgeweken als het betreffende bedrijfstakpensioenfonds zelf backservice-aanspraken op enigerlei wijze in toekomstige jaren affinanciert. Het financieringssysteem van de door de werkgever voorgestane pensioenregeling dient dus ten minste hetzelfde te zijn aan dat van het bedrijfstakpensioenfonds.
Eens in de vijf jaar wordt door het bedrijfstakpensioenfonds getoetst of de regeling van de werkgever aan wie vrijstelling is verleend actuarieel gelijkwaardig is. Indien in de tussenliggende periode sprake is van een wijziging in de regeling van het bedrijfstakpensioenfonds dan wel in de regeling van de werkgever aan wie vrijstelling is verleend die zo ingrijpend is dat mag worden aangenomen dat daarvan een reële invloed op de onderstaande berekening zal uitgaan, kan het bedrijfstakpensioenfonds beslissen dat de toets frequenter wordt uitgevoerd.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
Artikel 1a. Termijnen
Een bedrijfstakpensioenfonds hanteert bij de behandeling van de verzoeken tot vrijstelling, bedoeld in de artikelen 2 tot en met 5 en 6, de volgende termijnen:
- a. na ontvangst van het verzoek wordt binnen twee weken beoordeeld of het verzoek in behandeling kan worden genomen;
- b. indien nodig krijgt de werkgever vier weken om het verzoek aan te vullen;
- c. nadat het verzoek in behandeling is genomen wordt de beslissing op het verzoek binnen 6 weken afgegeven.
De termijn, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, wordt verlengd:
- a. met 12 weken indien aan de vrijstelling het voorschrift van een gelijkwaardige pensioenregeling wordt verbonden, bedoeld in artikel 7, vijfde lid; of
- b. met vier weken indien een financiële bijdrage is vereist ter vergoeding van verzekeringstechnisch nadeel als bedoeld in artikel 7, vierde lid.
Nadat de werkgever, in de situatie bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, de gegevens heeft overgelegd beslist het bedrijfstakpensioenfonds binnen 6 weken of er sprake is van een gelijkwaardige pensioenregeling. Indien naar het oordeel van het bedrijfstakpensioenfonds de pensioenregeling nog niet geheel gelijkwaardig is, krijgt de werkgever maximaal 12 weken om de gelijkwaardigheid alsnog aan te tonen.
Artikel 5a. Performancetoets na fusie van bedrijfstakpensioenfondsen
Voor de performancetoets, bedoeld in artikel 5, eerste lid, van een bedrijfstakpensioenfonds dat is ontstaan door de fusie van twee of meer bedrijfstakpensioenfondsen waarop artikel 5, derde lid niet van toepassing is, wordt, voor de kalenderjaren vóór de fusie, gebruik gemaakt van de gegevens van de gefuseerde bedrijfstakpensioenfondsen waarbij de verhouding tussen deze gegevens gelijk is aan de verhouding tussen de totale vermogens van de gefuseerde bedrijfstakpensioenfondsen ten tijde van de fusie.
Artikel 9a. Overgangsrecht
Artikel 1a is van toepassing indien het verzoek tot vrijstelling, bedoeld in de artikelen 2 tot en met 5 en 6, wordt gedaan na inwerkingtreding van artikel I, onderdeel A, van het Besluit van 29 augustus 2007 tot wijziging van het Vrijstellingsbesluit Wet Bpf 2000 in verband met de invoering van termijnen voor de behandeling van een verzoek tot vrijstelling en enige andere wijzigingen.
Bijlage 2. Rekenregels verzekeringstechnisch nadeel
De hoogte van de compensatie ter vergoeding van het verzekeringstechnische nadeel bij vrijstelling heeft betrekking op de volgende elementen:
-
- te missen solidariteitsbijdragen als gevolg van het uittreden uit het bedrijfstakpensioenfonds. Deze solidariteitsbijdrage wordt als volgt berekend:
- a. bereken de volgende bedragen met als referentieperiode het volledige boekjaar voorafgaand aan het boekjaar waarin de vrijstelling ingaat:
- –. PaT: het bedrag van de actuarieel vastgestelde last van een eenjarige pensioeninkoop en dekking van het sterfterisico voor het deelnemersbestand van het gehele bedrijfstakpensioenfonds en uitgaande van de fictie dat de pensioenen tijdsevenredig worden gefinancierd en verworven;
- –. PaU: dezelfde berekening als bij PaT, nu echter vastgesteld voor het bestand van de uittredende werkgever;
- –. PdT: het bedrag dat het bedrijfstakpensioenfonds voor het totale actievenbestand van de aangesloten werkgevers ontvangt aan doorsneejaarpremie voor de reguliere pensioenopbouw en risicodekking;
- –. PdU: dezelfde berekening als bij PdT, nu echter vastgesteld als de ontvangst aan (doorsnee)premie van de uittredende werkgever;
- b. de jaarlijkse solidariteitsbijdrage is gelijk aan de uitkomst van de volgende berekening: [PdU/PdT]* PaT-PaU. Een uitkomst kleiner dan nul wordt op nul gesteld;
- c. indien gedurende de onder a gehanteerde referentieperiode een deel van de doorsneejaarpremie PdU betrekking heeft op de inkoop van aanspraken voor niet-actieven, dient dit deel, verhoogd met voorzienbare toekomstige stijgingen hiervan, eveneens gecompenseerd te worden;
- d. het te compenseren nadeel vanwege de te missen solidariteitsbijdragen wordt gevonden door de bedragen onder b en c op te tellen en te vermenigvuldigen met de factor van de contante waarde van een continue annuïteit met een looptijd van 5,5 jaar. Deze looptijd wordt verlengd met het aantal volle jaren dat de gemiddelde leeftijd van het bestand van de uittredende beroepsgenoot meer dan 5 jaar lager is dan de gemiddelde leeftijd van het totale bestand van het bedrijfstakpensioenfonds. De rentevoet bedraagt 4%.
-
- de kosten die redelijkerwijs verbonden zijn aan de behandeling van het vrijstellingsverzoek.
Indien er op de dag van uittreding sprake is van een onderdekking, mag dit er niet toe leiden dat de financieringsachterstand wordt verhaald op de bij het bedrijfstakpensioenfonds achterblijvende werkgevers. De werkgever aan wie de vrijstelling is verleend dient dan op dezelfde wijze als de achterblijvende werkgevers bij te dragen in de financiering van de achterstand. Partijen kunnen overeen komen dat dit in één keer wordt afgerekend.
Bijlage 3. Actuariële en financiële gelijkwaardigheid
Actuariële gelijkwaardigheid:
Frequentie:
Actuariële gelijkwaardigheid:
Eens in de vijf jaar wordt door het bedrijfstakpensioenfonds getoetst of de regeling van de werkgever aan wie vrijstelling is verleend actuarieel gelijkwaardig is. Indien in de tussenliggende periode sprake is van een wijziging in de regeling van het bedrijfstakpensioenfonds dan wel in de regeling van de werkgever aan wie vrijstelling is verleend die zo ingrijpend is dat mag worden aangenomen dat daarvan een reële invloed op de onderstaande berekening zal uitgaan, kan het bedrijfstakpensioenfonds beslissen dat de toets frequenter wordt uitgevoerd.
De werkgever aan wie aan wie vrijstelling is verleend, zendt van iedere wijziging in de pensioenregeling een afschrift aan het bedrijfstakpensioenfonds.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
Artikel 8a. Vaststelling hoogte boete
De toezichthouder stelt een bestuurlijke boete in de tweede of derde categorie vast op het basisbedrag, bedoeld in artikel 20, tweede lid, van de wet.
De toezichthouder verlaagt of verhoogt het basisbedrag met ten hoogste 50 procent indien de ernst of duur van de overtreding een dergelijke verlaging of verhoging rechtvaardigt.
De toezichthouder verlaagt of verhoogt het basisbedrag met ten hoogste 50 procent indien de mate van verwijtbaarheid van de overtreder een dergelijke verlaging of verhoging rechtvaardigt.
Artikel 8b. Recidive
De door de toezichthouder met toepassing van artikel 8a vast te stellen bestuurlijke boete wordt verdubbeld indien tijdens het plegen van de overtreding nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert het opleggen van een bestuurlijke boete aan de overtreder ter zake van eenzelfde overtreding.
Artikel 8c. Draagkracht
De toezichthouder houdt bij het vaststellen van een bestuurlijke boete rekening met de draagkracht van de overtreder.
De toezichthouder kan op basis van het eerste lid de op te leggen bestuurlijke boete verlagen met maximaal 100 procent.
Artikel 8d. Schade voor derden bij pensioenuitvoerders
De toezichthouder houdt bij het vaststellen van een bestuurlijke boete voor pensioenuitvoerders rekening met schade voor derden.
De toezichthouder kan de op te leggen bestuurlijke boete, na inachtneming van de bepalingen, bedoeld in de artikelen 8a, 8b en 8c verlagen met maximaal 75 procent.
Artikel 8e. Overtredingen
Overtreding van een voorschrift, gesteld in een hierna genoemd artikel van de wet, is als volgt beboetbaar:
| Artikel | Boetecategorie |
|---|---|
| 5 | 2 |
| 6 | 2 |
| 7 | 2 |
| 8 | 2 |
| 9, eerste en tweede lid | 1 |
Bijlage 1. Performance toets
De performancetoets wordt als volgt uitgevoerd, waarbij het subscript j steeds het jaar aangeeft:
Uitgaande van de normportefeuille worden twee percentages vastgesteld die de samenstelling van de normportefeuille bepalen:
aj%: vastrentende waarden inclusief kasbeleggingen;
bj%: overige (zakelijke) beleggingen;
aj% en bj% zijn samen 100%.
Hieruit wordt jaarlijks de voor het bedrijfstakpensioenfonds geldende maat voor de rendementsspreiding bepaald volgens de formule
Ej = [aj% * 0,6% + bj% * 2,6%].
Jaarlijks voor 1 april wordt over het daaraan voorafgaande jaar het feitelijke rendement van het bedrijfstakpensioenfonds (Rfj) en het rendement van de gekozen normportefeuille (Rbj) op eenzelfde grondslag vastgesteld en gecontroleerd door een externe accountant die voldoet aan artikel 393, lid 1, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. Hierbij wordt bij het bepalen van het rendement gebruik gemaakt van daartoe opgestelde richtlijnen van de Vereniging van Beleggingsanalisten.
Daarnaast worden de interne beleggingsuitvoeringskosten kj bepaald en uitgedrukt in een percentage van het gemiddelde van het begin- en eindvermogen op actuele basis. Onder interne beleggingsuitvoeringskosten worden tevens begrepen de door het bedrijfstakpensioenfonds te betalen beheerskosten aan externe vermogensbeheerders, met inbegrip van kosten van bewaarneming en administratiekosten voor zover niet reeds tot uitdrukking komend in de rendementsberekening over aangehouden eenheden of tegoeden bij externe vermogensbeheerders.
Het verschil in rendement tussen Rfj en Rbj wordt gecorrigeerd voor (i) de beleggingskosten, waarbij het rendement van de normportefeuille wordt gecorrigeerd voor beleggingskosten, die fictief zijn bepaald op basis van de onderstaande staffel en (ii) voor de jaarlijkse maat voor de rendementsspreiding van het fonds Ej.
| Percentage zakelijke waarden (p) | normkosten |
|---|---|
| 0 ≤ p < 10 | 0,10% |
| 10 ≤ p < 20 | 0,11% |
| 20 ≤ p < 30 | 0,12% |
| 30 ≤ p < 35 | 0,13% |
| 35 ≤ p < 40 | 0,14% |
| 40 ≤ p < 45 | 0,15% |
| 45 ≤ p < 50 | 0,16% |
| 50 ≤ p < 55 | 0,17% |
| 55 ≤ p < 60 | 0,18% |
| 60 ≤ p < 70 | 0,19% |
| 70 ≤ p < 80 | 0,20% |
| 80 ≤ p < 90 | 0,21% |
| 90 ≤ p <100 | 0,22% |
Daartoe berekent men zj volgens de formule:
Op basis hiervan toetst men of over de afgelopen 5 jaar geldt dat:
z(j-5) + z(j-4) + z(j-3) + z(j-2) + z(j-1)≥ – 1,28
√ 5
Indien door het bestuur van het bedrijfstakpensioenfonds het beleggingsbeleid en de normportefeuille in de loop van een jaar opnieuw zijn vastgesteld als bedoeld in artikel 5, vierde lid, wordt bij de performancetoets over dat jaar naar rato van de periode waarvoor de betreffende normportefeuille van toepassing was, met de betreffende normportefeuille rekening gehouden. Dit betekent:
a. voor de toepassing van punt 1:
aperiode 1 % plus bperiode 1 % zijn samen 100%
Voor periode 2 en 3 geldt dezelfde formule, zij het dat het subscript «periode 2 dan wel 3» wordt genoteerd in plaats van «periode 1»;
b. voor de toepassing van punt 2:
Eperiode 1 = [aperiode 1 * 0,6 + bperiode 1 * 2,6]
Hierbij is aperiode 1 % het aandeel van de vastrentende waarden in de normportefeuille (en het beleggingsbeleid) en bperiode 1 % het aandeel zakelijke waarden in periode 1.
Voor periode 2 en 3 geldt dezelfde formule, zij het dat het subscript «periode 2 dan wel 3» genoteerd staat in plaats van «periode 1»;
c. voor de toepassing van punt 5:
voor periode 1, en dezelfde formule voor periode 2 en 3, maar dan met subscript «periode 2 dan wel 3»
Vervolgens worden de zperiode 1, zperiode 2 en zperiode 3 teruggebracht naar één periode van een jaar, door de formule
zj = zperiode 1 + zperiode 2 + zperiode 3
De na deze berekening verkregen zj wordt in de formule van punt 6 verwerkt.
Indien de fusie van twee of meer oude bedrijfstakpensioenfondsen tot een nieuw bedrijfstakpensioenfonds heeft plaatsgevonden in de loop van een kalenderjaar wordt de performancetoets van het nieuwe bedrijfstakpensioenfonds over het kalenderjaar van de fusie als volgt berekend:
- a. voor ieder van de oude bedrijfstakpensioenfondsen wordt de performancetoets uitgevoerd over de periode dat het fonds nog heeft bestaan;
- b. van de scores van de oude bedrijfstakpensioenfondsen wordt één score gemaakt waarbij de verhouding tussen de scores gelijk is aan de verhouding tussen de totale vermogens van de oude bedrijfstakpensioenfondsen voor de fusie;
- c. voor het nieuwe bedrijfstakpensioenfonds wordt de performancetoets uitgevoerd over de periode vanaf de fusie;
- d. de scores in de onderdelen b en c worden samengevoegd op de wijze zoals in punt 7 is beschreven.
Bijlage 1. Performance toets
De performancetoets wordt als volgt uitgevoerd, waarbij het subscript j steeds het jaar aangeeft:
Uitgaande van de normportefeuille worden twee percentages vastgesteld die de samenstelling van de normportefeuille bepalen:
aj%: vastrentende waarden inclusief kasbeleggingen;
bj%: overige (zakelijke) beleggingen;
aj% en bj% zijn samen 100%.
Hieruit wordt jaarlijks de voor het bedrijfstakpensioenfonds geldende maat voor de rendementsspreiding bepaald volgens de formule
Ej = [aj% * 0,6% + bj% * 2,6%].
Jaarlijks voor 1 april wordt over het daaraan voorafgaande jaar het feitelijke rendement van het bedrijfstakpensioenfonds (Rfj) en het rendement van de gekozen normportefeuille (Rbj) op eenzelfde grondslag vastgesteld en gecontroleerd door een externe accountant die voldoet aan artikel 393, lid 1, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. Hierbij wordt bij het bepalen van het rendement gebruik gemaakt van daartoe opgestelde richtlijnen van de Vereniging van Beleggingsanalisten.
Daarnaast worden de interne beleggingsuitvoeringskosten kj bepaald en uitgedrukt in een percentage van het gemiddelde van het begin- en eindvermogen op actuele basis. Onder interne beleggingsuitvoeringskosten worden tevens begrepen de door het bedrijfstakpensioenfonds te betalen beheerskosten aan externe vermogensbeheerders, met inbegrip van kosten van bewaarneming en administratiekosten voor zover niet reeds tot uitdrukking komend in de rendementsberekening over aangehouden eenheden of tegoeden bij externe vermogensbeheerders.
Het verschil in rendement tussen Rfj en Rbj wordt gecorrigeerd voor (i) de beleggingskosten, waarbij het rendement van de normportefeuille wordt gecorrigeerd voor beleggingskosten, die fictief zijn bepaald op basis van de onderstaande staffel en (ii) voor de jaarlijkse maat voor de rendementsspreiding van het fonds Ej.
| Percentage zakelijke waarden (p) | normkosten |
|---|---|
| 0 ≤ p < 10 | 0,10% |
| 10 ≤ p < 20 | 0,11% |
| 20 ≤ p < 30 | 0,12% |
| 30 ≤ p < 35 | 0,13% |
| 35 ≤ p < 40 | 0,14% |
| 40 ≤ p < 45 | 0,15% |
| 45 ≤ p < 50 | 0,16% |
| 50 ≤ p < 55 | 0,17% |
| 55 ≤ p < 60 | 0,18% |
| 60 ≤ p < 70 | 0,19% |
| 70 ≤ p < 80 | 0,20% |
| 80 ≤ p < 90 | 0,21% |
| 90 ≤ p <100 | 0,22% |
Daartoe berekent men zj volgens de formule:
Op basis hiervan toetst men of over de afgelopen 5 jaar geldt dat:
z(j-5) + z(j-4) + z(j-3) + z(j-2) + z(j-1)≥ – 1,28
√ 5
Indien door het bestuur van het bedrijfstakpensioenfonds het beleggingsbeleid en de normportefeuille in de loop van een jaar opnieuw zijn vastgesteld als bedoeld in artikel 5, vierde lid, wordt bij de performancetoets over dat jaar naar rato van de periode waarvoor de betreffende normportefeuille van toepassing was, met de betreffende normportefeuille rekening gehouden. Dit betekent:
a. voor de toepassing van punt 1:
aperiode 1 % plus bperiode 1 % zijn samen 100%
Voor periode 2 en 3 geldt dezelfde formule, zij het dat het subscript «periode 2 dan wel 3» wordt genoteerd in plaats van «periode 1»;
b. voor de toepassing van punt 2:
Eperiode 1 = [aperiode 1 * 0,6 + bperiode 1 * 2,6]
Hierbij is aperiode 1 % het aandeel van de vastrentende waarden in de normportefeuille (en het beleggingsbeleid) en bperiode 1 % het aandeel zakelijke waarden in periode 1.
Voor periode 2 en 3 geldt dezelfde formule, zij het dat het subscript «periode 2 dan wel 3» genoteerd staat in plaats van «periode 1»;
c. voor de toepassing van punt 5:
voor periode 1, en dezelfde formule voor periode 2 en 3, maar dan met subscript «periode 2 dan wel 3»
Vervolgens worden de zperiode 1, zperiode 2 en zperiode 3 teruggebracht naar één periode van een jaar, door de formule
zj = zperiode 1 + zperiode 2 + zperiode 3
De na deze berekening verkregen zj wordt in de formule van punt 6 verwerkt.
Indien de fusie van twee of meer oude bedrijfstakpensioenfondsen tot een nieuw bedrijfstakpensioenfonds heeft plaatsgevonden in de loop van een kalenderjaar wordt de performancetoets van het nieuwe bedrijfstakpensioenfonds over het kalenderjaar van de fusie als volgt berekend:
- a. voor ieder van de oude bedrijfstakpensioenfondsen wordt de performancetoets uitgevoerd over de periode dat het fonds nog heeft bestaan;
- b. van de scores van de oude bedrijfstakpensioenfondsen wordt één score gemaakt waarbij de verhouding tussen de scores gelijk is aan de verhouding tussen de totale vermogens van de oude bedrijfstakpensioenfondsen voor de fusie;
- c. voor het nieuwe bedrijfstakpensioenfonds wordt de performancetoets uitgevoerd over de periode vanaf de fusie;
- d. de scores in de onderdelen b en c worden samengevoegd op de wijze zoals in punt 7 is beschreven.
Bijlage 1. Performance toets
Vervallen
Actuariële gelijkwaardigheid:
Toets:
Bij de toetsing van de actuariële gelijkwaardigheid wordt de volgende procedure in acht genomen:
Financiële gelijkwaardigheid
Het financieringssysteem van de door de werkgever voorgestane pensioenregeling dient gebaseerd te zijn op de jaarlijkse affinanciering van de tijdsevenredige ontslagaanspraken.
Het financieringssysteem van de door de werkgever voorgestane pensioenregeling dient gebaseerd te zijn op de jaarlijkse affinanciering van de tijdsevenredige ontslagaanspraken.
Hiervan kan worden afgeweken als het betreffende bedrijfstakpensioenfonds zelf backservice-aanspraken op enigerlei wijze in toekomstige jaren affinanciert. Het financieringssysteem van de door de werkgever voorgestane pensioenregeling dient dus ten minste hetzelfde te zijn aan dat van het bedrijfstakpensioenfonds.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
Artikel 4a. Vrijstelling in geval van nettopensioen
Op verzoek van een werkgever wordt door een bedrijfstakpensioenfonds voor alle werknemers of een deel van de werknemers van die werkgever vrijstelling verleend voor zover het nettopensioen betreft.
Bijlage 1. Performance toets
Vervallen
Frequentie:
Toets:
Bij de toetsing van de actuariële gelijkwaardigheid wordt de volgende procedure in acht genomen:
Financiële gelijkwaardigheid
Daarnaast dient het financieringssysteem te waarborgen dat er in beginsel te allen tijde sprake is van een 100% dekking van de tijdsevenredige aanspraken, tenzij het bedrijfstakpensioenfonds zichzelf ook minder dan 100% dekking ten opzichte van die norm toestaat. De dekkingsgraad van een door de werkgever voorgestane pensioenregeling dient in dat geval ten minste gelijk te zijn aan die van het bedrijfstakpensioenfonds.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
Artikel 9b. Overgangsrecht Wet toekomst pensioenen
In het geval van een vrijstelling als bedoeld in de artikelen 2 of 6, blijven de artikelen 7 en 7b en bijlagen 2 en 3, zoals die luidden op 30 juni 2023, van toepassing tot het tijdstip dat het bedrijfstakpensioenfonds dan wel de werkgever die een vrijstelling heeft of aanvraagt bij dat bedrijfstakpensioenfonds is overgegaan op uitvoering van een gewijzigde pensioenovereenkomst als bedoeld in artikel 220i van de Pensioenwet.
In het geval van een vrijstelling als bedoeld in artikel 5, blijven de artikelen 5, 5a en bijlage 1, zoals die luidden op 30 juni 2023, van toepassing tot het tijdstip dat het bedrijfstakpensioenfonds is overgegaan op uitvoering van een gewijzigde pensioenovereenkomst als bedoeld in artikel 220i van de Pensioenwet.
In het geval van een vrijstelling als bedoeld in artikel 5, blijven de artikelen 7 en 7b en bijlage 2, zoals die luidden op 30 juni 2023, van toepassing tot het tijdstip dat het bedrijfstakpensioenfonds dan wel de werkgever die een vrijstelling heeft of aanvraagt bij dat bedrijfstakpensioenfonds is overgegaan op uitvoering van een gewijzigde pensioenovereenkomst als bedoeld in artikel 220i van de Pensioenwet.
Indien bij een vrijstelling als bedoeld in de artikelen 2 of 6, is afgezien van de berekening van de actuariële en financiële gelijkwaardigheid op grond van artikel 7, vijfde lid, tweede zin, zoals dat luidde op 30 juni 2023, wordt vanaf het tijdstip dat het bedrijfstakpensioenfonds of de werkgever die een vrijstelling heeft of aanvraagt bij dat bedrijfstakpensioenfonds is overgegaan op uitvoering van een gewijzigde pensioenovereenkomst als bedoeld in artikel 220i van de Pensioenwet, de gelijkwaardigheid aangetoond door aan te tonen dat de pensioenregeling van de werkgever ten minste financieel gelijkwaardig is aan de pensioenregeling van het bedrijfstakpensioenfonds.
De gelijkwaardigheid wordt in afwijking van artikel 7, vijfde lid, voor de duur van de hierna genoemde periode aangetoond door een toets op enkel de financiële gelijkwaardigheid, bedoeld in de krachtens artikel 7, negende lid, vastgestelde ministeriële regeling. Het gaat om de periode waarin enkel het bedrijfstakpensioenfonds dan wel enkel de werkgever die een vrijstelling heeft of aanvraagt bij dat bedrijfstakpensioenfonds, als bedoeld in de artikelen 2 of 6, is overgegaan op uitvoering van een gewijzigde pensioenovereenkomst als bedoeld in artikel 220i van de Pensioenwet. In de genoemde periode kan in afwijking van artikel 8, eerste lid, de vrijstelling door het bedrijfstakpensioenfonds niet worden ingetrokken vanwege het ontbreken van de actuariële gelijkwaardigheid.
De financiële gelijkwaardigheid, bedoeld in het vierde en vijfde lid, wordt geacht te zijn aangetoond indien de werkgever voor de vrijgestelde werknemers een pensioenregeling heeft die aansluit bij de maximale begrenzingen die zijn opgenomen in de hoofdstukken IIB en VIII van de Wet op de loonbelasting 1964.
Het in artikel 39a van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000 genoemde artikel 8 blijft uiterlijk van toepassing tot en met 31 december 2027.
Dit artikel vervalt met ingang van 1 januari 2028.
Bijlage 2. Rekenregels verzekeringstechnisch nadeel
Vervallen
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
Artikel 8f. Verstrekking informatie ten behoeve van onderzoek
Indien naar het oordeel van Onze Minister inlichtingen nodig zijn voor een onderzoek naar de doeltreffendheid of effecten van dit besluit, verstrekt het bedrijfstakpensioenfonds op verzoek van Onze Minister inlichtingen omtrent:
- a. de beleggingsperformance van het bedrijfstakpensioenfonds, bedoeld in artikel 5, eerste lid;
- b. de benchmark, bedoeld in artikel 5, eerste lid; en
- c. de kosten van vermogensbeheer, bedoeld in artikel 10a, tweede lid, van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling.
Onze Minister kan een derde opdragen de gegevens of inlichtingen die hem ingevolge het eerste lid zijn verstrekt te onderzoeken en aan hem verslag uit te brengen. Tevens kan Onze Minister de derde die in zijn opdracht handelt, machtigen namens hem gegevens of inlichtingen in te winnen, in welk geval het eerste lid van overeenkomstige toepassing is.
Onze Minister en degenen die in zijn opdracht handelen zijn verplicht tot geheimhouding van de op grond van het eerste lid ontvangen gegevens of inlichtingen. Onze Minister kan uitsluitend de aan de gegevens of inlichtingen ontleende bevindingen en de daaruit getrokken conclusies in algemene zin aan de Staten-Generaal meedelen en openbaar maken.
Het bedrijfstakpensioenfonds is verplicht de gegevens en inlichtingen genoemd in het eerste lid beschikbaar te hebben en deze gedurende ten minste zeven jaren na het boekjaar waarop ze betrekking hebben beschikbaar te houden.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over het verstrekken van inlichtingen, bedoeld in het eerste lid.
Bijlage 3. Actuariële en financiële gelijkwaardigheid
Vervallen
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)