Besluit van 21 december 2000, houdende vaststelling van het Besluit voorkoming dubbele belasting 2001
Het bedrag van de in het eerste lid bedoelde vermindering is gelijk aan het bedrag van de in het kalenderjaar vanwege die andere Mogendheid geheven, aan de bankenbelasting soortgelijke, belasting dat toerekenbaar is aan de bij die heffing in aanmerking genomen activa of passiva van de belastingplichtige. De vermindering volgens dit artikel bedraagt ten hoogste het bedrag aan belasting dat volgens de Wet bankenbelasting verschuldigd is.
Het eerste lid vindt alleen toepassing indien de aldaar bedoelde andere Mogendheid een overeenkomstige verrekening van Nederlandse bankenbelasting geeft aan een in die Mogendheid gevestigd lichaam dat aldaar is onderworpen aan een soortgelijke belasting en waarvan de financiële gegevens zijn opgenomen in een geconsolideerde jaarrekening die is opgesteld door een in Nederland gevestigd lichaam dat belastingplichtig is voor de bankenbelasting.
Bij ministeriële regeling worden regels gesteld voor de bepaling van het gedeelte van de door een andere Mogendheid geheven soortgelijke belasting dat toerekenbaar is aan de bij die heffing in aanmerking genomen activa of passiva van de belastingplichtige.
Artikel 54. Verrekening bankenbelasting bij bijkantoren
Aan een belastingplichtige met zetel in een andere Mogendheid en met een bijkantoor in Nederland wordt, ter verrekening van vanwege die andere Mogendheid geheven belasting, een vermindering van bankenbelasting verleend indien de aan het bijkantoor toe te rekenen activa of passiva van de belastingplichtige in aanmerking zijn genomen bij de vanwege die andere Mogendheid geheven, aan de bankenbelasting soortgelijke, belasting.
Het bedrag van de in het eerste lid bedoelde vermindering is gelijk aan het bedrag van de in het kalenderjaar vanwege die andere Mogendheid geheven, aan de bankenbelasting soortgelijke, belasting dat toerekenbaar is aan de bij die heffing in aanmerking genomen aan het bijkantoor in Nederland toe te rekenen activa of passiva van de belastingplichtige. De vermindering volgens dit artikel bedraagt ten hoogste het bedrag aan belasting dat volgens de Wet bankenbelasting verschuldigd is.
Het eerste lid vindt alleen toepassing indien de aldaar bedoelde andere Mogendheid een overeenkomstige verrekening van Nederlandse bankenbelasting geeft aan een in Nederland gevestigde belastingplichtige met een bijkantoor in die Mogendheid die aldaar is onderworpen aan een soortgelijke belasting.
Bij ministeriële regeling worden regels gesteld voor de bepaling van het gedeelte van de door een andere Mogendheid geheven soortgelijke belasting dat toerekenbaar is aan de bij die heffing in aanmerking genomen aan het bijkantoor in Nederland toe te rekenen activa of passiva van de belastingplichtige.
Artikel 55. Overeenkomstige verrekening van Nederlandse bankenbelasting
Bij ministeriële regeling kan worden bepaald in welke gevallen aan de in artikel 53, derde lid, onderscheidenlijk artikel 54, derde lid, gestelde voorwaarden in ieder geval wordt voldaan.
Artikel 56. Overgangsregeling bijzonder tarief
Vervallen
Artikel 57. Overgangsregeling vennootschapsbelasting; wijziging gerechtigdheid tot lichaam
Vervallen
Artikel 58. Overgangsregeling, delegatiebepaling over te brengen bedragen
Vervallen
Artikel 59. Intrekking Besluit voorkoming dubbele belasting 1989
Het Besluit voorkoming dubbele belasting 1989 wordt ingetrokken.
Het in het eerste lid genoemde besluit vindt voor de toepassing van de vennootschapsbelasting nog toepassing op het jaar dat is aangevangen voor 1 januari 2001 en dat na die datum eindigt.
Artikel 60. Inwerkingtreding
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2001.
Voor de heffing van de vennootschapsbelasting vindt dit besluit voor het eerst toepassing met ingang van het jaar dat met of in 2001 aanvangt.
Voor de heffing van de schenk- en erfbelasting vindt dit besluit toepassing, indien het overlijden, de schenking of de in artikel 45, tweede lid, tweede zin, of de in artikel 53, eerste lid, van de Successiewet 1956 bedoelde gebeurtenis plaatsvindt op of na het tijdstip van de inwerkingtreding van dit besluit, zomede indien op of na dat tijdstip krachtens schenking wordt verkregen ten gevolge van de vervulling van een voorwaarde.
Artikel 61. Citeertitel
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit voorkoming dubbele belasting 2001.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
Artikel 36a. Verrekening buitenlandse belasting op royalty’s. Innovatiebox.
In afwijking in zoverre van artikel 36, eerste lid, wordt aan een binnenlandse belastingplichtige, ter verrekening van vanwege een andere Mogendheid geheven belasting, een vermindering van vennootschapsbelasting verleend voor royalty’s waarop artikel 12b van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 van toepassing is, indien:
- a. de schuldenaar van de royalty’s in een ontwikkelingsland woont of gevestigd is, en
- b. de royalty’s zijn onderworpen aan een belasting naar de winst die vanwege dat ontwikkelingsland, al dan niet aan de bron, wordt geheven.
Het bedrag van de in het eerste lid bedoelde vermindering is het laagste van de volgende bedragen:
- a. het bedrag van de in het desbetreffende jaar vanwege andere Mogendheden geheven belasting;
- b. het bedrag van de in dat jaar volgens het eerste lid in aanmerking te nemen royalty’s, vermenigvuldigd met 9/100.
Bij de toepassing van het tweede lid, onderdeel b, worden royalty’s verminderd met de daarmee verband houdende kosten.
Artikel 16 is van overeenkomstige toepassing.
De vermindering volgens dit artikel bedraagt, met inachtneming van de vermindering volgens andere regelen ter voorkoming van dubbele belasting en volgens de artikelen 36 en 36c, ten hoogste het bedrag aan verschuldigde vennootschapsbelasting.
Afdeling 2. Verrekening
Hoofdstuk V. Recht van successie en recht van schenking
Hoofdstuk V. Schenk- en erfbelasting
Hoofdstuk VII. Overgangs- en slotbepalingen
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
Artikel 13a. Verrekening buitenlandse belasting bij bemanningsleden van zee- of luchtvaartuigen in het internationale verkeer
Aan een binnenlandse belastingplichtige wordt, ter verrekening van vanwege een andere Mogendheid geheven belasting naar het inkomen, een vermindering van inkomstenbelasting verleend voor het in het inkomen uit werk en woning begrepen belastbare loon ter zake van een dienstbetrekking uitgeoefend aan boord van een zee- of luchtvaartuig in het internationale verkeer dat wordt geëxploiteerd door een onderneming waarvan de werkelijke leiding is gevestigd in een andere Mogendheid.
Het bedrag van de in het eerste lid bedoelde vermindering is het laagste van de volgende bedragen:
- a. het bedrag van de in het desbetreffende jaar vanwege de andere Mogendheid geheven belasting;
- b. het bedrag dat tot de belasting die in het desbetreffende jaar zonder de toepassing van dit besluit volgens de Wet inkomstenbelasting 2001 over het belastbare inkomen uit werk en woning verschuldigd zou zijn, in dezelfde verhouding staat als het bedrag van de in dat jaar volgens het eerste lid in aanmerking te nemen loon, staat tot het noemerinkomen.
Artikel 10, vierde, vijfde en zevende lid, is van overeenkomstige toepassing.
De vermindering volgens dit artikel bedraagt, met inachtneming van de verminderingen volgens andere regelen ter voorkoming van dubbele belasting en volgens artikel 10, ten hoogste het bedrag aan berekende belasting over het belastbare inkomen uit werk en woning.
Artikel 14a. Voortwenteling niet verrekende belasting bij bemanningsleden van zee- of luchtvaartuigen in het internationale verkeer
Het bedrag van de in een jaar vanwege andere Mogendheden geheven belasting, bedoeld in artikel 13a, dat door de toepassing van het tweede lid, onderdeel b, of het vierde lid van dat artikel, niet leidt tot een vermindering van inkomstenbelasting over dat jaar, wordt aangemerkt als vanwege andere Mogendheden geheven belasting van het daaropvolgende jaar. Deze voortwenteling vindt alleen plaats indien het naar het volgend jaar over te brengen bedrag door de inspecteur is vastgesteld bij voor bezwaar vatbare beschikking.
Artikel 14, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Afdeling 3. Inkomen uit aanmerkelijk belang
Afdeling 4. Inkomen uit sparen en beleggen
Paragraaf 1. Vrijstelling
Artikel 24a. Doorschuifregeling
Een bedrag aan in een jaar vrij te stellen buitenlands voordeel uit sparen en beleggen dat als gevolg van het in aanmerking nemen van de persoonsgebonden aftrek en de toepassing van artikel 24, tweede lid, tweede volzin, niet leidt tot een vermindering van belasting over dat jaar, wordt overgebracht naar het volgend jaar. Deze overbrenging bedraagt niet meer dan het bedrag van de persoonsgebonden aftrek waarmee het voordeel uit sparen en beleggen is verminderd. De overbrenging vindt alleen plaats indien het naar het volgend jaar over te brengen buitenlands voordeel uit sparen en beleggen door de inspecteur is vastgesteld bij voor bezwaar vatbare beschikking.
In het jaar waarnaar de overbrenging plaatsvindt, wordt voor de berekening van de vermindering van artikel 24 het buitenlands voordeel uit sparen en beleggen verhoogd met het over te brengen bedrag aan buitenlands voordeel uit sparen en beleggen. Het noemerinkomen wordt niet verhoogd.
Paragraaf 2. Verrekening
Afdeling 5. Formele en overige bepalingen
Hoofdstuk III. Loonbelasting
Hoofdstuk IV. Vennootschapsbelasting
Afdeling 1. Vrijstelling
Afdeling 2. Verrekening
Afdeling 2. Verrekening
Hoofdstuk V. Recht van successie en recht van schenking
Hoofdstuk V. Schenk- en erfbelasting
Hoofdstuk VII. Overgangs- en slotbepalingen
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
Artikel 21a. Verrekening buitenlandse belasting op dividenden in geval van afgezonderd particulier vermogen
Vervallen
Afdeling 4. Inkomen uit sparen en beleggen
Paragraaf 1. Vrijstelling
Artikel 24b. Vermindering belasting bij buitenlands voordeel uit sparen en beleggen in geval van afgezonderd particulier vermogen
Vervallen
Paragraaf 2. Verrekening
Artikel 25b. Verrekening buitenlandse belasting in geval van afgezonderd particulier vermogen
Aan een binnenlandse belastingplichtige wordt, ter verrekening van vanwege een andere Mogendheid geheven belasting, een vermindering van inkomstenbelasting verleend voor in het inkomen uit werk en woning, het inkomen uit aanmerkelijk belang of het voordeel uit sparen en beleggen begrepen inkomsten die bij deze belastingplichtige opkomen als gevolg van de toerekening op grond van artikel 2.14a van de Wet inkomstenbelasting 2001 van de bezittingen en schulden alsmede opbrengsten en uitgaven van een afgezonderd particulier vermogen, voor zover deze bezittingen en schulden alsmede opbrengsten en uitgaven zijn onderworpen aan een belasting naar het inkomen of de winst die vanwege de Mogendheid waarin het afgezonderd particulier vermogen is gevestigd wordt geheven.
Het bedrag van de in het eerste lid bedoelde vermindering is het laagste van de volgende bedragen:
- a. het bedrag van de in het desbetreffende jaar vanwege andere Mogendheden geheven belasting als bedoeld in het eerste lid over de aan de belastingplichtige toegerekende bezittingen en schulden alsmede opbrengsten en uitgaven; en
- b. het bedrag van de in het desbetreffende jaar, zonder de toepassing van dit besluit, volgens de Wet inkomstenbelasting 2001 verschuldigde inkomstenbelasting dat betrekking heeft op de inkomsten, bedoeld in het eerste lid, die bij de belastingplichtige opkomen, waarbij dit bedrag wordt verminderd met de verminderingen van de verschuldigde inkomstenbelasting die voor die inkomsten worden verleend op grond van de aan dit artikel voorafgaande artikelen of andere regelingen ter voorkoming van dubbele belasting.
Het bedrag van de in het desbetreffende jaar volgens de Wet inkomstenbelasting 2001 verschuldigde inkomstenbelasting dat betrekking heeft op de inkomsten, bedoeld in het eerste lid, die bij de belastingplichtige opkomen, wordt voor de toepassing van het tweede lid, onderdeel b, gesteld op de som van de volgende bedragen:
- a. het bedrag dat tot de belasting die in het desbetreffende jaar over het belastbare inkomen uit werk en woning verschuldigd is, in dezelfde verhouding staat als het in het inkomen uit werk en woning begrepen inkomen dat in dat jaar bij de belastingplichtige opkomt op grond van artikel 2.14a van de Wet inkomstenbelasting 2001 staat tot het noemerinkomen, bedoeld in artikel 10, vijfde en zevende lid;
- b. het bedrag dat tot de belasting die in het desbetreffende jaar over het belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang verschuldigd is, in dezelfde verhouding staat als het in het inkomen uit aanmerkelijk belang begrepen inkomen dat in dat jaar bij de belastingplichtige opkomt op grond van artikel 2.14a van de Wet inkomstenbelasting 2001 staat tot het noemerinkomen, bedoeld in artikel 19, vijfde en zesde lid;
- c. het bedrag dat tot de belasting die in het desbetreffende jaar over het belastbare inkomen uit sparen en beleggen verschuldigd is, in dezelfde verhouding staat als het in het voordeel uit sparen en beleggen begrepen inkomen dat in dat jaar bij de belastingplichtige opkomt op grond van artikel 2.14a van de Wet inkomstenbelasting 2001 staat tot het noemerinkomen, bedoeld in artikel 24, vijfde en zesde lid, onderscheidenlijk het belastbare inkomen uit sparen en beleggen, bedoeld in artikel 25ad, tweede en vierde lid.
De vermindering volgens dit artikel bedraagt, met inachtneming van de verminderingen volgens de aan dit artikel voorafgaande artikelen en volgens andere regelingen ter voorkoming van dubbele belasting, ten hoogste het bedrag aan verschuldigde inkomstenbelasting over het belastbare inkomen uit werk en woning, het belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang en het belastbare inkomen uit sparen en beleggen.
Afdeling 4a. Afgezonderd particulier vermogen
Hoofdstuk III. Loonbelasting
Hoofdstuk III. Loonbelasting
Afdeling 2. Verrekening
Afdeling 3. Formele en overige bepalingen
Hoofdstuk V. Schenk- en erfbelasting
Hoofdstuk VII. Overgangs- en slotbepalingen
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
Artikel 9a. Toedeling ondernemersaftrek
Bij het bepalen van de belastbare winst uit buitenlandse onderneming, bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel a, wordt de ondernemersaftrek, bedoeld in artikel 3.74 van de Wet inkomstenbelasting 2001, in aanmerking genomen voor een bedrag dat tot de ondernemersaftrek waarop de belastingplichtige in dat jaar recht heeft, in dezelfde verhouding staat als de winst uit buitenlandse onderneming, voor aftrek van de ondernemersaftrek, staat tot de winst, bedoeld in artikel 3.8 van de Wet inkomstenbelasting 2001.
Indien de winst, bedoeld in artikel 3.8 van de Wet inkomstenbelasting 2001, positief is en de buitenlandse winst negatief, wordt deze laatste voor de toepassing van het eerste lid op nihil gesteld.
Indien de buitenlandse winst groter is dan de winst, bedoeld in artikel 3.8 van de Wet inkomstenbelasting 2001, wordt de ondernemersaftrek bij de bepaling van de belastbare winst uit buitenlandse onderneming in zijn geheel in aanmerking genomen.
Indien de buitenlandse winst negatief is en de winst, bedoeld in artikel 3.8 van de Wet inkomstenbelasting 2001, lager is dan de buitenlandse winst wordt de ondernemersaftrek bij de bepaling van de belastbare winst uit buitenlandse onderneming voor de helft in aanmerking genomen.
Paragraaf 2. Verrekening
Afdeling 3. Inkomen uit aanmerkelijk belang
Afdeling 4. Inkomen uit sparen en beleggen
Paragraaf 2. Verrekening
Afdeling 4a. Afgezonderd particulier vermogen
Artikel 28a. Volgorde van in aanmerking nemen verminderingen
Indien een belastingplichtige op grond van enige bepaling in dit besluit in aanmerking komt voor een vermindering in verband met uit meer dan een Mogendheid genoten buitenlands inkomen of vanwege meer dan een Mogendheid geheven belasting en het gezamenlijke bedrag van de verminderingen ingevolge enig artikel in dit besluit is beperkt tot het bedrag van de inkomstenbelasting dat zonder toepassing van dit besluit verschuldigd zou zijn, worden deze verminderingen in aanmerking genomen met inachtneming van het volgende. Verminderingen die voortvloeien uit een andere regeling ter voorkoming van dubbele belasting gaan voor op de verminderingen die uitsluitend voortvloeien uit dit besluit. Vervolgens worden de verminderingen in aanmerking genomen in de volgorde die blijkt uit de overige bepalingen van dit besluit. Ten slotte worden de verminderingen in aanmerking genomen in volgorde van toenemende grootte.
Ingeval de verminderingen even groot zijn, wordt van elk een evenredig gedeelte in aanmerking genomen.
Hoofdstuk III. Loonbelasting
Afdeling 1. Vrijstelling
Afdeling 2. Verrekening
Artikel 44a. Volgorde van in aanmerking nemen verminderingen
Indien een belastingplichtige op grond van enige bepaling in dit besluit in aanmerking komt voor een vermindering in verband met vanwege meer dan een Mogendheid geheven belasting en het gezamenlijke bedrag van de verminderingen ingevolge enig artikel in dit besluit is beperkt tot het bedrag van de vennootschapsbelasting dat zonder toepassing van dit besluit verschuldigd zou zijn, worden deze verminderingen in aanmerking genomen met inachtneming van het volgende. Verminderingen die voortvloeien uit een andere regeling ter voorkoming van dubbele belasting gaan voor op de verminderingen die uitsluitend voortvloeien uit dit besluit. Vervolgens worden de verminderingen in aanmerking genomen in de volgorde die blijkt uit de overige bepalingen van dit besluit. Ten slotte worden de verminderingen in aanmerking genomen in volgorde van toenemende grootte. Ingeval de verminderingen even groot zijn, wordt van elk een evenredig gedeelte in aanmerking genomen.
Hoofdstuk VI. Kansspelbelasting
Hoofdstuk VIa. Bankenbelasting
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
Hoofdstuk VIa. Bankenbelasting
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
Artikel 25b. Verrekening buitenlandse belasting in geval van afgezonderd particulier vermogen
Aan een binnenlandse belastingplichtige wordt, ter verrekening van vanwege een andere Mogendheid geheven belasting, een vermindering van inkomstenbelasting verleend voor in het inkomen uit werk en woning, het inkomen uit aanmerkelijk belang of het voordeel uit sparen en beleggen begrepen inkomsten die bij deze belastingplichtige opkomen als gevolg van de toerekening op grond van artikel 2.14a van de Wet inkomstenbelasting 2001 van de bezittingen en schulden alsmede opbrengsten en uitgaven van een afgezonderd particulier vermogen, voor zover deze bezittingen en schulden alsmede opbrengsten en uitgaven zijn onderworpen aan een belasting naar het inkomen of de winst die vanwege de Mogendheid waarin het afgezonderd particulier vermogen is gevestigd wordt geheven.
Het bedrag van de in het eerste lid bedoelde vermindering is het laagste van de volgende bedragen:
- a. het bedrag van de in het desbetreffende jaar vanwege andere Mogendheden geheven belasting als bedoeld in het eerste lid over de aan de belastingplichtige toegerekende bezittingen en schulden alsmede opbrengsten en uitgaven; en
- b. het bedrag van de in het desbetreffende jaar, zonder de toepassing van dit besluit, volgens de Wet inkomstenbelasting 2001 verschuldigde inkomstenbelasting dat betrekking heeft op de inkomsten, bedoeld in het eerste lid, die bij de belastingplichtige opkomen, waarbij dit bedrag wordt verminderd met de verminderingen van de verschuldigde inkomstenbelasting die voor die inkomsten worden verleend op grond van de aan dit artikel voorafgaande artikelen of andere regelingen ter voorkoming van dubbele belasting.
Het bedrag van de in het desbetreffende jaar volgens de Wet inkomstenbelasting 2001 verschuldigde inkomstenbelasting dat betrekking heeft op de inkomsten, bedoeld in het eerste lid, die bij de belastingplichtige opkomen, wordt voor de toepassing van het tweede lid, onderdeel b, gesteld op de som van de volgende bedragen:
- a. het bedrag dat tot de belasting die in het desbetreffende jaar over het belastbare inkomen uit werk en woning verschuldigd is, in dezelfde verhouding staat als het in het inkomen uit werk en woning begrepen inkomen dat in dat jaar bij de belastingplichtige opkomt op grond van artikel 2.14a van de Wet inkomstenbelasting 2001 staat tot het noemerinkomen, bedoeld in artikel 10, vijfde en zevende lid;
- b. het bedrag dat tot de belasting die in het desbetreffende jaar over het belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang verschuldigd is, in dezelfde verhouding staat als het in het inkomen uit aanmerkelijk belang begrepen inkomen dat in dat jaar bij de belastingplichtige opkomt op grond van artikel 2.14a van de Wet inkomstenbelasting 2001 staat tot het noemerinkomen, bedoeld in artikel 19, vijfde en zesde lid;
- c. het bedrag dat tot de belasting die in het desbetreffende jaar over het belastbare inkomen uit sparen en beleggen verschuldigd is, in dezelfde verhouding staat als het in het voordeel uit sparen en beleggen begrepen inkomen dat in dat jaar bij de belastingplichtige opkomt op grond van artikel 2.14a van de Wet inkomstenbelasting 2001 staat tot het noemerinkomen, bedoeld in artikel 24, vijfde en zesde lid.
De vermindering volgens dit artikel bedraagt, met inachtneming van de verminderingen volgens de aan dit artikel voorafgaande artikelen en volgens andere regelingen ter voorkoming van dubbele belasting, ten hoogste het bedrag aan verschuldigde inkomstenbelasting over het belastbare inkomen uit werk en woning, het belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang en het belastbare inkomen uit sparen en beleggen.
Artikel 25ba. Voortwenteling niet verrekende belasting in geval van afgezonderd particulier vermogen
Het bedrag van de in een jaar vanwege een andere Mogendheid geheven belasting, bedoeld in artikel 25b, dat door toepassing van het tweede lid, onderdeel b, of het vierde lid van dat artikel niet leidt tot een vermindering van inkomstenbelasting over dat jaar, wordt aangemerkt als vanwege die andere Mogendheid geheven belasting van het daaropvolgende jaar. Deze voortwenteling vindt alleen plaats indien het naar het volgend jaar over te brengen bedrag door de inspecteur is vastgesteld bij voor bezwaar vatbare beschikking.
Afdeling 5. Formele en overige bepalingen
Hoofdstuk III. Loonbelasting
Hoofdstuk IV. Vennootschapsbelasting
Afdeling 1. Vrijstelling
Afdeling 3. Formele en overige bepalingen
Hoofdstuk V. Schenk- en erfbelasting
Hoofdstuk VIa. Bankenbelasting
Hoofdstuk VI. Kansspelbelasting
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
Afdeling 5. Formele en overige bepalingen
Hoofdstuk IV. Vennootschapsbelasting
Afdeling 1. Vrijstelling
Afdeling 2. Verrekening
Artikel 36b. Verrekening buitenlandse belasting op royalty’s. Overgangsrecht innovatiebox
Artikel 36a is van overeenkomstige toepassing op royalty’s waarop artikel 12b van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, zoals dat luidde op 31 december 2016, toepassing vindt.
Paragraaf 3. Tegenbewijsregeling
Artikel 25aa. Voorkoming van dubbele belasting bij toepassing tegenbewijsregeling
Indien in een jaar het belastbare inkomen uit sparen en beleggen wordt bepaald met inachtneming van afdeling 5.6 van de Wet inkomstenbelasting 2001, vindt hoofdstuk 2, afdeling 4, paragraaf 1, in dat jaar geen toepassing en wordt de vermindering van belasting bij buitenlands voordeel uit sparen en beleggen vastgesteld met inachtneming van deze paragraaf.
Artikel 25ab. Vrijstelling bij toepassing tegenbewijsregeling
Een binnenlandse belastingplichtige is vrijgesteld van de inkomstenbelasting die betrekking heeft op buitenlands voordeel uit sparen en beleggen.
Artikel 25ac. Buitenlands voordeel uit sparen en beleggen bij toepassing tegenbewijsregeling
Het buitenlandse voordeel uit sparen en beleggen bestaat uit het gezamenlijke bedrag van het werkelijke rendement van de bezittingen in het buitenland en van de schulden in verband met die bezittingen.
Het werkelijke rendement van de bezittingen in het buitenland en de schulden in verband met die bezittingen wordt bepaald met toepassing van afdeling 5.6 van de Wet inkomstenbelasting 2001.
Bezittingen in het buitenland zijn:
- a. binnen het gebied van een andere Mogendheid gelegen onroerende zaken;
- b. rechten die direct of indirect betrekking hebben op binnen het gebied van een andere Mogendheid gelegen onroerende zaken; en
- c. rechten op aandelen in de winst van een onderneming waarvan de leiding binnen het gebied van een andere Mogendheid is gelegen, voor zover zij niet voortkomen uit effectenbezit of dienstbetrekking;
voor zover de daaruit genoten opbrengsten zijn onderworpen aan een belasting naar het inkomen die vanwege de andere Mogendheid waarin de bezittingen zijn gelegen, wordt geheven.
Artikel 25ad. Vermindering belasting bij buitenlands voordeel uit sparen en beleggen bij toepassing tegenbewijsregeling
De vrijstelling voor buitenlands voordeel uit sparen en beleggen, bedoeld in artikel 25ab, wordt toegepast door een vermindering te verlenen op de verschuldigde inkomstenbelasting.
De vermindering, bedoeld in het eerste lid, is gelijk aan het bedrag dat tot de belasting die zonder de toepassing van dit besluit volgens de Wet inkomstenbelasting 2001 over het belastbare inkomen uit sparen en beleggen verschuldigd zou zijn, in dezelfde verhouding staat als het werkelijke rendement van de bezittingen in het buitenland en de schulden in verband met die bezittingen staat tot het belastbare inkomen uit sparen en beleggen. De vermindering kan, met inachtneming van de verminderingen volgens andere regelingen ter voorkoming van dubbele belasting, niet meer bedragen dan de belasting die zonder de toepassing van dit besluit volgens de Wet inkomstenbelasting 2001 over het belastbare inkomen uit sparen en beleggen verschuldigd zou zijn.
Onder de belasting die zonder de toepassing van dit besluit volgens de Wet inkomstenbelasting 2001 verschuldigd zou zijn over het belastbare inkomen uit sparen en beleggen wordt verstaan: de over het kalenderjaar berekende belasting op het belastbare inkomen uit sparen en beleggen, bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van de Wet inkomstenbelasting 2001.
In afwijking van het tweede lid wordt, indien het inkomen van een belastingplichtige hoofdzakelijk uit een Mogendheid afkomstig is en die Mogendheid bij de belastingheffing van het inkomen de persoonlijke- en gezinssituatie van de belastingplichtige volledig in aanmerking neemt, of op grond van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie gehouden is de persoonlijke- en gezinssituatie volledig in aanmerking te nemen, het belastbare inkomen uit sparen en beleggen vermeerderd met de in het jaar in mindering gebrachte persoonsgebonden aftrek. De vorige zin is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot een Mogendheid, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die als zij een zodanige lidstaat zou zijn, gehouden zou zijn om op grond van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie de persoonlijke- en gezinssituatie volledig in aanmerking te nemen.
Artikel 25ae. Doorschuifregeling bij toepassing tegenbewijsregeling
Een bedrag aan in een jaar vrij te stellen buitenlands voordeel uit sparen en beleggen dat als gevolg van het in aanmerking nemen van de persoonsgebonden aftrek en de toepassing van artikel 25ad, tweede lid, tweede zin, niet leidt tot een vermindering van belasting over dat jaar, wordt overgebracht naar het volgende jaar. Deze overbrenging bedraagt niet meer dan het bedrag van de persoonsgebonden aftrek waarmee het voordeel uit sparen en beleggen is verminderd. De overbrenging vindt alleen plaats indien het naar het volgende jaar over te brengen buitenlands voordeel uit sparen en beleggen door de inspecteur is vastgesteld bij voor bezwaar vatbare beschikking.
In het jaar waarnaar de overbrenging plaatsvindt, wordt voor de berekening van de vermindering van artikel 25ad het buitenlands voordeel uit sparen en beleggen verhoogd met het over te brengen bedrag aan buitenlands voordeel uit sparen en beleggen.
Afdeling 4a. Afgezonderd particulier vermogen
Afdeling 5. Formele en overige bepalingen
Hoofdstuk III. Loonbelasting
Hoofdstuk IV. Vennootschapsbelasting
Afdeling 3. Formele en overige bepalingen
Hoofdstuk VIa. Bankenbelasting
Hoofdstuk VII. Overgangs- en slotbepalingen
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
Artikel 36c. Verrekening buitenlandse belasting op artiesten- en sportersinkomsten in de vennootschapsbelasting
Aan een binnenlandse belastingplichtige wordt, ter verrekening van vanwege een andere Mogendheid geheven belasting, een vermindering van vennootschapsbelasting verleend voor in de winst, maar niet in de winst uit een andere staat, bedoeld in artikel 15e, tweede lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, begrepen voordelen en inkomsten uit persoonlijke werkzaamheden verricht door een artiest of sportbeoefenaar binnen het gebied van de andere Mogendheid, mits die voordelen en inkomsten zijn onderworpen aan een belasting naar de winst die vanwege de andere Mogendheid, al dan niet aan de bron, wordt geheven.
Het bedrag van de vermindering, bedoeld in het eerste lid, is het laagste van de volgende bedragen:
- a. het bedrag van de in het desbetreffende jaar vanwege andere Mogendheden geheven belasting;
- b. het bedrag van de in dat jaar volgens het eerste lid in aanmerking te nemen voordelen en inkomsten, vermenigvuldigd met het percentage van het hoogste tarief, bedoeld in artikel 22 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969.
Bij de toepassing van het tweede lid, onderdeel b, worden de voordelen en inkomsten verminderd met de daarmee verband houdende kosten. Tot de kosten, bedoeld in de eerste zin, behoren ook de kosten die een met de belastingplichtige verbonden lichaam als bedoeld in artikel 10a, vierde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 of een met de belastingplichtige verbonden natuurlijk persoon als bedoeld in artikel 10a, vijfde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 heeft gemaakt en die bij het bepalen van de in Nederland belastbare winst of het in Nederland belastbare inkomen van dat verbonden lichaam, onderscheidenlijk die natuurlijk persoon, in aftrek zijn gekomen.
Artikel 16 is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat daarbij voor dividenden, interest of royalty’s wordt gelezen: voordelen en inkomsten uit persoonlijke werkzaamheden verricht door een artiest of sportbeoefenaar.
De vermindering volgens dit artikel bedraagt, met inachtneming van de verminderingen volgens andere regelen ter voorkoming van dubbele belasting, ten hoogste het bedrag aan belasting dat volgens de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 verschuldigd is.
Afdeling 3. Formele en overige bepalingen
Hoofdstuk V. Schenk- en erfbelasting
Hoofdstuk VI. Kansspelbelasting
Hoofdstuk VII. Overgangs- en slotbepalingen
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
Afdeling 3. Formele en overige bepalingen
Hoofdstuk VIa. Bankenbelasting
Hoofdstuk VII. Overgangs- en slotbepalingen
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)