Wijzigingsgeschiedenis
Besluit van 5 juli 2001, houdende vaststelling van het Reglement justitiële jeugdinrichtingen en daarmee verband houdende wijziging van enkele besluiten (Reglement justitiële jeugdinrichtingen)
18 versions
· 2022-01-01
2022-01-01
Reglement justitiële jeugdinrichtingen — arts. 73, 80
2021-01-01
Reglement justitiële jeugdinrichtingen
Wijzigingen op 2021-01-01
@@ -102,7 +102,7 @@
##### Artikel 8
1. De directeur vraagt een machtiging tot deelname aan een scholings- en trainingsprogramma als bedoeld in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011756&artikel=3) schriftelijk aan bij Onze Minister. De directeur doet in zijn aanvraag verslag van de aspecten, bedoeld in [artikel 9, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012647&hoofdstuk=2&artikel=9&z=2020-01-01&g=2020-01-01), en vermeldt de voorwaarden bedoeld in [artikel 12, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012647&hoofdstuk=2&artikel=12&z=2020-01-01&g=2020-01-01). De aanvraag vermeldt voorts de duur van de deelname aan het scholings- en trainingsprogramma.
1. De directeur vraagt een machtiging tot deelname aan een scholings- en trainingsprogramma als bedoeld in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011756&artikel=3) schriftelijk aan bij Onze Minister. De directeur doet in zijn aanvraag verslag van de aspecten, bedoeld in [artikel 9, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012647&hoofdstuk=2&artikel=9&z=2021-01-01&g=2021-01-01), en vermeldt de voorwaarden bedoeld in [artikel 12, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012647&hoofdstuk=2&artikel=12&z=2021-01-01&g=2021-01-01). De aanvraag vermeldt voorts de duur van de deelname aan het scholings- en trainingsprogramma.
2. De directeur voegt bij de aanvraag het advies van het openbaar ministerie, indien de aanvraag betrekking heeft op een jeugdige ten aanzien van wie het openbaar ministerie een executie-indicator heeft gegeven. De aanvraag wordt opgesteld in samenwerking met de jeugdreclassering, dan wel de reclassering in het arrondissement waarin aan het scholings- en trainingsprogramma wordt deelgenomen. De raad voor de kinderbescherming wordt door de directeur in de gelegenheid gesteld advies uit te brengen.
@@ -114,7 +114,7 @@
- b. zwaarwegende belangen van de jeugdige zich daartegen verzetten.
5. Onze Minister beslist zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen vier weken, op de aanvraag van de directeur. Onze Minister betrekt in zijn beslissing de aspecten, bedoeld in [artikel 9, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012647&hoofdstuk=2&artikel=9&z=2020-01-01&g=2020-01-01), en de voorwaarden, bedoeld in [artikel 12, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012647&hoofdstuk=2&artikel=12&z=2020-01-01&g=2020-01-01).
5. Onze Minister beslist zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen vier weken, op de aanvraag van de directeur. Onze Minister betrekt in zijn beslissing de aspecten, bedoeld in [artikel 9, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012647&hoofdstuk=2&artikel=9&z=2021-01-01&g=2021-01-01), en de voorwaarden, bedoeld in [artikel 12, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012647&hoofdstuk=2&artikel=12&z=2021-01-01&g=2021-01-01).
6. Onze Minister kan een machtiging tot deelname aan het programma weigeren, indien:
@@ -192,7 +192,7 @@
##### Artikel 13
1. De deelnemer aan een scholings- en trainingsprogramma kan bij de beklagcommissie bij de inrichting waarin hij is ingeschreven een klacht indienen over de beslissingen, bedoeld in [artikel 12, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012647&hoofdstuk=2&artikel=12&z=2020-01-01&g=2020-01-01).
1. De deelnemer aan een scholings- en trainingsprogramma kan bij de beklagcommissie bij de inrichting waarin hij is ingeschreven een klacht indienen over de beslissingen, bedoeld in [artikel 12, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012647&hoofdstuk=2&artikel=12&z=2021-01-01&g=2021-01-01).
2. De [artikelen 65, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011756&artikel=65), [66](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011756&artikel=66), [67](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011756&artikel=67), [68](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011756&artikel=68), [69](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011756&artikel=69), [70](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011756&artikel=70), [72, met uitzondering van het derde lid, het vijfde lid, tweede volzin, en het zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011756&artikel=72), [73](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011756&artikel=73), [74](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011756&artikel=74), [75](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011756&artikel=75) en [76 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011756&artikel=76) zijn van overeenkomstige toepassing.
@@ -368,7 +368,7 @@
2. De jeugdige heeft recht op een periodieke evaluatie door de directeur van het perspectiefplan. Deze evaluatie vindt ten minste driemaal per jaar plaats, doch in ieder geval tijdig voor de opmaking van een advies als bedoeld in [artikel 77t, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=77t) of een verlenging als bedoeld in [artikel 265c, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=265c), of [305, derde lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=305).
3. De evaluatie van het perspectiefplan vindt plaats op basis van informatie van ten minste de functionaris en de gecertificeerde instelling, bedoeld in [artikel 25, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012647&hoofdstuk=5&artikel=25&z=2020-01-01&g=2020-01-01). De jeugdige wordt in de gelegenheid gesteld zijn visie te geven op het verloop van het verblijf in de inrichting. Tevens worden bij de evaluatie betrokken de ouders of voogd, stiefouder of pleegouders van de jeugdige, met inachtneming van artikel 25, vijfde lid, en de betrokken gecertificeerde instelling. Van de evaluatie wordt een verslag opgesteld.
3. De evaluatie van het perspectiefplan vindt plaats op basis van informatie van ten minste de functionaris en de gecertificeerde instelling, bedoeld in [artikel 25, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012647&hoofdstuk=5&artikel=25&z=2021-01-01&g=2021-01-01). De jeugdige wordt in de gelegenheid gesteld zijn visie te geven op het verloop van het verblijf in de inrichting. Tevens worden bij de evaluatie betrokken de ouders of voogd, stiefouder of pleegouders van de jeugdige, met inachtneming van artikel 25, vijfde lid, en de betrokken gecertificeerde instelling. Van de evaluatie wordt een verslag opgesteld.
4. Bij de evaluatie worden de volgende aspecten betrokken:
@@ -592,610 +592,580 @@
##### Artikel 50
1. Indien de toepassing van de behandeling, bedoeld in [artikel 49a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012647&hoofdstuk=8&artikel=49a&z=2020-01-01&g=2020-01-01), de duur van twee weken te boven gaat wordt door de directeur een commissie samengesteld bestaande uit ten minste een afdelingshoofd, een psychiater, een arts en een psycholoog.
1. Indien de toepassing van de behandeling, bedoeld in [artikel 49a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012647&hoofdstuk=8&artikel=49a&z=2021-01-01&g=2021-01-01), de duur van twee weken te boven gaat wordt door de directeur een commissie samengesteld bestaande uit ten minste een afdelingshoofd, een psychiater, een arts en een psycholoog.
2. De in het eerste lid bedoelde commissie brengt binnen twee dagen na de in het eerste lid bedoelde termijn en, indien de onvrijwillige geneeskundige behandeling langer wordt voortgezet, om de twee weken, advies uit aan de directeur over de voortzetting van de behandeling.
### Hoofdstuk 8. (Onvrijwillige) geneeskundige behandeling
##### Artikel 51
1. Bij het Ministerie van Justitie en Veiligheid zijn een hoofd boeddhistische geestelijke verzorging, een hoofd hindoeïstische geestelijke verzorging, een hoofd islamitische geestelijke verzorging, een hoofdrabbijn, een hoofdpredikant, een hoofdaalmoezenier en een hoofd humanistische geestelijke verzorging aangesteld. Zij treden op als vertegenwoordiging van de zendende instanties en dienen Onze Minister gevraagd en ongevraagd van advies omtrent de geestelijke verzorging in de inrichtingen.
2. De hoofden zijn in ieder geval belast met het doen van voordrachten voor aanstelling van geestelijke verzorgers bij de rijksinrichtingen behorende tot hun gezindte of levensovertuiging.
##### Artikel 52
Aan een inrichting zijn geestelijk verzorgers van verschillende godsdiensten of levensovertuigingen verbonden, doch in elk geval geestelijk verzorgers van boeddhistische, hindoeïstische, islamitische, joodse, protestantse en rooms-katholieke gezindte en geestelijk verzorgers van het humanistisch verbond.
##### Artikel 53
1. De aanstelling van een geestelijk verzorger van boeddhistische, hindoeïstische, islamitische, joodse, protestantse of rooms-katholieke gezindte of een geestelijk verzorger behorend tot het humanistisch verbond bij een rijksinrichting geschiedt door of vanwege Onze Minister op voordracht van de betrokken hoofdgeestelijke, genoemd in [artikel 51, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012647&hoofdstuk=9&artikel=51&z=2021-01-01&g=2021-01-01).
2. De aanstelling van een geestelijk verzorger van boeddhistische, hindoeïstische, islamitische, joodse, protestantse of rooms-katholieke gezindte of een geestelijk verzorger behorend tot het humanistisch verbond bij een justitiële particuliere inrichting geschiedt door of vanwege het bestuur van de inrichting gehoord de betrokken hoofdgeestelijke, genoemd in [artikel 51, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012647&hoofdstuk=9&artikel=51&z=2021-01-01&g=2021-01-01).
##### Artikel 54
Een andere geestelijk verzorger dan de in [artikel 52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012647&hoofdstuk=9&artikel=52&z=2021-01-01&g=2021-01-01) genoemde kan door de directeur toegang worden verleend tot de inrichting. De directeur neemt deze beslissing niet dan na overleg met Onze Minister.
### Hoofdstuk 10. Beroep tegen medisch handelen
##### Artikel 55
Vervallen
##### Artikel 56
Vervallen
##### Artikel 57
Vervallen
##### Artikel 58
Vervallen
##### Artikel 59
Vervallen
##### Artikel 60
Vervallen
##### Artikel 61
Vervallen
### Hoofdstuk 8a. Toezicht op telefoongesprekken
##### Artikel 51
Aan een inrichting zijn geestelijk verzorgers van verschillende godsdiensten of levensovertuigingen verbonden, doch in elk geval een geestelijk verzorger van protestantse of rooms-katholieke gezindte of een geestelijk verzorger behorend tot het humanistisch verbond.
##### Artikel 52
1. Bij het Ministerie van Veiligheid en Justitie zijn een hoofdpredikant, een hoofdaalmoezenier en een hoofd humanistische geestelijke verzorging in dienst. Zij treden op als vertegenwoordiging van de zendende instanties en dienen Onze Minister gevraagd en ongevraagd van advies omtrent de geestelijke verzorging in de inrichtingen.
2. De hoofden, genoemd in het eerste lid, zijn in ieder geval belast met het doen van voordrachten voor de indienstneming van geestelijk verzorgers bij de rijksinrichtingen, behorende tot hun gezindte of levensovertuiging.
##### Artikel 53
1. De indienstneming van een geestelijk verzorger van protestantse of rooms-katholieke gezindte of een geestelijk verzorger, behorend tot het humanistisch verbond, bij een rijksinrichting geschiedt door of vanwege Onze Minister op verzoek van de betrokken hoofdgeestelijke, genoemd in [artikel 52, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012647&hoofdstuk=9&artikel=52&z=2020-01-01&g=2020-01-01).
2. De indienstneming van een geestelijk verzorger van protestantse of rooms-katholieke gezindte of een geestelijk verzorger, behorend tot het humanistisch verbond, bij een particuliere inrichting geschiedt door of vanwege het bestuur van de inrichting gehoord de betrokken hoofdgeestelijke, genoemd in [artikel 52, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012647&hoofdstuk=9&artikel=52&z=2020-01-01&g=2020-01-01).
##### Artikel 54
1. Een geestelijk verzorger van een andere dan de in [artikel 53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012647&hoofdstuk=9&artikel=53&z=2020-01-01&g=2020-01-01) genoemde gezindte of levensovertuiging kan door de directeur van een rijksinrichting aan diens inrichting worden verbonden anders dan bij wijze van een indienstneming. De directeur van de rijksinrichting neemt deze beslissing niet dan na overleg met de reeds aan de inrichting verbonden geestelijk verzorgers.
2. Onze Minister kan functievereisten vaststellen ten aanzien van geestelijk verzorgers als bedoeld in de eerste volzin van het eerste lid.
3. Een geestelijk verzorger die aan een rijksinrichting is verbonden anders dan bij wijze van indienstneming, ontvangt een bij regeling van Onze Minister vast te stellen vergoeding voor zijn werkzaamheden en de door hem gemaakte kosten.
##### Artikel 62
1. Op het onderwijs in particuliere inrichtingen is het bepaalde bij of krachtens de [Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549) van toepassing.
2. Het onderwijs in de rijksinrichting bestaat uit theoretisch onderwijs, een beroepsgerichte leerweg of praktijkonderwijs.
3. In ieder geval omvat het onderwijs in de rijksinrichting:
- a. rekenen en wiskunde,
- b. Nederlandse taal,
- c. wereldoriëntatie of maatschappijleer,
- d. sociale redzaamheid of zelfredzaamheid,
- e. technieken,
- f. lichamelijke opvoeding,
- g. creatieve vorming.
##### Artikel 63
1. Elke inrichting beschrijft welk onderwijs door of vanwege de inrichting wordt aangeboden, met alle bijzonderheden, zoals leerinhouden, modules, toetsen, certificaten en methodes.
2. Het onderwijs wordt gegeven door een daartoe bevoegde persoon.
3. Het onderwijs maakt deel uit van het perspectiefplan. Het perspectiefplan is richtinggevend voor het onderwijs.
##### Artikel 64
1. Ten behoeve van het onderwijs wordt door de leraar van een rijksinrichting een intake verzorgd, die de basis vormt voor het onderwijs dat de jeugdige zal gaan volgen. De intake omvat de nulmeting van de onderwijssituatie.
2. De intake bestaat uit de volgende onderdelen:
- a. een intakegesprek dat betrekking heeft op interessegebieden, werkhouding, zelfbeeld en het niveau van kennis en vaardigheden,
- b. een toets op het gebied van de algemene taalvaardigheid,
- c. een toets die de rekenkundige vaardigheden meet,
- d. een schoolvragenlijst die betrekking heeft op de motivatie, het welbevinden en het zelfconcept van de jeugdige,
- e. eventuele anderen informatiebronnen.
##### Artikel 65
1. Voor de jeugdige in een rijksinrichting wordt een onderwijstrajectkaart opgesteld waarin de onderwijskundige doelstellingen en resultaten of tussenresultaten zijn vastgelegd.
2. De onderwijstrajectkaart geeft een actueel beeld van het onderwijsverleden, test- en toetsgegevens, de onderwijsdoelen die worden gepland, en de doelen of tussendoelen die reeds zijn bereikt.
3. De onderwijstrajectkaart bestaat uit:
- a. de intake, waaronder de conclusies en aanbevelingen,
- b. de onderwijshistorie van de jeugdige,
- c. het onderwijstraject dat door de jeugdige wordt gevolgd,
- d. de voortgang van het onderwijstraject,
- e. de voortgang van het onderwijs na het verblijf in de inrichting.
### Hoofdstuk 12. Dossiers van jeugdigen
##### Artikel 66
Het dossier van de jeugdige wordt op zorgvuldige wijze, volgens een vaste indeling, opgebouwd. In ieder geval worden hierin onderscheiden:
- a. persoons- en identificatiegegevens;
- b. justitiële gegevens;
- c. opvang- of behandelgegevens;
- d. gegevens omtrent het verblijf.
##### Artikel 67
Naast de in [artikel 63, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011756&artikel=63) genoemde gegevens worden in het dossier opgenomen de jeugdige betreffende:
- a. afschriften van mededelingen, bedoeld in [artikel 62, eerste en tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011756&artikel=62);
- b. uitspraken van de beklagcommissie en de beroepscommissie alsmede mededelingen, bedoeld in [artikel 64, vijfde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011756&artikel=64);
- c. ontvangen afschriften van rechterlijke beslissingen betreffende de vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel;
- d. kopieën van correspondentie van de inrichting over de jeugdige;
- e. formulieren betreffende verlof en daarop genomen beslissingen alsmede machtigingen van Onze Minister, bedoeld in de [artikelen 30, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011756&artikel=30);
- f. verzoeken om strafonderbreking en daarop genomen beslissingen;
- g. gratieverzoeken en daarop genomen beslissingen;
- h. mededelingen omtrent de voorwaardelijke invrijheidstelling;
- i. gegevens omtrent de gezondheid van de jeugdige en te zijnen aanzien uitgevoerde verrichtingen, een en ander voor zover de opname van deze gegevens voor een goede opvang of behandeling van hem noodzakelijk is.
##### Artikel 68
1. De jeugdige heeft, behoudens de overeenkomstig het tweede en derde lid te stellen beperkingen, recht op inzage van de in zijn dossier vastgelegde gegevens.
2. De directeur kan de jeugdige die een verzoek doet tot inzage van zijn dossier of delen daarvan, bepaalde gegevens onthouden, indien dit noodzakelijk is voor de handhaving van de orde of de veiligheid in de inrichting, in het belang van de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van de jeugdige, ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer van anderen dan de jeugdige voor zover die niet bij de tenuitvoerlegging betrokken zijn, of wanneer de uitvoering van het perspectiefplan dit vereist.
3. De directeur kan het recht op inzage van evaluatieverslagen beperken tot een daarvan gemaakte samenvatting, indien de uitvoering van het perspectiefplan dit vereist.
4. De directeur kan, in geval van toepassing van het tweede of derde lid:
- a. de jeugdige mondeling kennis geven van de gegevens waarvan hij inzage verlangt, of
- b. een door de jeugdige gemachtigde persoon inzage geven in de gegevens waarvan de inzage aan de jeugdige wordt onthouden.
5. Voor wat betreft het perspectiefplan en het evaluatieverslag omvat het recht op inzage tevens het recht op het ontvangen van een afschrift.
6. Met toepassing van [artikel 464 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=464) is [artikel 456 van dit boek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=456) niet van overeenkomstige toepassing op de dossiers, bedoeld in dit hoofdstuk.
##### Artikel 69
1. De ouders of voogd, stiefouder of pleegouders hebben recht op inzage in het dossier van de jeugdige, tenzij belangen van de jeugdige zich daartegen verzetten of inzage achterwege dient te blijven ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer van anderen. Ten aanzien van jeugdigen van 18 jaar en ouder is instemming van de jeugdige vereist.
2. De gecertificeerde instelling, de jeugdreclassering dan wel de reclassering en de raad voor de kinderbescherming hebben recht op inzage in het dossier van de betrokken jeugdige voor zover dat redelijkerwijs nodig is voor de uitoefening van hun taak.
3. Aan Onze Minister, de selectiefunctionaris, de directeur en door dezen aan te wijzen personeelsleden of medewerkers kunnen gegevens uit het dossier worden verstrekt voor zover dat noodzakelijk is voor:
- a. de behandeling van verzoeken, de jeugdige betreffende;
- b. de behandeling van procedures, de jeugdige betreffende;
- c. het beheer van de dossiers;
- d. de behandeling van andere beslissingen, de jeugdige betreffende.
##### Artikel 70
1. Gedurende het verblijf van een jeugdige in een inrichting wordt zijn dossier in een afsluitbare ruimte in de inrichting bewaard.
2. De directeur zendt het dossier gelijktijdig met de overplaatsing van de jeugdige, bedoeld in [artikel 12 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011756&artikel=12), aan de directeur van de inrichting waar de jeugdige verder zal verblijven.
3. Indien de jeugdige in de gelegenheid wordt gesteld deel te nemen aan een scholings- en trainingsprogramma zendt de directeur het dossier aan de directeur, bedoeld in [artikel 10, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012647&hoofdstuk=2&artikel=10&z=2021-01-01&g=2021-01-01).
4. Bij invrijheidstelling, ontvluchting of overlijden van de jeugdige zendt de directeur het dossier aan Onze Minister.
##### Artikel 71
1. Het dossier wordt gedurende een termijn van tien jaren bewaard, te rekenen vanaf het tijdstip dat de vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel eindigt.
2. Na de in het eerste lid bedoelde termijn worden de bescheiden, opgenomen in het dossier, vernietigd, of zodanig bewerkt dat deze niet meer tot de jeugdige kunnen worden herleid, tenzij de vernietiging of bewerking in strijd is met een aanmerkelijk belang van een ander dan de jeugdige.
3. Indien de jeugdige vóór de afloop van de in het eerste lid bedoelde termijn opnieuw tot een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel wordt veroordeeld wordt de bewaartermijn geschorst voor de duur van de tenuitvoerlegging van de nieuwe vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel.
### Hoofdstuk 11. Onderwijs en pedagogische activiteiten
##### Artikel 72
1. Een aanvraag tot aanwijzing als particuliere inrichting kan slechts worden gedaan door een rechtspersoon die een voorziening van jeugdhulpverlening als bedoeld in artikel [3b, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011756&artikel=3b) beheert.
2. De aanvraag wordt bij Onze Minister ingediend en gaat vergezeld van de volgende bescheiden:
- a. de statuten of reglementen van de rechtspersoon die de residentiële voorziening van jeugdhulpverlening beheert;
- b. een schriftelijke verklaring, inhoudende dat een voorgenomen wijziging met betrekking tot een der onderwerpen, genoemd onder a en in het derde lid, ten minste een maand voordat de desbetreffende wijziging wordt doorgevoerd ter kennis van Onze Minister wordt gebracht;
- c. een schriftelijke verklaring, inhoudende bereidverklaring de door de selectiefunctionaris geplaatste jeugdigen op te nemen.
3. De rechtspersoon die de residentiële voorziening van jeugdhulpverlening beheert legt tevens over:
- a. de door Onze Minister verlangde gegevens over de bouwkundige voorzieningen die van belang zijn voor de beoordeling van de veiligheid binnen de voorziening en de maatschappelijke veiligheid daarbuiten;
- b. de door Onze Minister verlangde gegevens over de personele en materiële toerusting die van belang zijn voor de beoordeling van de geschiktheid van de voorziening als particuliere inrichting.
4. Onze Minister beslist binnen zes maanden na ontvangst van een aanvraag als bedoeld in het eerste lid.
##### Artikel 73
1. De aanwijzing als particuliere inrichting wordt door Onze Minister ingetrokken:
- a. op verzoek van de rechtspersoon die de residentiële voorziening van jeugdhulpverlening beheert;
- b. indien de beveiliging dan wel de personele of materiële toerusting van de inrichting, bedoeld in [artikel 72, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012647&hoofdstuk=13&artikel=72&z=2021-01-01&g=2021-01-01), niet meer voldoet aan de eisen die daaraan naar het oordeel van Onze Minister moeten worden gesteld.
2. De aanwijzing als particuliere inrichting kan door Onze Minister worden ingetrokken, indien de rechtspersoon heeft gehandeld in strijd met de toepasselijke regelgeving of hetgeen overeenkomstig [artikel 72, tweede lid, onder b of c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012647&hoofdstuk=13&artikel=72&z=2021-01-01&g=2021-01-01), is verklaard.
##### Artikel 74
De particuliere inrichting beschikt over een calamiteitenplan, waarin is geregeld welke acties dienen te worden ondernomen, en door wie, in het geval van een calamiteit.
### Hoofdstuk 14. Opperbeheer rijksinrichtingen
##### Artikel 75
1. De directeur van een rijksinrichting brengt jaarlijks vóór 1 oktober aan Onze Minister een jaarplan voor het volgende jaar uit. Het jaarplan omvat in ieder geval een begroting van de kosten en opbrengsten voor dat jaar.
2. De directeur van een rijksinrichting brengt jaarlijks vóór 1 maart aan Onze Minister een jaarverslag over het voorgaande jaar uit. Bij dit verslag wordt een jaarrekening gevoegd. De directeur zendt een afschrift van het jaarverslag aan de Inspectie gezondheidszorg en jeugd.
3. Onze Minister kan regels stellen aan de vorm en de inhoud van de in het eerste en tweede lid genoemde stukken.
##### Artikel 76
De rijksinrichting beschikt over een calamiteitenplan, waarin is geregeld welke acties dienen te worden ondernomen, en door wie, in het geval van een calamiteit.
### Hoofdstuk 14. Opperbeheer rijksinrichtingen
##### Artikel 77
De inrichting biedt passende behandeling aan. Onder passende behandeling wordt verstaan zorg van goed niveau, die in ieder geval doeltreffend, doelmatig en gericht op de jeugdige wordt verleend en die afgestemd is op de reële behoefte van de jeugdige.
##### Artikel 78
De inrichting organiseert het verblijf op zodanige wijze, voorziet de instelling zowel kwalitatief als kwantitatief zodanig van personeel en materieel en draagt zorg voor een zodanige verantwoordelijkheidsverdeling, dat een en ander leidt of redelijkerwijs moet leiden tot een verantwoord verblijf.
##### Artikel 79
1. Het uitvoeren van [artikel 78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012647&hoofdstuk=15&artikel=78&z=2021-01-01&g=2021-01-01) omvat mede de systematische bewaking, beheersing en verbetering van de kwaliteit van het verblijf.
2. Ter uitvoering van het eerste lid draagt de inrichting, afgestemd op de aard en omvang van de instelling, zorg voor:
- a. het op systematische wijze verzamelen en registreren van gegevens betreffende de kwaliteit van het verblijf in een werkplan;
- b. het aan de hand van de gegevens, bedoeld onder a, op systematische wijze toetsen in hoeverre de wijze van uitvoering van [artikel 78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012647&hoofdstuk=15&artikel=78&z=2021-01-01&g=2021-01-01) leidt tot een verantwoord verblijf;
- c. het op basis van de uitkomst van de toetsing, bedoeld onder b, zo nodig veranderen van de wijze waarop [artikel 78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012647&hoofdstuk=15&artikel=78&z=2021-01-01&g=2021-01-01) wordt uitgevoerd.
##### Artikel 80
1. Indien Onze Minister van oordeel is dat de [artikelen 77 tot en met 79](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012647&hoofdstuk=15&artikel=77&z=2021-01-01&g=2021-01-01) niet of in onvoldoende mate of op onjuiste wijze worden nageleefd, kan hij de directeur een schriftelijke aanwijzing geven.
2. In de aanwijzing omschrijft Onze Minister met redenen omkleed de punten waarop de [artikelen 77 tot en met 79](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012647&hoofdstuk=15&artikel=77&z=2021-01-01&g=2021-01-01) niet of in onvoldoende mate of op onjuiste wijze worden nageleefd, alsmede de in verband daarmee te nemen maatregelen.
3. De aanwijzing bevat een termijn waarbinnen de directeur eraan moet voldoen. De directeur is verplicht binnen de daartoe gestelde termijn aan de aanwijzing te voldoen.
### Hoofdstuk 13. Aanwijzing van particuliere inrichtingen
##### Artikel 81
1. De beloning van de tolk of vertaler en de vergoeding van de door hen gemaakte kosten, bedoeld in [artikel 66, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011756&artikel=66), [70, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011756&artikel=70), en [72, vierde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011756&artikel=72) geschieden volgens het bepaalde bij of krachtens de [Wet tarieven in strafzaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002406).
2. De secretaris van de beklag- of beroepscommissie stelt op basis van de in het eerste lid bedoelde bepalingen de hoogte van de beloning en vergoeding vast. Met de uitbetaling is de directeur belast.
### Hoofdstuk 16. Vergoedingen beklag- en beroepsprocedures
##### Artikel 82
Buiten geval van opzet of bewuste roekeloosheid is de aansprakelijkheid van de directeur voor voorwerpen die een jeugdige ingevolge [artikel 50, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011756&artikel=50) onder zich heeft, beperkt tot vijfhonderd euro per voorwerp, inclusief eventuele gevolgschade.
### Hoofdstuk 14. Opperbeheer rijksinrichtingen
##### Artikel 83
Wijzigt het Besluit tenuitvoerlegging jeugdstrafrecht 1994.
##### Artikel 84
Wijzigt het Subsidiebesluit justitiële jeugdinrichtingen.
##### Artikel 85
Wijzigt de Gratieregeling 1976.
##### Artikel 86
Wijzigt het Besluit extramurale vrijheidsbeneming en sociale zekerheid.
### Hoofdstuk 19. Slotbepalingen
##### Artikel 87
Een ieder die betrokken is bij de uitvoering van [de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011756) en dit reglement en daarbij de beschikking krijgt over gegevens waarvan hij het vertrouwelijke karakter kent of redelijkerwijs moet vermoeden, en voor wie niet reeds uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift terzake van die gegevens een geheimhoudingsplicht geldt, is verplicht tot geheimhouding daarvan, behoudens voor zover enig wettelijk voorschrift hem tot bekendmaking verplicht of uit zijn taak bij de uitvoering van dit reglement de noodzaak tot bekendmaking voortvloeit.
##### Artikel 88
Wijzigt deze wet.
##### Artikel 89
Het Besluit regels inrichtingen voor justitiële kinderbescherming wordt ingetrokken.
##### Artikel 90
Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
##### Artikel 91
Dit besluit wordt aangehaald als: Reglement justitiële jeugdinrichtingen.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
##### Artikel 50a
1. Telefoongesprekken die in verband met het toezicht, bedoeld in [artikel 44, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011756&artikel=44) worden opgenomen, worden bewaard voor een periode van ten hoogste acht maanden.
2. Na het verstrijken van de periode, genoemd in het eerste lid, wordt een opgenomen telefoongesprek gewist.
3. Indien bij de uitoefening van het toezicht blijkt dat een telefoongesprek met een persoon als bedoeld in [artikel 42, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011756&artikel=42) is opgenomen, wordt dit opgenomen gesprek terstond gewist.
4. De jeugdige wordt van het opnemen van het telefoonverkeer op de hoogte gesteld.
5. Opgenomen telefoongesprekken worden slechts verstrekt aan derden die ingevolge de uitvoering van hen bij of krachtens de wet opgedragen taken, tot kennisneming daarvan bevoegd zijn.
6. De verstrekking, bedoeld in het vijfde lid, kan slechts geschieden in verband met:
- a. de handhaving van de orde of de veiligheid in de inrichting;
- b. de voorkoming en opsporing van strafbare feiten;
- c. de bescherming van slachtoffers van of anderszins betrokkenen bij misdrijven.
### Hoofdstuk 9. Geestelijke verzorging
### Hoofdstuk 10. Beroep tegen medisch handelen
##### Artikel 55
1. Een jeugdige kan een beroepschrift indienen tegen het medisch handelen van de inrichtingsarts. Met de inrichtingsarts wordt in dit hoofdstuk gelijkgesteld de verpleegkundige dan wel andere hulpverleners die door de inrichtingsarts bij de zorg aan jeugdigen in de inrichting zijn betrokken.
2. Onder medisch handelen als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan:
- a. enig handelen in het kader van of nalaten in strijd met de zorg die de in het eerste lid bedoelde personen in die hoedanigheid behoren te betrachten ten opzichte van de jeugdige, met betrekking tot wiens gezondheidstoestand zij bijstand verlenen of hun bijstand is ingeroepen;
- b. enig ander dan onder a bedoeld handelen of nalaten in die hoedanigheid in strijd met het belang van een goede uitoefening van de individuele gezondheidszorg.
##### Artikel 56
1. Alvorens een beroepschrift in te dienen doet de jeugdige een schriftelijk verzoek aan de Medisch Adviseur bij het Ministerie van Veiligheid en Justitie om te bemiddelen terzake van de klacht. Dit verzoek dient uiterlijk op de veertiende dag na die waarop het medisch handelen waartegen de klacht zich richt heeft plaatsgevonden te worden ingediend.
2. De Medisch Adviseur stelt de betrokkene in de gelegenheid de klacht schriftelijk of mondeling toe te lichten, tenzij hij het aanstonds duidelijk acht dat de klacht zich niet voor bemiddeling leent. Hij kan ook bij andere personen mondeling of schriftelijk inlichtingen inwinnen.
3. De Medisch Adviseur is ten behoeve van de bemiddeling bevoegd het medisch dossier van de jeugdige in te zien.
4. De Medisch Adviseur streeft ernaar binnen vier weken een voor beide partijen aanvaardbare oplossing te bereiken.
5. De Medisch Adviseur sluit de bemiddeling af met een mededeling van zijn bevindingen aan de jeugdige en de arts. De jeugdige wordt gewezen op de mogelijkheid van het indienen van een beroepschrift alsmede de termijn waarbinnen en de wijze waarop dit gedaan moet worden.
6. Een afschrift van de mededeling zendt de Medisch Adviseur aan de directeur van de inrichting waaraan de arts tegen wiens medisch handelen de klacht zich richt is verbonden.
7. De Medisch Adviseur is bevoegd een klacht door te verwijzen naar de beklagcommissie. Hij zendt van de doorverwijzing van een klacht een bericht aan de klager.
##### Artikel 57
1. Het beroepschrift wordt ingediend bij en behandeld door een door en uit de Raad benoemde commissie van drie leden, bestaande uit één jurist en twee artsen, die wordt bijgestaan door een secretaris.
2. Het met redenen omklede beroepschrift wordt uiterlijk op de zevende dag na die van de ontvangst van het afschrift van de mededeling van de Medisch Adviseur ingediend. De directeur draagt zorg dat een jeugdige die beroep wenst in te stellen daartoe zo spoedig mogelijk in de gelegenheid wordt gesteld.
3. De indiening van het beroepschrift kan door tussenkomst van de directeur van de inrichting waar de jeugdige verblijft geschieden. De directeur draagt in dat geval zorg dat het beroepschrift, of, indien het beroepschrift zich in een envelop bevindt, de envelop, van een dagtekening wordt voorzien, welke geldt als dag van indiening.
4. Het beroepschrift vermeldt zo nauwkeurig mogelijk het medisch handelen waarover wordt geklaagd en de redenen van het beroep.
5. Indien de jeugdige de Nederlandse taal niet voldoende beheerst kan hij het beroepschrift in een andere taal indienen. De voorzitter van de beroepscommissie kan bepalen dat het beroepschrift in de Nederlandse taal wordt vertaald. De vergoeding van de voor de vertaling gemaakte kosten geschiedt met overeenkomstige toepassing van [artikel 81](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012647&hoofdstuk=16&artikel=81&z=2020-01-01&g=2020-01-01).
##### Artikel 58
1. De beroepscommissie en de secretaris zijn ten behoeve van de behandeling van het beroepschrift bevoegd het medisch dossier van de klager in te zien.
2. De behandeling van het beroepschrift vindt niet in het openbaar plaats, behoudens ingeval de beroepscommissie van oordeel is dat de niet openbare behandeling niet verenigbaar is met enige een ieder verbindende bepaling van een in Nederland geldend verdrag.
3. De secretaris van de beroepscommissie zendt de arts een afschrift van het beroepschrift toe en vraagt het verslag van de bemiddeling op bij de Medisch Adviseur.
4. De beroepscommissie stelt de klager en de arts in de gelegenheid omtrent het beroepschrift mondeling of schriftelijk opmerkingen te maken, tenzij zij het beroep aanstonds kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond acht. De beroepscommissie kan bepalen dat de mondelinge opmerkingen ten overstaan van een lid van de commissie kunnen worden gemaakt.
5. De klager en de arts kunnen de voorzitter van de beroepscommissie de vragen opgeven die zij aan elkaar gesteld wensen te zien.
6. De beroepscommissie kan de arts en de klager buiten elkaars aanwezigheid horen. In dat geval worden zij in de gelegenheid gesteld vooraf de vragen op te geven die zij gesteld wensen te zien en wordt de zakelijke inhoud van de aldus afgelegde verklaring door de voorzitter van de beroepscommissie aan de klager onderscheidenlijk de arts mondeling medegedeeld.
7. De beroepscommissie kan ook bij andere personen mondeling of schriftelijk inlichtingen inwinnen. Indien mondeling inlichtingen worden ingewonnen, zijn het vijfde en zesde lid, tweede volzin, van overeenkomstige toepassing. De beroepscommissie kan bepalen dat ingeval bij een andere persoon mondeling inlichtingen worden ingewonnen, de betrokkenen uitsluitend in de gelegenheid worden gesteld schriftelijk de vragen op te geven die zij aan die persoon gesteld wensen te zien.
8. De klager heeft het recht zich te doen bijstaan door een rechtsbijstandverlener of een andere vertrouwenspersoon die daartoe van de beroepscommissie toestemming heeft gekregen. Indien aan de klager een advocaat is toegevoegd, geschieden diens beloning en de vergoeding van de door hem gemaakte kosten volgens het [Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011018).
9. Indien de klager de Nederlandse taal niet voldoende beheerst, draagt de voorzitter zorg voor de bijstand van een tolk. De beloning van de tolk en de vergoeding van de door de tolk gemaakte kosten geschieden met overeenkomstige toepassing van [artikel 81](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012647&hoofdstuk=16&artikel=81&z=2020-01-01&g=2020-01-01).
10. Tijdens de beroepsprocedure staat de beroepscommissie aan de klager op diens verzoek toe van de gedingstukken kennis te nemen.
##### Artikel 59
1. De beroepscommissie doet zo spoedig mogelijk uitspraak. De uitspraak is met redenen omkleed en gedagtekend. Zij wordt door de voorzitter, alsmede door de secretaris ondertekend. Bij verhindering van één van hen wordt de reden daarvan in de uitspraak vermeld. Aan de klager, de arts en de directeur wordt onverwijld en kosteloos een afschrift van de beslissing van de beroepscommissie toegezonden of uitgereikt.
2. Indien de klager de Nederlandse taal niet voldoende beheerst en niet op andere wijze in een vertaling kan worden voorzien, draagt de voorzitter van de beroepscommissie zorg voor een vertaling van de uitspraak, bedoeld in het eerste lid. De vergoeding van de voor de vertaling gemaakte kosten geschiedt met overeenkomstige toepassing van [artikel 81](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012647&hoofdstuk=16&artikel=81&z=2020-01-01&g=2020-01-01).
3. De secretaris zendt van alle uitspraken van de beroepscommissie een afschrift naar Onze Minister. Een ieder heeft recht op kennisneming van deze uitspraken en het ontvangen van een afschrift daarvan. Onze Minister draagt zorg dat dit afschrift geen gegevens bevat waaruit de identiteit van de jeugdige kan worden afgeleid. Met betrekking tot de kosten van het ontvangen van een afschrift is het bij of krachtens de [Wet tarieven in strafzaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002406) bepaalde van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 60
1. De uitspraak van de beroepscommissie strekt tot gehele of gedeeltelijke:
- a. niet-ontvankelijkverklaring van het beroep;
- b. ongegrondverklaring van het beroep;
- c. gegrondverklaring van het beroep.
2. Indien de klacht door de beroepscommissie geheel of gedeeltelijk gegrond wordt geacht bepaalt de beroepscommissie of enige tegemoetkoming aan de klager geboden is. Zij stelt de tegemoetkoming, die geldelijk van aard kan zijn, vast.
##### Artikel 61
1. De in de [artikelen 55 tot en met 58](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012647&hoofdstuk=10&artikel=55&z=2020-01-01&g=2020-01-01) aan de jeugdige toegekende rechten kunnen, behoudens ingeval de Medisch Adviseur of de beroepscommissie van oordeel is dat zwaarwegende belangen van de jeugdige zich daartegen verzetten, mede worden uitgeoefend door:
- a. de curator, indien de jeugdige onder curatele is gesteld;
- b. de mentor, indien ten behoeve van de jeugdige een mentorschap is ingesteld;
- c. de ouders of voogd, indien de jeugdige minderjarig is.
2. De directeur draagt zorg dat de in het eerste lid genoemde personen op deze rechten opmerkzaam worden gemaakt.
### Hoofdstuk 9. Geestelijke verzorging
### Hoofdstuk 10. Beroep tegen medisch handelen
### Hoofdstuk 13. Aanwijzing van particuliere inrichtingen
### Hoofdstuk 14. Opperbeheer rijksinrichtingen
### Hoofdstuk 15. Kwaliteit
### Hoofdstuk 18. Wijziging andere regelgeving
### Hoofdstuk 19. Slotbepalingen
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
##### Artikel 12a
1. Onze Minister kan de machtiging intrekken:
- a. bij overtreding van de voorwaarden, bedoeld in [artikel 12, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012647&hoofdstuk=2&artikel=12&z=2021-01-01&g=2021-01-01);
- b. zodra de jeugdige vierentwintig uur ongeoorloofd afwezig is, tenzij sprake is van overmacht;
- c. zodra het openbaar ministerie aan de directeur meldt dat de jeugdige wordt aangemerkt als verdachte van een strafbaar feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, begaan tijdens de deelname aan het scholings- en trainingsprogramma;
- d. indien feiten of omstandigheden bekend worden waardoor, indien deze ten tijde van het verlenen van de machtiging bekend waren geweest, de machtiging niet of niet in deze vorm zou zijn verleend.
2. Indien Onze Minister de machtiging tot deelname aan een scholings- en trainingsprogramma intrekt, geeft hij daarvan terstond kennis aan de directeur, die daarop de deelname van de jeugdige aan het programma beëindigt. De kennisgeving wordt, onder vermelding van de datum van ingang van de beslissing, schriftelijk bevestigd.
### Hoofdstuk 3. Commissie van toezicht en beklagcommissie
### Hoofdstuk 3a. Commissie van toezicht en beklagcommissie voor het vervoer
### Hoofdstuk 5. Het perspectiefplan
### Hoofdstuk 6. Verlof
### Hoofdstuk 7. Proefverlof
### Hoofdstuk 8. (Onvrijwillige) geneeskundige behandeling
### Hoofdstuk 8a. Toezicht op telefoongesprekken
### Hoofdstuk 9. Geestelijke verzorging
### Hoofdstuk 10. Beroep tegen medisch handelen
### Hoofdstuk 11. Onderwijs en pedagogische activiteiten
##### Artikel 62
1. Op het onderwijs in particuliere inrichtingen is het bepaalde bij of krachtens de [Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549) van toepassing.
2. Het onderwijs in de rijksinrichting bestaat uit theoretisch onderwijs, een beroepsgerichte leerweg of praktijkonderwijs.
3. In ieder geval omvat het onderwijs in de rijksinrichting:
- a. rekenen en wiskunde,
- b. Nederlandse taal,
- c. wereldoriëntatie of maatschappijleer,
- d. sociale redzaamheid of zelfredzaamheid,
- e. technieken,
- f. lichamelijke opvoeding,
- g. creatieve vorming.
##### Artikel 63
1. Elke inrichting beschrijft welk onderwijs door of vanwege de inrichting wordt aangeboden, met alle bijzonderheden, zoals leerinhouden, modules, toetsen, certificaten en methodes.
2. Het onderwijs wordt gegeven door een daartoe bevoegde persoon.
3. Het onderwijs maakt deel uit van het perspectiefplan. Het perspectiefplan is richtinggevend voor het onderwijs.
##### Artikel 64
1. Ten behoeve van het onderwijs wordt door de leraar van een rijksinrichting een intake verzorgd, die de basis vormt voor het onderwijs dat de jeugdige zal gaan volgen. De intake omvat de nulmeting van de onderwijssituatie.
2. De intake bestaat uit de volgende onderdelen:
- a. een intakegesprek dat betrekking heeft op interessegebieden, werkhouding, zelfbeeld en het niveau van kennis en vaardigheden,
- b. een toets op het gebied van de algemene taalvaardigheid,
- c. een toets die de rekenkundige vaardigheden meet,
- d. een schoolvragenlijst die betrekking heeft op de motivatie, het welbevinden en het zelfconcept van de jeugdige,
- e. eventuele anderen informatiebronnen.
##### Artikel 65
1. Voor de jeugdige in een rijksinrichting wordt een onderwijstrajectkaart opgesteld waarin de onderwijskundige doelstellingen en resultaten of tussenresultaten zijn vastgelegd.
2. De onderwijstrajectkaart geeft een actueel beeld van het onderwijsverleden, test- en toetsgegevens, de onderwijsdoelen die worden gepland, en de doelen of tussendoelen die reeds zijn bereikt.
3. De onderwijstrajectkaart bestaat uit:
- a. de intake, waaronder de conclusies en aanbevelingen,
- b. de onderwijshistorie van de jeugdige,
- c. het onderwijstraject dat door de jeugdige wordt gevolgd,
- d. de voortgang van het onderwijstraject,
- e. de voortgang van het onderwijs na het verblijf in de inrichting.
### Hoofdstuk 12. Dossiers van jeugdigen
##### Artikel 66
Het dossier van de jeugdige wordt op zorgvuldige wijze, volgens een vaste indeling, opgebouwd. In ieder geval worden hierin onderscheiden:
- a. persoons- en identificatiegegevens;
- b. justitiële gegevens;
- c. opvang- of behandelgegevens;
- d. gegevens omtrent het verblijf.
##### Artikel 67
Naast de in [artikel 63, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011756&artikel=63) genoemde gegevens worden in het dossier opgenomen de jeugdige betreffende:
- a. afschriften van mededelingen, bedoeld in [artikel 62, eerste en tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011756&artikel=62);
- b. uitspraken van de beklagcommissie en de beroepscommissie alsmede mededelingen, bedoeld in [artikel 64, vijfde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011756&artikel=64);
- c. ontvangen afschriften van rechterlijke beslissingen betreffende de vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel;
- d. kopieën van correspondentie van de inrichting over de jeugdige;
- e. formulieren betreffende verlof en daarop genomen beslissingen alsmede machtigingen van Onze Minister, bedoeld in de [artikelen 30, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011756&artikel=30);
- f. verzoeken om strafonderbreking en daarop genomen beslissingen;
- g. gratieverzoeken en daarop genomen beslissingen;
- h. mededelingen omtrent de voorwaardelijke invrijheidstelling;
- i. gegevens omtrent de gezondheid van de jeugdige en te zijnen aanzien uitgevoerde verrichtingen, een en ander voor zover de opname van deze gegevens voor een goede opvang of behandeling van hem noodzakelijk is.
##### Artikel 68
1. De jeugdige heeft, behoudens de overeenkomstig het tweede en derde lid te stellen beperkingen, recht op inzage van de in zijn dossier vastgelegde gegevens.
2. De directeur kan de jeugdige die een verzoek doet tot inzage van zijn dossier of delen daarvan, bepaalde gegevens onthouden, indien dit noodzakelijk is voor de handhaving van de orde of de veiligheid in de inrichting, in het belang van de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van de jeugdige, ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer van anderen dan de jeugdige voor zover die niet bij de tenuitvoerlegging betrokken zijn, of wanneer de uitvoering van het perspectiefplan dit vereist.
3. De directeur kan het recht op inzage van evaluatieverslagen beperken tot een daarvan gemaakte samenvatting, indien de uitvoering van het perspectiefplan dit vereist.
4. De directeur kan, in geval van toepassing van het tweede of derde lid:
- a. de jeugdige mondeling kennis geven van de gegevens waarvan hij inzage verlangt, of
- b. een door de jeugdige gemachtigde persoon inzage geven in de gegevens waarvan de inzage aan de jeugdige wordt onthouden.
5. Voor wat betreft het perspectiefplan en het evaluatieverslag omvat het recht op inzage tevens het recht op het ontvangen van een afschrift.
6. Met toepassing van [artikel 464 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=464) is [artikel 456 van dit boek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=456) niet van overeenkomstige toepassing op de dossiers, bedoeld in dit hoofdstuk.
##### Artikel 69
1. De ouders of voogd, stiefouder of pleegouders hebben recht op inzage in het dossier van de jeugdige, tenzij belangen van de jeugdige zich daartegen verzetten of inzage achterwege dient te blijven ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer van anderen. Ten aanzien van jeugdigen van 18 jaar en ouder is instemming van de jeugdige vereist.
2. De gecertificeerde instelling, de jeugdreclassering dan wel de reclassering en de raad voor de kinderbescherming hebben recht op inzage in het dossier van de betrokken jeugdige voor zover dat redelijkerwijs nodig is voor de uitoefening van hun taak.
3. Aan Onze Minister, de selectiefunctionaris, de directeur en door dezen aan te wijzen personeelsleden of medewerkers kunnen gegevens uit het dossier worden verstrekt voor zover dat noodzakelijk is voor:
- a. de behandeling van verzoeken, de jeugdige betreffende;
- b. de behandeling van procedures, de jeugdige betreffende;
- c. het beheer van de dossiers;
- d. de behandeling van andere beslissingen, de jeugdige betreffende.
##### Artikel 70
1. Gedurende het verblijf van een jeugdige in een inrichting wordt zijn dossier in een afsluitbare ruimte in de inrichting bewaard.
2. De directeur zendt het dossier gelijktijdig met de overplaatsing van de jeugdige, bedoeld in [artikel 12 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011756&artikel=12), aan de directeur van de inrichting waar de jeugdige verder zal verblijven.
3. Indien de jeugdige in de gelegenheid wordt gesteld deel te nemen aan een scholings- en trainingsprogramma zendt de directeur het dossier aan de directeur, bedoeld in [artikel 10, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012647&hoofdstuk=2&artikel=10&z=2020-01-01&g=2020-01-01).
4. Bij invrijheidstelling, ontvluchting of overlijden van de jeugdige zendt de directeur het dossier aan Onze Minister.
##### Artikel 71
1. Het dossier wordt gedurende een termijn van tien jaren bewaard, te rekenen vanaf het tijdstip dat de vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel eindigt.
2. Na de in het eerste lid bedoelde termijn worden de bescheiden, opgenomen in het dossier, vernietigd, of zodanig bewerkt dat deze niet meer tot de jeugdige kunnen worden herleid, tenzij de vernietiging of bewerking in strijd is met een aanmerkelijk belang van een ander dan de jeugdige.
3. Indien de jeugdige vóór de afloop van de in het eerste lid bedoelde termijn opnieuw tot een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel wordt veroordeeld wordt de bewaartermijn geschorst voor de duur van de tenuitvoerlegging van de nieuwe vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel.
### Hoofdstuk 11. Onderwijs en pedagogische activiteiten
##### Artikel 72
1. Een aanvraag tot aanwijzing als particuliere inrichting kan slechts worden gedaan door een rechtspersoon die een voorziening van jeugdhulpverlening als bedoeld in artikel [3b, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011756&artikel=3b) beheert.
2. De aanvraag wordt bij Onze Minister ingediend en gaat vergezeld van de volgende bescheiden:
- a. de statuten of reglementen van de rechtspersoon die de residentiële voorziening van jeugdhulpverlening beheert;
- b. een schriftelijke verklaring, inhoudende dat een voorgenomen wijziging met betrekking tot een der onderwerpen, genoemd onder a en in het derde lid, ten minste een maand voordat de desbetreffende wijziging wordt doorgevoerd ter kennis van Onze Minister wordt gebracht;
- c. een schriftelijke verklaring, inhoudende bereidverklaring de door de selectiefunctionaris geplaatste jeugdigen op te nemen.
3. De rechtspersoon die de residentiële voorziening van jeugdhulpverlening beheert legt tevens over:
- a. de door Onze Minister verlangde gegevens over de bouwkundige voorzieningen die van belang zijn voor de beoordeling van de veiligheid binnen de voorziening en de maatschappelijke veiligheid daarbuiten;
- b. de door Onze Minister verlangde gegevens over de personele en materiële toerusting die van belang zijn voor de beoordeling van de geschiktheid van de voorziening als particuliere inrichting.
4. Onze Minister beslist binnen zes maanden na ontvangst van een aanvraag als bedoeld in het eerste lid.
##### Artikel 73
1. De aanwijzing als particuliere inrichting wordt door Onze Minister ingetrokken:
- a. op verzoek van de rechtspersoon die de residentiële voorziening van jeugdhulpverlening beheert;
- b. indien de beveiliging dan wel de personele of materiële toerusting van de inrichting, bedoeld in [artikel 72, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012647&hoofdstuk=13&artikel=72&z=2020-01-01&g=2020-01-01), niet meer voldoet aan de eisen die daaraan naar het oordeel van Onze Minister moeten worden gesteld.
2. De aanwijzing als particuliere inrichting kan door Onze Minister worden ingetrokken, indien de rechtspersoon heeft gehandeld in strijd met de toepasselijke regelgeving of hetgeen overeenkomstig [artikel 72, tweede lid, onder b of c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012647&hoofdstuk=13&artikel=72&z=2020-01-01&g=2020-01-01), is verklaard.
##### Artikel 74
De particuliere inrichting beschikt over een calamiteitenplan, waarin is geregeld welke acties dienen te worden ondernomen, en door wie, in het geval van een calamiteit.
### Hoofdstuk 15. Kwaliteit
### Hoofdstuk 13. Aanwijzing van particuliere inrichtingen
### Hoofdstuk 17. Aansprakelijkheid directeur
### Hoofdstuk 14. Opperbeheer rijksinrichtingen
##### Artikel 75
1. De directeur van een rijksinrichting brengt jaarlijks vóór 1 oktober aan Onze Minister een jaarplan voor het volgende jaar uit. Het jaarplan omvat in ieder geval een begroting van de kosten en opbrengsten voor dat jaar.
2. De directeur van een rijksinrichting brengt jaarlijks vóór 1 maart aan Onze Minister een jaarverslag over het voorgaande jaar uit. Bij dit verslag wordt een jaarrekening gevoegd. De directeur zendt een afschrift van het jaarverslag aan de Inspectie gezondheidszorg en jeugd.
3. Onze Minister kan regels stellen aan de vorm en de inhoud van de in het eerste en tweede lid genoemde stukken.
##### Artikel 76
De rijksinrichting beschikt over een calamiteitenplan, waarin is geregeld welke acties dienen te worden ondernomen, en door wie, in het geval van een calamiteit.
### Hoofdstuk 14. Opperbeheer rijksinrichtingen
##### Artikel 77
De inrichting biedt passende behandeling aan. Onder passende behandeling wordt verstaan zorg van goed niveau, die in ieder geval doeltreffend, doelmatig en gericht op de jeugdige wordt verleend en die afgestemd is op de reële behoefte van de jeugdige.
##### Artikel 78
De inrichting organiseert het verblijf op zodanige wijze, voorziet de instelling zowel kwalitatief als kwantitatief zodanig van personeel en materieel en draagt zorg voor een zodanige verantwoordelijkheidsverdeling, dat een en ander leidt of redelijkerwijs moet leiden tot een verantwoord verblijf.
##### Artikel 79
1. Het uitvoeren van [artikel 78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012647&hoofdstuk=15&artikel=78&z=2020-01-01&g=2020-01-01) omvat mede de systematische bewaking, beheersing en verbetering van de kwaliteit van het verblijf.
2. Ter uitvoering van het eerste lid draagt de inrichting, afgestemd op de aard en omvang van de instelling, zorg voor:
- a. het op systematische wijze verzamelen en registreren van gegevens betreffende de kwaliteit van het verblijf in een werkplan;
- b. het aan de hand van de gegevens, bedoeld onder a, op systematische wijze toetsen in hoeverre de wijze van uitvoering van [artikel 78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012647&hoofdstuk=15&artikel=78&z=2020-01-01&g=2020-01-01) leidt tot een verantwoord verblijf;
- c. het op basis van de uitkomst van de toetsing, bedoeld onder b, zo nodig veranderen van de wijze waarop [artikel 78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012647&hoofdstuk=15&artikel=78&z=2020-01-01&g=2020-01-01) wordt uitgevoerd.
##### Artikel 80
1. Indien Onze Minister van oordeel is dat de [artikelen 77 tot en met 79](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012647&hoofdstuk=15&artikel=77&z=2020-01-01&g=2020-01-01) niet of in onvoldoende mate of op onjuiste wijze worden nageleefd, kan hij de directeur een schriftelijke aanwijzing geven.
2. In de aanwijzing omschrijft Onze Minister met redenen omkleed de punten waarop de [artikelen 77 tot en met 79](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012647&hoofdstuk=15&artikel=77&z=2020-01-01&g=2020-01-01) niet of in onvoldoende mate of op onjuiste wijze worden nageleefd, alsmede de in verband daarmee te nemen maatregelen.
3. De aanwijzing bevat een termijn waarbinnen de directeur eraan moet voldoen. De directeur is verplicht binnen de daartoe gestelde termijn aan de aanwijzing te voldoen.
### Hoofdstuk 13. Aanwijzing van particuliere inrichtingen
##### Artikel 81
1. De beloning van de tolk of vertaler en de vergoeding van de door hen gemaakte kosten, bedoeld in [artikel 66, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011756&artikel=66), [70, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011756&artikel=70), en [72, vierde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011756&artikel=72) geschieden volgens het bepaalde bij of krachtens de [Wet tarieven in strafzaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002406).
2. De secretaris van de beklag- of beroepscommissie stelt op basis van de in het eerste lid bedoelde bepalingen de hoogte van de beloning en vergoeding vast. Met de uitbetaling is de directeur belast.
### Hoofdstuk 16. Vergoedingen beklag- en beroepsprocedures
##### Artikel 82
Buiten geval van opzet of bewuste roekeloosheid is de aansprakelijkheid van de directeur voor voorwerpen die een jeugdige ingevolge [artikel 50, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011756&artikel=50) onder zich heeft, beperkt tot vijfhonderd euro per voorwerp, inclusief eventuele gevolgschade.
### Hoofdstuk 14. Opperbeheer rijksinrichtingen
##### Artikel 83
Wijzigt het Besluit tenuitvoerlegging jeugdstrafrecht 1994.
##### Artikel 84
Wijzigt het Subsidiebesluit justitiële jeugdinrichtingen.
##### Artikel 85
Wijzigt de Gratieregeling 1976.
##### Artikel 86
Wijzigt het Besluit extramurale vrijheidsbeneming en sociale zekerheid.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
##### Artikel 48a
1. Een geneeskundige behandeling wordt verricht in een daartoe geschikte ruimte, onder verantwoordelijkheid van de behandelend arts.
2. In een inrichting of op een afdeling als bedoeld in [artikel 8, zevende lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011756&artikel=8) is vierentwintig uur per dag, zeven dagen per week, voldoende psychiatrisch geschoold verpleegkundig personeel aanwezig. Bovendien is vierentwintig uur per dag, zeven dagen per week, een psychiater beschikbaar.
3. Een geneeskundige behandeling wordt slechts uitgevoerd door een arts of verpleegkundige die over voldoende deskundigheid beschikt deze behandeling uit te voeren en indien daartoe voldoende voorzieningen beschikbaar zijn.
4. Eens per twee weken, of vaker indien het belang van de jeugdige dit eist, vindt een multidisciplinair overleg plaats, waaraan in ieder geval een psychiater, een arts, een psycholoog en een verpleegkundige deelnemen. Indien de jeugdige de leeftijd van zestien jaar nog niet heeft bereikt, worden zijn ouders of voogd, stiefouder of pleegouders op de hoogte gesteld van de uitkomsten van het overleg.
##### Artikel 48b
1. In het geneeskundig behandelingsplan worden ten minste opgenomen:
- a. de diagnose van de stoornis van de geestvermogens van de jeugdige;
- b. de therapeutische middelen, zo mogelijk gerelateerd aan de verschillende aspecten die in de stoornis te onderscheiden zijn, die zullen worden toegepast teneinde een zodanige verbetering van de stoornis van de geestvermogens van de jeugdige te bereiken, dat het gevaar op grond waarvan deze in verband met zijn geestelijke gezondheidstoestand op een afdeling voor intensieve zorg of intensieve behandeling behoeft te verblijven, wordt weggenomen;
- c. of er overeenstemming over het geneeskundig behandelingsplan is.
2. Gedurende de behandeling kan het geneeskundig behandelingsplan worden gewijzigd. Bij een wijziging wordt de uitkomst van het multidisciplinair overleg, bedoeld in [artikel 48a, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012647&hoofdstuk=8&artikel=48a&z=2021-01-01&g=2021-01-01), betrokken.
3. Een wijziging van het geneeskundig behandelingsplan wordt, in overleg met de persoon, bedoeld in [artikel 51c, onder b, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011756&artikel=51c) vastgesteld. De wijziging wordt hem voor het ingaan daarvan medegedeeld.
##### Artikel 49a
1. Voordat de directeur beslist dat een door de arts noodzakelijk geachte b-dwangbehandeling of gedwongen geneeskundige handeling zal worden toegepast, pleegt de directeur overleg met die arts en met het hoofd van de afdeling waar de jeugdige verblijft. Indien de behandeling door een andere arts wordt verricht, wordt tevens met hem overlegd.
2. Ingeval van b-dwangbehandeling of indien het verrichten van een gedwongen geneeskundige handeling noodzakelijk is ter afwending van gevaar dat voortvloeit uit de stoornis van de geestvermogens van de jeugdige, pleegt de directeur bovendien overleg met de voor de behandeling verantwoordelijke psychiater.
3. In het in het eerste en tweede lid bedoelde overleg wordt nagegaan of het gevaar niet op een andere wijze kan worden afgewend.
##### Artikel 49b
1. Zo spoedig mogelijk na de aanvang van de gedwongen geneeskundige handeling wordt door of onder verantwoordelijkheid van een arts een plan opgesteld gericht op een zodanige verbetering van de toestand van de jeugdige dat de toepassing van de gedwongen geneeskundige handeling kan worden beëindigd. Dit plan wordt opgenomen in geneeskundig behandelingsplan.
2. Bij de keuze voor een bepaalde geneeskundige handeling wordt steeds gekozen voor de voor de jeugdige minst ingrijpende handeling.
##### Artikel 49c
1. Voordat de directeur de beslissing tot voortzetting van a-dwangbehandeling neemt, pleegt hij overleg met de voor de behandeling verantwoordelijke psychiater en met het hoofd van de afdeling waar de jeugdige verblijft.
2. In het in het eerste lid bedoelde overleg wordt nagegaan of van de voortzetting van de behandeling alsnog het beoogde effect kan worden verwacht.
3. De uitkomsten van het multidisciplinaire overleg, bedoeld in [artikel 48a, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012647&hoofdstuk=8&artikel=48a&z=2021-01-01&g=2021-01-01), worden bij de beslissing meegenomen.
##### Artikel 49d
De jeugdige wordt gedurende de periode dat de a- of b-dwangbehandeling of de gedwongen geneeskundige handeling wordt verricht, zo vaak als nodig is bezocht door een arts of in diens opdracht een verpleegkundige. Het verslag van diens bevindingen wordt opgenomen in het medische dossier.
##### Artikel 49e
1. De directeur stelt de voorzitter van de commissie van toezicht, de raadsman van de jeugdige en indien de jeugdige de leeftijd van zestien jaar nog niet heeft bereikt, zijn ouders of voogd, stiefouder of pleegouders in kennis van het voornemen tot een beslissing tot a-dwangbehandeling uiterlijk drie dagen voor het nemen van die beslissing. Zij worden in de gelegenheid gesteld bezwaren tegen de beslissing kenbaar te maken.
2. De voorzitter van de commissie van toezicht doet onverwijld een melding aan de maandcommissaris. De maandcommissaris bezoekt na de melding onverwijld de jeugdige.
3. Van de toepassing van een a-dwangbehandeling, b-dwangbehandeling, gedwongen geneeskundige handeling of voortzetting van a-dwangbehandeling wordt uiterlijk bij de aanvang van de behandeling melding gedaan aan Onze Minister en de commissie van toezicht. Ingeval van a- of b-dwangbehandeling en indien een gedwongen geneeskundige handeling wordt toegepast in verband met een gevaar dat voortvloeit uit een stoornis van de geestvermogens van de jeugdige, wordt tevens melding gedaan aan de inspecteur.
4. Bij de aanvang van een a-dwangbehandeling geeft de directeur daarvan eveneens kennis aan de in het eerste lid genoemde personen.
5. De directeur zendt met de melding, bedoeld in het derde lid, een afschrift van de beslissing tot de behandeling mee waarin hij in ieder geval vermeldt:
- a. in verband met welk gevaar is besloten tot een a- of b-dwangbehandeling, dan wel een gedwongen geneeskundige handeling;
- b. welke minder bezwarende middelen zijn aangewend om het gevaar weg te nemen dan wel af te wenden;
- c. welke personen, bedoeld in [artikel 51c, onder c, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011756&artikel=51c), zich tegen de behandeling verzetten;
- d. de wijze waarop rekening wordt gehouden met de voorkeuren van de jeugdige en indien de jeugdige de leeftijd van zestien jaar nog niet heeft bereikt de voorkeuren van zijn ouders of voogd, stiefouder of pleegouders ten aanzien van de behandeling; en
- e. indien een behandeling plaatsvindt in een situatie waarin het de jeugdige is die zich verzet, of deze in staat kan worden geacht gebruik te kunnen maken van de regeling, vervat in [Hoofdstuk XIII–XIV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011756&hoofdstuk=XIII) respectievelijk [XV van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011756&hoofdstuk=XV).
6. Ingeval van een beslissing tot a-dwangbehandeling, b-dwangbehandeling of voortzetting van a-dwangbehandeling, vermeldt de directeur tevens welke pogingen zijn gedaan om tot overeenstemming als bedoeld in [artikel 51c, onder b, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011756&artikel=51c) te komen. In geval van een beslissing tot a-dwangbehandeling vermeldt hij bovendien welke bezwaren tegen de behandeling zijn aangevoerd door de personen, bedoeld in het eerste lid.
7. Van een beëindiging van een a-dwangbehandeling, b-dwangbehandeling of gedwongen geneeskundige handeling geeft de directeur kennis aan de personen, genoemd in het derde en – indien van toepassing – vierde lid.
8. Onze Minister kan voor de meldingen een model vaststellen.
##### Artikel 49f
De verantwoordelijke arts draagt zorg dat de melding van de toepassing van a-dwangbehandeling, b-dwangbehandeling, gedwongen geneeskundige handeling en voortzetting van a-dwangbehandeling en de resultaten van het overleg, bedoeld in [artikel 48a, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012647&hoofdstuk=8&artikel=48a&z=2021-01-01&g=2021-01-01), [artikel 49a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012647&hoofdstuk=8&artikel=49a&z=2021-01-01&g=2021-01-01) en [artikel 49c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012647&hoofdstuk=8&artikel=49c&z=2021-01-01&g=2021-01-01), alsmede de adviezen die daarbij zijn gegeven en de afspraken die daarbij zijn gemaakt worden geregistreerd in het medische dossier.
##### Artikel 49g
1. De inspecteur stelt na beëindiging van elke a- of b-dwangbehandeling, doch in ieder geval na afloop van de termijn, bedoeld in [artikel 51e, vierde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011756&artikel=51e), een onderzoek in of de beslissing tot de behandeling zorgvuldig is genomen en of de uitvoering van de behandeling zorgvuldig is geschied.
2. De inspecteur stelt eveneens een onderzoek in na beëindiging van elke gedwongen geneeskundige handeling indien die behandeling is verricht ter afwending van een gevaar dat voortvloeit uit de stoornis van de geestvermogens van de jeugdige.
### Hoofdstuk 8a. Toezicht op telefoongesprekken
### Hoofdstuk 9. Geestelijke verzorging
### Hoofdstuk 10. Beroep tegen medisch handelen
### Hoofdstuk 12. Dossiers van jeugdigen
### Hoofdstuk 17. Aansprakelijkheid directeur
### Hoofdstuk 18. Wijziging andere regelgeving
### Hoofdstuk 19. Slotbepalingen
##### Artikel 87
Een ieder die betrokken is bij de uitvoering van [de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011756) en dit reglement en daarbij de beschikking krijgt over gegevens waarvan hij het vertrouwelijke karakter kent of redelijkerwijs moet vermoeden, en voor wie niet reeds uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift terzake van die gegevens een geheimhoudingsplicht geldt, is verplicht tot geheimhouding daarvan, behoudens voor zover enig wettelijk voorschrift hem tot bekendmaking verplicht of uit zijn taak bij de uitvoering van dit reglement de noodzaak tot bekendmaking voortvloeit.
##### Artikel 88
Wijzigt deze wet.
##### Artikel 89
Het Besluit regels inrichtingen voor justitiële kinderbescherming wordt ingetrokken.
##### Artikel 90
Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
##### Artikel 91
Dit besluit wordt aangehaald als: Reglement justitiële jeugdinrichtingen.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
##### Artikel 50a
1. Telefoongesprekken die in verband met het toezicht, bedoeld in [artikel 44, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011756&artikel=44) worden opgenomen, worden bewaard voor een periode van ten hoogste acht maanden.
2. Na het verstrijken van de periode, genoemd in het eerste lid, wordt een opgenomen telefoongesprek gewist.
3. Indien bij de uitoefening van het toezicht blijkt dat een telefoongesprek met een persoon als bedoeld in [artikel 42, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011756&artikel=42) is opgenomen, wordt dit opgenomen gesprek terstond gewist.
4. De jeugdige wordt van het opnemen van het telefoonverkeer op de hoogte gesteld.
5. Opgenomen telefoongesprekken worden slechts verstrekt aan derden die ingevolge de uitvoering van hen bij of krachtens de wet opgedragen taken, tot kennisneming daarvan bevoegd zijn.
6. De verstrekking, bedoeld in het vijfde lid, kan slechts geschieden in verband met:
- a. de handhaving van de orde of de veiligheid in de inrichting;
- b. de voorkoming en opsporing van strafbare feiten;
- c. de bescherming van slachtoffers van of anderszins betrokkenen bij misdrijven.
### Hoofdstuk 9. Geestelijke verzorging
### Hoofdstuk 10. Beroep tegen medisch handelen
### Hoofdstuk 11. Onderwijs en pedagogische activiteiten
##### Artikel 23a
1. De leden van de commissie van toezicht voor het vervoer, genoemd in [artikel 19b, eerste lid, van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011756&artikel=19b), worden benoemd voor een periode van vijf jaren. Zij kunnen tweemaal voor herbenoeming in aanmerking komen.
2. De [artikelen 14, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012647&hoofdstuk=3&artikel=14&z=2021-01-01&g=2021-01-01), [15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012647&hoofdstuk=3&artikel=15&z=2021-01-01&g=2021-01-01), [17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012647&hoofdstuk=3&artikel=17&z=2021-01-01&g=2021-01-01), [19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012647&hoofdstuk=3&artikel=19&z=2021-01-01&g=2021-01-01), [21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012647&hoofdstuk=3&artikel=21&z=2021-01-01&g=2021-01-01), [22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012647&hoofdstuk=3&artikel=22&z=2021-01-01&g=2021-01-01) en [23](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012647&hoofdstuk=3&artikel=23&z=2021-01-01&g=2021-01-01) zijn van overeenkomstige toepassing.
3. [Artikel 16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012647&hoofdstuk=3&artikel=16&z=2021-01-01&g=2021-01-01) is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor benoeming als lid eveneens niet in aanmerking komen ambtenaren of andere personen, werkzaam onder de verantwoordelijkheid van Onze Minister op het terrein van de tenuitvoerlegging van vrijheidsbenemende straffen en maatregelen, niet zijnde ambtenaren bij het openbaar ministerie.
##### Artikel 23b
1. De leden van de commissie van toezicht voor het vervoer hebben te allen tijde toegang tot de plaatsen waar en de vervoersmiddelen waarmee handelingen betreffende het vervoer worden uitgeoefend.
2. De leden van de commissie van toezicht ontvangen van Onze Minister en de directeur van de inrichting alle door hen gewenste inlichtingen ten aanzien van het vervoer van jeugdigen en kunnen alle op het vervoer betreffende stukken inzien. Zij zijn tot geheimhouding verplicht, behoudens voor zover enig wettelijk voorschrift hen tot bekendmaking verplicht of uit de tenuitvoerlegging van hun taak de noodzaak tot bekendmaking voortvloeit.
3. Onze Minister en de directeur van de inrichting brengen alle voor de uitoefening van de taak van de commissie van toezicht belangrijke feiten en omstandigheden ter kennis van de commissie van toezicht.
### Hoofdstuk 4. De inrichting
### Hoofdstuk 5. Het perspectiefplan
### Hoofdstuk 6. Verlof
### Hoofdstuk 7. Proefverlof
### Hoofdstuk 12. Dossiers van jeugdigen
### Hoofdstuk 13. Aanwijzing van particuliere inrichtingen
### Hoofdstuk 14. Opperbeheer rijksinrichtingen
### Hoofdstuk 15. Kwaliteit
### Hoofdstuk 16. Vergoedingen beklag- en beroepsprocedures
### Hoofdstuk 17. Aansprakelijkheid directeur
### Hoofdstuk 18. Wijziging andere regelgeving
### Hoofdstuk 19. Slotbepalingen
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
##### Artikel 12a
1. Onze Minister kan de machtiging intrekken:
- a. bij overtreding van de voorwaarden, bedoeld in [artikel 12, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012647&hoofdstuk=2&artikel=12&z=2020-01-01&g=2020-01-01);
- b. zodra de jeugdige vierentwintig uur ongeoorloofd afwezig is, tenzij sprake is van overmacht;
- c. zodra het openbaar ministerie aan de directeur meldt dat de jeugdige wordt aangemerkt als verdachte van een strafbaar feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, begaan tijdens de deelname aan het scholings- en trainingsprogramma;
- d. indien feiten of omstandigheden bekend worden waardoor, indien deze ten tijde van het verlenen van de machtiging bekend waren geweest, de machtiging niet of niet in deze vorm zou zijn verleend.
2. Indien Onze Minister de machtiging tot deelname aan een scholings- en trainingsprogramma intrekt, geeft hij daarvan terstond kennis aan de directeur, die daarop de deelname van de jeugdige aan het programma beëindigt. De kennisgeving wordt, onder vermelding van de datum van ingang van de beslissing, schriftelijk bevestigd.
### Hoofdstuk 3. Commissie van toezicht en beklagcommissie
### Hoofdstuk 4. De inrichting
### Hoofdstuk 5. Het perspectiefplan
### Hoofdstuk 6. Verlof
### Hoofdstuk 7. Proefverlof
### Hoofdstuk 8. (Onvrijwillige) geneeskundige behandeling
### Hoofdstuk 8a. Toezicht op telefoongesprekken
### Hoofdstuk 9. Geestelijke verzorging
### Hoofdstuk 10. Beroep tegen medisch handelen
### Hoofdstuk 11. Onderwijs en pedagogische activiteiten
### Hoofdstuk 12. Dossiers van jeugdigen
### Hoofdstuk 13. Aanwijzing van particuliere inrichtingen
### Hoofdstuk 15. Kwaliteit
### Hoofdstuk 16. Vergoedingen beklag- en beroepsprocedures
### Hoofdstuk 17. Aansprakelijkheid directeur
### Hoofdstuk 15. Kwaliteit
### Hoofdstuk 16. Vergoedingen beklag- en beroepsprocedures
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
##### Artikel 48a
1. Een geneeskundige behandeling wordt verricht in een daartoe geschikte ruimte, onder verantwoordelijkheid van de behandelend arts.
2. In een inrichting of op een afdeling als bedoeld in [artikel 8, zevende lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011756&artikel=8) is vierentwintig uur per dag, zeven dagen per week, voldoende psychiatrisch geschoold verpleegkundig personeel aanwezig. Bovendien is vierentwintig uur per dag, zeven dagen per week, een psychiater beschikbaar.
3. Een geneeskundige behandeling wordt slechts uitgevoerd door een arts of verpleegkundige die over voldoende deskundigheid beschikt deze behandeling uit te voeren en indien daartoe voldoende voorzieningen beschikbaar zijn.
4. Eens per twee weken, of vaker indien het belang van de jeugdige dit eist, vindt een multidisciplinair overleg plaats, waaraan in ieder geval een psychiater, een arts, een psycholoog en een verpleegkundige deelnemen. Indien de jeugdige de leeftijd van zestien jaar nog niet heeft bereikt, worden zijn ouders of voogd, stiefouder of pleegouders op de hoogte gesteld van de uitkomsten van het overleg.
##### Artikel 48b
1. In het geneeskundig behandelingsplan worden ten minste opgenomen:
- a. de diagnose van de stoornis van de geestvermogens van de jeugdige;
- b. de therapeutische middelen, zo mogelijk gerelateerd aan de verschillende aspecten die in de stoornis te onderscheiden zijn, die zullen worden toegepast teneinde een zodanige verbetering van de stoornis van de geestvermogens van de jeugdige te bereiken, dat het gevaar op grond waarvan deze in verband met zijn geestelijke gezondheidstoestand op een afdeling voor intensieve zorg of intensieve behandeling behoeft te verblijven, wordt weggenomen;
- c. of er overeenstemming over het geneeskundig behandelingsplan is.
2. Gedurende de behandeling kan het geneeskundig behandelingsplan worden gewijzigd. Bij een wijziging wordt de uitkomst van het multidisciplinair overleg, bedoeld in [artikel 48a, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012647&hoofdstuk=8&artikel=48a&z=2020-01-01&g=2020-01-01), betrokken.
3. Een wijziging van het geneeskundig behandelingsplan wordt, in overleg met de persoon, bedoeld in [artikel 51c, onder b, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011756&artikel=51c) vastgesteld. De wijziging wordt hem voor het ingaan daarvan medegedeeld.
##### Artikel 49a
1. Voordat de directeur beslist dat een door de arts noodzakelijk geachte b-dwangbehandeling of gedwongen geneeskundige handeling zal worden toegepast, pleegt de directeur overleg met die arts en met het hoofd van de afdeling waar de jeugdige verblijft. Indien de behandeling door een andere arts wordt verricht, wordt tevens met hem overlegd.
2. Ingeval van b-dwangbehandeling of indien het verrichten van een gedwongen geneeskundige handeling noodzakelijk is ter afwending van gevaar dat voortvloeit uit de stoornis van de geestvermogens van de jeugdige, pleegt de directeur bovendien overleg met de voor de behandeling verantwoordelijke psychiater.
3. In het in het eerste en tweede lid bedoelde overleg wordt nagegaan of het gevaar niet op een andere wijze kan worden afgewend.
##### Artikel 49b
1. Zo spoedig mogelijk na de aanvang van de gedwongen geneeskundige handeling wordt door of onder verantwoordelijkheid van een arts een plan opgesteld gericht op een zodanige verbetering van de toestand van de jeugdige dat de toepassing van de gedwongen geneeskundige handeling kan worden beëindigd. Dit plan wordt opgenomen in geneeskundig behandelingsplan.
2. Bij de keuze voor een bepaalde geneeskundige handeling wordt steeds gekozen voor de voor de jeugdige minst ingrijpende handeling.
##### Artikel 49c
1. Voordat de directeur de beslissing tot voortzetting van a-dwangbehandeling neemt, pleegt hij overleg met de voor de behandeling verantwoordelijke psychiater en met het hoofd van de afdeling waar de jeugdige verblijft.
2. In het in het eerste lid bedoelde overleg wordt nagegaan of van de voortzetting van de behandeling alsnog het beoogde effect kan worden verwacht.
3. De uitkomsten van het multidisciplinaire overleg, bedoeld in [artikel 48a, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012647&hoofdstuk=8&artikel=48a&z=2020-01-01&g=2020-01-01), worden bij de beslissing meegenomen.
##### Artikel 49d
De jeugdige wordt gedurende de periode dat de a- of b-dwangbehandeling of de gedwongen geneeskundige handeling wordt verricht, zo vaak als nodig is bezocht door een arts of in diens opdracht een verpleegkundige. Het verslag van diens bevindingen wordt opgenomen in het medische dossier.
##### Artikel 49e
1. De directeur stelt de voorzitter van de commissie van toezicht, de raadsman van de jeugdige en indien de jeugdige de leeftijd van zestien jaar nog niet heeft bereikt, zijn ouders of voogd, stiefouder of pleegouders in kennis van het voornemen tot een beslissing tot a-dwangbehandeling uiterlijk drie dagen voor het nemen van die beslissing. Zij worden in de gelegenheid gesteld bezwaren tegen de beslissing kenbaar te maken.
2. De voorzitter van de commissie van toezicht doet onverwijld een melding aan de maandcommissaris. De maandcommissaris bezoekt na de melding onverwijld de jeugdige.
3. Van de toepassing van een a-dwangbehandeling, b-dwangbehandeling, gedwongen geneeskundige handeling of voortzetting van a-dwangbehandeling wordt uiterlijk bij de aanvang van de behandeling melding gedaan aan Onze Minister en de commissie van toezicht. Ingeval van a- of b-dwangbehandeling en indien een gedwongen geneeskundige handeling wordt toegepast in verband met een gevaar dat voortvloeit uit een stoornis van de geestvermogens van de jeugdige, wordt tevens melding gedaan aan de inspecteur.
4. Bij de aanvang van een a-dwangbehandeling geeft de directeur daarvan eveneens kennis aan de in het eerste lid genoemde personen.
5. De directeur zendt met de melding, bedoeld in het derde lid, een afschrift van de beslissing tot de behandeling mee waarin hij in ieder geval vermeldt:
- a. in verband met welk gevaar is besloten tot een a- of b-dwangbehandeling, dan wel een gedwongen geneeskundige handeling;
- b. welke minder bezwarende middelen zijn aangewend om het gevaar weg te nemen dan wel af te wenden;
- c. welke personen, bedoeld in [artikel 51c, onder c, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011756&artikel=51c), zich tegen de behandeling verzetten;
- d. de wijze waarop rekening wordt gehouden met de voorkeuren van de jeugdige en indien de jeugdige de leeftijd van zestien jaar nog niet heeft bereikt de voorkeuren van zijn ouders of voogd, stiefouder of pleegouders ten aanzien van de behandeling; en
- e. indien een behandeling plaatsvindt in een situatie waarin het de jeugdige is die zich verzet, of deze in staat kan worden geacht gebruik te kunnen maken van de regeling, vervat in [Hoofdstuk XIII–XIV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011756&hoofdstuk=XIII) respectievelijk [XV van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011756&hoofdstuk=XV).
6. Ingeval van een beslissing tot a-dwangbehandeling, b-dwangbehandeling of voortzetting van a-dwangbehandeling, vermeldt de directeur tevens welke pogingen zijn gedaan om tot overeenstemming als bedoeld in [artikel 51c, onder b, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011756&artikel=51c) te komen. In geval van een beslissing tot a-dwangbehandeling vermeldt hij bovendien welke bezwaren tegen de behandeling zijn aangevoerd door de personen, bedoeld in het eerste lid.
7. Van een beëindiging van een a-dwangbehandeling, b-dwangbehandeling of gedwongen geneeskundige handeling geeft de directeur kennis aan de personen, genoemd in het derde en – indien van toepassing – vierde lid.
8. Onze Minister kan voor de meldingen een model vaststellen.
##### Artikel 49f
De verantwoordelijke arts draagt zorg dat de melding van de toepassing van a-dwangbehandeling, b-dwangbehandeling, gedwongen geneeskundige handeling en voortzetting van a-dwangbehandeling en de resultaten van het overleg, bedoeld in [artikel 48a, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012647&hoofdstuk=8&artikel=48a&z=2020-01-01&g=2020-01-01), [artikel 49a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012647&hoofdstuk=8&artikel=49a&z=2020-01-01&g=2020-01-01) en [artikel 49c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012647&hoofdstuk=8&artikel=49c&z=2020-01-01&g=2020-01-01), alsmede de adviezen die daarbij zijn gegeven en de afspraken die daarbij zijn gemaakt worden geregistreerd in het medische dossier.
##### Artikel 49g
1. De inspecteur stelt na beëindiging van elke a- of b-dwangbehandeling, doch in ieder geval na afloop van de termijn, bedoeld in [artikel 51e, vierde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011756&artikel=51e), een onderzoek in of de beslissing tot de behandeling zorgvuldig is genomen en of de uitvoering van de behandeling zorgvuldig is geschied.
2. De inspecteur stelt eveneens een onderzoek in na beëindiging van elke gedwongen geneeskundige handeling indien die behandeling is verricht ter afwending van een gevaar dat voortvloeit uit de stoornis van de geestvermogens van de jeugdige.
### Hoofdstuk 8a. Toezicht op telefoongesprekken
### Hoofdstuk 9. Geestelijke verzorging
### Hoofdstuk 10. Beroep tegen medisch handelen
### Hoofdstuk 12. Dossiers van jeugdigen
### Hoofdstuk 17. Aansprakelijkheid directeur
### Hoofdstuk 18. Wijziging andere regelgeving
### Hoofdstuk 19. Slotbepalingen
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
2020-01-01
Reglement justitiële jeugdinrichtingen — arts. 57, 59, 61 y 2 más
2018-08-01
Reglement justitiële jeugdinrichtingen — arts. 53, 54, 57 y 4 más
2015-01-01
Reglement justitiële jeugdinrichtingen — arts. 53, 54, 57 y 4 más
2014-04-01
Reglement justitiële jeugdinrichtingen — arts. 53, 54, 57 y 4 más
2013-07-01
Reglement justitiële jeugdinrichtingen
2013-01-01
Reglement justitiële jeugdinrichtingen — arts. 50, 53, 54 y 5 más
2012-05-09
Reglement justitiële jeugdinrichtingen — arts. 50, 53, 54 y 5 más
2011-07-01
Reglement justitiële jeugdinrichtingen
2011-01-01
Reglement justitiële jeugdinrichtingen
2010-07-01
Reglement justitiële jeugdinrichtingen — arts. 3, 4, 5 y 13 más
2008-12-17
Reglement justitiële jeugdinrichtingen — arts. 3, 4, 5 y 14 más
2008-01-01
Reglement justitiële jeugdinrichtingen — arts. 3, 3, 4 y 31 más
2005-01-01
Reglement justitiële jeugdinrichtingen — arts. 3, 4, 5 y 14 más
2004-01-01
Reglement justitiële jeugdinrichtingen — arts. 3, 4, 5 y 19 más
2002-02-01
Reglement justitiële jeugdinrichtingen — arts. 26, 1, 1 y 108 más
2002-02-01
Reglement justitiële jeugdinrichtingen
original version
Tekst op deze datum