Besluit van 11 januari 2002, houdende veiligheidsvoorschriften voor vissersvaartuigen (Vissersvaartuigenbesluit 2002)
Een vissersvaartuig is uitgerust met radio-installaties die in staat zijn om gedurende de hele voorgenomen reis te voldoen aan artikel 9.4 en die tevens voldoen aan artikel 9.6 en, voorzover van toepassing in het zeegebied of de zeegebieden waarbinnen de voorgenomen reis valt, aan de artikelen 9.7 tot en met 9.10, tenzij een ontheffing is verleend als bedoeld in artikel 9.3.
De radio-installatie is:
- a. zo geplaatst dat geen schadelijke invloeden van mechanische, elektrische of andere oorsprong de goede werking aantasten en dat de elektromagnetische compatibiliteit en de preventie van schadelijke wisselwerking met andere apparatuur en systemen is gewaarborgd,
- b. zo veilig als praktisch uitvoerbaar opgesteld, waarbij de operationele beschikbaarheid zo veel mogelijk is gewaarborgd,
- c. beschermd tegen schadelijke gevolgen van water, extreme temperaturen en andere ongunstige omstandigheden in de directe omgeving,
- d. voorzien van betrouwbare, blijvend aangebrachte elektrische verlichting, die onafhankelijk is van de elektrische hoofd- en noodkrachtbronnen, en die het bedieningspaneel van de radio-installatie voldoende kan verlichten, en
- e. duidelijk voorzien van het internationaal naamsein, de identificatieaanduiding van het scheepsstation en andere aanduidingen ten behoeve van het gebruik van de radio-installatie.
De bediening van de VHF-kanalen die ten behoeve van de veiligheid van de navigatie zijn voorgeschreven is op de brug zo dicht mogelijk gesitueerd bij de plaats waar de navigatie wordt gevoerd en waar nodig zijn voorzieningen getroffen om de radiocommunicatie vanaf de brugvleugels te kunnen afhandelen. Voor dit laatste mogen draagbare VHF-radio-installaties worden gebruikt.
Artikel 9.6. Algemene bepalingen voor de radio-uitrusting
Behalve in het geval, bedoeld in artikel 9.9, vierde lid, is elk vaartuig uitgerust met:
- a. een VHF-radio-installatie die in staat is tot het zenden en ontvangen van:
- 1°. DSC op kanaal 70 (156 525 MHz), waarbij het mogelijk is om het verzenden van noodalarmering op kanaal 70 te starten vanaf de plaats aan boord waar gewoonlijk de navigatie wordt gevoerd, en
- 2°. radiotelefonie op de kanalen 6, 13 en 16 (respectievelijk 156 300 MHz, 156 650 MHz en 156 800 MHz);
- b. een radio-installatie die geschikt is om continu DSC-wacht te houden op kanaal 70, al dan niet in combinatie met de VHF-radio-installatie, bedoeld onder a, 1°;
- c. een radartransponder, werkend in de 9 GHz band, die:
- 1°. zo is geplaatst dat hij gemakkelijk kan worden bediend, en
- 2°. een van de in artikel 7.14 voorgeschreven radartransponders voor de groepsreddingsmiddelen kan zijn;
- d. een ontvanger die de uitzendingen van het internationaal NAVTEX-systeem kan ontvangen indien het vaartuig reizen maakt in een gebied waar het internationaal NAVTEX-systeem wordt toegepast;
- e. een radiovoorziening voor de ontvangst van maritieme veiligheidsberichtgeving door het EGC-systeem indien het vaartuig is bestemd om reizen te ondernemen in een vaargebied binnen het bereik van het INMARSAT-systeem waar geen internationaal NAVTEX-systeem beschikbaar is. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan vaartuigen die uitsluitend bestemd zijn om reizen te ondernemen in gebieden waar een DPT-systeem voor maritieme veiligheidsberichtgeving beschikbaar is en die zijn uitgerust met apparatuur die geschikt is om van dit systeem gebruik te maken, ontheffing verlenen van het bepaalde in dit lid;
- f. met inachtneming van het bepaalde in artikel 9.7, derde lid, een satellietnoodradiobaken dat:
- 1°. noodberichten kan verzenden door ofwel gebruik te maken van het POSS in de 406 MHz-band ofwel, indien het vaartuig bestemd is om alleen reizen te ondernemen binnen het vaargebied waarvoor INMARSAT dekking biedt, gebruik te maken van het geostationaire INMARSAT-satellietsysteem werkend in de 1.6 GHz-band,
- 2°. geïnstalleerd is op een gemakkelijk toegankelijke plaats,
- 3°. met de hand losgemaakt kan worden en door één persoon in een groepsreddingsmiddel kan worden gedragen,
- 4°. vrij kan opdrijven indien het vaartuig zinkt en automatisch wordt geactiveerd zodra het drijft, en
- 5°. met de hand geactiveerd kan worden.
Artikel 9.7. Radio-uitrusting voor het zeegebied A1
In aanvulling op het bepaalde in artikel 9.6 is een vaartuig dat bestemd is om uitsluitend reizen in het zeegebied A1 te ondernemen uitgerust met een radio-installatie die vanaf de plaats aan boord waar gewoonlijk de navigatie wordt gevoerd het verzenden van noodalarmering naar de wal kan starten door middel van hetzij:
- a. VHF met gebruik van DSC; hierin kan worden voorzien door installatie van het in het derde lid voorgeschreven noodradiobaken zodanig dat het op de plaats aan boord waar gewoonlijk de navigatie wordt gevoerd of vanaf die plaats op afstand kan worden bediend, of
- b. door de POSS op de frequentie van 406 MHz; hierin kan worden voorzien door installatie van het in artikel 9.6, eerste lid, onder f, voorgeschreven satelliet-noodradiobaken zodanig dat het op de plaats aan boord waar gewoonlijk de navigatie wordt gevoerd of vanaf die plaats op afstand kan worden bediend, of
- c. indien het vaartuig reizen onderneemt binnen het bereik van MF-kuststations met DSC: MF met gebruik van DSC, of
- d. HF met gebruik van DSC, of
- e. het geostationaire INMARSAT-satellietsysteem; hierin kan worden voorzien door gebruikmaking van:
- 1°. een INMARSAT-scheepssatellietstation, of
- 2°. het in artikel 9.6, onder f, voorgeschreven satelliet-noodradiobaken, zodanig geïnstalleerd dat het op de plaats aan boord waar gewoonlijk de navigatie wordt gevoerd of vanaf die plaats op afstand kan worden bediend.
De in artikel 9.6, onder a, voorgeschreven VHF-radio-installatie is ook geschikt voor algemene radio berichtgeving met gebruik van radiotelefonie.
Vaartuigen die bestemd zijn om uitsluitend reizen in zeegebied A1 te ondernemen kunnen in plaats van een satelliet-noodradiobaken als voorgeschreven in artikel 9.6, onder f, volstaan met een noodradiobaken dat:
- a. een noodalarmering kan uitzenden op VHF-kanaal 70 met gebruik van DSC en dat voorzien is van een radartransponder, werkend in de 9 GHz-band, teneinde te kunnen worden opgespoord,
- b. geïnstalleerd is op een gemakkelijk toegankelijke plaats,
- c. snel met de hand losgemaakt kan worden en door één persoon in een groepsreddingsmiddel kan worden gebracht,
- d. vrij kan opdrijven indien het vaartuig zinkt en automatisch wordt geactiveerd zodra het drijft, en
- e. met de hand geactiveerd kan worden.
Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan nieuwe vaartuigen met een lengte van meer dan 24 meter maar minder dan 45 meter ontheffing verlenen van artikel 9.6, onder f, en artikel 9.7, derde lid, mits deze zijn uitgerust met een VHF-radio-installatie als bepaald bij artikel 9.6, onder a, alsmede met een aanvullende VHF-radio-installatie met DSC voor de verzending van noodsignalen van schip naar kust als bepaald in het eerste lid, onder a.
Artikel 9.8. Radio-uitrusting voor de zeegebieden A1 en A2
In aanvulling op het bepaalde in artikel 9.6 is een vaartuig dat bestemd is om reizen te ondernemen buiten het zeegebied A1, maar binnen het zeegebied A2, voorzien van:
- a. een MF-radio-installatie die voor nood- en veiligheidsdoeleinden geschikt is om te zenden en te ontvangen op de frequenties van:
- 1°. 2187,5 kHz met gebruik van DSC en
- 2°. 2182 kHz met gebruik van radiotelefonie;
- b. een radio-installatie die geschikt is om een permanente DSC-wacht te houden op de frequentie van 2187,5 kHz, afzonderlijk of gecombineerd met de installatie bedoeld onder a, 1°, en
- c. een voorziening die de uitzending van noodseinen van het schip naar de wal kan starten door middel van een radio-installatie die niet in de MF-band uitzendt, hetzij:
- 1°. door de POSS op de frequentie van 406 MHz; hierin kan worden voorzien door installatie van het in artikel 9.6, eerste lid, onder f, voorgeschreven satellietnoodradiobaken zodanig dat het op de plaats aan boord waar gewoonlijk de navigatie wordt gevoerd of vanaf die plaats op afstand kan worden bediend, of
- 2°. HF met gebruik van DSC, of
- 3°. het geostationaire INMARSAT-satellietsysteem. Hierin kan worden voorzien door gebruikmaking van een INMARSAT-scheepssatellietstation of het in artikel 9.6, onder f, voorgeschreven satellietnoodradiobaken, zodanig geïnstalleerd dat het op de plaats aan boord waar gewoonlijk de navigatie wordt gevoerd of vanaf die plaats op afstand kan worden bediend.
Het starten van de uitzending van noodalarmering door middel van de radio-installatie, bedoeld in het eerste lid, onder a en c, is mogelijk vanaf de plaats aan boord waar gewoonlijk de navigatie wordt gevoerd.
Het vaartuig is tevens in staat om algemene radioberichten uit te zenden en te ontvangen met gebruik van radiotelefonie of DPT door middel van:
- a. een radio-installatie werkend op frequenties in de banden tussen 1605 en 4000 kHz of tussen 4000 en 27 500 kHz. Hierin kan worden voorzien door deze te combineren met de radio-installatie bedoeld in artikel 9.1, onder a, of
- b. een INMARSAT-scheepssatellietstation.
Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan ontheffing verlenen van de eisen, bedoeld in artikel 9.6, onder a, 1°, en onder b, voor vaartuigen die zijn gebouwd voor 1 februari 1997 en die uitsluitend bestemd zijn om reizen te ondernemen in zeegebied A2, mits deze vaartuigen, zo mogelijk, een ononderbroken luisterwacht houden op VHF-kanaal 16. Deze wacht wordt gehouden op de plaats aan boord waar gewoonlijk de navigatie wordt gevoerd.
Artikel 9.9. Radio-uitrusting voor de zeegebieden A1, A2 en A3
In aanvulling op het bepaalde in artikel 9.6 is een vaartuig dat bestemd is om reizen te ondernemen buiten de zeegebieden A1 en A2, maar binnen het zeegebied A3 en dat niet voldoet aan het bepaald in het tweede lid, voorzien van:
- a. een INMARSAT-scheepssatellietstation dat geschikt is om:
- 1°. nood- en veiligheidsberichten te verzenden en te ontvangen met gebruik van DPT,
- 2°. oproepen met noodprioriteiten te starten en te ontvangen,
- 3°. een wacht te onderhouden voor noodalarmering van de wal naar het schip, met inbegrip van die berichten die gericht zijn op specifiek omschreven geografische gebieden, en
- 4°. algemene radioberichtgeving te verzenden en te ontvangen met gebruik van radiotelefonie of DPT;
- b. een MF-radio-installatie die geschikt is om voor nood- en veiligheidsdoeleinden te zenden en te ontvangen op de frequenties van:
- 1°. 2187,5 kHz met gebruik van DSC, en
- 2°. 2182 kHz met gebruik van radiotelefonie;
- c. een radio-installatie die geschikt is om een permanente DSC-wacht te onderhouden op de frequentie van 2187,5 kHz, afzonderlijk of gecombineerd met de installatie, bedoeld onder b, 1°, en
- d. een radio-installatie die geschikt is om uitzendingen van noodalarmering naar de wal te starten door middel van:
- 1°. de POSS op de frequentie van 406 MHz; hierin kan worden voorzien door installatie van het in artikel 9.6, onder f, voorgeschreven satellietnoodradiobaken zodanig dat het op de plaats aan boord waar gewoonlijk de navigatie wordt gevoerd of vanaf die plaats op afstand kan worden bediend, of
- 2°. HF met gebruik van DSC, of
- 3°. het geostationaire INMARSAT-satellietsysteem; hierin kan worden voorzien door gebruikmaking van een INMARSAT-scheepssatellietstation of het in artikel 9.6, onder f, voorgeschreven satellietnoodradiobaken, zodanig geïnstalleerd dat het op de plaats aan boord waar gewoonlijk de navigatie wordt gevoerd of vanaf die plaats op afstand kan worden bediend.
In aanvulling op artikel 9.6 is elk vaartuig dat bestemd is om reizen te ondernemen buiten de zeegebieden A1 en A2, maar binnen het zeegebied A3 en dat niet voldoet aan het bepaalde in het eerste lid, voorzien van:
- a. een MF/HF-radio-installatie die voor nood- en veiligheidsdoeleinden kan zenden en ontvangen op alle nood- en veiligheidsfrequenties in de banden tussen 1605 en 4000 kHz en tussen 4000 en 27 500 kHz door middel van:
- 1°. DSC,
- 2°. radiotelefonie, en
- 3°. DPT, en
- b. apparatuur geschikt om DSC-wacht te houden op de frequenties van 2187,5 kHz, 8414,5 kHz en ten minste een van de DSC nood- en veiligheidsfrequenties van 4207,5 kHz, 6312 kHz, 12 577 kHz of 16 804,5 kHz; het is te allen tijde mogelijk om een van deze nood- en veiligheidsfrequenties te kiezen. Deze apparatuur kan afzonderlijk zijn of gecombineerd met de apparatuur, bedoeld onder a, en
- c. een voorziening die de uitzending van noodseinen vanaf het schip naar de wal kan starten door middel van een radio-installatie die niet in de HF-band uitzendt:
- 1°. de POSS op de frequentie van 406 MHz; hierin kan worden voorzien door installatie van het in artikel 9.6, onder f, voorgeschreven satellietnoodradiobaken zodanig dat het op de plaats aan boord waar gewoonlijk de navigatie wordt gevoerd of vanaf die plaats op afstand kan worden bediend, of
- 2°. het geostationaire INMARSAT-satellietsysteem; hierin kan worden voorzien door gebruikmaking van een INMARSAT-scheepssatellietstation of het in artikel 9.6, onder f, voorgeschreven satellietnoodradiobaken, zodanig geïnstalleerd dat het op de plaats aan boord waar gewoonlijk de navigatie wordt gevoerd of vanaf die plaats op afstand kan worden bediend;
- d. bovendien: de mogelijkheid om algemene radioberichtgeving te verzenden en te ontvangen met gebruik van radiotelefonie of DPT door middel van een MF/HF-radio-installatie werkend op de werkfrequenties in de banden tussen 1605 en 4000 kHz en tussen 4000 en 27 500 kHz. Deze voorziening kan worden gecombineerd met de radio-installatie, bedoeld onder a.
De uitzending van noodalarmering door middel van de radio-installaties, bedoeld in het eerste lid, onder a, b en d, en in het tweede lid, onder a en c, kan worden gestart vanaf de plaats aan boord waar gewoonlijk de navigatie wordt gevoerd.
Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan ontheffing verlenen van de eisen, bedoeld in artikel 9.6, onder a, 1°, en onder b, voor vaartuigen die zijn gebouwd voor 1 februari 1997 en die uitsluitend bestemd zijn om reizen te ondernemen in de zeegebieden A2 en A3, mits deze vaartuigen een permanente luisterwacht houden op VHF-kanaal 16 op de plaats aan boord waar gewoonlijk de navigatie wordt gevoerd.
Artikel 9.10. Radio-uitrusting voor de zeegebieden A1, A2, A3 en A4
In aanvulling op het bepaalde in artikel 9.6 voldoet een vaartuig dat bestemd is om reizen te ondernemen in alle zeegebieden aan het bepaalde in artikel 9.9, tweede lid, met dien verstande dat de apparatuur, bedoeld in artikel 9.9, tweede lid, onder c, 2°, niet aanvaard wordt als een alternatief voor de apparatuur, bedoeld in artikel 9.9, tweede lid, onder c, 1°, die altijd aan boord moet zijn. Bovendien voldoet het aan het bepaalde in artikel 9.9, derde lid.
Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan ontheffing verlenen van de eisen, bedoeld in artikel 9.6, onder a, 1°, en onder b, voor vaartuigen gebouwd voor 1 februari 1997 die uitsluitend bestemd zijn om reizen te ondernemen in de zeegebieden A2, A3 en A4, mits deze vaartuigen zo mogelijk een permanente luisterwacht houden op VHF-kanaal 16. Deze wacht wordt gehouden op de plaats aan boord waar gewoonlijk de navigatie wordt gevoerd.
Artikel 9.11. Radiowachten
Buitengaats wordt een permanente wacht gehouden:
- a. op VHF-DSC-kanaal 70 indien het vaartuig, overeenkomstig artikel 9.6, onder b, is uitgerust met een VHF-radio-installatie;
- b. op de DSC-nood- en veiligheidsfrequentie van 2187,5 kHz indien het vaartuig, overeenkomstig artikel 9.8, eerste lid, onder b, of artikel 9.9, eerste lid, onder c, is uitgerust met een MF-radio-installatie;
- c. op de DSC-nood- en veiligheidsfrequenties van 2187,5 kHz en 8414,5 kHz, alsmede op ten minste een van de DSC nood- en veiligheidsfrequenties van 4207,5 kHz, 6312 kHz, 12 577 kHz of 16 804,5 kHz, afhankelijk van het tijdstip en de geografische positie van het vaartuig, indien het vaartuig overeenkomstig artikel 9.9, tweede lid, onder b, of artikel 9.10, eerste lid, is uitgerust met een MF/HF-radio-installatie. Deze wacht kan worden gehouden door middel van een scannende ontvanger;
- d. voor satelliet wal-vaartuig noodberichten, indien het vaartuig, overeenkomstig artikel 9, eerste lid, onder a, is uitgerust met een INMARSAT-scheepssatellietstation.
Buitengaats wordt een radiowacht gehouden op de frequenties waarop die informatie wordt uitgezonden in het zeegebied waar het schip zich bevindt, om de voor het vaartuig van belang zijnde uitzendingen van maritieme veiligheidsinformatie te kunnen ontvangen.
Artikel 9.12. Krachtbronnen
Buitengaats is altijd een elektrische krachtbron beschikbaar van voldoende vermogen om de radio-installaties te doen werken en de aanwezige batterijen gebruikt voor de reserve krachtbron of -bronnen ten behoeve van de radio-installaties op te laden.
Aan boord van een vaartuig zijn een of meer reserve krachtbronnen aanwezig om de radio-installaties te voeden, teneinde de nood- en veiligheidsberichten te kunnen afhandelen in het geval dat de hoofd- en noodkrachtbronnen uitvallen. De reserve krachtbron of krachtbronnen zijn in staat tot het gelijktijdig voeden van de VHF-installatie, bedoeld in artikel 9.6, onder a, en, al naar gelang het zeegebied of de zeegebieden waarvoor het vaartuig is uitgerust, ofwel de MF-radio-installatie, bedoeld in artikel 9.8, eerste lid, onder a, de MF/HF-radio-installatie bedoeld in artikel 9.9, tweede lid, onder a, of artikel 9.10, eerste lid, ofwel het INMARSAT-scheepssatellietstation, bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a, en elk van de aanvullende voorzieningen, bedoeld in de artikelen 9.4, 9.5 en 9.8, gedurende ten minste de volgende periode:
- a. op nieuwe vaartuigen:
- 1°. 3 uur of
- 2°. 1 uur, wanneer de noodkrachtbron volledig voldoet aan het bepaalde in artikel 4.17, met inbegrip van het bepaalde ten aanzien van de voeding van de radio-installaties, en minimaal 6 uur dienst kan doen;
- b. op bestaande vaartuigen:
- 1°. 6 uur wanneer niet is voorzien in een noodkrachtbron of wanneer deze niet voldoet aan het bepaalde in artikel 4.17, met inbegrip van het bepaalde ten aanzien van de voeding van de radio-installaties, of
- 2°. 3 uur wanneer de noodkrachtbron voldoet aan het bepaalde in artikel 4.17, met inbegrip van het bepaalde ten aanzien van de voeding van de radio-installaties, of
- 3°. 1 uur wanneer de noodkrachtbron voldoet aan het bepaalde in artikel 4.17, met inbegrip van het bepaalde ten aanzien van de voeding van de radio-installaties en minimaal zes uur dienst kan doen.
Onafhankelijke HF- en MF-radio-installaties behoeven niet gelijktijdig door de reserve krachtbron of -bronnen te kunnen worden gevoed.
De reserve krachtbron of -bronnen zijn onafhankelijk van de voortstuwingsinstallatie en de elektrische installatie van het vaartuig.
Indien naast de VHF-radio-installatie twee of meer van de andere radio-installaties als bedoeld in het tweede lid kunnen worden aangesloten op de reserve krachtbron of -bronnen, zijn deze krachtbron of -bronnen in staat om gedurende de periode, genoemd in het tweede lid, onder a of b, de VHF-radio-installatie te voeden gelijktijdig met:
- a. alle andere radio-installaties die gelijktijdig op de reserve krachtbron of -bronnen kunnen worden aangesloten, of
- b. wanneer slechts één van de andere radio-installaties gelijktijdig met de VHF-radio-installatie kan worden aangesloten op de reserve krachtbron of -bronnen, de andere radio-installatie met het grootste energieverbruik.
De reserve krachtbron of -bronnen mogen gebruikt worden om de elektrische verlichting, bedoeld in artikel 9.5, tweede lid, onder d, te voeden.
Indien een reserve krachtbron bestaat uit een oplaadbare accumulatorenbatterij of -batterijen:
- a. is een automatische laadinrichting aangebracht die de batterijen binnen 10 uur kan opladen tot de voorgeschreven minimum capaciteit, en
- b. wordt de capaciteit van de batterij of batterijen door middel van een geschikte methode met tussenpozen van niet meer dan 12 maanden gecontroleerd. Deze controle vindt plaats wanneer het vaartuig niet buitengaats is.
De plaats en de installatie van accumulatorenbatterijen die als reserve krachtbron dienen, is zodanig dat:
- a. optimaal onderhoud mogelijk is,
- b. een redelijke levensduur verzekerd is,
- c. onveilige situaties worden voorkomen,
- d. de temperatuur van de accumulatorenbatterijen, ook tijdens het opladen, binnen de door de fabrikant opgegeven waarden blijft, en
- e. de volledig opgeladen accumulatorenbatterijen onder alle weersomstandigheden de minimum benodigde capaciteit hebben.
Indien een ononderbroken invoer van informatie vanuit de navigatieapparatuur of andere uitrusting in de voorgeschreven radio-installatie noodzakelijk is voor de goede werking van deze installatie, zijn er voorzieningen om de voortdurende levering van zulke informatie zeker te stellen bij het uitvallen van de hoofd- of noodkrachtbron van het vaartuig.
Artikel 9.13. Technische specificaties
Apparatuur als bedoeld in dit hoofdstuk is van een goedgekeurd type. Afhankelijk van het bepaalde in het tweede lid dient deze apparatuur te voldoen aan eisen die niet lager zijn dan welke door de Internationale Maritieme Organisatie geaccepteerd zijn.
Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan ontheffing verlenen voor apparatuur die is geïnstalleerd voor de datum van inwerkingtreding van dit besluit met betrekking tot de technische specificaties, mits de apparatuur compatibel is met de apparatuur die wel aan de technische specificaties voldoet, met inachtneming van de criteria die de IMO nog zal vaststellen betreffende die technische specificaties.
Artikel 9.14. Onderhoud
De apparatuur is zodanig ontworpen dat de hoofdonderdelen op eenvoudige wijze, zonder uitgebreide herkalibratie of afregeling, kunnen worden vervangen.
De apparatuur is zodanig vervaardigd en geïnstalleerd dat deze gemakkelijk toegankelijk is voor inspecties en onderhoud aan boord.
Aan boord is voldoende informatie aanwezig voor de bediening en het onderhoud van de installaties, rekening houdend met de aanbevelingen van de Internationale Maritieme Organisatie.
Aan boord zijn gereedschappen en reserveonderdelen aanwezig voor het onderhoud.
De in dit hoofdstuk voorgeschreven apparatuur wordt zodanig onderhouden dat de in artikel 9.4 beschreven functies in stand blijven en dat de apparatuur blijft voldoen aan de aanbevolen technische specificaties.
Aan boord van vaartuigen die uitsluitend reizen ondernemen in de zeegebieden A1 en A2 kan de beschikbaarheid worden verzekerd door dubbele apparatuur, onderhoud door een walorganisatie, elektronische onderhoudssystemen op zee of door een combinatie van deze methoden indien dat door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie wordt goedgekeurd.
Aan boord van vaartuigen die reizen ondernemen in de zeegebieden A3 en A4 wordt de beschikbaarheid van de apparatuur gegarandeerd door een combinatie van ten minste twee methoden, waaronder dubbele apparatuur, onderhoud door een walorganisatie of elektronische onderhoudssystemen op zee. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan echter, rekening houdend met het type vaartuig en de wijze waarop het vaartuig gebruikt wordt, toestaan dat slechts één methode wordt toegepast om de beschikbaarheid van de apparatuur te waarborgen.
Alhoewel al het redelijke gedaan moet worden om de apparatuur in goed functionerende staat en conform de technische specificaties als beschreven in artikel 9.4 te houden, zal in het geval de apparatuur niet kan voorzien in de algemene radiocommunicatie als beschreven in artikel 9.4, onder h, het vaartuig niet onzeewaardig verklaard worden of zal dit niet als reden kunnen gelden om het vaartuig op te houden in een haven waar voorzieningen voor herstel niet direct beschikbaar zijn, indien het vaartuig wel alle nood- en veiligheidsfuncties uit kan voeren.
Artikel 9.15. Personen voor de bediening
Op elk vaartuig is gediplomeerd personeel aanwezig voor de uitvoering van nood- en veiligheidsradiocommunicatie. Dit personeel beschikt over de diploma's, voorgeschreven in het Radioreglement, en één van hen is aangewezen als hoofdverantwoordelijke voor de radiocommunicatie in een noodgeval.
Artikel 9.16. Registratie en radiocommunicatie
Aan boord wordt een door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie goedgekeurd dagboek, overeenkomstig het bepaalde in het Radioreglement, bijgehouden. Daarin worden ten minste alle gevallen van radiocommunicatie vermeld die belangrijk zijn voor de veiligheid op zee.
Hoofdstuk 10. Hulpmiddelen bij de navigatie
Artikel 10.1. Toepassing
Tenzij uitdrukkelijk anders bepaald is dit hoofdstuk van toepassing op nieuwe en bestaande vissersvaartuigen.
Artikel 10.2. Uitzonderingen
Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan ontheffing verlenen van de eisen, gesteld bij of krachtens dit hoofdstuk, indien naar zijn oordeel de aard van de reis of de afstand tot de kust zulke eisen niet rechtvaardigt.
Artikel 10.3. Hulpmiddelen bij de navigatie
- a. Een vaartuig met een lengte van 24 meter of meer is uitgerust met:
- 1°. een vast opgesteld magnetisch standaardkompas, tenzij het bepaalde onder d van toepassing is;
- 2°. een magnetisch stuurkompas, tenzij koersinformatie, afkomstig van het kompas als bedoeld onder 1° beschikbaar en duidelijk afleesbaar is voor de roerganger op de plaats waar gewoonlijk wordt gestuurd;
- 3°. een door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie goedgekeurde voorziening voor de communicatie tussen de standaardkompaspositie en de plaats waar gewoonlijk wordt genavigeerd, en
- 4°. een peilinrichting voor het nemen van peilingen over een boog van de horizon van 360 graden, voor zover praktisch uitvoerbaar.
- b. Elk magnetisch kompas als bedoeld onder a is behoorlijk gecompenseerd en er is te allen tijde een deviatietabel of -kromme aanwezig.
- c. Er is een reserve magnetisch kompas aan boord dat het standaard kompas kan vervangen, tenzij het kompas als bedoeld onder a, 2°, of een gyrokompas aan boord geïnstalleerd is.
- d. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan ontheffing verlenen van het vereiste van een magnetisch standaardkompas indien dit vereiste naar zijn oordeel onredelijk of onnodig is, gelet op de aard van de reis, de afstand tot de kust of het type vaartuig, mits in alle gevallen een deugdelijk stuurkompas wordt gevoerd.
Ten aanzien van vaartuigen met een lengte van minder dan 24 meter kan worden voorgeschreven dat zij zijn uitgerust met een stuurkompas en een peilinrichting.
Vaartuigen met een lengte van 45 meter of meer, gebouwd op of na 1 september 1984, beschikken over een gyrokompas dat voldoet aan de volgende eisen:
- a. het gyro-moederkompas of een gyro-dochterkompas is duidelijk afleesbaar voor de roerganger op de plaats waar gewoonlijk wordt gestuurd, en
- b. vaartuigen met een lengte van 75 meter of meer beschikken bovendien over een of meer gyro-dochterkompassen, zodanig geplaatst dat doelmatig peilingen kunnen worden genomen over een boog van de horizon van 360 graden, voorzover praktisch uitvoerbaar.
Vaartuigen met een lengte van 75 meter of meer, gebouwd voor 1 september 1984, zijn uitgerust met een gyrokompas dat voldoet aan het bepaalde in het derde lid.
Vaartuigen die zijn uitgerust met een noodstuurpositie zijn voorzien van een telefoon of ander doelmatig communicatiemiddel om koersinformatie door te kunnen geven naar die positie. Bovendien zijn vaartuigen met een lengte van 45 meter of meer en gebouwd op of na 1 februari 1992 uitgerust met voorzieningen die aflezing van het kompas vanaf de noodstuurpositie mogelijk maken.
Vaartuigen met een lengte van 45 meter of meer, gebouwd op of na 1 september 1984, en vaartuigen met een lengte van 75 meter of meer, gebouwd voor 1 september 1984, zijn voorzien van een radarinstallatie die kan werken in de 9 GHz frequentieband. Vaartuigen met een lengte van 35 meter of meer dienen na 1 februari 1995 te zijn uitgerust met een radarinstallatie die kan werken in de 9 GHz frequentieband. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan vaartuigen met een lengte van 35 meter of meer maar minder dan 45 meter ontheffing verlenen van het bepaalde in het vijftiende lid, mits hun installatie volledig compatibel is met de radartransponder voor opsporings- en reddingsoperaties.
Indien vaartuigen met een lengte van minder dan 35 meter zijn uitgerust met een radarinstallatie, is deze radarinstallatie van een goedgekeurd type.
Op de brug van een vaartuig dat ingevolge het bepaalde in dit artikel is voorzien van een radarinstallatie, zijn voorzieningen aanwezig voor het uitzetten van de afgelezen radarwaarnemingen. Aan boord van een vaartuig waarvan de lengte 75 meter of meer bedraagt en dat is gebouwd op of na 1 september 1984 zijn deze voorzieningen ten minste even doelmatig als een reflectieplotter.
Vaartuigen met een lengte van 75 meter of meer, gebouwd voor 25 mei 1980, en vaartuigen met een lengte van 45 meter of meer, gebouwd na 25 mei 1980, zijn uitgerust met een echolood.
Vaartuigen met een lengte van minder dan 45 meter zijn uitgerust met een door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie goedgekeurd middel om de diepte van het water onder het vaartuig te kunnen bepalen.
Vaartuigen met een lengte van 45 meter of meer, gebouwd op of na 1 september 1984, dienen te zijn uitgerust met een instrument dat vaart en afstand aangeeft.
Vaartuigen met een lengte van 75 meter of meer, gebouwd voor 1 september 1984, en vaartuigen met een lengte van 45 meter of meer, gebouwd op of na 1 september 1984, zijn uitgerust met een roerstandaanwijzer, een tachometer voor elke schroef en bovendien, indien het vaartuig is uitgerust met verstelbare schroeven of schroeven met zijdelingse stuwkracht, een instrument dat de spoed en de wijze van gebruik van die schroeven aangeeft. Deze instrumenten zijn duidelijk afleesbaar vanaf de plaats waar de navigatie wordt gevoerd.
Uitgezonderd in de situatie, bedoeld in artikel 1.12, zal het vaartuig niet onzeewaardig worden verklaard indien storingen in de instrumenten optreden en zal het vaartuig niet worden opgehouden in een haven waar niet direct herstelvoorzieningen aanwezig zijn, aangenomen dat al het redelijke gedaan wordt om de instrumenten, bedoeld in het eerste tot en met twaalfde lid, in goede werking te houden.
Een vaartuig met een lengte van 75 meter of meer is voorzien van een radiorichtingzoeker. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan een vaartuig van deze regel ontheffing verlenen indien hij van mening is dat het onredelijk of onnodig is voor het vaartuig om met dit instrument te zijn uitgerust of indien het vaartuig is uitgerust met andere deugdelijke radionavigatieapparatuur gedurende de hele reis.
Alle apparatuur waarmee het vaartuig is uitgerust volgens deze voorschriften is van een goedgekeurd type. Apparatuur die op of na 1 september 1984 aan boord van vaartuigen geïnstalleerd is, voldoet aan eisen die niet lager zijn dan die, gesteld door de IMO. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan ontheffing verlenen voor apparatuur die is geïnstalleerd voor de datum van de vaststelling van de eisen voor goedkeuring, met inachtneming van door de IMO vast te stellen criteria in verband met de genoemde eisen.
Artikel 10.4. Nautische instrumenten en publicaties
Aan boord zijn geschikte nautische instrumenten, voldoende recente zeekaarten, zeemansgidsen, lichtenlijsten, berichten aan zeevarenden, getijtafels en alle andere nautische publicaties die nodig zijn voor de voorgenomen reis, onder goedkeuring van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie.
Artikel 10.5. Uitrusting voor het geven van seinen
Het vaartuig is uitgerust met een dagseinlamp waarvan de voeding niet alleen afhankelijk is van de hoofdvoeding van het vaartuig. In ieder geval is voor de voeding een draagbare batterij aanwezig.
Vaartuigen met een lengte van 45 meter of meer zijn uitgerust met een volledig stel seinvlaggen.
Vaartuigen die op grond van het bepaalde in hoofdstuk 9 zijn uitgerust met een radio-installatie hebben het «Internationaal Seinboek» aan boord. Bij ministeriële regeling kan dit voorschrift ook van toepassing worden verklaard op andere vaartuigen.
Artikel 10.6. Uitzicht vanaf de navigatiebrug
Nieuwe vaartuigen met een lengte van 45 meter of meer voldoen aan de volgende voorschriften:
- a. vanaf de plaats op de navigatiebrug waar gewoonlijk de uitkijk wordt gehouden is onder alle omstandigheden van diepgang en trim het vrije zicht naar voren op het zeeoppervlak over een boog van 10° ter weerszijden van het vlak van kiel en stevens niet belemmerd over meer dan de kleinste afstand van twee scheepslengtes dan wel 500 meter, welk van beide het geringste is, beide gemeten vanaf de boeg;
- b. vanaf de plaats op de navigatiebrug waar gewoonlijk de uitkijk wordt gehouden bestaan over een boog van recht vooruit tot 90° ter weerszijden geen blinde sectoren, veroorzaakt door visgerei of andere obstakels buiten de navigatiebrug die groter zijn dan 10°. De som van alle blinde sectoren in dit gebied bedraagt niet meer dan 20°, terwijl tussen twee individuele blinde sectoren vrij uitzicht mogelijk is over een boog van ten minste 5°. Over een boog van recht vooruit tot 10° ter weerszijden zijn echter geen blinde sectoren groter dan 5°;
- c. de onderrand van de ramen aan de voorzijde van de navigatiebrug is zo laag mogelijk geplaatst en vormt in geen geval een belemmering voor het in dit lid voorgeschreven minimum uitzicht naar voren;
- d. de bovenrand van de ramen aan de voorzijde van de navigatiebrug is zodanig geplaatst dat bij een in zware zee stampend vaartuig vanaf de plaats op de brug waar gewoonlijk de uitkijk wordt gehouden, uitzicht naar de voorlijk gelegen horizon mogelijk is voor een persoon met een ooghoogte van 1,80 meter boven het brugdek. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan een lagere ooghoogte toestaan indien een ooghoogte van 1,80 meter niet praktisch uitvoerbaar is, doch in geen geval lager dan 1,60 meter;
- e. het horizontaal uitzicht vanaf de plaats op de navigatiebrug waar gewoonlijk de uitkijk wordt gehouden beslaat een boog van ten minste 225°, te weten van recht vooruit tot niet minder dan 22,5° verder achterwaarts dan dwars aan beide zijden van het vaartuig;
- f. vanaf elke brugvleugel beslaat het horizontale uitzicht een boog van ten minste 225°, te weten vanaf ten minste 45° van recht vooruit aan de tegenovergestelde zijde via het voorschip tot recht achteruit aan de zijde van de betreffende brugvleugel;
- g. vanaf de plaats waar het vaartuig wordt bestuurd beslaat het horizontale uitzicht een boog van recht vooruit tot ten minste 60° aan weerszijden van het vaartuig;
- h. de scheepszijde is zichtbaar vanaf de brugvleugel;
- i. de plaatsing van de ramen in het stuurhuis voldoet aan de volgende voorschriften:
- 1°. stijlen tussen individuele ramen zijn zo smal mogelijk en zijn geplaatst ter hoogte van enige positie waar de navigatie wordt gevoerd,
- 2°. teneinde reflecties tegen te gaan zijn de ramen aan de voorzijde zodanig geplaatst dat zij aan de bovenzijde naar buiten hellen onder een hoek met het verticale vlak van ten minste 10° en ten hoogste 25°,
- 3°. polariserend of gekleurd glas wordt niet toegepast, en
- 4°. onder alle weersomstandigheden verschaffen ten minste twee ramen aan de voorzijde en, afhankelijk van de inrichting van de brug, een extra aantal ramen een vrij uitzicht.
Bestaande schepen voldoen zo veel als praktisch mogelijk is aan het bepaalde in het eerste lid, onder a en b, met dien verstande dat geen wijzigingen in de constructie of aanvullende uitrusting vereist zijn.
Op vaartuigen die door hun bijzondere constructie niet geheel kunnen voldoen aan het bepaalde in het eerste lid is de navigatiebrug zodanig uitgevoerd dat het uitzicht zo veel mogelijk in overeenstemming is met het bepaalde in dat lid.
Artikel 10.7. Routering van vaartuigen
Voor de toepassing van dit artikel wordt onder routeringssysteem verstaan elk systeem, bestaande uit een of meer routes of routeringsmaatregelen, gericht op het verminderen van gevaar voor scheepsongevallen. Het systeem omvat verkeersscheidingsstelsels, vaarwegen voor tweerichtingsverkeer, aanbevolen koerslijnen, gebieden die dienen te worden gemeden, zones voor kustverkeer, rotondes, voorzorgsgebieden en diepwaterroutes.
Van de routeringsmaatregelen die door de IMO worden vastgesteld, wordt een passend gebruik gemaakt.
Elk vaartuig dat vaart in de buurt van de Grote Banken van Newfoundland, vaart, voorzover dit uitvoerbaar is, buiten de gebieden waarvan bekend is of verondersteld wordt dat zij ten gevolge van ijs gevaarlijk zijn.
Indien ijs is gemeld op of nabij de koerslijn van het vaartuig, wordt 's nachts een matige vaart gelopen of wordt de koers zodanig veranderd dat deze goed vrij van het gevaarlijke gebied loopt.
Hoofdstuk 11. Verplichtingen van de schipper en de eigenaar
§ 1. Verplichtingen van de schipper
Artikel 11.1. Diepgang van het vaartuig
De schipper van een vaartuig is verplicht ervoor te zorgen dat bij het ondernemen van een reis alsmede gedurende de reis het vaartuig niet dieper is afgeladen dan tot de hoogst gelegen lastlijn.
Wanneer een vaartuig naar zee vertrekt is het de schipper toegestaan dieper af te laden dan op grond van het eerste lid is geoorloofd, en wel zo veel als overeenkomt met het gewicht aan brandstof, voorraden en drinkwater dat wordt verbruikt tussen de plaats van vertrek en de plaats waar het vaartuig buitengaats komt.
Artikel 11.2. Sterkte en stabiliteit
De schipper van een vaartuig is verplicht ervoor te zorgen dat voor het ondernemen van een reis voldoende gegevens aan boord zijn om hem in staat te stellen het vaartuig zodanig te beladen en te ballasten dat onaanvaardbare spanningen in de scheepsconstructie worden voorkomen.
De schipper van een vaartuig is verplicht ervoor te zorgen dat voor het ondernemen van een reis de nodige door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie goedgekeurde gegevens aan boord zijn betreffende de stabiliteit van het vaartuig in onbeschadigde toestand.
De schipper van een vaartuig is verplicht ervoor te zorgen dat tijdens de reis de stabiliteit van het vaartuig in alle voorkomende bedrijfsomstandigheden ten minste voldoet aan de eisen, bedoeld in artikel 3.7, en de eventuele aanvullende eisen, gesteld krachtens artikel 1.6.
Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan voor vaartuigen van een bepaald type of van een bepaalde grootte ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste lid.
Artikel 11.3. Peilen
Vervallen
Artikel 11.4. Reddingsmiddelen en -voorzieningen
De schipper van een vaartuig is verplicht ervoor te zorgen dat voor het ondernemen van een reis en gedurende de reis:
- a. alle reddingsmiddelen en -voorzieningen steeds in goede staat verkeren en voor onmiddellijk gebruik gereed zijn, en voor het dagelijks toezicht hierop een of meer scheepsofficieren zijn aangewezen;
- b. de uitrusting van de reddings- en hulpverleningsboten steeds in goede staat verkeert en voor onmiddellijk gebruik gereed is, en in die boten geen andere zaken worden opgeborgen dan die welke tot de uitrusting behoren;
- c. een gediplomeerd sloepsgast is belast met het bevel over elk groepsreddingsmiddel, en voor elke reddingsboot tevens een plaatsvervanger is aangewezen dan wel, wanneer zulks door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie is toegestaan, een persoon met ervaring in de behandeling en bediening van reddingsvlotten is belast met het bevel over elk reddingsvlot;
- d. degene die met het bevel over een groepsreddingsmiddel is belast en de plaatsvervanger beschikken over een lijst met namen van de hun toegewezen bemanning van het groepsreddingsmiddel en toezien dat die bemanningsleden hun taken kennen;
- e. voor elke reddingsboot, voorzien van een radiotelegrafie-installatie, iemand is aangewezen die deze installatie kan bedienen;
- f. voor elke reddingsboot iemand is aangewezen die de motor kan bedienen en kleine herstellingen daaraan kan verrichten;
- g. de handboeken voor opleiding ter zake van de reddingsmiddelen en -voorzieningen, bedoeld in artikel 8.3, vierde lid, aan boord zijn;
- h. de instructies voor het onderhoud van de reddingsmiddelen en -voorzieningen, bedoeld in artikel 7.16, tweede lid, aan boord zijn en het onderhoud dienovereenkomstig wordt uitgevoerd;
- i. de periodieke tests, inspecties en keuringen van de reddingsmiddelen en -voorzieningen worden uitgevoerd overeenkomstig artikel 7.16, vijfde tot en met achtste lid, en artikel 9.6, onder f;
- j. het noodradiobaken wordt beproefd met tussenpozen van niet meer dan 12 maanden, waarbij, indien noodzakelijk, de batterij wordt vervangen.
Artikel 11.5. Alarmrol en instructies voor noodgevallen
De schipper van een vaartuig is verplicht ervoor te zorgen dat voor het ondernemen van een reis en gedurende de reis wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 8.2, tweede tot en met achtste lid.
Artikel 11.6. Appèls en oefeningen, opleiding en instructie
De schipper van een vaartuig is verplicht ervoor te zorgen dat wordt voldaan aan het bepaalde in de artikelen 8.3 en 8.4.
Artikel 11.7. Voorzorgsmaatregelen tegen brand
De schipper van een vaartuig is verplicht ervoor te zorgen dat:
- a. alle brandontdekkingsmiddelen en -bestrijdingsmiddelen steeds in goede staat en voor onmiddellijk gebruik gereed zijn;
- b. de brandslangen alleen worden gebruikt voor brandblusdoeleinden, voor het testen van de brandblusinrichting of bij oefeningen en inspecties;
- c. de brandslangen telkenmale na verloop van ten hoogste zes maanden worden getest;
- d. de periodieke controle en tests van draagbare en niet draagbare brandblustoestellen, alsmede van vast aangebrachte brandblusinstallaties met inbegrip van de eventueel bij deze toestellen of installaties behorende gascilinders, geschiedt op door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie voor te schrijven wijze;
- e. de voortstuwingsruimten, andere ruimten voor machines en de kombuizen behoorlijk worden schoongehouden en worden vrijgehouden van olieresten, lekolie, met olie doordrenkt poetskatoen en dergelijke verontreinigingen;
- f. voor scheepsgebruik bestemde of tot de scheepsuitrusting behorende, stoffen of onderdelen met brandgevaarlijke eigenschappen zeevast worden opgeborgen op een veilige plaats, verwijderd van ruimten voor machines, kombuizen en plaatsen waar open vuur wordt gebezigd.
Artikel 11.8. Sluiten van waterdichte deuren en andere openingen
De schipper van een vaartuig is verplicht ervoor te zorgen dat:
- a. de waterdichte deuren gedurende de reis zijn gesloten, tenzij deze uit hoofde van de behoeften van de dienst noodzakelijk geopend moeten blijven, in welk geval maatregelen worden genomen zodat zij te allen tijde onmiddellijk kunnen worden gesloten,
- b. patrijspoorten die gedurende de reis niet bereikbaar zijn, voor het vaartuig de haven of rede verlaat behoorlijk met hun blinden zijn gesloten,
- c. de deksels en kleppen van stortkokers die niet in gebruik zijn en waarvan de binnenboordsopeningen geheel of gedeeltelijk beneden het werkdek zijn gelegen, behoorlijk zijn gesloten, en
- d. de waterdichte deuren en alle daarbij behorende bewegingsinrichtingen en standaanwijzers, alle afsluiters die moeten zijn gesloten om een afdeling waterdicht te maken, benevens alle afsluiters in dwarsscheepse overvloei-inrichtingen gedurende de reis geregeld, ten minste eenmaal per week, worden getest.
Artikel 11.9. Gebruik van beschermende uitrusting
De schipper van een vaartuig is verplicht ervoor te zorgen dat de schepelingen bekend zijn met het gebruik van de beschermende uitrusting, bedoeld in artikel 6.3, zesde lid. Hij ziet erop toe dat deze uitrusting in daartoe in aanmerking komende omstandigheden wordt gebruikt.
Artikel 11.10. Elektrische inrichtingen
De schipper van een vaartuig is verplicht ervoor te zorgen dat:
- a. in vochtige ruimten geen werkzaamheden aan niet geïsoleerde delen van de elektrische installatie worden uitgevoerd, zolang deze onder spanning staan;
- b. in ruimten met ontploffingsgevaar geen werkzaamheden geschieden, waarbij vonkvorming kan optreden en dat werkzaamheden aan elektrische installaties met toebehoren slechts plaatsvinden, nadat het desbetreffende gedeelte der installatie spanningsloos is gemaakt;
- c. in andere dan onder a en b genoemde ruimten slechts werkzaamheden aan niet geïsoleerde of daarmee gelijk te stellen delen van de elektrische installatie worden uitgevoerd, zonder dat deze spanningsloos zijn gemaakt, indien hiervoor dringende redenen aanwezig zijn voor de veiligheid en bedrijfszekerheid van het vaartuig, mits:
- 1°. alle zich in de nabijheid bevindende metalen delen doelmatig tegen aanraking zijn afgeschermd,
- 2°. de metalen delen van het bij de werkzaamheden benodigde gereedschap voorzover mogelijk doelmatig zijn geïsoleerd,
- 3°. zij die de werkzaamheden uitvoeren, zich op een doelmatig isolerende laag bevinden, en
- 4°. voorzover dit in verband met de plaats en de omstandigheden nodig is, duidelijk leesbare waarschuwingen zijn aangebracht om te voorkomen dat aan een niet met de werkzaamheden belaste persoon een ongeval overkomt,
- d. werkzaamheden in de nabijheid van ongeïsoleerde of daarmee gelijk te stellen delen van de elektrische installatie slechts geschieden, indien deze spanningloos zijn gemaakt, tenzij dit om bedrijfstechnische redenen niet mogelijk is, in welk geval alle maatregelen moeten zijn genomen die een veilig verloop van de arbeid waarborgen,
- e. bij voeding van het scheepsnet of een gedeelte daarvan vanaf de wal, geen spanningen, stroomsoorten en bij draaistroom bovendien geen frequenties en volgorden van de fasen worden gebruikt waarvoor de elektrische installatie aan boord niet geschikt is,
- f. isolatiefouten in de elektrische installatie zo spoedig mogelijk worden verholpen,
- g. de noodkrachtbron en de tijdelijke noodkrachtbron, indien aanwezig, en de automatische inrichtingen van de noodinstallatie wekelijks worden getest, en
- h. de noodverlichting maandelijks wordt getest.
Artikel 11.11. Besturing van het vaartuig
De schipper van een vaartuig is met betrekking tot de stuurinrichting verplicht ervoor te zorgen dat:
- a. binnen 12 uur voor vertrek de stuurinrichting door de bemanning wordt gecontroleerd en getest op de goede werking;
- b. bij de testprocedure, bedoeld onder a, voorzover van toepassing, de werking van de volgende onderdelen is inbegrepen:
- 1°. de hoofdstuurinrichting;
- 2°. de hulpstuurinrichting;
- 3°. de afstandsbedieningsystemen;
- 4°. de besturingsmogelijkheden op de brug;
- 5°. de noodkrachtvoorziening;
- 6°. de roerstandaanwijzers, vergeleken met de werkelijke stand van het roer;
- 7°. de alarmeringen voor het uitvallen van de bekrachtiging van de afstandsbedieningsystemen;
- 8°. de alarmeringen voor het uitvallen van de krachtwerktuigen van de stuurinrichting;
- 9°. de automatische voorzieningen waarmee een defect gedeelte van de stuurinrichting buiten bedrijf wordt gesteld en andere automatische uitrusting;
- c. bij de onder a bedoelde controles en tests tevens zijn inbegrepen:
- 1°. het bewegen van het roer over de volle uitslag zoals vereist voor de betreffende stuurinrichting,
- 2°. een visuele inspectie van de stuurinrichting met de daaraan verbonden systemen, en
- 3°. de werking van de communicatiemiddelen tussen de brug en de stuurmachinekamer;
- d. eenvoudige gebruiksaanwijzingen met een blokdiagram, waarop de overschakelingsprocedures zijn aangegeven voor de afstandsbedieningsystemen en de krachtwerktuigen voor de stuurmachine, op de brug en in de stuurmachinekamer permanent zijn opgehangen;
- e. alle schepelingen die betrokken zijn bij de behandeling of het onderhoud van de stuurinrichting, vertrouwd zijn met de werking van de stuursystemen en met de procedures om van het ene systeem over te schakelen op het andere;
- f. in aanvulling op de geregelde controles en tests, bedoeld onder a, ten minste eenmaal in de drie maanden oefeningen plaatsvinden voor de besturing van het vaartuig in gevallen waarbij een of meer onderdelen van het stuursysteem zijn uitgevallen, teneinde hiermede ervaring op te doen. Bij deze oefeningen dienen te zijn inbegrepen de directe bediening in de stuurmachinekamer, de communicatieprocedure met de brug en, indien toepasselijk, het gebruik van vervangende krachtvoorzieningen, en
- g. de onderdelen voor de hulpstuurinrichting voor onmiddellijk gebruik gereed zijn opgeborgen.
De schipper van een vaartuig is verplicht zorg te dragen dat in gebieden waar de navigatie bijzondere aandacht vergt, meer dan een krachtwerktuig van de stuurinrichting in bedrijf is, indien dergelijke werktuigen geschikt zijn om de stuurinrichting gelijktijdig te voeden.
De schipper van een vaartuig dat is uitgerust met een automatische stuurinrichting, is verplicht zorg te dragen dat:
- a. in gebieden met een grote vaardichtheid, bij beperkt zicht en in alle andere voor de navigatie gevaarlijke situaties, waarin gebruik wordt gemaakt van de automatische stuurinrichting, de chef van de wacht onverwijld kan beschikken over de diensten van een bekwame roerganger die op ieder moment de besturing moet kunnen overnemen;
- b. het overschakelen van automatische besturing op handbesturing en omgekeerd, geschiedt door of onder toezicht van de chef van de wacht;
- c. de handbesturing wordt getest nadat gedurende een langere tijd gebruik is gemaakt van de automatische stuurinrichting en voordat gebieden worden binnengevaren waar de navigatie bijzondere aandacht vergt.
Artikel 11.12. Kompassen
De schipper van een vaartuig is verplicht ervoor te zorgen dat de fouten van elk magnetisch kompas eenmaal per jaar worden geverifieerd door een bevoegd persoon, tenzij deze fouten door waarnemingen op zee geregeld worden geverifieerd en zij binnen redelijke grenzen blijven. Bovendien is de schipper verplicht hercompensatie door een bevoegd persoon als boven bedoeld te doen plaatsvinden, telkenmale wanneer zich omstandigheden hebben voorgedaan die van invloed kunnen zijn op de gevonden fouten.
De schipper van een vaartuig is verplicht ervoor te zorgen dat bij elk magnetisch kompas een foutentabel aanwezig is.
Artikel 11.13. Manoeuvreereigenschappen en stopwegen
De schipper van een vaartuig is verplicht ervoor te zorgen dat op de brug de nodige gegevens beschikbaar zijn betreffende de manoeuvreereigenschappen en de stopweg bij voor het vaartuig karakteristieke vaarsnelheden en diepgangen.
Artikel 11.14. Richtingzoekers
De schipper van een vaartuig dat is uitgerust met een richtingzoeker, is verplicht ervoor te zorgen dat eenmaal per jaar de fouten van de richtingzoeker worden geverifieerd door een bevoegd persoon, tenzij deze fouten door waarnemingen op zee geregeld worden geverifieerd en zij binnen redelijke grenzen blijven. Bovendien is de schipper verplicht verificatie te doen plaatsvinden, telkenmale wanneer in de positie van enige antenne, dan wel van enige constructie aan dek, veranderingen zijn aangebracht die de gevonden fouten van de richtingzoeker merkbaar zouden kunnen beïnvloeden.
De schipper van een vaartuig is verplicht ervoor te zorgen dat de grafiek die de correctie aangeeft welke op de afgelezen peiling moetworden toegepast om de ware peiling ten opzichte van de kiellijn te verkrijgen, voor onmiddellijk gebruik bij de richtingzoeker aanwezig is.
Artikel 11.15. Luisterdienst
De schipper van een vaartuig is verplicht luisterdienst te doen houden in overeenstemming met het bepaalde in artikel 9.11.
Artikel 11.16. Elektronische navigatiemiddelen
De schipper van een vaartuig is verplicht ervoor te zorgen dat door degenen die als chef van de wacht kunnen optreden, regelmatig wordt geoefend in het gebruik van de elektronische navigatiemiddelen waarmede het vaartuig is uitgerust.
Artikel 11.17. Routering van vaartuigen
De schipper van een vaartuig is verplicht zorg te dragen dat ten aanzien van de routering van het vaartuig het bepaalde in artikel 10.7 in acht wordt genomen.
Artikel 11.18
De schipper draagt er zorg voor dat de aan boord aanwezige dagboeken worden bijgehouden met inachtneming van hetgeen dienaangaande in dit besluit is bepaald.
Artikel 11.19. Loodsladders
De schipper van een vaartuig is verplicht ervoor te zorgen dat:
- a. de loodsladder schoon en in goede staat wordt gehouden en alleen wordt gebruikt voor het aan boord nemen of ontschepen van loodsen, alsmede van havenautoriteiten bij aankomst in of vertrek uit een haven;
- b. de loodsladder op een zodanige plaats buiten boord wordt opgehangen dat de ladder vrij hangt van spuipijpen van het vaartuig, dat elke trede stevig tegen de scheepshuid rust, dat deze zo ver mogelijk is verwijderd van de terugwijkende gedeelten van de scheepshuid en dat de loods op een veilige en gemakkelijke wijze het vaartuig kan betreden nadat hij niet minder dan 1,50 m en niet meer dan 9 m heeft geklommen. Indien de afstand van het wateroppervlak tot aan de inschepingsplaats meer dan 9 m bedraagt, dient toegang tot het vaartuig te worden verkregen door middel van een valreep of op een andere even veilige en gemakkelijke wijze;
- c. twee handleiders, stevig aan het vaartuig bevestigd, met een omtrek van niet minder dan 65 mm en een lijflijn voor gebruik gereed worden gehouden;
- d. voorzieningen aanwezig zijn teneinde de loods in staat te stellen op veilige en gemakkelijke wijze over te stappen vanaf het boveneinde van de loodsladder op of in het vaartuig of op de valreep of ander middel en omgekeerd. Indien het overstappen plaatsvindt door een opening in het hekwerk of de verschansing, dienen doelmatige handgrepen te zijn aangebracht. Indien het overstappen geschiedt door middel van een verschansingtrap, dient deze stevig te zijn bevestigd aan de verschansing of aan het platform en dienen twee rechtopstaande houvasten te zijn aangebracht bij de plaats van het aan boord komen of van boord gaan. De onderlinge afstand tussen deze houvasten mag niet minder dan 0,70 m en niet meer dan 0,80 m bedragen. Elke houvast dient aan of nabij de onderzijde, alsmede op een hoger gelegen punt, stevig aan het vaartuig te zijn bevestigd; de diameter dient niet minder te zijn dan 40 mm en de lengte dient zodanig te zijn dat de houvast ten minste 1,20 m boven de verschansing uitsteekt;
- e. des nachts een zodanige verlichting aanwezig is dat zowel de loodsladder buitenboord als de plaats waar de loods aan boord komt, voldoende verlicht zijn. Een reddingsboei, voorzien van een zelfontbrandend licht, moet ter plaatse voor direct gebruik bij de hand worden gehouden. Een hieuwlijn moet voor direct gebruik beschikbaar zijn;
- f. voorzieningen zijn getroffen om de loodsladder aan beide zijden van het vaartuig te kunnen gebruiken;
- g. het optuigen van de ladder en het aan boord nemen of ontschepen van een loods geschiedt onder toezicht van een verantwoordelijk scheepsofficier;
- h. indien van een mechanische loodsladder gebruik wordt gemaakt, een loodsladder aan dek in de onmiddellijke nabijheid voor direct gebruik beschikbaar is.
Artikel 11.20. Verplichte boekwerken
Vervallen
§ 2. Verplichtingen van de eigenaar
Artikel 11.21. Onderzoek van de romp aan de buitenzijde en herstellingen
De eigenaar van een vaartuig is verplicht ervoor te zorgen dat de romp van het vaartuig overeenkomstig het bepaalde in artikel 1.12, tweede lid, onder a, aan de buitenzijde wordt onderzocht.
De eigenaar van een vaartuig is verplicht het Hoofd van de Scheepvaartinspectie tijdig in kennis te stellen van het voornemen tot een onderzoek van de romp aan de buitenzijde en van herstellingen aan het vaartuig of aan de werktuigen.
Artikel 11.22. Het verschaffen van de nodige middelen
De eigenaar van een vaartuig is verplicht aan de schipper de middelen te verschaffen die deze behoeft teneinde te kunnen voldoen aan het bepaalde in dit besluit.
Artikel 11.23. Veiligheid en gezondheid van de bemanning
De eigenaar van een vaartuig is verplicht ervoor te zorgen dat de veiligheid en gezondheid van de bemanning niet in gevaar wordt gebracht, in het bijzonder door voorzienbare weersomstandigheden.
De eigenaar van een vaartuig is verplicht te zorgen voor het technische onderhoud, zodat de constructie, inrichting en uitrusting van het vaartuig aan de voorschriften van dit besluit voldoen en blijven voldoen. De eigenaar ziet er op toe dat geconstateerde gebreken die de veiligheid en gezondheid van de bemanning in gevaar kunnen brengen, zo snel mogelijk worden verholpen.
De in het eerste en tweede lid genoemde verplichtingen van de eigenaar laten de verplichtingen van de schipper onverlet.
Artikel 11.24. Plaatsing aan boord van niet voorgeschreven uitrusting
De eigenaar van een vissersvaartuig stelt het Hoofd van de Scheepvaartinspectie ervan op de hoogte indien het vaartuig wordt uitgerust met niet in dit besluit voorgeschreven reddingsmiddelen, veiligheidsmiddelen, hulpmiddelen voor plaatsbepaling en ter voorkoming van aanvaring en radio-inrichtingen.
Voorzover het middelen of inrichtingen betreft die in dit besluit met name worden genoemd, voldoen zij aan alle daarvoor in dit besluit omschreven eisen en verkeren zij in deugdelijke toestand. Voorzover zij niet met name worden genoemd in dit besluit, dienen zij naar het oordeel van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie voor het doel geschikt te zijn en in deugdelijke staat te verkeren.
Hoofdstuk 12. Voorschriften voor visservaartuigen kleiner dan 24 m
(gereserveerd)
Hoofdstuk 12. Voorschriften voor vissersvaartuigen kleiner dan 24 m
§ 1. Strafbepaling
Artikel 13.1. Strafbepaling
Overtreding van de artikelen 11.4, 11.6, 11.7, 11.8, 11.21, 11.22, 11.23 en 11.24 is een strafbaar feit.
§ 1. Strafbepaling
Artikel 13.2. Ministeriële regelingen
Na de inwerkingtreding van dit besluit berust de Regeling signalering reddingmiddelen en vluchtwegen aan boord van vissersvaartuigen op artikel 5.13, vijfde lid, van dit besluit.
Na de inwerkingtreding van dit besluit berusten de Regeling wachtalarminstallatie en de Regeling wachtalarminstallatie voor de Nederlandse Antillen op artikel 6.14, zevende lid, van dit besluit.
Na de inwerkingtreding van dit besluit berust de Regeling medische uitrusting aan boord van vissersvaartuigen op de artikelen 6.5, eerste lid, 6.11 en 6.14 en de artikelen 7.17, achtste lid, 20°, 7.20, vijfde lid, onderdeel a, 8° en 7.23, tweede lid, onderdeel b, 9°, van dit besluit.
Na de inwerkingtreding van dit besluit berust de Regeling geluidsniveaus aan boord van vissersvaartuigen op artikel 6.15, vijfde lid, van dit besluit.
§ 2. Overgangsbepalingen
Artikel 13.3. Intrekking Vissersvaartuigenbesluit
Het Vissersvaartuigenbesluit wordt ingetrokken.
In afwijking van het eerste lid blijven ten aanzien van vissersvaartuigen met een lengte van minder dan 24 m de bepalingen van het Vissersvaartuigenbesluit zoals deze voor die vaartuigen golden voor de inwerkingtreding van dit besluit, van toepassing.
Artikel 13.4. Inwerkingtreding
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst.
In afwijking van het eerste lid treedt het bepaalde in artikel 6.14, zesde lid, en artikel 6.15, eerste lid, tweede volzin, en vierde lid, voor vissersvaartuigen, gebouwd voor 23 november 1995, met ingang van 23 november 2002 in werking.
Artikel 13.5. Citeertitel
Dit besluit wordt aangehaald als: Vissersvaartuigenbesluit 2002.
Bijlage
Certificaat no.:
CERTIFICAAT VAN OVEREENSTEMMING
CERTIFICAAT VAN OVEREENSTEMMING
CERTIFICAAT VAN OVEREENSTEMMING
CERTIFICAAT VAN OVEREENSTEMMING
Dit Certificaat van Overeenstemming dient te worden aangevuld met een inventaris van uitrusting.
uitgereikt krachtens de bepalingen van het Vissersvaartuigenbesluit 2002
voor een nieuw/bestaand 1Doorhalen wat niet van toepassing is, afhankelijk van de omschrijvingen van artikel 2, punten 2 en 3, van de richtlijn. 2 De lenge zoals omschreven in artikel 2, punt 6, van de richtlijn. 3 Overeenkomstig de omschrijving van artikel 2, punt 2, van de richtlijn. vissersvaartuigten bewijze van de overeenstemming van het hierna genoemde vaartuig met de voorschriften van Richtlijn 97/70/EG van de Raad betreffende de invoering van een geharmoniseerde veiligheidsregeling voor vissersvaartuigen waarvan de lengte 24 m. of meer bedraagt.
namens de regering van Nederland
door Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie
Datum van het bouwcontract of datum van het contract voor een ingrijpende verbouwing3:
....................
Datum waarop de kiel werd gelegd of het vaartuig zich ineen soortgelijk stadium van bouw bevond3:
Eerste onderzoek
Datum van oplevering of voltooiing van een ingrijpende verbouwing3:
....................
HIERMEDE WORDT VERKLAARD:
HIERMEDE WORDT VERKLAARD:
dat het schip is onderzocht overeenkomstig voorschrift I/6 paragraaf 1, onder a), van de bijlage bij het Protocol van Torremolinos van 1993;
dat het onderzoek heeft aangetoond dat:
het schip volledig voldoet aan de eisen van Richtlijn 97/70/EG , en
de maximaal voor dit vaartuig toelaatbare diepgang tijdens de reis onder elke bedrijfsomstandigheid is opgenomen in het goedgekeurde stabiliteitsboekje van .................... ;
dat een/geen1Doorhalen wat niet van toepassing is. certificaat van vrijstelling is uitgereikt.
Dit certificaat is geldig tot .................... , behoudens de periodieke onderzoeken overeenkomstig voorschrift I/6, paragraaf 1, onder b), punten ii) en iii) en onder c).
Uitgereikt te Rotterdam, op ....................
Namens het Hoofd van de Scheepvaartinspectie
....................
(Zegel of stempel van de uitreikende instantie)
Aantekening ter verlenging van de geldigheid van het certificaat ingeval voorschrift I/11, paragraaf 1, van toepassing is (maximaal 1 jaar)
....................
(Handtekening)
Dit certificaat blijft overeenkomstig voorschrift I/11, paragraaf 1, geldig tot ....................
Dit certificaat blijft overeenkomstig voorschrift I/11, paragraaf 1, geldig tot ....................
Namens het Hoofd van de Scheepvaartinspectie
Getekend: ....................
(Zegel of stempel van de uitreikende instantie)
Plaats: ....................
Datum: ....................
Aantekening ter verlenging van de geldigheid van het certificaat tot het bereiken van de haven van controle ingeval voorschrift I/11, paragraaf 2, of voorschrift I/11, paragraaf 4, (maximaal vijf maanden of maximaal één maand) van toepassing is.
Dit certificaat blijft overeenkomstig voorschrift I/11, paragraaf 2 (voorschrift I/11, paragraaf 4)1Doorhalen wat niet van toepassing is., geldig tot ....................
Namens het Hoofd van de Scheepvaartinspectie
Getekend: ....................
Aantekeningen betreffende de periodieke onderzoeken
Plaats: ....................
Datum: ....................
Onderzoek uitrusting
Onderzoek uitrusting
HIERMEDE WORDT VERKLAARD dat het vaartuig bij een onderzoek zoals vereist bij voorschrift I/6 paragraaf 1, onder b) punt ii), in overeenstemming met de relevante bepalingen bleek.
Namens het Hoofd van de Scheepvaartinspectie
Getekend: ....................
(Zegel of stempel van de uitreikende instantie)
Plaats: ....................
Datum: ....................
Onderzoek radioapparatuur/medische uitrusting/constructie en machine-installatie
HIERMEDE WORDT VERKLAARD dat het vaartuig bij een onderzoek zoals vereist bij voorschrift I/6, paragraaf 1, onder b), punt iii) in overeenstemming met de relevante bepalingen bleek.
Eerste periodieke onderzoek van de radioapparatuur:
Namens het Hoofd van de Scheepvaartinspectie
Getekend: ....................
Eerste periodieke onderzoek van de medische uitrusting:
Plaats: ....................
Datum: ....................
Namens het Hoofd van de Scheepvaartinspectie
Namens het Hoofd van de Scheepvaartinspectie
Getekend: ....................
(Zegel of stempel van de uitreikende instantie)
Plaats: ....................
Tweede periodieke onderzoek van de radioapparatuur:
Eerste periodieke onderzoek van de constructie en machine-installatie:
Namens het Hoofd van de Scheepvaartinspectie
Namens het Hoofd van de Scheepvaartinspectie
Namens het Hoofd van de Scheepvaartinspectie
Getekend: ....................
(Zegel of stempel van de uitreikende instantie)
Plaats: ....................
Datum: ....................
Tweede periodieke onderzoek van de medische uitrusting:
Namens het Hoofd van de Scheepvaartinspectie
Getekend: ....................
(Zegel of stempel van de uitreikende instantie)
Plaats: ....................
Derde periodieke onderzoek van de radioapparatuur:
Tweede periodieke onderzoek van de constructie en machine-installatie:
Namens het Hoofd van de Scheepvaartinspectie
Namens het Hoofd van de Scheepvaartinspectie
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)