Wet van 7 november 2002 tot wijziging van de regels betreffende de verwerking van justitiële gegevens en het stellen van regels met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens in persoonsdossiers (Wet justitiële gegevens)
De werking van de beschikking tot oplegging van de bestuurlijke boete, bedoeld in het vierde lid, onder c, wordt opgeschort totdat de bezwaar- of beroepstermijn is verstreken of, indien bezwaar is gemaakt respectievelijk beroep is ingesteld, op het bezwaar respectievelijk het beroep is beslist.
De bevoegdheden, bedoeld in het vierde lid, onderdelen d en e, gelden als een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht.
Afdeling 5. De verklaring omtrent het gedrag
Artikel 28
Een verklaring omtrent het gedrag is een verklaring van Onze Minister dat uit een onderzoek met betrekking tot het gedrag van de betrokken natuurlijke persoon of rechtspersoon ingesteld, gelet op het risico voor de samenleving in verband met het doel waarvoor de afgifte is gevraagd en na afweging van het belang van betrokkene, niet is gebleken van bezwaren tegen die natuurlijke persoon of rechtspersoon.
Artikel 29
De beslissing omtrent de afgifte van de verklaring omtrent het gedrag geldt als een beschikking in de zin van artikel 1:3, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 30
De aanvraag om afgifte van de verklaring omtrent het gedrag van een natuurlijk persoon wordt ingediend bij de burgemeester van de gemeente waar de aanvrager op het tijdstip van de aanvraag met een adres als ingezetene is ingeschreven in de basisregistratie personen. In alle andere gevallen wordt de aanvraag ingediend bij Onze Minister.
De burgemeester en Onze Minister onderzoeken de volledigheid van de bij de aanvraag verstrekte gegevens en verschaffen zich de nodige zekerheid over de identiteit van de aanvrager.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere eisen worden gesteld ter uitvoering van het tweede lid.
De burgemeester zendt de aanvraag terstond door aan Onze Minister.
Artikel 31
In afwijking van artikel 30 kan een aanvraag om afgifte van de verklaring omtrent het gedrag van een natuurlijk persoon desgewenst rechtstreeks elektronisch worden ingediend bij Onze Minister. Artikel 30, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing. Artikel 34, tweede lid, is niet van toepassing.
Artikel 32
De aanvraag tot het afgeven van een verklaring omtrent het gedrag van een natuurlijk persoon bevat de voornamen en de geboortedatum van de aanvrager, alsmede een omschrijving van het doel, waarvoor de afgifte van de verklaring wordt gevraagd.
Indien de aanvraag betrekking heeft op een rechtspersoon, bevat zij de naam van de rechtspersoon en het inschrijvingsnummer van de Kamer van Koophandel, of, indien geen inschrijving heeft plaatsgevonden in het handelsregister, de naam, de rechtsvorm en de statutaire, of bij ontstentenis daarvan, de feitelijke vestigingsplaats van deze rechtspersoon alsmede de naam, het adres en de geboortedatum van ieder van de bestuurders, vennoten, maten of beheerders en de naam van degene die de aanvraag doet.
Bij de aanvraag doet degene te wiens behoeve de verklaring wordt verzocht opgave van het risico voor de samenleving dat in het geding is.
Artikel 33
De aanvraag wordt ingediend door degene omtrent wiens gedrag een verklaring wordt gevraagd of door een vertegenwoordiger van de rechtspersoon omtrent wiens gedrag een verklaring wordt gevraagd.
Artikel 34
Onze Minister neemt de aanvraag niet in behandeling, indien een onderzoek naar het gedrag van de aanvrager kennelijk niet noodzakelijk is om, gelet op het doel van de aanvraag, een risico voor de samenleving te beperken.
Onze Minister stelt de burgemeester, bedoeld in artikel 30, eerste lid, terstond in kennis van de beslissing tot het niet in behandeling nemen van de aanvraag.
Artikel 35
Onze Minister weigert de afgifte van een verklaring omtrent het gedrag, indien in de justitiële documentatie met betrekking tot de aanvrager een strafbaar feit is vermeld, dat, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving en de overige omstandigheden van het geval, aan het doel waarvoor de verklaring omtrent het gedrag wordt gevraagd, in de weg zal staan.
Indien de aanvraag betrekking heeft op een rechtspersoon betrekt Onze Minister mede in zijn oordeel de justitiële gegevens met betrekking tot strafbare feiten op naam van de rechtspersoon en van ieder van de bestuurders, vennoten, maten of beheerders van die rechtspersoon alsmede de gegevens met betrekking tot strafbare feiten waaraan artikel 51, tweede lid, onder 2°, van het Wetboek van Strafrecht ten grondslag heeft gelegen.
Onze Minister betrekt niet in zijn oordeel de justitiële gegevens met betrekking tot de strafbare feiten die zijn afgedaan met een onherroepelijke vrijspraak.
Artikel 35a
Onverminderd artikel 35 weigert Onze Minister de afgifte van een verklaring omtrent het gedrag voor bij ministeriële regeling aangewezen functies die een hoge mate van integriteit vereisen indien politiegegevens met betrekking tot de aanvrager blijk geven van verbanden tussen de aanvrager en strafbare feiten die zouden zijn of zullen worden gepleegd en die, gelet op de omstandigheden van het geval en het doel waarvoor de verklaring omtrent het gedrag wordt gevraagd, een risico vormen voor de uitoefening van de functie. Bij de beoordeling van de aanvraag wordt rekening gehouden met de aard, frequentie, actualiteit en onderlinge samenhang van de politiegegevens.
Voor aanwijzing bij ministeriële regeling komen functies in aanmerking waarin sprake is van:
- a. een bevoegdheid geweld te gebruiken;
- b. toegang tot gevoelige informatie bij de uitvoering van wettelijke taken op het terrein van openbare orde en veiligheid of handhaving van de rechtsorde;
- c. integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur.
De politiegegevens, bedoeld in het eerste lid, betreffen uitsluitend politiegegevens die worden verwerkt overeenkomstig de artikelen 8, 9, 10, eerste lid, onderdelen a en c, en 13 van de Wet politiegegevens.
Er is een Adviescommissie VOG-Politiegegevens. De commissie heeft tot taak de kwaliteit van de besluiten over aanvragen voor een verklaring omtrent gedrag, bedoeld in het eerste lid, en de zorgvuldigheid waarmee deze tot stand komen, te beoordelen. De commissie rapporteert aan Onze Minister en brengt jaarlijks een verslag uit.
Een ministeriële regeling als bedoeld in het eerste lid wordt niet eerder vastgesteld dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
Artikel 36
Onze Minister kan bij zijn onderzoek met betrekking tot de afgifte van de verklaring omtrent het gedrag van een natuurlijk persoon kennis nemen van op de aanvrager betrekking hebbende justitiële gegevens alsmede van politiegegevens als bedoeld in artikel 1, onder a, van de Wet politiegegevens, met uitzondering van de gegevens waarover op grond van artikel 21, eerste lid, onderdeel e, geen mededeling kan worden gedaan aan de verzoeker, die gebruik maakt van zijn recht, als bedoeld in artikel 18.
Tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald, kan Onze Minister bij zijn onderzoek met betrekking tot de afgifte van de verklaring omtrent het gedrag van een rechtspersoon kennis nemen van op de betrokkenen, bedoeld in artikel 35, betrekking hebbende justitiële gegevens, politiegegevens, als bedoeld in artikel 1, onder a, van de Wet politiegegevens, alsmede gegevens uit de registratie, bedoeld in artikel 1, onder b, van de Wet controle op rechtspersonen. De uitzondering, bedoeld in het eerste lid, is van toepassing.
Voorzover dat voor een goede oordeelsvorming noodzakelijk is, kan Onze Minister inlichtingen omtrent betrokkene inwinnen bij het openbaar ministerie en bij instellingen die op grond van artikel 4, eerste lid, van de Reclasseringsregeling 1995 bevoegd zijn om reclasseringswerkzaamheden te verrichten.
De justitiële gegevens en de politiegegevens die zijn verstrekt worden niet voor een ander doel gebruikt dan waarvoor zij zijn verstrekt.
Artikel 37
Onze Minister beslist op de aanvraag met betrekking tot de afgifte van de verklaring omtrent het gedrag van een natuurlijk persoon binnen vier weken na ontvangst van de aanvraag.
Indien Onze Minister voornemens is afwijzend te beslissen op de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, beslist hij binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag.
Indien de verklaring omtrent het gedrag wordt afgegeven, zijn de artikelen 3:8 en 3:50 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.
Artikel 38
Onze Minister beslist op de aanvraag met betrekking tot de afgifte van de verklaring omtrent het gedrag van een rechtspersoon binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag.
Indien Onze Minister voornemens is afwijzend te beslissen op de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, beslist hij binnen twaalf weken na ontvangst van de aanvraag.
Alvorens te beslissen tot weigering van de afgifte, stelt Onze Minister degene van wie een of meer gegevens als bedoeld in het tweede lid van artikel 36, ten grondslag hebben gelegen aan de beslissing, in de gelegenheid om binnen twee weken een verzoek als bedoeld in artikel 22 van deze wet of artikel 28 van de Wet politiegegevens te doen, dan wel het recht op rectificatie, bedoeld in artikel 16 van de Algemene verordening gegevensbescherming, uit te oefenen te doen.
De termijn voor het geven van de beschikking, bedoeld in het eerste lid, wordt opgeschort met ingang van de dag waarop Onze Minister de gelegenheid heeft geboden tot het doen van een verzoek en tot de dag waarop een schriftelijke mededeling is gedaan dat geen verzoek zal worden ingediend of twee weken zijn verstreken dan wel tot de dag waarop de procedure naar aanleiding van een verzoek is beëindigd.
De aanvrager van de verklaring wordt in kennis gesteld van de opschorting.
Artikel 39
Voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot afgifte van een verklaring omtrent het gedrag kunnen de burgemeester en Onze Minister een vergoeding van kosten verlangen.
De kostenvergoedingen zijn niet hoger dan een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vast te stellen bedrag.
Voorzover de aanvragen zijn ingediend bij de burgemeester, zijn de gemeenten ter zake van de afgifte van de verklaring door Onze Minister een bij ministeriële regeling vastgestelde vergoeding verschuldigd aan Onze Minister.
Bij ministeriële regeling worden regels vastgesteld met betrekking tot de wijze van afdracht van de vergoeding, bedoeld in het derde lid.
Titel 2A. De verwerking van strafvorderlijke gegevens
Afdeling 1. Algemene bepalingen
Artikel 39a
Het College van procureurs-generaal is verwerkingsverantwoordelijke voor het verwerken van strafvorderlijke gegevens.
Het hoofd van een arrondissementsparket, het landelijk parket, het functioneel parket, het parket centrale verwerking openbaar ministerie of het ressortsparket voert het beheer over de strafvorderlijke gegevens.
Artikel 39b
Het College van procureurs-generaal verwerkt slechts strafvorderlijke gegevens, indien dit noodzakelijk is voor een goede vervulling van de taak van het openbaar ministerie of het nakomen van een andere wettelijke verplichting.
De verwerkingsverantwoordelijke maakt in voorkomend geval en voor zover mogelijk een duidelijk onderscheid tussen strafvorderlijke gegevens betreffende verschillende categorieën van betrokkenen, zoals:
- a. personen ten aanzien van wie gegronde vermoedens bestaan dat zij een strafbaar feit hebben gepleegd of zullen plegen;
- b. slachtoffers van een strafbaar feit, of personen ten aanzien van wie op basis van bepaalde feiten wordt vermoed dat zij slachtoffer kunnen worden van een strafbaar feit;
- c. derden, zoals getuigen of personen die anderszins informatie kunnen verstrekken over strafbare feiten, of personen die contact hebben of banden onderhouden met één van de personen als bedoeld onder a of d;
- d. personen die voor een strafbaar feit zijn veroordeeld.
Artikel 39c
De artikelen 3, 7, 7a, 7b, 7d tot en met 7f, zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat daar waar in deze artikelen wordt gesproken over «Onze Minister» «het College van procureurs-generaal» wordt gelezen.
Strafvorderlijke gegevens worden slechts verwerkt, voorzover dit behoorlijk en rechtmatig is en de gegevens, gelet op de doeleinden waarvoor zij worden verwerkt, toereikend, ter zake dienend en niet bovenmatig zijn.
De verwerking van strafvorderlijke gegevens waaruit ras, etnische afkomst, politieke opvattingen, religieuze of levensbeschouwelijke overtuiging, of het lidmaatschap van een vakbond blijkt, en de verwerking van genetische gegevens, biometrische gegevens met het oog op de unieke identificatie van een natuurlijke persoon, of gegevens over gezondheid, seksuele leven en seksuele gerichtheid vindt slechts plaats voor zover dit voor het doel van de verwerking onvermijdelijk is, in aanvulling op de verwerking van andere strafvorderlijke gegevens betreffende de persoon en de gegevens afdoende zijn beveiligd
Een besluit uitsluitend gebaseerd op geautomatiseerde verwerking als bedoeld in artikel 7e, eerste lid, wordt niet gebaseerd op de categorieën van strafvorderlijke gegevens, bedoeld in het derde lid, tenzij de Autoriteit persoonsgegevens over de voorgenomen verwerking is geraadpleegd, overeenkomstig artikel 26h, eerste lid.
Profilering die leidt tot discriminatie van personen is verboden.
Artikel 39d
Strafvorderlijke gegevens worden vernietigd overeenkomstig de termijnen, genoemd in de artikelen 4 en 6.
Afdeling 2. Het verstrekken van strafvorderlijke gegevens
Artikel 39e
Voorzover dit noodzakelijk is met het oog op een zwaarwegend algemeen belang, kan het College van procureurs-generaal aan de volgende personen of instanties strafvorderlijke gegevens verstrekken:
- a. Nederlandse rechterlijke ambtenaren;
- b. Onze Minister;
- c. lichamen of personen aan wie krachtens artikel 257ba van het Wetboek van Strafvordering de bevoegdheid is toegekend een strafbeschikking uit te vaardigen;
- d. ambtenaren van politie als bedoeld in artikel 2, onder a, van de Politiewet 2012 en ambtenaren van politie als bedoeld in artikel 2, onder c en d, voor zover zij zijn aangesteld voor de uitvoering van de politietaak;
- e. ambtenaren als bedoeld in artikel 141, onderdeel c en d, van het Wetboek van Strafvordering;
- f. buitengewone opsporingsambtenaren als bedoeld in artikel 142, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering;
- g. instanties die belast zijn met de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen of handelingen, beslissingen van de officier van justitie dan wel van vrijheidsbenemende straffen of maatregelen;
- h. verwerkingsverantwoordelijken voor de verwerking van politiegegevens als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel f, van de Wet politiegegevens;
- i. bewaarders als bedoeld in artikel 118, eerste en tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering.
Het College van procureurs-generaal verstrekt aan de ambtenaren die werkzaam zijn ten behoeve van de justitiële documentatie strafvorderlijke gegevens.
Het College van procureurs-generaal kan strafvorderlijke gegevens verstrekken aan Onze Minister van Buitenlandse Zaken ten behoeve van het versturen van notificaties als bedoeld in artikel 5c van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften.
Het College van procureurs-generaal verstrekt strafvorderlijke gegevens aan de geneesheer-directeur en de psychiater, bedoeld in de artikelen 5:4, 7:1, 7:11 en 8:19 van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg, voor zover dit voortvloeit uit de verplichtingen van de officier van justitie op grond van die artikelen.
Het College van procureurs-generaal verstrekt strafvorderlijke gegevens aan het CIZ, genoemd in artikel 28a, eerste lid, van de Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten, en aan de arts die de medische verklaring, bedoeld in artikel 28a, tweede lid, onderdeel b, van die wet, vaststelt, voor zover dit voortvloeit uit de in dat artikel bedoelde verplichtingen van de officier van justitie.
Artikel 9, eerste lid, tweede volzin is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 39f
Voorzover dit noodzakelijk is met het oog op een zwaarwegend algemeen belang, kan het College van procureurs-generaal, onverminderd artikel 39e, aan personen of instanties voor de volgende doeleinden strafvorderlijke gegevens verstrekken:
- a. het voorkomen en opsporen van strafbare feiten,
- b. het handhaven van de orde en veiligheid,
- c. het uitoefenen van toezicht op het naleven van regelgeving,
- d. het nemen van een bestuursrechtelijke beslissing,
- e. het beoordelen van de noodzaak tot het treffen van een rechtspositionele of tuchtrechtelijke maatregel,
- f. het verlenen van hulp aan slachtoffers en anderen die bij een strafbaar feit betrokken zijn, of
- g. het verrichten van een privaatrechtelijke rechtshandeling door een persoon of instantie die met een publieke taak is belast.
Het College van procureurs-generaal kan slechts strafvorderlijke gegevens aan personen of instanties als bedoeld in het eerste lid verstrekken, voorzover die gegevens voor die personen of instanties:
- a. noodzakelijk zijn met het oog op een zwaarwegend algemeen belang of de vaststelling, de uitoefening of de verdediging van een recht in rechte, en
- b. in zodanige vorm worden verstrekt dat herleiding tot andere personen dan betrokkene, redelijkerwijs wordt voorkomen.
Artikel 9, eerste lid, tweede volzin, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 39fa
Indien het openbaar ministerie deelneemt aan een samenwerkingsverband als bedoeld in de Wet gegevensverwerking door samenwerkingsverbanden, worden aan het samenwerkingsverband strafvorderlijke gegevens verstrekt, voor zover dit noodzakelijk is voor het doel van dat verband, tenzij naar het oordeel van de verwerkingsverantwoordelijke zwaarwegende redenen zich daartegen verzetten. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen voorwaarden en beperkingen worden gesteld aan de verstrekkingen op grond van dit artikel.
Artikel 39fb
Indien het openbaar ministerie deelneemt aan een casusoverleg als bedoeld in de Wet gegevensverwerking persoonsgerichte aanpak radicalisering en terroristische activiteiten, worden aan het casusoverleg strafvorderlijke gegevens verstrekt, voor zover dat noodzakelijk is met het oog op het doel van het casusoverleg, tenzij naar het oordeel van de verwerkingsverantwoordelijke zwaarwegende redenen zich daartegen verzetten.
Artikel 39g
De artikelen 14 en 15 zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 39ga
Het College van procureurs-generaal kan ten behoeve van de strafrechtspleging met overeenkomstige toepassing van artikel 16, strafvorderlijke gegevens ter beschikking stellen aan de bevoegde autoriteit van een andere lidstaat van de Europese Unie of aan organen en instanties die zijn opgericht krachtens de hoofdstukken 4 en 5 van titel V van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, die zijn belast met taken van rechtshandhaving, voor zover dat voortvloeit uit een rechtsinstrument op grond van het verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.
Het College van procureurs-generaal kan met overeenkomstige toepassing van artikel 16a, strafvorderlijke gegevens verstrekken aan rechterlijke ambtenaren dan wel aan een andere bevoegde autoriteit in een derde land of aan een internationale organisatie.
Artikel 39h
Voor het verstrekken van strafvorderlijke gegevens als bedoeld in artikel 39f kan een kostenvergoeding worden verlangd die niet hoger is dan een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vast te stellen bedrag.
Afdeling 3. Rechten van de betrokkene
Artikel 39ha
Het College van procureurs-generaal maakt ten minste de volgende informatie toegankelijk voor de betrokkene:
- a. de identiteit en contactgegevens van de verwerkingsverantwoordelijke en, in voorkomend geval, van de functionaris voor gegevensbescherming;
- b. de doelen van de verwerking waarvoor de strafvorderlijke gegevens zijn bestemd;
- c. het recht een klacht in te dienen bij de Autoriteit persoonsgegevens, en de contactgegevens van die autoriteit;
- d. de rechten van betrokkene, bedoeld in de artikelen 39i, eerste lid, en 39m, eerste lid.
Artikel 17b is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat daar waar in dit artikel wordt gesproken over «Onze Minister» wordt gelezen «het College van procureurs-generaal».
De verstrekking van informatie, bedoeld in de artikelen 17b, 39i, eerste lid, en 39m, eerste lid, vindt plaats overeenkomstig de artikelen 30 tot en met 34, van het Wetboek van Strafvordering als de gegevens in een processtuk worden verwerkt.
Artikel 39i
De betrokkene heeft het recht om op diens schriftelijke verzoek van het College van procureurs-generaal uitsluitsel te krijgen over de al dan niet verwerking van hem betreffende strafvorderlijke gegevens en, wanneer dat het geval is, om die strafvorderlijke gegevens in te zien en om de volgende informatie te verkrijgen:
- a. de doelen en de rechtsgrond van de verwerking;
- b. de betrokken categorie van de gegevens;
- c. de vraag of de deze persoon betreffende strafvorderlijke gegevens gedurende een periode van vier jaar voorafgaande aan het verzoek overeenkomstig de artikelen 39e, 39f en 39ga zijn verstrekt en over de ontvangers of categorieën van ontvangers aan wie de gegevens zijn verstrekt, met name ontvangers in derde landen of internationale organisaties;
- d. de voorziene periode van opslag of indien dat niet mogelijk is, de criteria om die termijn te bepalen;
- e. het recht te verzoeken om verbetering, vernietiging of beperking van de verwerking van hem betreffende persoonsgegevens;
- f. het recht een klacht in te dienen bij de Autoriteit persoonsgegevens, en de contactgegevens van die autoriteit;
- g. de herkomst, voor zover beschikbaar, van de verwerking van hem betreffende strafvorderlijke gegevens.
Het College van procureurs-generaal geeft op een verzoek als bedoeld in het eerste lid, binnen zes weken uitsluitsel, met uitzondering van het deel van het verzoek om inlichtingen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c. Het College van procureurs-generaal kan zijn beslissing voor ten hoogste vier weken verdagen, dan wel voor ten hoogste zes weken indien blijkt dat bij verschillende parketten strafvorderlijke gegevens over de verzoeker worden verwerkt. Van de verdaging wordt schriftelijk mededeling gedaan.
Op het deel van een verzoek om inlichtingen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, geeft het College van procureurs-generaal binnen vier weken uitsluitsel.
Artikel 39j
Elke verstrekking van strafvorderlijke gegevens overeenkomstig de artikelen 39e, 39f, 39fb en 39ga wordt vastgelegd en gedurende ten minste vier jaar bewaard.
Artikel 39k
Bij de behandeling van een verzoek als bedoeld in artikel 39i, eerste lid, draagt het College van procureurs-generaal zorg voor een deugdelijke vaststelling van de identiteit van de verzoeker. Wanneer het College van procureurs-generaal redenen heeft om te twijfelen aan de identiteit van de persoon die het verzoek doet, kan hij de nodige aanvullende informatie vragen ter bevestiging van de identiteit van de betrokkene.
Artikel 20, tweede tot en met vierde lid, is van toepassing.
Artikel 39l
Indien de betrokkene verzoekt om inzage, op grond van artikel 39i, eerste lid, of rectificatie, bedoeld in artikel 39m, eerste lid, wordt hij schriftelijk in kennis gesteld van de ontvangst van het verzoek, de termijn voor uitsluitsel en de mogelijkheid om naar aanleiding daarvan een klacht in te dienen bij de Autoriteit persoonsgegevens.
Een verzoek als bedoeld in de artikelen 39i, eerste lid, en 39m, eerste lid, wordt afgewezen, voor zover het onthouden van inzage of het achterwege laten van rectificatie een noodzakelijke en evenredige maatregel is gelet op één of meer van de gronden, bedoeld in artikel 21, tweede lid.
De gehele of gedeeltelijke afwijzing van een verzoek als bedoeld in het eerste lid is schriftelijk.
Artikel 39m
De betrokkene heeft het recht op diens schriftelijke verzoek van de verwerkingsverantwoordelijke rectificatie van de hem betreffende strafvorderlijke gegevens te verkrijgen, en rekening houdend met het doel van de verwerking, onvolledige strafvorderlijke gegevens te laten aanvullen. Het verzoek bevat de aan te brengen wijzigingen.
De betrokkene heeft het recht op diens schriftelijke verzoek van de verwerkingsverantwoordelijke zonder onnodige vertraging vernietiging van de hem betreffende strafvorderlijke gegevens te verkrijgen, indien de gegevens in strijd met een wettelijk voorschrift worden verwerkt of een wettelijk voorschrift tot vernietiging verplicht.
In plaats van vernietiging draagt de verwerkingsverantwoordelijke zorg voor afscherming van strafvorderlijke gegevens, indien:
- a. de juistheid van de strafvorderlijke gegevens door de betrokkene wordt betwist en de juistheid of onjuistheid niet kan worden geverifieerd, in welk geval de verwerkingsverantwoordelijke de betrokkene informeert voordat de beperking van de verwerking wordt opgeheven, of
- b. de persoonsgegevens moeten worden bewaard als bewijsmateriaal.
De verwerkingsverantwoordelijke stelt de betrokkene binnen vier weken schriftelijk in kennis met betrekking tot de opvolging van zijn verzoek.
Artikel 22, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat daar waar in dit artikel wordt gesproken over «Onze Minister» «het College van procureurs-generaal» wordt gelezen.
De verwerkingsverantwoordelijke draagt zorg dat een beslissing tot verbetering, aanvulling, vernietiging of afscherming zo spoedig mogelijk wordt uitgevoerd. Hij draagt zorg voor het kenmerken van een gegeven als de juistheid daarvan door de betrokkene wordt betwist en niet kan worden vastgesteld of het gegeven al dan niet juist is.
Artikel 39n
Een beslissing op een verzoek als bedoeld in artikel 39i of 39m geldt als een beschikking in de zin van artikel 1:3, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
De belanghebbende kan zich binnen de termijn bepaald voor het beroep op grond van de Algemene wet bestuursrecht tot de Autoriteit persoonsgegevens wenden met het verzoek te bemiddelen of te adviseren in zijn geschil met de verwerkingsverantwoordelijke. In dat geval kan in afwijking van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht het beroep nog worden ingesteld nadat de belanghebbende van de Autoriteit persoonsgegevens bericht heeft ontvangen dat de behandeling van de zaak is beëindigd, doch uiterlijk zes weken na dat tijdstip.
Artikel 39o
Artikel 24 is van overeenkomstige toepassing op strafvorderlijke gegevens.
Artikel 39p
De verstrekking van de informatie, bedoeld in de artikelen 39i, eerste lid, en 39m, eerste lid, geschiedt kosteloos.
In het geval van een kennelijk ongegrond of buitensporig verzoek, met name vanwege de geringe tussenpozen tussen opéénvolgende verzoeken, kan het College van procureurs-generaal voor de verstrekking van de informatie, bedoeld in het eerste lid, weigeren gevolg te geven aan het verzoek.
Artikel 39q
Betrokkene kan bij het College van procureurs-generaal verzet aantekenen wegens bijzondere persoonlijke omstandigheden.
Het College van procureurs-generaal beoordeelt, gehoord het hoofd van het arrondissementsparket, het landelijk parket, het functioneel parket, het parket centrale verwerking openbaar ministerie of het ressortsparket, binnen vier weken na ontvangst van het verzet of het verzet gerechtvaardigd is. Indien het verzet gerechtvaardigd is, beëindigt het terstond de verwerking.
De artikelen 39n en 39p zijn van overeenkomstige toepassing.
Afdeling 4. Bepalingen betreffende klachten, controle en toezicht
Artikel 39r
De artikelen 26a tot en met 26h en 27, eerste en tweede lid, zijn van overeenkomstige toepassing op strafvorderlijke gegevens.
De artikelen 35a, 35b en 35d, van de Wet politiegegevens zijn van overeenkomstige toepassing op strafvorderlijke gegevens.
De Autoriteit persoonsgegevens is bevoegd:
- a. de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker te waarschuwen dat met de voorgenomen verwerkingen waarschijnlijk een inbreuk wordt gemaakt op het bij of krachtens deze wet bepaalde;
- b. een last onder bestuursdwang op te leggen ter handhaving van het bij of krachtens deze wet bepaalde;
- c. een bestuurlijke boete op te leggen indien de verwerkingsverantwoordelijke handelt in strijd met hetgeen is bepaald bij of krachtens:
- –. de artikelen 39c, eerste lid, voor wat betreft de overeenkomstige toepassing van de artikelen 7, 7a, 7b en 7d in dat lid, en 39r, eerste lid, voor wat betreft de overeenkomstige toepassing van de artikelen 26c, 26f, 26g en 26h, in dat lid van ten hoogste het bedrag van de geldboete van de vijfde categorie van artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht;
- –. de artikelen 39c, eerste lid, voor wat betreft de overeenkomstige toepassing van artikel 7e in dat lid, 39ha, eerste en tweede lid, 39i, 39m en 39o, van ten hoogste het bedrag van de geldboete van de zesde categorie van artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht;
- d. een advies te verstrekken aan de verwerkingsverantwoordelijke naar aanleiding van een voorafgaande raadpleging, bedoeld in artikel 26h;
- e. de verwerkingsverantwoordelijke te verplichten een inbreuk in verband met persoonsgegevens te melden aan de betrokkene.
Artikel 27, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.
De werking van de beschikking tot oplegging van de bestuurlijke boete, bedoeld in het derde lid, onder c, wordt opgeschort totdat de bezwaar- of beroepstermijn is verstreken of, indien bezwaar is gemaakt respectievelijk beroep is ingesteld, op het bezwaar respectievelijk het beroep is beslist.
De bevoegdheden, bedoeld in het derde lid, onderdelen d en e, gelden als een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht.
Titel 3. De persoonsdossiers
Artikel 40
Onze Minister verwerkt persoonsgegevens in persoonsdossiers in de documentatie persoonsdossiers met als doel de bevordering van een juiste toepassing van het strafrecht.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt de wijze bepaald waarop de rapporten die het persoonsdossier vormen worden verkregen.
De artikelen 3, 7, 7a, 7b, 7d tot en met 7f en 39c, tweede tot en met vijfde lid, zijn van overeenkomstige toepassing op persoonsgegevens in persoonsdossiers.
Artikel 41
Een rapport in een persoonsdossier wordt verwijderd na verloop van tien jaren. De termijn vangt aan op de dag van sluiting van het rapport.
Indien de straf of maatregel de duur van tien jaren te boven gaat, is de termijn, bedoeld in het eerste lid, gelijk aan de duur van de aan de betrokken persoon in de strafzaak waarop het rapport betrekking heeft, opgelegde vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel krachtens het strafrecht.
Artikel 42
Onze Minister kan afschriften van de in een persoonsdossier opgenomen rapporten gebruiken ten behoeve van de behandeling van een gratieverzoek of met het oog op het onderzoek, bedoeld in artikel 28.
Onze Minister verstrekt ten behoeve van een goede rechtspleging, de vervolging en berechting van strafbare feiten, de tenuitvoerlegging van straffen of maatregelen en het geven van advies over een gratieverzoek desgevraagd afschriften van de in een persoonsdossier opgenomen rapporten aan Nederlandse rechterlijke ambtenaren.
Onze Minister verstrekt ten behoeve van de selectie of bejegening desgevraagd afschriften van de in een persoonsdossier opgenomen rapporten aan de selectiefunctionarissen en de hoofden van de inrichtingen waar de aan een persoon opgelegde straf of maatregel wordt ten uitvoer gelegd.
Onze Minister verstrekt ten behoeve van het voorbereiden van enig rapport of het uitoefenen van enig toezicht desgevraagd afschriften van de in een persoonsdossier opgenomen rapporten aan:
- a. de directeuren van de stichting en de reclasseringsinstellingen, bedoeld in artikel 1, onder b en c van de Reclasseringsregeling 1995;
- b. de reclasseringswerkers, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Reclasseringsregeling 1995;
- c. de directeur of ressortsdirecteur van de raad voor de kinderbescherming.
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen andere personen of instanties worden aangewezen aan wie ten behoeve van een juiste toepassing van het strafrecht afschriften van rapporten uit een persoonsdossier kunnen worden verstrekt. Daarbij kan tevens worden bepaald van welke rapporten afschriften worden verstrekt. Tevens kunnen nadere voorschriften worden gegeven in verband met de verstrekking.
Artikel 15 is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 42a
Onze Minister kan met overeenkomstige toepassing van artikel 16, afschriften van de in een persoonsdossier opgenomen rapporten ter beschikking stellen aan de bevoegde autoriteit van een andere lidstaat van de Europese Unie of aan organen of instanties die zijn opgericht krachtens de hoofdstukken 4 en 5 van titel V van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, die zijn belast met taken van rechtshandhaving, voor zover dat voortvloeit uit een rechtsinstrument op grond van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.
Onze Minister kan met overeenkomstige toepassing van artikel 16a, afschriften van de in een persoonsdossier opgenomen rapporten doorgeven aan rechterlijke ambtenaren dan wel aan een andere bevoegde autoriteit in een derde land of aan een internationale organisatie, ten behoeve van de strafrechtspleging.
Artikel 42b
Onze Minister maakt ten minste de volgende informatie toegankelijk voor betrokkene:
- a. de identiteit en contactgegevens van de verwerkingsverantwoordelijke en, in voorkomend geval, van de functionaris voor gegevensbescherming;
- b. de doelen van de verwerking waarvoor de verwerking van de betrokkene betreffende rapporten in persoonsdossiers zijn bestemd;
- c. het recht een klacht in te dienen bij de Autoriteit persoonsgegevens, en de contactgegevens van die autoriteit;
- d. de rechten van betrokkene, bedoeld in de artikelen 43, eerste lid, en 46, eerste lid.
Artikel 17b is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 43
De betrokkene heeft het recht om op diens schriftelijke verzoek binnen vier weken van Onze Minister uitsluitsel te krijgen over de al dan niet verwerking van hem betreffende rapporten in de persoonsdossiers in de documentatie persoonsdossiers en, wanneer dat het geval is, om die rapporten in te zien en hierover de informatie, bedoeld in artikel 18, onderdelen a tot en met g, te verkrijgen.
Onze Minister doet daarbij geen mededelingen in schriftelijke vorm, tenzij hij weigert een mededeling te doen. Een gehele of gedeeltelijke afwijzing vindt schriftelijk plaats.
Artikel 44
Elke verstrekking van afschriften van rapporten uit persoonsdossiers, overeenkomstig artikel 41 wordt vastgelegd en tenminste vier jaar bewaard.
Indien een verzoek als bedoeld in artikel 43 zich uitstrekt tot het verkrijgen van informatie over de verstrekking van afschriften uit persoonsdossiers, deelt Onze Minister binnen vier weken aan verzoeker mede of hem betreffende afschriften van rapporten uit de persoonsdossiers in het jaar voorafgaande aan het verzoek overeenkomstig artikel 42 en 42a zijn verstrekt.
Artikel 45
Op de behandeling van verzoeken als bedoeld in het eerste lid van artikel 43 is artikel 20 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 46
Degene aan wie overeenkomstig artikel 43 uitsluitsel is gegeven van hem betreffende rapporten, heeft het recht op diens schriftelijke verzoek van Onze Minister rectificatie van de hem betreffende persoonsgegevens in deze rapporten te verkrijgen, en rekening houdend met het doel van de verwerking onvolledige persoonsgegevens te laten aanvullen. Het verzoek bevat de aan te brengen wijzigingen.
De betrokkene heeft het recht op diens schriftelijke verzoek van de verwerkingsverantwoordelijke zonder onnodige vertraging vernietiging van de hem betreffende persoonsgegevens in persoonsdossiers te verkrijgen, indien de gegevens in strijd met een wettelijk voorschrift worden verwerkt of een wettelijk voorschrift tot vernietiging verplicht.
In plaats van vernietiging draagt de verwerkingsverantwoordelijke zorg voor het afschermen van rapporten uit een persoonsdossier als:
- a. de juistheid van die rapporten door de betrokkene wordt betwist en de juistheid of onjuistheid niet kan worden geverifieerd, in welk geval de verwerkingsverantwoordelijke de betrokkene informeert voordat de afscherming wordt opgeheven, of
- b. de persoonsgegevens moeten worden bewaard als bewijsmateriaal.
De verwerkingsverantwoordelijke stelt de betrokkene binnen vier weken schriftelijk in kennis met betrekking tot de opvolging van zijn verzoek.
Artikel 22, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 46a
Indien de betrokkene verzoekt om inzage op grond van artikel 43, eerste lid, of rectificatie, bedoeld in artikel 46, eerste lid, wordt hij schriftelijk in kennis gesteld van de ontvangst van het verzoek, de termijn voor uitsluitsel en de mogelijkheid om naar aanleiding daarvan een klacht in te dienen bij de Autoriteit persoonsgegevens.
Artikel 21, eerste en tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 47
Een beslissing op een verzoek als bedoeld in artikel 43 of 46 geldt als een beschikking in de zin van artikel 1:3, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 23, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 48
Artikel 24 is van overeenkomstige toepassing op rapporten uit een persoonsdossier.
Artikel 49
De verstrekking van de informatie, bedoeld in de artikelen 43, eerste lid, en 46, eerste lid geschiedt kosteloos.
In het geval van een kennelijk ongegrond of buitensporig verzoek, met name vanwege de geringe tussenpozen tussen opéénvolgende verzoeken, kan Onze Minister weigeren gevolg te geven aan het verzoek.
Artikel 50
Degene over wie één of meer persoonsgegevens in persoonsdossiers zijn verwerkt kan bij Onze Minister verzet hiertegen aantekenen wegens bijzondere persoonlijke omstandigheden.
Onze Minister beoordeelt, gehoord het openbaar ministerie en de instelling die het rapport heeft opgemaakt, binnen vier weken na ontvangst van het verzet of het verzet gerechtvaardigd is. Indien het verzet gerechtvaardigd is, beëindigt hij terstond de verwerking.
Artikel 49 is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 51
De artikelen 26a tot en met 26h en 27, eerste en tweede lid, zijn van overeenkomstige toepassing op persoonsgegevens in persoonsdossiers.
De artikelen 35a, 35b en 35d, van de Wet politiegegevens zijn van overeenkomstige toepassing persoonsgegevens in persoonsdossiers.
De Autoriteit persoonsgegevens is bevoegd:
- a. de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker te waarschuwen dat met de voorgenomen verwerkingen waarschijnlijk een inbreuk wordt gemaakt op het bij of krachtens deze wet bepaalde;
- b. een last onder bestuursdwang op te leggen ter handhaving van het bij of krachtens deze wet bepaalde;
- c. een bestuurlijke boete op te leggen indien de verwerkingsverantwoordelijke handelt in strijd met hetgeen is bepaald bij of krachtens:
- –. de artikelen 40, derde lid, voor wat betreft de overeenkomstige toepassing van de artikelen 7, 7a, 7b en 7d in dat lid, en 51, eerste lid, voor wat betreft de overeenkomstige toepassing van de artikelen 26c, 26f, 26g en 26h in dat lid, van ten hoogste het bedrag van de geldboete van de vijfde categorie van artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht;
- –. de artikelen 40, derde lid, voor wat betreft de overeenkomstige toepassing van artikel 7e in dat lid, 42b, 43, 46, en 48, van ten hoogste het bedrag van de geldboete van de zesde categorie van artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht;
- d. een advies te verstrekken aan de verwerkingsverantwoordelijke naar aanleiding van een voorafgaande raadpleging, bedoeld in artikel 26h, over een voorgenomen verwerking van persoonsgegevens in een persoonsdossier;
- e. de verwerkingsverantwoordelijke te verplichten een inbreuk in verband met persoonsgegevens te melden aan de betrokkene.
Artikel 27, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.
De werking van de beschikking tot oplegging van de bestuurlijke boete, bedoeld in het derde lid, onder c, wordt opgeschort totdat de bezwaar- of beroepstermijn is verstreken of, indien bezwaar is gemaakt respectievelijk beroep is ingesteld, op het bezwaar respectievelijk het beroep is beslist.
De bevoegdheden, bedoeld in het derde lid, onderdelen d en e, gelden als een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht.
Titel 3a. De verwerking van tenuitvoerleggingsgegevens
Artikel 51a
Onze Minister dan wel het College van procureurs-generaal verwerkt tenuitvoerleggingsgegevens, indien dit noodzakelijk is voor een goede vervulling van een wettelijke taak of het nakomen van een andere wettelijke verplichting.
De directeur van een penitentiaire inrichting of afdeling, het hoofd van een inrichting voor verpleging van ter beschikking gestelden of de directeur van een justitiële jeugdinrichting, voert het beheer over de tenuitvoerleggingsgegevens inzake vrijheidsbenemende straffen of maatregelen bij de uitvoering waarvan hij betrokken is.
Het hoofd van een arrondissementsparket, het landelijk parket, het functioneel parket, het parket centrale verwerking openbaar ministerie of het ressortsparket voert het beheer over de tenuitvoerleggingsgegevens waarvoor het College van procureurs-generaal verwerkingsverantwoordelijke is.
Artikel 51b
De artikelen 3, 7, 7a, 7b, 7d tot en met 7f, 15, 16, 16a, 17a, 17b, 20 tot en met 25, en 39c, tweede tot en met vijfde lid, zijn van overeenkomstige toepassing op tenuitvoerleggingsgegevens.
Onverminderd het verder bij wet bepaalde over kennisneming of inzage van tenuitvoerleggingsgegevens heeft de betrokkene het recht om op diens schriftelijke verzoek binnen vier weken van Onze Minister uitsluitsel te krijgen over de al dan niet verwerking van hem betreffende tenuitvoerleggingsgegevens en, wanneer dat het geval is, om die tenuitvoerleggingsgegevens in te zien en hierover de informatie, bedoeld in artikel 18, onderdelen a tot en met g, te verkrijgen. Onze Minister doet daarbij geen mededelingen in schriftelijke vorm over de verwerking van de betrokkene betreffende tenuitvoerleggingsgegevens, tenzij hij weigert een mededeling te doen. Een gehele of gedeeltelijke afwijzing vindt schriftelijk plaats.
Indien de verwerking betrekking heeft op tenuitvoerleggingsgegevens waarvoor het College van procureurs-generaal verwerkingsverantwoordelijke is, wordt bij de overeenkomstige toepassing van de artikelen, bedoeld in het eerste lid, in die artikelen alsmede in het tweede lid waar wordt gesproken over «Onze Minister» gelezen «het College van procureurs-generaal».
Artikel 51c
Tenuitvoerleggingsgegevens van veroordeelden voor andere strafrechtelijke beslissingen dan vrijheidsbenemende straffen of maatregelen worden vernietigd met overeenkomstige toepassing van de termijnen voor vernietiging, bedoeld in de artikelen 4 en 6.
Voor zover dit noodzakelijk is met het oog op een zwaarwegend algemeen belang kan Onze Minister of het College van procureurs-generaal aan personen of instanties tenuitvoerleggingsgegevens verstrekken voor het doel van:
- a. de tenuitvoerlegging van een strafrechtelijke beslissing;
- b. de voorkoming, de opsporing, het onderzoek en de vervolging van strafbare feiten;
- c. schuldhulpverlening of resocialisatie van betrokkene;
- d. bestuurlijk handelen of het nemen van een bestuursrechtelijke beslissing, of
- e. het verlenen van hulp aan slachtoffers.
Onze Minister of het College van procureurs-generaal kan slechts gegevens aan personen of instanties als bedoeld in het tweede lid verstrekken, voor zover die gegevens voor die personen of instanties:
- a. noodzakelijk zijn met het oog op een zwaarwegend algemeen belang of de vaststelling, de uitoefening of de verdediging van een recht in rechte, en
- b. in zodanige vorm worden verstrekt dat herleiding tot andere personen dan betrokkene, redelijkerwijs wordt voorkomen.
Elke verstrekking, bedoeld in het derde lid, en bedoeld in de van overeenkomstige van toepassing zijnde artikelen 16 en 16a, wordt vastgelegd en ten minste vier jaar bewaard.
Artikel 51ca
Indien Onze Minister of het openbaar ministerie deelneemt aan een samenwerkingsverband als bedoeld in de Wet gegevensverwerking door samenwerkingsverbanden, worden aan het samenwerkingsverband tenuitvoerleggingsgegevens verstrekt, voor zover dit noodzakelijk is voor het doel van dat verband, tenzij naar het oordeel van de verwerkingsverantwoordelijke zwaarwegende redenen zich daartegen verzetten. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen voorwaarden en beperkingen worden gesteld aan de verstrekkingen op grond van dit artikel.
Artikel 51cb
Indien Onze Minister of het openbaar ministerie deelneemt aan een casusoverleg als bedoeld in de Wet gegevensverwerking persoonsgerichte aanpak radicalisering en terroristische activiteiten, worden aan het casusoverleg tenuitvoerleggingsgegevens verstrekt, voor zover dat noodzakelijk is met het oog op het doel van het casusoverleg, tenzij naar het oordeel van de verwerkingsverantwoordelijke zwaarwegende redenen zich daartegen verzetten.
Artikel 51d
De artikelen 26a tot en met 26h en 27, eerste en tweede lid, zijn van overeenkomstige toepassing op tenuitvoerleggingsgegevens.
De artikelen 35a, 35b en 35d, van de Wet politiegegevens zijn van overeenkomstige toepassing op tenuitvoerleggingsgegevens.
De Autoriteit persoonsgegevens is bevoegd:
- a. de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker te waarschuwen dat met de voorgenomen verwerkingen waarschijnlijk een inbreuk wordt gemaakt op het bij of krachtens deze wet bepaalde;
- b. een last onder bestuursdwang op te leggen ter handhaving van het bij of krachtens deze wet bepaalde;
- c. een bestuurlijke boete op te leggen indien de verwerkingsverantwoordelijke handelt in strijd met:
- –. de artikelen 51b, eerste lid, voor wat betreft de overeenkomstige toepassing van de artikelen 7, 7a, 7b en 7d in dat lid, en 51d, eerste lid, voor wat betreft de overeenkomstige toepassing van de artikelen 26c, 26f, 26g en 26h in dat lid, van ten hoogste het bedrag van de geldboete van de vijfde categorie van artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht;
- –. de artikelen 51b, eerste lid, voor wat betreft de overeenkomstige toepassing van de artikelen 7e, 17a, 17b, 22 en 24 in dat lid, en 51b, tweede lid, met uitzondering van het verder bij wet bepaalde over kennisneming of inzage van tenuitvoerleggingsgegevens, van ten hoogste het bedrag van de geldboete van de zesde categorie van artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht;
- d. een advies te verstrekken aan de verwerkingsverantwoordelijke naar aanleiding van een voorafgaande raadpleging, bedoeld in artikel 26h;
- e. de verwerkingsverantwoordelijke te verplichten een inbreuk in verband met persoonsgegevens te melden aan de betrokkene.
Artikel 27, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.
De werking van de beschikking tot oplegging van de bestuurlijke boete, bedoeld in het derde lid, onder c, wordt opgeschort totdat de bezwaar- of beroepstermijn is verstreken of, indien bezwaar is gemaakt respectievelijk beroep is ingesteld, op het bezwaar respectievelijk het beroep is beslist.
De bevoegdheden, bedoeld in het derde lid, onderdelen d en e, gelden als een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht.
Titel 3b. De verwerking van gerechtelijke strafgegevens
Artikel 51e
De gerechten, bedoeld in artikel 2 van de Wet op de rechterlijke organisatie, verwerken slechts gerechtelijke strafgegevens voor zover dit noodzakelijk is voor de rechtspraak.
Artikel 51f
De artikelen 3, 7, 7a, 7b, 7d tot en met 7f, 15, 16, 16a, 17a, 17b en 20 tot en met 25, zijn van overeenkomstige toepassing op gerechtelijke strafgegevens.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)