Voorlichtingspublicatie over een sociaal plan voor oalt-leraren in verband met het aanscherpen van de kwalificatievereisten per 1 augustus 2002 voor oaltleraren die taalondersteuning geven

Type Beleidsregel
Publication 2003-04-02
State In force
Source BWB
artikelen 10
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

1. Inleiding

Sinds 1 augustus 2002 zijn de kwalificatievereisten voor oalt-leraren die taalondersteuning geven aangescherpt. Zij moeten vanaf het schooljaar 2002 - 2003 voldoen aan de eis van het voldoende beheersen van het Nederlands om taalondersteuning te kunnen (blijven) geven. Oalt-leraren die niet kunnen voldoen aan deze eis, lopen het risico ontslagen te worden. Daarom zijn door OCenW met de betrokken partijen, namelijk de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), de werkgeversorganisaties en de vakbonden, afspraken gemaakt over een sociaal plan voor oalt-leraren.

Voor alle duidelijkheid wijs ik erop dat dit sociaal plan geen betrekking heeft op het voorgenomen besluit van het (demissionaire) kabinet om met ingang van 1 augustus 2004 de bekostiging van oalt te beëindigen.

Delen van dit sociaal plan zijn al eerder gepubliceerd in:

In deze publicatie wordt u geïnformeerd over de andere onderdelen van het sociaal plan, te weten het convenant dat is gesloten met de VNG, de werkgeversorganisaties en de vakbonden (opgenomen in een bijlage bij deze voorlichtingspublicatie) en de daaruit voortvloeiende regelingen voor loonsuppletie en afkoop van het bovenwettelijke deel van de uitkering.

2. Convenant sociaal plan oalt

In deze paragraaf worden de hoofdlijnen van het convenant weergegeven; voor de details wordt verwezen naar de tekst in de bijlage. Dit convenant is 31 maart 2003 ondertekend en daarmee in werking getreden.

Het convenant heeft betrekking op de oalt-leraren die als gevolg van de aanscherping van de kwalificatievereisten voor het geven van taalondersteuning dreigen hun werk te verliezen. Dat neemt niet weg dat ook de andere, wel bevoegde oalt-leraren betrokken kunnen worden in het vinden van een oplossing voor deze groep oalt-leraren. Zo kunnen bepaalde scholingsactiviteiten ervoor zorgen dat de inzet van oalt-leraren voor de diverse activiteiten (cultuureducatie en taalondersteuning) geoptimaliseerd kan worden. De best mogelijk koppeling tussen de kwalificaties van oalt-leraren en de werkzaamheden die zij met name in het kader van oalt verrichten is daarbij het uitgangspunt.

Het convenant neemt verder als uitgangspunt dat oalt-leraren, rekening houdend met de kwalificaties waarover zij al beschikken of welke zij nog kunnen verwerven, zoveel mogelijk in een functie op het lerarenniveau behouden kunnen blijven (zie artikel 1). Instroom in het wachtgeld moet zoveel mogelijk worden vermeden.

Hoofdonderdeel van het convenant vormen de inspanningsverplichtingen van de bij het convenant betrokken partijen (zie artikel 2). De rol van OCenW bestaat vooral hierin dat het ministerie faciliterend optreedt zowel wat betreft de financiën als wat betreft het treffen van voorzieningen in de regelgeving. De VNG, de werkgeversorganisaties en de vakbonden spelen vooral een stimulerende en voorlichtende rol voor hun respectievelijke achterbannen, waarbij de nadruk ligt op het in kaart brengen van de kwalificaties (bestaande en nog te verwerven) van oalt-leraren, het laten bekleden door de oalt-leraren van die functie waarvoor zij gezien hun kwalificaties het best geschikt zijn, het bieden van ondersteuning bij het vinden van andere functies eventueel ook buiten het onderwijs, het geven van de nodige ruimte aan het verbeteren van de kwalificaties en het maken van goede afspraken over de perspectieven als oalt-leraren een bepaald scholingstraject ingaan.

Bij het zoeken naar andere functies komen in voorkomende gevallen ook functies in beeld die lager betaald worden dan de lerarenfunctie; in dat geval bestaat er voor de betrokken oalt-leraar recht op loonsuppletie. Binnen het onderwijs zal het om functies gaan die niet lager liggen dan het niveau van onderwijsassistent (schaal 4) en buiten het onderwijs om functies van een vergelijkbaar niveau (zie artikel 4).

In de bijlage bij het convenant zijn criteria en een stappenplan opgenomen die gehanteerd dienen te worden bij het zoeken naar passende arbeid voor de betrokken oalt-leraren. Het Participatiefonds zal, in het geval zich een ontslag voordoet van een oalt-leraar, bij de instroomtoets gebruik maken van de afspraken over de inspanningsverplichtin-gen zoals die in het convenant (inclusief de bijlage) zijn opgenomen.

Het convenant bevat verder afspraken over loonsuppletie, afkoop van het bovenwettelijk deel van de uitkering en de verhuiskosten (zie artikel 5, 6 en 7). Op loonsuppletie en afkoop wordt in de volgende paragrafen afzonderlijk ingegaan.

Voor schoolbesturen en gemeenten is nog van belang wat er mag gebeuren met de middelen die vrijvallen als een oalt-leraar, voor wie als gevolg van het aanscherpen van de kwalificaties voor het geven van taalondersteuning een traject is gevolgd in het kader van het sociaal plan, niet meer binnen oalt werkzaam is. Deze middelen zijn niet bestemd voor het opnieuw aanstellen van oalt-leraren (zie artikel 2 bij de VNG, het voorlaatste bolletje), maar kunnen worden aangewend voor het bekostigen van de gewenste scholings-en/of outplacementtrajecten voor oalt-leraren. Als een schoolbestuur er in overleg met de gemeente toch toe overgaat op deze vrijgevallen middelen nieuw personeel aan te stellen, komen eventueel daaruit voortvloeiende kosten voor wachtgeld niet voor rekening van het Rijk (zie artikel 3).

Tenslotte nog een opmerking bij het feit dat de afspraken uit het convenant niet in rechte afdwingbaar zijn (zie artikel 10). Dit betekent niet dat de afspraken niet bindend zouden zijn. De partijen, betrokken bij dit convenant, zijn met andere woorden gehouden de afspraken uit het convenant na te komen. Het gaat hier om een zogenoemd herenakkoord, waarbij de partijen hebben afgesproken dat zij geschillen voortvloeiend uit het convenant niet aan rechterlijke toetsing zullen onderwerpen.

Op twee manieren is wel een versterking aangebracht in de bindendheid van de afspraken. In de eerste plaats betreft dit de afspraken over loonsuppletie en afkoop van het bovenwettelijke deel van de uitkering. Deze zullen worden neergelegd in regelgeving die wel in rechte afdwingbaar is. En in de tweede plaats zullen door het incorporeren van de afspraken uit het convenant in het reglement van het Participatiefonds de inspanningsverplichtingen van de schoolbesturen een dwingend karakter krijgen en eventueel leiden tot financiële consequenties voor het betrokken schoolbestuur.

3. Regeling loonsuppletie

Niet in alle gevallen zal het lukken voor een oalt-leraar die als gevolg van de aanscherping van de kwalificaties voor taalondersteuning met ontslag wordt bedreigd, een nieuwe functie te vinden op het niveau van het hoger onderwijs. In deze gevallen kan een beroep worden gedaan op de regeling voor loonsuppletie. Deze regeling zal opgenomen worden in hoofdstuk 6 van het BBWO (”Reïntegratiebevorderende regelingen”).

In hoofdlijnen komt deze regeling op het volgende neer. Een oalt-leraar die als gevolg van de aanscherping van de kwalificaties voor taalondersteuning dreigt werkloos te worden of feitelijk werkloos is geworden, en die een betrekking aanvaardt (binnen of buiten het onderwijs) met een lager maximumsalaris dan waar hij in de oude betrekking recht op had, heeft recht op loonsuppletie. In de eerste vijf jaar na het aanvaarden van de nieuwe betrekking wordt het salaris volledig aangevuld tot aan het oude salarisniveau; in de jaren daarna en doorlopend tot aan het pensioen vindt aanvulling plaats tot 90% van het oude salarisniveau. Bij de berekening van de loonsuppletie wordt verder de gebruikelijke systematiek gevolgd van het BBWO.

Als in de periode van het recht op loonsuppletie een betrokkene een baan op het oude lerarenniveau krijgt, vervalt vanzelfsprekend de loonsuppletie. Het recht daarop kan echter herleven als de persoon in kwestie uit deze baan ontslagen wordt en weer een baan op een lager niveau aanvaardt. Daarbij moet wel aan de overige voorwaarden van loonsuppletie worden voldaan. Het moet dus opnieuw gaan om het aanvaarden van een lager betaalde baan, omdat de betrokkene dreigt werkloos te worden of feitelijk werkloos geworden is en de betrokkene moet het recht op een bovenwettelijke uitkering niet blijvend geheel zijn geweigerd.

Het loon in de nieuwe betrekking wordt geacht niet lager te zijn dan het maximum van schaal 4, het niveau van de onderwijsassistent. Als het om een lager betaalde functie gaat buiten de onderwijssector, wordt gekeken naar een met deze onderwijsschaal vergelijkbaar functieniveau. Uitgangspunt bij het vinden van een nieuwe betrekking is dat de betrekkingsomvang tenminste gelijk is aan de omvang van de oude betrekking. Verder wordt een reisduur voor de nieuwe betrekking van twee uur per dag op basis van het openbaar vervoer redelijk geacht, tenzij in de oude betrekking langere reistijden voor de betrokkene al gebruikelijk waren. Er wordt eerst gezocht naar passende functies binnen het onderwijs, met een voorkeur voor de sector primair onderwijs; daarna wordt gekeken naar passende functies die dicht tegen het onderwijs aan liggen, waardoor optimaal van de binnen het onderwijs opgebouwde expertise van de betrokkene gebruik wordt gemaakt. Vervolgens komen ook overige passende functies in beeld.

Tenslotte wordt eerst gezocht naar een nieuwe betrekking bij de oude werkgever, daarna naar een nieuwe betrekking binnen het grondgebied van de gemeente en tenslotte ook buiten het grondgebied van de gemeente waar de betrokkene (hoofdzakelijk) werkzaam is.

4. Regeling afkoop bovenwettelijk deel

Op basis van het BBWO is er een ministeriële regeling gemaakt ”Regels inzake afkoop van het recht op bovenwettelijke uitkering”, gepubliceerd in Uitleg Gele Katern nr. 9 van 28 maart 2001 (kenmerk AB/PSW/2001/5688). Daarin is geregeld dat iemand die werkzaamheden gaat verrichten als zelfstandig ondernemer (of deze werkzaamheden uitbreidt) en dus niet meer in loondienst werkzaam is, zijn recht op alle bovenwettelijke uitkeringen (dus niet de WW-uitkering, waaronder ook begrepen de WW-vervolg-uitkering) kan afkopen. De hoogte van de afkoopsom bedraagt 50% van waar de betrokkene recht op zou hebben gehad als hij niet tot afkoop was overgegaan.

Voor het sociaal plan oalt wordt deze regeling aangevuld met de mogelijkheid tot afkoop voor een oalt-leraar die op 1 augustus 2002 50 jaar of ouder was en die zich gaat vestigen in een ander land; in dit geval is het niet noodzakelijk dat de betrokken oalt-leraar zich vestigt als zelfstandige. Ook in dit geval bedraagt de hoogte van de afkoopsom 50% van waar de betrokkene recht op zou hebben gehad als hij niet tot afkoop was overgegaan. Voor het overige gelden de bepalingen uit de eerder genoemde ministeriële regeling.

5. Terugwerkende kracht

Zowel aan het convenant als aan de daarbij horende regelingen voor loonsuppletie en afkoop wordt terugwerkende kracht verleend tot 1 augustus 2002.

6. Projectleider

Aan het convenant zitten nogal wat activiteiten vast voor gemeenten en schoolbesturen. Ten behoeve van een goede begeleiding, ondersteuning en coördinatie van deze activiteiten zal voor de duur van twee jaar een externe projectleider worden aangesteld (zie artikel 8). Op dit moment is nog niet bekend wie deze projectleider is en vanuit welke organisatie deze de werkzaamheden zal verrichten. Zodra in overleg met de betrokken partijen over de projectleider, het takenpakket en de positionering een besluit is genomen, zal hierover bericht worden.

Bijlage. bij PO/PJ-2003/12226

Convenant ten behoeve van een sociaal plan oalt-leraren in verband met het aanscherpen van de kwalificatievereisten per 1 augustus 2002 voor oalt-leraren die taalondersteuning geven

De onderstaande partijen:

Partijen genoemd onder 3 tot en met 6, hierna te noemen:

de centrales

Partijen genoemd onder 2 tot en met 6, hierna te noemen:

de decentrale overlegpartners

Overwegende:

Komen overeen:

Artikel 1. Uitgangspunten

Partijen onderschrijven de volgende uitgangspunten:

Artikel 2. Inspanningsverplichtingen

I. Partijen verplichten zich binnen hun verantwoordelijkheden en mogelijkheden in te spannen om te komen tot een succesvolle uitvoering van het sociaal plan.

II. De inspanningsverplichtingen zien er voor de diverse partijen als volgt uit:

OCenW

VNG

Werkgeversorganisaties

Centrales

Artikel 3. Aanstelling of benoeming nieuw personeel op vrijvallende oalt-middelen

Indien schoolbesturen in overleg met de gemeente ertoe overgaan op oalt-middelen die vrijvallen als gevolg van maatregelen betreffende de oalt-leraren, nieuw personeel aan te stellen of te benoemen, leidt dit niet tot verplichtingen voor de rijksoverheid, zoals bedoeld in artikel 171, zevende lid WPO, artikel 157, zevende lid WEC en artikel 272, zevende lid WVO.

Artikel 4. Passende arbeid

I. De werkgeversorganisaties, de centrales en de VNG zullen bevorderen dat gemeenten, scholen en oalt-leraren op zoek gaan naar passende arbeid voor oalt-leraren in het geval dat werkloosheid dreigt.

II. Onder passende arbeid wordt verstaan alle arbeid die voor de krachten en bekwaamheden van de oalt-leraar is berekend en die ten minste op het niveau ligt van of, voor zover het arbeid betreft buiten de onderwijssector, vergelijkbaar is met schaal 4 van het Rpbo, tenzij aanvaarding om redenen van lichamelijke, geestelijke of sociale aard niet van de oalt-leraar kan worden gevergd. Het een en ander in goed overleg tussen de werkgever en de oalt-leraar.

III. Bij het zoeken naar passende arbeid wordt te werk gegaan volgens de criteria en het stappenplan zoals die in bijlage 1 bij dit convenant zijn opgenomen.

Artikel 5. Loonsuppletie

I. Een oalt-leraar die niet kan voldoen aan de per 1-8-2002 verscherpte kwalificaties voor het verzorgen van taalondersteuning en die ook niet (meer) ingezet kan worden voor het verzorgen van cultuureducatie, kan in aanmerking komen voor loonsuppletie.

II. Partijen zijn het eens over de volgende elementen van een regeling voor loonsuppletie:

III. De minister van OCenW bevordert de totstandkoming van een (wijziging van een) algemene maatregel van bestuur waarin de onder lid II genoemde elementen nader worden uitgewerkt en voert daarover het gebruikelijke overleg met de werkgeversorganisaties en de centrales.

Artikel 6. Afkoop bovenwettelijke deel uitkering

I. Voor de mogelijkheid tot afkoop van het bovenwettelijk deel van de uitkering gelden de daarover bestaande regelingen in het Besluit bovenwettelijke werkloosheidsregeling voor onderwijspersoneel primair en voortgezet onderwijs en educatie en beroepsonderwijs (BBWO) en de daarop gebaseerde ministeriële regeling ”Regels inzake afkoop van het recht op bovenwettelijke uitkering”, gepubliceerd in het Gele Katern nr.9 van 28 maart 2001.

II. In aanvulling op de onder lid I genoemde regelingen is het tevens mogelijk op verzoek van een oalt-leraar over te gaan tot afkoop indien de oalt-leraar zich vestigt in een ander land. Deze mogelijkheid staat open voor oalt-leraren die op 1 augustus 2002 50 jaar of ouder zijn.

III. De minister van OCenW bevordert de totstandkoming van een (wijziging van een) ministeriële regeling waarin het bepaalde in lid II nader wordt uitgewerkt en voert daarover het gebruikelijke overleg met de werkgeversorganisaties en de centrales.

Artikel 7. Verhuiskosten

Voor een regeling voor de vergoeding van de verhuiskosten wordt verwezen naar de bepalingen daarover in het BBWO.

Artikel 8. Projectleider

Ter bevordering van een goede begeleiding, ondersteuning en coördinatie van activiteiten van gemeenten en schoolbesturen in het kader van dit convenant wordt op kosten van OCenW voor de duur van twee jaar en in een betrekkingsomvang van 0,4 fte een projectleider aangesteld. Over de precieze invulling van het takenpakket en de organisatie waarbinnen deze projectleider de werkzaamheden zal verrichten wordt nog nader overleg gevoerd.

Artikel 9. Uitvoeringstoets

Alle hierboven genoemde afspraken of uitwerkingen ervan, voor zover vallend onder de verantwoordelijkheid van de minister van OCenW, die uitvoeringstechnische consequenties hebben, worden onderworpen aan een uitvoeringstoets.

Artikel 10. Inwerkingtreding

I. Dit convenant treedt in werking op de datum waarop het door alle partijen is ondertekend en werkt terug tot en met 1 augustus 2002.

II. Het convenant zal aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal worden gezonden.

III. De afspraken uit dit convenant zijn niet in rechte afdwingbaar. De afspraken uit dit convenant zullen niet worden herzien of aangevuld dan nadat daarover tussen de minister van OCenW en een meerderheid van centrales en samenwerkende werkgeversorganisaties en de VNG overeenstemming is bereikt.

Bijlage 1. bij ”Convenant ten behoeve van een sociaal plan oalt-leraren i.v.m. het aanscherpen van de kwalificatievereisten per 1 augustus 2002”

Criteria en stappenplan bij passende arbeid

Bij het zoeken naar passende arbeid voor oalt-leraren die dreigen werkloos te worden wordt gewerkt volgens de volgende criteria en stappen:

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)