Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 20 februari 2004, nr. AV/KO/2004/4719 houdende vaststelling van verantwoordingsformulieren ten behoeve van de Regeling uitbreiding kinderopvang en buitenschoolse opvang (Regeling verantwoordingsformulieren Regeling uitbreiding kinderopvang en buitenschoolse opvang)

Type Ministeriële regeling
Publication 2005-01-29
State In force
Source BWB
artikelen 4
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Gelet op artikel 56 van het Bekostigingsbesluit welzijnsbeleid;

Besluit:

Artikel 1

Bij de verantwoording door gemeenten van de uitkeringen gedaan op grond van de Regeling uitbreiding kinderopvang en buitenschoolse opvang gebruikt de gemeente de verantwoordingsformulieren vastgesteld overeenkomstig bijlage 1, 1a, 1b, 2 en 3 bij deze regeling.

Artikel 2

Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Artikel 3

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling verantwoordingsformulieren Regeling uitbreiding kinderopvang en buitenschoolse opvang.

Bijlage 1. behorende bij artikel 1

Bijlage 1. behorende bij artikel 1

Bijlage 1a. behorende bij artikel 1

Toelichting bij het verantwoordingsformulier van de Regeling kinderopvang en buitenschoolse opvang (Rkb)

Toelichting bij het verantwoordingsformulier van de Regeling kinderopvang en buitenschoolse opvang (Rkb)

1. Inleiding

Dit document is de toelichting bij het officiële verantwoordingsformulier behorende bij de specifieke uitkering Regeling uitbreiding kinderopvang en buitenschoolse opvang (verder Rkb). De toelichting bestaat uit twee delen: een inhoudelijk deel (hoofdstuk 2 t/m 6) en een technisch deel, de invulinstructie (hoofdstuk 7 en 8).

Dit document is de toelichting bij het officiële verantwoordingsformulier behorende bij de specifieke uitkering Regeling uitbreiding kinderopvang en buitenschoolse opvang (verder Rkb). De toelichting bestaat uit twee delen: een inhoudelijk deel (hoofdstuk 2 t/m 6) en een technisch deel, de invulinstructie (hoofdstuk 7 en 8).

Enkel met het bijgevoegd en uniek verantwoordingsdocument (zie hoofdstuk 9, bijlagen) kunt u vaststelling van uw subsidie in het kader van de Rkb aanvragen bij het ministerie van SZW. Dit verantwoordingsdocument bestaat uit twee pagina’s met een aantal tabellen met verschillende meetmomenten (eerste pagina) en met een aantal keuzemogelijkheden (tweede pagina). Deze twee pagina’s dient u altijd helemaal in te vullen.

Gemeenten die in 2001, 2002, 2003 of 2004 zijn heringedeeld of samengevoegd, ontvangen naast het verantwoordingsformulier tevens bijlagen of extra verantwoordingsformulieren op naam van de oude (voormalige) gemeenten. Afhankelijk van de keuze die gemaakt wordt (zie de toelichting bij de codes 401–403, 501–503 en 601–603) moeten, naast het verantwoordingsformulier, deze bijlagen ook ingevuld en ondertekend worden! Deze bijlagen worden niet verstrekt indien er alleen sprake is van grenscorrecties (zonder samenvoeging of verandering van de CBS-code).

U dient zich er van te vergewissen dat de aantallen die u invult ook de definitieve aantallen zijn die voor dat meetmoment relevant zijn. De ingevulde aantallen per meetmoment vormen namelijk de basis van uw declaratie en de berekeningsgrondslag waarop uw toegekende uitkering zal worden vastgesteld. U kunt met dit document tevens verlenging aanvragen voor de Extra taakstelling 2003 (zie code 702).

1.2 Rekentool

Op de website van het ministerie van SZW (www.szw.nl/gemeenteloket) en van de VNG (www.vng.nl) treft u een rekentool aan. Deze rekentool berekent voor u of er op basis van de door u gerealiseerde opvangplaatsen al dan niet voorschotten worden teruggevorderd. U hoeft dus niet zelf de berekening bij de verschillende meetmomenten en deeluitkeringen van de Rkb te maken. De rekentool is slechts een hulpmiddel en kan niet gebruikt worden om uw verantwoording in te dienen.

Op de website van het ministerie van SZW (www.szw.nl/gemeenteloket) en van de VNG (www.vng.nl) treft u een rekentool aan. Deze rekentool berekent voor u of er op basis van de door u gerealiseerde opvangplaatsen al dan niet voorschotten worden teruggevorderd. U hoeft dus niet zelf de berekening bij de verschillende meetmomenten en deeluitkeringen van de Rkb te maken. De rekentool is slechts een hulpmiddel en kan niet gebruikt worden om uw verantwoording in te dienen.

1.3 Accountant

De door u opgegeven uitbreidingsaantallen op het verantwoordingsformulier, dienen zodra het verleende subsidiebedrag boven de € 125.000 uitkomt1Zie bijlage 1 bij brief van 27 november 2003, AV/KO/2003/86746, onder kolom Maximaal subsidie per 31-12-2003. door uw accountant gecontroleerd te worden (overeenkomstig het Bekostigingsbesluit). U kunt alleen gebruik maken van de bijgevoegde standaard accountantsverklaring (zie hoofdstuk 9).

De door u opgegeven uitbreidingsaantallen op het verantwoordingsformulier, dienen zodra het verleende subsidiebedrag boven de € 125.000 uitkomt1Zie bijlage 1 bij brief van 27 november 2003, AV/KO/2003/86746, onder kolom Maximaal subsidie per 31-12-2003. door uw accountant gecontroleerd te worden (overeenkomstig het Bekostigingsbesluit). U kunt alleen gebruik maken van de bijgevoegde standaard accountantsverklaring (zie hoofdstuk 9).

De accountant zal de controle uitvoeren conform bijgevoegd controle- en rapportageprotocol (zie hoofdstuk 9). Ook u wordt aangeraden goed kennis te nemen van dit protocol en het zo spoedig mogelijk aan uw accountant ter beschikking te stellen. Dit geldt ook voor de voorliggende toelichting; met name in hoofdstuk 5 wordt aangegeven waar u als gemeente aan moet voldoen en wat van de accountant mag worden verwacht.

Met deze twee documenten wordt duidelijk welke achterliggende stukken men kan gebruiken om de verantwoorde aantallen opvangplaatsen te controleren en u kunt controleren of uw administratie compleet is/de benodigde achterliggende stukken bevat.

1.4 Indiening

U dient uiterlijk 10 maanden (art. 50 Bekostigingsbesluit) na afloop van de Rkb, dus vóór 1 november 2004 het door de accountant gewaarmerkte verantwoordingsdocument inclusief de ondertekende accountantsverklaring in te dienen bij:

U dient uiterlijk 10 maanden (art. 50 Bekostigingsbesluit) na afloop van de Rkb, dus vóór 1 november 2004 het door de accountant gewaarmerkte verantwoordingsdocument inclusief de ondertekende accountantsverklaring in te dienen bij:

U kunt bij het indienen van uw verantwoording uitsluitend gebruik maken van de originele formulieren die door het ministerie aan u zijn verstrekt. Het gebruik van kopieën of zelf ontworpen formulieren is niet toegestaan. Ook gefaxte formulieren kunnen niet worden verwerkt. U kunt de originele verantwoordingsdocumenten herkennen aan de gekleurde horizontale balk in het SZW-logo.

2. Toelichting per code en meetmoment

2. Toelichting per code en meetmoment

U vult per meetmoment de aantallen in exploitatie zijnde opvangplaatsen (conform de voorwaarden van de Rkb) binnen uw gemeente in.

U vult per meetmoment de aantallen in exploitatie zijnde opvangplaatsen (conform de voorwaarden van de Rkb) binnen uw gemeente in.

2.2 Onderscheid dagopvang en buitenschoolse opvang

Hoewel de uitkering bestaat uit een bedrag per gerealiseerde opvangplaats, ongeacht of het een hele dagopvangplaats betreft of opvangplaats in de buitenschoolse opvang, wordt u verzocht uw in exploitatie zijnde opvangplaatsen op te splitsen in dagopvang (HDO) of buitenschoolse opvang (BSO). Reden hiervoor is dat de nulmeting voor HDO plaatsvindt op moment 31-12-1998 en voor BSO op 31-12-1996.

Hoewel de uitkering bestaat uit een bedrag per gerealiseerde opvangplaats, ongeacht of het een hele dagopvangplaats betreft of opvangplaats in de buitenschoolse opvang, wordt u verzocht uw in exploitatie zijnde opvangplaatsen op te splitsen in dagopvang (HDO) of buitenschoolse opvang (BSO). Reden hiervoor is dat de nulmeting voor HDO plaatsvindt op moment 31-12-1998 en voor BSO op 31-12-1996.

Tevens wijken de teldata bij de gastouderopvang (GOO) van de HDO (voor het tellen van het aantal koppelingen) af van die van de BSO.

Bij langdurige contracten gastouderopvang of als het gastouderbureau het onderscheid tussen BSO en HDO niet heeft gemaakt, dient u uit te gaan op het ten tijde van de eindmeting geldende contract.

Een voorbeeld: Er wordt een contract gastouderopvang afgesloten in 1998 voor een kind van 2 jaar. Dit contract is nog steeds van kracht op het moment van de afrekening (31-12-2003). In feite is dit contract begonnen als dagopvang en is inmiddels buitenschoolse opvang. Mocht dit niet administratief zijn aangepast dan kunt u uitgaan van een contract voor dagopvang.

2.3 Toelichting bij de meetmomenten voor BSO

De kolommen in de tabel met deze aanduiding geven het aantal in exploitatie zijnde opvangplaatsen weer met het bijbehorende aantal uren opvang (zie ook het overzicht in hoofdstuk 5). Dus u vult hier het aantal in exploitatie zijnde opvangplaatsen in dat u voor de betreffende soort opvang heeft gerealiseerd met een opvangaanbod van bijvoorbeeld tussen de 1050 en 1650 uur per jaar. Of met een opvangaanbod van meer dan 1650 uren per jaar etc. De gastouderopvang koppelingen worden apart aangegeven in de kolom GOO.

De kolommen in de tabel met deze aanduiding geven het aantal in exploitatie zijnde opvangplaatsen weer met het bijbehorende aantal uren opvang (zie ook het overzicht in hoofdstuk 5). Dus u vult hier het aantal in exploitatie zijnde opvangplaatsen in dat u voor de betreffende soort opvang heeft gerealiseerd met een opvangaanbod van bijvoorbeeld tussen de 1050 en 1650 uur per jaar. Of met een opvangaanbod van meer dan 1650 uren per jaar etc. De gastouderopvang koppelingen worden apart aangegeven in de kolom GOO.

U hoeft de omrekening met de verschillende vermenigvuldigingsfactoren niet te maken en het aantal koppelingen niet te vermenigvuldigen met de factor 0,43: dat wordt op het ministerie gedaan. De omrekening met de factoren wordt in de rekentool onder subsidieberekening automatisch gedaan.

Een cruciale meting voor het vaststellen van uw uitkering wordt gevormd door de begin- of nulmeting. Om te kunnen berekenen of iedere gemeente de taakstelling heeft gehaald, moeten de aantallen in exploitatie zijnde opvangplaatsen op het moment van de einddatum (31-12-2003) afgezet worden tegen de aanvangsaantallen van het nulmoment. Voor de buitenschoolse opvang is dit nulmoment 31 december 1996 en voor de hele dagopvang 31 december 1998.

Het onderhavige meetmoment fungeert ook als meetmoment voor de uitkering Extra bijdrage BSO 97/98.

In oktober 2000 hebben alle gemeenten een (geel) nulmetingsformulier met de beginstand ingevuld en, zover van toepassing, voorzien van een accountantsverklaring. Deze nulmeting vormt het uitgangspunt en u kunt die aantallen hier overnemen en invullen, zoals vermeld op dit gele nulmetingsformulier (onderdelen a). De omrekening met de verschillende vermenigvuldigingsfactoren hoeft u niet te maken: dit wordt op het ministerie gedaan.

Gemeenten die gedurende de Rkb-periode een herindeling of samenvoeging hebben meegemaakt, tellen de nulmetingen van de voormalige gemeenten bij elkaar op (zie ook hoofdstuk 7.3).

Er kan reden zijn om de nulmeting uit 2000 aan te passen. In artikel 2, vierde lid van de Rkb is geregeld dat bij het bepalen van het aantal gerealiseerde opvangplaatsen, de opvangplaatsen die op 31 december 1996 (BSO) en op 31 december 1998 (HDO) bij kindercentra of gastouderbureaus in exploitatie waren en die niet door gemeenten gesubsidieerd worden of waarmee een gemeente geen overeenkomst tot het leveren van opvangplaatsen heeft gesloten, buiten beschouwing worden gelaten.

Wordt aan deze kindercentra of gastouderbureaus gaandeweg de Rkb-periode alsnog een subsidie verstrekt of wordt hiermee alsnog een overeenkomst gesloten, dan kunnen de uitbreidingsplaatsen tijdens de Rkb-periode van deze centra alsnog worden meegerekend. In dat geval moet het aantal opvangplaatsen dat al aanwezig was bij deze centra ten tijde van het nulmeting, alsnog worden vastgesteld en door de accountant worden gecontroleerd.

Deze aantallen hebben immers gevolg voor de nulmeting (zullen een verhoging van de beginstand ten tijde van het nulmetingsmoment tot gevolg hebben). Daarom moet u deze verhoging van de nulstand alsnog hier opgeven (code 201b).

Recapitulerend: alleen als er een aanpassing van de stand nodig is, als gevolg van het alsnog verstrekken van een subsidie of het aangaan van een overeenkomst met een kindercentrum, waar u op het moment van de opgave nog geen financiële relatie mee had, vult u de aanpassing hier in. Voor BSO in een kindercentrum noteert u de stand (aantal in exploitatie zijnde opvangplaatsen) op 31 december 1996. Voor de gastouderopvang BSO neemt u het gemiddelde van de het aantal koppelingen op: 31 december 1996 en 31 maart 1997.

Dus: alleen als de nulmeting moet worden aangepast, vult u hier slechts het aan te passen deel in!

Hier vult u in de som van de ingevulde aantallen bij de nulmeting (code 201a) en de aanpassing (code 201b).

Dit aantal vormt de basis voor de berekening in de rekentool. Indien u met behulp van de rekentool uw subsidieberekening wilt maken, dan typt u in het gele deel dit aantal in (en niet het aantal onder 201a of 201b).

U hoeft de omrekening met de verschillende vermenigvuldigingsfactoren niet te maken en het aantal koppelingen niet te vermenigvuldigen met de factor 0,43: dat wordt op het ministerie gedaan. De omrekening met de factoren wordt in de rekentool (onder subsidieberekening) automatisch gedaan.

Deze tussenmeting op deze datum is nodig voor het vaststellen van de uitkering extra bijdrage BSO 1997/1998. Deze aantallen heeft u al ingevuld op de (groene) aanvraagformulieren (onderdeel b) uit oktober 2000 (voorzien van een accountantsverklaring). U kunt deze hier overnemen, tenzij er correcties op uw aanvraag zijn gepleegd, zie hiervoor uw correspondentie met het ministerie en de verleningsbeschikking van 8 december 2000. In dat geval dient u de gecorrigeerde aantallen conform de verleningsbeschikking over te nemen.

De omrekening met de verschillende vermenigvuldigingsfactoren hoeft u niet te maken: dit wordt op het ministerie gedaan.

Gemeenten die gedurende de Rkb-periode een herindeling of samenvoeging hebben meegemaakt, tellen de (gecorrigeerde) aantallen van de voormalige gemeenten bij elkaar op.

Er kan een reden zijn om de opgave BSO van 31-12-1997 aan te passen. Dit kan als gevolg van de Rkb zelf (artikel 2, vierde lid), namelijk in het geval dat er in de Rkb-periode alsnog een subsidie is verstrekt of een overeenkomst is gesloten met een kindercentrum, waar u op het moment van de opgave nog geen financiële relatie mee had. In dat geval moet u de stand (aantal in exploitatie zijnde opvangplaatsen) op dit meetmoment aanpassen (verhogen). Deze aanpassing moet door de accountant worden gecontroleerd.

Voor buitenschoolse opvang in een kindercentrum hanteert u de datum 31 december 1997. Voor gastouderopvang BSO neemt u het gemiddelde van het aantal koppelingen op 31 augustus 1997, 31 oktober 1997 en 31 december 1997. U hoeft de omrekening met de verschillende vermenigvuldigingsfactoren niet te maken en het aantal koppelingen niet te vermenigvuldigen met de factor 0,43: dat wordt op het ministerie gedaan. De omrekening met de factoren wordt in de rekentool (onder subsidieberekening) automatisch gedaan.

U geeft hier alleen de aangepaste aantallen (verhoging van het aantal opvangplaatsen BSO) op.

Hier vult u in de som van de tussenmeting (code 202a) en de aanpassing in (202b). Dit aantal vormt de basis van de berekening van de rekentool. Indien u met behulp van de rekentool uw subsidieberekening wilt maken, dan typt u in het gele deel het aantal in, dat u hier invult (en niet het aantal onder 202a of 202b).

U hoeft de omrekening met de verschillende vermenigvuldigingsfactoren niet te maken en het aantal koppelingen niet te vermenigvuldigen met de factor 0,43: dat wordt op het ministerie gedaan. De omrekening met de factoren wordt in de rekentool (onder subsidieberekening) automatisch gedaan.

De tussenmeting op deze datum is nodig voor het vaststellen van de uitkering extra bijdrage BSO 1997/1998. Deze aantallen heeft u al ingevuld op de (groene) aanvraagformulieren (onderdeel e) uit oktober 2000 (voorzien van een accountantsverklaring). U kunt deze hier overnemen, tenzij er correcties op uw aanvraag zijn gepleegd, zie hiervoor uw correspondentie met het ministerie en de verleningsbeschikking van 8 december 2000. In dat geval dient u de gecorrigeerde aantallen conform de verleningsbeschikking over te nemen.

De omrekening met de verschillende vermenigvuldigingsfactoren hoeft u niet te maken: dit wordt op het ministerie gedaan.

Gemeenten die gedurende de Rkb-periode een herindeling of samenvoeging hebben meegemaakt, tellen de (gecorrigeerde) aantallen van de voormalige gemeenten bij elkaar op.

Er kan een reden zijn om de opgave BSO van 31-12-1998 aan te passen. Dit kan als gevolg van de Rkb zelf (artikel 2, vierde lid), namelijk in het geval dat er in de Rkb-periode alsnog een subsidie is verstrekt of een overeenkomst is gesloten met een kindercentrum, waar u op het moment van de opgave nog geen financiële relatie mee had. In dat geval moet u de stand (aantal in exploitatie zijnde opvangplaatsen) op dit meetmoment aanpassen (verhogen). Deze aanpassing moet door de accountant worden gecontroleerd.

Voor buitenschoolse opvang in een kindercentrum hanteert u de datum 31 december 1998. Voor gastouderopvang BSO neemt u het gemiddelde van het aantal koppelingen op 31 augustus 1998, 31 oktober 1998 en 31 december 1998. U hoeft het aantal koppelingen niet te vermenigvuldigen met de factor 0,43: dat wordt op het ministerie gedaan.

U geeft hier alleen de aangepaste aantallen (verhoging van het aantal opvangplaatsen BSO) op.

Hier vult u de som van de tussenmeting (code 203a) en de aanpassing in (203b). Dit aantal vormt de basis van de berekening van de rekentool. Indien u met behulp van de rekentool uw subsidieberekening wilt maken, dan typt u in het gele deel dit aantal (en niet het aantal onder 203a of 203b).

U hoeft de omrekening met de verschillende vermenigvuldigingsfactoren niet te maken en het aantal koppelingen niet te vermenigvuldigen met de factor 0,43: dat wordt op het ministerie gedaan. De omrekening met de factoren wordt in de rekentool onder subsidieberekening automatisch gedaan.

Deze datum fungeert als meetmoment voor de eerste voorwaarde van de bonusuitkering: 50% van de taakstelling van vóór de herverdeling van de taakstelling (zie beschikking aan individuele gemeenten van 8 december 2000) moet op dit meetmoment zijn gerealiseerd.

Voor BSO in een kindercentrum noteert u de stand (het aantal in exploitatie zijnde opvangplaatsen) op 31 december 2001. Voor de gastouderopvang BSO neemt u het gemiddelde van de koppelingen op 31 augustus 2001, 31 oktober 2001 en 31 december 2001.

U hoeft de omrekening met de verschillende vermenigvuldigingsfactoren niet te maken en het aantal koppelingen niet te vermenigvuldigen met de factor 0,43: dat wordt op het ministerie gedaan. De omrekening met de factoren wordt in de rekentool onder subsidieberekening automatisch gedaan.

Deze datum fungeert als meetmoment voor de tweede voorwaarde van de bonusuitkering: 90% van de taakstelling van na de herverdeling van de taakstelling (zie de beschikking aan individuele gemeenten van 8 december 2000) moet op dit meetmoment zijn gerealiseerd.

Daarnaast fungeert deze datum als eerste meetmoment voor de vaststelling van de instandhoudingsbijdrage voor 2003. Tevens fungeert deze datum als start- of nulmoment voor de extra taakstelling over 2003 (de toedeling van 10.000 extra opvangplaatsen te realiseren in 2003).

De meting fungeert verder als eindmeting voor extra bijdrage BSO 97/98. En tot slot fungeert deze datum als eindmeting voor gemeenten die kiezen voor een vaststelling van de Rkb op 31 december 2002 (en dus geen aanspraak wensen te maken op de instandhoudingsbijdrage of de extra uitkering over 2003). Geef dit ook aan bij code 501.

Voor BSO in een kindercentrum noteert u de stand (aantal in exploitatie zijnde opvangplaatsen) op 31 december 2002. Voor de gastouderopvang BSO neemt u het gemiddelde van het aantal koppelingen op 31 augustus 2002, 31 oktober 2002 en 31 december 2002. U hoeft de omrekening met de verschillende vermenigvuldigingsfactoren niet te maken en het aantal koppelingen niet te vermenigvuldigen met de factor 0,43: dat wordt op het ministerie gedaan. De omrekening met de factoren wordt in de rekentool onder subsidieberekening automatisch gedaan.

Deze datum fungeert als tweede meetmoment voor de instandhoudingsbijdrage (de opvangplaatsen waarvoor een instandhoudingsbijdrage is verstrekt, moeten eind 2003 nog in stand zijn). Daarnaast fungeert deze datum als einddatum voor de extra taakstelling over 2003, ook als gemeenten gebruik willen maken van de mogelijkheid om een deel van deze plaatsen in 2004 te realiseren (zie ook code 702). Verder is dit de einddatum van de gewone uitkering (waarover men tot uiterlijk eind 2003 mocht doen).

2.4 Toelichting bij de meetmomenten voor HDO

De kolommen in de tabel met deze aanduiding geven het aantal in exploitatie zijnde opvangplaatsen weer met het bijbehorende aantal uren opvang (zie ook het overzicht in hoofdstuk 5). Dus u vult hier het aantal opvangplaatsen in dat u voor de betreffende soort opvang heeft gerealiseerd met een opvangaanbod van bijvoorbeeld tussen de 2160 en 2850 uur per jaar. Of met een opvangaanbod van meer dan 6120 uren per jaar etc. De gastouderopvang koppelingen worden apart aangegeven in de kolom GOO.

De kolommen in de tabel met deze aanduiding geven het aantal in exploitatie zijnde opvangplaatsen weer met het bijbehorende aantal uren opvang (zie ook het overzicht in hoofdstuk 5). Dus u vult hier het aantal opvangplaatsen in dat u voor de betreffende soort opvang heeft gerealiseerd met een opvangaanbod van bijvoorbeeld tussen de 2160 en 2850 uur per jaar. Of met een opvangaanbod van meer dan 6120 uren per jaar etc. De gastouderopvang koppelingen worden apart aangegeven in de kolom GOO.

U hoeft de omrekening met de verschillende vermenigvuldigingsfactoren niet te maken en het aantal koppelingen niet te vermenigvuldigen met de factor 0,43: dat wordt op het ministerie gedaan. De omrekening met de factoren wordt in de rekentool onder subsidieberekening automatisch gedaan.

Een cruciale meting voor het vaststellen van uw uitkering wordt gevormd door de begin- of nulmeting. Om te kunnen berekenen of iedere gemeente de taakstelling heeft gehaald, moeten de aantallen op het moment van de einddatum (31-12-2003) afgezet worden tegen de aanvangsaantallen van het nulmoment. Voor de buitenschoolse opvang is dit nulmoment 31 december 1996 en voor de hele dagopvang 31 december 1998.

In oktober 2000 hebben alle gemeenten een (geel) nulmetingsformulier met de beginstand ingevuld en, zover van toepassing, voorzien van een accountantsverklaring. Deze nulmeting vormt het uitgangspunt en u kunt die aantallen hier overnemen en invullen, zoals vermeld op dit gele nulmetingsformulier (onderdelen a). De omrekening met de verschillende vermenigvuldigingsfactoren hoeft u niet te maken: dit wordt op het ministerie gedaan.

Gemeenten die gedurende de Rkb-periode een herindeling of samenvoeging hebben meegemaakt, tellen de nulmetingen van de voormalige gemeenten bij elkaar op.

Er kan een reden zijn om deze nulmeting aan te passen In artikel 2, vierde lid van de Rkb is geregeld dat bij het bepalen van het aantal gerealiseerde opvangplaatsen, de opvangplaatsen die op 31 december 1996 (BSO) en op 31 december 1998 (HDO) bij kindercentra of gastouderbureaus in exploitatie waren en die niet door gemeenten gesubsidieerd worden of waarmee een gemeente geen overeenkomst tot het leveren van opvangplaatsen heeft gesloten, buiten beschouwing worden gelaten.

Wordt aan deze kindercentra of gastouderbureaus gaandeweg de Rkb-periode alsnog een subsidie verstrekt of wordt hiermee alsnog een overeenkomst gesloten, dan kunnen de uitbreidingsplaatsen tijdens de Rkb-periode van deze centra alsnog worden meegerekend. In dat geval moet het aantal opvangplaatsen dat al aanwezig was bij deze centra ten tijde van het nulmeting, alsnog worden vastgesteld en door de accountant worden gecontroleerd.

Deze aantallen hebben immers gevolg voor de nulmeting (zullen een verhoging van de beginstand ten tijde van het nulmetingsmoment tot gevolg hebben). Daarom moet u deze verhoging van de nulstand alsnog hier opgeven (code 301b).

Recapitulerend: alleen als er een aanpassing van de stand (aantal in exploitatie zijnde opvangplaatsen) nodig is, als gevolg van het alsnog verstrekken van een subsidie of het aangaan van een overeenkomst met een kindercentrum, waar u op het moment van de opgave nog geen financiële relatie mee had, vult u de aanpassing in: voor HDO in een kindercentrum noteert u de aangepaste stand (aantal in exploitatie zijnde opvangplaatsen) op 31 december 1998. Voor gastouderopvang HDO neemt u het gemiddelde van het aantal koppelingen op 31 december 1998 en 28 februari 1999 en 30 april 1999.

U hoeft de omrekening met de verschillende vermenigvuldigingsfactoren niet te maken en het aantal koppelingen niet te vermenigvuldigen met de factor 0,43: dat wordt op het ministerie gedaan. De omrekening met de factoren wordt in de rekentool onder subsidieberekening automatisch gedaan.

Dus: alleen als de nulmeting moet worden aangepast, vult u hier slechts het aan te passen deel in!

Hier vult u in de som van de ingevulde aantallen bij code 301a en 301b.

Dit aantal vormt de basis voor de berekening in de rekentool. Indien u met behulp van de rekentool uw subsidieberekening wilt maken, dan typt u in het gele deel dit aantal in (en niet het aantal onder 301a of 301b).

U hoeft de omrekening met de verschillende vermenigvuldigingsfactoren niet te maken en het aantal koppelingen niet te vermenigvuldigen met de factor 0,43: dat wordt op het ministerie gedaan. De omrekening met de factoren wordt in de rekentool onder subsidieberekening automatisch gedaan.

Deze datum fungeert als meetmoment voor de eerste voorwaarde van de bonusuitkering: 50% van de taakstelling van vóór de herverdeling van de taakstelling (zie de beschikking aan individuele gemeenten van 8 december 2000) moet op dit meetmoment zijn gerealiseerd.

Voor hele dagopvang in een kindercentrum noteert u de stand (aantal in exploitatie zijnde opvangplaatsen) op 31 december 2001. Voor de gastouderopvang HDO neemt u het gemiddelde van de koppelingen op 31 augustus 2001, 31 oktober 2001 en 31 december 2001.

U hoeft de omrekening met de verschillende vermenigvuldigingsfactoren niet te maken en het aantal koppelingen niet te vermenigvuldigen met de factor 0,43: dat wordt op het ministerie gedaan. De omrekening met de factoren wordt in de rekentool onder subsidieberekening automatisch gedaan.

Deze datum fungeert als meetmoment voor de tweede voorwaarde van de bonusuitkering: 90% van de taakstelling van na de herverdeling van de taakstelling (zie de beschikking aan individuele gemeenten van 8 december 2000) moet op dit meetmoment zijn gerealiseerd. Daarnaast fungeert deze datum als eerste meetmoment voor de vaststelling van de instandhoudingsbijdrage voor 2003. Tevens fungeert deze datum als start- of nulmoment voor de extra taakstelling over 2003 (de toedeling van 10.000 extra opvangplaatsen te realiseren in 2003).

En tot slot fungeert deze datum als eindmeting voor gemeenten die kiezen voor een vaststelling van de Rkb op 31 december 2002 (en dus geen aanspraak wensen te maken op de instandhoudingsbijdrage of de extra uitkering over 2003). Geef dit aan bij code 501.

Voor hele dagopvang in een kindercentrum noteert u de stand (het aantal in exploitatie zijnde opvangplaatsen) op 31 december 2002. Voor de gastouderopvang HDO neemt u het gemiddelde van het aantal koppelingen op 31 augustus 2002, 31 oktober 2002 en 31 december 2002.

U hoeft de omrekening met de verschillende vermenigvuldigingsfactoren niet te maken en het aantal koppelingen niet te vermenigvuldigen met de factor 0,43: dat wordt op het ministerie gedaan. De omrekening met de factoren wordt in de rekentool onder subsidieberekening automatisch gedaan.

Deze datum fungeert als tweede meetmoment voor de instandhoudingsbijdrage (de opvangplaatsen waarvoor een instandhoudingsbijdrage is verstrekt, moeten eind 2003 nog wel in stand zijn). Daarnaast fungeert deze datum als einddatum voor de extra taakstelling over 2003, tenzij gemeenten gebruik willen maken van de mogelijkheid om een deel van deze plaatsen in 2004 te realiseren (geef dit aan bij code 702).

Verder is het de einddatum van de gewone uitkering (waarover men tot uiterlijk eind 2003 mocht doen). Voor hele dagopvang in een kindercentrum noteert u de (aantal in exploitatie zijnde opvangplaatsen) op 31 december 2003. Voor gastouderopvang HDO neemt u het gemiddelde van het aantal koppelingen op 31 augustus 2003, 31 oktober 2003 en 31 december 2003.

U hoeft de omrekening met de verschillende vermenigvuldigingsfactoren niet te maken en het aantal koppelingen niet te vermenigvuldigen met de factor 0,43: dat wordt op het ministerie gedaan. De omrekening met de factoren wordt in de rekentool onder subsidieberekening automatisch gedaan.

Indien u in 2001 of 2002 bent samengevoegd of heringedeeld, kan dat effect hebben op de bonusuitkering. Daarom dient u voor uzelf de afweging te maken of u voor deze deeluitkering wenst te worden afgerekend op basis van de voormalige (vóór samenvoeging) situatie of niet. In het eerste geval kruist u code 402 aan, in het tweede geval 401 en als het niet van toepassing is (u hebt geen bonusuitkering aangevraagd of u bent niet heringedeeld) dan kruist u 403 aan. Met behulp van de rekentool kunt u een proefberekening maken en beslissen op welke manier u voor de bonusuitkering afgerekend wilt worden.

Er kan slechts één hokje aangekruist worden.

Vergeet u niet indien u de keuze voor code 402 maakt, de bijbehorende bijlage(n) in te vullen! Deze worden alleen gestuurd aan gemeenten die zijn heringedeeld/samengevoegd.

Indien u als heringedeelde gemeente deze bijlagen invult, dan dient u bij het invullen van de aantallen bij de nulmetingen (de ‘a’ codes) en eventuele aanpassingen hierop (de ‘b’ codes) rekening te houden met de hierboven gegeven toelichting bij de codes 201a en b en 301a en b.

Ondanks de verlenging met een jaar van de Rkb (de regeling is verlengd naar 31 december 2003) bent u niet verplicht om eind 2003 af te rekenen. U kunt hier aangeven of u de aan u verleende uitkering per 31 december 2002 wilt laten vaststellen (code 501), of per 31 december 2003 (code 502).

U kunt in het eerste geval echter geen aanspraak maken op de instandhoudingsbijdrage over 2003 en ook niet op de extra taakstelling over 2003.

Alleen gemeenten die per 01-01-2003 zijn samengevoegd/heringedeeld (zie ook hoofdstuk 7) en die kiezen voor afrekening per 31-12-2003, kruisen code 503 aan.

Zij leggen namelijk als ‘nieuwe’ gemeente verantwoording af voor gemeenten die niet meer bestaan en moeten dan de naam en gegevens van de voormalige gemeenten invullen in de meegestuurde verantwoordingsformulieren.

Er kan hier slechts één hokje worden aangekruist.

De gemeenten Zwijndrecht, Oss, Terneuzen en Hulst moeten hier een afweging maken of men de gewone uitkering wil laten vaststellen inclusief de oude gemeenten (code 601) of exclusief de oude gemeenten (code 602). Deze afweging is noodzakelijk in verband met de administratieve en technische verwerking van de verantwoording voor deze vier gemeenten, omdat deze gemeenten na een samenvoeging met één of meerdere gemeenten géén nieuw gemeentenummer (CBS-nummer) toegekend hebben gekregen. Zie hiervoor ook hoofdstuk 7.

Alle andere gemeenten kruisen het derde vakje aan (code 603).

Hier vult u het aantal gerealiseerde opvangplaatsen in (code 701), van de extra taakstelling uit 2003 (van in totaal 10.000 opvangplaatsen). Dit kunnen dus alleen opvangplaatsen zijn die pas in 2003 in exploitatie zijn genomen (en niet voor 2003 al aanwezig waren).

Indien u gebruik wilt maken van de mogelijkheid om de realisatie van opvangplaatsen uit deze taakstelling nog in 2004 te bewerkstelligen, dan vult u hier bij code 702 in om hoeveel plaatsen het gaat.

Een voorbeeld: Uw extra taakstelling voor 2003 bestaat uit 12 opvangplaatsen. U hebt er in 2003 acht gerealiseerd en wilt de overige vier in 2004 realiseren. U vult dan in bij code 701: 8 en bij code 702: 4. Bij de subsidievaststelling zullen de vier opvangplaatsen administratief worden teruggevorderd, terwijl er tegelijkertijd een bevoorschotting voor deze vier opvangplaatsen in 2004 zal worden verleend. Per saldo verandert er dus niets.

Let op: Als u in dit voorbeeld code 702 niet invult, dan worden de vier opvangplaatsen niet opnieuw bevoorschot en zal daadwerkelijk worden teruggevorderd!

Indien u aangeeft dat er in 2004 nog opvangplaatsen zullen worden gerealiseerd, dan zullen deze op een later tijdstip verantwoord en gecontroleerd moeten worden (binnen 10 maanden na 31-12-2004). Hiervoor ontvangt u in dat geval vanzelf het benodigde verantwoordingsdocument.

3. Achtergrond informatie bij de Rkb

3. Achtergrond informatie bij de Rkb

De Regeling uitbreiding Kinderopvang en Buitenschoolse opvang (Rkb) heeft als doel gemeenten te ondersteunen bij de verdubbeling (landelijk) van de capaciteit aan kinderopvang tussen 1996 en 2003 (in totaal 82.140 opvangplaatsen).

De Regeling uitbreiding Kinderopvang en Buitenschoolse opvang (Rkb) heeft als doel gemeenten te ondersteunen bij de verdubbeling (landelijk) van de capaciteit aan kinderopvang tussen 1996 en 2003 (in totaal 82.140 opvangplaatsen).

De Rkb was bij de invoering (eind 1996) in eerste instantie alleen bedoeld voor de buitenschoolse opvang. In 1999 is de regeling uitgebreid met hele dagopvang. Hierdoor kent de regeling in feite twee startmomenten: 31-12-1996 en 31-12-1998.

De Rkb is een Ministeriële regeling vallend onder de Welzijnswet 1994 en het daarbij horende Bekostigingsbesluit. Op basis hiervan kunnen gemeenten een specifieke uitkering ontvangen om de uitbreiding van het aantal plaatsen kinderopvang te stimuleren. De gemeenten blijven gedurende de Rkb-periode verantwoordelijk voor algemeen kinderopvangbeleid (toezicht, kwaliteit, aanbod etc).

Over de toegekende Rkb-middelen dienen gemeenten verantwoording af te leggen aan het Rijk. De uitkering wordt op outputbasis verstrekt. Dit betekent dat er niet wordt afgerekend op werkelijk gemaakte kosten, maar dat er verantwoording wordt afgelegd, waaruit blijkt dat de activiteiten waarvoor de uitkering was bedoeld, zijn uitgevoerd.

Er is pas sprake van een gerealiseerde opvangplaats conform de Rkb als er met deze in exploitatie zijnde opvangplaats een toename is ten opzichte van de nulmeting (art. 2, derde en vierde lid) en als het kindercentrum gesubsidieerd wordt of als er tussen de gemeente en het kindercentrum een overeenkomst tot het leveren van opvangplaatsen is (artikel 1, onder j).

De uitkering bestaat uit een bedrag per opvangplaats. Het aantal uit te breiden opvangplaatsen (de taakstelling), is op aanvraag van de gemeenten toegekend (verleningsbeschikking aan gemeenten van 8 december 2000). De toegekende uitkering (het totaal van het aantal toegekende opvangplaatsen maal het bedrag per opvangplaats) is 100% bevoorschot. De Rkb loopt, met uitzondering van de extra taakstelling 2003, af op 31 december 2003. Indien bij de verantwoording blijkt dat er minder plaatsen zijn gerealiseerd dan afgesproken, dan wordt iedere te weinig gerealiseerde opvangplaats maal het bedrag teruggevorderd.

Het bedrag per opvangplaats is gedurende de looptijd van de Rkb een aantal malen verhoogd als gevolg van indexeringen, maar ook als gevolg van verschillende extra uitkeringen die zijn toegekend.

Er zijn zes uitkeringen te onderscheiden. Deze verschillende uitkeringen hebben allemaal hun eigen relevante meetmomenten en data voor verantwoording van de toegekende middelen. Het zijn: de extra bijdrage BSO 1997/98, de bonusuitkering 2001 versnelde uitbreiding, de gewone uitkering tot en met 2002, de gewone uitkering tot en met 2003, de instandhoudingsbijdrage 2003 en de extra taakstelling voor 2003. Deze laatste mag op aanvraag (zie code 702) nog in 2004 worden afgerond; hier staat geen extra subsidie tegenover.

Behalve door indexeringen en de verschillende uitkeringen, is de hoogte van de uitkering beïnvloed als gevolg van verzoeken uit de Tweede Kamer. Zo is vastgesteld dat opvangplaatsen met een verruimde openstelling (die meer dan 1650 uur (BSO) en 2160 uur (HDO) opvang bieden, meer waard zijn en met een factor tussen de 1,2 en 3,5 (zie ook hoofdstuk 5) vermenigvuldigd mogen worden. Om te voorkomen dat hierdoor het aantal opvangplaatsen zou afnemen zijn er nog 1100 extra opvangplaatsen beschikbaar gesteld. Deze zijn gelijktijdig met een herverdelingsronde toegekend (zie opnieuw de verleningsbeschikking van 8 december 2000).

4. Voorwaarden bij de verschillende uitkeringen

4. Voorwaarden bij de verschillende uitkeringen

Hieronder worden de zes aparte uitkeringen die te onderscheiden zijn binnen de Rkb beschreven. De relevante bedragen en meetmomenten voor die uitkering worden weergegeven en de consequenties bij het niet behalen van de benodigde uitbreiding. Zo kunt u voor uw gemeente een inschatting maken van te verwachten terugvorderingen. Let op: de meetmomenten per jaareinde zoals opgenomen in het verantwoordingsformulier zijn voor de gastouderopvang samengesteld uit meerdere peildata. Zie voor de precieze data hoofdstuk 2.

4.2 De uitkering extra bijdrage BSO 1997/1998

In 2000 hebben gemeenten aanvragen ingediend voor een extra bijdrage voor buitenschoolse opvangplaatsen die al in 1997 of in 1998 waren gerealiseerd. Voor elke gerealiseerde opvangplaats BSO in 1997, kon een extra bedrag van maximaal € 2949 ontvangen worden. Voor elke gerealiseerde opvangplaats BSO in 1998 was een bedrag van maximaal € 680 beschikbaar. Door het hoge aantal aanvragen zijn de vastgestelde bedragen naar beneden bijgesteld en vastgesteld op € 1237, respectievelijk € 412 (zie tevens het bevoorschottingsschema zoals opgenomen in de toelichting van de Wijziging van de Rkb van 21 november 2003 in bijlage II).

In 2000 hebben gemeenten aanvragen ingediend voor een extra bijdrage voor buitenschoolse opvangplaatsen die al in 1997 of in 1998 waren gerealiseerd. Voor elke gerealiseerde opvangplaats BSO in 1997, kon een extra bedrag van maximaal € 2949 ontvangen worden. Voor elke gerealiseerde opvangplaats BSO in 1998 was een bedrag van maximaal € 680 beschikbaar. Door het hoge aantal aanvragen zijn de vastgestelde bedragen naar beneden bijgesteld en vastgesteld op € 1237, respectievelijk € 412 (zie tevens het bevoorschottingsschema zoals opgenomen in de toelichting van de Wijziging van de Rkb van 21 november 2003 in bijlage II).

De volgende meetmomenten zijn bij deze uitkering van belang:

4.3 De bonusuitkering versnelde uitbreiding 2001

Ter versnelling van de uitbreiding kon voor een aantal opvangplaatsen een bedrag worden aangevraagd, maximaal € 2950, voor elke gerealiseerde opvangplaats die vanaf 31 december 2001 de helft te boven komt van de taakstelling. Door de grote toeloop van aanvragen is het bedrag per gerealiseerde opvangplaats vastgesteld op € 1942 (zie tevens de bijlage bevoorschottingsschema).

Ter versnelling van de uitbreiding kon voor een aantal opvangplaatsen een bedrag worden aangevraagd, maximaal € 2950, voor elke gerealiseerde opvangplaats die vanaf 31 december 2001 de helft te boven komt van de taakstelling. Door de grote toeloop van aanvragen is het bedrag per gerealiseerde opvangplaats vastgesteld op € 1942 (zie tevens de bijlage bevoorschottingsschema).

Tweede voorwaarde voor deze bonusuitkering is dat op 31 december 2002 tenminste 90% van de totale taakstelling moet zijn gerealiseerd. Voor deze uitkering zijn de volgende meetmomenten van belang:

4.4 De gewone uitkering tot en met 2002

Hiermee wordt de reguliere uitkering bedoeld, op basis van de toegekende taakstelling en het bedrag per opvangplaats dat daarbij hoort, zonder rekening te houden met de bonus- of overige uitkeringen. Benodigde meetmomenten voor vaststelling zijn:

Hiermee wordt de reguliere uitkering bedoeld, op basis van de toegekende taakstelling en het bedrag per opvangplaats dat daarbij hoort, zonder rekening te houden met de bonus- of overige uitkeringen. Benodigde meetmomenten voor vaststelling zijn:

4.5 De gewone uitkering tot en met 2003

Zoals bekend is de Rkb verlengd van 31 december 2002 naar 31 december 2003. Dit heeft als gevolg dat gemeenten die dat wensen een jaar langer mogen doen over het realiseren van hun taakstelling. Hiervoor zijn de relevante meetmomenten:

Zoals bekend is de Rkb verlengd van 31 december 2002 naar 31 december 2003. Dit heeft als gevolg dat gemeenten die dat wensen een jaar langer mogen doen over het realiseren van hun taakstelling. Hiervoor zijn de relevante meetmomenten:

4.6 De instandhoudingsbijdrage 2003

Met het verlengen van de Rkb naar 2003 werd van gemeenten verwacht dat ze de gerealiseerde opvangplaatsen ook een jaar langer in stand zouden houden. Hiervoor is een instandhoudingsbijdrage van € 1768,60 per gerealiseerde opvangplaats beschikbaar gesteld. Dit bedrag is 100% bevoorschot op basis van de taakstelling van iedere gemeente.

Met het verlengen van de Rkb naar 2003 werd van gemeenten verwacht dat ze de gerealiseerde opvangplaatsen ook een jaar langer in stand zouden houden. Hiervoor is een instandhoudingsbijdrage van € 1768,60 per gerealiseerde opvangplaats beschikbaar gesteld. Dit bedrag is 100% bevoorschot op basis van de taakstelling van iedere gemeente.

Voorwaarde is dat de taakstelling wel volledig is gerealiseerd per 31 december 2002. Zo niet dan wordt het te veel bevoorschotte bedrag aan instandhouding teruggevorderd. Uiteraard dienen deze plaatsen ook nog tot en met 31 december 2003 in stand te zijn gehouden. Als dat niet het geval is wordt het instandhoudingsbedrag eveneens navenant teruggevorderd.

De relevante meetmomenten voor deze uitkering zijn aldus:

4.7 De extra bijdrage 2003 (extra taakstelling)

Ten tijde van de verlenging van de Rkb in 2003, zijn eveneens middelen beschikbaar gekomen voor een extra uitbreiding van in totaal maximaal 10.000 extra opvangplaatsen.

Ten tijde van de verlenging van de Rkb in 2003, zijn eveneens middelen beschikbaar gekomen voor een extra uitbreiding van in totaal maximaal 10.000 extra opvangplaatsen.

Deze ‘extra taakstelling’ (want hij komt bovenop de eerdere taakstelling) kon op aanvraag worden toegekend (€ 1768,60 per gerealiseerde opvangplaats). Daaraan voorafgaand is een eerste verdeling gemaakt via het ‘SCP behoefte ramingsmodel’ op basis van de eind 2002 nog bestaande behoefte aan opvangplaatsen per gemeente.

Voor deze uitkering zijn de volgende meetmomenten van belang:

Het verschil tussen het aantal in exploitatie zijnde opvangplaatsen per 31 december 2003 en het aantal in exploitatie zijnde opvangplaatsen per 31 december 2002 is het aantal gerealiseerde opvangplaatsen in 2003. Ervan uitgaande dat eerst de gewone (eerste) taakstelling in 2003 wordt gerealiseerd (die opvangplaatsen zijn tenslotte meer geld waard) wordt pas daarna de eventuele meeruitbreidingen toegeschreven aan de ‘extra taakstelling’, in casu de taakstelling over 2003 betreffende de 10.000 extra opvangplaatsen.

4.8 Extra middelen Inspectie en toezicht

Deze middelen maken geen deel uit van de zes deeluitkeringen Rkb, omdat er geen voorwaarden aan verbonden zijn.

Deze middelen maken geen deel uit van de zes deeluitkeringen Rkb, omdat er geen voorwaarden aan verbonden zijn.

Deze uitkering is wel per toegekende opvangplaats verstrekt: € 71,59 per opvangplaats voor de reguliere taakstelling en € 24,40 per opvangplaats uit de extra taakstelling 2003.

5. Voldoen aan de voorwaarden en controle

5. Voldoen aan de voorwaarden en controle

In de voorgaande hoofdstukken zijn naast de toelichting op het verantwoordingsformulier (hoofdstuk 2) de Rkb beschreven (hoofdstuk 3) en wat de voorwaarden voor de verschillende uitkeringen zijn (hoofdstuk 4).

In de voorgaande hoofdstukken zijn naast de toelichting op het verantwoordingsformulier (hoofdstuk 2) de Rkb beschreven (hoofdstuk 3) en wat de voorwaarden voor de verschillende uitkeringen zijn (hoofdstuk 4).

Hieronder zal worden aangegeven met welke achterliggende stukken kan worden onderbouwd dat de in exploitatie zijnde opvangplaatsen gerealiseerd zijn en hoe de controle op een verantwoorde opvangplaats door de accountant zal plaatsvinden.

In de volgende paragrafen wordt onder andere een opsomming gegeven van de achterliggende stukken die de realisatie van de uitbreiding van de capaciteit onderbouwen. Bij zijn controle dient de accountant rekening te houden met de bewijskracht van deze stukken. Indien gebruik wordt gemaakt van de gecontroleerde jaarrekening van een kindercentrum dient de accountant (indien materieel of noodzakelijk voor zijn oordeel bij de verantwoording) een review uit te voeren bij de accountant van de betreffende instelling. Indien de accountant gebruik maakt van stukken van een kindercentrum dan dient hij via eigen werkzaamheden de betrouwbaarheid van deze gegevens te beoordelen.

5.2 De toetsingseisen

De gerealiseerde opvangplaatsen dienen aan een aantal (rechtmatigheids) eisen te voldoen. De accountant zal de aantallen in exploitatie zijnde opvangplaatsen die worden ingevuld op het verantwoordingsformulier aan deze eisen toetsen. Het is verstandig uw administratie zo veel mogelijk hier op in te richten.

De gerealiseerde opvangplaatsen dienen aan een aantal (rechtmatigheids) eisen te voldoen. De accountant zal de aantallen in exploitatie zijnde opvangplaatsen die worden ingevuld op het verantwoordingsformulier aan deze eisen toetsen. Het is verstandig uw administratie zo veel mogelijk hier op in te richten.

In de volgende paragrafen wordt een groot aantal stukken opgesomd die kunnen dienen ter onderbouwing van de realisatie van de uitbreiding van de capaciteit (die moet voldoen aan de in deze paragraaf genoemde toetsingseisen). Het is daarom belangrijk dat de gemeente over de stukken beschikt (ook van de kindercentra en gastouderbureau’s) en dat deze stukken ordelijk en controleerbaar zijn geadministreerd en gearchiveerd. De accountant kan vervolgens bij zijn controle gebruik maken van (combinaties van) al deze stukken. Het kan zijn dat de accountant een onderzoek wenst in te stellen bij de kindercentra of de gastouderbureau’s. Bereid hen voor om indien nodig inzage te geven in hun administratie en te voldoen aan het verzoek om stukken op te leveren.

5.2.1 BSO en HDO

Het spreekt voor zich dat de opgegeven opvangplaatsen geëxploiteerd worden door kindercentra en of gastouderbureau’s (artikel 2, vijfde lid van de Rkb) en dus minimaal voldoen aan het gestelde in het Tijdelijk besluit kwaliteitsregels kinderopvang.

Het spreekt voor zich dat de opgegeven opvangplaatsen geëxploiteerd worden door kindercentra en of gastouderbureau’s (artikel 2, vijfde lid van de Rkb) en dus minimaal voldoen aan het gestelde in het Tijdelijk besluit kwaliteitsregels kinderopvang.

Er is sprake van een (gerealiseerde) opvangplaats BSO indien het aanbod op jaarbasis voor buitenschoolse opvang tenminste 1050 uur betreft. Er is sprake van een (gerealiseerde) opvangplaats HDO indien het aanbod voor dagopvang tenminste 2160 uur betreft (artikel1, onder j). Dit betekent dat bij het tellen van het aantal gerealiseerde opvangplaatsen geteld wordt op basis van capaciteit.

5.2.2 Meetmomenten

De accountant zal moeten vaststellen dat de bij de verschillende meetmomenten of peildata opgegeven aantallen opvangplaatsen ook op die datum zijn gerealiseerd.

De accountant zal moeten vaststellen dat de bij de verschillende meetmomenten of peildata opgegeven aantallen opvangplaatsen ook op die datum zijn gerealiseerd.

Bij de opgave om in aanmerking te komen voor de extra rijksbijdrage BSO 97/98 is het ook van belang vast te stellen dat er geen sprake is van verschuiving in de tijdstippen van realisatie (artikel 2, lid 1, 2, 3, 6, 9,10). Dit geldt ook voor de overige meetmomenten.

5.2.3 Urencriteria

Een gerealiseerde opvangplaats kan ook bestaan uit een in exploitatie zijnde opvangplaats met verruimde openingstijden (artikel 2, lid 7, 8 en 11). Hieronder staat bij het maximaal uren opvang per jaar per opvangsoort de omrekenfactor vermeld, waarmee het aantal in exploitatie zijnde opvangplaatsen vermenigvuldigd mag worden (dit wordt in de rekentool automatisch gedaan).

Een gerealiseerde opvangplaats kan ook bestaan uit een in exploitatie zijnde opvangplaats met verruimde openingstijden (artikel 2, lid 7, 8 en 11). Hieronder staat bij het maximaal uren opvang per jaar per opvangsoort de omrekenfactor vermeld, waarmee het aantal in exploitatie zijnde opvangplaatsen vermenigvuldigd mag worden (dit wordt in de rekentool automatisch gedaan).

Voor in exploitatie zijnde opvangplaatsen met verruimde openingstijden ontvangt een gemeente dus niet meer middelen, maar kan wel de taakstelling eerder bereikt worden.

Een voorbeeld: Een gemeente heeft een taakstelling van 10 gerealiseerde opvangplaatsen. De gewone uitkering bedraagt 10 x € 5939,22 = € 59392,22.

Doordat het realiseren van ruim 6,6 opvangplaatsen met openingstijden tussen de 3240 en 6120 (10 gedeeld door 1,5) heeft deze gemeente de taakstelling bereikt. Het is dus niet zo dat de 10 opvangplaatsen vermenigvuldigd worden met 1,5 (10 x 1,5 = 15) en dat er voor 5 opvangplaatsen nog recht op een extra uitkering zou gelden.

Het aantonen van verruimde openingstijden kan bijvoorbeeld door de vermelding in de afgegeven vergunningen of daaraan gelijk gestelde verklaringen (conform het Tijdelijk besluit kwaliteitsregels kinderopvang). Het aantonen van voldoende personeel (contracten, geschreven uren, loonstaten e.d.) kan dit onderbouwen.

Naast vergunningen kunnen inspectierapporten of verslagen van de toezichthoudende instantie, brochures van de instelling, geschreven uren door het personeel of loonstaten, een bron zijn voor de vaststelling van het aantal opvangplaatsen met verruimde openingstijden (flexibele opvang).

5.2.4 In exploitatie zijn/capaciteit

Conform artikel 2, derde lid van de Rkb moet een opvangplaats in exploitatie zijn. Wanneer is een opvangplaats in exploitatie?

Conform artikel 2, derde lid van de Rkb moet een opvangplaats in exploitatie zijn. Wanneer is een opvangplaats in exploitatie?

In de toelichting van het nulmetingsformulier dat in 2000 naar de gemeenten is verzonden staat:

‘Het gaat bij de telling van de opvangplaatsen in de nulmeting om de capaciteit en niet om de bezetting. De opvangplaatsen dienen in exploitatie te zijn’.

En verder:

‘Een opvangplaats is in exploitatie als de voorzieningen op het gebied van huisvesting, organisatie en personeel getroffen zijn. De accommodatie dient verworven of gehuurd, gebouwd of verbouwd en ingericht te zijn. Kortom, de huisvesting moet gebruiksklaar zijn.

Verder moet de organisatie in staat zijn daadwerkelijk opvang aan te bieden en daar in alle relevante aspecten uitvoering aan kunnen geven.

Tenslotte is voldoende personeel vereist. Het Tijdelijk besluit kwaliteitsregels kinderopvang, de gemeentelijke verordeningen op de kwaliteit van de kinderopvang en de CAO-welzijnswerk ‘(inmiddels heeft de sector ook een eigen CAO Kinderopvang)’… bevatten bepalingen omtrent de vereiste omvang en de kwalificaties van het personeelsbestand. Met in achtneming van die normen, moet het aantal functionarissen tenminste gelijke tred houden met het aantal kinderen dat van de opvang gebruik maakt. Dan tellen alle opvangplaatsen mee, bezette en onbezette’.

Een voorbeeld: Een kindercentrum in uw gemeente heeft uitgebreid met 20 in exploitatie zijnde opvangplaatsen en de bezetting is slechts 80% dan blijft het aantal gerealiseerde opvangplaatsen 20 en wordt niet 16 (indien aan alle andere rechtmatigheidseisen is voldaan).

In een circulaire van 28 maart 2002 (DJB/KO-2261421) is ‘gerealiseerde kindplaats’ nog als volgt nader toegelicht:

‘een opvangplaats zoals bedoeld in artikel 1 van de Rkb die derhalve in exploitatie is genomen gedurende de periode van de Rkb en waarbij sprake is van een financiële relatie tussen de exploitant en de gemeente. Een opvangplaats is in exploitatie wanneer er voorzieningen op het gebied van huisvesting, organisatie en personeel getroffen zijn. Het moet gaan om een voor kinderopvang goedgekeurde gelegenheid, waarbij de organisatie in staat is om op aanvraag onmiddellijk daadwerkelijk opvang te leveren. Dit betekent dat er voldoende oproepbaar personeel beschikbaar is.’

Uit de administratie van de gemeente zal een en ander moeten blijken. Met de vergunningafgifte aan ieder kindercentrum (artikel 1 onder f, g en h) wordt voldaan aan de eis van voldoende personeel en aan de (overige) eisen van het Tijdelijk besluit kwaliteitsregels kinderopvang. Indien de vergunning (of een daaraan gelijkgestelde verklaring conform het Tijdelijk besluit kwaliteitsregels kinderopvang) tevens het aantal in exploitatie zijnde of gerealiseerde opvangplaatsen noemt, is de uitbreiding van opvangplaatsen voldoende onderbouwd. Naast de vergunningen kunnen inspectierapporten of verslagen van de toezichthoudende instantie, bouwvergunningen of bouwtekeningen een bron zijn van het aantal in exploitatie zijnde opvangplaatsen. Gecontroleerde jaarrekeningen en/of stukken van de instelling, zoals jaarverslagen en prestatiegegevens kunnen tevens dienen om het aantal gerealiseerde opvangplaatsen te onderbouwen.

5.2.5 Financiële relatie

In het geval van het verkrijgen van een subsidie of het afsluiten van een overeenkomst wordt de term financiële relatie gebruikt. In de toelichting van het nulmetingsformulier uit 2000 staat:

In het geval van het verkrijgen van een subsidie of het afsluiten van een overeenkomst wordt de term financiële relatie gebruikt. In de toelichting van het nulmetingsformulier uit 2000 staat:

‘Bij de nulmeting en de eindmeting in het kader van deze regeling worden alleen opvangplaatsen geteld in kinderopvanginstellingen waar de gemeente een financiële relatie mee heeft. De opvangplaatsen die in zo’n kinderopvanginstelling worden verhuurd, tellen dus ook mee. Met een kinderopvanginstelling wordt een centrum voor buitenschoolse opvang, dagopvang of een gastouderbureau bedoeld. De financiële relatie heeft de vorm van een gemeentelijke subsidie of een overeenkomst tot het leveren van opvangplaatsen. Indien een gemeente met een instelling slechts een overeenkomst heeft gesloten ten behoeve van gemeentelijk personeel is er geen sprake van een financiële relatie.’

Op verzoek van veel gemeenten en het veld is bij circulaire van 28 maart 2002 (DJB/KO-2261421) dit begrip nader toegelicht om te bewerkstelligen dat gemeenten de inrichting van hun administratie hierop konden afstemmen:

‘de gemeente heeft een financiële relatie met een kindercentrum of instelling voor gastouderopvang, zoals bedoeld in artikel 1, lid j van de Rkb, wanneer aantoonbaar is (bijvoorbeeld door een overeenkomst of subsidiebeschikking) dat er middelen van de gemeente naar dit kindercentrum vloeien of zijn gevloeid ten behoeve van het realiseren van opvangplaatsen. Van belang hierbij is dat de financiële relatie per 31 december 20022Door de latere verlenging van de Rkb naar 31 december 2003, kan 2002 hier worden vervangen door 2003, in geval er wordt gekozen voor het afrekenmoment 31 december 2003. nog bestaat. Dit is bijvoorbeeld het geval als de overeenkomst of de beschikking betrekking heeft op een aantal kindplaatsen dat per die datum gerealiseerd moet zijn’.

Het is van belang dat de accountant nagaat dat alle opvangplaatsen (in exploitatie zijnde capaciteit) van kinderopvanginstellingen, waarmee de gemeente een financiële relatie heeft, in het verantwoordingsformulier zijn opgenomen. Opvangplaatsen die met andere Rijksmiddelen worden gefinancierd, tellen volledig mee.

De meest voor de hand liggende financiële relatie is een jaarlijks terugkerende subsidie of een bedrag dat over meerdere jaren (bijvoorbeeld tot en met het einde van de Rkb-periode) beschikbaar is gesteld. Bijvoorbeeld in het geval van een jaarlijks subsidiebedrag van de gemeente aan een instelling of kindercentrum ten behoeve van de exploitatie van uitbreidingsplaatsen of ten behoeve van de exploitatie van subsidieplaatsen etc.

Er zijn echter ook varianten denkbaar waarbij de financiële relatie wel betrekking heeft op de in exploitatie zijnde opvangplaatsen, maar waarvan de daadwerkelijke betaling is gecomprimeerd in één of enkele betalingsmomenten. Te denken valt aan investeringsbijdragen bij nieuwbouw of uitbreidingen, eenmalige bijdragen ten behoeve van de huur of aankoop van een pand, waarderingssubsidies etc.

In dergelijke gevallen zal ultimo 2003 het aantal in exploitatie zijnde opvangplaatsen en koppelingen vastgesteld moeten worden; de financiële relatie echter kan al vóór 2003 zijn ontstaan.

De hoogte van de subsidie of de omvang van de uitkering die hiermee gemoeid is, dan wel het aantal instellingen/kindercentra dat hierbij betrokken is, is een beslissing die valt onder de autonomie van de gemeenten.

De financiële relatie kan ook zijn aangegaan met een overkoepelende instelling. In dat geval moet wel uit de administratie, subsidiebeschikking of overeenkomst, blijken om welke kindercentra (locatie) van deze koepelinstelling het gaat.

Bij het aantonen van een financiële relatie kan gebruik worden gemaakt van contracten, overeenkomsten, subsidiebeschikkingen, goedgekeurde begrotingen en jaarrekeningen van de gemeente (hierin zijn capaciteitsgegevens vermeld), financiële jaarverslagen of concrete overboekingsinformatie (crediteurenadministratie). Besluiten en/of (vastgestelde) nota’s van de gemeenteraad en/of B&W kunnen bijdragen aan het aantonen van inzet van gemeentelijke financiële middelen.

Zoals beschreven in hoofdstuk 2, bij de aanpassingen van de nulmeting (codes 201b en 301b), kan er gaandeweg de Rkb-periode alsnog een subsidie worden verstrekt of een overeenkomst worden gesloten met kindercentra in een gemeente, waar ten tijde van de nulmeting géén financiële relatie mee bestond. De uitbreidingsplaatsen van deze kindercentra kunnen worden meegeteld. In dat geval moet het aantal opvangplaatsen dat al aanwezig was ten tijde van de nulmeting, alsnog worden vastgesteld en door de accountant worden gecontroleerd.

5.2.6 Tellen van koppelingen gastouderopvang

Voor de vaststelling van het aantal gerealiseerde opvangplaatsen bij gastouderopvang, telt u het aantal koppelingen. Elke afgesloten overeenkomst geldt als een koppeling (artikel 1, onder i), ook als er meerdere kinderen op de overeenkomst zijn vastgelegd.

Voor de vaststelling van het aantal gerealiseerde opvangplaatsen bij gastouderopvang, telt u het aantal koppelingen. Elke afgesloten overeenkomst geldt als een koppeling (artikel 1, onder i), ook als er meerdere kinderen op de overeenkomst zijn vastgelegd.

In de circulaire van 28 maart 2002 is het begrip koppeling als volgt omschreven:

‘een koppeling is een schriftelijke overeenkomst met ouder(s), pleeg- of stiefouder(s) betreffende het aantal af te nemen uren (minimaal 5) gastouderopvang. Bij gastouderopvang moet in ieder geval sprake zijn van kinderopvang in een gezinssituatie, tot stand gekomen door middel van een gastouderbureau. Bij de metingen in het kader van de Rkb telt elke afgesloten overeenkomst als één koppeling. Dus ook als er meerdere kinderen op één overeenkomst staan, wordt de overeenkomst als één koppeling beschouwd.’

Voor de geldigheid van een koppeling (dus om deze mee te mogen tellen voor de Rkb) ligt een overeenkomst met de vraagouder ten grondslag. Deze overeenkomst kan direct tussen vraagouder en gastouder zijn, maar ook tussen vraagouder en gastouderbureau. In het eerste geval moet er vervolgens wel een direct verband te zijn tussen gastouder en gastouderbureau, want zonder bemiddeling van een gastouderbureau is er weer geen sprake van formele gastouderopvang.

Voor uw gemeente betekent dit dat voor het achterhalen van het aantal koppelingen binnen uw gemeente, het voor de hand ligt, dat u een beroep doet op het gastouderbureau in uw of andere (omliggende) gemeenten. U zult hier dus zelf actie voor moeten ondernemen en dit op inzichtelijke wijze opnemen in de gemeentelijke administratie. Houdt u rekening met de verschillende peildata die gelden bij het tellen van de koppelingen. Deze zijn gebaseerd op het gemiddelde van drie meetmomenten in een jaar en deze meetmomenten zijn niet bij elke uitkering hetzelfde. Zie ook hoofdstuk 2 en hoofdstuk 4.

5.2.7 Opvang in andere gemeenten

De Rkb staat toe dat u uitbreiding van opvangplaatsen realiseert in een andere gemeente3Deze situatie kan zich ook voordien als gevolg van grenscorrecties die zich mogelijk hebben voorgedaan, gedurende de Rkb-periode (bijvoorbeeld Leidschendam-Voorburg, Den Haag, Rijswijk). (bijvoorbeeld buurgemeente). Ook voor dergelijke gerealiseerde opvangplaatsen blijven de normale voorwaarden van kracht: u zult dus naast een capaciteitsuitbreiding ten opzichte van de nulmeting ook een financiële relatie met deze kindercentra moeten hebben. Ten behoeve van de controle is het raadzaam dergelijke in exploitatie zijnde opvangplaatsen goed af te stemmen en vast te leggen met de betreffende buurgemeente.

De Rkb staat toe dat u uitbreiding van opvangplaatsen realiseert in een andere gemeente3Deze situatie kan zich ook voordien als gevolg van grenscorrecties die zich mogelijk hebben voorgedaan, gedurende de Rkb-periode (bijvoorbeeld Leidschendam-Voorburg, Den Haag, Rijswijk). (bijvoorbeeld buurgemeente). Ook voor dergelijke gerealiseerde opvangplaatsen blijven de normale voorwaarden van kracht: u zult dus naast een capaciteitsuitbreiding ten opzichte van de nulmeting ook een financiële relatie met deze kindercentra moeten hebben. Ten behoeve van de controle is het raadzaam dergelijke in exploitatie zijnde opvangplaatsen goed af te stemmen en vast te leggen met de betreffende buurgemeente.

Dit is zeker van belang als ‘uw’ gerealiseerde opvangplaatsen betrekking hebben op een kindercentrum, waar ook de buurgemeente opvangplaatsen conform de Rkb heeft gerealiseerd en deze in exploitatie zijnde opvangplaatsen wil opvoeren voor de taakstelling: gerealiseerde opvangplaatsen waar al een financiële relatie mee bestaat, mogen uiteraard niet dubbel worden opgegeven.

De gemeente moet zorgen dat de afstemming van de opgenomen aantallen in buurgemeenten heeft plaatsgevonden met die buurgemeenten en dat schriftelijk is vastgelegd waaruit blijkt welke gemeente welke in exploitatie zijnde opvangplaatsen declareert.

Deze stukken en mogelijk stukken die in bezit zijn van de buurgemeente, zullen beschikbaar moeten zijn bij de controle door uw accountant. Het is raadzaam hier in overleg met de buurgemeente op voorbereid te zijn.

In het nulmetingsformulier staat een en ander als volgt omschreven:

‘Het is mogelijk dat gemeenten samenwerken om opvangplaatsen te realiseren. In de praktijk kan dit betekenen dat de opvang niet in de gemeente zelf, maar in een buurgemeente of centrumgemeente wordt gerealiseerd. De samenwerkende gemeenten moeten voldoende administratieve voorzieningen treffen om te kunnen bepalen welke gemeente met welk deel van de gezamenlijk gerealiseerde opvangplaatsen een bekostigingsrelatie onderhoudt’.

En:

‘Soms is het voor alle betrokken gemeenten niet meteen duidelijk dat een gemeente opvangplaatsen heeft gerealiseerd in een andere gemeente. In die gevallen onderhoudt de ene gemeente een financiële relatie met opvangplaatsen in een andere gemeente, zonder dat die gemeente daarvan op de hoogte is. Er wordt dan direct zaken gedaan tussen een gemeente en een centrum voor kinderopvang of een gastouderbureau in ene andere gemeente. Dat kan bijvoorbeeld doordat een gemeente een overeenkomst tot het leveren van opvangplaatsen afsluit met een opvangvoorziening in een andere gemeente. Die opvangplaatsen moeten toegerekend worden aan de gemeente, waarmee de overeenkomst is afgesloten; de gemeente waar het centrum voor buitenschoolse opvang, dagopvang of het gastouderbureau is gevestigd, mag deze opvangplaatsen niet meetellen. Om te voorkomen dat beide gemeenten dezelfde plaatsen opvoeren in de nulmeting (en eindmeting)en deze plaatsen dus dubbel worden geteld, worden gemeenten geacht elkaar over deze opvangplaatsen te informeren’.

Zorgt u er dus voor dat uit uw administratie blijkt hoeveel opvangplaatsen uw gemeente declareert en hoeveel opvangplaatsen uw buurgemeente (of gemeente waar u mee samen werkt). Van belang is dat de opgegeven aantallen door u en uw buurgemeente overeen komen. Een en ander is ook van belang bij het aantonen van de financiële relatie met de kindercentra/ instellingen. Een voorgeschreven manier van vastleggen van deze samenwerking wordt niet gegeven, maar gedacht kan worden aan gemeenteraadbesluiten, besluiten van B&W, nota’s, overeenkomsten en/of officiële briefwisseling tussen gemeentebesturen en/of B&W etc.

Als dit niet is vastgelegd dan kan B&W hier alsnog informatie over opvragen bij de betrokken kindercentra.

Bereidt u uw kindercentra hierop voor.

Bij opvang in andere gemeenten:

De accountant dient naast de hierboven genoemde zaken, tevens vast te stellen dat samenwerkende gemeenten voldoende administratieve voorzieningen hebben getroffen om te bepalen welke gemeente met welk deel van de gezamenlijk gerealiseerde opvangplaatsen een bekostigingsrelatie onderhoudt.

Bij gemeentegrens overschrijdende kinderopvang dienen de betreffende in exploitatie zijnde opvangplaatsen toegerekend te worden aan de gemeente waarmee de overeenkomst is afgesloten. Om te voorkomen dat gemeenten dezelfde plaatsen dubbel opvoeren, dient de accountant, naast de hierboven genoemde zaken, vast te stellen dat gemeenten onderling deze opvangplaatsen hebben afgestemd en niet dubbel bij het Rijk hebben gedeclareerd.

Een andere vorm van samenwerking kan voorkomen bij samenwerkende regio’s of via mandatering van bestuursorganen. Van belang is dat in dat geval het juiste besluit is genomen en nog van kracht is (mandaatbesluit).

6. Vaststellen uitkering

6. Vaststellen uitkering

In hoofdstuk 5 is uiteengezet op welke wijze een onderbouwing met relevante stukken kan worden gegeven waaruit blijkt dat aan de voorwaarden van de Rkb is voldaan. Hieronder volgt de beleidslijn die gevolgd gaat worden bij de vaststelling van uw subsidie (uitkering).

In hoofdstuk 5 is uiteengezet op welke wijze een onderbouwing met relevante stukken kan worden gegeven waaruit blijkt dat aan de voorwaarden van de Rkb is voldaan. Hieronder volgt de beleidslijn die gevolgd gaat worden bij de vaststelling van uw subsidie (uitkering).

Bij correct ingevulde verantwoordingen met een goedkeurende accountantsverklaring, wordt afhankelijk van het halen (realiseren) van de taakstelling het subsidiebedrag vastgesteld overeenkomstig de subsidieverlening. Indien er minder plaatsen zijn gerealiseerd dan vastgelegd in de taakstelling dan wordt dit mindere aantal gerealiseerde plaatsen teruggevorderd (artikel 51 Bekostigingsbesluit).

Overeenkomstig het controle- en rapportageprotocol wordt van uw accountant verwacht dat indien de in het verantwoordingsformulier aangetroffen fouten de 1% en/of de onzekerheden de 3% (van het totale aantal in exploitatie zijnde opvangplaatsen) overschrijden, de fouten en onzekerheden worden gerapporteerd. De accountant zal in het rapport van bevindingen vermelden om hoeveel opvangplaatsen het gaat en in welk toetspunt de oorzaak van de onzekerheden of fouten ligt. Indien de toleranties worden overschreden, dient de accountant de geëxtrapoleerde fouten of onzekerheden apart te rapporteren met vermelding van de oorzaken, gekwantificeerd (en geëxtrapoleerd) naar de toetspunten uit hoofdstuk 5.2.

Indien op het verantwoordingsformulier is gekozen voor code 402 (Afrekening bonusuitkering bij herindeling) dient per gemeente te worden gerapporteerd.

Bovenstaande houdt in dat het ministerie in staat moet zijn de gekwantificeerde fouten en onzekerheden te corrigeren op de aantallen in exploitatie zijnde opvangplaatsen zoals verantwoord in de vakjes op het verantwoordingsformulier (bij de codes 201 t/m 304) en de eventueel ingevulde bijlagen (bij de codes 101 t/m 130).

Als de fouten de 1% overschrijden en/of de onzekerheden de 3% overschrijden, kan dit leiden tot een afkeurende verklaring, een verklaring van oordeelonthouding of een verklaring met beperking.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)